Oefenpakket Recht

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


Inhoudsopgave

 

 

1.  Oefententamen 2006-1

 

2.  Oefententamen 2006-2

 

3.  Oefententamen 2006-3

 

4.  Oefententamen 2008-1

 

5.  Oefententamen 2008-2

 

6.  Oefententamen 2009

 

7.  Oefententamen 2011

8.  Oefententamen 2012

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


1. Oefententamen 2006-1

 

 

Vraag 1

Aan de hand van rechtsovertuiging (opinio iuris) en statenpraktijk wordt het internationale gewoonterecht vastgesteld.

a. Waaruit bestaat statenpraktijk?

b. Aan welke voorwaarden moet statenpraktijk voldoen om van betekenis te zijn voor de vaststelling van een regel van gewoonterecht?

 

Vraag 2

Kan er gesteld worden dat individuen internationale rechtspersoonlijkheid bezitten? Zo ja, waarom?

 

Vraag 3

Noem de voorwaarden waaronder een staat diplomatieke bescherming mag  uitoefenen?

 

Vraag 4

 

a. Wat wordt er verstaan onder de term ‘humanitaire interventie’?

b. Staat het huidige internationaal recht humanitaire interventie toe?

 

Op 13 november 2005 vond een explosie plaats bij een chemische fabriek in China, waardoor 100 ton benzeen de rivier de Songhua instroomde. De rivier Songhua is verbonden met de rivier de Amur in Rusland. Door de ramp kwam de Chinese miljoenenstad Harbin dagenlang zonder drinkwater te zitten. In december bereikte het gif Rusland en bedreigde daar de stad Khabarovsk.

 

Stel dat er geen relevante verdragen van kracht zijn tussen China en Rusland. Stel ook dat bovendien is gebleken dat China langere tijd heeft verzuimd toe te zien op naleving van de veiligheidsvoorschriften door de chemische fabriek waar de explosie plaats vond.

 

Vraag 5

Leg uit of China door te verzuimen om erop toe te zien dat de veligheidsvoorschriften door de fabriek werden nageleefd, een internationale rechtsplicht heeft geschonden?

 

Vraag 6

Leg uit of Rusland bevoegd was tot het nemen van tegenmaatregelen in reactie op de gestelde onrechtmatige daad van China?

 

Vraag 7

Noem de voorwaarden waaronder Rusland een zaak tegen China voor het Internationaal Gerechtshof kan brengen om schadevergoeding van China te eisen.

 

Vraag 8

Welke internationaal-rechtelijke methoden voor beslechting van het geschil staan de partijen ter beschikking als een procedure voor het Internationale gerechtshof niet mogelijk is? Hierbij moet een onderscheidt worden gemaakt tussen juridische en niet-juridische methoden.

 

De Volkskrant - maandag 12 december 2005

 

Uitleveren terreurverdachte aan VS toegestaan

ROTTERDAM - Nederland mag van de rechtbank in Rotterdam de Nederlandse terreurverdachte Wesam Al D. aan de Verenigde Staten uitleveren. Dat besluit maakte de rechtbank maandag bekend. De Amerikanen verdenken Al D. van samenzwering tot het plegen van aanslagen op Amerikaanse militairen in Irak in 2003.

 

Zijn advocaat, V. Koppe, verzette zich vorige maand nog hevig tegen de overdracht van de 32-jarige Nederlander van Irakese afkomst aan de VS. Volgens Koppe toont het Openbaar Ministerie (OM) weinig respect voor de Nederlandse strafrechter. Het OM was namelijk zelf ook al een strafzaak tegen Al D. begonnen voor dezelfde strafbare feiten als waarvoor de VS hem willen berechten. De raadsman heeft direct na de uitspraak aangekondigd deze beslissing te zullen aanvechten bij de Hoge Raad.

Het OM vindt dat het belang van de Amerikanen in deze zaak echter groter is, dan dat van Nederland. De verdachte zal na zijn uitlevering bij een federale rechtbank terecht staan en zijn rechten zijn gewaarborgd, meent justitie. Ook bestaat de mogelijkheid dat Wesam Al D. zijn eventuele gevangenisstraf uiteindelijk in Nederland mag uitzitten.

De rechter zag dan ook geen belemmeringen voor de uitlevering. Koppe gelooft er helemaal niets van dat de rechten van zijn cliënt in de VS gerespecteerd zullen worden. ‘Wat staat hem te wachten als Washington hem toch als een vijandelijke strijder bestempelt? Inmiddels mag feitelijk worden aangenomen dat de Amerikanen in dit soort gevallen niet voor marteling terugdeinzen’, constateert hij. ‘Voor garanties van de VS kopen we niets, want we weten dat die in de strijd tegen terrorisme zo aan de kant worden geschoven. De enige kans op een eerlijk proces is hier in Nederland.’

[...]

 

Vraag 9

  1. Biedt het internationaal recht in dit geval uitgangspunten voor de uitoefening van rechtsmacht door respectievelijk Nederland en de Verenigde Staten?
  2. Zo ja, noem deze uitgangspunten.

 

Vraag 10

Stel dat Nederland toch niet tot uitlevering van Al D had willen overgaan terwijl het uitleveringsverdrag Nederland hiertoe wel verplichtte. En stel bovendien dat Nederland, om dit juridisch mogelijk te maken, zou overwegen om het uitleveringsverdrag op te schorten. Biedt het internationale recht gronden om eenzijdig een verdrag op te schorten? Zo ja, welke?

 

Vraag 11

Stel dat Nederland geen gehoor had gegeven aan het verzoek tot uitlevering, en dat de Verenigde Staten Al D. vervolgens hadden gekidnapped op Nederlands grondgebied en naar de Verenigde Staten hadden gebracht. Zouden de Verenigde Staten in dat geval rechtsprekende rechtsmacht kunnen uitoefenen over Al D.?

 

Vraag 12

In de zogeheten ‘strijd tegen het terrorisme’ hebben veel staten individuele vrijheden, zoals bijvoorbeeld neergelegd in het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), beperkt. Beredeneer of - en zo ja, op welke wijze - het EVRM een dergelijke inperking van individuele rechten toestaat. Acht u de toenemende inperking van individuele rechten ten behoeve van het algemeen veiligheidsbelang een wenselijke ontwikkeling?

 

Antwoorden oefententamen 2006-1

 

Vraag 1a & b

De praktijk van staten kan bestaan uit handelingen van alle staatsorganen (regering, wetgever of rechter) of uit de verdragspraktijk.

Het kan zowel gaan om handelen als om hetonthouden van actie. Hieronder vallen onder andere berusting, protest en nationaal rechtelijke uitspraken. Ook resoluties van de VN Veiligheidsraad kunnen bepaalde indicatie geven.

Om binnen het begrip te vallen moet statenpraktijk omvangrijk (“extensive”) en vrijwel uniform (“virtually uniform”) zijn. Dat betekent dat de praktijk door relatief veel staten moet worden gevolgd en dat staten zich in gelijke omstandigheden gelijk dienen te gedragen. Hierbij gaat het vooral om de staten die een belang bij de regel hebben ("whose interests were specially affected". North Sea Continental Shelf Cases, par. 73-74.)

Er is geen specifieke tijdsduur vereist voor statenpraktijk, zelfs 'instant custom' is mogelijk. 'The passage of only a short period of time was not necessarily a bar to the formation of a new rule of customary international law' (North Sea Continental Shelf Cases, par. 74.)

De eis van consistentie werd nader uitgelegd in de Nicaragua zaak, waarin het hof bepaalde dat volledige uniformiteit niet noodzakelijk was. "The Court deems it sufficient that the conduct of states should, in general, be consistent with such rules, and that instances of State conduct inconsistent with a given rule should generally have been treated as breaches of that rule, not as indications of the recognition of a new rule." (Nicaragua Case (Merits), par. 186)

 

Vraag 2

Internationale rechtssubjectiviteit behelst de bekwaamheid om binnen de internationale rechtsorde deel te nemen aan het rechtsverkeer. Het begrip rechtssubjectiviteit is een containerbegrip en kan ondermeer betekenen dat een entiteit internationale rechten en plichten heeft en verdragen kan sluiten.

Rechtspersoonlijkheid kan volledig of beperkt zijn. Staten zijn de enige rechtssubjecten met volledige rechtspersoonlijkheid. Dat rechtspersoonlijkheid geen eenvormig begrip is werd ook uitgelegd in de Reparation for Injuries zaak: 'The subjects of law in any legal system are not necessarily identical in their nature or in the extent of their rights, and their nature depends upon the needs of the community.' (p. 232 Reparation for Injuries). Individuen hebben slechts een aantal rechten en plichten in het internationaal recht (zij kunnen bijvoorbeeld geen verdragen sluiten). Op grond daarvan kan gezegd worden dat zij een beperkte rechtspersoonlijkheid bezitten. (HB RN 69-72)

Individuen hebben relatieve rechtspersoonlijkheid, in tegenstelling tot staten en bijvoorbeeld de VN die objectieve rechtspersoonlijkheid hebben.

In de LaGrand zaak heeft het Internationaal gerechtshof aanvaardt dat individuen subject van internationaal recht zijn.

De meest fundamentele rechten van de mens gelden op basis van internationaal gewoonterecht wereldwijd en onafhankelijk van de instemming van staten.

Individuen kunnen op basis van internationaal gewoonterecht vervolgd worden voor het Internationaal strafhof.

 

Vraag 3

De voorwaarden waaronder een staat diplomatieke bescherming mag uitoefenen zijn nationaliteit en uitputting van effectieve nationale rechtmiddelen. Art 44 art staatsaansprakeljkheid.

 

"Nationaliteit" als "uitputting lokale rechtsmiddelen" leverden elk 2 punten op. Laatste punt te verkrijgen door bronvermelding (gewoonterecht, ILC Articles), ofwel de vermelding dat er een uitzondering op de regel van de uitputting van lokale rechtsmiddelen bestaat, of zelfs dat een staat uit eigen hoofde diplomatieke bescherming kan bieden, maar daartoe geen verplichting bestaat.

 

NIET correct is de verwarring met diplomatieke immuniteit, of met consulaire immuniteit. De Vienna Convention on Diplomatic Relations was niet relevant.

Vraag  4

HI is een gewapend ingrijpen door een vreemde staat in gevallen waarin een staat zich binnen zijn eigen grenzen schuldig maakt aan grootschalige schendingen van de rechten van de mens. Dit is unilateraal geweldgebruik in de zin dat de VR niet optreedt (Randnr 507)

Toetsingskader:

Ernstige en massale schendingen van fundamentele mensenrechten;

Betrouwbaar en objectieve bewijs van schendingen;

Regering zelf kan niet of wil niet doeltreffende maatregelen treffen, of is zelf verantwoordelijk voor de schending;

Er een dringende noodzaak is op te treden (Randnr 507)

 

De correcte omschrijving van "humanitaire interventie" omvat de elementen: gewapend ingrijpen door een vreemde staat die zich binnen zijn eigen grenzen schuldig maakte aan grootschalige schendingen van de rechten van de mens, waarbij de Veiligheidsraad niet optreedt. Constateren dat internationaal recht humanitaire interventie niet toestaat; toelichting; toetsingskader uit Randnummer 507 beschrijven. Er zijn ook punten toegekend voor uitgebreidere verklaringen waarom humanitaire interventie niet toegestaan is (toetsingskader gebruik van geweld). Eveneens zijn er punten toegekend voor het noemen van voorbeelden van humanitaire interventie of situaties waarin daar sprake van kon zijn (Kosovo, Darfur, wellicht Irak), mits correct uiteengezet. “Brede” definitie van humanitaire interventie (dus ook binnenvallen op grond van H VII VN-Handvest) bestaat eigenlijk niet. Heeft enkele punten gekregen mits de rest van het antwoord daarmee in overeenstemming was. Verwarring van “interventie” met Hfdst 6 1/2-acties of andere vormen van peacekeeping zijn niet goed gerekend.

 

Vraag 5

Mogelijk geschonden rechtsplicht: verbod schade te veroorzaken, in casu door nalatigheid (Trail Smelter, Corfu Channel, Nuclear Weapons); verbod milieuschade te veroorzaken in andere staten (Stockholm Declaration principle 21, Rio Declaration principle 2; geen tentamenstof, wel ook in Trail Smelter en GA Res 3281; Chater of Economic Rights and Duties of States).

Toerekenbaarheid: de lozing zelf is het gevolg van een explosie bij de chemische fabriek, in beginsel is dat dus geen handeling die toerekenbaar is aan China (al is de kans vrij groot dat zo’n fabriek in China een staatsbedrijf is). Bij de genoemde rechtsplicht van due diligence  is er sprake van nalatigheid van China en is dus aan deze eis voldaan: de vervuiling is het gevolg van het niet nakomen door China van zijn verplichtingen.

((algemeen: Voorwaarden staatsaansprakelijkheid: (1) schending rechtsplicht; (2) toerekenbaarheid (RN 589; art. 2 ILC Articles).))

Concluderend antwoord: ja.

 

Vraag 6

Het gaat hier om tegenmaatregelen, oftewel represailles of countermeasures, die op zichzelf door internationaal recht verboden zijn, maar waarvan de onrechtmatigheid wordt weggenomen indien zij worden genomen jegens een staat die een onrechtmatige daad begaat.

In beginsel is dit mogelijk, aangezien Chinaonrechtmatig heeft gehandeld, mits aan een aantal aanvullende voorwaarden wordt voldaan.

Slechts gelaedeerde staten (injured states) mogen tegenmaatregelen nemen. Staten die geen rechtsbelang hebben moeten zich beperken tot retorsies. Alleen Rusland is dus bevoegd om tegenmaatregelen te nemen.

Rusland moet eerst een beroep doen op China om de schending te beëindigen en rechtsherstel te bieden (art. 52(1)(a) ILC Articles). In casu lijkt daaraan te zijn voldaan.

Ten derde moet de staat die tegenmaatregelen neemt, onderhandelen met de in gebreke blijvende staat. Volgens de ILC Articles (art. 52(2) zijn dringende maatregelen sowieso al toegestaan voordat er onderhandeld wordt. Blijkens de casus waren er onderhandelingen, waardoor alleen dringende maatregelen waren toegestaan.

De tegenmaatregelen moeten worden beëindigd zodra het geschil aan een internationaal tribunaal is voorgelegd. art. 52(3)(b) ILC Articles.

De maatregelen moeten evenredig zijn. art. 51 ILC Articles.

Conclusie: Rusland kon dwingende maatregelen nemen, mits deze proportioneel waren.

 

Vraag 7

Het IGH heeft geen verplichte rechtsmacht.

Het IGH verkrijgt rechtsmacht door middel van een compromis, een overeenkomst waarin het onderhavige geschil aan het Hof wordt voorgelegd.

In casu zou dit het geval zijn wanneer zowel China als Rusland een eenzijdige verklaring o.g.v. art. 36 lid 2 Statuut IGH hebben gedaan waarin ipso facto de jurisdictie van het Hof wordt aanvaard. Een voorwaarde is dan wel dat het geschil zowel temporeel als materieel wordt gedekt door deze verklaringen (wat inoudt dat er geen voorbehoud dat betrekking heeft op het geschil mag zijn gemaakt door één van beide staten, en ook dat de verklaring op tijd moet zijn ingegaan).

Forum prorogatum

 

Vraag 8

Diplomatieke conflictbeslechting art. 33 VN Hvis geen juridische conflictbeslechting omdat de resultaten niet bindend zijn.

De juridische methode (met bindende uitkomst) die overblijft nu het IGH afvalt, is arbitrage (HB para. 13.2)

 

Vraag 9

Voor Nederland, actief personaliteitsbeginsel of nationaliteitsbeginsel. Territorialiteitsbeginsel als we aannemen dat de plannen beraamd zijn (dus: het misdrijf begonnen is) op Nederlands grondgebied. Voor de VS, passief personaliteitsbeginsel of beschermingsbeginsel. Subsidiair het universaliteitsbeginsel, maar dat is hier niet voor de hand liggend vanwege meer specifieke aanknoping. De “effecten doctrine” heeft betrekking op effect voor het i.c. nederlands territoir, en ziet bovendien op economische effecten. Dee doctrine is hiermee in casu dus hier niet van toepassing.

 

Vraag 10

Gronden voor eenzijdige beëindiging van een verdrag zijn neergelegd in artikelen 60-62 van het Weens Verdragenverdrag van 1969 (beëindiging op basis van instemming van partijen (dus niet ‘eenzijdig’) in art. 54-59). Alle drie geven weinig kans op succes gezien de casus. NB: kwesties van (on)geldigheid (arts 46-53) zijn niet hetzelfde als opschorting/beëindiging.

 

Vraag 11

De kidnapping van Al D. zou onrechtmatig zijn omdat deze een inbreuk op de territoriale soevereiniteit van Nederland zou inhouden. Sommige staten, waaronder de VS, hanteren echter het Male Captus Bene Detentus beginsel, op grond waarvan een staat rechtsprekende rechtsmacht kan uitoefenen als daar een aanknoping voor is, ongeacht de – i.c. onrechtmatige - manier waarop de verdachte voor de rechter is gebracht. Het internationaal recht geeft hiervoor geen eenduidige, dwingende regel.

