Samenvatting Internationaal en Europees recht. Een verkenning van grondslagen en kenmerken

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


Druk: 3e 2011

Auteur: Werner, Wouter G. and Wessel, Ramses A.

 

Hoofdstuk 1: Internationaal recht en internationale samenleving

 

Inleiding

De afgelopen decennia staat het internationaal recht weer veel in de belangstelling en wordt er veel gebruik van gemaakt door staten, internationale organisaties en nationale rechters. Recht en maatschappij hebben veel invloed op elkaar, daarom moet je bij het bestuderen van een rechtsorde kijken naar de bijbehorende samenleving. Vooral bij internationaal recht, om de kenmerken ervan te kunnen begrijpen en omdat veranderingen in de internationale samenleving (zoals toenemende afhankelijkheid) veel invloed hebben gehad.

 

Afbakening van het internationaal publiekrecht

Tot aan het begin van de twintigste eeuw ging het bij het internationaal publiekrecht nog uitsluitend om betrekkingen tussen onafhankelijke staten, en alleen over klassieke onderwerpen als verdragenrecht, het recht van de zee, oorlogsrecht, diplomatieke betrekkingen en gebiedsverkrijging Inmiddels is het internationaal publiekrecht uitgegroeid tot een rechtsorde die zich ook uitstrekt tot andere terreinen zoals mensenrechten, ruimterecht, milieu, economie, internationale organisaties en er zijn er nu ook regels (rechten, plichten, bevoegdheden) voor internationale organisaties, particulieren, ondernemingen, volkeren en bevrijdingsbewegingen.

Internationaal publiekrecht: ‘het geheel van regels dat zijn geldigheid ontleent aan de algemeen geaccepteerde internationale rechtsbronnen zoals verdragen, gewoonterecht, algemene rechtsbeginselen, jurisprudentie en doctrine’. Kenmerkend voor deze bronnen is dat zij niet zijn terug te voeren op één enkele nationale rechtsbron. Het is een rechtsstelsel dat is gebaseerd op het uitgangspunt dat de ene staat niet bevoegd is om regels op te stellen die juridisch bindend zijn voor een andere staat. Staten zijn dus soeverein (onafhankelijk) ten opzichte van andere staten.

Het verschil met internationaal privaatrecht: Internationaal privaatrecht is nationaal recht dat zich bezig houdt met grensoverschrijdende zaken zoals rechtshandelingen tussen verschillende nationaliteiten. Er moet dan gekeken worden welk nationaal rechtstelsel van toepassing is. Iedere staat heeft zijn eigen regels van internationaal privaatrecht (kan dus strijdig zijn). Om problemen te voorkomen hebben staten verschillende verdragen gesloten. Om de problemen die strijdige stelsels van internationaal privaatrecht met zich meebrengen op te lossen, hebben staten daarom gebruik gemaakt van het internationaal publiekrecht.

 

De opkomst van de soevereine staat

Het ‘Westfaalse Systeem’

Historisch bekeken is de ontwikkeling van het internationaal recht nauw verbonden met de ontwikkeling van een samenleving van soevereine, onafhankelijke staten. In West-Europa ontwikkelde het moderne statensysteem zich als antwoord op de teloorgang van politieke orde, de Respublica Christiana, onder het gezag van Keizer en Paus. Dit kwam door de Reformatie, de opkomst van locale heersers en de godsdienstoorlogen.

 

Een belangrijke stap in de richting van het moderne statensysteem was de vrede van Westfalen. Er werden hier verdragen gesloten om een einde te maken aan de godsdienst- en burgeroorlogen die sinds de Reformatie Europa aan de gang waren. Er werd bevestigd dat heersers binnen hun grondgebied exclusief bevoegd zijn om de godsdienst vast te stellen. Anderen mochten zich hier niet mee bemoeien. Dit is één van de belangrijkste beginselen van de Vrede van Westfalen en wordt ook wel cuius regio, eius religio genoemd. Het is belangrijk om de Westfaalse Vredesverdragen te beschouwen als belangrijke stap in de richting van het moderne statensysteem en niet als de overgang naar de nieuwe tijd.

Door de ontwikkeling van de wetenschap vanaf het einde van de zeventiende eeuw nam het belang van territorialiteit verder toe. Het werd mogelijk grenzen op een veel preciezere en objectievere manier vast te stellen. Binnen de vastgestelde grenzen nam de macht van de staat toe. Dit uitte zich in een groeiende bureaucratie, een zich steeds verder uitbreidend takenpakket en een groeiend vermogen om het leven van de bevolking te registreren en te controleren. Het meest sprekende voorbeeld van de toename van macht van de staat is dat deze erin slaagde om het gebruik van geweld te centraliseren.

Ook kenmerkend voor de staat is dat hij wordt beschouwd als een abstracte persoon die niet gelijk kan worden gesteld met de machthebbers of het volk. Dit komt van het onderscheid tussen staat en regering.

 

Uitbreiding van de statengemeenschap

Het klassieke internationale recht beperkte zich eerst tot Europa ; er was een verschil tussen de verhouding van Europese staten onderling en de verhouding van Europese staten tot niet-Europese volken. Kolonialisme werd niet betwist; Europeanen zagen het als een ´beschavingsmissie´.

Na de eerste wereldoorlog werden de koloniën en gebieden van Duitsland respectievelijk Turkije onder mandaat geplaatst van mandatarissen, dit waren lidstaten van de Volkenbond die verantwoording bij de Volkenbond moesten afleggen. Ze moesten het welzijn van de bevolking daar bevorderen. Na de tweede wereldoorlog kwamen de gebieden onder toezicht van de Beheerschapsraad.

Vlak na aanvaarding van het VN-Handvest veranderde het denken over koloniale overheersing en ´beschavingsmissies´ snel: kolonisatie werd beschouwd als schending van het recht op zelfbeschikking , daarom kwam er een . Door de nieuwverworven onafhankelijkheid kwamen er veel nieuwe staten bij de gemeenschap. Wel bleven veel staten sterk afhankelijk, van andere staten of internationale instanties.

 

Het decentrale karakter van de internationale rechtsorde

Wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende functie in het internationaal recht

De relatie tussen het bestaan van soevereine staten en de aard van het internationaal recht is uitvoerig aan de orde gekomen in de zaak Lotus. De beroemde zaak Lotus uit 1927: Frankrijk vroeg het toenmalige Permanent Hof van Internationale Justitie of Turkije bevoegd was een Franse luitenant, die betrokken was bij een botsing tussen een Frans en een Turks stoomschip te arresteren en vervolgen. Tegenwoordig zou een dergelijke vraag ontkennend beantwoord worden (zie artikel 97 van het VN Verdrag inzake het Recht van de Zee). Frankrijk beriep zich op het verdrag van Lausanne; met dit verdrag was de volledige soevereiniteit van Turkije erkend en er stonden regels in over de uitoefening van jurisdictie over buitenlanders Het Hof kwam tot de conclusie dat het toenmalige internationaal recht zich niet verzette tegen de uitoefening van rechtsmacht door Turkije en dat, nu een verbod afwezig was, Turkije als soevereine staat de vrijheid had om tot vervolging van de Franse luitenant over te gaan. De redenering die het Hof hierbij gaf is belangrijk en bevat drie essentiele bepalingen die nu nog van toepassing zijn:

  1. de internationale samenleving bestaat uit onafhankelijke staten

  2. staten zijn alleen gebonden aan regels die ze vrijwillig hebben aanvaard (verdragen/gewoonterecht)

  3. in een dergelijke internationale samenleving mag het bestaan van beperkingen op de handelingsvrijheid van soevereine staten niet als uitgangspunt genomen worden.

 

Het idee van de internationale gemeenschap van soevereine staten is een van de uitgangspunten van het VN-Handvest en zichtbaar in de structuur van het recht, namelijk de decentrale structuur, ookwel horizontale structuur.

 

In de nationale rechtsorde leidde de ontwikkeling van de moderne staat tot centralisering van de overheidsmacht. Deze centralisering is in de internationale samenleving achterwege gebleven. Dit is duidelijk zichtbaar wanneer je kijkt naar de drie functie die in een rechtssysteem moeten vervuld worden:

  1. De wetgevende en regelstellende functie: het internationaal recht heeft geen centrale wetgever die algemeen verbindende regels mag maken. Het grootste gedeelte regels bestaat dan ook uit verdragen en gewoonte.

  2. De rechtsprekende functie: het internationaal recht heeft geen algemeen systeem van verplichte rechtsmacht waar staten zich aan moeten houden. Het internationaal Gerechtshof mag pas uitspraken doen over geschillen tussen staten als zij het Hof hebben erkend.

  3. De uitvoerende of handhavende functie: uitspraken of schendingen van het internationaal recht kunnen niet worden afgedwongen. De staten zelf spelen een grote rol bij handhaving en afdwinging van regels van internationaal recht.

 

De legalisering van gemeenschapsbelangen

De wil van de staat is van belang bij het internationaal recht, dit belang is op verschillende rechtsgebieden gerelativeerd . Hier is sprake van bij fundamentele normen die als dwingend internationaal recht kunnen worden beschouwd. Ook is er in het internationaal recht steeds meer aandacht voor gemeenschapsbelangen: belangen die uitstijgen boven de belangen van individuele staten en die worden gezien als een aangelegenheid van de internationale gemeenschap als geheel. In sommige gevallen bestaan er internationale organen die zijn belast met de bescherming van deze gemeenschapsbelangen, zoals de VN-Veiligheidsraad. Dit orgaan kan ook overgaan tot het nemen van maatregelen. maatregelen van de Veiligheidsraad kunnen niet alleen gericht zijn tot de lidstaten van de VN, maar ook tot niet-lidstaten of niet-statelijke actoren.

 

Is internationaal recht ‘recht’?

Sommige mensen menen dat het internationale recht niet als ´echt recht´ kan worden gezien, omdat er sprake is van een decentraal karakter of horizontale structuur. Wanneer er wordt gekeken naar het internationale recht, dan kun je zeggen dat het opvalt dat belangrijke actoren zoals staten, internationale organisaties en nationale rechters de regels van het internationaal recht wel degelijk als juridisch geldend beschouwen. Er is geen sterk centraal gezag. Toch kan men beter het internationale recht als een echte rechtsorde beschouwen en eraan toevoegen dat deze rechtsorde een bijzonder karakter heeft.

 

Staatssoevereiniteit

Soeverein’ betekent dat een staat niet onderworpen is aan het gezag van een andere staat: De staat heeft binnen een land het hoogste juridische gezag (dat is de interne dimensie), dat andere landen moeten accepteren (non-interventiebeginsel, de externe dimensie). Dit moet wel binnen de grenzen van het internationale recht blijven. Het internationaal recht bepaalt de inhoud en de strekking van de soevereiniteit en regelt ook dat via verdragen nieuwe internationale organisaties opgericht mogen worden. Aan deze organisaties kunnen bevoegdheden worden overgedragen. Deze organisaties zorgen voor nieuwe regels binnen het internationale recht. In toenemende mate is het traditionele tussenstatelijke recht aangevuld met regels die tot stand komen, worden geïnterpreteerd en worden gehandhaafd door of via internationale organisaties.

 

De transnationale samenleving en het recht der internationale organisaties

Instiutionalisering van interstatelijke organisaties

Internationaal recht is vooral ontstaan om het gedrag tussen staten te regelen. Door technologische ontwikkelingen, schaalvergroting en internationalisering van de economie kregen staten steeds meer te maken met problemen die verder gingen dan binnen de grenzen van de staat. Staten waren steeds meer verplicht om mee te werken aan oplossingen van transnationale problemen. Daardoor zijn de internationale organisaties ontstaan. Internationale organisaties zijn opgericht door staten door middel van een verdrag. Hadden internationale organisaties eerst een beperkte, vooral technische functie; na WO II zijn er honderden bijgekomen, gespecialiseerde en universele. Deze hadden toen vooral een politieke functie. Ten aanzien van internationale organisaties wordt uitgegaan van het attributiebeginsel: zij hebben alleen die bevoegdheden die in het oprichtingsverdrag zijn toebedeeld door lidstaten. Anderzijds hebben zij wel een eigen dynamiek.

 

De Verenigde Naties

Doelstellingen en karakter van de VN

  1. Het beste voorbeeld van de institutionalisering van de internationale samenleving is de VN. Zij hebben een brede, politieke functie en hun doelstellingen zijn de volgende: Het handhaven van internationale vrede en veiligheid

  2. Het ontwikkelen van vriendschappelijke betrekkingen tussen de naties

  3. Het tot stand brengen van internationale samenwerking bij het oplossen van internationale vraagstukken van economische, sociale, culturele of humaitaire aard en bij het bevorderen van eerbied voor de rechten van de mens

  4. Het zijn van een centrum voor de harmonisatie van het optreden van naties ter verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen.

 

 

Belangrijk binnen de VN is de soevereine gelijkheid van de leden en de VN bemoeit zich niet met “aangelegenheden die wezenlijk onder de nationale rechtsmacht vallen” (artikel 2 lid 7 VN-Handvest). De soevereine gelijkheid van de leden is ook erg belangrijk (artikel 2 lid 1 VN-Handvest). Het mondiale karakter blijkt uit artikel 4 VN-Handvest, omdat het lidmaatschap voor alle “vredelievende” staten. Toelating van nieuwe leden gebeurt op basis van een besluit van de Algemene Vergadering op aanbeveling van de Veiligheidsraad (artikel 4 lid 2 VN-Handvest). In artikel 5 en 6 VN-Handvest staat de schorsing of uitstoting.

 

Hoofdorganen van de VN

  • De Algemene Vergadering (General Assembly): Bestaat uit alle leden van de VN, vergadert jaarlijks van september tot december en bestaat voor effectieve besluitvorming uit 6 commissies. De resoluties, zijn formeel niet bindend, maar kunnen wel een belangrijke rol spelen in de rechtsvorming. Ze worden in de meeste gevallen aangenomen als consensus bereikt is, maar soms is een 2/3e meerderheid gewenst of, bij belangrijke resoluties (artikel 18 Handvest van de VN), geboden. De resoluties zijn formeel niet bindend maar wel gezaghebbend.

  • De Veiligheidsraad (Security Council, artikel 25 VN-Handvest): Bestaat uit vijftien leden, waarvan de VS, Rusland, China, Frankrijk en Engeland permanent zijn en het vetorecht hebben (behalve bij procedurele besluiten) omdat zij de overwinnaars waren na WO II en ze anders het Handvest niet wilden aanvaarden. De tien anderen rouleren en hebben zitting voor twee jaar. De Veiligheidsraad neemt een besluit aan wanneer negen van de vijftien voor stemmen (artikel 27 Handvest van de VN), waar de permanente vijf leden dus bij moeten zitten, tenzij ze zich onthouden van stemming. Door de grote toename van het aantal leden van de VN en de gewijzigde internationale situatie (vooral het beëindigen van de Koude Oorlog) is een hervorming van de huidige situatie binnen de Veiligheidsraad gewenst; het is niet bepaald representatief, omdat er inmiddels 192 staten lid zijn. Het is gewenst dat Japan, Duitsland, staten uit Latijns-Amerika/Azië/Afrika en zelfs de EU misschien ook een plaats moeten krijgen. Bovendien hebben andere mondiale organisaties het aantal leden van hun ‘raad’ ook aangepast aan het toegenomen ledenaantal. Op 21 maart 2005 kwam Kofi Annan met het rapport ‘In Larger Freedom: Towards Development, Security and Human Rights for All’ waarin hij onder andere inging op de mogelijke hervorming van de organisatie. De voorgestelde uitbreiding van het aantal leden van de Veiligheidsraad (naar 24) kan echter alleen doorgaan als de permanente vijf leden ermee instemmen. De roep om hervorming is ook sterker geworden omdat de Veiligheidsraad vanaf de jaren ’90 pas echt belangrijk is geworden: zolang de Koude Oorlog duurde functioneerde de Veiligheidsraad (VS en SU zaten er allebei in) nauwelijks. De besluiten van de Veiligheidsraad zijn bindend.

  • Het Internationaal Gerechtshof (International Court of Justice) zie hoofdstuk 10.

  • De Beheerschapsraad (Trustee Council): Moest de afgenomen gebieden van Turkije en Duitsland beheren. Na 1945 wilden andere staten hun koloniën echter niet overdragen aan deze raad en omdat alle gebieden nu onafhankelijk zijn, is de Raad non-actief.

  • Het Secretariaat (Secretariat): de ambtelijke dienst van de VN onder leiding van de Secretaris-generaal die voor vijf jaar gekozen wordt door de AV op aanbeveling van de Veiligheidsraad. Heeft de bevoegdheid om zaken met betrekking tot de vrede en veiligheid onder de aandacht van de Veiligheidsraad te brengen. De rapporten van het Secretariaat hebben grote invloed op het beleid van de VN.

  • De Economische en Sociale Raad (ECOSOC): is de tegenhanger van de Veiligheidsraad op de andere beleidsterreinen: economische en sociale samenwerking en mensenrechten. Er zijn 54 leden, gekozen voor drie jaar door de AV (de P-5 altijd). De ECOSOC coördineert zijn commissies en de gespecialiseerde organisaties, die zelfstandig zijn maar door een overeenkomst met ECOSOC bij de VN horen. Dit zijn twaalf gespecialiseerde organisaties.

(zie voor een uitgebreid schema van de VN pagina 27 W&W).

 

Reparation of Injuries-zaak (1949): Een VN-medewerker was in Jeruzalem vermoord. De vraag die aan het Internationaal Gerechtshof werd voorgelegd, was of de VN een zodanige positie in het international recht had, dat deze organisatie zelfstandig op internationaal vlak kon vragen om genoegdoening voor geleden schade. Het antwoord was volgde was “Ja”. De VN heeft dus rechtspersoonlijkheid (dit is besloten naar aanleiding van veranderingen in de internationale samenleving). Er werd in tegenstelling tot Lotus benadrukt dat de juridische soevereine staten de facto afhankelijk zijn en dat er naast de staten ook andere belangrijke actoren op het internationaal niveau zijn: de internationale organisaties.

Attributiebeginsel: internationale organisaties hebben alleen die bevoegdheden die in het oprichtingsverdrag zijn toebedeeld door de lidstaten (beginsel van soevereiniteit dus niet aangetast). In de praktijk echter ontwikkelen de organisaties zich verder, daarom is er druk tot ‘constitutionalisering’; zodat ook op internationaal niveau de democratische rechtstaat is vastgesteld. Doordat de regelgeving steeds meer invloed heeft op private rechtspersonen en particulieren, en deze direct en indirect bij besluiten betrokken zijn, is er een complexere bestuursvorm ontwikkeld: governance.

Nu is de bestuursvorm niet alleen horizontaal (gouvermenteel/niet-gouvermenteel), maar ook verticaal. Je hebt dus te maken met verschillende niveaus van besluitvorming: multilevel governance. Een achterliggende gedachte hierbij is dat internationale organisaties in enkele gevallen gaan optreden als wetgever en besluiten aannemen die rechtstreeks invloed hebben op de rechtspositie van individuen.

 

 

Hoofdstuk 2: Europees recht en Europese samenleving

 

Inleiding

Het Europese recht heeft veel invloed op het nationaal recht. Het is echter wel van belang om in het achterhoofd te houden dat ´Europa´ meer omvat dan alleen de EU en haar lidstaten. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de NAVO, de Raad van Europa of de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE). Het Europese recht heeft alleen betrekking op de Europese Unie (EU).

 

Europees en internationaal recht

De EU is een internationale organisatie die door soevereine lidstaten is opgericht. Daarom wordt Europees recht beschouwd als een onderdeel van het internationaal recht.

Historisch gezien is het verschil tussen internationaal publiekrecht en Europees recht goed verklaarbaar. Kort na de Tweede Wereldoorlog werd duidelijk dat het internationaal recht onvoldoende waarborgen had om een volgende oorlog in Europa te voorkomen. Daardoor werd in 1915 de Europese gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) opgericht die alleen bevoegdheden had op het beleidsterrein “kolen en staal”. Italië, Duitsland en Frankrijk en de staten van de Benelux traden toe.

Na enkele jaren werd de Europese Economische Gemeenschap (EEG) opgericht. Door de EEG kreeg de Europese regelgeving steeds meer beleidsterreinen. In 1992 werd de naam van EEG veranderd in Europese Gemeenschap (EG). Het recht van de EG wordt communautair recht genoemd.

Dit zijn de verschillen tussen het internationaal publiekrecht en de Europese rechtsorde:

  • De manier waarop regels van Europees recht doorwerken in de nationale rechtsorde.

  • De belangrijke rol die is weggelegd door supranationale instellingen.

  • De vergaande overdracht van bevoegdheden door staten.

  • De belangrijke rol die particulieren en rechters spelen bij de ontwikkeling van de Europese rechtsorde.

 

De verdragsgeschiedenis van de Europese Unie

Van EGKS tot Europese Akte

Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen twee soorten verdragen:

  1. De oprichtingsverdragen: een nieuwe organisatie wordt in het leven geroepen, bijvoorbeeld het verdrag waarmee de EGKS in het leven is geroepen.

  2. De wijzigingsverdragen: een bestaande structuur wordt aangepast.

 

Na de EGKS kwamen er nog twee verdragen die een organisatie oprichtten, dit waren de EEG en Euratom. Behalve dezelfde lidstaten deelden zij ook twee instellingen: het Hof van Justitie en het Parlement.

De Europese Akte werd in 1986 aangenomen, dat primair gericht was op het realiseren van de doelstellingen van een interne markt voor personen, goederen, diensten en kapitaal.

 

Het Verdrag van Maastricht en de structuur van de Europese Unie

In 1991 kwam er een voorstel voor het verdrag van Maastricht waarin nadere afspraken werden gemaakt over een gemeenschappelijke buitenlands- en veiligheidsbeleid, een stappenplan voor de Europese Monetaire Unie en samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken.

Het verdrag van de Europese Unie trad in 1993 in werking. Het is zowel een wijzigingsverdrag als een oprichtingsverdrag, omdat veel bepalingen van de Gemeenschapverdragen werden aangepast en de Europese Unie werd opgericht. N.B. Het is niet waard dat de EU in plaats van de EG is gekomen. Integendeel, de EG is onderdeel van de EU.

De structuur van de Unie wordt ook wel de drie pijler structuur genoemd. De eerste pijler is de Europese Gemeenschappen, de tweede pijler is het gemeenschappelijke buitenlands en veiligheidsbeleid en de derde pijler is de samenwerking op het gebied van justitie en binnenlandse zaken.

