Strafrecht 3 - B3 - Rechten - RUG - Oefententamen 2012 (1)


Vragen

Casus

Tom is een fanatieke supporter van voetbalvereniging Wormerveerse Boys. De club heeft een slechte periode achter de rug, waardoor Wormerveerse Boys troosteloos onderaan de ranglijst bungelt. De laatste wedstrijd werd ruimschoots verloren van aartsrivaal Zaandijk. Tom is het spuugzat. Hij besluit zijn opgekropte woede te koelen op de eigendommen van de vereniging Zaandijk. In de ochtend van zondag 3 april 2011 betreedt hij het sportpark van voetbalvereniging Zaandijk. Hij besprenkelt een deel van het clubgebouw met benzine en zet het gebouw vervolgens in vuur en vlam. Het gebouw brandt tot de grond toe af.

Tom is niet over een nacht ijs gegaan. Een onderdeel van zijn plan is om Jakob, supporter van Zaandijk, valselijk te beschuldigen van het stichten van die brand. Tom ligt al jarenlang overhoop met Jakob. Jakob is kort geleden door de club Zaandijk geroyeerd, zo weet Tom, omdat hij meerdere keren betrokken is geweest bij supportersrellen. Na die royering heeft de woedende Jakob de voorzitter van Zaandijk toegeschreeuwd dat ze ‘vanzelf zullen merken hoe boos hij is’. Tom stapt naar de politie en verklaart dat hij op zondag 3 april 2011, omstreeks 8.00 uur, op weg van de kroeg naar huis, heeft gezien dat Jakob een jerrycan in de kofferbak van zijn auto schoof. Door naspeuringen bij de club Zaandijk is de politie inmiddels op de hoogte van het dreigement dat Jakob heeft geuit tegen de voorzitter. De voorzitter heeft daarover tegen de politie een verklaring afgelegd. Daarbij heeft ene Teun, de plaatselijke houder van een pompstation, verklaard dat Jakob op vrijdag 1 april bij hem een jerrycan benzine heeft gekocht. Het is de politie bovendien bekend dat Jakob in het verleden twee keer onherroepelijk is veroordeeld voor opzettelijke brandstichting (artikel 157 Sr).

Op basis van een bevel van de OvJ wordt Jakob op 5 april 2011 aangehouden en onmiddellijk daarop in verzekering gesteld. Het doel van die inverzekeringstelling is zowel om Jakob stevig aan de tand te voelen over zijn mogelijke betrokkenheid bij de opzettelijke brandstichting als de wenselijkheid te onderzoeken van een vordering tot inbewaringstelling (artikel 157 sub 1 Sr). Na voorafgaand aan het eerste verhoor zijn raadsman te hebben geconsulteerd, geeft Jakob aan dat hij bij zijn vriend woont aan De Heerd, op nummer 10. Voor het overige beroept hij zich op zijn zwijgrecht. Op 6 april 2011 gelast de Hulp-OvJ, vanwege miscommunicatie met de OvJ, de invrijheidstelling van de verdachte. De dag erop raakt de OvJ op de hoogte van de fout van de Hulp-OvJ. Op 7 april 2011 wordt Jakob opnieuw op basis van een aanhoudingsbevel aangehouden en onmiddellijk daarop in verzekering gesteld. De OvJ wil nog eenmaal onderzoeken of het wenselijk is om te vorderen dat Jakob in bewaring wordt gesteld. Op 8 april krijgt Jacob wederom de gelegenheid zijn advocaat te raadplegen voor het eerste politieverhoor nadat hij opnieuw in verzekering gesteld is. Op 9 april 2011 wordt Jakob voorgeleid aan de rechter-commissaris.

Vraag 1

Noem de vijf toetspunten op basis waarvan de rechter-commissaris beoordeelt of de inverzekeringstelling rechtmatig is. Beoordeel aan de hand daarvan of de rechter-commissaris Jakob in vrijheid zal stellen.