 

Vraag 12

NB het gaat hier niet om een ‘verandering’ van de (uitleg van) individuele vrijheden, maar om de mogelijkheid tot inperking. Beperkingen van individuale vrijheden zijn mogelijk op grond van de tweede leden van (bepaalde) EVRM bepalingen (zoals art 8 (Eerbiediging privé-leven, correspondentie enz.) dat in dit verband regelmatig aan de orde komt), en op grond van art 15 (noodtoestand). NB: beperking van een bepaald recht op grond van het tweede lid van dat artikel en opschorting van een recht op basis van afkondiging van de noodtoestand (art 15) zijn verschillende gronden van opschorting, het onderscheid dient te worden gemaakt! Bepaalde individuele rechten zijn nooit opschortbaar door de staat (zie ook art 15(2):

 

“ voorgaande bepaling staat geen enkele afwijking toe van artikel 2, behalve ingeval van dood als gevolg van rechtmatige oorlogshandelingen, en van de artikelen 3, 4, eerste lid, en 7.”) Het noemen van de artikelen in het verdrag strekt tot aanbeveling. De mogelijkheid van staten om rechten in te perken berust niet op rechtspraak maar dus op het EVRM zelf. In de praktijk gaat het meestal om beperkingen ex de tweede leden van bepaalde artikelen. Nochtans kan bijv het Goodwin arrest, het Bijleveld arrest (of een van talloze andere) worden genoemd als voorbeeld van fair balance afweging en dhet gebruik van de margin of appreciation door de staat tussen belangen van staat en die van individu.

Ook noemen de voorwaarden voor toepassing: 1. bij de wet voorzien; 2. bescherming van in lid 2 genoemd belang; 3. noodzakelijk en proportioneel (cf Handboek randnummer 436).

Bv: Inperking is voor goede doel, alle rechten worden betekenisloos als de staat geen gelegenheid krijgt om de randvoorwaarden voor waarborg van art 2 te creëren.

Bv: Inperking gaat te sluipend, te ver, voorwaarden zijn niet duidelijk genoeg – staat kan alles brengen onder noemer van nationale veiligheid, beginselen van liberale rechtstaat (vrijheid, rechtszekerheid) komen onder druk te staan.

 


2. Oefententamen 2006-2

 

Vraag 1

Is het mogelijk dat internationale intergouvernementele organisaties op basis van internationaal recht een staat aansprakelijk stellen wegens een schending van een internationale rechtsplicht?

 

Vraag 2

Op grond van artikel III van het General Agreement on Tariffs and Trade (GATT) is het staten verboden nationale producten te bevoordelen boven “gelijksoortige” buitenlandse  producten (like products). Behoort het productieproces van goederen tot een criterium bij de vaststelling van “gelijksoortigheid” van producten onder dit artikel?

 

Vraag 3

Er zijn verschillende aanknopingspunten door het internationaal recht erkend, op grond waarvan een staat jurisdictie (rechtsmacht) kan uitoefenen over een individu. Noem 4 aanknopingspunten.

 

Vraag 4

Leg uit wat er bedoelt wordt met jus cogens (dwingend recht)

 

In Resolutie 1633 (2005) “veroordeelde” de VN Veiligheidsraad het voortdurende geweld en de grootschalige schendingen van rechten van de mens in Ivoorkust. Door de raad werd bepaald dat “de situatie in Ivoorkust een bedreiging vormt voor de internationale vrede en veiligheid.” De VN Veiligheidsraad verlangde op basis van Hoofdstuk VII van het VN Handvest dat al bestaande vredesakkoorden werden uitgevoerd en dat vredesonderhandelingen werden voortgezet.

Stel dat de regionale organisatie OPWA (Organisation for Peace in Western Africa) van oordeel is dat hard opgetreden noodzakelijk is en een militaire operatie in Ivoorkust overweegt. Ivoorkust heeft geen instemming gegeven voor een dergelijke militaire operatie op zijn grondgebied.

Hiernaast is uit een VN rapport gebleken dat Ivoorkust een rebellengroep in één van de OPWA lidstaten op reguliere basis van wapens, geld en soldaten voorziet. Deze worden door de rebellengroep gebruikt voor gewelddadige acties op het territoir van de betreffende OPWA lidstaat.

 

Vraag 5

Is de VN Veiligheidsraad bevoegd OPWA te machtigen met gebruik van militair geweld in te grijpen in Ivoorkust?

 

Vraag 6

In VN Resolutie 1633 (2005) is vastgesteld dat “de situatie in Ivoorkust een bedreiging vormt voor de internationale vrede en veiligheid. Biedt deze vaststelling voldoende rechtsbasis voor het gebruik van militair geweld  tegen Ivoorkust door OPWA?

 

Vraag 7

Heeft de Algemene Vergadering van de VN de bevoegdheid een vredesoperatie door OPWA te autoriseren?

 

Vraag 8

Als is vastgesteld dat Ivoorkust de rebellen steunt, zouden OPWA lidstaten in dit verband dan een beroep kunnen doen op het recht op zelfverdediging (art. 51 VN Handvest) en geweld mogen gebruiken tegen Ivoorkust?

Al sinds 1946 jaar was een afdeling van de VN gevestigd in Génève in het Palais Wilson. De rechtspositie van deze afdeling is reregeld in de zogenaamde zetelovereenkomst tussen Zwitserland en de VN van 1946.

Sinds 1948 was Zwitserland ook partij bij het Statuut van het Internationaal Gerechtshof. Omdat Zwitersland aanvankelijk zijn neutraliteit wilde beschermen, werd Zwitserland echter pas op 10 september 2002 lid van de Verenigde Naties.

 

Vraag 9

In 1975 lijdt een VN-functionaris ernstig letsel tijdens werkzaamheden in Génève terwijl hij zich bevindt tussen de toeschouwers bij een anti-VN demonstratie buiten het Palais Wilson. De VN is van mening dat de Zwitserse overheid tijdens de demonstratie onvoldoende bescherming heeft geboden aan de omstanders, waaronder de VN-functionaris. Behoort het tot de mogelijkheden dat de VN Zwitserland aansprakelijk stelt wegens nalatigheid, terwijl Zwitserland in 1975 geen lid was van de Organisatie?

 

Vraag 10

Het VN Handvest zwijgt over het sluiten van zetelovereenkomsten door de Organisatie. Was het desondanks toch mogelijk om uit kracht van het Handvest de bevoegdheid om een zetelverdrag met Zwitserland te sluiten ten behoeve van de vestiging in Génève?

 

Vraag 11

Wanneer een staat partij is bij het Statuut van het Internationaal Gerechtshof impliceert dit dat deze staat is onderworpen aan de rechtsmacht van het Internationaal Gerechtshof?

 

Vraag 12

Had Zwitserland voor zijn toetreding tot de VN in 2002 een rechtsplicht onder het Handvest om troepen te leveren aan de Verenigde Naties voor dwangacties onder hoofdstuk VII van het Handvest? Is dat veranderd na de toetreding in 2002?

 

Vraag 13

Al in 1918 verwees de Amerikaanse President Wilson nadrukkelijk naar het recht op zelfbeschikking als grondslag voor de internationale samenleving van staten na de Eerste Wereldoorlog. In het dekolonisatie-tijdperk speelde het recht op zelfbeschikking een belangrijke rol in de onafhankelijkheidsstrijd van gebieden die zich losmaakten van de overwegend Europese moederlanden. Ook tegenwoordig doen niet-statelijke groepen zoals de Basken nog een beroep op het recht op zelfbeschikking, zoals dat is neergelegd in bijvoorbeeld artikel 1 van het IVBPR.

 

Welke inhoud heeft het recht op zelfbeschikking in het huidige internationaal recht? Acht u de huidige stand van het recht wenselijk met het oog op de internationale stabiliteit, enerzijds, en met het oog op de politieke vrijheid van groepen, anderzijds?

 

Antwoorden oefententamen 2006-2

 

Vraag 1

Ja, IGOs hebben rechtspersoonlijkheid, en dit is een rechtspersoonlijkheid die de bekwaamheid van het instellen van een claim omvat. RN **. Zie ook de Reparation case (1949).

 

Vraag 2

Productiemethoden worden in beginsel niet beschouwd als criterium bij de beoordeling of goederen ‘gelijksoortige producten’ zijn. De fysieke kenmerken (een wollen kleed) staan centraal.

In de asbestos zaak (para. 101) is het criterium “consumers’ tastes and habits” geïntroduceerd. Dit zou op termijn een onderscheid kunnen creëren tussen de wel en niet milieuvriendelijk geproduceerde goederen ook al zijn zij vanuit het oogpunt van fysieke kenmerken van dezelfde grondstof gemaakt (houten tafels, wollen kleden); doordat de consument die producten als geheel verschillend gaat ervaren, zullen deze producten ook niet meer in een concurrentieverhouding tot elkaar staan.

 

Vraag 3

Territorialiteit; nationaliteit (eventueel: actief en passief); bescherming; universaliteit.

 

Vraag 4

Rn (o.a.) 133: zie ook definitie in artikel 53 weens verdragenverdrag  van 1969: Voor de toepassing van dit Verdrag is een dwingende norm van algemeen volkenrecht een norm die aanvaard en erkend is door de internationale gemeenschap van Staten in haar geheel als een norm, waarvan geen afwijking is toegestaan en die slechts kan worden gewijzigd door een latere norm van algemeen volkenrecht van dezelfde aard.

.

Vraag 5

Ja, indien OPWA kan worden aangemerkt als een regionale organisatie; zie artikelen 52 en 53 van het VN-handvest.
 

Vraag 6

Nee. Het citaat uit Resolutie 1633 (2005) biedt geen machtiging voor het gebruik van militair geweld; hoewel de VR heeft vastgesteld dat de situatie een bedreiging vormt voor de werelvrede, verlangt het alleen dat het vredesakkoord wordt uitgevoerd en dat de onderhandelingen worden voortgezet. Er is dus geen sprake van autorisatie tot militair geweld (“use of all necessary means”). Er is dus geen basis voor militaire interventie door OPWA (een actie met toestemming van Ivoorkust zou geen “dwangmaatregelen” inhouden). Alleen uitleg van de opbouw van Hs VII Hv en uitleg art 39-42 is niet een antwoord op de vraag.

 

Vraag 7

Wanneer het niet gaat om dwangmaatregelen, maar om een vredesoperatie (die niet stoelt op HS VII handvest, maar op de toestemming van de gaststaat), en indien de VR er niet toe komt een dergelijke operatie op te zetten, kan de AV dit doen op basis van de Uniting for Peace Resolutie, anders dus niet.

Ten overvloede: Uniting for Peace geeft alleen een juridische grondslag voor een operatie met de toestemming van de betrokken staat (wat voor de VR handelend op basis van Hoofdstuk VII natuurlijk geen voorvereiste is) vredesoperaties zijn niet voorzien in het Handvest, maar kunnen een plaats krijgen in het systeem onder (oorspronkelijk) hoofdstuk VI van het Handvest.

Zie ook Certain Expenses of the United Nations (1962), die de reservebevoegdheid van de AV op het terrein van vrede en veiligheid bevestigt.

 

Vraag 8

Recht op (ook collectieve) zelfverdediging in het VN Handvest (art. 51) wordt geactiveerd door een ‘occurring armed attack’ / gewapende aanval

Vraag is dus of ondersteuning door Ivoorkust de drempel van een gewapend aanval overschrijdt; hangt af van omvang van ondersteuning want niet elke vorm van verboden interventie kwalificeert als gewapend aanval.

De kwestie van de Proportionaliteit van de maatregel is hier niet zozeer relevant.

zie ook [Nicaragua v. The United States par. 195)

Onderscheid moet worden gemaakt tussen de staat die wordt aangevallen en andere lidstaten; voor die andere lidstaten geldt dat instemming van de staat te wier behoeve collectieve zelfverdediging zou worden uitgeoefend, is vereist (hetzij van tevoren uit een verdrag, zoals in art 5 NAVO; hetzij ad hoc)
 

Vraag 9

De organisatie heeft objectieve internationale rechtspersoonlijkheid en kan dus internationale rechtshandelingen verrichten, ook jegens andere rechtspersonen – in casu staten – die de organisatie niet expliciet hebben erkend doordat zij partij zijn bij het oprichtingsverdrag. Verwijs naar 1949 Reparation zaak

 

Vraag 10

De rechtsgrondslag voor het sluiten van een zetelovereenkomst staat niet expliciet in het Handvest, maar kan worden gevonden via de leer der Impliciete Bevoegdheden (implied powers). Het sluiten van een zetelovereenkomst kan worden beschouwd als noodzakelijk voor het bereiken van de doelstellingen en het uitoefenen van de functies die wel expliciet in het oprichtingsverdrag genoemd staan. Verwijs naar 1949 Reparation zaak

 

Vraag 11

Nee, toegang tot het Hof en aanvaarding van de rechtsmacht van het Hof zijn twee verschillende dingen. Verwijs naar manieren van aanvaarding rechtsmacht zoals voorzien in artikel 36 van het Statuut van het Internationaal gerechtshof.

 

Vraag 12

Nee, het stond staten sowieso vrij special agreements te sluiten onder art 43 van het VN Handvest, waarmee zij op permanente basis troepen zouden leveren aan de VN. Maar art 43 is een dode letter gebleven, en tot nu toe zijn dergelijke special agreements nooit gesloten. De Veiligheidsraad-resoluties die lidstaten machtigen tot het gebruik van gewapende dwangmaatregelen (“all necessary means”), geven nooit de verplichting om geweld te gebruiken, alleen de toestemming. De positie van Zwitzerland veranderd niet ná toetreden.

 

Vraag 13

NB. Er zijn verschillende structuren en (tot op zekere hoogte) verschillende inhouden mogelijk. Getest wordt uw begrip van het internationaal publiekrecht in zijn verschillende interne verbanden, en uw vaardighed in het opbouwen van een logisch en overtuigend betoog. Elementen van beoordeling zijn dus:

 

1.         Bepaling van de vraag/ het probleem.

2.         Structuur van het betoog.

3.          Inhoudelijke behandeling

 

Feitelijk-juridisch deel

Zelf-beschikking komt alleen toe aan ‘volken’, niet aan ‘minderheden’ (hoewel dezelfde groep personen in beide juridische categorieën kan vallen). Het post-koloniale internationaal recht maakt een onderscheid tussen interne en externe zelfbeschikking. Externe zelfbeschikking, dat afscheiding en doorbreking van de bestaande staatsgrenzen inhoudt, is voor groepen die niet bezet of gekoloniseerd worden moeilijk aan te voeren. Een derde mogelijke grond voor externe (uitoefening van) zelfbeschikking zou zijn als interne zelf-beschikking aan een volk wordt onthouden. Dit wordt door de Supreme Court genoemd, maar met enige aarzeling. Het handboek is vrij stellig : “in de statenpraktijk weinig steun.” Het recht op zelf-beschikking komt dus meestal neer op het recht op vertegenwoordiging en inspraak binnen de grenzen van een bestaande staat.

 

Beschouwend deel

Vóór deze ontwikkeling in het recht pleit dat de internationale samenleving niet gebaat is bij een groot aantal microstaatjes – een mogelijkheid als alle groepen statelijke zelfstandigheid kunnen krijgen.

Tégen deze ontwikkeling valt aan te voeren dat mensen in hun vrije wil en mogelijkheden, zoals beschreven in art.1 IVBPR en IVESCR, worden beknot. Democratische vertegenwoordiging is niet altijd voldoende.


3. Oefententamen 2006-3

 

Vraag 1

Bestaat de mogelijkheid dat een medewerker van een internationale organisatie afstand doet van haar/zijn functionele immuniteit voor de nationale rechter? Waarom wel/niet?

 

Vraag 2

Even buiten de territoriale zee van de staat Acastus wordt een Nederlands schip door de Acastiaanse kustwacht geënterd op verdenking van handel in verdovende middelen. Acastus heeft noch een Aansluitende Zone, noch een Exclusieve Economische Zone afgekondigd. Was het handelen van de kustwacht toegestaan?

 

Vraag 3

Rechten van de mens kunnen rechtstreekse werking hebben in de Nederlandse rechtsorde. Onder welke voorwaarden is dit mogelijk?

 

Vraag 4

Wat is het verschil tussen een interpretatieve verklaring en een voorbehoud, gemaakt door staten die partij worden bij een verdrag?

 

Op 7 oktober 2001 om ca. 18.00 uur begonnen strijdkrachten van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk voor het eerst doelen in Afghanistan te bombarderen in reactie op de terroristische aanslagen op 11 september 2001 in New York en Washington DC.

Gerapporteerd werden o.a. aanvallen op terroristische trainingskampen van Osama Bin Laden, en de bases van Taliban strijdkrachten en van al Qaida.

 

Vraag 5

a. Noem twee algemene beginselen van het internationaal humanitair recht dat van toepassing is op internationaal gewapende conflicten.
b. Licht deze beginselen toe.

 

Vraag 6

Stel dat gedurende een bombardement op een basis van de Taliban, waar zich meer dan 120 strijders, waaronder een belangrijke commandant, bevinden, een bom ook een boerderij treft, waarbij de bewoners om het leven komen. De boerderij was nabij de Taliban-basis gelegen en het risico dat deze geraakt werd, was daarom voorzienbaar. Was deze aanval in strijd met het internationaal recht?

 

Vraag 7

Klopt het dat de internationale rechten van de mens onverkort van toepassing zijn ten tijde van een gewapend conflict? Leg uit.

In het NRC-Handelsblad van 21 november 2005 werd bericht over terreurverdachten die door de Amerikaanse inlichtingsdienst CIA worden opgepakt en via Europese (inclusief Nederlandse) vliegvelden naar geheime gevangenissen worden vervoerd. Deze individuen verdwijnen spoorloos. De CIA zou deze personen in het geheim vasthouden en ondervragen volgens “verhoogde ondervragingsmethoden” die door verschillende mensenrechtenorganisaties als foltering zijn gekwalificeerd.