 

Eerste pijler

Tweede pijler

Derde pijler

EG

Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB)

Politiële en Justitiële Samenwerking in Strafzaken (PJSS)

EGKS

Europees Veiligheids- en Defensiebeleid (EVDB)

 

Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom)

 

 

 

De rol van lidstaten is in de eerste pijler veel kleiner dan in de tweede en derde pijler. Daardoor wordt de eerste pijler supranationaal genoemd. De tweede en derde pijler zijn intergouvernementeel. Bij supranationaal recht is het EG-recht niet alleen en steeds minder recht tussen staten, maar recht dat boven staten tot stand komt.

Afgezien van het feit dat men zou kunnen verdedigen dat zuivere supranationale en intergouvernementele organisaties niet bestaan, bleek uit de praktijk dat het onderscheid tussen een supranationale ´eerste pijler´ en een intergouvernementele ´tweede en derde pijler´ veel minder hard was dan aanvankelijk werd gedacht. Besluitvorming met gekwalificeerde meerheid werd niet langer uitgesloten in de tweede en derde pijler, de Raadsagenda maakte geen onderscheid tussen de Gemeenschapsrechtelijke en andere terreinen en de besluiten bleken in toenemende mate van belang voor de Unie-burger. De oprichting van de Europese Unie had niet alleen politieke gevolgen, maar er was ook een rechtsorde in het leven geroepen die zich gedurende de jaren daarna verder heeft ontwikkeld. Langzamerhand werd er een andere beeld dominant: de Unie als overkoepelende organisatie, waarbinnen de Europese Gemeenschappen als sub-rechtsorden een plaats hebben. Het onderscheid tussen het rechtskarakter van de pijlers vervaagde ook in de beeldvorming. Het in 2009 in werking getreden Verdrag van Lissabon heeft het onderscheid tussen de pijlers volledig laten verdwijnen en de Europese Gemeenschap is opgegaan in een nieuwe Europese Unie.

 

Amsterdam, Nice en de Europese Grondwet

In 1999 werd het verdrag van Amsterdam gesloten. Hierbij waren er de volgende opvallende wijzigingen:

  • Volledige hernummering van de artikelen van de verdragen.

  • Het mogelijk maken van nauwere samenwerking tussen een gedeelte van de lidstaten.

  • Het hernoemen van het beleid in de derde pijler tot PJSS.

  • Het introduceren van een buitenlands-politiek gezicht van de Unie in de functie van de Hoge Vertegenwoordiger voor het gemeenschappelijk buitenlands- en veiligheidsbeleid.

  • Het overhevelen van het asiel- en immigratiebeleid en de rechterlijke samenvwerking in de burgerlijke zaken van de EG.

 

In 2000 was er een Intergouvernementele Conferentie met de taak de Unie voor te bereiden op uitbreiding met tien of meer leden bij de Unie. Het resultaat staat in het verdrag van Nice. In 2004 traden er tien nieuwe leden toe. Ook kwam er door het verdrag een einde aan de discussie over het instellen van de EVDB als onderdeel van het bestaande en buitenlands en veiligheidsbeleid.

In 2004 kwam de tekst tot stand van het Verdrag tot vasttelling van een Grondwet voor Europa. Dit internationale verdrag dient door alle lidstaten te worden gekeurd (de grondwet is o.a. door Nederland in een referendum afgekeurd). Een aantal wijzigingen waren:

  • In de Europese Commissie zal niet meer elke lidstaat worden vertegenwoordigd.

  • Het voorlichterschap van de Unie zal alleen nog door de president worden uitgevoerd.

  • Het afschaffen van het onderscheid tussen de EG en de EU.

  • De doorzichtigheid van de betrokkenheid en de besluitvorming van het Europees Parlement (EP) worden vergroot.

  • Het bevolkingsaantal van de lidstaten zal meetellen bij het stemmen met de meerderheid.

  • Er komt een Europese minister van Buitenlandse zaken.

 

Het Verdrag van Lissabon

Op 1 december 2009 trad het Verdrag van Lissabon in werking. Het is een wijzigingsverdrag dat zowel het EU-verdrag als het EG-verdrag heeft aangepast. De aanpassingen hebben geleid tot twee vernieuwende verdragen:

  • Het vernieuwende Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU): bevat het constitutionele recht.

  • Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie: hierin zijn de materiële beleidsterreinen samengebracht, inclusief het strafrecht van de vroegere derde pijler, maar exclusief het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) en het Gemeenschappelijk veiligheid en defensiebeleid (GVDB) van de vroegere tweede pijler (dat ondergebracht is in het vernieuwde VEU).

 

Het unitaire geheel heeft op basis van artikel 47 VEU rechtspersoonlijkheid, hetgeen niet alleen interne het onderscheid tussen de Unie en haar lidstaten onderstreept, maar ook ´naar buiten toe´ van belang is. Sinds het verdrag van Lissabon kan iedere lidstaat door unilaterale handeling beslissen zich terug te trekken. Overigens is ook de nummering van de artikelen aangepast. De voorwaarden om toe te kunnen treden tot de Unie zijn iets uitgebreider geregeld ten opzichte van voorgaande verdragen. Een kandidaat-lidstaat moet namenlijk voldoen aan de Kopenhagen-criteria. Ook belangrijk is dat nooit duidelijk was of een lidstaat zich terug kon trekken. Dit kan sinds Lissabon middels een unilaterale handeling.

 

De institutionele structuur van de Europese Unie

Een institutioneel evenwicht

In het debat over de democratische legitimiteit van de Unie wordt vaak een vergelijking gemakt met de politieke staatsinrichting in de lidstaten. Als men kijkt is de institutionele structuur van de Unie niet volgens de democratische regels opgezet. Er is echter wel een machtsbalans. De instelling van een onafhankelijke commissie was een grote stap voor de toenmalige lidstaten omdat die commissie bindende regels op kon stellen. De lidstaten vreesden voor hun soevereiniteit en wilden alleen instemmen met die commissie als er een Raad kwam die hun individuele belangen vertegenwoordigde. Tegelijkertijd werd er een Hof van Justitie in het leven geroepen om toe te zien op de rechtmatigheid en diende de commissie verantwoording af te leggen aan een Europees Parlement. Hiermee werd de basis gelegd voor een institutioneel evenwicht dat ook nu nog een belangrijk uitgangspunt is in de Europese Unie.

 

De Europese Raad

De Europese Raad komt vier maar per jaar bijeen en is het hoogste beleidsbepalende orgaan van de EU, bestaande uit de regeringsleiders/staatshoofden van de lidstaten en de voorzitter van de commissie, bijgestaan door de ministers van Buitenlandse Zaken en een Commissielid. Het is, sinds 1986, een institutionalisering van de topconferenties van vroeger. Ze worden georganiseerd door het Voorzitterschap en vinden sinds kort plaats in Brussel.

Doel: de grote lijnen van belangrijke politieke en economische aangelegenheden te bespreken en impulsen aan de ontwikkeling van de EU geven. Ze hebben specifieke bevoegdheden bij het buitenlands en veiligheidsbeleid en gaan over belangrijke zaken als de uitbreiding van de Unie. Ze nemen besluiten aan, genaamd ‘Conclusies van het Voorzitterschap’, met verschillende rechtskracht.

Niet te verwarren met de raad van Europa, Raad van de Europese Unie en Raad van Ministers.

 

De Raad van de Europese Unie

De Raad (van de Europese Unie/van ministers) is het belangrijkste besluitvormende orgaan van de EU, verantwoordelijk voor de coördinatie van het economisch beleid en in het bezit van beslissingsbevoegdheid. Samen met het Europees Parlement voert het de wetgevingstaak en de begrotingstaak uit. Iedere lidstaat heeft een vertegenwoordiger op ministerieel niveau in de Raad. De ministers van Buitenlandse Zaken zitten in de Raad Algemene Zaken en Betrekkingen (RAZEB) die nu bestaat uit de Raad Algemene Zaken en de Raad Externe Betrekkingen. Daarnaast is er nog: Economische en Sociale Zaken (ECOFIN)/ Justitie en Binnenlandse Zaken (JBZ)/ Werkgelegenheid, Sociaal Beleid, Volksgezondheid en Consumentenzaken/ Concurrentievermogen/ Vervoer, Telecommunicatie en Energie/ Landbouw en Visserij/ Milieu/ Onderwijs, Jeugdzaken en Cultuur.

Iedere Raadsformatie mag op elk terrein een besluit nemen, omdat zogenoemde ‘A-punten’ op de agenda al in een voortraject zijn behandeld. De Raad is niet permanent, maar er is wel een Comité van Permanente Vertegenwoordigers (COREPER) die de vergaderingen voorbereiden. Daarvoor worden de besluiten voorbereid door nationale ambtenaren in werkgroepen.

De Europese Commissie

De Europese Commissie bestaat uit 27 onafhankelijke personen (uit elke lidstaat 1, voor 5 jaar benoemd) die het belang van de Unie centraal stellen. In 2014 zal het Commissielidmaatschap gaan rouleren. Bevoegdheden en taken zijn:

  • Zelfstandige beslissingsbevoegdheid: originaire bevoegdheid, op beperkt aantal punten.

  • Gedelegeerde bevoegdheden: door de Raad gedelegeerd. De Raad houdt wel door veel comités een vinger in de pap; hun rol wordt aangeduid als de comitologie-problematiek.

  • Recht van initiatief: een voorstel van de Commissie is in bijna alle gevallen voor een besluit van de Raad noodzakelijk.

  • Toezicht op naleving van het Gemeenschapsrecht.

 

Het Europees Parlement telt 750 rechtstreeks gekozen leden, min of meer via evenredige vertegenwoordiging, met een minimum aantal zetels voor kleine staten. Partijen die via nationale verkiezingen de stemmen krijgen, gaan als delegatie op in een multinationale fractie, bijv. de sociaaldemocraten, christendemocraten, liberalen en groenen.

Volgens velen is de rol van het EP te beperkt, maar het heeft zich wel opgewerkt van adviesorgaan tot medewetgever.

De belangrijkste taken zijn:

  • Meebeslissen of adviseren m.b.t. nieuwe wetgeving.

  • Instemmen met uitbreidingsverdragen of associatieakkoorden.

  • Samen met de Raad de begroting vaststellen

  • Het beleid van de EC controleren: kan leiden tot de Commissie in zijn geheel naar huis te sturen, wat nog nooit gebeurd is en verzwaard is doordat:

    • de stemming openbaar is.

    • een verzwaarde meerderheid voor moet zijn.

    • er een afkoelingsperiode van 3 dagen is.

 

Het Hof van Jusitie

Het Hof van Justitie is uitermate belangrijk geweest bij de ontwikkeling van de EU, door hun interpretaties en ontwikkelde jurisprudentie. Het bestaat uit twee aparte organen: het Hof van Justitie (sinds de EGKS) en het Gerecht van eerste aanleg (sinds 1988), wat in beginsel bevoegd is om van alle directe beroepen in eerste instantie kennis te nemen (ook burgers en ondernemingen). Tegen een besluit kan in hoger beroep worden gegaan bij het Hof.

Beiden bestaan uit een rechter per lidstaat. Het Hof heeft veel verschillende rollen, een daarvan is de rol van uniforme interpretator, waarbij het gaat om de geldigheid en uitlegging van het Europees recht (zie H5).

Het Hof is onder voorwaarden bevoegd tot:

  • het beslechten van geschillen tussen de Commissie en de lidstaten en de lidstaten onderling;

  • de nietigverklaring van handelingen van de instellingen;

  • het vaststellen van een schending van het Verdrag in geval de instellingen nalaten een besluit te nemen;

  • het doen van een beroepsuitspraak in het geval van administratieve sancties;

  • het vaststellen van de verenigbaarheid met het Verdrag van de door de Unie of de lidstaten gesloten verdragen;

  • het vaststellen van niet-contractuele aansprakelijkheid van de Unie en een daaraan gekoppelde schadevergoeding;

  • het doen van een uitspraak krachtens een arbitragebeding in een overeenkomst waarbij de Unie partij is; en

  • het beslechten van geschillen tussen lidstaten wanneer deze met de materie van het Verdrag verband houden.

Dit alles is terug te vinden in het VWEU. Het Hof is een administratieve rechter, constitutionele rechter en zelfs strafrechter. De doorzichtigheid wordt vergroot doordat het Hof bij afwijking van de conclusie van de AG altijd goed motiveert.

 

De Europese Centrale Bank en de Rekenkamer

De Europese Centrale Bank geeft de euro uit en bestuurt het Europees Stelsel van Centrale Banken dat tot hoofddoel heeft prijsstabiliteit binnen de Unie te handhaven.

De Rekenkamer (1 lid per lidstaat) onderzoekt de uitgaven en inkomsten van de Gemeenschap en brengt jaarlijks rapport uit. Het heeft hiervoor ook vergaande onderzoeksbevoegdheden en mag controles uitvoeren.

 

 

 

Hoofdstuk 3: Bronnen en bevoegdheden in het internationale recht

 

Inleiding

Het internationaal recht is niet voortgekomen uit één enkele rechtsbron. In het internationale recht vervullen bronnen verschillende functies. In dit hoofdstuk zal worden ingegaan op de belangrijkste bronnen van internationaal recht.

De functies van rechtsbronnen; soorten bronnen van internationaal recht

Staten kunnen zich op twee soorten internationaal rechtelijke regels beroepen. Aan de ene kant op de morele en politieke onwenselijkheid van handelingen en aan de andere kant onrechtmatigheid van handelingen. Staten kunnen dit omdat er criteria bestaan die aangeven welke regels wel en welke regels niet tot de internationale rechtsorde behoren.

Dit is het algemene criterium: een regel behoort tot het internationaal recht als deze voortvloeit uit of gefundeerd kan worden op ten minste één van de bronnen van de internationale rechtsorde.

Artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof is de vindplaats voor de bronnen van het internationaal recht. Daarin staan de volgende bronnen:

  • Primaire bronnen:

    • Internationale verdragen: die uitdrukkelijk door de bij het geschil betrokken staten zijn erkend

    • Het gewoonterecht

    • Algemene rechtsbeginselen: die zijn erkend door “de beschaafde volken”

  • Subsidiaire bronnen:

  • Jurisprudentie

  • Doctrine: opvattingen van rechtsgeleerden

 

In eerste plaats is het belangrijk dat de bronnen van het internationale recht door de tijd heen kunnen veranderen. In de tweede plaats is het ook belangrijk dat ook binnen een bepaalde periode verschillen van mening kunnen bestaan over de bronnen van het internationaal recht. Zo is er een voortdurende discussie in het internationaal recht over de plaats van het natuurrecht. Kenmerkend voor de natuurrechtelijke traditie is dat deze de geldigheid van regels van internationaal recht niet afleidt uit de wil van de staat, maar uit een voorgegeven normatieve ordening. Tegenover de natuurrechtelijke benadering staat het rechtspositivisme: stelt de wil van de staat centraal. Internationaal rechtelijke normen gelden, omdat zij voortvloeien uit de wil van de staten (deze benadering is terug te vinden in de zaak Lotus). Artikel 38 is niet bedoeld als een uitputtende opsomming van alle bronnen van het internationaal recht.

Het internationaal recht kan worden opgebouwd uit twee gedeeltes:

  • Ius dispositivum: al het internationale recht dat door staten op een impliciete ofwel expliciete manier is geaccepteerd.

  • Ius cogens (het dwingende recht): omvat een beperkte categorie normen die worden beschouwd als fundamenteel, dat daarvan niet mag worden afgeweken. Normen van het ius dispositivum die in strijd zijn met een norm van dwingend recht, worden beschouwd als nietig.

 

Verdragen

Een verdrag kan worden gedefinieerd als een schriftelijke overeenkomst tussen staten of internationale organisaties, die wordt beheersd door het internationaal recht. Andere termen voor verdragen zijn: conventie, protocol (is een verdrag dat een al bestaand verdrag aanvult), handvest, akte of statuut. Ook notulen die door ministers van Buitenlandse Zaken zijn ondertekend kunnen gelden als verdrag (Qatar v. Bahrein-zaak): de kenbare wil van de staten is belangrijker dan de vorm en benaming. Sinds de Tweede Wereldoorlog is het aantal verdragen sterk toegenomen.

Er zijn verschillende soorten verdragen:

  • Traités-contrats: via een verdrag kunnen staten hun bilaterale betrekkingen reguleren. Het zijn verdragen die gelijkenis vertonen met overeenkomsten uit het nationale privaatrecht.

  • Traités-lois: ook wel multilaterale verdragen genoemd. Het zijn verdragen die algemene regels formuleren en gelijkenis vertonen met nationale wetten.

  • Traités-constitutions: dit zijn verdragen waarmee staten internationale organisaties oprichten.

 

Het verdragenrecht sluit goed aan bij het idee van de soevereiniteit van de staat zoals in de zaak Lotus: een staat is slechts aan een verdrag gebonden wanneer hij daarmee vrijwillig heeft ingestemd.

Regels over verdragen zijn opgenomen in het Weens Verdrag inzake het recht van verdragen. Hierin staat onder andere hoe een staat partij bij een verdrag kan worden, hoe verdragen tot stand komen en in werking treden, de mogelijkheden om voorbehouden te maken, de interpretatie, de gronden voor nietigheid, vernietigbaarheid en hoe je een verdrag kunt opschorten of opzeggen. Omdat dit verdrag alleen maar over staten onderling ging, is in 1986 het ‘verdrag inzake verdragen, aangegaan door internationale organisaties’ ter aanvulling gesloten (dat nog niet in werking is getreden). De inhoud van dit verdrag is grotendeels gelijk aan het exclusief voor staten geldende Weens Verdragenverdrag van 1969.

Het uitgangspunt bij het Weens Verdragenverdrag is pacta sunt servanda: verdragen moeten te goeder trouw worden nagekomen (artikel 26 en 27 van het Weens Verdragenverdrag).

 

Totstandkoming, inwerkingtreding en voorbehouden

De totstandkoming van verdragen:

  • Er zijn onderhandelingen tussen de desbetreffende staten.

  • Als de onderhandelingen succesvol zijn afgerond, wordt het verdrag ondertekend door de staten. Hierdoor treedt het verder nog niet inwerking.

  • In de meeste gevallen moet de staat het verdrag bekrachtigen of ratificeren: het nationale parlement krijgt controle over de verplichtingen die uit et verdragen voortvloeien en voordat de regering tot ratificatie over kan gaan, dient men eerst toestemming te hebben van het parlement.

  • De inwerkingtreding van verdragen is meestal als een minimum aantal staten het verdrag heeft ondertekend.

  • Verdragen kunnen ook de mogelijkheid openhouden dat er later nog staten toetreden.

Ook kan een staat een bepaald voorbehoud maken, geregeld in artikel 19 van het Weens Verdragenverdrag. Een voorbeeld is de Genocide Conventie uit 1948: de VS maakte een voorbehoud, waarop Nederland kenbaar maakte dat zij de VS dan niet als verdragspartij beschouwden. Bij mensenrechtenverdragen licht het anders: het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stelde in de jaren ’90 vast dat bepaalde voorbehouden onverenigbaar waren met voorwerp en doel van het EVRM, en dat deze voorbehouden daarom ongeldig waren en de werking van het EVRM tussen de partijen niet beperkten. Het Mensenrechtencomité vond dit ook.

 

Methoden van interpretatie

In het verdragenverdrag worden drie onderling samenhangende methoden onderscheiden die kunnen worden gebruikt bij de interpretatie van een verdrag:

  1. De tekstuele/objectieve methode: gekeken wordt dan naar de betekenis in het normale spraakgebruik. Dit heeft in beginsel de voorkeur, omdat staten moeten kunnen vertrouwen op de tekst van verdragen. Er moet volgens artikel 31 van het Verdragenverdrag echter ook gekeken worden naar de context en het doel, omdat het vaststellen van de betekenis niet een vaststelling van feiten is.

  2. De intentionele of subjectieve methode: een bepaling wordt uitgelegd in overeenstemming met de intenties van de verdragspartijen die in de onderhandelingsstukken (travaux preparatoires) zijn te vinden.

  3. De teleologische methode: er moet worden gekeken naar het doel en de strekking van een verdrag. De uitleg van het verdrag bij een bepaling moet worden uitgelegd zodat het bijdraagt aan de effectuering van het doel van het verdrag: daarom ook wel effectiviteitbeginsel genoemd. Deze methode is veel gebruikt door het Europees Hof van Justitie, dat ‘nuttig effect’ (effet utile) van Europees-rechtelijke bepalingen centraal stelde.

 

Volgens artikel 31 van het Weens Verdragenverdrag dient er rekening gehouden te worden met het doel en de strekking van het verdrag volgens het normale spraakgebruik (de ordinary meaning).

Een andere complicatie die zich kan voordoen is dat een verdrag over iets zwijgt. Er dient dan een antwoord te worden geformuleerd op de vraag wat de afwezigheid van een bepaling in een verdrag voor betekenis heeft.

 

Opschorting en beëindiging van verdragen

Wanneer kan een verdrag beëindigd worden?

  1. Na afloop van de looptijd houdt het verdrag op te bestaan, tenzij de verdragspartijen besluiten om het verdrag alsnog te verlengen.

  2. Soms bevat het verdrag zelf bepalingen over de manier waarop het verdrag kan worden opgezegd.

  3. Wanneer een verdrag zwijgt over de mogelijkheid van beëindiging, kan dit verdrag met instemming van alle verdragspartijen worden beëindigd. Eenzijdige opzegging is niet toegestaan. Op dit algemene uitgangspunt bestaan een aantal uitzondering (neergelegd in artikel 56, 60, 61 en 62 Weens Verdragenverdrag):

    • Uit de aard van het verdrag of de bedoeling van de verdragspartijen blijkt dat eenzijdige opzegging mogelijk is (VN-verdrag).

    • Een staat kan zich beroepen op overmacht (het verdwijnen van een eiland in de zee waardoor verplichtingen met betrekking tot het eiland niet meer kunnen worden nagekomen).

    • Een staat kan verdragsverplichtingen opschorten of beëindigen in reactie op een wanprestatie van een andere staat. Artikel 60 lid 3 Weens Verdragenverdrag stelt hier eisen aan. Opschorting of beëindiging is niet mogelijk bij verdragen met een humanitair karakter.

    • Een staat kan zich beroepen op de clausula rebus sic stantibus (artikel 62 Weens Verdragenverdrag). Een verdrag kan worden opgeschort of worden beëindigd als er grote veranderingen hebben plaatsgevonden in de omstandigheden, zoals die waren ten tijden van de sluiting van het verdrag. Artikel 62 Weens Verdragenverdrag stelt hieraan twee voorwaarden:

      • De gewijzigde omstandigheden moeten essentieel zijn geweest voor de toestemming van de partijen bij de totstandkoming van het verdrag. Deze vraag kan worden beantwoord met de interpretatiemethode.

