Staatsrecht 2 - RUG - Werkgroepopdrachten 2018/2019 - Week 2

 

Vragen

Vraag 1

De uitspraak van het EHRM in de zaak Yumak en Sadak t. Turkije heeft betrekking op de uitleg van art. 3 van het Eerste Procotol bij het EVRM.

Artikel 3. Recht op vrije verkiezingen

De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich om met redelijke tussenpozen vrije, geheime verkiezingen te houden onder voorwaarden die de vrije meningsuiting van het volk bij het kiezen van de wetgevende macht waarborgen.

Verplichting aan de Staten. Hof interpreteert deze bepaling als een recht op burgers om aan verkiezingen deel te nemen. Maar dit staat er niet.

  1. Waarom is er volgens klagers sprake van een schending van art. 3?

  2. Aan de hand van welke criteria toetst het Hof of art. 3 EP EVRM geschonden is?

  3. Welk oordeel geeft het Hof over de Turkse kiesdrempel, en ogv welke argumenten?

Vraag 2

De notie ‘De parlementaire orde is een politieke orde’ van J.Th. J. van den Berg is geschreven ten behoeve van een zogeheten ‘parlementaire zelfreflectie’ (2007-2009) waarin de Tweede Kamer nadacht over haar eigen functioneren.

  1. Wat wordt Van den Berg met de stijlen ‘standing for’ en ‘acting for’?

  2. De Tweede Kamer vergadert zowel plenair als in commissieverband. Waarom leent het vergaderen in Kamercommissies zich in het algemeen beter voor de stijl ‘acting for’ en plenaire

Vraag 3

Net als veel Europese landen kent Nederland een zogeheten ‘parlementair stelsel’.

  1. Wat wordt bedoeld met het parlementaire stelsel?

  2. In 1848 werd het recht van kamerontbinding ingevoerd als tegenwicht tegen de toen geintroduceerde politieke ministeriele verantwoordelijkheid. Leg uit waarom introductie van dit recht als tegenwicht kon worden beschouwd.

  1. Volgens het handboek (pagina 652) is een ‘conflictontbinding’ thans mogelijk denkbaar. Leg dat uit aan de hand van de samenstelling en politieke verhoudingen tussen kabinet en kamer.

  2. Wat is dan vandaag de dag nog wel de functie van het ontbindingsrecht?

Vraag 4

Het artikel ‘De Eerste Kamer’ van A.W. Heringa inventariseert onder meer de voor-en nadelen van het Nederlandse tweekamerstelsel en de rol van de Eerste kamer daarbinnen.

  1. Welke bezwaren tegen het Nederlandse tweekamerstelsel zouden kunnen worden weggenomen door de veranderingen die Heringa noemt op pagina 87-89 van het artikel?

  2. Welke garanties biedt het Nederlandse staatsrecht voor een terughoudende opstelling door de Eerste Kamer?

Vraag 5

Heringa bespreekt enkele varianten om de rol en wijze van samenstelling van de Eerste Kamer te veranderen.

  1. Waarom paste de wijze van samenstelling van de Eerste Kamer voor 1983, waarbij Eerste Kamerleden voor zes jaar werden gekozen en eens per drie jaar de helft van de kamer werd ‘ververst’, beter bij de terughoudende rol die de Eerste Kamer tegenwoordig voor zichzelf ziet weggelegd?

  1. Waarom maakt de invoering van rechtstreekse verkiezingen voor de Eerste Kamer het bijna onvermijdelijk om de huidige taken en bevoegdheden ‘op zijn minst te handhaven’?

  2. Een veelgenoemde suggestie om de rol van de Eerste Kamer bij wetgeving te verkleinen is de introductie van een terugzendrecht. Heringa bespreekt in deze context ook de navette (shuttle) en de novelle. Is voor het gebruik van deze figuren grondwetswijziging noodzakelijk?

Vraag 6

Het Handboek bespreekt de verhouding tussen het inlichtingenrecht van de Kamers en de verantwoordingsplicht van bewindspersonen.