De VS zijn partij bij het VN Verdrag voor Burgerlijke en Politieke Rechten van 1966 (het IVBPR). Nederland is partij bij zowel het IVBPR als het Europees Verdrag voor Rechten van die Mens van 1950 (EVRM).

 

Vraag 8

Noem  twee rechten die zowel zijn opgenomen in het BUPO-verdrag als het EVRM

en die geschonden zijn door de hiervoor genoemde gebeurtenissen. Verwijs hierbij ook naar het artikelnummer.

 

Vraag 9

Hebben de VS gelijk als zij betogen dat ze niet gehouden zijn tot naleving van het BUPO-verdrag in gevangenissen in andere staten, aangezien die zich niet bevinden op het grondgebied van de VS?

 

Vraag 10

Voor het doel van deze vraag kunt U aannemen dat de medewerking van Nederland geldt als een schending van haar rechtsplicht(en) onder het IVBPR en het EVRM. Staat aan de gedetineerden een internationaal-rechtelijke procedure met bindende uitkomst ter beschikking waarin zij Nederland kunnen aanspreken op het beschikbaar stellen van de Nederlandse luchthaven Schiphol voor de gewraakte handelingen door de VS? Zo ja, zouden de gedetineerden zich eerst tot de Nederlandse rechter moeten wenden?

 

Vraag 11

Naar algemene opvatting verbiedt gewoonterecht het detineren van personen zonder dat deze voor de rechter worden geleid. De rechter moet kunnen oordelen over de rechtmatigheid van de detentie. Volgens krantenberichten zouden de Verenigde Staten in de strijd tegen het terrorisme desalniettemin hun toevlucht nemen tot deze praktijk. Neem voor het doel van deze vraag aan dat deze berichten juist zijn.

 

Beredeneer of, en zo ja: onder welke voorwaarden, deze praktijk kan leiden tot de vorming van een nieuwe gewoonterechtelijke regel welke zou inhouden dat detentie zonder gerechtelijke tussenkomst in uitzonderlijke gevallen is toegestaan indien dat nodig is om terroristische aanslagen te voorkomen. Acht u een dergelijke ontwikkeling waarschijnlijk, en acht u haar wenselijk in het licht van de fundamentele rechten van de mens?

 

Antwoorden oefententamen 2006-3

 

Vraag 1

Het feit dat de immuniteiten niet worden toegekend voor de bescherming van de personen maar voor het onbelemmerd functioneren van die organisatie, betekent ook dat de mogelijkheid afstand te doen van immuniteit niet toekomt aan die individuen, maar alleen aan de organisatie. De functionele immuniteit die een werknemer van een internationale organisatie geniet heeft betrekking op handelingen verricht in functie. Door uit dienst te treden vervalt de immuniteit over de in functie vervulde handelingen niet.

 

Een voorbeeld kan gevonden worden in artikel V afdeling 20 van de Convention on the Priviliges and Immunities of the United Nations of 1946, waaruit blijkt dat de immuniteit in het belang van de organisatie worden toegekend en door de Secretaris Generaal kan worden opgeheven.

 

Vraag 2

RN 321 Acastus had geen van beide zones afgekondigd en was dus niet bevoegd tegen het Nederlandse schip op te treden (i.e. jurisdictie uit te oefenen), dat zich immers op volle zee bevond. Geen enkele staat kan soevereiniteit afkondigen over een deel van de volle zee. (Artikel 89 VN Zeerechtverdrag) Alleen Nederland als vlaggenstaat heeft rechtsmacht over het Nederlandse schip wanneer het schip zich op volle zee bevindt. Het Nederlandse schip had recht op vrije scheepvaart. (Artikel 87 VN Zeerechtverdrag)

 

Vraag 3

Om vast te stellen of men zich op regels van internationaal recht kan beroepen, kijken we naar artikel 93 van de Grondwet om te zien wanneer regels van internationaal recht rechtstreeks werken in de Nederlandse rechtsorde.

Het dient te gaan om (een bepaling van) een verdrag dat is gepubliceerd in het Traktatenblad, zodat aan het publicatie vereiste voor alle artikelen is voldaan.

De vraag is vervolgens of de verschillende bepalingen 'een ieder verbindend' zijn. Om dit te bepalen wordt allereerst gekeken of de inhoud van de bepaling voldoende bepaald is om zonder nadere uitwerking direct in de Nederlandse rechtsorde te kunnen worden toegepast. Ten tweede wordt gekeken naar de beschermde belangen – zijn dit belangen van de individuele burger? Dat aan deze voorwaarde is voldaan, is gegeven in geval van de rechten van de mens. In het algemeen: de vraag naar deze twee criteria is uiteindelijk een vraag naar de intentie van de verdragspartijen. De vraag naar de intentie van partijen wordt explicieter naarmate het minder gemakkelijk is vast te stellen op basis van de tekst wat de (bedoelde) betekenis is. RN 789-794.

Het Spoorwegstaking arrest is een voorbeeld van hoe de rechter vast stelt dat een mensenrecht vastgelegd in een internationaal verdrag rechtstreekse werking heeft in de Nederlandse rechtsorde. (r.o. 3.2)

 

Vraag 4

Het gaat om het verschil tussen het oogmerk van wijziging van de verdragsverplichtingen (voorbehoud) en een interpretatie van een term in het verdrag (interpretatieve verklaring) Vienna Convention on the Law of Treaties 1969, zie art 2 (def voorbehoud). In de artikelen 19-23 van het Weens Verdragen Verdrag is het gebruik van voorbehouden geregeld.

 

Vraag 5

Internationaal humanitair recht. algemene beginselen : Onderscheid (tussen combatattanten en militaire doelen enerzijds en burgers en burgerobjecten anderzijds), proportionaliteit (tussen “incidental loss of life of civilians, damage to civilian property, and military advantage”) en het verbod van het veroorzaken van buitensporig letsel en onnodig leed (superfluous injury and unnecessary suffering).

 

Nb: Veel studenten hebben hier de betekenis van het begrip internationaal humanitair recht verkeerd begrepen en in plaats hiervan het recht tav geweldgebruik toegelicht. In het boek wordt het begrip IHR heel duidelijk omschreven en ook de scheiding van jus in bello en jus ad bellum toegelicht.

 

Een andere voorkomende fout was verwarring van de begrippen IHR en mensenrechten. Dan werden er bvb als beginselen genoemd het verbod van folteren en het recht op een eerlijk proces oid.

 

Vraag 6

Naar algemene opvatting zou het antwoord nee zijn. Het kern criterium is hier proportionaliteit. In casu zou men onder humanitair recht kunnen betogen dat het bijkomend verlies van mensenlevens onder de burgerbevolking niet buitensporig zou zijn in verhouding tot het tastbare en rechtstreeke militaire voordeel.

 

Vraag 7

Het antwoord heeft twee elementen. In algemene zin is het beoogde antwoord –ja-. Humanitair recht wordt beschouwd als lex specialis van rechten van de mens. In meer specifieke zin is het antwoord: ja, afhankelijk van de rechten die in het geding zijn. Onder het IVESCR hebben staten het recht om bepaalde rechten te beperken ten behoeve van het algemeen belang, als zulks is voorzien in de relevante verdragsbepaling, of na afkondiging van de noodtoestand, maar dit geldt niet voor alle rechten. Sommige, zoals het recht op vrijheid van foltering, zijn absoluut.

 

Vraag 8

 

  • Folterverbod (Art. 3 EVRM; Art. 7 BUPO);
  • Persoonlijke Vrijheid/ Habeas Corpus (Art. 5 EVRM; Art. 9 BUPO-verdrag)
  • Recht op rechtvaardige process (Art. 6 EVRM; Art. 14 BUPO).

 

Vraag 9

In casu hebben de VS niet gelijk:

 

  1. internationale rechten van de mens zijn in hoofdzaak bedoeld om individuen te beschermen tegen de staat onder wiens jurisdictie zij zich bevinden. De rechtsmacht van een staat is echter niet beperkt tot zijn grondgebied
  2. In ieder geval verplicht het BUPO-verdrag een staat om mensenrechten te beschermen indien deze overheidsgezag uitoefent in een andere staat (extraterritoriale rechtsmacht)  Daarnaast is een verwijzing naar “effective control” ook goed te rekenen.
  3. geldt ook voor kortstondige operaties in het buitenland (i.e. ondervraging van gevangenen)
  4. The Wall advies; IGH 2004 par. 109 ff; Lopez v. Urugay, HRC, 1981 (verwijzing naar “beslissing tegen Uruguay van Mensenrechtencomité van de VN” of  “IGH beslissing t.a.v. toepassing van menserechten in door Israël bezette gebieden” echter ook voldoende, zie Loizidou ook voldoende als analoge jurisprudentie.

 

Vraag 10

Op basis van het gegevene in de vraag kunnen de gedetineerden zich wenden tot het EHRM en het HRCtee. De laatste instantie doet echter geen bindende uitspraken. Blijft over het EHRM. Uitputting van nationale rechtsmiddelen is een belangrijke voorwaarde voor ontvankelijkheid van individuele klacht - zie art 35.

 

Vraag 11

Feitelijk-juridische deel

1986 Nicaragua zaak: Schending van een gewoonterechtelijke regel kan de kiem vormen van een nieuwe gewoonterechtelijke regel. Dit kan echter niet lichtvaardig worden aangenomen. In o. 186 zegt het Hof dat het enkele feit dat statenpraktijk in tegenspraak is met een bestaande of opkomende gewoonterechtelijke regel, nog niet wil zeggen dat deze praktijk afbreuk doet aan die regel. (zie ook (§ 193).) 

 

Statenpraktijk die afwijkt van een gewoonterechtelijke regel wordt in beginsel beschouwd als een inbreuk, i.e. overtreding van die regel - tenzij er sprake is van een duidelijke bedoeling bijv. om persistent objector te zijn, of sprake van een duidelijke opinio juris die de strekking van de eventuele nieuwe regel ondersteunt. Als een staat een gewoonterechtelijke regel overtreedt en zich ter verdediging beroept op een ‘rechtmatige uitzondering’ op de betreffende regel, wordt de gewoonterechtelijke status van de regel daardoor zelfs versterkt. De beoordeling is mede afhankelijk van de hoeveelheid staten die een emerging rule welke strijdig is met een bestaande gewoonterechtsregel, ondersteunen.

 

4. Oefententamen 2008-I

Vraag 1
In hun ‘World Report’ uit 2004 schreef de mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch onder meer het volgende:

“War often carries enormous human costs, but we recognize that the imperative of stopping or preventing genocide or other systematic slaughter can sometimes justify the use of military force. For that reason, Human Rights Watch has on rare occasions advocated humanitarian intervention—for example, to stop ongoing genocide in Rwanda and Bosnia.”

Is humanitaire interventie zonder toestemming van de VN Veiligheidsraad volkenrechtelijk rechtmatig ? Licht toe. (8 punten)

Vraag 2
Stel: Nederland wil een absoluut verbod stellen op de invoer - ongeacht uit welke staat - van producten gemaakt van Italiaans marmer, omdat de marmergroeven in dat land uitgeput dreigen te raken. Als juridisch adviseur informeert u de overheid over twee vragen:

a. op welke verdragsbepaling waaraan Nederland is gebonden zou dit verbod een inbreuk vormen; en
b. op welke verdragsbepaling zou Nederland, indien het de plannen toch wil doorzetten, zich in de eerste plaats kunnen beroepen als rechtvaardigingsgrond? (8 punten)

Vraag 3
“Handelingen van natuurlijke personen of rechtspersonen die niet als staatsorgaan zijn aan te merken, kunnen niet aan de staat worden toegerekend.” Hoe beoordeelt u deze stelling? (7 punten)

vraag 4
In de rechtspraktijk en de literatuur wordt de declaratoire theorie inzake erkenning van staten afgezet tegen de constitutieve theorie inzake erkenning van staten. Leg dit onderscheid uit. (7 punten)

 

NRC Handelsblad (4 dec 2007) - OM onderzoekt alle strafzaken op afluisteren

Het Openbaar Ministerie houdt alle lopende strafzaken tegen het licht om vast te stellen of het afluisteren van telefoongesprekken wel volgens de wettelijke regels gebeurt.

Dat verklaarde officier van justitie R. Eigeman van het Landelijk Parket gisteren voor de rechtbank in Amsterdam. Hij was als getuige opgeroepen in de zaak tegen de Hells Angels waar advocaten hebben vastgesteld dat tal van vertrouwelijke gesprekken die zij voerden met hun cliënten, in de afgelopen jaren zijn afgeluisterd. Tegen de regels in werden die ook uitgewerkt en bewaard.

De rechtbank, die de zaak hoog opneemt, verhoort later deze week de vroegere zaaksofficier G. Oldenkamp voor de tweede keer over deze kwestie. De advocaten van de 22 verdachten vinden dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de gemaakte fouten.

Vraag 5
Kunnen deHell’sAngels een beroep doen op desbetreffende EVRM bepaling(en) voor de Nederlandse rechter? (7 punten)

Vraag 6
Welk(e) recht(en) neergelegd in het EVRM is/zijn naar uw mening in het geding? 
(8 punten)
Vraag 7
Onder welke voorwaarden zou een inbreuk op het/de door u onder 1 genoemde recht(en) rechtmatig zijn? (8 punten)

vraag 8
Stel: de Rechtbank in Amsterdam oordeelt dat de praktijk van het OM om de telefoongesprekken af te luisteren rechtmatig is. De advocaten van de Hell’s Angels wensen de zaak onmiddellijk bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aanhangig te maken. Zal het Europees Hof naar uw mening de zaak ontvankelijk verklaren? (7 punten) 
***

 

Uit protest tegen het hervatten van de walvisjacht door Japan, blokkeren actievoerders van het kleine maar fanatieke Walvisbevrijdingsfront de toegang tot de Japanse ambassade in Den Haag. De overheid, die escalatie wil voorkomen, gaat in gesprek met de actievoerders en probeert hen te bewegen de blokkade vrijwillig te beëindigen. Als dat na anderhalve dag op niets is uitgelopen, worden voorbereidingen getroffen om de ME in te zetten tenteinde de demonstranten te verdrijven. De actievoerders krijgen hier lucht van. Vlak voordat de ME kan optreden, dringen demonstranten de ambassade binnen. Daar gijzelen zij de Japanse ambassadeur en diens gast, een bevriend zakenman uit Japan op doorreis. Na een beleg van twee dagen bestormen speciale eenheden van het Nederlandse leger de ambassade en bevrijden de gijzelaars. Daarbij wordt de Japanse bezoeker aangezien voor een gijzelnemer en hardhandig gearresteerd. Ofschoon hij op geen enkele manier verzet biedt, wordt hij geslagen, beschoten met rubberen kogels, en ter plekke verhoord met gebruik van de waterboarding methode – een behandeling die evident in strijd is met het gewoonterechtelijke verbod op marteling.

Vraag 9
Stel dat Japan een zaak tegen Nederland wil aanspannen voor het Internationaal Gerechtshof in Den Haag. Op welke manier(en) kunnen deze staten het Hof rechtsmacht verlenen of hebben verleend? (8 punten)
Vraag 10
Kan Japan Nederland volkenrechtelijk aansprakelijk stellen voor schade geleden door de particuliere Japanse bezoeker ten tijde van de charge? Betrek in uw antwoord de relevante ILC artikelen inzake staatsaansprakelijkheid.(8 punten)

Vraag 11
De Nederlandse regering wil vanwege instortingsgevaar zo snel mogelijk het zwaar beschadigde ambassadegebouw leeghalen en herstellen. Van Japanse kant wordt daartegen bezwaar gemaakt, omdat bewijs over de toedracht van de gebeurtenissen op die manier verloren zou kunnen gaan. Stel dat het Internationaal Gerechtshof in een voorlopige voorziening Nederland opdraagt de herstelwerkzaamheden op te schorten? Zijn deze voorlopige maatregelen bindend voor Nederland? (7 punten)

Vraag 12
Noem tenminste twee vormen van niet-juridische conflictbeslechting die in dezen door de betrokken landen zouden kunnen worden gebruikt. (7 punten)

Vraag 13
Analyseer het advies van het Internationaal Gerechtshof Reparation for Injuries (1949). Bespreek in elk geval drie aspecten uit dit advies die van bijzonder belang zijn voor (de ontwikkeling van) het internationaal recht.

Antwoorden oefententamen 2008-I

Vraag 1
Nee, in beginsel niet.
Humanitaire interventie verwijst hier naar een gewapend ingrijpen in gevallen waarin een staat zich binnen zijn eigen grenzen schuldig maakt aan grootschalige schending van de rechten van de mens en de Veiligheidsraad niet optreedt.
De basisregel van het recht inzake vrede en veiligheid is dat het gebruik van geweld tussen staten is verboden. (art. 2 lid 4 VN-Handvest) Dit verbod op het gebruik van geweld behoort ook tot het gewoonterecht (ICJ, Nicaragua v. United States).
Het Handvest van de Verenigde Naties bevat slechts twee gronden voor het rechtmatig gebruik van geweld: geweld door of namens de Veiligheidsraad (art. 39 jo. art. 42 Hv) en individuele of collectieve zelfverdediging (art. 51 Hv).
Humanitaire interventie valt hier dus niet onder en is in strijd met het verbod op het gebruik van geweld. In West- Europa bestaat wel enige politieke steun voor de ontwikkeling van een aanvullende uitzonderingsgrond.
De huidige internationale rechtsorde lijkt echter een gewoonterechtelijk recht op humanitaire interventie (nog) niet te erkennen. Er ontbreekt vooralsnog een duidelijke juridische basis: er zou voldoende duidelijke statenpraktijk en opinio iuris moeten zijn. Na de NAVO-interventie in Kosovo hebben veel staten afwijzend gereageerd, wat indiceert dat er nog onvoldoende draagvlak is voor een dergelijk recht.
Handboek randnummers 477, 437, 443.