      • De veranderingen moeten hebben geleid tot een gehele wijziging van de omvang en de zwaarte van de verplichtingen die alsnog dienen te worden nagekomen.

 

Een verdrag kan ook door een staat vernietigd worden, wanneer sprake is van dwaling, bedrog of corruptie van een vertegenwoordiger van de staat (art. 48, 49 en 50 Weens Verdragenverdrag). Een verdrag is nietig, als het is voortgekomen is uit dwang (tegen de vertegenwoordiger of de staat zelf). Dit geldt voor twee verschillende situaties:

  • Artikel 51 Weens Verdragenverdrag

  • Artikel 52 Weens Verdragenverdrag

 

Het verdragenrecht en ius cogens

Ius cogens normen hebben een aparte status in de internationale rechtsorde: zij beperken de vrijheid van staten om nieuwe normen te scheppen via een verdrag of via een regel van gewoonterecht. Artikel 53 van het Weens Verdragenverdrag is het concept van ius cogens terug te vinden: een verdrag is nietig als het in strijd is met het ius cogens (peremptory norms). Ius cogens lijkt op natuurrecht, maar het zijn normen die zijn erkend en geaccepteerd door de statengemeenschap als geheel.

Er zijn maar een paar normen die behoren tot het ius cogens: het verbod op agressie, volkerenmoord, foltering en misdaden tegen de menselijkheid, piraterij, rassendiscriminatie en apartheid, slavernij en koloniale overheersing. Er zouden nieuwe kunnen ontstaan of oude worden gewijzigd (artikel 53 houdt deze mogelijkheid wel open). Als er een nieuwe norm is, loopt een verdrag dat daarmee in strijd is meteen van rechtswege af (artikel 64 Weens Verdragenverdrag).

 

In 1970 stelde het Internationaal Gerechtshof dat er een speciale categorie verplichtingen bestaat: de zogenoemde ´verplichtingen erga omnes´. Kenmerken voor deze erga omnes verplichtingen is dat een staat deze heeft tegenover de internationale gemeenschap als geheel. Alle staten hebben rechtsbelang bij de naleving van dergelijke verplichtingen. Het Hof maakte hierbij dus een onderscheid tussen:

  • ´Gewone verplichtingen´, die een staat heeft tegenover een andere staat.

  • Verplichtingen erga omnes, die een staat heeft tegenover de internationale gemeenschap als geheel.

Gewoonterecht

Vormen en elementen van gewoonterecht

Het gewoonterecht heeft verschillende vormen:

  • Bilateraal gewoonterecht geldt slechts tussen twee staten

  • Algemeen gewoonterecht: heeft een algemene strekking en is verbinden voor alle staten in de wereld.

 

Wanneer kan er nu gesproken worden over gewoonterecht? Hiertoe dient aan twee voorwaarden te zijn voldaan:

  1. Er moet sprake zijn van een handelingspraktijk: een gewoonte. Eigenlijk moet de handelingspraktijk langdurig, constant, uniform en wijdverbreid zijn, maar hier wordt niet altijd aan gehouden, vooral aan de eis van langdurigheid niet.

  2. Er moet sprake zijn van een opinio iurus sive necessitatis: de overtuiging dat de verrichte handelingen ook rechtens behoren te worden uitgevoerd en dat afwijkingen van de handelingspraktijk onrechtmatig zijn. Dit kun je bijvoorbeeld afleiden uit verklaringen van vertegenwoordigers, in het nationale parlement of in internationale fora, in rechterlijke uitspraken of nationale wetgeving.

 

In de Nicaragua-zaak (1986) stelde het Hof het volgende:

  • Een regel van gewoonterecht kan worden bevestigd door de manier waarop staten hun eigen gedrag rechtvaardigen. Een regel hoeft niet met absolute consistentie worden toegepast om gewoonterecht te worden.

  • Door acceptatie, berusting, instemming of navolging van een strijdige handeling kan een nieuwe gewoonterechtelijke regel ontstaan.

  • Als staten zeggen een uitzondering op een gewoonteregel te maken, accepteren ze die regel dus wel.

 

Gewoonterecht en de Lotus-doctrine

Het hof stelt in de Lotus-zaak dat internationaal recht de betrekkingen regelt tussen de onafhankelijke staten en het is slechts verbindend wanneer staten ermee instemmen. Hieruit volgt dat gewoonterechtelijke regels algemeen verbindend zijn, ook voor staten die niet expliciet hebben deelgenomen aan de praktijk waarin de regel werd gevormd.

De voluntaristische benadering stelt dat de expliciete wil van de staat centraal staat bij regels van het gewoonterecht. De universalistische benadering stelt dat de algemene verbondenheid van het gewoonterecht voorop staat. Zij benadrukken dat de staat lid is van een internationale gemeenschap. De heersende opvatting is een benadering tussen de voluntaristische en universalistische benadering: de staten zijn in beginsel gebonden aan regels, maar kunnen zich wel onttrekken aan regels.

 

Gewoonterecht en verdragsrecht

Er gelden normen wat betreft de voorrangsregels met botsingen tussen het gewoonterecht en het verdragsrecht: lex posterior derogat priori ( een latere regel gaat boven een eerdere), lex specialis derogat legi generali (een specifieke regel gaat boven een eerdere regel) en lex posterior generalis non derogat priori speciali (een latere, algemenere regel gaat niet boven een eerdere, specifieke regel).

Vier manieren waarop beide bronnen op elkaar kunnen inwerken:

  1. Een verdrag kan regels van het gewoonterecht codificeren.

  2. In een verdrag kan er aanleiding zijn tot vorming van nieuwere regels in het gewoonterecht. Er zijn twee voorwaarden gesteld door het internationaal Gerechtshof in Sea Continental Shelf Cases (1969):

    • De toepassing van de verdragsbepaling moet aanleiding hebben gegeven tot een handeling die is gebaseerd op een opinio iuris.

    • De regel moet een zodanig karakter hebben dat deze kan worden omgevormd in een regel van algemeen gewoonterecht.

  3. Regels van het gewoonterecht kunnen worden opgeheven door bepalingen uit het verdrag.

  4. Regels van het gewoonterecht kunnen bepalingen uit het verdrag opheffen.

 

Algemene rechtsbeginselen

Aan algemene rechtsbeginselen (artikel 38 Statuut van het International Gerechtshof) wordt minder gewicht toegekend dan aan de andere primaire bronnen. Het wordt gebruikt als verdragen en gewoonterecht tekort schieten. Algemene rechtsbeginselen spelen een grote rol op terreinen die relatief nieuw zijn.

De reikwijdte van de algemene rechtsbeginselen omvat:

  • Alle algemene rechtsbeginselen die in ieder rechtssysteem voorkomen, zoals: trouw, redelijkheid en billijkheid.

  • Alle algemene rechtsbeginselen die betrekking hebben op de relaties tussen normen, bijvoorbeeld voorrangsregels.

  • Alle algemene rechtsbeginselen die zijn ontwikkeld in de internationale samenleving, zoals: zelfbeschikkingsrecht, verbod op apartheid.

 

Subsidiaire bronnen: rechtspraak en doctrine

Artikel 38 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof zegt dat de rechtspraak een subsidiaire bron is. Krachtens artikel 59 van het Statuut van het Internationaal Gerechtshof zijn uitspraken alleen bindend voor de partijen bij een geschil, toch bestaat er wel degelijk een praktijk om rekening te houden met uitspraken in eerdere zaken. Zelfs juridische adviezen die het Hof uitbrengt, en die formeel niet bindend zijn, worden door het Hof veelal gebruikt in andere zaken. Ook andere actoren, zoals staten, internationale organisaties en nationale rechters, kennen in de praktijk veel gewicht toe aan de uitleg van het internationaal recht, zoals die door het Internationaal Gerechthof wordt gegeven. Ook uitspraken van andere internationale rechters kunnen als bron van internationaal recht worden gebruikt. Ten slotte kunnen uitspraken van nationale rechters worden gebruikt als bron van internationaal recht.

Er kan ook gebruikt worden gemaakt van de doctrine: de opvattingen die door rechtsgeleerden en wetenschappers naar voren worden gebracht in artikelen, boeken, commentaren enz. Het Internationaal Gerechtshof is terughouden met het citeren van rechtswetenschappelijke literatuur. Toch is de doctrine wel degelijk van belang als bron van het internationaal recht, zoals blijkt uit de individuele opinies van rechters en in de diplomatieke praktijk.

 

Eenzijdige verklaringen

Een bron die niet in artikel 38 van het Statuut van het Hof wordt genoemd, is de eenzijdige verklaring. Zo kan een staat die een eenzijdige verklaring aflegt waarin hij aangeeft zich juridisch gevonden te achten om een handeling te verrichten of na te laten, daar later niet ten nadele van een andere staat op terugkomen. Kwam o.a. in de zaak Nuclear Test Cases aan de orde: het Hof oordeelde dat Frankrijk zich via eenzijdige verklaringen juridisch had verbonden om af te zien van verdere atmosferische kernproeven in de Stille Oceaan. Andere staten moesten kunnen vertrouwen op een dergelijke verklaring.

 

Besluiten van internationale organisaties

Rechtshandelingen van internationale organisaties

Besluiten van internationale organisaties zijn een afgeleide bron. Inmiddels is geaccepteerd dat via het besluitvormingsproces binnen een internationale organisatie ook nieuwe regels gemaakt kunnen worden. De rechtskracht van de handeling hangt af van:

  • De bevoegdheid van internationale organisaties om dergelijke rechtshandelingen te verrichten.

  • Het effect van de rechtshandelingen.

 

Het aannemen van rechtshandelingen: impliciete en inherente bevoegdheden

De vraag naar de herkomst van bevoegdheden van internationale organisaties wordt ook wel de subjectieve benadering genoemd. Het gaat ervan uit dat een internationale organisatie haar bevoegdheden krijgt toegekend door de lidstaten. Impliciet: de bevoegdheden worden afgeleid uit de doelstellingen of de context. Het attributiebeginsel gaat ervan uit dat de bevoegdheden op het moment van toekenning bij de oprichters bekend zijn en dat een organisatie alleen over die bevoegdheden beschikt die in het oprichtingsverdrag zijn opgenomen. De subjectieve benadering lijkt terrein te verliezen.

De objectieve benadering gaat uit van de internationale organisatie als zelfstandig internationaal rechtspersoon. Deze manier baseert de bevoegdheden van de organisatie op het rechtssysteem van organisatie zelf. Het gaat niet er niet om of bevoegdheden nadrukkelijk in het verdrag staan, maar of ze binnen het rechtssysteem van de organisatie passen.

Sommige internationale organisaties, de VN en de EU, hebben de bevoegdheid om imperatieve rechtshandelingen te verrichten: een gebod of verbod uit te vaardigen.

Resoluties van de Algemene Vergadering van de VN, kunnen door de formulering van de praktijkregel of de weergave van de opinio iuris, zich goed tot gewoonterecht ontwikkelen: de indirecte rol is dus erg belangrijk.

Besluiten van het internationaal recht die geen harde rechtsverplichting in het leven roepen zijn in de traditionele visie niet van belang. Een besluit kan alleen politiek bindend zijn.

 

Hard en soft law?

Al lange tijd is er een discussie gaan over de juridische status van besluiten van internationale organisaties. Er zijn twee standpunten: de hard en de soft law. Met soft law wordt er een grijs gebied bedoeld tussen recht en politiek. Met hard law wordt er een duidelijk scheiding bedoeld tussen deze twee gebieden.

 

 

 

Hoofdstuk 4: Bronnen en bevoegdheden in het Europees recht

 

Inleiding

Het europees recht is opgebouwd uit intergouvernementele en supranationale elementen. Niet alleen de soevereine staten spelen een grote rol bij het Europees recht, ook de institutionele structuur van de Europese Unie is belangrijk.

 

Bronnen van Europees recht

Er zijn 2 soorten bronnen in het Europees recht:

  1. Primaire Bronnen: alle soorten verdragen, algemene rechtsbeginselen van het EU-recht en het internationaal publiekrecht.

  2. Secundaire Bronnen: besluiten die de EU kan nemen:

    • besluiten die gebaseerd zijn op het EU-werkingsverdrag (VWEU)

    • besluiten die gebaseerd zijn op het EU-verdrag (VEU) met betrekking tot het gemeenschappelijk buitenlands, veiligheids en defensiebeleid.

Het onderscheid is van belang omdat primaire bronnen boven secundaire bronnen gaan.

Besluiten die door instellingen worden genomen, dienen te voldoen aan de vereisten die zijn neergelegd in de verdragen, aan de algemene rechtsbeginselen en aan normen van internationaal publiekrecht.

 

Primaire bronnen van Europees recht

Oprichtings- en wijzigingsverdragen

In verdragen vind je (bindende) gedragsnormen, maar ook bevoegdheidsnormen voor de instellingen van de EU. Bevoegdheidsnormen geven instellingen van de EU de bevoegdheid om besluiten te nemen en fungeren zo als rechtsbron voor een variëteit aan besluitvormen. De instellingen kunnen ook weer delegeren, waardoor tertiaire wet- of regelgeving ontstaat. Alles is terug te voeren op de verdragen.

 

Algemene rechtsbeginselen

Algemene rechtsbeginselen zoals vrijheid, democratie, rechten van de mens, fundamentele vrijheden en de rechtstaat staan vermeld in art. 6 lid 3 VEU. Nadruk ligt dus op de grondrechten die ook in het EVRM staan en voortvloeien uit constitutionele tradities (staat in art. 6 lid 2 VEU). In de rechtspraak van het Hof gaat het dan ook vooral om grondrechten, meestal aan de hand van het EVRM, maar soms ook van het Europees Sociaal Handvest of andere verdragen met zo’n strekking. Het EVRM is in praktijk onderdeel van het Gemeenschaps- en Unierecht. Verdragen die ermee in strijd zijn, zijn nietig.

Een probleem is dat er twee hoven zijn die over de interpretatie van de grondrechten gaan: het Hof voor de Rechten van de Mens en het Europees Hof van Justitie.

 

Het internationaal recht als bron voor Europees recht

Het internationaal publiekrecht is (net als internationaal gewoonterecht) een primaire bron van gemeenschapsrecht, waar de instellingen dus rekening mee moeten houden bij hun besluiten. Er zijn veel verschillende soorten besluitvorming in de EU, door de compromissen die tijdens verdragsherzieningen door de lidstaten worden gesloten: het gaat namelijk om de mate van vrijheid van de lidstaten. Het feit dat internationaal recht een bron is van Europees recht betekent dat instellingen daarmee rekening moeten houden als ze besluiten nemen. Ook is het Hof dan bevoegd om Europees recht te toetsen aan internationaal recht.

 

Secundaire bronnen van Europees recht: rechtshandelingen

De EU heeft een aantal besluitvormen tot haar beschikking om haar doelstellingen te kunnen bereiken. Veelal zijn de mogelijkheden gekoppeld aan de gekozen rechtsbasis. De besluitvormen bepalen ook voor een groot deel de mate van vrijheid die de lidstaten behouden. Er wordt een verschil gemaakt tussen wetgevingshandelingen en andere besluiten (besluiten sui generis) als resoluties, conclusies en rechtsnoeren die geen rechten en plichten voor de burger geven en waarbij niet-nakoming geen schending van het verdrag oplevert. De verschillende rechtshandelingen staan opgesomd in artikel 288 VWEU.

 

Verordeningen: hebben een algemene strekking, zijn verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Ze zijn vergelijkbaar met een wet en roepen rechtstreeks rechten en plichten op voor de burgers en bedrijven. Lidstaten hoeven en mogen ze dus niet omzetten in nationaal recht, maar ze hebben een rol doordat de naleving en realisering bij hun ligt. Een voordeel is dus dat een algemene regeling direct wordt doorgevoerd, een nadeel is dat het niet echt genuanceerd is.

 

Richtlijnen: richtlijnen dragen de lidstaten op om binnen een bepaalde termijn (door de richtlijn zelf vastgesteld, = implementatietermijn) een bepaald resultaat in de nationale rechtsorde te verwezenlijken. Dus de lidstaat moet zijn wetgeving aanpassen of nieuwe wetgeving scheppen: de wetgeving harmoniseren. Dat is handig omdat een lidstaat zelf de vorm en middelen kan kiezen. Soms zijn kleine aanpassingen nodig, maar vaak is het erg ingewikkeld en tijdrovend. Toch heeft het Hof geoordeeld dat de complexiteit van de aanpassing van het nationaal recht geen excuus is om het niet op tijd voor elkaar te hebben, wat wel heel vaak het geval is: dan moet de Commissie de lidstaat aansporen.

Soms stelt een richtlijn een minimumharmonisatie (meer is ook toegestaan) maar vaak zijn ze zo omvattend dat ze bijna letterlijk opgenomen moeten worden. Het is dus niet altijd makkelijk om verordeningen en richtlijnen te onderscheiden.

Besluit: is verbindend in al haar onderdelen voor degenen tot wie zij uitdrukkelijk is gericht, dus het richt zich uitdrukkelijk tot een lidstaat, natuurlijk persoon of een rechtspersoon. Ook al is het niet verbindend voor anderen, derden (die ook belang hebben bij het besluit) mogen wel hun rechten naar voren brengen.

 

Bevoegdheid tot het nemen van besluiten

Algemene en specifieke bevoegdheden

Aan de hand van bevoegdheid tot het nemen van besluiten is te zien wat een internationale organisatie mag. Er zijn algemene bevoegdheden en specifieke: algemene bevoegdheden (bijv.: het nemen van besluiten) geeft nog niet aan op welk terrein, en op welke wijze.

Subsidiariteitsbeginsel: de Unie treedt bij zaken waar lidstaten ook wat over te zeggen hebben alleen op als de lidstaten het niet kunnen. In de praktijk wordt aan de hand van het beginsel de noodzakelijkheid van Gemeenschapsoptreden getoetst. Met het attributie- en proportionaliteitsbeginsel samen vormt het de uitgangspunten voor de verhouding tussen de gemeenschap en de lidstaten.

 

Impliciete en expliciete bevoegdheden

Het onderscheid tussen deze twee bevoegdheden heeft betrekking op de vraag of een bevoegdheid als zodanig in het verslag wordt genoemd, of dat deze kan worden afgeleid uit een wel expliciet genoemde bevoegdheid. Hierbij dient te worden aangetekend dat een impliciete bevoegdheid ook kan worden afgeleid uit de doelstellingen en taken van een organisatie. In het VWEU in artikel 352 is een soort restbevoegdheid gecreëerd. Deze kan echter niet gebruikt worden voor het gemeenschappelijk buitenlands veiligheidsbeleid.

 

Bevoegdheden van Unie zijn in drie categorieën in te delen (artikel 2 VWEU):

  1. Exclusieve bevoegdheden.

  2. Gedeelde bevoegdheden.

  3. Coördinerende, ondersteunende of aanvullende bevoegdheid.

 

Besluitvormingsprocedures;

Op basis van bevoegdheden kunnen instellingen secundair recht maken. Dit doen ze meestal door middel van de wetgevingsprocedure. Dit geldt voor de meeste beleidsterreinen en kenmerkt zich door een initiërende en actieve rol van de Europese Commissie en een invloedrijke betrokkenheid van het Europees Parlement dat samen met de Raad uiteindelijk het besluit aanneemt. Hiermee onderscheidt deze methode zich van de besluitvormingsprocedure die wordt toegepast in het GBVB en het GVDB.

 

Wetgevingsprocedure

De wijze waarop een besluit tot stand komt verschilt per bevoegdheid. Wanneer verordeningen, richtlijnen of besluiten worden vastgesteld volgens de wetgevingsprocedure zijn de rechtshandelingen die hiervan het gevolg zijn te beschouwen als wetgevingshandelingen. De meest voorkomende procedure is de ‘gewone wetgevingsprocedure’. Die procedure komt grotendeels overeen met de medebeslissingsprocedure. De procedure komt er in het kort op neer dat de Commissie een voorstel voor nieuwe wetgeving indient bij het Europees Parlement en de Raad en dat deze laatste het besluit kan vaststellen als hierover overeenstemming met het Parlement bestaat.

In sommige gevallen geldt een bijzondere wetgevingsprocedure. Dit verschilt per beleidsterrein.

 

Procedures in het EU-verdrag

Het enige EU-beleidsterrein dat niet terug is te vinden in het EU-werkingsverdrag is het Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid. Om politieke redenen is besloten om het in het VEU te laten staan. Er zijn belangrijke verschillen met de procedures in het VWEU:

  • De wetgevingsprocedure kan niet gebruikt worden voor het aannemen van GBVB en GVDB besluiten. Zij zijn in die zin niet te zien als wetgevingshandelingen.

  • De rol van de instellingen verschilt: de Raad is het belangrijkste besluitvormend orgaan maar de Commissie is niet de aanjager van een nieuwe beleid, dat kan iedere lidstaat, de Hoge Vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid of de Hoge Vertegenwoordiger met toestemming van de Commissie.

 

 

Stemverdeling in de Raad

Tenzij in de verdragen anders is bepaald besluit de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen (QMV). Deze stemprocedure is op de meeste beleidsterreinen van toepassing.

Grotere landen hebben meer stemmen dan de kleine. Bijvoorbeeld heeft Duitsland er 29 en Malta 3.

Bij een voorstel van de commissie zijn er minstens 255 stemmen nodig en een meerderheid van de leden moet voor zijn. In de overige gevallen zijn er minstens 255 stemmen nodig en 2/3e meerderheid van de leden moet voor zijn. Hierbij moet 62% van de bevolking van de Unie daarmee vertegenwoordigd zijn.

Ook bestaat er gewone meerderheid (wat zelden voorkomt) en unanimiteit. Unanimiteit heeft nadelen, maar het streven naar een consensus is belangrijk en het belang van kleine lidstaten kan zo moeilijk genegeerd worden. Daarom komt het nog vaak voor. Ook kan de Raad slechts unaniem afwijken van een voorstel van de Commissie.

 

Keuze voor de rechtsbasis

De keuze voor rechtsbasis bepaalt dus zowel de rol van de instellingen in de besluitvormingsprocedure als de wijze waarop een besluit kan worden genomen. Soms is het zo dat een besluit meerdere beleidsterreinen strijkt of dat het VEU en het VWEU van toepassing zijn. In zo’n geval wordt de ‘rest-rechtsbasis’ van artikel 352 VWEU opgevoerd om alle onderdelen van een besluit volledig te kunnen dekken. Als het niet te combineren is doordat bijvoorbeeld twee verschillende wetgevingsprocedures nodig zijn dan zit er niets anders op dat het besluit te splitsen in twee afzonderlijke besluiten met ieder een eigen rechtsbasis.