Stel dat de rechter-commissaris de inverzekeringstelling rechtmatig oordeelt en vervolgens de door de OvJ gedane vordering inbewaringstelling toewijst. Op een gegeven moment wordt de druk van de aanhoudende verhoren Jakob teveel: hij legt een ‘gave’ bekentenis af. Hij stelt het clubgebouw opzettelijk in brand te hebben gestoken, enkel en alleen omdat hij wraak wilde nemen naar aanleiding van zijn royering. De OvJ hecht geloof aan de bekentenis van Jakob. Hij besluit de nog in voorarrest zittende Jakob onmiddellijk te dagvaarden voor ‘opzettelijke brandstichting’ (artikel 157 sub 1 Sr). Jakob staat ingeschreven op het adres Dorpstraat 54 te Zaandijk (gba-adres), maar hij heeft bij zijn eerste verhoor aangegeven dat hij feitelijk woont aan De Heerd 10 te Zaandijk, en daar eventuele mededelingen over de strafzaak wenst te ontvangen. De OvJ besluit geen kopie van de dagvaarding te versturen naar het adres De Heerd 10, omdat dit volgens hem ‘overbodig’ is.

Vraag 2

Geef gemotiveerd aan of de OvJ gelijk heeft wat betreft zijn besluit om geen kopie van de dagvaarding te versturen.

Vraag 3

In de zaak Colozza versus Italië noemt het EHRM in algemene zin twee gevallen waarin een berechting buiten de aanwezigheid van de verdachte, aanvaardbaar is. Welke twee gevallen zijn dat?

Stel dat Jakob wordt gedagvaard te verschijnen op de terechtzitting d.d. 1 juli 2011. Hij heeft inmiddels spijt van zijn bekentenis. Hij is ‘doorgeslagen’ op een zwak moment, maar hij is niet van plan om op te draaien voor een delict dat hij niet heeft gepleegd. Zijn raadsman stelt hem gerust: ‘Op basis van de geldende jurisprudentie heb jij het recht om voor ieder verhoor een raadsman te mogen raadplegen. Indien politie en justitie het vereiste consultatierecht niet in acht neemt, dient de rechter de aldus verkregen bekennende verklaring zonder meer van het bewijs uit te sluiten, ongeacht of wij verweer voeren of niet.’

Vraag 4

Heeft de raadsman gelijk? Betrek in uw antwoord alle onderdelen van het standpunt van de raadsman?

Stel dat de OvJ op de terechtzitting tot de conclusie komt dat hij Jakob toch wil vervolgen voor een zwaardere variant van opzettelijke brandstichting. De aanleiding daarvoor is een verklaring van ene Janny. Die verklaring bevindt zich in het procesdossier. Deze Janny heeft verklaard dat ze op 3 april 2011 omstreeks 8.30 uur schoonmaakte in het clubgebouw van Zaandijk en dat ze ternauwernood heeft kunnen ontsnappen aan de vlammenzee. Nu zij door de brandstichting ernstig gevaar heeft gelopen, meent de OvJ dat hij de verdachte niet voor overtreding van artikel 157 sub 1 Sr, maar voor artikel 157 sub 2 Sr zou moeten vervolgen. Ter terechtzitting geeft de OvJ aan dat hij de tenlastelegging in deze zin wil veranderen.

Vraag 5

Is het, gelet op zowel rechtspraak van het EHRM als het nationale recht, toegestaan dat de tenlastelegging wordt veranderd zoals de OvJ voor ogen staat?

Stel dat de rechtbank niet toestaat dat de tenlastelegging wordt gewijzigd op de wijze als hiervoor genoemd. Jakob wordt vervolgd voor artikel 157 sub 1 Sr. Ter terechtzitting trekt Jakob zijn bekentenis in en ontkent hij in alle toonaarden het tenlastegelegde te hebben gepleegd.

De rechtbank komt desondanks tot de volgende bewezenverklaring:

‘Dat hij op 3 april 2011 te Zaandijk opzettelijk brand heeft gesticht in het clubgebouw van voetbalvereniging Zaandijk, immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan dat clubgebouw geheel is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor genoemde goederen te duchten was (artikel 157 ahf/sub 1 Sr).’

U mag ervan uit gaan dat alle bestanddelen van artikel 157 aanhef en sub 1 Sr zijn opgenomen in de bewezenverklaring.