Vraag 2
Het General Agreement on Tariffs and Trade 1994 (GATT) stelt regels omtrent de handel in goederen. Producten gemaakt van marmer zijn goederen en zodoende is het GATT verdrag van belang voor de bepaling van de legaliteit van een invoerverbod. Nederland is verbonden aan dit verdrag.
Vraag 2a - Artikel XI stelt een algeheel verbod op kwantitatieve restricties op de invoer van goederen. Een absoluut invoerverbod is dus als zodanig verboden. Kortom Nederland schendt haar internationale verplichtingen en dan met name artikel XI GATT wanneer het een absoluut verbod instelt op de invoer van producten gemaakt van Italiaans marmer.
N.B. Aangezien het verbod op producten gemaakt van Italiaan marmer geldt voor alle landen is het niet discriminatoir en is artikel 1 GATT niet van belang
Vraag 2b - Nederland zou zich kunnen beroepen op artikel XX sub g GATT om een absoluut invoerverbod op producten gemaakt van Italiaans marmer te rechtvaardigen. Artikel XX is een algemene beperkingsclausule voor alle GATT bepalingen. Op basis van artikel XXg GATT is een beperking van artikel XI toegestaan wanneer deze beperking ertoe dient om de uitputting van natuurlijke hulpbronnen tegen te gaan. Echter Nederland zal wel

moeten zorgen dat ze ook het binnenlands gebruik beperken om ervoor te zorgen dat de maatregel doeltreffend is. Tevens zal Nederland de invoerbeperking van producten gemaakt van Italiaans marmer op een zodanige wijze moeten regelen dat er geen sprake is van een verkapte handelsbelemmering of ongerechtvaardigde discriminatie. Deze vereisten volgen uit het chapeau van artikel XX en zijn nader uitgewerkt in de zaak United States of America, Import Prohibition of Shrimp and Shrimp Products, 12 Oktober 1998.

Vraag 3
In beginsel kunnen handelingen van particulieren niet aan de staat worden toegerekend. Echter, de stelling is onjuist aangezien het internationale recht voorziet in een aantal regels waarbij handelingen van particulieren aan de staat worden toegerekend en (mits de handelingen gepaard gaan met een schending en de onrechtmatigheid niet uitgesloten wordt overeenkomstig hst V van de ILC Artikelen) dus wel degelijk tot aansprakelijkheid kunnen leiden: arts. 5, 8, 9 en 11 (ook het noemen van art. 10 zou niet helemaal verkeerd zijn in het licht van de omschrijving in de vraag van particulieren als ‘juridische of natuurlijke personen welke niet als staatsorgaan aan te merken zijn’, maar ligt minder voor de hand). Het noemen van de due diligence verplichting zou hier niet juist zijn omdat het bij due diligence niet gaat om aansprakelijkheid van een staat voor handelingen die worden toegerekend aan een particulier. Due diligence is een zelfstandige, primaire rechtsplicht : nl het nemen van de noodzakelijke en mogelijke maatregelen. Aansprakelijkheid van de staat komt dan voort uit schending van deze rechtsplicht, niet uit schending door de particulier die vervolgens aan de staat wordt toegerekend.
De ILC artikelen zijn van belang om staatsaansprakelijkheid vast te stellen. Deze artikelen zijn grotendeels een weerspiegeling van het internationale gewoonterecht aangaande staatsaansprakelijkheid. Ze zijn als Resolutie door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aangenomen in 2001.

Vraag 4
Erkenning speelt met name bij de totstandkoming van nieuwe staten en kan van belang zijn voor de vraag of een nieuwe staat als zodanig bestaat. (1) declaratoire theorie
Rn 80: erkenning is in begimnsel geen voorwaarde voor de totstandkoming van een nieuwe staat. Zodra aan de vereisten van grondgebied, gezagsstructuur en bevolking is voldaan, bestaat een staat.(2) constitutive theorie Rn 81: een staat komt niet tot stand zolang niet door andere staten erkend.

De declaratoire theorie is de heersende leer. In de zaak Prosecutor v. Slobodan Milosevic, ICTY, 16 juni 2004 is de vraag van belang of Kroatië als staat is aan te merken. Het Trinunaal expliciteert niet welke theorie zij het meeste van belang acht voor de beoordeling of een staat bestaat. Echter in de argumentatie blijkt hoe het Tribunaal de verschillende elementen van een staat toetst en op die manier tot een oordeel komt of Kroatië een staat is. Zodoende lijkt deze uitspraak het beste te rijmen met de declaratoire theorie van erkenning. Wel moet worden opgemerkt dat het Tribunaal vanuit een meer practische benadering waarde hecht aan het feit dat andere staten internationale betrekkingen zijn aangegaan met Kroatië.

Handelingen van natuurlijke personen kunnen op basis van artikel 8 ILC Artikelen aan de staat worden toegerekend, wanneer deze personen handelen op basis van instructie of onder directie of controle van de staat. Deze criteria zijn nader uitgewerkt in de 2007 Genocide uitspraak en de Nicaragua uitspraak van 1986 van het IGH.

Handelingen van natuurlijke personen kunnen op basis van artikel 11 ILC Artikelen aan de staat worden toegerekend, wanneer de staat deze handelingen ondersteunt en goedkeurt als ware het zijneigen handelingen. Dit criterium is nader uitgewerkt in de IGH uitspraak inzake United States Consular Staff in Tehran 1980.

Vraag 5

  • voor art. 8: op grond van de beperkingsclausule ex art. 8 (2): voorzien bij wet, ter bescherming van (een 
der) genoemde belangen (hier openbare veiligheid alsmede het voorkomen van strafbare feiten, mits werd 
afgeluisterd voor het plegen van misdrijven), noodzakelijk in een democratische samenleving (Rn. 411)
  • Noodzakelijk in een democratische samenleving: pressing social need en proportionaliteitstest (EHRM, 
Berrehab v. the Netherlands)
  • margin of appreciation, Rn. 414: staten hebben beoordelingsvrijheid om de afweging te maken, ook al is 
die niet onbeperkt
  • Facultatief: voor art. 6: ook al voorziet art. 6 niet voor een standard beperkingsclausule is dit recht niet 
absoluut, zie ook Rn 412. De rechtmatigheid van de beperking is afhankelijk van de belangenafweging

Vraag 6
In de eerste plaats:

            -  het recht op eerbieding van privéleven ex art. 8 EVRM (zie bvb Klass v Germany: Although telephone 
conversations are not expressly mentioned in paragraph 1 of Article 8 (art. 8-1), the Court considers, as did the Commission, that such conversations are covered by the notions of “private life” and “correspondence” referred to by this provision.)

            -  daarnaast het recht op een eerlijk proces, ihb art. 6 (3) - (zie bvb S v Zwitserland uit 1991: The Court considers that an accused’s right to communicate with his advocate out of hearing of a third person is part of the basic requirements of a fair trial in a democratic society and follows from Article 6 para. 3 c) (art. 6-3-c) of the Convention. If a lawyer were unable to confer with his client and receive confidential instructions from him without such surveillance, his assistance would lose much of its usefulness, whereas the Convention is intended to guarantee rights that are practical and effective) en

            -  Logisch beredeneerde antwoorden verwijzend naar de rechten in artikel 10 en 11 zijn ook goed gerekend als deze naast artikel 6 en/of 8 genoemd werde

            -  NB bij deze vraag is niet de bedoeling dat de studenten de genoemde jurisprudentie kennen, maar dat zij het EVRM beredeneerd op te casus kunnen toepassen. Verder vormt deze vraag een belangrijk uitgangspunt voor de beantwoording van vraag 3. 
B 2:
- Het EVRM heeft gelding in de Nederlandse rechtsorde aangezien NL een gematigd monistisch stelsel kent. - De vraag naar de inroepbaarheid van de bepaling voor de Nederlandse rechter is echter een vraag naar de rechtstreekse werking van EVRM artikelen.
- Artikel 93 GW bepaalt dat bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden, verbindende krachthebben nadat zij zijn bekendgemaakt.
- De vraag is dus of de onder B1 genoemde artikelen naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden. Is de bepaling naar inhoud voldoende duidelijk en behoeft deze geen nadere uitwerking door de wetgever om als objectief recht in de nationale rechtsorde te functioneren?
- Spoorwegstaking-arrest (ook Eigen bijdrage Kraamzorg).
- Alle materiële bepalingen van het EVRM zijn rechtstreeks werkend, en ze zijn alle direct inroepbaar (RN 745).

Vraag 7
nee, de zaak is (nog) niet ontvankelijk omdat (nog) niet alle nationale rechtsmiddelen zijn uitgeput, art. 35 (1) EVRM

Vraag 8
Japan kan zich de schade geleden door de Japanse particulier aantrekken door diplomatieke bescherming uit te oefenen, dwz door ten gunste van de particulier nederland aan te spreken op schending van diens rechtsplicht (onder mensenrechtenverdragen, gewoonterecht) tot zorgvuldige behandeling . NB: Het due diligence beginsel is hier dus niet aan de orde. De handelingen van de ME die een schending zouden inhouden, zijn toe te rekenen aan de Nederlandse staat ogv art 4 ILC arts. RN 147-149. De toerekening van de gewraakte handeling vindt logischerwijs plaats òf ogv art 4, òf van 5, òf van 8. Nooit allemaal tegelijk.

Vraag 9
Voorlopige voorziening: artikel 41 ICJ Statuut. Ja, aangenomen wordt dat een VV bindt sinds La Grand. Zie de paragrafen 100-102 en de in die laatste paragraaf gegeven redenen van het Hof]. NB het gaat hier niet om bevoegdheid van het Hof, of van Toegang tot het hof, maar om bindendheid van voorlopige maatregelen. Die zijn niet automatisch verbindend op dezelfde manier als een gewone uitspraak. Art 59 statuut hier dus niet speciaal van belang. Zie Tekstboek.
vraag 10
[Artikel 36 lid 2 ICJ Statuut en RN 673-676: compromis, compromissoire clausule, facultatieve verklaring en forum prorogatum] Niet alleen de termen in artikel 36 lid 1 en 2 overschrijven maar kort toelichten wat deze termen inhouden! Dat verzoek om toelichting is gegeven in de inhoudelijk geformuleerde vraag “..op welke manieren...”. NB: extra waardering voor een antwoord dat niet slechts de methoden van rechtsmachtaanvaarding opsomt, maar ook blijk geeft van begrip van de casus. Het verhaaltje spreekt over schending van het gewoonterechtelijke verbod op marteling. Dat wil zeggen dat er dus niet primair een rechtsplicht uit een verdrag aan de orde is. Een “compromissoire clausule” is in verband met deze casus dan ook waarschijnlijk niet aan de orde.

Vraag 11
[RN 634 en art 33 VN Handvest: een keuze uit onderhandelingen, goede diensten, bemiddeling, feitenonderzoek, conciliatie.] NIET arbitrage en rechtspraak. Dit zijn juist juridische methoden van geschillenbeslechting, nl zij leiden tot een bindende uitspraak (Rn 656)
Vraag 12
Na de moord op Verenigde Naties-gezant Bernadotte in Jeruzalem in 1948 verzocht de Algemene Vergadering het Internationaal Gerechtshof advies te geven over de vraag of de Verenigde Naties de noodzakelijke internationale rechtspersoonlijkheid hadden om voor personeel dat tijdens de uitoefening van officiële functies gewond raakt, van de verantwoordelijke staat schadevergoeding te eisen.

Vraag 13
In de analyse van het advies dienen in ieder geval drie elementen te worden betrokken die van belang zijn voor de ontwikkeling van het internationaal publiekrecht.

De opvatting van het Internationaal Gerechtshof dat de Verenigde Naties internationale rechtspersoonlijkheid bezitten, aangezien de staten die de organisatie oprichtten deze intentie hadden en de organisatie ook feitelijk in staat is rechten te bezitten en taken uit te oefenen.

Als gevolg van deze rechtspersoonlijkheid hebben internationale organisaties de mogelijkheid staten aansprakelijk te stellen.Daarnaast kan eventueel nog het onderscheid tussen de rechtspersoonlijkheid van de VN en de rechtspersoonlijkheid van staten besproken worden. Handboek randnummers 184 en 599; jurisprudentiebundel p.307 tweede en derde alinea.

De opvatting van het Internationaal Gerechtshof dat organisaties bevoegdheden kunnen bezitten die hun niet uitdrukkelijk zijn toegekend, maar die geïmpliceerd kunnen worden geacht op grond van de doelstellingen en functies van de organisatie (‘implied’ powers). Dit wordt in het advies toegepast op de bevoegdheid van de organisatie rechtsvorderingen in te stellen ter bescherming van haar werknemers.
Handboek randnummers 197 en 215; jurisprudentiebundel p.309 laatste alinea, p.310 voorlaatste alinea.

Het oordeel van het Internationaal Gerechtshof dat de Verenigde Naties “objectieve rechtspersoonlijkheid” toekomt, aangezien ze waren opgericht door vrijwel alle staten van de wereld. Dit wil zeggen dat de rechtspersoonlijkheid gelding heeft tegenover alle staten. De Verenigde Naties konden dan ook een vordering tegen Israël instellen, hoewel Israël geen partij was bij het VN-Handvest Handboek randnummer 185; jurisprudentiebundel p.311 vierde alinea.

 

5. Oefententamen 2008-2

Vraag 1
De zaak SERACv.Nigeria,diediendevoordeAfrikaanse Mensenrechtencommissie, ging onder meer over milieuvervuiling en verwoesting van het Ogoniland in de Nigerdelta door oliewinning. In zijn uitspraak van 2001 stelde de Mensenrechtencommissie dat Nigeria bepaalde verplichtingen onder het Afrikaanse Mensenrechtenhandvest (African Charter) niet was nagekomen. 
Uitgaande van deze vaststelling kan Nigeria onder algemeen internationaal recht aansprakelijk worden gesteld voor schending van de betreffende rechtsplichten. Wat zijn de rechtsgevolgen van een dergelijke aansprakelijkheid? (8 punten)
Vraag 2
De vestiging van rechtsmacht van het Internationaal Gerechtshof via de zgn. ‘Facultatieve
Verklaring’ berust op het beginsel van wederkerigheid. Leg dit uit. (7 punten)

Vraag 3
Wat zijn in het stelsel van het EVRM de 3 belangrijkste voorwaarden waaronder individuele rechten door een staat kunnen worden beperkt? Licht toe. (8 punten)

Vraag 4
Leg uit waarom artikel 94 gw geen voorrang toekent aan regels van internationaal gewoonterecht boven nationaal recht. (7 punten)

Stel: de regering van Duitsland verneemt dat een Russisch vrachtvliegtuig is gekaapt. Het vliegtuig is op weg naar Berlijn. De kapers, in Kiev aan boord gekomen, blijken Nederlands te zijn. Zij eisen de vrijlating van drie in Duitsland in gevangenschap verkerende Nederlandse politieke extremisten. Indien niet aan de eis wordt voldaan, zullen zij het vliegtuig op Berlijn laten neerstorten. De Duitse regering wenst niet te onderhandelen en brengt het leger in paraatheid. Zes jachtvliegtuigen stijgen op met de instructie om het vrachtvliegtuig neer te schieten wanneer (a) het vliegtuig zich binnen een straal van 25 kilometer van Berlijn bevindt, en (b) de opdracht wordt gegeven door het centrale commandocentrum. Wanneer het vrachtvliegtuig zich op een afstand van 24 kilometer van Berlijn bevindt en de daling inzet, besluit één van de Duitse straaljager-piloten op eigen initiatief een raket af te vuren. De raket treft doel en het vrachtvliegtuig stort neer op onbewoonde weidegrond in Brandenburg. Als later de zwarte doos wordt gevonden, blijkt dat de kapers al boven Polen waren overmeesterd terwijl de piloten van het vrachtvliegtuig koortsachtig probeerden contact te krijgen met de verkeerstoren – evenwel zonder succes omdat de communicatieapparatuur defect was.

Vraag 5
Kan aan de staat Duitsland de handeling van de Duitse piloot worden toegerekend, gegeven het feit dat de piloot de raket heeft afgevuurd zonder dat hij daartoe de opdracht had gekregen van het nationale commandocentrum? Waarom (niet)? (8 punten)

Vraag 6
Gesteld dat Duitsland volkenrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor het neerschieten van het vrachtvliegtuig – zou Duitsland zich in dat geval succesvol kunnen beroepen op “een omstandigheid die de onrechtmatigheid wegneemt”? Licht toe. (7 punten)
Vraag 7
Kan Duitsland Nederland volkenrechtelijk aanspreken op de schade die deze episode heeft toegebracht aan Duitse openbare ruimte en materieel? (8 punten)

Vraag 8
Rusland is zeer ontstemd over het lot van het vrachtvliegtuig en is van mening dat Duitsland tè overhaaste en tè draconische instructies heeft afgegeven aan de straaljagerpiloten. Bij wijze van politiek signaal besluit de Russische regering tot opschorting van alle verdragsbetrekkingen met Duitsland inzake de luchtvaart. Duitsland stelt dat Duitse vliegtuigen in elk geval door het Russische luchtruim kunnen blijven vliegen op grond van het gewoonterechtelijke recht van onschuldige doorvlucht. Hoe beoordeelt u dit argument? (7 punten)

In 2005 bracht de Amerikaanse President Bush een bezoek aan Nederland om de 5 mei viering bij te wonen. De feestelijkheden dreigden te worden overschaduwd door de poging van een groep Nederlandse burgers om het Nederlandse Openbaar Ministerie te dwingen Bush strafrechtelijk te vervolgen in Nederland voor beweerde internationale misdrijven begaan in Irak en Afghanistan, waaronder de foltering van gevangenen.