 

 

 

Hoofdstuk 5: Internationaal en Europees recht en de nationale rechtsorde

 

Inleiding

Het internationaal recht en het nationaal recht zijn op verschillende manieren met elkaar betrokken. Zo is internationaal-rechtelijk de nationaliteit van een persoon van groot belang, onder andere omdat een staat diplomatieke bescherming kan uitoefenen over zijn onderdanen, echter de nationaliteit kan alleen via nationaal recht worden vastgesteld. In de Feretilin-zaak kwam naar voren dat in Nederland de internationale criteria bepalend zijn voor de vraag welke politieke gemeenschap wel en welke niet kan gelden als staat.

De vervlechting van internationaal en nationaal recht roept de vraag op naar de verhouding tussen nationale en internationale regels. Deze verhouding kan vanuit twee perspectieven worden bekeken:

  1. Het perspectief van het internationale recht.

  2. Het perspectief van het nationale recht.

 

Het internationale perspectief

Als nationale en internationale regels strijdig zijn, mag een staat geen beroep doen op de nationale regeling om zich aan de internationale te ontrekken (art. 27 Verdragenverdrag), wat vanuit internationaal perspectief logisch is. De kansen op een conflict tussen de regelingen nemen toe doordat er meer regels zijn, van een ander type: tegenwoordig heeft het vaak betrekkingen op de verhouding tussen overheid en burgers. De staat mag zelf bepalen hoe hij de int. regels naleeft. Die manieren staan vaak in de grondwet (bijv. NL: art. 93 en 94 GW), maar soms ook elders of in de jurisprudentie.

Er zijn 2 modellen voor:

  • Monisme: Internationaal recht hoeft niet te worden omgezet in nationale regelingen om te gelden.

  • Dualisme: Internationaal regelingen moet eerst worden omgezet of getransformeerd in nationaal recht voor dat ze gelden.

In de praktijk komen in elk land beide modellen door elkaar voor.

 

Het nationale perspectief

De begrippen rechtstreekse toepasselijkheid, rechtstreekse werking en voorrang.

Bij de vraag naar de doorwerking van internationaal recht in de nationale rechtsorde moet je kijken naar de volgende dingen:

 

Rechtstreekse toepasselijkheid of interne werking: het gaat erom of de rechterlijke organen in beginsel direct het internationaal recht kunnen toepassen, zonder dat het eerst is omgezet.

Rechtstreekse werking: Gaat over de aard en formulering van een specifieke bepaling: kan de rechter hieruit in een individueel geval afdwingbare rechten en plichten afleiden?

 

Voorrang: de voorrang van int. rechtsregels is niet vanzelfsprekend vanuit het perspectief van de nationale rechtsorde, ook in Nederland niet. Er is een onderscheid tussen:

  • verdragsbepalingen & besluiten vd int. organisaties

  • ongeschreven recht: gewoonterecht en algemene rechtsbeginselen

 

Art. 93 GW zegt dat in Nederland int. verdragen en besluiten van int. organisaties rechtstreeks toepasselijk zijn (net als in Rusland en de VS, anders dan in het VK), mits:

  • de bepaling onvoorwaardelijk is geformuleerd: de bepaling hoeft niet eerst te worden omgezet of uitgevoerd (= afwezigheid van discretionaire bevoegdheid)

  • de bepaling voldoende duidelijk is.

Bovenstaande is uit jurisprudentie gebleken, bijv. door de Hoge Raad in de zaak van de Nederlandse Spoorwegen tegen de Vervoersbond).

Door art. 93 is het ook mogelijk dat rechters bepalingen uit internationale verdragen en besluiten van int. organisaties toepassen in geschillen tussen particulieren of zelfs, heel zelden, in strafzaken.

 

Hoewel art. 93 GW zwijgt over de rechtstreekse toepasselijkheid van bepalingen uit het gewoonterecht of ander ongeschreven recht, blijkt uit de toelichting op de wijziging van de grondwet en de jurisprudentie dat dat wel kan, behalve bij strafbepalingen (door het legaliteitsbeginsel).

 

Uit art. 94 GW blijkt dat verdragen en besluiten van int. org. voorrang hebben op Nederlandse wetgeving, ook latere. Bovendien gaan ze zelfs boven de Grondwet, wat een zeldzaamheid is. De Nederlandse rechter mag bepalingen uit verdragen ook toetsen aan andere verdragen of het int. gewoonterecht, wat bevestigd is in het Kruisraketten-arrest uit 1989.

De rechter mag internationaal gewoonterecht alleen toepassen als dit niet in strijd is met de Nederlandse wetgeving, zo heeft de Hoge Raad besloten in de zaak Nyugat aan de hand van de a contrario redenering: het stond niet in art. 94 GW vermeld dus heeft gewoonterecht geen voorrang. De Nederlandse regering heeft dit standpunt van de HR overgenomen.

 

Het bijzondere karkater van het Europees recht

Het Europese recht is bijzonder, want het is autonoom en regelt dus zelf de toepasselijkheid en de voorrang van het Europese recht in de lidstaten. Art. 93 en 94 GW spelen dus geen rol. Dit staat niet in het verdrag, maar is door de jurisprudentie bepaalt. 2 belangrijke arresten:

  1. Van Gend & Loos: deze onderneming deed een beroep op het EG-verdrag, waarop de rechter aan het Hof vroeg of dat kon, die interne werking. Het Hof antwoordde dat de lidstaten dat hebben gewild, en dat het Europese recht deel uitmaakt van de rechtsordes van de lidstaten. Het stelde zelfs de criteria voor de rechtstreekse werking van de verdragsbepalingen vast: de geest, inhoud en bewoordingen zijn cruciaal.

  2. Costa-ENEL: In deze zaak was volgens de rechter de nationale wetgeving in strijd met de Europese. Hij legde dit probleem aan het Hof voor, dat oordeelde dat het niet bevoegd was om daarover te oordelen, ze mocht alleen het EG-recht interpreteren. Uit de zaak kwam naar voren dat het gemeenschapsrecht rechten aan particulieren verleent, dat het verdrag boven nationaal recht komt (en dat dat laatste dus buiten toepassing gelaten moet worden). De Grondrechtenbescherming moet wel gewaarborgd blijven, blijkt ook uit de Solange-arresten.

 

De rechtstreekse toepasselijkheid:

  • Bij verordeningen: kunnen in beginsel worden ingeroepen door de nationale rechter. Alleen als de overheid een duidelijke beleidsvrijheid krijgt is hij niet inroepbaar, bovendien moeten de verplichtingen van particulieren duidelijk zijn omschreven.

  • Bij beschikkingen: zijn rechtstreeks werkend wanneer de bepalingen ‘onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig’ zijn.

  • Bij niet-communautair recht: het nationale recht bepaalt op welke wijze het verdragsrecht doorwerkt binnen de nationale rechtsordes (net als bij andere organisaties dus).

  • Bij richtlijnen: Als een richtlijn na de implementatietermijn nog niet, te laat of fout omgezet, kan een burger bij de rechter tegen de overheid (verticale werking) in beroep gaan, als de bepaling tenminste onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is. Zowel instanties van de rijksoverheid, decentrale overheden als privaatrechtelijke rechtspersonen met overheidstaken zijn overheidsorganen. Omgekeerde verticale werking is niet mogelijk.

Europese recht geldt in beginsel ook tussen particuliere onderling, maar richtlijnen niet, omdat deze slechts verplichtingen opleggen aan de overheid. Dit heeft het Hof bepaald, waar wel kritiek op is geweest, maar begrijpelijk is vanwege de bijzondere aard van de richtlijn en omdat er anders nauwelijks verschil zou zijn tussen een verordening en een richtlijn.

Richtlijnconforme interpretatie: de lidstaten, en dus ook de rechterlijke instanties, zijn verplicht om de naleving van Europese recht te verzekeren. Een richtlijnconforme interpretatie van de Nederlandse wet zou echter kunnen leiden tot een uitkomst die haaks staat op de wetgeving waar een particulier van kon denken dat het om geldend recht ging.

 

De rechter: Als geschillen binnen de nationale rechtsorde plaatsvinden, moet de nationale rechter daarover spreken: als de nationale rechtsorde wordt overstegen, het Hof van Justitie of het Gerecht in eerste aanleg.

 

De uniformiteit van het Europese recht moet zoveel mogelijk gewaarborgd worden, daarom moet de nationale rechter onder andere rekening houden met de speciale eigen terminologie van het Europese recht. Wanneer er niet een eenduidige interpretatie is, of er vragen rijzen over de geldigheid van het genomen besluit, kan de rechter altijd een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie stellen. Het duurt echter wel 2 jaar voor een antwoord, en als dat te lang duurt (waardoor ernstige en onherstelbare schade dreigt) kan de rechter via een voorlopige voorziening alvast een uitspraak doen. Ook bestaat er sinds 2001 de mogelijkheid tot een versnelde prejudiciële procedure.

 

De nationale rechter en het Europees recht

Van de prejudiciële procedure kan gebruik worden gemaakt als:

  1. het gaat om een vraag van een ‘rechterlijke instantie’: een werkelijk gerechtelijk orgaan.

  2. een vraag is ‘opgeworpen’: een rechter mag ook besluiten een vraag voor te leggen als dat van de partijen niet hoeft.

  3. de rechter het noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis.

  4. Als het gaat om Europees recht.

 

De hoogste rechter (als er geen hogere voorziening meer openstaat) is in een bepaalde procedure verplicht om een prejudiciële vraag te stellen, maar niet als het gaat om een:

  1. acte éclairé: als het Hof de vraag al heeft beantwoord of als het uit een andere zaak kan worden afgeleid.

  2. Acte clair: als de juiste toepassing van het Gemeenschapsrecht duidelijk is.

Een nationale rechter mag echter nooit zomaar een EG-besluit buiten toepassing laten, want een besluit dat niet binnen 2 maanden is aangevochten is gewoon rechtsgeldig.

 

Als de Europese Gemeenschap onrechtmatig heeft gehandeld, of als een lidstaat het Gemeenschapsrecht heeft geschonden, kan een particulier schadevergoeding eisen. Er moeten in het nationale systeem mogelijkheden voor bestaan, en de voorwaarden mogen niet per lidstaat verschillen.

 

Er zijn verschillende arresten die over de voorwaarden gingen:

  • Francovich: niet-nakoming door de lidstaat van richtlijnverplichtingen waarop particulieren geen beroep konden doen.

  • Brasserie: schending van wel rechtstreeks werkende bepalingen.

Meer algemene helderheid door:

  • Dillenkofer:

  • de geschonden regel moet ertoe strekken dat aan particulieren rechten worden toegekend

  • de ernst van de schending: is deze voldoende gekwalificeerd?

  • causaal verband moet bestaan tussen de schending en de geleden schade

  • Köbler: particulieren kunnen ook een schadevergoeding vragen als de nationale rechter het EG-recht verkeerd toepast/uitlegt.

 

Er is wel sprake van ‘procedurele autonomie’= inrichting van de procedures is vrij voor de nationale wetgever. Daardoor kunnen wel weer verschillen ontstaan.

De nationale overheden moeten er zelf op toezien dat het Europees recht gehandhaafd wordt, dus moet ook zelf sancties voorschrijven.

 

 

 

Hoofdstuk 6: Rechtspersoonlijkheid of rechtssubjectiviteit

 

Inleiding

Rechtspersoonlijkheid is de status als (potentiële) drager van rechten, plichten en bevoegdheden krachtens internationaal recht.

Het is van belang bij de toekenning van rechtspersoonlijkheid of een bepaalde eenheid rechten, plichten of bevoegdheden toegekend kan krijgen op grond van geldend internationaal recht. Het internationaal recht kent verschillende subjecten zoals staten, internationale organisaties, volkeren, individuen enz. Deze subjecten verschillen aanzienlijk van elkaar en hebben dus ook uiteenlopende rechten en plichten.

 

Staten

Staten hebben een bijzondere en geprivilegieerde status, omdat het internationaal recht zich heeft ontwikkeld in de context van het zich ontwikkelende systeem van de soevereine staten, die geen hoger gezag boven zich accepteerden. Dit heeft ertoe geleid dat de staat wordt beschouwd als het enige volledige en oorspronkelijke subject van het internationaal recht.

De bijzondere positie is ook af te leiden uit het feit dat staten een aantal fundamentele rechten en plichten onder het internationaal recht hebben. Deze zijn samengevat in drie beginselen: vrijheid, gelijkheid en broederschap. Vertaal naar het internationaal recht: de onafhankelijkheid van staten, gelijkheid van staten en de plicht voor staten om vreedzaam met elkaar om te gaan.

 

De rechtspersoonlijkheid van internationale organisaties

Attributie van bevoegdheden: internationale organisaties hebben slechts de bevoegdheden die zijn toegekend door de oprichters.

Internationale rechtspersoonlijkheid is belangrijk voor internationale organisaties om binnen de internationale rechtsorde relaties te hebben. Staten hebben een oorspronkelijk rechtspersoonlijkheid, terwijl internationale organisaties een van de staat afgeleide rechtspersoonlijkheid hebben.

 

Over de vraag of een internationale organisatie als rechtspersoon kan worden gezien bestaan veel verschillende meningen:

  • De objectieve school: is van mening dat op het moment dat er is vastgesteld dat er sprake is van een internationale organisatie, deze ook rechtspersoonlijkheid heeft.

  • De subjectieve school laat de aanwezigheid van rechtspersoonlijkheid van een internationale organisatie afhangen van de ´wil´van verdragspartijen.

 

De status van rechtspersoon verschaft een internationale organisatie, net als twee staten, de mogelijkheid om bepaalde rechten uit te oefenen en om aan bepaalde verplichtingen te voldoen. Algemene bevoegdheden worden door staten in het oprichtingsverdrag aan de internationale organisaties toegekend: “legal capacities” (rechtsbekwaamheden). Deze worden wel beperkt op grond van het attributiestelsel, kunnen alleen toegepast worden op specifiek toegekende bevoegdheden.

 

Bij de rechtspersoonlijkheid van internationale organisaties gaat het ook om de vraag of er slechts sprake is van een door bestaande rechtspersonen gesloten verdrag of dat met dit verdrag ook een nieuwe rechtsentiteit in het leven is geroepen.

In de Reparation-zaak zei het Hof dat het al voldoende was dat de VN een dusdanige positie had dat zij rechten tegenover haar eigen lidstaten kon doen gelden: ‘a will of it’s own’ of ‘volonté distincte’.

Een internationale entiteit moet aan de volgende criteria voldoen om van onafhankelijkheid ten opzichte van de eigen lidstaten te spreken:

  1. Er moet sprake zijn van besluitvormingsprocedures die het mogelijk maken dat de wil van de afzonderlijke leden gebundeld wordt tot een wil van de institutie.

  2. Er moet sprake zijn van een eigen extern gedrag van de rechtsinstitutie, tegenover de lidstaten of derden.

  3. Uit het gedrag van de lidstaten of derden moet de erkenning blijken.

 

Het simpelste is om natuurlijke personen aan te wijzen die namens de rechtspersoonlijkheid besluiten en andere rechtshandelingen verrichten. Er wordt echter vaker ervoor gekozen om organen in te stellen die verantwoordelijk worden voor het verrichten van rechtshandelingen namens de rechtspersoon.

Lidmaatschap: is de rechtsrelatie tussen subjecten en het orgaan. Stem: refereert aan de besluiten van de individuele leden die aan die besluiten ten grondslag liggen die aan het orgaan worden toegekend. Zetel: wordt gebruikt voor de leden van een orgaan. Het rechtshandelend vermogen van organen komt vooral tot uitdrukking in het nemen van besluiten. Het bestaan van besluitvormingsprocedures is dan ook cruciaal om internationale organisatie te onderscheiden van collectieven van staten.

 

De relatie met niet-lidstaten en andere internationale organisaties

Volgens Reparation for Injuries van het Internationaal Gerechtshof moet de VN internationale rechtspersoonlijkheid bezitten vanwege de vergaande doelstellingen. Hierbij gaat het om de organisaties in verbinding met lidstaten. Rechtsrelaties met niet-lidstaten kunnen ook noodzakelijk worden, ook al zijn deze niet gevonden aan het verdrag en zijn vrij om te bepalen of zij een rechtsrelatie aankopen. Internationale organisaties hebben geen objectieve rechtspersoonlijkheid.

Meestal wordt de rechtspersoonlijkheid van internationale organisaties erkend door derde staten, maar zij kunnen besluiten om geen rechtsbetrekkingen aan te gaan door politieke overwegingen.

Langzamerhand is het uitgangspunt wel geaccepteerd dat internationale organisaties, internationale rechtspersonen zijn die ook met niet-lidstaten en andere organisaties rechtsbetrekkingen kunnen hebben, tenzij er blijkt uit het oprichtingsverdrag of de ontstaan- en ontwikkelingsgeschiedenis van de organisatie dat dit niet is toegestaan.

 

De gebondenheid van internationale organisaties aan het internationaal recht

Het verdragenrecht

Op de externe rechtspositie van internationale organisaties is het algemene volkenrecht, vastgelegd in verdragen als het VN-Handvest of het EVRM en het ius cogens, van toepassing.

Internationale organisaties zijn gebonden aan verdragen waarbij ze partij zijn en aan het gewoonterecht waarvan zij in hun eigen verdrag niet van afgeweken zijn. Ook mag men niet in strijd handelen met het ius cogens-beginsel. Voor derden geldt het pacta sunt servanda-beginsel.

Indien een internationale organisatie zijn verdragsluitende bevoegdheid onterecht heeft gebruikt, is het pacta sunt servanda-beginsel van kracht (artikel 46 lid 2 van het Verdragenverdrag uit 1986).

Voor verdragen die organisaties sluiten geldt het pacta sunt servanda-beginsel, waaruit voortvloeit

  1. Dat een organisatie zich niet op zijn eigen regels mag beroepen onder het uitvoeren van een verdrag uit te komen.

  2. Dat als een organisatie met iets instemt terwijl dat in strijd is met zijn regels, dit geen reden is voor ongeldigverklaring.

  3. Dat de organisatie zich te goeder trouw moet gedragen.

 

Internationale organisaties zijn op het gebied van het humanitaire recht en mensenrechten geen partij bij de totstandkoming van verdragen. Zij zijn daarom dus niet gebonden aan dit recht. Men kan hen alleen binden als in de verdragen neergelegde verplichtingen staan, waarbij aangetoond is dat het gewoonterecht is.

 

Individuen als subject van volkenrecht

Het individu wordt steeds belangrijker in het volkenrecht. De volkenrechtsubjectiviteit van individuen werd algemeen bevestigd doordat zij rechtstreekse rechten krijgen toegekend in de verdragen. Een aantal rechten is van dwingende aard waardoor die door een individu altijd kunnen worden ingeroepen, ongeacht of de staat partij is van het verdrag.

Ook kunnen individuen plichten krijgen: mensenplichten. Het gaat bij mensenplichten vooral om de bescherming van het individu tegen een ander individu die bij het uitoefenen van een statelijke bevoegdheid het boekje te buiten gaat. Het moet wel gaan om de uitoefening van een officiële bevoegdheid.

Het permanente Strafhof is in 1998 opgericht en is gezeteld in Den Haag, in het Vredespaleis. Het Strafhof is bevoegd om individuen aan te klagen en te veroordelen indien bewezen is dat zij zich schuldig hebben bevonden aan genocide, misdrijven tegen de vrede, misdrijven tegen de menselijkheid of oorlogsmisdrijven. Er bestaat geen verplichting tot toetreding van staten bij het Strafhof en de staten zijn dan ook niet verplicht tot medewerking.

Staatsgrenzen worden, bijvoorbeeld bij milieuvraagstukken, steeds minder relevant. De nationale staat speelt bij het systeem van multilevel governance (verschillende niveaus werken samen) lang niet altijd een centrale rol meer. Ook is het statelijke niveau niet altijd bepalend voor de positie van het individu in het internationale rechtssysteem, wat vooral blijkt uit de ontwikkeling van internationale organisaties.

 

Gewapende oppositiegroeperingen en bevrijdingsbewegingen

In bepaalde gevallen kent het internationaal recht ook persoonlijkheid toe aan gewapende oppositiegroeperingen, omdat dergelijke groeperingen feitelijke controle uitoefenen over een gebied en dus de facto degenen zijn die naleving van nationale verplichtingen kunnen waarborgen.

Bevrijdingsbewegingen: zijn opgekomen in context met het proces van dekolonisatie. Een bevrijdingsbeweging is een beweging die strijdt tegen racistische of koloniale regimes of tegen een vreemde overheersing. Bevrijdingsbewegingen die door de Algemene Vergadering van de VN waren erkend kregen een waarnemersstatus, inclusief spreekrecht.

 

Multinationale ondernemingen en enkele bijzondere categorieën

Er is al lange tijd discussie over de rechtspersoonlijkheid van multinationale ondernemingen. Het algemene uitgangspunt is dat ondernemingen alleen subjectiviteit bezitten in de nationale rechtsorde waarin zij staan geregistreerd of waar zij zijn gevestigd. Er zijn twee punten waardoor er discussie is ontstaan over het algemene uitgangspunt:

  • Multinationale organisaties sluiten verschillende overeenkomsten met staten. Hierin staat vaak dat de organisaties zijn gebonden aan het internationaal recht.

  • Investeringsbeschermingsverdragen worden gesloten tussen staten met als doel om ondernemingen te beschermen tegen mogelijke maatregelen van staten waarin zij investeren.

 

De Heilige stoel onderhoudt diplomatieke contacten, is partij bij veel internationale verdragen en is lid van diverse internationale organisaties. De Heilige stoel heeft onder geldend internationaal recht: recht, plichten en bevoegdheden. De Heilige stoel heeft dus rechtspersoonlijkheid.

De Soevereine Orde van de Heilige Johannes van Jeruzalem – Ridders van Malta: is een van de meest exotische subjecten van het internationaal recht. De rechtspersoonlijkheid kan onder andere worden afgeleid uit het feit dat deze diplomatieke relaties heft met meer dan veertig staten, partij is bij diverse verdragen en lid is van enkele internationale organisaties. Doelstellingen zijn:

  • Het bestrijden van ongeloof.

  • Richten zich op humanitaire missies.

 

Volken als subject van volkenrecht

De ontwikkeling van het zelfbeschikkingsrecht hangt nauw samen met de erkenning van volkeren als subjecten van het internationaal recht. Het idee achter het zelfbeschikkingsrecht is dat ieder volk bevoegd is om zijn eigen politieke, sociale, culturele en economische toekomst te bepalen.

