Oefenpakket Rechtsgeschiedenis

Deze samenvatting is gebaseerd op het studiejaar 2013-2014.


Tentamen 1

I Uitwendig deel

 

1 Het staatsrecht van de Romeinse ‘republiek’ was niet gebaseerd op de leer van de machtenscheiding. Integendeel: de soevereiniteit berustte bij één staatsrechtelijk orgaan, te weten

a. de consuls.

b. de praetoren.

c. de volksvergadering (comitia).

d. de senaat.

 

2 De zogeheten Lex XII Tabularum (‘Wet van de Twaalf Tafelen’) behelst de oudste codificatie van het Romeinse recht. De uitleg (en zelfs de toepassing ervan) is aanvankelijk toevertrouwd geweest aan

a. de consuls.

b. de praetor.

c. de voorzitter van de senaat (princeps senatus).

d. het priestercollege (collegium pontificum).

 

3 De belangrijkste bron van het Romeinse recht, naast wetten in formele zin (zoals leges en plebiscita), was ten tijde van de Romeinse ‘republiek’

a. de gewoonte (consuetudo).

b. de rechtspraak.

c. het senaatsbesluit (senatus consultum).

d. het praetorische recht (ius praetorium).

 

4 Het Romeinse recht bestaat, zo leert ons Gaius, deels uit ius civile, deels uit ius gentium. Onder het laatste begreep hij in deze tegenstelling

a. wetten in formele zin.

b. alle geschreven recht.

c. het ongeschreven recht dat de rede voorschrijft.

d. het internationaal publiek recht.

 

5 Onder een zogeheten ‘rescript’ (rescriptum) van de Romeinse keizer verstaat men

a. een algemeen verbindende verordening.

b. een uitspraak in hoger beroep.

c. een rechtsgeleerd advies.

d. een ambtelijke richtlijn.

 

6 Welke der onderstaande beroemde Romeinse juristen behoorde NIET tot de groep geleerden uit wier werken door de codificatiecommissie van Justinianus werd geput bij de vervaardiging van de Digesten?

a. Gaius.

b. Ulpianus.

c. Paulus.

d. Tribonianus.

 

7 De zogeheten ‘Citeerwet’ (lex citandi) verloor haar betekenis na de uitvaardiging van

a. de Instituten van Justinianus in 533.

b. de eerste Codex Justinianus in 529.

c. de tweede Codex Justinianus in 534.

d. de Digesten in 533.

 

8 De door Justinianus ná 534 uitgevaardigde wetgeving onderscheidt zich van de daaraan voorafgaande omdat zij

a. overwegend in de Latijnse taal was vervat.

b. als supplement werd toegevoegd aan de Digesten.

c. als supplement werd toegevoegd aan de Codex.

d. overwegend in de Griekse taal was vervat.

 

9 De continentaal-Westeuropese juridische traditie is bovenal gegrondvest op

a. de Instituten.

b. de Codex van 534.

c. de Digesten.

d. de Novellen.

 

10 Zolang het Romeinse recht, na de receptie ervan in de Middeleeuwen, op het West-Europese continent rechtskracht heeft gehad (ten onzent tot 1 mei 1809), nam het in de toenmalige hiërarchie van rechtsbronnen

a. de eerste plaats in.

b. een plaats in die ondergeschikt was aan wetgeving in formele zin, maar prioriteit had vóór het gewoonterecht.

c. een plaats in die ondergeschikt was aan het gewoonterecht, maar prioriteit had vóór wetgeving in formele zin.

d. een subsidiaire plaats in.

 

 

II Inwendig deel

Bij de beantwoording van de onderstaande vragen dient de fictie te worden gehanteerd dat een (Romeinse) rechtsgeleerde altijd het juiste antwoord geeft op een aan hem gestelde rechtsvraag.

11 In het klassieke Romeinse recht was in procedures tussen Romeinse burgers die in de stad Rome voor een alleensprekende rechter (unus iudex) werden gevoerd op basis van een ten overstaan van de praetor opgesteld procesformulier (formula) een tweede procedure over dezelfde zaak tussen dezelfde partijen uitgesloten nadat

a. een dagvaarding (in ius vocatio) was uitgebracht.

b. in de procedure het tijdstip der zogeheten litis contestatio was bereikt.

c. door de rechter een vonnis (iudicatum) was gewezen.

d. de termijn was verstreken waarbinnen hoger beroep (appellatio) tegen het vonnis van de rechter kon worden aangetekend.