De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de politie, inhoudende de verklaring van pomphouder Teun: ‘Op 1 april 2011 kwam er een man bij mij binnen die een jerrycan met benzine kocht. Hij gedroeg zich vreemd, ietwat schichtig om precies te zijn, vandaar dat ik het zo goed heb onthouden. Het zou best kunnen zijn dat het Jakob is geweest, de buurman van mijn schoonzus.’

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de politie, inhoudende de verklaring van de voorzitter van voetbalvereniging Zaandijk: ‘Jakob is op 15 maart 2011 geroyeerd. Naar aanleiding daarvan heeft Jakob me het volgende toegeschreeuwd: “jullie zullen vanzelf merken hoe boos ik ben!” Ik heb dat met een korreltje zout genomen: Jakob dreigt wel vaker, maar komt nooit tot daden.’

Een in wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van de politie, inhoudende de verklaring van Janny Schoonma: ‘Op 3 april 2011 omstreeks 8.30 uur was ik aan het schoonmaken in het clubgebouw van Zaandijk. Toen ik de ramen aan het poetsen was, zag ik een man de hoek om komen sluipen. Het was Jakob. Ik herkende hem gelijk omdat hij al voor veel trammelant heeft gezorgd binnen de vereniging. Terwijl ik op zoek ging naar mijn mobiel om de voorzitter te waarschuwen dat Jakob hier rondliep, zag ik dat Jakob met een jerrycan naar de toegangsdeur van het clubgebouw liep. Vervolgens haalde Jakob een aansteker tevoorschijn. Daarmee stak hij iets aan. Ik werd bang en ben er als de wiedeweerga vandoor gegaan, in mijn auto gestapt en naar mijn zus gereden. Daar heb ik gelijk de politie gebeld.’

Een verklaring van Janny Schoonma, ter terechtzitting afgelegd, inhoudende: ‘Degene die het clubgebouw in de ochtend van 3 april 2011 in brand heeft gestoken, is Jakob, de man die nu naast de raadsman zit. Ik herken hem uit duizenden.’

Een verklaring van Hanny Schoonma, ter terechtzitting afgelegd, inhoudende: ‘In de ochtend van 3 april 2011 stond mijn zus, Janny, als een bezetene op de voordeur bel te drukken. Ze zag er verschrikkelijk uit en was helemaal in paniek. Ze vertelde mij dat ze Jakob iets zag aansteken bij het clubgebouw, terwijl zij binnen aan het schoonmaken was. Het was Jakob, dat wist ze zeker. We hebben gelijk de politie gebeld.’

Vraag 6

Beoordeel de wettigheid, redengevendheid en toereikendheid van de bewijsmiddelen. Motiveer uw antwoord.

Stel, ter terechtzitting heeft Jakob zijn ontkenning als volgt onderbouwd:

‘Meneer de rechter, ik word hier ten onrechte beschuldigd! Ik zou nooit het clubgebouw van mijn geliefde Zaandijk aan een vuurzee ten onder laten gaan! Op die bewuste ochtend was ik inderdaad op het terrein aanwezig. Ik wilde met de voorzitter praten over mijn royering, hem uitleggen dat ik het allemaal niet zo bedoeld had en dat ieder mens wel eens wat roept in het heetst van de strijd. Meestal is hij op zondagochtend al vroeg in het clubgebouw aanwezig. Als ludieke actie heb ik een jerrycan bier meegenomen. Die jerrycan heb ik neergezet voor de toegangsdeur van het clubgebouw. Naast de jerrycan heb ik een taartje met een kaarsje erin op de grond gezet. Dat kaarsje heb ik aangestoken. Vervolgens belde mijn vrouw volledig in paniek; onze jongste was aan het stikken in zijn broodje pindakaas. Ik ben toen snel naar huis gegaan. Ik heb inderdaad bij Teuns tankstation een jerrycan met benzine gekocht. Mijn vrouw was vergeten te tanken en stond stil op de snelweg. De benzine was voor haar. U ziet, meneer de rechter: ik ben een gezinsman, geen brandstichter!’

De rechtbank komt tot een veroordeling en besteedt noch in het vonnis, noch in de aanvulling daarop aandacht aan het betoog van Jakob.

Vraag 7

Heeft de rechtbank de motiveringsverplichtingen van artikel 359 Sv in acht genomen? Motiveer uw antwoord.