 

Vanuit politiek, historisch perspectief is het interne aspect het onderdeel van de strijd voor de soevereiniteit van het volk. Het bestaan van een staat is hierbij een gegeven. In het huidige internationale recht is het interne aspect erkend, ook al is onduidelijkheid over de reikwijdte. Op één punt is men het wel eens: het zelfbeschikkingsrecht omvat een recht voor raciale groepen binnen een staat om deel te nemen aan het politieke besluitvormingsproces. Het zou te ver gaan om het recht op een democratisch bestuur in het internationaal recht op te nemen. Daarom wordt er vaak gesproken over een zich ontwikkelend recht op democratisch bestuur.

 

Vanuit politiek, historisch perspectief is het externe aspect vooral gebruikt in de strijd tegen overheersing van volkeren door andere volkeren of staten. Het bestaan van de staat is hierbij geen gegeven. Zij stellen juist dat een volk het recht heeft om zich los te maken van een staat.

 

In de artikelen 1 lid 2 en 55 VN-Handvest wordt het recht op zelfbeschikking erkend. De achtergrond van deze resoluties is het proces van dekolonisatie in Azië en Afrika. Dit proces werd gevoerd door een vergadering in de manier van denken over de legitimiteit van een koloniaal bestuur. Eerst werd er in vele gebieden een beschavingsmissie gehouden. Dit was vanaf de tweede wereldoorlog een illegale machtsuitoefening.

Tijdens het proces van dekolonisatie werd bepaal dat degene die het recht had op zelfbeschikking het volk was dat men gelijk kon stellen aan de bevolking van een koloniaal territoir. Het Uti possidetis-beginsel houdt in dat de grenzen die door de koloniale machthebbers waren getrokken ook de grenzen waren die gevormd zouden moeten worden voor de nieuwe staten. Als rechtvaardiging voor het streven naar afscheiding kan het zelfbeschikkingsrecht worden ingeroepen in zeer uitzonderlijke omstandigheden. Paragraaf zes van Resolutie 1514 geeft aan dat nieuwe claims op afscheiding die kan worden afgeleid uit het zelfbeschikkingsrecht.

 

Tegenwoordig is er geen dekolonisatie meer. Het zelfbeschikkingsrecht is wel van belang, al wordt er over de reikwijdte gediscussieerd:

  • Er bestaat ook een recht op externe zelfbeschikking in andere situaties dan koloniale overheersing, zoals economische overheersing.

  • Het interne zelfbeschikkingsrecht is ook relevant buiten de kolonisatie: het recht van volkeren om binnen de staat hun toekomst te bepalen.

  • Het zelfbeschikkingsrecht is ook van belang voor de interpretatie van rechten en plichten van staten.

  • Een aantal rechtsgeleerden heeft betoogd dat ook het externe zelfbeschikkingsrecht relevant is voor een volk dat zich van een staat zou willen afscheiden wanneer de staat fundamentele rechten van het volk systematisch schendt.

 

Hoofdstuk 7: De staat als subject van internationaal recht

 

Inleiding en de definitie van een staat

Een staat is het ‘oorspronkelijke subject’ van het internationaal recht. Omdat het belang van de staat voor de internationale samenleving zo belangrijk is, zou je een duidelijke definitie verwachten. Die is er echter niet. Er is wel een soort van houvast, er is bijvoorbeeld overeenstemming dat het bestaan van een effectief gezag een belangrijke overweging is bij de beoordeling van het ontstaan van nieuwe staten.

Er wordt meestal uitgegaan van Jellineks leer van de drie elementen: die 3 essentiële elementen van een staat beschrijft:

  1. een (effectieve) regering

  2. een grondgebied

  3. een bevolking

 

De Montevideo Conventie (1933) beschrijft de rechten en plichten van staten en de hierboven genoemde elementen. Als vierde wordt in deze conventie nog het vermogen om betrekkingen aan te gaan met andere staten toegevoegd. Er moeten wel 3 kanttekeningen geplaatst worden bij de Montevideo Conventie:

  1. de hierboven genoemde elementen waren bedoeld als criteria voor het beoordelen van het ontstaan van staten niet als criteria die zomaar gehanteerd kunnen worden bij de beoordeling van het voortbestaan van staten. Als bijvoorbeeld bij een burgeroorlog het effectieve gezag wegvalt, houdt de staat niet zomaar op te bestaan

  2. het vierde criterium wordt niet beschouwd als een vereiste om van het bestaan van een staat te kunnen spreken. Dit wordt meer gezien als een gevolg van het zijn van een staat.

  3. De vraag is gerezen of de drie algemeen geaccepteerde criteria in alle omstandigheden kunnen orden beschouwd als voldoende en noodzakelijke voorwaarden.

 

De drie elementen van de staat

bevolking

Het behoren tot een bepaalde staat heeft consequenties voor de bevolking. Een staatburger krijgt rechten van de regering, maar heeft ook plichten waar de regering hem/haar aan mag houden. Er is geen criteria voor de minimumomvang van een bevolking, of aan de aard van de bevolking.

De ontwikkeling van een staat is nauw verbonden geweest met de mogelijkheid om effectief controle uit te oefenen over een afgebakend grondgebied. Zie bijvoorbeeld het cuius regio, euis religio-beginsel. Vanwege het belang van territoir, is het niet vreemd dat er nog steeds geschillen bestaan over grensafbakeningen. Er is geen regel dat de grenzen van een staat ondubbelzinnig vast dienen te staan of onbetwist dienen te zijn (zie bijvoorbeeld het probleem van de staat Israël). Ook voor de minimumomvang van een grondgebied zijn geen eisen. Microstaten geven wel praktische problemen, zoals in de VN, waar wordt geopperd de microstaten minder invloed in de Algemene Vergadering te geven.

 

Regering

In een staat moet een regering zijn die onafhankelijk is en effectief gezag kan uitoefenen over de bevolking en op het territoir. Dit is logisch, want in het internationaal recht is geen centrale uitvoerende macht die zorg kan dragen voor de naleving van internationale verplichtingen. Hier is de regering voor.

Het criterium van een effectief gezag hangt nauw samen met de eis dat staten hun internationale verplichtingen na moeten komen. Een regering moet effectief werken om deze verplichtingen na te kunnen komen. Het verband tussen effectief gezag en internationale verantwoordelijkheden werd uiteengezet in de Island of Palmas-zaak (1928)

Een regering moet zijn gezag ook onafhankelijk uitoefenen, wat onder andere naar voren kwam in de Aaland-zaak (Finse troepen zouden niet capabel zijn om in hun land gezag uit te oefenen). Deze eis van onafhankelijkheid (of soevereiniteit) zorgt ervoor dat bijvoorbeeld Californië of Nordrhein-Westfalen niet als staat gelden volgens het internationaal recht.

Een staat blijft bestaan zolang de constitutionele onafhankelijkheid duidelijk is en als zodanig blijft bestaan. Dit geldt ook bij het samenvoegen van staten. De EU is bijvoorbeeld geen staat. Om een staat te zijn zou iedere lidstaat zijn constitutionele onafhankelijkheid moeten opgeven.

 

Het relatieve belang van de Montevideo-criteria

Het effectiviteitbeginsel speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van staten, ook al wordt het niet altijd hetzelfde toegepast. Tijdens het dekolonisatieproces zijn er bijvoorbeeld entiteiten als staten erkend door de VN terwijl er nog niet echt een effectief gezag was. Het beginsel van effectiviteit werd hier afgewogen tegen het recht op zelfbeschikking van gekoloniseerde volkeren en de breed gekoesterde wens dat koloniale gebieden onafhankelijke staten zouden worden zoals bijvoorbeeld Congo.

Er is discussie over de vraag of er nu extra criteria zijn voor de beoordeling van het ontstaan van nieuwe staten.

Ten eerste de eis dat een politieke gemeenschap zelf de status van ‘staat’ moet claimen, voordat deze ook zo kan bestaan. Deze eis speelt een rol bij de kwestie Taiwan. Ook de onafhankelijkheidsverklaring van Zuid-Rhodesië werd in eerste instantie niet erkend, omdat die geschreven was door de racistische blanke minderheid van de bevolking. Ook de door het apartheidsregime ingestelde thuislanden (Bantustans) werden niet erkend door de internationale samenleving, vanwege de racistische grondslag. Bij Rhodesië en de thuislanden geldt dat het recht op zelfbeschikking niet erkend wordt als het gebruikt wordt voor racistische doeleinden. Er moet respect zijn voor het zelfbeschikkingsrecht.

Ten tweede is recentelijk de vraag opgeworpen of een nieuwe staat dient te voldoen aan het criterium van democratie en respect voor minderheidsrechten. Deze discussie kwam op gang naar aanleiding van het uiteenvallen van de Sovjet Unie en (voormalig) Joegoslavië. Voor Joegoslavië oordeelde de Badinter Commissie of Slovenië, Macedonië, Kroatië en Bosnië-Herzegovina aan de gestelde criteria (respect voor mensenrechten, minderheden etc) voldeden. De eis om naast het ‘staat-zijn’ ook aan andere criteria te voldoen om deel uit te maken van een politieke gemeenschap, wordt door de EU ten opzichte van kandidaat-lidstaten gehanteerd. In 1993 werden de Kopenhagen criteria geformuleerd. In het in 2004 ondertekende Grondwettelijk Verdrag staat dat lidmaatschap slechts open staat voor staten die de waarden van de Unie eerbiedigen, oftewel eerbied voor de menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, de rechtsstaat en eerbiedigen van mensenrechten en rechten van minderheden.

 

Erkenning van staten en regering

Bij erkenning heb je een aantal fundamentele problemen, zoals de relatie tussen normativiteit en feitelijkheid, de vraag wie beslist over toelating van nieuwe staten tot de internationale gemeenschap en de vraag hoe uit een algemene en abstracte rechtsregel concrete en individuele rechtsnormen kunnen voortvloeien. Erkenning van staten en erkenning van regeringen lopen door elkaar heen. Ook is er een verschil tussen erkenning van staten en regeringen op internationaal en op nationaal niveau.

Erkenning van staten

Het begrip ‘erkennen’ heeft 2 betekenissen:

  1. een staat kan expliciet zijn opvatting uitdrukken over de status van een bepaalde politieke gemeenschap of

  2. een staat kan door middel van het aangaan van bepaalde betrekkingen aangeven dat hij deze gemeenschap als een staat volgens internationaal recht beschouwt. Dit wordt impliciete of stilzwijgende erkenning genoemd.

Of het aangaan van betrekkingen inderdaad erkenning van een bepaalde politieke eenheid als staat volgens internationaal recht inhoudt, dient uit de omstandigheden te worden afgeleid.

Is het ontstaan en bestaan van een staat afhankelijk of onafhankelijk van erkenning door reeds bestaande staten? De constitutieve theorie van erkenning meent dat een politieke eenheid niet als staat kan gelden als deze door andere staten niet wordt erkend.

Deze interpretatie van erkenning sluit aan bij de 19e eeuwse visie op de statengemeenschap. De ‘mate van beschaving’ en de dynastieke legitimiteit speelden toen een grote rol.

De Montevideo Conventie is tegen de constitutieve theorie van erkenning. Volgens artikel 3 is het politieke bestaan van een staat niet afhankelijk van de erkenning van andere staten. Deze leer wordt de declaratoire leer van erkenning genoemd. Volgens deze leer is erkenning slechts een bevestiging vaan het feit dat een staat bestaat. De benadering zegt niet dat erkenning geheel irrelevant is. Het is bijvoorbeeld verboden om gebieden die zich van een bestaande staat willen afscheiden te erkennen voordat duidelijk is dat de afscheiding succesvol is. De declaratoire heeft tegenwoordig de meeste aanhangers, maar het debat hierover is nog niet ten einde.

 

Declaratoire interpretatie

Binnen de declaratoire interpretatie moet een onderscheid worden gemaakt tussen:

  1. de meer extreme positie, erkenning door bestaande staten is irrelevant, en;

  2. de meerderheid van de aanhangers van de declaratoire theorie accepteert wel dat het internationaal recht criteria voor het ontstaan en bestaan van staten bevat. Zij ontkennen echter dat de erkenning ook behoort tot deze criteria.

De statenpraktijk lijkt de declaratoire positie te ondersteunen. Voorbeeld: in 1949 werd boven Egypte een Brits vliegtuig neergeschoten door Israëlische troepen. Engeland hield Israël verantwoordelijk, ook al was deze staat officieel nog niet erkend.

 

Constitutieve interpretatie

Een van de belangrijkste argumenten van de aanhangers van de constitutieve interpretatie is de afwezigheid van een centrale instantie die in concrete gevallen gezaghebbend kan vaststellen wanneer een politieke gemeenschap voldoet aan de criteria van een staat. Erkenning zou noodzakelijk zijn om de kloof te dichten tussen de algemene regels van het internationaal recht en de concrete feiten waarop deze regels worden toegepast. Erkenning is dus een vaststelling van feiten. De stelling dat erkenning noodzakelijk is voor staten is echter om minimaal 2 redenen problematisch:

  1. deze stelling leidt tot de conclusie dat het bestaan van een staat relatief is, want een politieke gemeenschap zou als staat bestaan ten opzichte van bestaande staten die deze als zodanig hebben erkend en niet als staat bestaan ten opzichte van bestaande staten die deze niet als zodanig hebben erkend.

  2. de stelling is in strijd met de statenpraktijk en met de jurisprudentie. Een staat kan bestaan onafhankelijk van erkenning door andere staten.

Een goed illustratief voorbeeld bij het probleem van de constitutieve theorie is de Deutsche Continental Gas Gesellschaft-zaak (1929-1930), over het onteigenen van bezit in Warschau. Ook bij het erkennen van regeringen wordt de term ‘erkenning’ op minstens 2 manier gebruikt, namelijk

    1. Een staat kan via erkenning zijn opvatting weergeven over de status van een regime of groepering. Een staat kan aangeven dat hij bepaalde autoriteiten beschouwt als de rechtmatige regering van een staat: de iure erkenning.

Erkenning de facto wordt gebruikt in situaties van afscheiding, waarbij de afscheidingsbeweging al wel effectieve controle had over (delen van) het grondgebied, maar er nog geen officiële overdracht van soevereiniteit heeft plaatsgevonden. Er is geen precieze definitie van erkenning de facto te geven.

Volgens sommige geleerden is er geen verschil tussen de iure en de facto. Mede hierdoor zien staten steeds vaker af van het gebruik van de facto erkenning.

    1. Erkenning kan ook duiden op het uitspreken van de bereidheid om betrekkingen aan te gaan met een regering, of deze betrekkingen simpelweg aangaan. Dit hoeft niet samen te vallen met de iure erkenning, maar dit is meestal wel het geval.

Het belang van impliciete erkenning is sterk toegenomen door het zogenoemde ‘beleid van niet-erkenning van regeringen’, dat wil zeggen het beleid waarbij geen expliciete opvatting meer wordt gegeven over de juridische status van een regering. Ook Nederland volgt vanaf 1990 dit beleid van niet-erkenning. Dit beleid impliceert ook dat de houding van de Nederlandse overheid ten aanzien van een vreemde regering moet worden afgeleid uit de betrekkingen die Nederland is aangegaan met die regering en niet langer uit een expliciete erkenning van die regering. Erkenning van regeringen is niet constitutief, maar kan wel een belangrijke rol spelen bij de beantwoording van de vraag of een groepering in een concreet geval voldoet aan de eisen die het internationaal recht aan een regering stelt. Belangrijk hierbij is de Tinoco-zaak (1923), over de vraag of het Tinoco-regime in Costa Rica kon gelden als regering terwijl het niet als regering erkend was. Wanneer erkenning of niet erkenning alleen is gebaseerd op politieke uitgangspunten en niet ook op juridische criteria, dan verliest de erkenning of niet-erkenning zijn waarde als hulpmiddel bij het vaststellen van de juridische status van een regering.

 

Erkenning van regeringen

Bij nationale rechtsordes speelt de vraag of een vreemde regering eerst dient te worden erkend door de eigen regering voordat deze kan worden beschouwd als ‘staat’ of ‘regering’ volgens nationaal recht. In sommige staten, zoals Groot Brittannië, is dit inderdaad een vereiste. Tot 1980 was in Groot Brittannië ook erkenning van regeringen noodzakelijk, nu is de Britse regering overgegaan tot het beleid van regeringen niet langer expliciet erkennen. Hierdoor kan een Britse rechter niet langer varen op het erkenningsbeleid van de Britse regering, maar moet hij zelfstandig nagaan of een regering bestaat volgens Brits recht.

Een Nederlandse rechter is zelfstandiger. Hij bepaalt zelf of er sprake is van een staat of regering. Erkenning door de Nederlandse regering wordt wel meegenomen in het besluit.

Statenopvolging

Statenopvolging houdt in de vervanging van een staat door een andere in de verantwoordelijkheid voor de internationale betrekkingen van een grondgebied.

Staten bestaan en kunnen na verloop van tijd ook weer ophouden te bestaan. Vooral dekolonisatie in Zuid-Amerika en Afrika zorgde voor vele nieuwe staten, maar ook de uiteenvallende Ottomaanse en Habsburgse rijken zorgden voor nieuwe staten. Recentelijk was het einde van de Sovjet-Unie een reden voor vele nieuwe staten.

Het leerstuk van statenopvolging is vaak omschreven als ‘complex’ en ‘controversieel’.

Het is ook lastig, vooral vanwege de classificatie. De situatie in Joegoslavië kan bijvoorbeeld worden beschouwd als een geval van uiteenvallen en verdwijnen van een staat of als een serie afscheidingen van een nog voortlevende staat.

Ook bij het uiteenvallen van de Sovjet Unie waren er ook problemen. Bijvoorbeeld de Baltische Staten: onafhankelijk als voortzetting van vooroorlogse staten?

 

Een ander probleem bij statenopvolging is de theoretische onderbouwing van het leerstuk. Als de wil van de staat het uitgangspunt van het internationaal recht is, hoe kan dan een nieuwe staat automatisch aan regels van het internationaal recht worden gebonden?

Hierbij staan 2 opvattingen tegenover elkaar:

  1. de voluntaristische benadering, volgens welke nieuwe staten slechts aan die regels zijn gebonden waarmee zij expliciet mee hebben ingestemd

  2. de universalistische benadering, volgens welke algemeen gewoonterecht ook verbindend is voor nieuwe staten die daar nog niet expliciet mee hebben ingestemd.

 

Volgens aanhangers van de universalistische benadering gaan rechten en plichten van de oude staat automatisch over op de nieuwe staat. De voluntaristische (of positivistische) benadering gaat uit van de vrijheid van nieuwe staten. De positivistische interpretatie is nooit consequent doorgevoerd: bij feitelijke continuïteit van bevolking en gebied werd ook in positivistische benaderingen vrijwel altijd aanvaard dat verdragen die aan het grondgebied van een nieuwe staat verbonden waren bindend zijn voor de nieuwe staat. De International Law Commission heeft enkele pogingen gedaan om het recht inzake statenopvolging te ontwikkelen in verdragen. De meest besproken conventie is de Conventie inzake Statenopvolging met betrekking tot verdragen uit 1978. In dit verdrag wordt het verschil bepaald tussen nieuwe staten die tot stand komen uit het proces van dekolonisatie (nieuwe onafhankelijke staten) en andere nieuwe staten. Voor nieuwe onafhankelijke staten geldt dat ze met een schone lei mogen beginnen. Voor de andere nieuwe staten geldt dat verdragen van de voorgangerstaat overgaan op de opvolgerstaat. Op dit onderscheid is veel kritiek gekomen, met als belangrijkste kritiekpunt dat het onderscheid niet kan worden beschouwd als een goede weergave van het gewoonterecht. De statenpraktijk en de opinio iuris wijzen op het bestaan van de doctrine van de schone lei voor alle nieuwe staten. De Nederlandse overheid brengt deze opvatting ook naar voren.

 

De algemene regel dat nieuwe staten met een schone lei kunnen beginnen, kent een aantal belangrijke uitzonderingen:

  1. de schone lei doctrine is niet van toepassing op verdragen met een territoriaal karakter, zoals grensverdragen. Het internationaal recht gaat er van uit dat statenopvolging de geldigheid en werking van grensverdragen niet aantast. Ook andere territoriale verdragen zoals de verdeling van het water, het recht van doorvaart enzovoort blijven onaangetast door statenopvolging.

  2. Ook mensenrechtenverdragen zouden een uitzondering vormen op de doctrine van de schone lei. Mensenrechtenverdragen verschaffen particulieren rechten die niet kunnen worden aangetast door het verdwijnen van een oude of de creatie van een nieuwe staat. Juist in tijden van grote politieke veranderingen wordt er steeds meer waarde gehecht aan respect voor de mensenrechten.

 

Als een politieke eenheid geldt als ‘staat’ onder het internationaal recht, betekent dat nog niet dat deze ook lid kan worden van alle IO’s. IO’s hanteren immers hun eigen criteria voor lidmaatschap, algemene of specifiekere criteria.

 

Hoofdstuk 8: Rechtsmacht van staten en immuniteiten onder internationaal recht

 

Inleiding

Het internationaal recht is ontwikkeld om te dienen als afbakening van de begrenzing van het staatsgezag. De term ‘jurisdictie’ (‘rechtsmacht’) wordt hier gebruikt om te verwijzen naar 3 bevoegdheden waarover staten volgens het internationaal recht beschikken:

  1. Wetgevende jurisdictie: de bevoegdheid om rechtsregels uit te vaardigen

  2. Rechtsprekende jurisdictie: de bevoegdheid om regels gezaghebbend te interpreteren en toe te passen

  3. Handhavende jurisdictie: de bevoegdheid om regels te handhaven

Dit onderscheid is niet alleen academisch, maar speelt ook een rol in het recht inzake immuniteiten.

 

Territoriale jurisdictie

Het territoir (grondgebied) van een staat bevat niet alleen landgebied, maar ook binnenwateren, de territoriale zee en het luchtruim boven deze gebieden. De binnenwateren zijn alle wateren binnen de grenzen van het landgebied zoals rivieren en meren. Als een staat aan zee ligt, zijn de binnenwateren alle wateren gelegen aan de landzijde van de basislijn, de lijn die het landgebied scheidt van de zee. Dit is meestal de laagwaterlijn aan de kust. Staten hebben over de binnenwateren en dus ook de havens volledige soevereiniteit, net als over het landgebied.

De territoriale zee is een zone van maximaal 12 zeemijl (ongeveer 22 km) die ligt aan de buitenzijde van de basislijn. De territoriale zee bestaat rechtswege, wat betekent dat deze niet expliciet geclaimd hoeft te worden. De territoriale zee valt ook binnen de soevereiniteit. Toch gelden er in de territoriale zee een aantal beperkingen voor een staat. De staat moet namelijk het recht van onschuldige doorvaart respecteren. Onschuldige doorvaart houdt in:

  1. de territoriale zee wordt uitsluitend als doorvaartroute gebruikt

  2. de schepen onthouden zich van activiteiten die de vrede, de goede orde of de veiligheid van de kuststaat bedreigen.