  1. Tijdens een Kamerdebat vraagt een Tweede Kamerlid aan de Minister van Veiligheid en Justitie of het bericht uit de media juist is dat de AIVD aan het begin van 2017 een terroristische aanslag in Amsterdam heeft weten te voorkomen. Is de minister verplicht deze vraag van een individueel kamerlid te beantwoorden?

  2. Maakt het voor het antwoord op vraag 5a uit of de minister politiek verantwoordelijk is voor het handelen van de AIVD?

  3. Zijn ministers bij een parlementaire enquête verplicht meer inlichtingen te geven dan op grond van art. 68 Gw het geval is?

  4. Waarin schuilt de toegevoegde waarde van een parlementaire enquête en waarom leent dit instrument zich niet voor een al te frequent gebruik, zoals het Handboek op pagina 796 opmerkt?

Vraag 7

Het Handboek en het rapport Steekhoudend ministerschap bespreken het leerstuk van de ministeriele verantwoordelijkheid.

  1. Aan de hand van welke criteria kan volgens het rapport worden vastgesteld voor welke zaken en gedragingen een minister politiek verantwoordelijk is?

  2. Wat houdt de politieke verantwoordelijkheid van een minister in?

  3. Bestaan er vergelijkbare criteria voor de vraag wanneer een minister het vertrouwen in de S-G kwijtraakt?

  4. De regel van de ministeriele verantwoordelijkheid voor ambtelijk handelen wordt soms aangeduid als een fictie. Wat is dan de gedachtegang, en waarom deelt het Handboek deze gedachtegang niet? (p 520)

Antwoordindicatie

Vraag 1

  1. Er is volgens de klagers sprake van schending omdat ze ondanks 45.95% van de stemmen geen stemmen hebben kunnen behalen in het parlement vanwege de – in hun ogen – veel te hoge kiesdrempel.  R.o. 116.

  2. De 3 criteria zijn: 1) bij de wet voorzien 2) of het noodzakelijk is in een democratische samenleving (er zijn specifieke democratische omstandigheden in het land!!) 3) legitimiteit.

  3.  Kijkend naar de legitimiteit van het doel, is het Hof van oordeel dat de 10% er rechtmatig voor zorgt dat politieke stabiliteit wordt gewaarborgd en versplintering wordt voorkomen. R.o. 125. Kijkend naar de proportionaliteit, stelt het hof ten eerste dat kiesdrempels geplaatst moeten worden in de politieke context van het land. Laag betekent veel ruimte voor kleine partijen, maar wel veel versplintering. Hoog betekent geen kans voor kleine partijen, maar wel een stabiele coalitie. R.o. 132.

Vraag 2

  1. Acting for: handelen namens de kiezer op basis van eigen professionaliteit. Resultaat telt halen van beleidsdoelinstellingen. Klassieke rol van de volksvertegenwoordiger! Standing for: staan voor de kiezers met gedeelde overtuigingen en idealen en deze uitdragen, ook als resultaat niet meteen te verwachten is. Mediatijdperk!

  2. Plenaire vergaderingen zijn openbaar, dus er zijn camera’s aanwezig. Commissievergaderingen worden in het geheim gehouden. 

Vraag 3

  1. Je hebt de regering en het parlement, de verhouding tussen die twee wordt geregeld door het parlementaire stelsel. De belangrijkste pijler is de vertrouwensregel.

  2. Door de politieke ministeriële verantwoordelijkheid konden ministers ter verantwoording van hun handelen worden geroepen door het parlement. Hierdoor kon de tweede kamer dus invloed uitoefenen op de ministers. Door het invoeren van het ontbindingsrecht konden de ministers invloed uitoefenen op de Tweede Kamer, omdat ze de tweede kamer naar huis konden sturen.

  3. De regering heeft meerderheid in de Tweede Kamer. Als er een conflict is in de Tweede kamer dan moet een coalitie partij het eens zijn met de oppositie. Dat betekent dat bijvoorbeeld de ChristenUnie in de regering het niet eens is met ChristenUnie in Tweede Kamer, dus dan willen ze juist geen verkiezingen.

  4. Als het kabinet valt, omdat regering geen meerderheid meer heeft in Tweede kamer, dan ontbindt het kabinet de Tweede Kamer en zichzelf. Oude TT vraag: leg uit waarom werkt de vertrouwensregel tussen Eerste kamer en kabinet anders dan tussen tweede kamer en kabinet.