Stel, in hoger beroep wordt Jakob vrijgesproken en de politie blijft zitten met een onopgeloste zaak. Opsporingsambtenaar De Cock, een oude rot in het vak, bijt zich vast in de zaak en komt al snel met een nieuwe verdachte, Tom. De Cock laat er geen gras over groeien en dringt bij het OM aan op vervolging. Het OM, bekend met de hoge succescijfers van De Cock, volgt zijn advies en dagvaardt Tom ter zake van artikel 157 sub 2 Sr.

Het bestuur van voetbalvereniging Zaandijk is echter in alle staten. Volgens de voorzitter moet Tom hebben gezien dat Janny, die altijd het licht aandoet en luid zingend stofzuigt, die zondagochtend het clubgebouw schoonmaakte. Het bestuur, bij monde van de voorzitter, is dan ook van mening dat Tom voor poging tot doodslag (artikel 287 jo. 45 Sr) dient te worden vervolgd.

Vraag 8a

Kan de voetbalvereniging Zaandijk alsnog een vervolging van Tom ter zake van artikel 287 jo. 45 Sr bewerkstelligen? Motiveer uw antwoord.

Stel, terwijl de voetbalvereniging drukdoende is te vergaderen over de mogelijk te zetten stappen tegen de dagvaarding, zit Tom niet stil. Hij dient een bezwaarschrift in tegen de dagvaarding, en dat bezwaar wordt door de rechtbank gegrond verklaard. Tom is helemaal in zijn nopjes. Daarentegen is het bestuur van voetbalvereniging Zaandijk ‘not amused’; de pracht en praal van de Zaandijker voetbalclub is volledig afgebrand en de dader blijft ongestraft! ‘Ongehoord’, aldus de voorzitter van het bestuur.

Vraag 8b

Kan de voetbalvereniging Zaandijk alsnog een vervolging van Tom ter zake van artikel 157 sub 2 Sr bewerkstelligen? Motiveer uw antwoord.

Stel, Tom ontkent op de terechtzitting dat hij het tenlastegelegde feit heeft begaan. Daarbij stelt de verdediging dat er een grove schending van het recht op privacy van Tom heeft plaatsgevonden, doordat opsporingsambtenaar De Cock en de zijnen zonder machtiging het huis van Tom hebben betreden ter aanhouding. In dat verband wijst de raadsman op processen-verbaal die zich in het dossier bevinden. Daaruit blijkt inderdaad dat er geen machtiging tot binnentreden was, en dat er bovendien een stormram is gebruikt om de voordeur open te breken. ‘De afwezigheid van de machtiging en de schending van het proportionaliteitsbeginsel leveren in onderling verband en samenhang beschouwd een zodanig schending van het recht op, dat het OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard’, aldus de raadsman.

De OvJ wuift de bezwaren van de raadsman weg: ‘Het valt allemaal wel wat mee.’ Bovendien gelooft de OvJ geen snars van Toms ontkenning ter terechtzitting: ‘Gezien het aanwezige bewijsmateriaal – daarbij wijst de OvJ op drie belastende verklaringen die zich inderdaad in het dossier bevinden – ben ik van oordeel dat de rechtbank tot een bewezenverklaring moet komen. Het feit dat is binnengetreden zonder machtiging doet daar niet aan af.’ De rechtbank hecht geloof aan de ontkenning ter terechtzitting van Tom, en is van oordeel dat tot een vrijspraak moet worden gekomen.

Vraag 9

Als de rechtbank vrijspreekt, moet de rechtbank dan gemotiveerd reageren op de standpunten van de raadsman en de OvJ? Onderbouw uw antwoord met de u bekende wetsartikelen en rechtspraak.

Vraag 10

Geef aan waarom het EHRM artikel 6 EVRM in Pelissier en Sassi v. Frankrijk wel/niet geschonden acht.

Antwoordindicatie

Vraag 1

De vijf toetspunten:

Redelijke verdenking (artikel 27 lid 1 Sv)?
Ja, zie m.n. de verklaringen van Tom, de voorzitter en Teun

Geval van vh (artikel 67 lid 1, 2 Sv)?
Ja, art. 157 Sr valt onder 67 lid 1a Sv.