Deze afspraken staan in het VN Zeerechtverdrag van 1982. Een kuststaat mag zich wel met onschuldige zeevaart bemoeien om bijvoorbeeld het zeeverkeer in goede banen te leiden. Ook mag de staat ingrijpen bij doorvaart die niet onschuldig is. Een staat mag ingrijpen bij:

  • een op het schip begaan misdrijf waarvan de gevolgen zich uitstrekken tot de kuststaat (bijvoorbeeld mensensmokkel)

  • een misdrijf dat de orde in het land of de orde op de territoriale zee verstoort

  • een situatie waarin aanhouding van het schip en het instellen van een onderzoek noodzakelijk is voor de bestrijding van de handel in verdovende middelen

  • de hulp van de kuststaat is ingeroepen door de kapitein van het schip of door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiger van de staat onder wiens vlag het schip vaart

Door internationale afspraken zijn er ook beperkingen voor staten, bijvoorbeeld over de visserij.

Het luchtruim boven het landgebied valt ook onder de soevereiniteit van de staat. De staat heeft hier volledige jurisdictie, er bestaat geen ‘recht van onschuldige overvlucht’. Er is wel een duidelijk verschil tussen het luchtruim en de ruimte. Deze grens ligt op 100 km hoogte. De ruimte valt onder niemands soevereiniteit, iedere staat mag hier vrij doen wat hij wil.
 

Jurisdictie en vrijheden buiten het eigen grondgebied

Schepen hebben de nationaliteit van hun vlaggenstaat, de staat waarin zij staan geregistreerd en wiens vlag zij voeren. De nationaliteit is van belang omdat de vlaggenstaat volledige jurisdictie heeft over de personen die zich op het schip bevinden.

Schepen op volle zee vallen onder de exclusieve rechtsmacht van de vlaggenstaat. In zeegebieden die vallen binnen de rechtsmacht van kuststaten, is er een combinatie van jurisdictie van de kuststaat en de vlaggenstaat.

Sinds de Tweede Wereldoorlog worden steeds meer schepen ingeschreven bij landen waar men het niet zo nauw neemt met milieuregels en dergelijke, omdat het schip dan onder de regels van die staat valt, de zogenaamde goedkope vlaggenstaten.

Het VN-Zeerechtverdrag probeert deze praktijken te beperken door vast te stellen dat er een verband moet zijn tussen de vlaggenstaat en het schip. Ook moet de vlaggenstaat erop toezien dat het schip en de bemanning voldoen aan internationaal erkende normen op het gebied van veiligheid, milieu en sociale aangelegenheden. In de praktijk hebben deze bepalingen nog niet het gewenste effect bereikt.

 

Staten kunnen bepaalde bevoegdheden uitoefenen in gebieden die buiten het grondgebeid vallen. Het beste voorbeeld hiervoor is het VN Zeerechtverdrag. Over dit verdrag is onderhandel van 1973 tot 1982. Het codificeerde een aantal gewoonterechtelijke regels over de zee. Het VN Zeerechtverdrag onderscheidt een aantal zones:

  1. De aansluitende zone ligt voorbij de territoriale zee tot maximaal 24 zeemijl vanaf de basislijn. De aansluitende zone moet worden afgekondigd. De staat heeft hier beperkte bevoegdheden, het gaat slechts om de voorkoming of bestraffing van een beperkt aantal overtredingen. Bovendien moeten deze overtredingen hebben plaatsgehad of dreigen plaats te vinden binnen het territoir van de kuststaat. Een kuststaat heeft ook bepaalde bevoegdheden ten aanzien van archeologische en historische voorwerpen die zich in de aansluitende zone bevinden.

  2. De exclusieve economische zone (EEZ) strekt zich uit tot maximaal 200 zeemijl vanaf de basislijn. De EEZ bevat zowel de zeebodem en de ondergrond als de waterkolom. Niet overal kan de EEZ van iedere staat zich uitstrekken tot 200 zeemijl, hier moeten grensverdragen gesloten worden. Binnen de EEZ heeft de kuststaat een aantal exclusieve rechten:

    • het recht op het exploreren en exploiteren van de levende en de niet-levende natuurlijke rijkdommen

    • het recht op het oprichten van kunstmatige eilanden en andere constructies

    • rechtsmacht ten aanzien van het verrichten van wetenschappelijk zeeonderzoek

    • de bevoegdheid om het milieu te beschermen

Deze rechten worden lichtelijk beperkt door onder andere de vrijheden van scheepvaart, overvlucht en het leggen van kabels en dergelijke.

  1. Het continentale plat omvat de zeebodem en de ondergrond van de onder water gelegen gebieden die zich buiten de territoriale zee uitstrekken als natuurlijke voortzetting van het vasteland onder zee. Volgens het VN-Zeerechtverdrag is de juridische breedte van een continentaal plat 200 zeemijl vanaf de basislijn (valt dus samen met de buitenlijn van de EEZ) of zoveel verder als het feitelijk continentaal plat uitstrekt.

De kuststaat heeft de exclusieve rechten op het continentale plateau: exploitatie en exploratie van natuurlijke bodemschatten, bouwen van kunstmatige eilanden enzovoort. Een staat hoeft een continentaal plat niet af te kondigen, maar beschikt er rechtswege over.

Het rechtsregime van de volle zee is van toepassing op alle delen van de zee die niet onder de (beperkte) nationale rechtsmacht van een kuststaat vallen. Volgens het VN Zeerechtverdrag hebben staten op volle zee onder andere de volgende vrijheden:

  • vrijheid van scheepvaart en overvlucht

  • vrijheid van visserij

  • vrijheid tot het bouwen van kunstmatige eilanden en andere installaties

  • vrijheid tot het leggen van kabels en pijpleidingen

  • vrijheid van wetenschappelijk onderzoek.

Geen staat kan soevereiniteit over volle zee opeisen. Maar staten moeten niet geheel afzien van uitoefening van jurisdictie op volle zee:

  • een staat dient jurisdictie uit te oefenen op schepen die onder zijn vlag varen

  • iedere staat kan schepen aanhouden die onder geen enkele vlag varen en dus stateloos zijn. Schepen die onder meer dan 1 vlag varen worden als stateloos beschouwd.

  • Staten hebben het recht op achtervolging op heterdaad (‘hot pursuit’). Het gaat hier om achtervolging vanuit de territoriale wateren, die moet worden stopgezet zodra het te achtervolgen schip de territoriale zee van een andere staat bereikt.

  • Staten mogen optreden tegen piraterij. Piratenschepen mogen door iedere staat worden aangehouden en verdachte piraten mogen worden aangehouden.

  1. De diepzeebodem is de zeebodem gelegen buiten de grenzen van nationale rechtsmacht. Deze is onderworpen aan een van de meest controversiële onderdelen van het VN Zeerechtverdrag. De diepzeebodem is door de Algemene Vergadering van de VN aanvaard als een gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid. Staten mogen hier niet geheel vrij bodemschatten exploiteren.

In 1982 werd er een Internationale Zeebodemautoriteit ingesteld, die de exploitatie reguleert en opbrengsten eerlijk verdeelt.

Over het VN Zeerechtverdrag was lange tijd veel discussie, wat ertoe leidde dat menig Westerse staat lange tijd het verdrag niet ratificeerde.

 

Antarctica heeft een bijzonder regime. Het valt buiten nationale rechtsmacht (vergelijkbaar met volle zee) en wordt over het algemeen beschouwd als gemeenschappelijk erfgoed van de mensheid. Verschillende landen hebben in de loop van de tijd soevereiniteit geclaimd over Antarctica, maar deze claims worden door vele staten niet geaccepteerd. In het Antarctica Verdrag (1961) staat dat Antarctica alleen voor vreedzame doelen mag worden gebruikt, men name voor wetenschappelijk onderzoek. Ook verbiedt het verdrag alle militaire activiteiten, kernproeven en de opslag van radioactief afval.

Ondertussen is er een Antarctisch Verdragsstelsel. Alleen staten die kunnen aantonen dat zij een wetenschappelijk belang hebben in Antarctica hebben stemrecht over regelingen betreffende Antarctica.

 

Personele jurisdictie

Het internationaal recht laat staten in beginsel vrij om de toekenning van hun nationaliteit te regelen. Er zijn meestal 4 manieren: nationaliteitstoekenning door geboorte, huwelijk, adoptie en naturalisatie. Geboorte komt het meest voor. Sommige staten verlenen hun nationaliteit aan kinderen die op hun grondgebied worden geboren. Dit gebeurt dus op basis van het ius soli beginsel (bodem- of territorialiteitsbeginsel). Andere staten gebruiken het ius sanguinis beginsel (bloed- of nationaliteitsbeginsel), waarbij een kind de nationaliteit van 1 van de ouders krijgt. Omdat staten zelf mogen kiezen hoe ze hun nationaliteiten regelen, kunnen er 2 problemen ontstaan: meervoudige nationaliteit en staatloosheid. Staatloosheid kan ook ontstaan door het verdwijnen en ontstaan van staten, zoals in Centraal- en Oost-Europa na het vallen van de Berlijnse Muur. Omdat stateloosheid een internationaal probleem is, heeft men geprobeerd dit te voorkomen in een aantal verdragen, onder andere het Verdrag tot Beperking van Staatloosheid (1968) en de Conventie betreffende Nationaliteit (1997).

De mogelijkheden van uitoefening van privaatrechtelijke (‘civiele’) jurisdictie worden voor een groot deel bepaald door het internationaal privaatrecht, maar dat valt buiten dit boek en dus buiten onze tentamenstof.

Er zijn 4 gronden waarop een staat de bevoegdheid kan claimen. Om jurisdictie uit te oefenen over personen:

  1. kan een staat zijn personele jurisdictie uitoefenen op grond van het territorialiteitsbeginsel: een staat heeft strafrechtelijke jurisdictie over een iedere die zich op zijn grondgebeid bevindt, ongeacht de nationaliteit van die persoon. Er wordt hier onderscheid gemaakt tussen het subjectieve territoriteitsbeginsel (heeft betrekking op het grondgebied waar de strafrechtelijke handeling is ingezet) en het objectieve territoriteitsbeginsel (heeft betrekking op het grondgebied waar de strafrechtelijke handeling is voltooid).

  2. kan een staat zijn personele jurisdictie uitoefenen op grond van het personaliteitsbeginsel, op basis waarvan de staat jurisdictie heeft over zijn eigen onderdanen. Dit strekt zich ook uit tot handelingen die de onderdanen in het buitenland verrichten, ook al gaat dit meestal alleen over ernstige misdrijven. Hierbij kan nog onderscheid worden gemaakt tussen jurisdictie op grond van het passief nationaliteitsbeginsel (staten claimen strafrechtelijke jurisdictie op grond van het feit dat hun onderdanen slachtoffer zijn van een misdrijf) en jurisdictie op grond van het actief nationaliteitsbeginsel (waarbij het gaat om onderdanen als plegers van strafbare feiten).

  3. kan een staat zijn personele jurisdictie uitoefenen op grond van het beschermingsbeginsel, waarbij staten jurisdictie uit mogen oefenen ter bescherming van hun veiligheid of wezenlijke belangen (staatsgrepen, terroristische aanslagen, valsemunterij etc.)

  4. kan een staat zijn personele jurisdictie uitoefenen op grond van het universaliteitsbeginsel, waarbij de jurisdictie allen wordt gebaseerd op de aard van het misdrijf. Het gaat hier om een beperkt aantal zeer ernstige misdrijven waarbij strafrechtelijke jurisdictie door iedere staat wordt gerechtvaardigd.

 

Het universaliteitsbeginsel

Er is een zuivere vorm van universele jurisdictie, waarbij op basis van een gewoonterechtelijke regel wordt gewerkt (bijvoorbeeld bij genocide). De uitoefening van universele jurisdictie kan ook zijn vastgelegd in een verdrag. Vanaf de Tweede Wereldoorlog is de bevoegdheid tot het uitoefenen van universele jurisdictie ook te vinden in een aantal verdragen over mensenrechten en humanitair recht. In de Geneefse Verdragen worden staten bijvoorbeeld opgedragen om:

  • wetgeving uit te vaardigen die bestraffing mogelijk maakt van personen die zogenoemde ‘ernstige schendingen’ van de Geneefse Conventies hebben begaan

  • verdachten van ‘ernstige schendingen’ op te sporen, te berechten of uit te leveren.

 

Bevoegdheid van universele jurisdictie vind je verder op het gebied van terrorisme bestrijding, bestrijding van verdovende middelen en genocide bestrijding.

Staten die op grond van het universaliteitsbeginsel jurisdictie uitoefenen, beperken dit vaak tot die gevallen waarin de verdacht zich bevindt op het grondgebeid van de betreffende staat. De toenemende mogelijkheden van universele jurisdictie hebben geleid tot een aantal spraakmakende rechtszaken tegen personen die verdacht werden van het schenden van mensenrechten, humanitair recht of oorlogsmisdaden, zoals Eichmann (1961), Pinochet, Bouterse. Hoewel het steeds vaker voorkomt, blijven staten voorzichtig met het uitoefenen van universele jurisdictie, omdat

  • het aanklagen van buitenlanders is niet altijd eenvoudig, het verkrijgen van bewijs, regelen van getuigen kost veel tijd en geld.

  • universele jurisdictie nadelige gevolgen kan hebben voor de diplomatieke betrekkingen tussen staten.

 

Een staat kan een andere staat om uitlevering van een persoon vragen om deze persoon (a) te kunnen berechten of (b) te kunnen straffen. Er is geen regel die staten dwingt tot uitlevering. Wel zijn er tegenwoordig veel multilaterale en bilaterale uitleveringsverdragen, zoals het Europese Uitleveringsverdrag (1957). In veel van deze verdragen vind je de volgende beginselen:

  1. Het beginsel van de dubbele strafbaarheid (of dubbele criminaliteit) stelt dat uitleveren alleen kan als het gepleegde misdrijf in beide staten strafbaar is.

  2. Volgens het specialiteitbeginsel mag een verdachte alleen uitgeleverd worden als om uitlevering is gevraagd.

  3. Het beginsel van ne bis in idem (niet 2 keer straffen voor hetzelfde misdrijf)

  4. Het verbod op uitleveren van verdachten van ‘politieke misdrijven’

  5. Het beginsel dat uitlevering van eigen onderdanen niet verplicht is.

 

Immuniteit van jurisdictie

Je kunt de immuniteit van jurisdictie onderverdelen in 3 vormen: staatsimmuniteit, diplomatieke immuniteit en immuniteit van internationale organisaties. Het gaat hier iedere keer om de immuniteit van de jurisdictie van een vreemde staat. Het kan wel zo zijn dat iemand met immuniteit veroordeeld kan worden door een internationaal tribunaal.

 

Een nationale rechter wordt soms geconfronteerd met vragen die betrekking hebben op overheidshandelingen van vreemde staten. De vraag is dan of een nationale rechter zich moet houden aan uitspraken van een buitenlandse rechter. In de VS moeten nationale rechters dit. Dit wordt aangeduid als de Act of State Doctrine. Dit is geen regel of beginsel van internationaal recht. In Nederland heeft een nationale rechter ook al wel eens het internationale recht getoetst aan een zaak, hier gaat men niet automatisch van de Act of State Doctrine.

 

Staatsimmuniteit is gebaseerd op het wederzijds respect voor het beginsel van de soevereine gelijkheid van staten. Een staat heeft geen rechtsprekende en handhavende jurisdictie over vreemde staten of vertegenwoordigers van staatsgezag op internationaal niveau. De regels van staatsimmuniteit veranderen in de loop van de tijd, zo is er discussie over de reikwijdte. Mocht er binnen de EU besloten worden tot het overgaan tot 1 zelfstandige buitenlandse dienst, dan kunnen complexe vragen ontstaan over de staatsimmuniteit. Vragen op het gebied van staatsimmuniteit worden door Nederlandse rechter beantwoord via regels van het internationaal recht. Deze zijn onder andere te vinden in de Europese Overeenkomst inzake de Immuniteit van Staten (1972) en in de Convention on Jurisdictional Immunities of States and Their Property (VN), maar de meeste regels zijn van gewoonterechtelijke aard. Staten vervangen steeds vaker de absolutie immuniteit voor relatieve immuniteit. De immuniteit wordt niet helemaal opgeheven, maar afhankelijk gemaakt van het soort activiteit dat de staat onderneemt.

Voor acta iure imperii (typische overheidshandelingen van vreemde staten) geldt nog steeds immuniteit van rechtsprekende en handhavende jurisdictie.

Voor acta iure gestionis (overheidshandelingen die lijken op handelingen van private partijen in het economische verkeer) geldt die immuniteit niet.

In de praktijk is het verschil tussen deze twee moeilijk aan te duiden. Er is discussie over wat het belangrijkste is: de aard van de handeling of het doel van de handeling. In de hierboven genoemde VN Conventie en in de Nederlandse rechtspraak heerst een voorkeur voor het eerste criterium.

 

Is het mogelijk om via een nationaal rechtssysteem bijvoorbeeld een staatshoofd te berechten? Het antwoord op deze vraag is simpel wanneer de staat in kwestie vrijwillig afstand doet van de immuniteit van een van zijn gezagsdragers: de waiver of identity. Dit gebeurde bijvoorbeeld toen Spanje in 1998 het Verenigd Koninkrijk vroeg om uitlevering van Pinochet. De Britten moesten bepalen of ze Pinochet (oud-staatshoofd) mochten uitleveren. Zij maakten hier een verschil tussen zittende staatshoofden, die wel immuniteit krijgen, en voormalige staatshoofden. Voormalige staatshoofden hebben nog steeds immuniteit voor handelingen die zij hebben verricht als staatshoofd. Voor handelingen die niet kunnen worden beschouwd als officiële of normale staatszaken geldt geen immuniteit meer. Aangezien foltering (waar Pinocet door Spanje van beschuldigd werd) niet valt onder officiële of normale staatszaken, vonden de Britten de uitlevering van Pinochet rechtmatig.

 

De gijzeling van het ambassadepersoneel in Teheran (1979) werd veroordeeld als een grove schending van het internationaal recht. Het Weens Verdrag inzake Diplomatiek Betrekkingen en het Weens Verdrag inzake Consulaire Betrekkingen zijn door heel veel landen aanvaard en worden gezien als gewoonterecht. Alle staten hebben wederzijds belang bij goede diplomatieke betrekkingen.

Staten hoeven niet iedere benoeming van een ambassadeur of diplomaat te aanvaarden. De regering van de ontvangststaat moet iedere vertegenwoordiger goedkeuren.

 

Er zijn twee belangrijke aspecten van het diplomatieke en consulaire recht:

  1. De onschendbaarheid van ambassadegebouwen, woningen van diplomaten en diplomatieke post. Alleen wanneer diplomaten zonder inmenging hun werk kunnen doen, is het mogelijk hun diplomatiek taken goed uit te voeren. Het gastland moet de ambassadegebouwen ook beschermen tegen eventuele aantastingen.

  2. Diplomatieke immuniteiten. Diplomaten vallen niet onder de jurisdictie van hun gastland. Dit is niet hetzelfde als staatsimmuniteit, want dat geldt in alle landen, terwijl diplomatieke immuniteit slechts voor een persoon in een land geldt. Diplomaten en hun gezinsleden kunnen niet aangeklaagd worden, tenzij het een puur privé-aangelegenheid is. Het arresteren van diplomaten mag niet volgens het internationaal recht.

Personeel van een ambassade heeft immuniteit voor handelingen die zij hebben verricht in de uitoefening van hun functie.

 

Een diplomaat kan zijn immuniteit op verschillende manier verliezen:

  • een staat besluit afstand te doen van de immuniteit van zijn diplomaten (waiver of immunity). Diplomaten kunnen zelf geen afstand doen van hun immuniteit.

  • Diplomaten kunnen persona non grada worden verklaard.

Een diplomaat die niet langer in functie is, behoudt immuniteit voor handelingen die hij heeft verricht in de uitoefening van zijn diplomatieke functie.

 

IO’s hebben geen eigen grondgebied en zijn dus genoodzaakt zich te vestigen op het grondgebied van een staat. In beginsel staat het de IO en het gastland vrij om te regelen welk recht in welke situatie van toepassing zal zijn. Meestal is over de dagelijkse gang van zaken het nationale recht van het gastland van toepassing, maar niet altijd. De voorrechten (privileges) die IO’s genieten in de gaststaat worden vastgelegd in een overeenkomst tussen de IO en het gastland (de zetelovereenkomst of Headquarters Agreement).

Het personeel van IO’s heeft een zekere onafhankelijkheid ten opzichte van het gastland. Ook hier gaat het om functionele onafhankelijkheid, niet om private.

 

Consulaire diensten (gericht op het stimuleren van handelsbetrekkingen en culturele betrekkingen met de ontvangststaat) moeten worden onderscheiden van diplomatieke functies (gericht op het onderhouden van contacten op regeringsniveau).

Voor het vestigen van consulaire posten is toestemming nodig van de ontvangststaat. Voor consulaire gebouwen, archieven en documenten geldt onschendbaarheid.

Voor burgers van de EU geldt dat ze kunnen aankloppen bij een consulaat van een van de EU-lidstaten, dit hoeft niet per se het consulaat van hun eigen staat te zijn.

 

 

Hoofdstuk 9: Aansprakelijkheid

 

Staatsaansprakelijkheid

De Commissie voor Internationaal Recht (International Law Commission, ILC) heeft als taken de codificatie en de geleidelijke ontwikkeling van het internationaal recht. Een moeilijke vraag waar zij over discussiëren is de aansprakelijkheid van staten. De ILC maakt hierbij het onderscheid tussen 2 soorten regels:

  1. primaire regels, die staten plichten opleggen

  2. secundaire regels, die betrekking hebben op de toerekening van een schending van een primaire regel en die aangeven welke rechtsgevolgen zijn verbonden aan een schending van primaire regels.

ILC-artikelen zijn niet bindend, maar staten kunnen zich wel hierop beroepen.

 

Toerekening

Het is lastig om te bepalen of een handeling kan worden toegerekend aan een staat, onder andere omdat het gaat om een concrete handeling en een abstracte rechtspersoon.