Vraag 9
Op welke door het internationaal recht erkende grondslag zou de Nederlandse rechter in een dergelijke zaak in beginsel jurisdictie kunnen vestigen? Zou het internationaal recht ook een grondslag voor jurisdictie bieden indien President Bush niet aanwezig was geweest op Nederlands grondgebied? (8 punten)

Vraag 10
De Nederlandse strafrechter baseert zijn rechtsmacht op de Nederlandse wet. Vestigt de Nederlandse wet rechtsmacht over internationale misdrijven? Is het voor die rechtsmacht van belang of de verdachte al dan niet aanwezig is op Nederlands grondgebied? (7 punten)
Vraag 11
Stel: President Bush heeft u als advocaat in de arm genomen. Welke volkenrechtelijke regel zou u dan tegen de uitoefening van rechtsmacht door de Nederlandse rechter hebben ingeroepen? Maakt het voor de kans van slagen van dit verweer nog uit dat Bush wordt beschuldigd van internationale misdrijven? Vindt dit verweer ook een basis in de Nederlandse wet? (8 punten)
Vraag 12
Kan de Nederlandse rechter President Bush berechten voor de beweerde internationale misdrijven na beeindiging van zijn functie? (7 punten)
Vraag 13
Analyseer hoe het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Christine Goodwin v. United Kingdom invulling geeft aan het leerstuk van de ‘Margin of Appreciation’.

 

Antwoorden Oefententamen 2008-2

Vraag 1
Het gaat bij deze vraag om het zorgvuldig gebruiken en toepassen van de relevante ILC Artikelen. RN 583 e.v. Nigeria moet stoppen met de onrechtmatige daad en waarborgen dat herhaling zal worden voorkomen (art 30). Verder moet rechtsherstel worden geboden (art 31). Die kan bestaan uit restitutie, compensatie en genoegdoening (art 34 [en35-37]).

Vraag 2
Door middel van de Facultatieve Verklaring van artikel 36.2 Statuut van het Internationaal Gerechtshof aanvaarden staten de bevoegdheid van het Internationaal Gerechtshof ten aanzien van toekomstige geschillen met andere staten op voorwaarde dat de andere staat die partij is bij het geschil dezelfde verplichting aanvaardt. 
Een Staat kan dus slechts een beroep doen op de aanvaarding van rechtsmacht door een andere Staat in de zin van artikel 36.2 indien zij ook zelf een Facultatieve Verklaring heeft afgelegd. 
Het beginsel van wederkerigheid brengt bovendien met zich mee dat de ene Staat een beroep kan doen op de voorbehouden die de andere Staat bij haar Verklaring heeft gemaakt. 
Interhandel/ Fisheries Jurisdiction. RN 675. 

 

Vraag 3
De drie belangrijkste voorwaarden waaronder individuele rechten door een staat kunnen worden beperkt zijn: a) Voorzien bij wet. Dit houdt in dat de wettelijke basis voldoende precies en kenbaar moet zijn.
b) Legitiem doel zoals genoemd in lid 2 van het desbetreffende artikel. Deze zijn ruim geformuleerd.
c) Noodzakelijk in democratische samenleving. Dit is veelal het beslissende criterium in de praktijk. Relavant maar hier niet gevraagd als DE “belangrijkste 3 voorwaarden” zijn “presssing social need” en proportionaliteit. Deze zijn van belang voor de invulling van het vereiste ‘noodzakelijk in een demokratische samenleving’.

  • Er is ook ruimte voor beperkingen van rechten indien er geen expliciete uitzonderingsclausule is, zoals bij Art. 6 EVRM
- Sommige rechten zijn echter absoluut en moeten te allen tijde door de staat worden gegarandeerd, zoals Art. 3 EVRM.
  • Een bijzondere vorm van beperking is in geval van een oorlog of noodtoestand, wanneer op basis van art. 15 EVRM verschillende rechten zoals artikel 8, 9 en 10 kunnen worden opgeschort. (Zie randnummer 415)

Vraag 4
 Zie de memorie van de grondwetgever geciteerd in het ‘Decembermoorden in Suriname’ arrest.
- Primair; a. inhoud onzeker, b. kan grondwettelijke bevoegdheden van regering en parlement frustreren. - RN 361

Vraag 5
Het ingaan op het leerstuk van rechtstreekse werking in plaats van op de vraag naar de voorrang van gewoonterecht.
Het slechts vermelden dat gewoonterecht niet genoemd wordt in artikel 94 Grondwet, maar niet uitleggen waarom dit het geval is.

Vraag 6
Ja. Het betreft een Duitse militair en dus een overheidsorgaan (Artikel 4(1) Articles ILC). Het feit dat de piloot in strijd met zijn instructies handelde is niet relevant (Artikel 7 Articles ILC).

Vraag 7
Ja. Duitsland kan met succes een beroep doen op het beginsel van distress (24 ILC Articles). Het is duidelijk dat hier sprake is van een noodsituatie waarin de Duitse autoriteiten geen andere keuze hadden dan het toestel neer te schieten om het leven van Duitse ingezetenen te beschermen. Het feit dat de kapers al overmeesterd waren en het gevaar dus geweken was, was niet kenbaar voor de Duitse autoriteiten en doet dus niet af aan de toepasselijkheid van Artikel 24. In het licht van de fijnheid van onderscheid tussen distress en necessity wordt een verwijzing naar Artikel 25 (necessity) als antwoord ook goedgekeurd. NB: het volkenrechtelijke ‘recht op zelfverdediging’ is hier niet aan de orde, want er is geen sprake van een ‘armed attack’ in de zin van artikel 51 VN handvest. Alleen artikelen met verschillende aansprakleijkheidsuitsluitingsgronden omnoemen is niet voldoende. Men moet ze in elk gevallen toepassen op de casus om te laten zien wat zij inhouden.

Vraag 8
Nee, handelingen van de kapers als zodanig zijn niet toe te schrijven aan Nederland. De due diligence plicht – zorgplicht vd staat mbt particuliere onderdanen – strekt zich niet uit tot het monitoren van de handelingen

Vraag 9
van Nederlandse burgers in Rusland....tenzij de Nederlandse staat kon weten van de plannen van de kapers, maar dat blijkt niet uit de casus.

Onzin, anders dan het “rechtop onschuldige doorvaart in het zeerecht” bestaat er in het geheel geen “recht op onschuldige doorvlucht” in het luchtrecht. Cf. RN 165. Omdat het (voor mensen die het niet heel goed hebben geleerd) mogelijk is te denken dat “het recht op onschuldige doorvlucht” gegeven is, zijn er soms enkele punten toegekend bij goede juridische argumentatie over het bestaan van gewoonterecht als separate bron naast verdragsrecht (dat in dit geval dus werd opgeschort).

Vraag 10
Universele jurisdictie: het gaat hier om internationale misdrijven.
Verschil primaire/secundaire universele jurisdictie. Territoriale aanknoping door aanwezigheid verdachte op grondgebied wordt veelal als voorwaarde voor de uitoefening van universele jurisdictie gezien.

De kwestie van eventuele immuniteit van president Bush voor de jurisdictie die door Nederland zou kunnen worden uitgeoefend, blijft in deze vraag buiten beschouwing – dat is een separate kwestie, die aan de orde zou komen als een staat eenmaal jurisdictie heeft gevestigd. Zie vraag B7.

De Wet Internationale Misdrijven maakt de Nederlandse strafwet van toepassing op eenieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan genocide, misdrijven tegen de menselijkheid en ernstige oorlogsmisdrijven (artikeln 3-5) wanneer de verdachte zich in Nederland bevindt (artikel 2.1 sub a).

Vraag 11
Congo v Belgium Persoonlijke immuniteit van het staatshoofd in functie.
Deze immuniteit van vreemde strafrechtelijke jurisdictie is absoluut, en geldt ook voor ernstige internationale misdrijven (para 58 Congo v Belgium).
Dit verweer vindt een basis in artikel 16 WIM.

Vraag 12
Congo v BelgiumNa beeindiging van zijn functie kan Bush zich beroepen op functionele immuniteit.
Functionele immuniteit is immuniteit voor alle officiele handelingen begaan tijdens zijn functie maar niet privehandelingen (para 61 Congo-Belgium).
De vraag of internationale misdrijven als officiele dan wel als privehandelingen hebben te gelden is controversieel.

Vraag 13
Van belang zijn de paragrafen 71-75, 85 en 93 van de zaak Christine Goodwin v. The United Kingdom. De zaak Christine Goodwin v. The United Kingdom betreft een transsexueel die een geslachtsverandering heeft ondergaan maar geen volledige wettelijke erkenning van haar nieuwe geslacht kreeg. Aan deze erkenning stond voornamelijk het Britse systeem van het geboorteregister in de weg.
- Het EHRM heeft aan staten een beoordelingsvrijheid (Margin of Appreciation) gelaten om een oordeel te geven over de noodzakelijkheid en proportionaliteit van een beperking. Op basis van deze beoordelingsvrijheid kunnen staten een afweging maken tussen de individuele rechten en algemene publieke belangen. Deze beoordelingsvrijheid hebben staten omdat zij beter instaat zijn deze afweging te maken. Het EHRM houdt echter de uiteindelijke bevoegdheid om te toetsen of een beperking van een recht een ongeoorloofde inbreuk is. (Zie Waite en Kennedy v. Germany, para 59)
- In het verleden hadden staten een relatief ruime margin als het om transseksuelen ging (para 72-73). Maar het EHRM heeft ook te letten op de veranderende maatschappelijke omstandigheden (“changing conditions” para 74) en beoordeelt de zaak van Goodwin dan ook “in the light of present day conditions” (para 75). Inmiddels is er steeds meer acceptatie van transsexuelen en ook van de juridische erkenning van hun nieuwe sexuele identiteit. (para 85) Verder constateert het EHRM dat er geen zwaarwegende publieke belangen zijn die voldoende opwegen tegen het belang van het individu op juridische erkenning van zijn nieuwe sexuele indentiteit. Dat leidt uiteindelijk tot de conclusie dat deze materie niet langer binnen de beoordelingsvrijheid valt en staten niet langer vrij zijn de rechten van transseksuelen te beperken zoals dat eerder wel werd toegestaan (para 93).

 

 

6. Oefententamen 2009

 

 

Vraag 1

Leg uit wat in het kader van staatsaansprakelijkheid met “diplomatieke bescherming” wordt bedoeld, en geef aan, aan welke twee voorwaarden uitoefening van diplomatieke bescherming is onderworpen.

 

Vraag 2

Na het Chinese melkpoeder-schandaal gaan er in Europa stemmen op om de import van voedselproducten uit China aan banden te leggen. Sommige mensen pleiten voor extra kwaliteitscontroles op Chinese voedselproducten, anderen vinden dit niet ver genoeg gaan en pleiten voor een algehele invoerstop van voedsel uit China. Beoordeel beide voorstellen op verenigbaarheid met de regels van de GATT.

 

Vraag 3

Op welke wijzen kan het Internationaal Gerechtshof bevoegdheid verkrijgen om een geschil te beslechten?

 

Vraag 4 (Trouw, 14 oktober 2005)

Welk volkenrechtelijk rechtsmachtsbeginsel of -beginselen vormde(n) voor de Nederlandse staat een basis om in deze zaak jurisdictie uit te oefenen? Welk voorwaarden stelt de Nederlandse wet aan uitoefening van rechtsmacht op basis van dit/deze beginsel(en)?

 

“Afghanen krijgen twaalf en negen jaar

De twee Afghanen die in Nederland zijn vervolgd op verdenking van het plegen

van oorlogsmisdrijven in hun eigen land [jegens Afghanen], zijn vrijdag

veroordeeld tot celstraffen van twaalf en negen jaar. Dat is gelijk aan de eis van

het Openbaar Ministerie (OM) Volgens het OM hebben Habibullah J. en

Hesamuddin H. onder meer mensen gemarteld en vermoord.”

 

Op 13 November jl wordt door aol-news het volgende bericht:

Het afgelopen jaar zijn tientallen schepen voor de kust van Somalië gekaapt door Somalische piraten. In reactie hierop heeft de VN Veiligheidsraad een aantal resoluties aangenomen, waaronder Resolutie 1816 van 2 juni jl. Resolutie 1816 bevat onder andere de volgende passage:

 

 

The Security Council,

[...]

Determining that the incidents of piracy and armed robbery against vessels in the

territorial waters of Somalia and the high seas off the coast of Somalia exacerbate

the situation in Somalia which continues to constitute a threat to international peace

and security in the region,

Acting under Chapter VII of the Charter of the United Nations,

[...]

7. Decides that for a period of six months from the date of this resolution, States

[...] in the fight against piracy and armed robbery at sea off the coast of Somalia [...]

may:

(a) Enter the territorial waters of Somalia for the purpose of repressing acts of

piracy and armed robbery at sea, [...]; and

(b) Use, within the territorial waters of Somalia [...] all necessary means to

repress acts of piracy and armed robbery;

[...]

‘A Royal Navy [United Kingdom] warship has rescued a Danish vessel after it

came under attack from Somali pirates. HMS Cumberland and the Russian frigate

Neustrashimy repelled the attempted raid in the Gulf of Aden on Tuesday.

The pirates fired weapons at the Danish ship and twice tried to board it before the two

warships came to the rescue, the Russian navy said. HMS Cumberland [...] is

currently deployed on a piracy-fighting mission in the Gulf of Aden [...].

The [Ministry of Defence] said two suspected pirates were killed in the exchange of gunfire. [...]’

U kunt aannemen dat deze episode zich afspeelt in de territoriale zee van

Somalië.

 

Vraag 1.

Mocht de HMS Cumberland op basis van Resolutie 1816 geweld gebruiken? Waarom

(niet)?

 

Vraag 2.

Kan Somalië aansprakelijk gesteld worden voor de schade die wordt toegebracht door de

aanvallen van de piraten?

 

Vraag 3.

Stel:er is betrouwbare informatie waaruit blijkt dat de piraterij gedeeltelijk dient ter

financiering van één van de partijen bij het gewapend conflict in Somalië. Op uitnodiging

van de overgangsregering van Somalië voeren daarop Nederlandse militairen op

Somalisch grondgebied operaties uit tegen deze gewapende groepering en nemen zij actief

deel aan vijandelijkheden. Nederland wordt hierdoor partij bij het gewapend conflict.

Welk internationaal rechtsgebied is in deze conflictsituatie speciaal van toepassing op de

door Nederlandse militairen uitgevoerde operaties? Wat zijn de algemene beginselen

behorend bij dit rechtsgebied?

 

Vraag 4.     

Stel: bij één van deze operaties op Somalisch grondgebied plegen Nederlandse militairen

oorlogsmisdrijven. Zou het Internationaal Strafhof in dit geval rechtsmacht kunnen

uitoefenen, mits aan andere vereisten, zoals ontvankelijkheid, is voldaan? Somalië is geen

partij bij het Statuut van het Internationaal Strafhof, Nederland is dat wel.

 

Trouw – 19 september 2008 Europees gezag in VN keldert, China en Rusland winnen macht

De Europese Unie verliest snel aan invloed binnen de Verenigde Naties. In tien jaar tijd is het aantal landen dat de kant van de EU kiest bij stemmingen afgenomen van grofweg 80 procent naar iets meer dan 50 procent. China en Rusland zien steun voor hun opvattingen juist stijgen. ... Met name bij stemmingen over naleving van mensenrechten nam daarbij de steun voor de EU snel af.

Eind jaren ’90 volgde nog 72 procent van de landen in de Algemene Vergadering het EU- standpunt in mensenrechtenkwesties. In vergaderjaar 2007 was dat gedaald naar 48 procent van de 192 lidstaten. Vorig vergaderjaar was er een kleine opleving (55 procent), maar de tendens is dalend. Terwijl Rusland zijn steun juist zag stijgen van respectievelijk 59 procent naar 76 procent en China zelfs van 41 naar 74 procent.

Die ontwikkeling laat het afnemende gezag van westerse waarden zien: andere landen willen bijvoorbeeld geen interventies bij humanitaire rampen of genocide, en willen niet langer dat het Westen andere landen de maat neemt. In dat opzicht hebben de Verenigde Staten overigens nog veel sterker aan gezag ingeboet dan de EU. Het Amerikaanse stemgedrag werd in 1997-8 gevolgd door 74 procent van de landen, nu nog maar door 30 procent.

... De onderzoekers constateren overigens wel dat de EU als blok steeds hechter begint te worden. De duizend vergaderingen per jaar tussen EU-diplomaten onderling in New York alleen, blijken hun vruchten af te werpen. Maar die interne afstemming vermindert de energie die nodig is om anderen te overtuigen.

 

Vraag 5.     

Uit het artikel blijkt het afnemende gezag van Europese staten in de mondiale statengemeenschap. In hoeverre vormt deze trend een contrast met de oorsprong en vroege ontwikkeling van het internationaal recht?

 

Vraag 6.     

Het artikel betreft het stemgedrag in de VN en dan met name in de Algemene Vergadering. Leg uit wat de aard en de positie is van de Algemene Vergadering in het VN systeem.

 

Vraag 7.     

Wat is het juridisch belang van de resoluties van de Algemene Vergadering van de VN?

Vraag 8.     