Onderzoeksbelang (artikel 57 lid 1 Sv)?
Ja, onderzoek naar wenselijkheid bewaring valt daaronder;

Vormvoorschriften nageleefd?
Ja, geen contra-indicatie;

Ivs op andere gronden onrechtmatig (ongeschreven recht)?
Hier loopt het stuk. Het oppakken en in verzekering stellen van de verdachte voor hetzelfde feit, zonder dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden die dat rechtvaardigen, is in strijd met het beginsel ‘nemo debet bis vexari’.

De r-c zal Jakob dus in vrijheid stellen, omdat niet is voldaan aan het vexari-beginsel (vijfde toetspunt).

N.B. Puntenverdeling:

5 toetspunten noemen = 2 punten;

4 toetspunten noemen = 2 punten;

3 toetspunten noemen = 1 punt;

2 toetspunten noemen = 1 punt;

1 toetspunt noemen = 0 punten.

Toetspunt ‘redelijke verdenking’ vergeten = min 1 punt;

juiste en volledige uitwerking van drie of meer toetspunten = 1 pnt

juiste uitwerking van ‘nemo debet bis vexari’ = 1 punt.

Slechts een aantal studenten hebben geconstateerd dat er strijd was met een beginsel wegens toepassing van hetzelfde dwangmiddel voor hetzelfde feit, zonder dat er sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Eén student noemde specifiek het vexari-beginsel.

Veel gemaakte fouten: het benoemen en uitwerken van de vereisten van IVS zelf:

  • verdachte,

  • geval VH,

  • belang van het onderzoek.

Vaak werden bij het toetspunt ‘geval voorlopige hechtenis’, ook de gronden voor VH en ernstige bezwaren behandeld. Als de rest van het antwoord in zijn geheel juist was, werd dit deel van het antwoord genegeerd en daarvoor geen punten afgetrokken.

Vraag 2

In de eerste plaats diende men op te merken dat X in voorlopige hechtenis zit. Dan dient de dagvaarding immers in persoon te worden uitgereikt – artikel 588 lid 1 sub a Sv.

Studenten die dit over het hoofd zagen konden geen punten verdienen.

Vervolgens moest men naar artikel 588a Sv kijken omdat daar de verzendplicht wordt geregeld. In lid 3 onder c van dat artikel staat dat de verzendplicht niet geldt indien de dagvaarding niet in persoon is betekend. De OvJ heeft dus gelijk.

Alleen indien men naar dit artikellid verwees kon men de volle vier punten verdienen. Studenten die volstonden met: ‘De dagvaarding wordt in persoon uitgereikt en dus geldt de verzendplicht niet’, kregen slechts de helft van de punten.

Vraag 3

Het eerste geval betreft de ‘waiver’: het rechtsgeldig afstand doen van het aanwezigheidsrecht. Daarvan is enkel sprake als de afstand ‘kenbaar’ is en ‘vrijwillig’ is gedaan. 
Onjuist: het ‘afstand doen van het aanwezigheidsrecht’. In dit antwoord ontbreken alle nadere eisen die het EHRM stelt aan een waiver (kenbaarheid en vrijwilligheid). 
Het tweede betreft gevallen waarin de verdachte recht heeft op een ‘fresh determination’ (nieuwe behandeling van de zaak, bijvoorbeeld in het kader van appèl).
Ook goed gerekend is het antwoord dat de autoriteiten zich maximaal hebben ingespannen en de onbekendheid van de zittingsdatum voor rekening komt van de verdachte.
Deze vraag is goed gemaakt.

Vraag 4

De vraag ziet op het arrest Salduz/Nederland.

1e onderdeel van het betoog van de raadsman: ‘Op basis van de geldende jurisprudentie heb jij het recht om voor ieder verhoor een raadsman te mogen raadplegen.’

Dit is onjuist; op basis van jurisprudentie bestaat het consultatierecht voorafgaande aan het eerste politieverhoor.

2e onderdeel van het betoog van de raadsman: ‘Indien politie en justitie het vereiste consultatierecht niet in acht neemt, dient de rechter de aldus verkregen bekennende verklaring zonder meer van het bewijs uit te sluiten, ongeacht of wij verweer voeren of niet.’

Dit is onjuist; bewijsuitsluiting is inderdaad passende sanctie, maar vereist is wel dat er verweer wordt gevoerd.