Deze gevallen van toerekening kan je in tweeën splitsen:

  1. Schendingen van internationaal recht door staatsorganen en door organen die feitelijk onder controle staan van de staat. Deze kunnen worden toegerekend aan de staat. Een staat kan zich niet onttrekken aan aansprakelijkheid voor schendingen van het internationaal recht door lagere overheden. Ook wanneer er sprake is van handelingen die niet in overeenstemming zijn met toegekende bevoegdheden of gegeven instructies, kan een staat aansprakelijk worden gesteld. Het enige relevante is of de organen optreden in de uitoefening van een staatsfunctie. Deze aansprakelijkheid geldt ook voor particulieren die worden ingezet voor de uitoefening van staatszaken. Er is ook een soort van tussenvorm, wanneer groeperingen niet formeel in dienst van een bepaalde staat zijn maar de facto wel handelen onder instructies of onder leiding of controle van die staat. Goed voorbeeld hierbij is de Nicaragua-zaak. Er wordt dan gekeken in welke mate de staat controle uitoefent. Wanneer een staat voldoende mate van controle over de groepering heeft, kunnen de handelingen aan de staat worden toegerekend.

  2. Handelingen van particulieren en opstandelingen. In beginsel is een staat niet verantwoordelijk voor de handelingen van particulieren en opstandelingen. Een staat heeft echter wel de verplichting om te proberen te voorkomen dat particulieren zich schuldig maken aan schendingen van het internationaal recht (de zorgplicht). Dit kwam bijvoorbeeld terug in de Teheran Hostage-zaak. Het effect van goedkeuring en aanvaarding van handelingen van opstandelingen of particulieren, maakt de staat verantwoordelijk.

De onrechtmatigheid van een handeling wordt weggenomen bij onder andere:

  • Overmacht (force majeure)

  • Noodsituatie (distress)

  • Noodzaak om eigen vitale belangen veilig te stellen (necessity), waarbij men onder noodzaak verstaat:

    • Er was sprake van een vitaal belang van de staat dat conflicteerde met een verplichting van die staat

    • Het vitale belang werd bedreigd door een groot gevaar

    • De door de staat verrichte handeling heeft niet geleid tot ernstige aantasting van een vitaal belang van de staat tegenover wie de verplichting bestond

    • De staat heeft zelf niet bijgedragen aan de ontstane situatie

Staten hebben er een gemeenschappelijk belang bij om een einde te maken aan ernstige inbreuken op normen van dwingend recht. Staten hebben de plicht om zich te onthouden aan steun aan het voortduren van een dergelijke schending van het internationaal recht en een plicht om zicht te onthouden van de erkenning van de rechtmatigheid van de gevolgen van een dergelijke schending. Iedere staat is gerechtigd een staat aansprakelijk te stellen die een verplichting tegenover de hele internationale gemeenschap heeft geschonden.

 

Een relatief nieuwe ontwikkeling is dat onderdanen aansprakelijk kunnen zijn voor schendingen van internationaalrechtelijke regels, bijvoorbeeld de bescherming van de rechten van de mens. Het Europees Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) heeft zelfs een juridische procedure, waarin individuele klagers hun eigen staat ter verantwoording kunnen roepen.

 

Staatsaansprakelijkheid heeft als mogelijke gevolgen:

  • restitutie (herstelling van de onrechtmatige handelingen)

  • schadevergoeding

  • genoegdoening (bijv. officiële spijtbetuiging)

 

De aansprakelijkheid van internationale organisaties en hun leden

IO’s zijn gebonden aan verdragen waarbij zij partij zijn en aan het gewoonterecht waarvan zijn in hun oprichtingsverdragen niet zijn afgeweken. Lange tijd vond men dat IO’s niet aansprakelijk konden zijn voor schendingen van het internationaal recht, deze mening is nu omgeslagen. Moeilijker is het om te bepalen of de lidstaten aansprakelijk gesteld kunnen worden voor schendingen van het internationaal recht door de IO. In de meeste gevallen oordelen rechters dat alleen de organisatie aansprakelijk is, niet de individuele lidstaten, omdat de zelfstandige rechtspersoonlijkheid van de IO het onmogelijk maakt de lidstaten aansprakelijk te stellen. Hier geldt pacta tertiis nec nocent nec prosunt: een rechtspersoon kan niet aansprakelijk zijn voor de daden van een andere rechtspersoon.

 

Om te voorkomen dat staten een IO oprichten om op die manier iedere verantwoordelijkheid voor hun daden te ontlopen, geldt de verplichting dat staten die besluiten om bepaalde bevoegdheden over te dragen aan een IO, zij alleen onder de verantwoordelijkheid voor de naleving van verplichting uitkomen wanneer ook de mogelijkheid open staat dat de betreffende IO aansprakelijk gesteld wordt voor schendingen van genoemde verplichtingen.

 

IO’s zijn aansprakelijk voor onrechtmatig handelen (of nalaten) van hun organen en van hun medewerkers. De complexiteit hiervan komt naar voren bij vredesoperaties, want

  1. bij vredesoperaties wordt vaak gebruik gemaakt van lokaal personeel

  2. bij vredesoperaties gaat het vaak om een autorisatie van de VN aan de lidstaten. De bevellijnen lopen dus niet altijd via de VN-structuur.

 

De immuniteit van IO’s onder nationaal recht blijft een struikelblok. Over het algemeen wordt ervan uit gegaan dat IO’s een soort functionele immuniteit hebben, waardoor juridische procedures onder nationaal recht niet mogelijk zijn. Maar tegenwoordig worden IO’s wel ter verantwoording geroepen wanneer er sprake is van schending van de mensenrechten.

Aansprakelijkheid van particulieren

Door verschillende veranderingen in de internationale samenleving, wordt ook het recht inzake internationale aansprakelijkheid aangepast. Naast het toenemende belang van IO’s, is ook het belang van de particulieren afgelopen jaren flink toegenomen.

Een veel geciteerde passage hierover uit het Neurenberg Tribunaal: “Crimes against international law are committed by men, not by abstract entities, and only by punishing individuals who commit such crimes can the provisions of international law be enforced”.

Niet alleen staten kunnen internationale misdrijven vervolgen, er zijn ook een aantal internationale straftribunalen, bijvoorbeeld voor Joegoslavië, Rwanda, het Permanent Strafhof, Sierre Leone, Kosovo.

Deze straftribunalen hebben statuten, waarin hun beginselen zijn vastgelegd. Hieruit blijkt onder andere dat niet alleen het individu dat feitelijk de misdaad pleegde aansprakelijk is, maar ook degene die de opdracht heeft gegeven. Ook geldt er aansprakelijkheid voor deelname aan activiteiten van een groep met een zogenoemd ‘criminal common purpose’.

 

Een van de kenmerken van het Europees recht is dat het niet slechts geldt tussen staten, maar ook daarbinnen. Het feit dat burgers het Europees recht ook onderling kunnen inroepen, houdt ook in dat diezelfde burgers rechten en plichten hebben die geschonden kunnen worden.

De individuele aansprakelijkheid in het Europees recht is ook goed zichtbaar in het mededingingsrecht. Dit recht tracht te bereiken ondernemingen te binden aan regels rond het vrij verkeer van goederen zoals die voor de lidstaten gelden, met als doel een vrije markteconomie zonder kartelvorming of misbruik van marktmacht.

 

Veel van de handhaving hiervan ligt bij de nationale rechters, die zich voor uitspraken richt op uitspraken van hogere rechters. De Europese Commissie kan boetes opleggen waar de nationale rechter geen bevoegdheden meer heeft.

 

Hoofdstuk 10: Rechtshandhaving en geschillenbeslechting onder internationaal en Europees recht

 

Inleiding

Er zijn grote verschillen tussen de regels over aansprakelijkheid van rechtssubjecten van het internationaal en van het Europees recht. Binnen het Europees recht spelen de Europese Commissie en het Hof van Justitie een belangrijke rol. In het internationaal recht geldt vaak nog steeds dat staten zelf moeten zorgen voor de handhaving van hun rechten, er is meer ruimte voor ‘eigenrechting’. Deze methode heeft wel als risico dat de zaak sneller escaleert. Staten hebben de plicht tot vreedzame geschillenbeslechting volgens het VN-Handvest. Hier worden ook methoden hiertoe genoemd, bijvoorbeeld het inschakelen van een rechter die een bindende uitspraak doet. Nationale rechters gebruiken vaak een internationale regel om een beslissing te nemen, nationaal recht is dus ook heel belangrijk voor de toekomst van het Europees en internationaal recht.

 

Rechtshandhaving

We spreken van retorsie als met het nemen van maatregelen om een staat te dwingen het internationaal recht na te leven geen internationaal rechterlijke norm wordt overschreden. Denk aan bijvoorbeeld diplomatieke of economische maatregelen. Als een staat een tegenmaatregel neemt die met een dergelijke verplichting in strijd is, wordt gesproken over een represaille. Er wordt dan dus een maatregel genomen die in principe onrechtmatig is, maar waarvan de onrechtmatigheid wordt weggenomen omdat hij erop gericht is een eerdere onrechtmatige daad te straffen. Represaille wordt in het dagelijks taalgebruik vaak gebruikt als synoniem voor ‘strafmaatregel’, maar in dit geval is een tegenmaatregel geen strafmaatregel. Mag men represailles nemen wanneer men zelf niet direct het slachtoffer is van een rechtsschending? Hier is nog geen algemeen erkende regel over.

Het nemen van represailles heeft risico’s:

  • grote staten hebben meer kans tot represailles dan kleine staten

  • represailles kunnen leiden tot misbruik of escalatie

Om dit te voorkomen zijn er een aantal vereisten geformuleerd waaraan represailles moeten voldoen:

  • De maatregel dient erop gericht te zijn een einde te maken aan een onrechtmatige situatie en daarom te worden gestaakt zodra deze onrechtmatige situatie is weggenomen

  • Represaillemaatregelen dienen in redelijke verhouding te zijn tot de aangerichte schade.

  • Het internationaal recht verbiedt bepaalde tegenmaatregelen, zoals schendingen van het humanitair recht

  • Staten dienen af te zien van tegenmaatregelen die een inbreuk vormen op de geschillenbeslechtingprocedures.

Controle hierop is lastig, er is immers geen wereldregering. Wel heeft de VN-veiligheidsraad vergaande bevoegdheden gekregen van het internationaal recht om de boel in de gaten te houden.

 

Een verschil tussen het internationaal en het Europees recht is het toezicht op de naleving van de regels. Het Europees recht voorziet niet in de mogelijkheden voor lidstaten om door middel van tegenmaatregelen elkaar te dwingen tot het nakomen van verplichtingen.

In plaats hiervan zijn procedures afgesproken, die vooral via de EU lopen. De Europese Raad (toezicht houden) is hierbij een belangrijk orgaan, net als de Europese Commissie (handhaving recht). Als een lidstaat een verplichting niet is nagekomen, wordt deze voor de Commissie geroepen voor de verdragingsinbreukprocedure (ook wel infractieprocedure). De lidstaat wordt om uitleg gevraagd en krijgt een dwingend, bindend ‘advies’ van de Commissie. ‘Lidstaat’ is hier ook alle decentrale overheden. Mocht dit niet voldoende zijn, dan vormt een procedure voor het Hof het sluitstuk van de infractieprocedure. Mocht een lidstaat een uitspraak van het Hof ook negeren, dan kan dan nog een proces starten. Als dit ook niet werkt, worden politieke drukmiddelen toegepast.

Lidstaten hebben zelf de bevoegdheid om hun dwarsliggende collega in een procedure voor het Hof te dwingen tot naleving. Hier wordt echter vrijwel nooit gebruik van gemaakt (in de geschiedenis van de EG slechts twee keer).

Soms kan een nationale rechter de eigen overheid dwingen om uitvoering te geven aan de Europese regels. In 2003 heeft de Nederlandse Hoge Raad echter besloten dat Nederlandse rechters bevoegd noch verplicht zijn om dit te doen.

 

Geschillenbeslechting en rechtsbescherming onder internationaal recht

Beslechting van internationale geschillen vind meestal plaats via niet-rechterlijke methoden (ook wel politieke of diplomatieke methoden), de methoden die worden aanbevolen zijn:

  • Onderhandelingen: rechtstreeks of met een bemiddelaar

  • Onderzoek (fact-finding)

  • Bemiddeling (mediatie): actievere rol van een derde instantie (Bijvoorbeeld Camp David akkoorden (1978) met de VS als bemiddelaar tussen Israël en Jordanië.)

  • Verzoening (conciliatie)

 

Er zijn volgens het VN-Handvest ook twee methoden die een rechterlijk of quasi-rechterlijk karakter hebben:

  • Arbitrage: In Den Haag zetelt het Permanent Hof van Arbitrage. Bij arbitrage wordt een commissie gevormd, waarbij iedere deelnemende staat leden van deze commissie kiest.

  • Internationale rechtspraak: er is een permanent rechtscollege en een vaste procedure. Het aantal rechterlijke instanties op internationaal niveau is beperkt. Vaak gaan ze over specifieke deelterreinen of regio/’s. Voorbeelden: Internationaal Gerechtshof, Tribunaal voor Zeerecht, Orgaan voor Geschillenbeslechting van het WTO. Ook kunnen er ad hoc tribunalen worden gevormd bij speciale gebeurtenissen, bijvoorbeeld het Joegoslavië Tribunaal.

 

Het Internationaal Gerechtshof is één van de hoofdorganen van de VN, maar staten dienen zijn rechtsmacht niet te erkennen. Hoe kunnen de staten deze rechtsmacht wel erkennen:

  • Door een compromis, een overeenkomst waarin de staat het Hof erkent.

  • Door een compromissoire clausule, een bepaling in een algemeen verdrag waar in staat dat eventuele geschillen opgelost zullen worden door het Hof.

  • Door een impliciete aanvaarding, als een staat de rechtsmacht van het Hof niet erkent maar toch voor het Hof verschijnt.

  • Door een facultatieve clausule, op base van wederkerigheid wordt door staten een eenzijdige verklaring afgegeven waarmee bij voorbaat de rechtsmacht van het Hof wordt erkend.

 

De meeste staten behouden het recht om per geschil te kijken of ze het voorleggen aan het hof. Voordelen hiervan zijn duidelijk, nadelig is dat dit dus ook door andere staten tegen je staat gebruikt kan worden.

Het Hof kan alleen uitspraak doen in geschillen tussen staten. Ook verstrekt het Hof adviezen over vragen die worden voorgelegd door de Algemene Vergadering van de VN.

Het Hof bestaat uit vijftien rechters, met in iedere geval uit ieder belangrijk rechtstelsel in de wereld een vertegenwoordiger. Om de drempel naar het Hof te verlagen, is er vanaf 1978 de mogelijkheid om een zaak door een speciaal daarvoor ingesteld Kamer (vijf rechters) te laten behandelen. Voor het nemen van een beslissing in het Hof is een meerderheid voldoende. Als stemmen staken heeft de president van het Hof de doorslaggevende stem.

Na een uitspraak gaat de discussie vaak nog verder, omdat rechters een persoonlijke notitie mogen maken bij de uitspraak. Dit kan zijn een separate opinion (eigen inzichten naast de algemene argumentatie) of een dissenting opinion (de rechter is het niet eens met de uitspraak en wil dat laten horen). Omdat procedures vaak jaren duren, heeft het Hof de bevoegdheid om voorlopige maatregelen te nemen, zoals in de zaak van Joegoslavië vs. de NAVO-lidstaten gebeurde.

In de praktijk heeft het Internationaal Gerechtshof nog geen twee zaken per jaar, omdat

er maar zo’n 200 rechtssubjecten zijn

  • staten kiezen steeds vaker voor de makkelijkere methode van arbitrage.

Toch is er een duidelijke stijging van het aantal rechtszaken sinds de jaren ’80.

 

Rechtsbescherming in het Europees recht

In het Europees recht zijn verschillende mogelijkheden om het Hof om een uitspraak te vragen. De prejudiciële procedure is al besproken. De hieronder beschreven procedures zijn allen ‘directe beroepen’.

Er is een procedure om handelingen van de instellingen door het Hof te laten vernietigen, het beroep tot nietigverklaren. Deze is alleen te gebruiken wanneer het gaat om besluiten van de Raad, het Europees Parlement, de Commissie en de Europese Centrale Bank.

Het beroep moet binnen twee maanden gedaan worden en kan op grond van een aantal beroepsgronden gedaan worden:

  • het besluit is onbevoegd genomen

  • er zijn wezenlijke vormvoorschriften geschonden

  • het nemen van het besluit schendt het Verdrag of een uitvoeringsregeling

  • er is sprake van misbruik van bevoegdheid

  • de exceptie van onwettigheid, die bepaalt dat particulieren de ongeldigheid van een verordening of een andere regeling kan gebruiken als argument in een beroep tegen een op die algemene regeling gebaseerde beschikking.

 

Een particulier kan alleen in beroep gaan tegen beschikkingen, en alleen als die beschikking hem rechtstreeks (de maatregel van de EU beïnvloedt zelf de rechtspositie van het individu) en individueel (de particulier bevindt zich in een situatie die vergelijkbaar is met die van de adressaat van het besluit) raakt. Er kan sprake zijn van een onechte verordening, beschikkingen in de vorm van een verordening. Om dit te bepalen wordt er gekeken of er sprake is van rechtstreeks en individueel raken, dan gaat het immers om een beschikking en is mag de particulier in beroep gaan.

Naast het beroep tot nietigverklaring kan een particulier zich om twee andere redenen wenden tot het Gerecht:

  1. De pendant van het beroep tot nietig verklaren, een beroep wegens nalaten. Via deze weg kan geprobeerd worden een instantie te dwingen tot het nemen van een besluit waartoe deze verplicht was.

  2. De tweede procedure maakt het mogelijk om een schadevergoedingsactie in te stellen wanneer de instellingen onrechtmatig zijn opgetreden. Er dient dan aangetoond te worden dat het om een onrechtmatige daad gaat.

Het beroep tot nietig verklaren staat ook open voor het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. Ook lidstaten zijn geprivilegieerde beroepsgerechtigden en kunnen besluiten voordragen aan het Hof.

 

 

Hoofdstuk 11: Enkele thematische voorbeelden van internationale samenwerking

 

Inleiding

Welke rechtsregels gelden er op de gebieden van internationale vrede en veiligheid, het milieu, de rechten van de mens en de economische integratie? Er zijn veel veranderingen geweest in de internationale samenleving. Hoewel de rol van de staat op bovengenoemde gebieden nog steeds cruciaal is, gaan IO’s een steeds belangrijkere rol spelen

 

Vrede en veiligheid

Bij vrede en veiligheid maken we een onderscheid tussen ius ad bellum en ius in bello.

Ius ad bellum: onder welke voorwaarden zijn staten gerechtigd om over te gaan tot het dreigen met en gebruik van geweld? De belangrijkste regels hiervoor staan in het VN-Handvest, diverse resoluties van de Algemene Vergadering en het gewoonterecht.

Ius in bello (of humanitair oorlogsrecht): de regels in een oorlog. Als een staat geweld gebruikt, welke beperking moet deze in de gaten houden? Het ius in bello is onder andere vast gelegd in de Haagse Conventies van 1899 en 1907 en de vier Verdragen van Geneve.

De hoeksteen van het ius ad bellum is een algemeen verbod op gebruik van of van dreiging met geweld in het Handvest.

Er zijn twee algemeen erkende uitzonderingen:

  1. het recht op zelfverdediging.

  2. gebruik van geweld onder een mandaat van de VN zelf.

Een niet algemeen erkende uitzondering is interventie op humanitaire gronden zonder toestemming van de Veiligheidsraad. (Bijvoorbeeld NAVO/Kosovo crisis 1999). Voorstanders betogen dat er soms een afweging moet worden gemaakt tussen het naleven van het geweldverbod en de noodzaak om in te grijpen ter voorkoming van (verdere) schending van de mensenrechten.

Het recht op zelfverdediging staat in artikel 51 van het Handvest en heeft een gewoonterechtelijke status. Niet alle geweldvormen gelden als een gewapende aanval, dus een staat mag niet in alle gevallen met geweld optreden. Mag een staat een recht op zelfverdediging uitoefenen om een dreigende gewapende aanval af te weren? Dit is een moeilijke discussie, want het belang van de staat tegenover het gevaar van uitholling van het geweldverbod. Optreden tegen een dergelijke dreiging wordt pre-emptieve zelfverdediging genoemd. De discussie hierover is weer losgebarsten door de aanval van de VS op Irak in 2003, waarvoor als 1 van de argumenten het recht op zelfverdediging werd gebruikt. Een recht op preventieve zelfverdediging is echter niet internationaal erkend.

Direct na de aanvallen van 11 september 2001 werd geaccepteerd dat ook aanvallen van terroristische groeperingen vallen onder artikel 51.

 

De Veiligheidsraad van de VN kan een machtiging uitvaardigen. Wanneer pogingen tot vreedzame geschillenbeslechting geen resultaat hebben, kan de Veiligheidsraad dwangmaatregelen nemen. Negen leden van de Veiligheidsraad moeten dit goedkeuren en de permanente leden hebben vetorecht.

Het Handvest kent twee soorten maatregelen:

  1. diplomatieke en economische maatregelen

  2. militaire maatregelen

 

Tijdens de Koude Oorlog werd er maar heel weinig ingegrepen, omdat zowel de VS als de SU vaak hun veto gebruikte om elkaar dwars te zitten. In 1950 werd er in Korea ingegrepen, de SU-afgevaardigde was afwezig. In 1961 werd er in Congo ingegrepen.

Na de pacificatie tussen Oost en West trad de Veiligheidsraad vaker op, zoals in 1990, toen Irak Koeweit binnenviel. De kern van het stelsel van collectieve veiligheid is dat het geweldsmonopolie in handen ligt van de VN-veiligheidsraad (VR). Er is echter geen VN-leger. De uitvoering van de militaire dwangmaatregelen wordt door de lidstaten gedaan.

De VR heeft zelfs wel eens gewapende interventies achteraf goedgekeurd (interventies EOWAS in Liberia en Siërra Leonne in de jaren 1990).

 

Sinds de Uniting for Peace Resolution (1950) kan de Algemene Vergadering (AV) een zaak in behandeling nemen om aanbevelingen aan lidstaten te doen voor het treffen van gezamenlijke maatregelen. Voor de uitvoering van die aanbevelingen is de instemming vereist van zowel het gastland als de staten die meewerken aan de uitvoering.

Militaire eenheden hebben de status van buffertroepen, hun belangrijkste taak is het gescheiden houden van de rivaliserende partijen. In principe zijn de maatregelen door de AV geïnitieerd peacekeeping operations (PKO’s) of vredesbewarende operaties. Soms zijn vredesbewarende operaties echt gebruikt voor vredesafdwingende taken. Dit zijn ‘vredesoperaties van de tweede generatie’, waarbij meer gebruik van geweld is toegestaan.

Een derde generatie van vredesoperaties kan zelfs het mandaat hebben om het interim-bestuur te vormen van een bepaald gebied (bijvoorbeeld Kosovo, Oost-Timor).