Stel dat de Europese Unie haar lidstaten zou willen verplichten om in de Algemene Vergadering met één stem spreken. Het Unie-verdrag zwijgt over de bevoegdheid van de EU om lidstaten te verplichten met één stem te spreken binnen de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Betekent dit dat de EU niet de bevoegdheid heeft een dergelijke verplichting op te leggen? Baseer uw antwoord op beginselen van het algemeen internationaal recht inzake internationale organisaties.

 

Vraag 9.

Op dit moment is de EU geen lid van de VN. Zou de EU volgens het recht van de VN lid kunnen worden van de VN?

 

Bespreek het belang van de uitspraak van het Internationaal Gerechtshof in de International Arrest Warrant zaak (2002) voor het leerstuk van immuniteit.

 

Antwoorden oefententamen 2009

 

Vraag 1

Het aanspreken van een andere staat ten behoeve van de bescherming van onderdanen wordt aangeduid als ‘diplomatieke bescherming’. Het recht van een staat om diplomatieke bescherming uit te oefenen is gebaseerd op de fictie dat schending van een recht van een individu een schending met zich brengt van het recht van de staat waarvan het individu de nationaliteit heeft. (rn 601, p. 382); Voorwaarden: nationaliteit (rn 602-604, p. 383-384), uitputting effectieve nationale rechtsmiddelen (rn 605-606, p. 384-385). Vergl ILC artikelen inzake staatsaansprakelijkheid, art 44 èn ILC draft articles inzake diplomatieke bescherming art 3 jo. 6 en 7 & art 14.

 

Vraag 2

In beginsel is maatregel 1 in strijd met artikel I en III van het GATT (Meestbegunstigings- clausule en nationale behandeling) en maatregel 2 met artikel XI.

 

Artikel XX biedt eventueel een uitzonderingsgrond voor de verboden van deze artikelen. In casu zou een beroep kunnen worden gedaan op artikel XX sub b. Voor een succesvol beroep moeten twee dingen worden aangetoond. 1: Is de maatregel “necessary to protect human, animal or plant life or health?” Dit betreft een strikte proprtionaliteits-/ subsidiariteits toets. Maatregelen zijn slechts noodzakelijk indien er geen redelijke, minder ingrijpende alternatieven bestaan die het beoogde doel kunnen realiseren. [RN 535].

2: Is de maatregel niet in strijd met het chapeau van artikel XX. Met andere woorden, is er geen sprake van ‘arbitrary or unjustifiable discrimination between countries where the same conditions prevail, or a disguised restriction on international trade’? [RN 536].

Zie US Shrimp zaak.

 

Maatregel 2 lijkt de proportionaliteit/subsidiariteitstoets minder gemakkelijk te doorstaan dan maatregel 1. Als maatregel 1 voldoet om het beoogde doel te bereiken, voldoet maatregel 2 dus niet aan de eisen.

 

Vraag 3

Het IGH heeft geen verplichte rechtsmacht om een geschil te beslechten. De instemming van staten met de rechtsmacht van het IGH voor geschilbeslechting is noodzakelijk. Artikel 36 lid 1 en lid 2 – Compromis (bijzondere ovk), Compromissoire clausule (rechtsmacht bepaling in een verdrag), facultatieve verklaring, forum prorogatum. (Ook : verdrag als zodanig – maar staat niet in het Handboek, dus niet gevraagd). RN 673-676.

 

Veelgemaakte fout: Het IGH heeft twee taken, het uitbrengen van adviezen en geschilbeslechting. In deze vraag gaat het alleen over de tweede taak van het IGH. De manier waarop het IGH bevoegdheid verkrijgt om een advies uit te brengen is dus NIET van belang.

 

Vraag 4

(RN 115-116) Het enige beginsel dat in deze zaak in aanmerking komt om de basis te vormen om jurisdictie uit te oefenen voor de Nederlandse Staat is het beginsel van universele rechtsmacht. Universele jurisdictie is  rechtsmacht over internationale misdrijven gepleegd buiten het grondgebied van de rechtsmacht-uitoefenende staat, door een dader met de buitenlandse nationaliteit en met slechts buitenlandse slachtoffers; De Wet International Misdrijven (WIM) geeft de voorwaarden voor uitoefening van universele rechtsmacht over internationale misdrijven door de Nederlandse rechter. De belangrijkste voorwaarde die specifiek aan de uitoefening van universele rechtsmacht wordt gesteld is de aanwezigheid van de verdachte op het territoir van Nederland [NB: dit is een territoriale aanknoping, NIET territorialiteisbeginsel als aanknopingspunt voor rechtsmacht]; zie WIM art 2(1)a.

(Daarnaast is meer in het algemeen ook het legaiteitsbeginsel (art. 16 GW, artikel 1 Sr) van belang. Universele rechtsmacht mag niet worden uitgeoefend zonder een strafbepaling in de NL’se wet. Een strafbepaling in een verdrag of in gewoonterecht is dus niet voldoende voor het uitoefenen van rechtsmacht (zie ook het Decembermoorden-arrest).

NB: Art. 93/94 Gw zijn niet van belang: strafrechtelijke jurisdictie kan nooit worden uitgeoefend zonder een omzetting van een verdrag in een Nederlandse strafbepaling.

 

Vraag 1

In principe is het wel toegestaan om geweld te gebruiken om basis van de genoemde VN resolutie: het schip is in casu onderdeel van de marine van de betreffende staat en is dus eenstaatsorgaan. De genoemde VN Veiligheidsraad resolutie is aangenomen overeenkomstig Hst VII van het VN handvest (een voorwaarde voor bindendheid van VN resoluties) en bevat de bewoording ‘all necessary means’.

 

Vraag 2

Eerste vraag is of het handelen van de piraten aan Somalie kan worden toegerekend: Artikelen 1, 2 en 8 ILC Artikelen inzake Staatsaansprakelijkheid, effective control test (Genocide case para 399-400). Uit niets blijkt dat de piraten onder instructie of iets soortgelijks stonden van de Somalische overheid (afgezien van de vraag of hier sprake is van een (effectieve) overheid).

Daarnaast is een andere rechtsplicht aan de orde, eventuele schending waarvan wèl kan worden toegerekend aan Somalië, nl de zogeheten due diligence verplichting. Deze verplichting gebiedt staten om zorg te dragen dat handelingen van privé personen die zich op hun grondgebied of onder hun rechtsmacht bevinden, geen schade toebrengen aan (onderdanen van) andere staten. (RN 573). Zie Corfu Channel case, pp. 292-293, 295-296 bundel; RN 573.

NB: niet deel van het gevraagde antwoord maar - indien moet worden aangenomen dat er sprake is van een onrechtmatige daad, is de vraag of er een verweer is op grond van de ILC artikelen. In aanmerking komt force majeure, artikel 23 ILC.

 

Vraag 3

Internationaal humanitair recht; (RN 488-489 en 490-91) 1. onderscheid tussen combattanten/non-

combattanten en 2. proportionaliteit en 3. voorkoming van buitensporig leed.

 

Vraag 4

Ja, voorwaarden voor het uitoefenen van rechtsmacht zijn dat het betreffende misdrijf gepleegd wordt op het grondgebied van,of door de

onderdaan van, een lidstaat (Art 12(2)b van het ISH Statuut). NB statuut Internationaal strafhof is NIET

hetzelfde als het Internationaal Gerechtshof!

 

Vraag 5

Aanvankelijk was internationaal publiekrecht vooral Europees publiekrecht. De Vrede van Westfalen waarbij in 1648 de vrede van de dertigjarige oorlog werd getekend die het europese continent had geteisterd wordt vaak gezien als de oorsprong van het moderne internationale publiekrecht omdat toen voor het eerst staten als soevereine politieke eenheden duidelijk zichtbaar waren op het internationale politieke toneel. Ook nadat internationaal recht door de kolonialisatie in geografische zin een mondiaal karakter kreeg, domineerden nog steeds vooral de Europese staten. Na de dekolonialisatie en de opkomst van de VS en Rusland als machtige staten hebben de Europese staten invloed verloren.

Inmiddels heeft zich deze ontwikkeling blijkens de uitkomsten van het onderzoek van de Brusselse denktank European Council on Foreign Relations zoals omschreven in het artikel nog verder voortgezet. Staten die voorheen de Europese waarden onderschreven, doen dit nu niet meer en de Europese staten verliezen hierdoor nog meer invloed op de ontwikkeling van het Internationale recht. RN 6-8 + tekst Cassese Reader.

 

Vraag 6

De Algemene Vergadering (AV) is één van de 6 hoofdorganen van de VN. (Art. 7 VN Handvest). De AV bestaat uit alle leden van de VN en is daarmee de meest volledige institutionele vertegenwoordiging van de Internationale gemeenschap (artikel 9 VN Handvest). Ieder lid van de AV heeft 1 stem (artikel 18 Handvest). De AV biedt een forum voor discussies en politieke besluitvorming. Zij houdt zich bezig met alle onderwerpen die binnen het VN Handvest vallen en met de taken van van alle organen van de VN. Ze kan aanbevelingen doen aan de lidstaten ofde Veiligheidsraad (art. 10 VN Handvest). Ze heeft ook belangrijke bevoegdheden aangaande het budget (artikel 17 VN Handvest). Rn 172

 

Vraag 7

Resoluties van de Algemene Vergadering zijn niet bindend. Wel kunnen de resoluties van invloed zijn op de vorming van gewoonterecht. Besluiten van de Algemene Vergadering kunnen een aanwijzing bevatten voor de rechtsovertuiging van staten. Rn 230 – zie ook de 1986 Nicaragua zaak para. 188 en de Legality zaak (General Assembly) para 70-71

 

Vraag 8

Nee, dat betekent het niet per se dat de EU niet de bevoegdheid heeft een dergelijke verplichting op te leggen. Het kan immers zijn dat dit gerekend kan worden tot de impliciete bevoegdheden van de organisatie: bevoegdheden die niet expliciet genoemd staan in het oprichtingsverdrag maar die nodig zijn (en daarom geïmpliceerd zijn) voor uitoefening van functies en nastreving van doelstellingen die wèl met zoveel woorden staan genoemd. Of er in casu sprake is van impliciete bevoegdheden, is een zaak voor discussie. Zie Legality of the Use by a State of Nuclear Weapons in Armed Conflict (WHO Advies) para 25, Reparation case p. 301 bundel; Ontwikkeling in de praktijk. Rn 194-198

 

Vraag 9

De VN is een open organisatie. Maar zie het oprichtingsverdrag (in casu is dit het Handvest van de VN). Cf. Artikel 4 lid 1 VN Handvest: lidmaatschap staat open voor vredelievende staten. Dus niet voor IGOs.

 

Ministers van Buitenlandse zaken (behorende tot “De Grote Drie“ der staatsorganen) genieten in beginsel (in het gewoonterecht verankerde) volledige immuniteit van strafrechtelijke jurisdictie en onschendbaarheid zo lang zij in functie zijn (para 54). Dat geldt voor zowel private als publieke handelingen (para 55). Dat geldt in beginsel ook voor ernstige misdrijven (para 58).

 

Hoewel er ook wel is bepleit dat immuniteit voor internationale misdrijven zou moeten wijken (Pinochet) is zo’n uitzondering op dit moment niet in het recht geaccepteerd (Rnr 295)).

 

Zie verder paras 60-61 van de Arrest Warrant uitspraak: Immuniteit impliceert niet altijd straffeloosheid. De betreffende persoon kan worden vervolgd in eigen land, het eigen land kan de immuniteit op heffen, na beeindiging van de ambtstermijn kan de minister worden vervolgd voor handelingen verricht in hoedanigheid van privé- persoon (Rnr 295), èn de persoon in kwestie kan bovendien worden vervolgd door een internationaal tribunaal.

 

Probleem is dat er geen overeenstemming bestaat over wat handelingen in functie zijn en wat privé handelingen zijn. Het IGH spreekt zich hierover niet uit.

 

Veelgemaakte fout: Het gaat om een minister van buitenlandse zaken en niet om een diplomaat. Het gaat dus niet om diplomatieke immuniteiten. De Vienna Convention on Diplomatic Relations wordt wel aangehaald in paragraaf 52, maar het IGH zegt dat dit verdrag geen uitsluitsel kan geven over de reikwijdte van de immuniteit van ministers van buitenlandse zaken.

 

7. Oefententamen 2011

 

Vraag 1
Onder welke voorwaarden mag een staat de eigendommen van een buitenlandse onderneming op haar grondgebied onteigenen?

 

Vraag 2
Noem drie verschillen tussen enerzijds militaire operaties waarbij de Veiligheidsraad staten machtigt om militaire maatregelen te nemen op basis van hoofdstuk VII VN-Handvest en anderzijds klassieke vredesbewaring (peacekeeping).

vraag 3
Leg uit onder welke voorwaarden de Nederlandse rechter een besluit van een internationale organisatie dat wordt ingeroepen door een individu direct kan toepassen.

 

Vraag 4

  1. Leg uit in welke situatie de instemming van een staat om gebonden te worden aan een verdrag nietig is
  2. b) Leg uit wanneer een verdrag nietig is.

Twee naburige staten, Hobbanië en Malistan, zijn lid van de Verenigde Naties (VN) en partij bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). In Hobbanië leeft een grote groep Malistanezen, die zichzelf beschouwt als een apart volk dat dient te worden onderscheiden van de Malistanezen in Malistan.

In Hobbanië breekt na jaren van vrede een gewapend conflict uit en een dictator grijpt de macht. Hij is van Hobbanese afkomst en besluit dat Malistanezen in Hobbanië niet meer mogen stemmen, zich niet verkiesbaar mogen stellen en geen openbare functies mogen bekleden.

Op 1 oktober 2001 komen de Malistanezen in Hobbanië in opstand. Zij proberen de controle te krijgen over het noordelijk grondgebied van Hobbanië waarbinnen hoofdzakelijk inwoners met Malistaneze afkomst woonachtig zijn. Malistan sympathiseert met de opstandelingen en besluit hen vanaf 15 oktober 2001 te financieren en van wapens te voorzien.

Vanwege de gewapende opstand in Hobbanië kondigt de Hobbanese dictator de noodtoestand af en schort tijdelijk de werking van het EVRM op. De Malistanese opstandelingen en sympathisanten worden zonder proces gevangengenomen. Onafhankelijke mensenrechtenorganisaties berichten over martelingen en buitengerechtelijke executies van deze gevangenen

 

Vraag 5

a. Geef aan of, en zo ja onder welke voorwaarden, Hobbanië van deze rechten mag afwijken in een noodtoestand.

b. Noem drie mensenrechten die in deze casus in het geding kunnen zijn.

Vraag 6

Kan Malistan aansprakelijk worden gehouden voor de handelingen van de opstandelingen?

 

Vraag 7

Hobbanië en Malistan zijn beide partij bij GATT 1994. In reactie op de beweerde schending van internationaal recht door Malistan besluit Hobbanië tot een importverbod op alle producten uit Malistan. Dit importverbod is strijdig met de verplichtingen van Hobbanië onder het GATT. Beoordeel of dit importverbod onder internationaal recht toch is toegestaan.

Op 1 januari 2002 besluiten de Malistanezen zich af te scheiden van de staat Hobbanië. Op 2 januari 2002 wordt de onafhankelijke staat Zuid-Hobbanië uitgeroepen. Hobbanië erkent de totstandkoming van deze nieuwe staat niet en meent dat de eenzijdige afscheiding in strijd is met het internationaal recht.

Vraag 8

Leg uit of de Malistanese opstandelingen in Hobbanië het recht hebben om zich af te scheiden van Hobbanië op basis van het recht op zelfbeschikking.

Stel, de voormalige Amerikaanse president, George Bush, heeft zich sinds enige tijd teruggetrokken in zijn villa in de Nederlandse gemeente Sint Eustatius. Hij schrijft daar in alle rust zijn memoires. Het Nederlandse Openbaar Ministerie is van zins een strafrechtelijk onderzoek te starten naar Bush in verband met de beschuldigingen van martelingen door Amerikaanse soldaten in Irak.

 

Vraag 9

a. Leg uit welk volkenrechtelijk rechtsmachtbeginsel een basis vormt om rechtsmacht uit te oefenen door de Nederlandse staat.

 

b.Welke voorwaarden stelt de Nederlandse wet aan de uitoefening van rechtsmacht op basis van dit beginsel en is aan deze voorwaarden in deze casus voldaan?

 

Vraag 10

Ziet u internationaalrechtelijke obstakels voor de uitoefening van rechtsmacht door de Amerikaanse rechter?

 

Vraag 11

Nederland is partij bij het Statuut van het Internationaal Strafhof, de Verenigde Staten en Irak zijn dat allebei niet.

 

Vraag 12

Ziet u internationaalrechtelijke obstakels voor de uitoefening van rechtsmacht door de Nederlandse rechter? Ga er bij de beantwoording van deze vraag vanuit dat de Nederlandse staat rechtsmacht heeft.

Is het Internationaal Strafhof bevoegd om tot de vervolging en berechting van Bush over te gaan? Ga er bij de beantwoording van de vraag vanuit dat de misdrijven waarvan Bush verdacht wordt, vallen onder artikel 5 van het Statuut van het Internationaal Strafhof.