Vraag 5

Puntenverdeling:

Benoemen dat de OvJ op grond van artikel 312 Sv en/of 313 Sv de tenlastelegging mag aanvullen/wijzigen met een strafverzwaringsgrond = 2 punten.

Mattoccia en ‘duly and fully’ geïnformeerd worden, zodat de verdediging voorbereid kan worden = 2 punten.

Slechts twee student hebben Mattoccia genoemd.

Alternatieve antwoorden:

  • Salvador Torres (of arrest EHRM over fraude ziekenhuisdirecteur): voor de verdachte moet de wijziging van de tenlastelegging voorzienbaar zijn geweest, zodat de verdediging hierop kan worden afgestemd = 1 punt.

  • In casu was de wijziging van Jakob voorzienbaar, aangezien de verklaring van Janny zich in het proces-dossier bevond (eventueel aanhalen arrest Dev Sol) = 1 punt.

Veel gemaakte fouten:

  • Constateren dat er door de wijziging van de tenlastelegging de grondslag van de tenlastelegging wordt verlaten: Amsterdams experiment / Rotterdamse hennepkweker / Uitstrepen tot bedreiging.

  • De wijziging was voor Jakob te voorzien (EHRM), aangezien je bij het stichten van brand in een clubgebouw kunt verwachten dat daar mensen aanwezig zijn.

  • Vergeten zowel aandacht te besteden aan nationaal recht én rechtspraak EHRM.

Vraag 6

Wettigheid:

  • artikel 344 lid 1 sub 2 Sv

  • artikel 344 lid 1 sub 2 Sv

  • artikel 344 lid 1 sub 2 Sv

  • artikel 342 lid 1 Sv

  • artikel 342 lid 1Sv

Redegevendheid:

  • Niet redengevend want bevat een gissing (het zou best kunnen zijn dat het Jakob is geweest)

  • Niet redengevend voor brandstichting (bevat eventueel motief)

  • Redengevend – plaatst Jakob op de plaats delict

  • Redengevend – wijst Jakob aan als dader

  • Redengevend – wijst Jakob aan als dader

Toereikend:

Nee, bewijsmiddelen 1 en 2 vallen af want niet redengevend, dus blijven bewijsmiddelen 3 t/m 5 over.

Bewijsmiddel 3 en 4 zijn beide afkomstig van Janny. Ten aanzien van getuigenverklaringen ter terechtzitting afgelegd, geldt de regel ‘één getuige is geen getuige’ (artikel 342 lid 2 Sv). Deze regel werkt echter door in artikel 344 Sv en geldt dus ook ten aanzien van bewijsmiddel 3.

Bewijsmiddel 5 is afkomstig van een andere getuige (Hanny), maar bevat enkel feiten die zij Janny heeft horen. Janny is derhalve de enige bron zodat niet voldaan is aan het bewijsminimum.

Vraag 7

Voor de vraag of en, zo ja, welke motiveringsverplichting geldt, moet allereerst worden vastgesteld welk type verweer Jakob voert.

Het betreft een bijzonder bewijsverweer, te weten een Meer en Vaart-verweer. Daarvan is sprake als het verweer niet in strijd is met de bewijsmiddelen, maar wel strijdig is met de bewezenverklaring. Dit criterium moest worden genoemd. Het verweer van Jakob voldoet daaraan.

De rechtbank had gemotiveerd moeten ingaan op dit gevoerde verweer. Die motiveringsplicht is gebaseerd op artikel 359 lid 2, 2e zin Sv; een Meer en Vaart-verweer wordt gerubriceerd onder de ‘uos’, zij het dat de formele eisen die worden gesteld aan een Meer en Vaart-verweer lichter zijn dan ingeval van een regulier bewijsverweer’ (de regel dat de rechter een motiveringsplicht heeft als hij afwijkt van een verweer dat de strekking heeft van een Meer en Vaart-verweer, geldt nog steeds).

Op deze vraag is matig gescoord. Vaak ontbraken een of meer elementen (criteria, lichtere eisen).