 

Vooral vanaf WO II is in Europa een grote behoefte aan samenwerking.

 

Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO)

De Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO)) is in 1949 opgericht, nu 28 lidstaten (Albanië, Nederland, België, Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje, Portugal, het Verenigd Koninkrijk, Noorwegen, Polen, Tsjechië, Bulgarije, Hongarije, Canada, Denemarken, Estland, Griekenland, IJsland, Letland, Litouwen, Luxemburg, Roemenië, Slowakije, Slovenië, Turkije en de VS).

De spil van de NAVO is artikel 5 van het oprichtingsverdrag, waarin staat dat een aanval tegen een of meer van de in Europa of Noord-Amerika gelegen staten als een aanval tegen hen allen zal worden ervaart. Er is dus een militaire infrastructuur gecreëerd, waarbij de strijdkrachten in geval van een gewapend conflict onder de Supreme Allied Commander in Europe (SACEUR) vallen. De besluiten van de NAVO worden genomen door de Noord-Atlantische Raad, bestaande uit de ministers van Buitenlandse Zaken.

Sinds het einde van de Koude Oorlog is de taak van de NAVO verschoven van collectieve verdediging naar collectieve veiligheid. Belangrijk is dat de NAVO in gevallen die niet als zelfverdediging zijn aan te merken, nog steeds een mandaat van de Veiligheidsraad nodig heeft om militaire dwangmaatregelen uit te voeren.

 

Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) bestaat uit alle Europese staten, Canada, de VS, en de voormalige republieken van de SU. Tot stand gekomen in een moeizaam proces. De Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE, 1975, vanaf 1995 OVSE) werd niet afgesloten met een verdrag, maar met een slotakte met afspraken over veiligheidspolitiek, economische en ecologische samenwerking en naleving van de rechten van de mens. Vooral in het creëren van openheid tussen Oost en West heeft de OVSE recent enkele successen geboekt.

De nadruk bij de OVSE ligt op conflictpreventie. Dit komt tot uitdrukking in de figuur van de Hoge Commissaris voor Nationale Minderheden, met waarnemersmissies naar potentiële conflictgebieden.

Het hoogste orgaan is de top van staatshoofden of regeringsleiders, en kom een keer in de twee jaar samen. De dagelijkse leiding ligt in handen van de Permanente Raad, die zitting heeft in Wenen. Verder is er nog een Raad van Ministers en 2 maal per jaar de Senior Council, een Raad van hoge ambtenaren.

 

Europese Unie: met het Verdrag van Nice (2003) kreeg ‘Europa’ zijn eigen veiligheids- en defensiebeleid in procedurele zin. Sinds 1998 was de EU actief bezig met het ontwikkelen van een Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB). Het Verdrag van Amsterdam (inwerkingtreding in 1999) formuleerde een gemeenschappelijk defensiebeleid niet langer als een mogelijkheid, maar als een doelstelling. De EU heeft nu zelf de bevoegdheid om op te treden op het gehele terrein van de zogenoemde ‘Petersbergtaken’: humanitaire en reddingsopdrachten, vredeshandhavingsopdrachten en opdrachten op het gebied van crisisbeheersing, met inbegrip van het tot stand brengen van vrede. Ontwikkelingen lopen via het Verdrag van Maastricht (op termijn een gezamenlijk defensiebeleid) en het Verdrag van Amsterdam tot het Verdrag van Nice. In 1999 was een Politiek en Veiligheidscomité (PVC) opgericht, geflankeerd door een Militair Comité (EUMC) en ondersteunde door een Militaire Staf (EUMS). In 2003 begon de EU de eerste militaire operatie (in Macedonië), inmiddels zijn het er al meer, zowel in Europa (Bosnië-Herzegovina) als daarbuiten (Congo).

 

Milieu

Milieuproblemen in een staat beperken zich niet tot de grenzen, maar hebben gevolgen in veel meer staten. Vandaar dat we spreken van een ‘gemeenschappelijk zorg voor de mensheid’, waar ook het internationaal recht een rol bij speelt. Zorgen om het milieu zijn een redelijk recent topic. Twee belangrijke conferenties zijn de VN Conferentie inzake het Menselijk Leefklimaat (Stockhom 1972, de Stockholm Conferentie) en de VN Conferentie inzake Milieu en Ontwikkeling (Rio de Janeiro 1992, de Rio Conferentie).

De Stockholm Conferentie wordt gezien als startpunt voor de ontwikkeling van het huidige internationaal milieurecht en beleid. Deze conferentie resulteerde onder andere in de oprichting van het United Nations Environment Programme (UNEP).

De Rio Conferentie heeft in grote mate bijgedragen aan de popularisering van het begrip ‘duurzame ontwikkeling’ en de beginselen die daaraan werden gekoppeld.

Bij duurzame ontwikkeling gaat het vooral om het vinden van een balans tussen milieubescherming en het bereiken van economische en sociale doelstellingen.

De voorlopig laatste mondiale conferentie was de World Summit on Sustainable Development (Johannesburg 2002).

 

De bronnen van het internationaal milieurecht zijn terug te vinden in verdragen (de voornaamste bron) en in het gewoonterecht. Verder is er een kleinere rol weggelegd voor verklaringen, resoluties, richtlijnen, aanbevelingen enzovoort.

 

Staten zijn in principe soeverein, en mogen dus binnen hun grenzen doen wat ze willen, ook qua milieu. Natuurlijke hulpbronnen mogen worden geëxploiteerd zoals een staat dat wil. Maar de kernverplichting is neergelegd in de regel die stelt dat staten hun territoir niet op een dusdanige manier mogen (laten) gebruiken dat er schade wordt berokkend aan andere staten. Deze algemene regel noem je ook wel sic utere tuo ut alienum non laedas (gebruik het uwe op een dergelijke manier dat u geen schade toebrengt aan een ander). Deze regel werd voor het eerste expliciet toegepast in de Trail Smel-zaak, over een geschil over een zink- en loodsmelterij in Canada die milieuschade veroorzaakte in de VS.

Er gelden (net als voor andere verplichtingen) twee eisen voor verplichtingen die betrekking hebben op de bescherming van het milieu.

  1. het handelen of nalaten is toerekenbaar aan de staat

  2. het handelen of nalaten is een schending van een internationale verplichting die op de betreffende staat rust.

 

De heersende opvatting gaat er vervolgens van uit dat er sprake is van zorgplicht, waarbij de staat als good gouvernment moet optreden. Alleen in het geval van schade veroorzaakt door ruimtetoestellen is momenteel de staat volledig aansprakelijk. Bij handelingen van staatsorganen en personen die namens de overheid optreden, waarbij schade veroorzaakt wordt, is de staat zonder meer aansprakelijk. De staat heeft ook de taak particulieren in de gaten te houden, waardoor deze geen regels overtreden.

Het schade-element: een staat kan normaal gesproken alleen aansprakelijk worden gehouden als de schade een bepaalde drempel overschrijdt, wat betekent dat er sprake moet zijn van aanzienlijke dan wel ernstige milieuschade. Ook het soort schade speelt een rol.

Een staat wordt ook geacht preventieve maatregelen te nemen om milieurampen te voorkomen (deel van de zorgplicht). Als een staat aan zijn zorgplicht heeft voldaan, maar er toch milieuschade ontstaat, wat dan? Hier zijn nog geen duidelijke richtlijnen over, milieuregels zijn nog in ontwikkeling.

 

Twee VN-organen zijn opgericht op basis van het VN-milieuprogramma: de UNEP en de VN commissie voor Duurzame Ontwikkeling. Beide rapporteren aan de Economische en Sociale Raad (ECOSOC). Ook andere organen houden zich binnen hun bevoegdheden bezig met milieuproblemen, de rol van de Veiligheidsraad hierin is beperkt. De Algemene Vergadering is hier veel meer mee bezig, zij bemoeit zich bijvoorbeeld met de ontwikkeling van het internationaal milieurecht.

 

De EU en het milieu

De EU houdt zich erg bezig met het milieu binnen Europa. Het Verdrag van Amsterdam heeft het beginsel van duurzame ontwikkeling ook in het EG-verdrag heeft geïntroduceerd.

Het EG-verdrag bepaalt voor de Gemeenschap de volgende doelstellingen:

  • behoud, bescherming en verbetering van de kwaliteit van het milieu

  • bescherming van de gezondheid van de mens

  • behoedzaam en rationeel gebruik van natuurlijke hulpbronnen

  • bevordering op internationaal vlak van maatregelen om het hooft te bieden aan regionale of mondiale milieuproblemen

De internationale milieurechtsbeginselen zijn vastgelegd in het EG-verdrag. Het aantal beleidsinstrumenten en verordeningen, richtlijnen en beschikkingen zijn zeer omvangrijk en beslaan praktisch alle aspecten van het milieubeleid.

 

Rechten van de mens

Sinds de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog is het internationaal recht van de rechten van de mensen flink opgekomen. Op 10 december 1948 werd de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens aangenomen.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen klassieke rechten en vrijheden (de burgerlijke en politieke grondrechten) en de economische, sociale en culturele rechten en vrijheden. Met de eerste categorie moet de overheid zich niet bemoeien (resultaatsverplichting), met de tweede categorie juist wel (inspanningsverplichting).

De aandacht richt zich nu het meest op de handhaving van het internationaal recht met betrekking tot de rechten van de mens.

 

De belangrijkste algemene instrumenten zijn:

  • het Internationaal Verdrag inzake Burgerlijke en Politieke Rechten (1966)

  • het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (1966)

 

De belangrijkste specifieke instrumenten zijn:

  • het Verdrag inzake de Voorkoming en Bestraffing van Genocide (1948)

  • het Internationaal Verdrag inzake de Uitbanning van alle Vormen van Rassendiscriminatie (CERD, 1965)

  • het Verdrag inzake de Uitbanning van Elke Vorm van Discriminatie tegen de Vrouw (CEDAW, 1979)

  • het Verdrag tegen Foltering en Andere Wrede, Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing (CAT, 1984)

  • het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (CRC, 1989)

 

Op het Europese continent zijn verder nog van belang de verdragen van de Raad van Europa:

  • het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM, 1950)

  • Europees Sociaal Handvest (ESH, 1961)

 

Onder andere om te voorkomen dat staten die geen partij zijn bij mensenrechtenverdragen volledige vrijheid hebben op dit gebied, is een aantal speciale procedures binnen de VN tot stand gekomen. De mensenrechtensituatie in een bepaald land kan veroordeeld worden en er kan een Speciale Rapporteur aangewezen worden die deze situatie moet onderzoeken.

Een andere speciale procedure is de resolutie 1503-procedure, die de Commissie voor de Rechten van de Mens de mogelijkheid geeft het bestaan van een systematisch patroon van grove mensenrechtenschendingen af te leiden uit brieven van particulieren en non-gouvermentele organisaties. De rapportage-procedure komt er op neer dat de betrokken staten krachtens het betreffende verdrag periodiek verslag doen aan de toezichthoudende instantie, over of de staat zijn verplichtingen nakomt. Verder is er soms sprake van een procedure voor statenklachten (meestal niet erg effectief) en een procedure voor particuliere klachten (wel effectief).

Naast deze 3 hoofdvormen kennen sommige mensenrechtenverdragen specifieke extra toezichtprocedures, die zelfstandig onderzoek mogelijk maken. Het Europees Verdrag ter voorkoming van Foltering (1987) kent bijvoorbeeld een dergelijke toezichtprocedure.

 

Het in 1966 aangenomen Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (BuPo-verdrag of IVBPR) behandelt een groot aantal zogenoemde klassieke rechten vrijheden. Het Comité voor de Rechten van de Mens houdt toezicht hierop. Staten zijn verplicht 1 keer in de 5 jaar een rapport in te leveren (rapportageprocedure).

Van de statenklachtprocedure is bij de IVBPR nog nooit gebruikt gemaakt. De meest effectieve methode voor de handhaving lijk die van het individueel klachtrecht, maar dit gaan veel staten te ver. Deze procedure is opgenomen in een apart Facultatief Protocol.

Tegelijk met de IVBPR werd een tweede verdrag aangenomen, het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (ESoCul-verdrag of IVESCR). Deze konden, in tegenstelling tot de IVBPR-rechten, slecht geleidelijk verwezenlijkt worden. Bij de IVESCR wordt het meest gebruik gemaakt van de rapportageprocedure, het gaat immers meestal op inspanningsverlichtingen van de nationale staten. Individuele klachten zijn niet mogelijk, collectieve klachten van bijvoorbeeld vakbonden wel.

Het IVESCR bevat onder andere recht op werk, staken, sociale zekerheid en onderwijs.

 

Het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) dateert uit 1950. Vrijwel alle Europese landen zijn aangesloten, de VS, Japan, Canada, Mexico en de Heilige Stoel hebben een waarnemerstatus. Bij het EVRM vormt het individuele klachtrecht de hoeksteen van het stelsel. Sinds 1998 kan een individu zich rechtstreeks wenden tot het Europese Hof voor de Rechten van de Mens als men op nationaal niveau uitgeprocedeerd is. Klachten worden behandel door kamers van 7 rechters, de ontvankelijkheid van de klacht onderzocht door een comité van 3 rechters, en zeer belangrijk zaken kunnen behandeld worden door de zogenoemde ‘Grote Kamer’ van 17 rechters. Klachten worden ook in die volgorde behandeld. Een einduitspraak van het hof (7 of 17 rechters) is bindend voor de betreffende staat.

 

Sociaal-economische integratie

De sociaaleconomische integratie binnen de EU is tot stand gekomen op basis van het EG-verdrag. Kenmerkend voor de wijze waarop de sociaaleconomische integratie vorm krijgt is de instelling van een gemeenschappelijke markt. Deze vorm van samenwerking gaat verder dan een vrijhandelszone (afschaffing van financiële- en hoeveelheidbeperkingen ten aanzien van de handel tussen de lidstaten) of een douane-unie (vrijhandelszone + gemeenschappelijke handelspolitiek en gemeenschappelijk tarief ten opzichte van derde staten).

De gemeenschappelijke markt in Europa heeft vier vrijheden:

  • vrij verkeer van goederen

  • diensten

  • arbeid

  • kapitaal.

In Europa heerst nu een interne markt, waarbij ook de grenscontroles verdwenen zijn.

 

In- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking tussen de lidstaten zijn verboden. Hoe kan het dan dat soms toch een bedrag betaald moet worden wanneer bijvoorbeeld een auto uit een andere lidstaat wordt geïmporteerd? Dit komt door de verschillende belastingtarieven van de lidstaten. Een lidstaat mag aan een importeur vragen het verschil bij te betalen, maar mag nooit meer vragen dan aan de producenten van nationale producten. Dit noem je het fiscaal discriminatieverbod.

 

De hoeveelheidbeperkingen zijn een veel grote belemmering voor een gemeenschappelijke markt dan de heffingen. Kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking zijn verboden. ‘Maatregelen van gelijke werking’ zijn maatregelen die niet als direct doel hebben de import te beperken, maar dit wel doen. Voorbeeld: in België moest alle margarine in een vierkant kuipje. In 1971 is de verboden maatregel van gelijke werking in het Dassonville-arrest als volgt geformuleerd:

Iedere (handels)regeling der Lidstaten die de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren.’

 

Wanneer er geen onderscheid wordt gemaakt tussen nationale en ingevoerde producten (en er dus niet gediscrimineerd wordt) kan de ‘rule of reason’ als uitzondering ingeroepen worden. Het is niet het geval dat lidstaten geen eisen meer mogen hebben aan hun producten, alleen niet ten aanzien van ingevoerde producten die in het land van oorsprong rechtmatig op de markt komen. Lidstaten moeten onderling vertrouwen hebben, het zogenoemde beginsel van wederzijdse erkenning. Er kan een verschil worden gemaakt tussen producteisen en verkoopmodaliteiten (gaan niet over het product zelf, maar over de verkoop).

 

In eerste instantie voorzag het EG-verdrag slechts in de regeling van het vrij werknemersverkeer (bevat onder andere recht op binnenkomst en op verblijf) en van het vrije vestigingsverkeer. Pas in 1990 kwamen er regelingen voor niet direct economisch actieve (studenten, gepensioneerden).

Aan het in reizen in een staat worden nog steeds beperkingen gesteld, zoals verzekering. De afschaffing van grenscontroles is wel doorgevoerd. Het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Ierland wilden minder meewerken. De afschaffing van de grenscontroles betekent in het algemeen dat er een grotere noodzaak ontstond om samen te gaan werken op het terrein van visa, asiel en immigratie. Op dit gebied is ondertussen al een en ander bereikt.

 

Op de conferentie van Bretton Woods (1944) werd besloten tot het oprichten van twee IO’s voor het bevorderen van de economie:

  1. het internationaal betalingsverkeer wordt gereguleerd door het Internationaal Monetair Fonds (IMF)

  2. de Wereldbank (of International Bank for Reconstruction and Development (IBRD)) heeft als taak economieën van onderontwikkelde of door oorlog verwoeste landen weer op gang te brengen.

 

Bretton Woods voorzag ook in plannen voor de oprichting van een Internationale Handelsorganisatie (ITO). In afwachting hiervan trad in 1948 de General Agreement on Tariffs and Trade (GATT) in werking. In 1994 werd uiteindelijk de Wereldhandelsorganisatie (World Trade Organisation (WTO)) opgericht, die trad in 1995 in werking. De WTO is opgericht met als doel een einde te maken aan de onduidelijke en versnipperde samenwerkingsstructuur.

De WTO heeft intergouvernementele (onder andere geschillenbeslechtingmechanisme) en supranationale elementen. De lidstaten van de WTO komen minstens eenmaal per 2 jaar bijeen in de Ministeriële Conferentie, het hoogste orgaan van de WTO. Over toelating van nieuwe leden wordt besloten met tweederde meerderheid. De dagelijkse gang van zaken wordt geregeld door de Algemene Raad. Ook hier zijn alle lidstaten vertegenwoordigd, wat besluitvorming niet echt eenvoudig maakt. Besluitvorming vindt in beginsel plaats bij consensus, slechts soms moet er drie vierde of twee derde meerderheid zijn.

 

Bij het geschillenbeslechtingmechanisme maakt de WTO gebruik van een quasi-rechtelijke methode. Een procedure begint (nadat een lid een klacht heeft ingediend) met gesprekken tussen de betrokken staten. Als dit op niets uitloopt kan er gekozen worden om een panel in te stellen. Uitspraken van dit panel moeten door het Orgaan voor Geschillenbeslechting worden goedgekeurd voor ze een juridisch bindend karakter krijgen.

Binnen de WTO zijn dus afspraken gemaakt die het beeld van staten die conflicten grotendeels onderling moeten oplossen sterk relativeren. Vooral de verplichte en exclusieve rechtsmacht, de aanwezigheid van een eigen beroepsinstantie en het handhavingmechanisme doen af en toe eerder denken aan de regels in het Europees recht dan in het reguliere volkenrecht.

 

De uitgangspunten van het WTO-recht zijn niet erg ingewikkeld, maar de complexiteit komt voort uit de details van de afspraken en uitzonderingen op de regels. De afspraken zijn te vinden in dertien multilaterale overeenkomsten inzake de handel in goederen (MATG), waar oorspronkelijk ook de GATT uit 1947 deel van uitmaakte. Hoewel er verschillen zijn tussen de afspraken, zijn de uitgangspunten hetzelfde. Deze uitgangspunten kwamen we ook al tegen in de Europese Gemeenschap: markttoegang (de markt van de ene lidstaat staat open voor een andere lidstaat) en non-discriminatie. De WTO heeft geen verbod op douaneheffingen, wel op kwantitatieve hoeveelheidbeperkingen.

 

Uitzonderingen hierop zijn in te verdelen in twee groepen:

  1. bepalingen met betrekking tot de openbare orde en veiligheid

  2. ontsnappingsclausules voor economische problemen.

Verder is het staten volgens de enabling clausule toegestaan voor ontwikkelingslanden een ander beleid te voeren om die te bevoordelen.

Lidstaten mogen niet aan 1 lidstaat meer voordelen toekennen dan aan een andere: het beginsel van de meestbegunstigde natie.
Ingevoerde goederen en diensten dienen op dezelfde manier behandeld te worden als nationale producten.

 

Hoofdstuk 12: Souvereiniteit

 

Soevereine gelijkheid en internationaal recht

De VN is gebaseerd op het beginsel van de soevereine gelijkheid van staan. Het beginsel van soevereine gelijkheid is een formeel beginsel, wat nog niet wil zeggen dat de staten ook feitelijk gelijk zijn. Er moet rekening mee gehouden worden dat staten niet de enige actoren in de internationale betrekkingen zijn. Het internationaal recht heeft soms ook ruimte geschapen voor institutionele ongelijkheid, hier valt bijvoorbeeld het vetorecht van de permanente leden van de Veiligheidsraad onder. Het is belangrijk dit te zien in een bredere context. Het internationale recht heeft het toenemende belang van niet-statelijke actoren erkend. Toch blijft het een uitdaging hoe er mee om dient te worden gegaan.

 

Afbakening van soevereiniteit

De vergelijking tussen het beginsel van soevereine gelijkheid en beginselen van vrijheid en gelijkheid kan licht werpen op twee belangrijke problemen in het internationaal recht:

  1. het probleem van de afbakening van de vrijheden van verschillende staten

  2. de spanning die er kan ontstaan tussen de soevereiniteit van staten en de realisering van zogenoemde gemeenschapsbelangen. Deze spanning is er niet per definitie, maar kan optreden.

Gemeenschapsbelangen worden soms beschermd door IO’s, zo reguleert het WTO de mondiale handel.

 

Het bijzondere karakter van het Europees recht

Dit bijzondere karakter is goed te observeren door een vergelijking met het internationaal recht te maken. Deze vergelijking is mogelijk, omdat beide overeenkomsten hebben in hun doelen. Een bijzonder kenmerk van het Europees recht is de belangrijke rol die is weggelegd voor zowel particulieren als voor intergouvernementele en supranationale organen.

Het politieke en beleidsmatige landschap in Europa is mede door de ontwikkeling van het Europees recht drastisch veranderd. Oude tegenstellingen zijn verdwenen en er is tegenwoordige goede samenwerking, bijvoorbeeld tussen de elkaar ooit zo vijandig gezinde staten Frankrijk en Duitsland.

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Waarom een account aanmaken?

  • Je WorldSupporter account geeft je toegang tot alle functionaliteiten van het platform
  • Zodra je bent ingelogd kun je onder andere:
    • pagina's aan je lijst met favorieten toevoegen
    • feedback achterlaten
    • deelnemen aan discussies
    • zelf bijdragen delen via de 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Switch Font
Statistics
105
Selected Categories
Categories