 

Vraag 13

Leg – in een goed gestructureerd betoog – uit op basis van welke criteria het Internationaal Gerechtshof vaststelt of een norm kan worden aangemerkt als internationaal gewoonterecht. Onderbouw uw betoog zowel met de uitspraak in de zaak North Sea Continental Shelf als met het advies in Legality of the Use or Threat of Nuclear Weapons (Algemene Vergadering) van het Internationaal Gerechtshof.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Antwoorden oefententamen 2011

 

Vraag 1

  1. Het moet gaan om een bindend besluit van een internationale organisatie
  2.  Vervolgens moet Artikel 93 Grondwet toegepast worden: besluiten van volkenrechtelijke organisaties die naar hun inhoud een ieder kunnen verbinden hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt. In het Spoorwegstakingarrest bepaalde de Hoge Raad dat een bepaling rechtstreeks kan worden toegepast indien zij naar haar inhoud genomen voldoende duidelijk is om als ‘objectief recht’, zonder nadere uitwerking in de nationale rechtsorde, te functioneren.
  3. Is de bepaling inroepbaar door individuen/richt de bepaling zich op individuen? (RN 713)

Vraag 2

Het noemen van drie van de onderstaande verschillen levert een volle score op:

  • Vredesbewaring vindt, anders dan militaire maatregelen op basis van hoofdstuk VII, plaats met de instemming van de staat waar de vredesbewarende troepen worden gelegerd. (RN 420)
  • Vredesmachten staan onder gezag en commando van de Veiligheidsraad; het commando over militaire operaties onder hoofdstuk VII rust bij de deelnemende staten. (RN 417, 420
  • Vredesmachten zijn niet gemachtigd, behoudens het recht op zelfverdediging, geweld tegen de partijen te gebruiken; militaire operaties onder hoofdstuk VII zijn dat juist wel. (RN 414, 420)
  • Vredesmachten worden bekostigd door de VN; militaire operaties onder hoofdstuk VII worden bekostigd door de deelnemende staten. (RN 417, 420)
  • Vredesmachten kunnen óók worden ingesteld door de Algemene Vergadering; HVII operaties uitsluitend door de Veiligheidsraad. (RN 408)
  • Vredesmachten zijn neutraal. Zij hebben tot taak om twee of meer strijdende partijen te scheiden. Vredesbewarende troepen hebben in beginsel niet tot doel de vrede af te dwingen tegenover één of meer partijen, maar om een situatie van relatieve stabiliteit na een gewapend conflict te handhaven. (RN 420)

Vraag 3

Onteigening is toegestaan indien:

  • de maatregel niet discriminatoir/willekeurig is
  • in het publieke belang is
  • vergezeld gaat van compensatie. Er is onduidelijkheid over de standaard van compensatie. De Hull-formule vereist dat de vergoeding prompt, adequate and effective is (onmiddellijk uitgekeerd, vertegenwoordigd volledige waarde investering, benadeelde partij moet daadwerkelijk toegang hebben tot de fondsen). Aan de ander kant staat de norm van ‘passende compensatie’ en/of verwijzing naar de Declaratie inzake de Permanente Soevereiniteit over Natuurlijke Hulpbronnen (RN 501)

Vraag 4
 a.        Dwang op een vertegenwoordiger van een staat leidt tot nietigheid van de instemming om gebonden te worden, Artikel 51 WVV (RN 305).

De andere artikelen van het WVV zijn niet van toepassing, aangezien nietigheid dan aangevraagd kan worden door de betrokken staat, maar nietigheid niet automatisch volgt. De vraag was wanneer instemming nietig is, niet wanneer een verdrag nietig kan zijn.

 

 

b.

  • Bij bilaterale verdragen wanneer de instemming van een der partijen nietig is, art. 51 jo. art 69.1 WVV. (RN 308)
  • Bij alle verdragen indien de totstandkoming van een verdrag is bereikt met bedreiging met of gebruik van geweld tegen een staat, art. 52 WVV. (RN 306)
  • Als het verdrag op het tijdstip van totstandkoming strijdig is met dwingend internationaal recht (jus cogens), art. 53 WVV. (RN 307)
  • Een bestaand verdrag dat conflicteert met een nieuw dwingend internationaal recht (jus cogens), art. 64 WVV.

 

Vraag 5

a. Dit kan op basis van artikel 15 EVRM (RN 382). Opschorting is alleen toegestaan indien er een noodtoestand is die het bestaan van het land bedreigt. De maatregelen moeten strikt noodzakelijk zijn: zij mogen niet verder gaan dan de toestand vereist; en mogen niet in strijd zijn met andere verplichtingen die voortvloeien uit het internationaal recht of discriminatie inhouden op grond van ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst of maatschappelijke afkomst.

Van sommige bepalingen mag echter niet worden afgeweken, zoals artikel 3 EVRM (als studenten bij 1a foltering hebben genoemd moet dit punt gemaakt worden, als ze alleen rechten hebben genoemd waar wel van worden afgeweken dan hoeft dat niet) en artikel 2 onder voorwaarden (artikel 15 lid 2).

 

b. Het noemen van drie van de onderstaande mogelijkheden levert de volle score op

  • Recht op vrijheid van meningsuiting, artikel 10 EVRM
  • Recht op leven, artikel 2 EVRM
  • Recht op eerlijk proces, artikel 6 EVRM
  • Folterverbod, artikel 3 EVRM
  • Studenten kunnen ook verwijzen naar het feit dat de Malistanezen in Hobbanië niet mogen stemmen/zich verkiesbaar mogen stellen, dit is in strijd met artikel 3 Protocol 1 bij EVRM.
  • Recht op vrijheid, artikel 5 EVRM
  • Als goed uitgelegd is artikel 7 EVRM ook goedgekeurd
  • Non-discriminatiebeginsel Protocol 12 (artikel 14 is maar half goedgekeurd, omdat dat artikel alleen in samenhang met een ander artikel van toepassing)
  • Gewoonterechtelijk zelfbeschikkingsrecht

Vraag 6

Het gaat hier om de mogelijke aansprakelijkheid van de staat voor de handelingen van de opstandelingen en niet van de handelingen van het leger van de staat zelf. Toerekening van handelingen van privépersonen kan als de staat controle uitoefent, zoals voorzien in artikel 8 ILC artikelen. De financiering, training en levering van wapens is echter niet voldoende om effectieve controle uit te oefenen, met verwijzing naar Nicaragua of Genocide-zaak. (RN 525) In sommige gevallen is nog 1 punt toegekend voor de opmerking dat toerekening niet mogelijk is, maar dat, in analogie met het Nicaragua-arrest, er wel een schending van het non-interventie beginsel heeft plaatsgevonden (RN 114).

Een veelgemaakte fout is een argument gebaseerd op Artikel 11 van de ILC Artikelen. Weliswaar kan een staat handelingen van particulieren goedkeuren en omarmen en daarmee aansprakelijk worden voor deze handelingen, maar dergelijke goedkeuring moet altijd expliciet zijn en kan niet blijken uit financiële of materiële steun. Artikel 11 is dus niet van toepassing, en ligt gezien de feiten in de casus ook niet voor de hand.

 

Vraag 7

Het gaat hier om tegenmaatregelen/represailles. Dit zijn maatregelen die op zichzelf door internationaal recht verboden zijn, maar waarvan de onrechtmatigheid wordt weggenomen indien ze worden genomen jegens een staat die een internationale onrechtmatige daad begaat.

Er moet echter wel aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Deze zijn te vinden in de ILC Artikelen en eventueel in de Gabcikovo-Nagymaros zaak (maar dan alleen als dit is in de context van tegenmaatregelen, niet als dit in de context van noodzakelijkheid of rebus sic stantibus is):

  • Alleen gelaedeerde staten mogen overgaan tot het nemen van tegenmaatregelen.
  • Hobbanië moet eerst een beroep doen op Malistan om de schending te beëindigen en rechtsherstel te bieden, artikel 52(1)(a) ARSIWA.
  • Hobbanië zal Malistan op de hoogte moeten stellen van hun voornemen en hen de mogelijkheid moeten bieden om tot onderhandelingen over te gaan (artikel 52(1)(b)); Hobbanië mag ingevolgen artikel 52(2) wel dringende maatregelen nemen die noodzakelijk zijn om hun rechten te beschermen. Studenten kunnen er ook op wijzen dat het niet duidelijk is of onderhandelingen een voorwaarde zijn voor het nemen van tegenmaatregelen.
  • De tegenmaatregelen moeten evenredig zijn aan de aard van de geleden schade (proportionaliteit, artikel 51)
  • Hobbanië mag geen tegenmaatregelen nemen indien het geschil is voorgelegd aan een internationaal tribunaal (artikel 52(3)(b))
  • Hobbanië mag geen tegenmaatregelen nemen die in strijd zijn met het geweldsverbod, rechten van de mens of normen van jus cogens.(RN 580-588)

Een veel gemaakte fout is een analyse binnen de regels van de GATT, bijvoorbeeld het zoeken naar een uitzondering onder Artikel XX. Dit is onjuist, aangezien in de vraag gegeven was dat de maatregel niet verenigbaar is met de GATT, dus ook niet onder Artikel XX. Als de uitzondering toegestaan is onder Artikel XX GATT is er immers geen schending van dit verdrag.

 

Vraag 8

De Malistanezen kunnen als volk een beroep doen op het zelfsbeschikkingsrecht

Zie art. 1 IVBPR (en/of art. 1 IVESCR), de Wall Opinion, par. 88, de Quebec zaak en de Katanga zaak. Het recht op zelfbeschikking kan ook grond vormen voor de vorming van een eigen staat door een volk, dit wordt aangeduid als externe zelfbeschikking.

Het is algemeen geaccepteerd dat het recht op externe zelfbeschikking bestaat in 2 gevallen:

  1. Volkeren die waren onderworpen aan kolonisatie hadden het recht op externe zelfbeschikking
  2. Volkeren die zijn onderworpen aan buitenlandse bezetting of overheersing hebben het recht op externe zelfbeschikking

Ook wordt wel betoogd dat indien het recht van een volk op interne zelfbeschikking door de territoriale staat wordt gefrustreerd of ontkend (i.c. door Hobbanië), na een zekere periode dat volk het recht op externe zelfbeschikking zou verkrijgen (zie ook de Quebec en Katanga-zaken) (maar voor dit beginsel is in de praktijk weinig steun te vinden). (RN 100-101)

 

Vraag 9

a.  Het universaliteitsbeginsel kent staten beperkte bevoegdheid toe om rechtsmacht uit te oefenen over personen ten aanzien van wie geen andere aanknopingsfactor, zoals territorialiteit en nationaliteit, toepasbaar is, indien de fundamentele waarden van de internationale gemeenschap geschonden zijn. In het geval van Bush zijn inderdaad geen andere aanknopingsfactoren van belang en de fundamentele waarden van de internationale gemeenschap zijn geschonden zijn. (RN 126)

 

b. De WIM geeft universele rechtsmacht over personen die verdacht worden van het plegen van in deze wet omschreven misdrijven (artikelen 3 en verder) in het buitenland, wanneer de verdachte zich in NL bevindt: artikel 2.1.a. WIM (zuivere, secundaire universele rechtsmacht). (Foltering staat in artikel 4.1.f WIM, en Bush bevindt zich op NLs grondgebied)

Vraag 10

Ja er zijn volkenrechtelijke obstakels. Op basis van internationaal gewoonterecht genieten zittende ministers van buitenlandse zaken persoonlijke, dus volledige, immuniteit en onschendbaarheid gedurende de periode dat zij in ambt zijn. Dit om te voorkomen dat zij kunnen worden gehinderd in de uitoefening van hun functie. RN 148 Arrest Warrant Case para 51.

 

Vraag 11

De rechtsmacht van het Internationaal Strafhof rust op de instemming van staten.

Het Strafhof heeft rechtsmacht over misdrijven gepleegd:

  • Op het grondgebied van een staat die rechtsmacht van het Strafhof heeft erkend;
  • Door een onderdaan van een staat die rechtsmacht van het Strafhof heeft erkend.Zie artikel 12 (2) Rome Statute.

Toepassing op casus: de zaak valt daarmee buiten de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof, aangezien zowel de staat op wiens grondgebied de misdaden zijn gepleegd (Irak) als de staat om wiens onderdaan het gaat (de Verenigde Staten) geen partij zijn bij het Statuut.

 

Vraag 12

Persoonlijke immuniteit van staatshoofden, regeringsleiders en ministers van buitenlandse zaken is beperkt tot de duur van de ambtsperiode. Daarna genieten zij slechts nog functionele immuniteit: ze genieten immuniteit voor handelingen verricht in hun officiële hoedanigheid.

Het is dus de vraag of de handelingen van Bush, voor zover hij opdracht heeft gegeven voor de martelingen die plaats hebben gevonden, als officiële handelingen zijn aan te merken / of dat functionele immuniteit opzij gezet wordt in geval van internationale misdrijven.

De stand van het internationaal recht op dit punt is niet eenduidig nu de statenpraktijk verdeeld is (en para 61 Arrest Warrant niet duidelijk hierover). De NLse rechter heeft een aantal keer aangenomen dat internationale misdrijven niet tot de officiële taken van een overheidsdienaar kan behoren en dat dus functionele immuniteit op deze misdrijven niet van toepassing is. Een ander argument is wel dat de individuele aansprakelijkheid van individuen voor internationale misdrijven met zich meebrengt dat functionele immuniteit niet van toepassing is. Artikel 16 WIM (RN 148. 149)

NB: Goede uitleg van het feit dat er concurrerende rechtsmachtsclaims kunnen zijn, is gedeeltelijk goedgekeurd.

 

Vraag 13

Het volgende ingeleverde betoog is beloond met de volle tien punten:

“Internationaal gewoonterecht kan gevormd worden indien er aan twee voorwaarden is voldaan. Allereerst moet er sprake zijn van een rechtspraktijk die omvangrijk en voldoende consistent is. Omvangrijk houdt in dat er veel staten zijn die deze rechtspraktijk volgen, vooral ook staten die er belang bij hebben. Voldoende consistent houdt in dat er een duidelijke uniformiteit is in het handelen (zie North Sea Continental Shelf, par. 74). Het is hierbij niet van belang of de rechtspraktijk al heel lang bestaat, het gaat erom dat voldoende staten op dezelfde manier handelen. Van belang is verder of de norm gehanteerd wordt door staten die er in het bijzonder door geraakt worden (zie North Sea Continental Shelf, par. 74).

De tweede voorwaarde waaraan moet zijn voldaan is opinio juris, oftewel de (subjectieve) overtuiging dat dit rechtsgevolg gewenst is. Staten moeten achter de manier van handelen staan (zie par. 77 North Sea Continental Shelf).

In het arrest Legality of Nuclear Weapons gaat het met name om de vraag of er wel sprake is van opinio juris. De praktijk laat zien dat er al een vrij lange tijd geen gebruik wordt gemaakt van nucleaire wapens, maar de redenen hiervoor verschillen (zie par. 66). Het Internationaal Gerechtshof stelt dat de resoluties van de Algemene Vergadering een normatief karakter kunnen hebben en daarom kunnen wijzen in de richting van opinio juris. Hierbij moet gekeken worden naar de inhoud en omstandigheden waaronder zij zijn aangenomen. Indien er veel tegenstemmingen of onthoudingen zijn, duidt dit op een gebrek aan rechtsovertuiging. Wat betreft het verbod op het gebruik van nucleaire wapens is er volgens het Hof geen opinio juris aangezien uit de resoluties van de Algemene Vergadering geen consensus blijkt over het onderwerp.”

 

8. Oefententamen 2012

 

Vraag 1

Bevoegdheden van een internationale organisatie kunnen mede worden vastgesteld aan de hand van het leerstuk van “implied powers”. Leg uit wat dit leerstuk inhoudt.

 

Vraag 2

Leg uit op basis van welke criteria het beroepsorgaan van de Wereldhandelsorganisatie beoordeelt of een beroep op artikel XX GATT 1994 gerechtvaardigd is.

 

Vraag 3

Artikel 18 van het Europees Sociaal Handvest bepaalt:

De Overeenkomstsluitende Partijen erkennen:
[…] 4. het recht van hun onderdanen om het land te verlaten ten einde op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partijen een op winst gerichte bezigheid uit te oefenen.

Leg uit of, in een geschil tussen een particulier en de staat, de Nederlandse rechter deze bepaling direct kan toepassen.

 

Vraag 4

Leg uit wat het verschil is tussen, enerzijds, een inmenging (of inbreuk) en, anderzijds, een schending van de rechten neergelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

 

Stel: Op 1 mei 2011 wordt de Deense hoofdstad Kopenhagen opgeschrikt door een aanslag op regeringsgebouwen. Enkele tientallen ambtenaren en burgers verliezen daarbij het leven. De aanslagen worden opgeëist door de terreurgroepering El-Nemo, die strijdt voor een schoner milieu. Het is algemeen bekend dat El-Nemo opereert vanuit het eilandstaatje Nauru. De regering van Nauru treedt niet op tegen El-Nemo. De regering verklaart in een persconferentie dat het sympathie heeft voor de doelstellingen van El-Nemo.

 

Vraag 5

Leg uit welke internationale rechtsplicht Nauru mogelijk heeft geschonden door niet op te treden tegen de terreurgroepering El-Nemo.

Op 1 juni 2011 wordt er een nieuwe aanslag gepleegd in Kopenhagen en opnieuw eist El-Nemo de aanslag op. De regering van Nauru laat nu in een officiële reactie weten de doelstellingen van El-Nemo te onderschrijven en volledig achter de aanslagen te staan. De President van Nauru verklaart op de nationale televisie pas maatregelen te zullen nemen indien de Westerse wereld een alomvattend klimaatverdrag sluit waarmee de uitstoot van broeikasgassen drastisch zal worden teruggedrongen. ‘De aanslagen zijn uit onze naam gepleegd’, zo verklaart de president, ‘want de stijging van de zeespiegel bedreigt ons bestaan’.