Soms werd het verweer opgevat als een regulier bewijsverweer (toetsing aan de uos-criteria). Dat is niet het juiste antwoord. In het onderwijs zijn Meer en Vaart- en Dakdekkersverweren als afzonderlijke kaders gepresenteerd, in verband waarmee lichtere formele eisen gelden. Zij worden weliswaar gerubriceerd onder de uos, maar genieten dus een aparte status.

Het ‘rücksichtslos’ toetsen aan de uos-criteria – zonder te hebben vastgesteld dat het een (bijzonder) bewijsverweer betreft – is fout.

De eerste stap is de vaststelling van het type verweer (artikel 358 lid 3 Sv/bijzonder bewijsverweer/uos of artikel 359a Sv), alleen dan kan worden bepaald a) welke formele eisen worden gesteld aan het verweer en b) of en zo ja, welk voorschrift een motiveringsplicht schept voor de rechtbank.

Vraag 8a

Ja, via de artikel 12-procedure. In het arrest Spook van de Vrouwenpolder is uitgemaakt dat de procedure niet alleen gestart kan worden als het gaat om een delict waarvoor niet of niet verder wordt vervolgd, maar ook als de belanghebbenden het niet eens zijn met het soort delict waarvoor wordt vervolgd.

Mogelijkheid 2: De vereniging is geen rechtstreeks belanghebbende (art. 12 lid 1, 2 Sv). Dat oordeel moest wel goed worden gemotiveerd.

Vraag 8b

In het kader van de bezwaarschriftprocedure heeft de rechtbank Tom buiten vervolging gesteld (artikel 250 lid 4 Sv). Na een buitenvervolgingstelling kan Tom niet meer worden vervolgd voor hetzelfde feit, tenzij nieuwe bezwaren bekend zijn geworden (artikel 255 lid 1 Sv, ook goed: artikel 12l lid 1 Sv).

In beginsel kan de vereniging dus niet een vervolging bewerkstelligen.

Deze vraag is redelijk gemaakt.

Vraag 9

Antwoord: ja. De raadsman bepleit niet ontvankelijkheid OvJ, dat verweer/standpunt wordt gepasseerd. Valt onder artikel 358/3 Sv (niet ontvankelijkheid OM), uitdrukkelijk voorgedragen, door of namens verdachte, ten overstaan van feitenrechter en rechter verwerpt verweer. Motiveren op grond van artikel 359 lid 2, 1e zin.

Mogelijkheid 2: artikel 359a Sv-verweer. Toetsen aan formele criteria Loze hashpijp. OvJ bepleit bewezenverklaring, voor zover dat een uos oplevert, moet rechter daarop reageren op grond van artikel 359 lid 2, 2e zin Sv. Criteria Onderbouwd standpunt en responsieplicht: duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van ondubbelzinnige conclusie.

Onjuist: het enkel noemen van het artikel, zonder specificering van het lid.

Niet fout gerekend is het antwoord dat het vormverzuim aan de r-c had moeten worden voorgelegd (de casus geeft geen informatie over de vraag of Tom is voorgeleid aan de r-c).

Slecht gemaakt. Geen inzicht in verhouding artikel 358 lid 3 en 359 2, 2e zin Sv en standpunt OvJ aanmerken als ‘verweer’.

Vraag 10

In hoger beroep werd de verdachte veroordeeld voor medeplichtigheid aan bedrieglijke bankbreuk, terwijl in zowel eerste aanleg als hoger beroep uit de houding van het OM en de rechter niet op te maken viel dat de verdachte een veroordeling voor ‘medeplichtigheid’ boven het hoofd hing (de beschuldiging betrof het ‘plegen’ van het delict en de rechter en het OM zijn in hoger beroep niet ingegaan op de door de benadeelde partij geopperde mogelijkheid van een veroordeling voor medeplichtigheid). Dit terwijl een veroordeling voor ‘medeplichtigheid’ specifieke vaststellingen vereist (bv. nader omschreven gedraging, opzet op medeplichtigheid).

De veroordeling voor ‘medeplichtigheid’ kwam dus als een verrassing (niet voorzienbaar voor de verdediging). Daarmee doorkruist die veroordeling de verdedigingsrechten (de verdachte heeft zich niet kunnen verdedigen tegen dít verwijt). Om die reden is artikel 6 EVRM geschonden.

Kernelementen: ‘niet-voorzienbaar’ en ‘verdedigingsrechten’.

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.