Vraag 4

  1. Als de eerste kamer wetgeving niet zal blokkeren als dat voortvloeit uit het regeerakkoord neemt dat gedeeltelijk het bezwaar weg dat de eerste kamer niet rechtstreeks gekozen is. Als aan de eerste kamer haar wetgevingstaak wordt ontnomen neemt dat het bezwaar van dubbel advies, ook door de Raad van State weg. Probleem 5 en 6 kunnen worden opgelost door terugzendrecht. 

  2. De Eerste kamer vertegenwoordigt en heeft een wetgevingstaak. Art. 82 initiatiefrecht voor Tweede kamer en regering. Recht van amendement voor Tweede kamer. Voor de rest voor de rechten die ze wel hebben worden geen waarborgen gesteld voor de Eerste kamer. Ook vertrouwensregel geldt in principe ook voor Eerste Kamer.

Vraag 5

  1. Omdat de Tweede kamer dan altijd de meest actuele samenstelling heeft en dus een betere afspiegeling is van de wil van het volk, waardoor de Eerste Kamer terughouden moet zijn. Nu wordt de Eerste Kamer één keer in een keer vervangen na 4 jaar. Nu is soms de Eerste Kamer een actuelere afspiegeling dan de Tweede Kamer.

  2. De Eerste Kamer heeft dan een grotere democratische legitimatie en daarbij past niet dat ze terughoudend moeten zijn en minder bevoegdheden hebben.

  3. Bij terugzendrecht is er wel een grondwetswijziging nodig – art. 85 zou moeten worden gewijzigd. Het gaat dan om shuttle – wetsvoorstel kan tussen kamers heen en weer gaan. Novelle praktijk te waarborgen moet art. 84 GW worden aangepast. Novelle is een aanpassing en een soort verkapt amendement – art. 84 GW zou moeten worden aangepast.

Vraag 6

  1. Art. 86 GW: Het is inderdaad de regel dat een minister verplicht is vragen te beantwoorden, tenzij  (de uitzondering op de verplichting) het belang van de staat in het geding is.

  2. Nee, alle ministers zijn verplicht vragen te beantwoorden, ook als de vraag buiten hun terrein valt, of ze er niet verantwoordelijk voor zijn.

  3. Nee, alles over de inlichtingenplicht is neergelegd in het artikel.

  4. Toegevoegde waarde van een parlementaire enquête:

    1. Je hebt een plicht om tijdig te verschijnen bij getuigen, als je dit niet doet wordt je gegijzeld. Ze zetten je net zo lang gevangen tot je bereid bent te verschijnen, en dit kan zelfs in het buitenland!

    2. Je staat onder ede. Meineed is een strafbaar feit, een misdrijf zelfs. De bedoeling hiervan is een afschrikwekkende werking.

    3. Ambtenaren en gewone burgers kunnen gehoord worden.

Vraag 7

  1. Het moet onder het gezag/de verantwoordelijkheid van de minister vallen. Hierbij kan het gaan om eigen handelen, optreden als lid van de ministerraad, optreden voor de  koning en leden koninklijk huis handelen of voor de ambtelijke dienst.

  2. Ministers zijn verantwoordelijk jegens het parlement voor wat er gebeurt binnen hun ministerie. Verantwoording moet worden afgelegd aan de Staten-Generaal. 

  3. Nee. Heeft ook te maken met het feit dat in het parlementaire stelsel er vooral gebruiken zijn en vrijwel niets is neergelegd. Als het kabinet geen vertrouwen meer heeft in de Kamer dan heeft het kabinet in feite ook geen vertrouwen meer in zichzelf.

  4. Dit is omdat een minister onvoldoende overzicht heeft en niet alles kan weten en informatie kan geven over wat er gebeurt op alle ministeries, maar hij wordt wel geacht het te weten en dat zorgt ervoor dat er altijd iemand is die je erop aan kan spreken.

  

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
special isis de wereld in

Waag jij binnenkort de sprong naar het buitenland? Verzeker jezelf van een goede ervaring met de JoHo Special ISIS verzekering