Op 4 juni 2011 grijpt Denemarken gewapend in op het grondgebied van Nauru en bombardeert het aan de kust gelegen gebouwencomplex waarin El-Nemo haar hoofdkwartier heeft.

 

Vraag 6

Beoordeel de stelling van de Deense regering dat haar militair optreden in Nauru een gerechtvaardigde vorm van zelfverdediging is onder het internationale recht.

 

El-Nemo laat onder meer via videoboodschappen nog steeds van zich horen en Denemarken vreest nieuwe aanslagen. Denemarken, als lidstaat, richt een verzoek aan zowel de NAVO als de VN om militair in grijpen in Nauru. In de Veiligheidsraad wordt vervolgens lang gesproken over een ontwerpresolutie die het gebruik van alle noodzakelijke middelen tegen El-Nemo en Nauru zou autoriseren teneinde de terreurdreiging weg te nemen. De resolutie wordt niet aangenomen, omdat China en Rusland hun veto uitspreken.

 

Daarop besluit de NAVO wel in te grijpen. Op 1 juli 2011 vallen NAVO-troepen Nauru binnen. Ook Nederlandse grondtroepen worden ingezet. Binnen een dag wordt het bewind van Nauru verdreven en worden de leiders van El-Nemo opgepakt.

 

Vraag 7

Beoordeel de stelling van de Nederlandse regering dat de deelname aan de NAVO-missie gerechtvaardigd kan worden met een beroep op het recht op zelfverdediging ook al is Nederland niet zelf aangevallen.

Na de militaire inval verschijnen berichten in de internationale pers dat tientallen burgers bij de gevechten op Nauru om het leven zijn gekomen. De Algemene Vergadering van de VN geeft een commissie opdracht een onderzoek in te stellen. De onderzoekscommissie concludeert het volgende: ‘Bij de militaire aanval op Nauru zijn geen verboden wapens gebruikt. Wel staat vast dat op zijn minst 50 burgers om het leven zijn gekomen als direct gevolg van de gevechtshandelingen’.

 

Vraag 8

Leg uit welke twee beginselen van internationaal humanitair recht relevant zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de gevechtshandelingen waarbij burgerslachtoffers vielen.

Stel: De buurlanden Agazië en Borgizië hebben al sinds mensenheugenis een geschil over de precieze loop van de landsgrens tussen beide landen. Regeringsvertegenwoordigers onderhandelen al jaren intensief om het geschil op te lossen. Agazië heeft al enkele malen voorgesteld om het geschil voor te leggen aan het Internationaal Gerechtshof (IGH) maar Borgizië stemt daar niet mee in. Tijdens een nieuwe onderhandelingsronde brengt Agazië het punt opnieuw te berde, de vertegenwoordiger van Borgizië reageert minder afhoudend dan gebruikelijk. Hij zegt dat indien er niet binnen afzienbare tijd een oplossing gevonden wordt, de gang naar het IGH inderdaad maar gemaakt moet worden.

Agazië stelt vervolgens na enkele maanden dat het IGH op basis van deze afspraak, terug te vinden in de notulen van de betreffende vergadering, rechtsmacht over het geschil kan uitoefenen. Borgizië ontkent echter dat er voldoende rechtsbasis is voor rechtsmacht van het IGH en zegt dat de notulen geen bindende afspraken bevatten nu de vertegenwoordiger van Borgizië nooit de bedoeling heeft gehad om Borgizië te binden.

 

Vraag 9

a. Op welke grondslag voor uitoefening van rechtsmacht door het IGH beroept Agazië zich in deze casus?

b. Op basis van welke criteria zal het IGH vaststellen of het op die grondslag rechtsmacht kan uitoefenen?

Borgizië voert subsidiair aan dat volgens de Borgizische Grondwet het Parlement altijd moet instemmen voordat de regering bindende internationale afspraken kan maken, en dat het dus onder internationaal recht sowieso niet gebonden is aan een afspraak waarmee het Borgizische Parlement nog niet heeft ingestemd.

 

Vraag 10

Leg uit op welke rechtsregel van internationaal recht Borgizië zich beroept, en of dat beroep kansrijk is.

Stel dat het IGH concludeert dat het geen rechtsmacht heeft. Vervolgens legt Borgizië op 1 januari 2012 een Facultatieve verklaring af in de zin van artikel 36 lid 2 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof waarin het de rechtsmacht van het IGH zonder enig voorbehoud aanvaardt. Agazië heeft al op 23 januari 2006 een Facultatieve verklaring afgelegd waarin zij de jurisdictie van het Hof aanvaardt ten aanzien van alle geschillen over vraagstukken van internationaal recht die na die datum zullen rijzen.

Agazië reageert opgetogen op de Borgizische verklaring: eindelijk dient zich de mogelijkheid aan Borgizië voor het IGH te slepen over de kwestie die de buurlanden al decennia lang splijt. Borgizië stelt echter dat het IGH nog altijd niet bevoegd is om zich over het geschil uit te spreken.

Vraag 11

Beoordeel of het IGH nu rechtsmacht kan vestigen over het geschil.

 

Stel dat Agazië en Borgizië hun grensgeschil eindelijk bijleggen en de loop van de grens vastleggen. Vervolgens scheidt één van de federale republieken in Agazië zich met instemming van de moederstaat af, en roept de nieuwe onafhankelijke staat Caldonië uit. De nieuwe machthebbers in Caldonië stellen ten eerste dat de nieuwe staat niet gebonden is aan enige internationale norm, met uitzondering van regels van jus cogens. Ten tweede stelt Caldonië niet gebonden te zijn aan het grensverdrag tussen Agazië en Borgizië in het bijzonder.

 

Vraag 12

Bespreek beide standpunten van Caldonië; heeft het land gelijk?

 

Vraag 13

In de Genocide zaak (Bosnië-Herzegovina v. Servië en Montenegro) stelde Bosnië-Herzegovina zich op het standpunt dat Servië “overall control” had uitgeoefend over de Bosnische Servische strijdkrachten op haar grondgebied. Leg in een goed gestructureerd betoog van ongeveer 250 woorden uit:

  • wat het onderwerp van geschil was in deze zaak;
  • waarom het Hof in plaats van de “overall control” standaard een andere standaard toepast, en welke standaard dat is.

 

Antwoorden oefententamen 2012

 

Vraag 1

In het Reparation for Injuries advies (1949) bepaalde het IGH dat IO’s die bevoegdheden hebben die, alhoewel niet expliciet toegekend, kunnen worden afgeleid uit de “necessary implication as being essential to the performance of its duties”. [Pagina 313 Jurisprudentiebundel]

Zie ook het Legality of the Use by a State of Nuclear Weapons advies (1996) waarin het IGH bevestigde dat “The necessities of international life may point to the need for organizations, in order to achieve their objectives, to possess subsidiary powers which are not expressely provided for in the basic Instruments which govern their activities. It is generally accepted that international organizations can exrcise such powers, known as “implied” powers.’ [Para 25].

Dus de omstandigheden zijn dat een bepaalde bevoegdheid niet uitdrukkelijk door de lidstaten aan een IO is toegekend maar kan worden geïmpliceerd uit het feit dat ze noodzakelijk zijn om de doelstellingen en functies van de organisatie te bewerkstelligen. RN 206

 

Vraag 2

Artikel XX van de GATT bepaalt onder welke omstandigheden staten mogen afwijken van hun verplichtingen onder de GATT. Er is sprake van een dubbele toets. Allereerst moeten maatregelen in redelijkheid vallen onder één van de in artikel XX genoemde uitzonderingen. De maatregelen moeten onder sub a, b en d noodzakelijk zijn om die doelstellingen te bereiken, hetgeen wil zeggen dat er geen redelijke alternatieven zijn die minder ingrijpend zijn om de doelstellingen te bereiken (RN 487). Maatregelen onder sub c, e, f en g daarentegen moeten verband houden met of gericht zijn op het in die subparagraaf genoemde doel en, wat inhoud dat de maatregelen proportioneel moeten zijn ten opzichte van het doel. Ten tweede moeten uitzonderingsmaatregelen voldoen aan het chapeau dat bepaalt dat uitzonderingen geen middel mogen vormen van willekeurige of ongerechtvaardigde discriminatie of een verkapte handelsbeperking (RN 488). Bij de toepassing van het chapeau moet een belangenafweging gemaakt worden tussen de rechten van de andere lidstaten en het belang van het maken van een uitzondering. Een voorbeeld van hoe het beroepsorgaan deze criteria toepast bij artikel XX sub g is de Shrimp Turtle zaak.

Vraag 3

Ten eerste heeft de Hoge Raad in het Spoorwegstaking-arrest bepaald dat een bepaling rechtstreeks kan worden toegepast als deze naar de inhoud genomen voldoende duidelijk is om zonder nadere invulling in de nationale rechtsorde te functioneren. (RN 709) Hoewel de bepaling voldoende concreet lijkt om zonder nadere invulling toegepast te worden moet tevens worden opgemerkt dat de Nederlandse rechter van de meeste bepalingen van het ESH aanneemt dat deze niet voldoen aan de criteria voor rechtstreekse werking (RN 710). Ten tweede moet een bepaling inroepbaar zijn en aangezien het hier gaat om een bepaling die ziet op het recht van individuen (RN 713).

 

Het noemen van General Comment No. 3 van het Comité inzake Sociale, Economische en Culturele rechten kan ook punten worden toegekend als goed wordt uitgelegd dat het Comité in zijn commentaar heeft toegelicht dat het verschil tussen burgerrechten en politieke rechten aan de ene kant en sociale, economische en culturele rechten aan de andere kant minder groot is dan soms wordt aangenomen en dat verschillende rechten in het IVESCR direct kunnen worden toegepast. De argumentatie van het Comité is ook relevant voor het ESH.

 

Vraag 4
Een inmenging kan gerechtvaardigd zijn, een schending niet. Sommige rechten zijn absoluut en moeten ten alle tijden worden gegarandeerd (RN 377). Veel burgerrechten en politieke rechten bevatten echter uitzonderingsclausules die het staten onder voorwaarden toestaat om een inbreuk te maken op deze rechten. Als niet aan deze voorwaarden is voldaan is er sprake van een schending.

Een antwoord dat beschrijft onder welke voorwaarden een inmenging op een niet-absoluut recht is toegestaan (legaliteitsbeginsel, legitiem doel, noodzakelijkheid in een democratische samenleving, waarbij de ‘pressing social need’ en proportionaliteit een rol spelen) kan ook punten opleveren.

 

Vraag 5

Due diligence-beginsel. De verplichting van staten om ervoor zorg te dragen dat handelingen van privépersonen die zich op hun grondgebied bevinden, geen schade toebrengen aan de rechten van andere staten (RN 115, 527, Corfu Channel) Het gaat hier om een zorgplicht. Dat wil zeggen dat staten die maatregelen moeten nemen die redelijkerwijs van hen verwacht kunnen worden.

 

Vraag 6

In de eerste plaats moet beoordeeld worden of de militaire acties gericht tegen de staat Nauru gerechtvaardigd zijn. In het bijzonder speelt de vraag, zie Armed Activities on the Territory of the Congo, of de gewapende aanval waartegen het recht op zelfverdediging wordt ingeroepen, kan worden toegerekend aan Nauru. Waarschijnlijk is dit het geval, vanwege de goedkeuring die Nauru achteraf gaf aan de aanslagen.

Art 11 ILC-artikelen vereist voortoerekening dat i) een staat achteraf met de handeling instemt en ii) de staat de handeling omarmt als zijn eigen handeling (zie ook Tehran Hostage). Gelet op de verklaring van de President is waarschijnlijk aan beide voorwaarden voldaan. (Een gemotiveerd betoog dat de verklaring van de President daartoe onvoldoende is kan ook worden goed gerekend).

 

Vraag 7

Genoemd moet worden dat het recht op zelfverdediging ook collectief kan worden uitgeoefend: art. 51 VN-Handvest spreekt van individuele of collectieve zelfverdediging. Ten tweede is collectieve zelfverdediging alleen gerechtvaardigd indien het slachtoffer van de aanval een verzoek tot bijstand heeft gedaan (RN 435) Alternatief kan worden genoemd worden dat op basis van artikel 5 NAVO-verdrag een aanval op één van de lidstaten wordt beschouwd als een aanval op alle lidstaten en dat elk van de leden de aangevallen partij bij zal staan.

 

Vraag 8

Het onderscheid tussen combattanten en non-combattanten: in beginsel mag tegen non-combattanten geen geweld worden gebruikt. (RN 447)

- Proportionaliteit: ook indien militaire doelwitten worden aangevallen, dient rekening te worden gehouden met de mogelijkheid van bijkomend verlies van mensenlevens. De militaire voordelen moeten dan worden afgewogen tegen de risico’s voor burgers (RN 448).

 

Vraag 9

a. Een overeenkomst (Compromis) tussen twee staten om een geschil gezamenlijk voor te leggen aan het IGH in de zin van artikel 36.1 Statuut van het IGH.

 

b. Het Hof zal moeten vaststellen of de notulen naar hun aard een bindende afspraak bevatten. De vorm van de overeenkomst is niet van belang, ook notulen kunnen naar hun inhoud en strekking een verdragstekst vormen als daaruit blijkt dat partijen de bedoeling hebben gehad zich te binden. Het Hof zal hiervoor naar de inhoud van de overeenkomst moeten kijken, alsmede naar de overige omstandigheden van het geval. Aegean Sea zaak para 96, para 107; Qatar/Bahrain zaak para 23, para 25.

 

Vraag 10

Artikel 46 van het Weens Verdragenverdrag bepaalt dat een staat een overschrijding van nationale bevoegdheden niet mag inroepen ter ongeldigverklaring van haar wilsinstemming om gebonden te worden tenzij die strijdigheid onmiskenbaar was en het een regel van fundamenteel belang van het nationale recht van die staat betrof. Strijdigheid is onmiskenbaar indien zij ‘bij objectieve beschouwing’ duidelijk is voor elke staat die zich te goeder trouw gedraagt en vereist dat de begrenzingen bekend zijn gemaakt. Staten worden echter niet geacht elkaars wet te kennen. (RN 303). Alhoewel het hier wel een regel van fundamenteel belang betreft (het gaat immers om een bepaling uit de Grondwet), kan deze niet aan Agazie worden tegengeworpen tenzij Agazie vooraf op de hoogte is gesteld van deze regel.

 

Vraag 11

Nee. Twee overlappende Facultatieve verklaringen geven het IGH inderdaad rechtsmacht, maar omdat voorbehouden bij deze verklaringen gelden op basis van wederkerigheid zal het IGH geen rechtsmacht kunnen vestigen. Borgizië zal zich kunnen beroepen op het voorbehoud van Agazië. Het geschil bestaat sinds “mensenheugenis” en splijt de buurlanden al decennia lang. Het conflict is dus niet pas na 23 januari 2006 gerezen. Interhandel zaak. (RN 630).

 

Vraag 12

  1. Het standpunt dat nieuwe staten niet gebonden zijn aan internationaal recht tenzij het normen van jus cogens betreft, is niet juist. Het clean-slate beginsel geldt alleen voor verdragen, niet voor gewoonterecht. (RN 107).
  2. Het standpunt dat Caldonië niet is gebonden aan het grensverdrag is ook niet juist. Grensverdragen zijn uitgesloten van het clean slate beginsel (RN 106-107).

 

Vraag 13

Bij wijze van modelantwoord hieronder een door een student geleverd antwoord waaraan de volle 10 punten zijn toegekend:

‘In de Genocidezaak stelt Bosnië-Herzegovina dat Servië en Montenegro aansprakelijk was voor de genocide in Srebrenica. Deze genocide was niet gepleegd door staatsorganen. Daarom spitste de vraag zich toe of Servië en Montenegro toch aansprakelijk was op grond van artikel 8 van de ILC: “Conduct directed or controlled by a State”.

In de Nicaraguazaak van 1986 was ‘effective control’ het criterium dat bewezen moest worden. In de praktijk houdt dat in dat in elke specifieke actie ofwel instructies of aanwijzingen door de staat moesten zijn gegeven, ofwel de staat moest steeds effectieve controle hebben gehad.

Bosnië-Herzegovina beriep zich echter op de standaard van ‘overall control’, die was gebruikt in de Tadic-zaak (1999). Het verschil is dat in dat geval volstaat om aan te tonen dat alleen de gehele operatie werd geleid door de beschuldigde staat, en niet iedere onderliggende activiteit die het internationale recht schond.

Het hof is echter van mening dat het ‘effective control’ criterium moet worden toegepast en niet het overall control criterium. De reden daarvoor is dat het internationale publiekrecht het principe hanteert dat iedere staat verantwoordelijk is voor haar eigen gedrag, oftewel gedrag van personen die namens haar handelen. Dat zijn dus ofwel haar organen ofwel mensen die volledig afhankelijk van haar zijn en/of haar instructies opvolgen. Het criterium van overall control laat ruimte voor activiteiten die niet door de staat werden goedgekeurd of gewenst maar toch aan haar worden toegerekend. Daarmee wordt de aansprakelijkheid van de staat verder opgerekt dan het beginsel van aansprakelijkheid voor eigen gedrag toelaat. Het overall control-criterium past daarom niet in het internationale publiekrecht, en het strenge effective control criterium wel. Zo blijft de verbinding tussen gedrag en verantwoordelijkheid die noodzakelijk is gewaarborgd.’

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  3. Search tool: quick & dirty - not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is available at the bottom of most pages or on the Search & Find page
  4. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Quick links to WorldSupporter content for universities in the Netherlands

Follow the author: Vintage Supporter
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.