 

12 Keizer Theodosius II voerde in 424 AD de rechtsfiguur der zogeheten ‘bevrijdende’ verjaring in. Dit betekende dat nadien het vorderingsrecht waarop een (persoonlijke) rechtsvordering was gebaseerd na dertig jaar

a. verviel.

b. slechts verviel indien bij wege van exceptie door de gedaagde een beroep op bevrijdende verjaring werd gedaan.

c. bleef bestaan, maar niet meer in rechte kon worden afgedwongen.

d. slechts bleef bestaan indien bij wege van replicatie door de eiser feiten werden aangevoerd die het uitstel van de actie verschoonbaar maakten.

 

13 A(ulus) heeft op 23 december van het jaar 15 AD een huurovereenkomst gesloten met B(lasius), krachtens dewelke hij zich heeft verplicht om op 1 januari van het volgende jaar het schip ‘Neptunus’ ter beschikking van B(lasius) te stellen. Op 28 december van het jaar 15 AD verhuurt A(ulus) dat schip nogmaals, dit keer aan C(laudius), die het schip op de daaropvolgende dag reeds in gebruik neemt. Wanneer B(lasius) op 1 januari van het jaar 16 AD verzoekt om nakoming van de huurovereenkomst, deelt A(ulus) hem mede dat hij daaraan niet meer kan voldoen, omdat hij de ‘Neptunus’ aan C(laudius) heeft verhuurd. B(lasius) informeert bij een rechtsgeleerde (iuris consultus) welke rechtsmiddelen hem ten dienste staan. Deze geeft hem te verstaan dat hij

a. de actie uit huur (actio conducti) kan instellen tegen C(laudius), omdat hij eerder dan deze een huurovereenkomst met A(ulus) heeft gesloten.

b. de actie uit huur (actio conducti) kan instellen tegen C(laudius), omdat de tweede huurovereenkomst nietig is aangezien A(aulus) reeds eerder een huurovereenkomst met B(lasius) had gesloten.

c. slechts een actie uit huur (actio conducti) kan instellen tegen A(ulus).

d. de actie uit huur (actio conducti) kan instellen tegen C(laudius), indien hij kan aantonen dat deze laatste op de hoogte was van het feit dat het schip reeds eerder door A(ulus) aan B(lasius) was verhuurd.

 

14 A(rrius) is eigenaar van een paard, dat hij heeft gestald bij de stalhouder (stabularius) B(lossus). Als B(lossus) merkt dat A(rrius) al weken lang geen gebruik van het bij hem gestalde dier heeft gemaakt, besluit hij een slaatje te slaan uit het bij hem gestalde dier door dat aan anderen te verhuren. Op zekere dag verhuurt hij daarom het paard van A(rrius) aan C(rassus). Deze laatste maakt er een ritje op naar de badplaats Antium, niet ver van Rome. Daar aangekomen, stalt C(rassus) het dier bij de locale stalhouder D(idius). Wanneer C(rassus) ’s avonds het paard komt afhalen, blijkt het dier te zijn gestolen.

Omdat bezitsacties binnen relatief korte tijd (één jaar) vervallen, is het van buitengewoon groot belang om vast te stellen op welk tijdstip A(rrius) het bezit van zijn paard heeft verloren. Op welk tijdstip is dat het geval geweest?

a. Op het tijdstip waarop A(rrius) de feitelijke heerschappij heeft afgestaan aan B(lossus).

b. Op het tijdstip waarop B(lossus) heeft besloten ten eigen bate gebruik te maken van het paard van A(rrius).

c. Op het tijdstip waarop B(lossus) het paard feitelijk heeft verhuurd aan C(rassus).

d. Op het tijdstip waarop het paard bij D(idius) is gestolen.

 

15 A(vienus) heeft voor de duur van vijftien jaar zijn wijngaard nabij het stadje Tusculum voor de prijs van 1000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) per jaar verhuurd aan B(avius). Korte tijd nadat B(avius) die wijngaard in gebruik heeft genomen, komt A(vienus) ter ore dat de door hem met B(avius) overeengekomen huursom veel te laag is. Als hij daarom, een jaar later, bericht ontvangt van de dood van B(avius), vordert hij van diens erfgenaam C(assius) ontruiming van de wijngaard. C(assius) laat zich door een rechtsgeleerde (iuris peritus) informeren over zijn rechtspositie. Deze geeft hem te verstaan dat

a. hij zich niet tegen de vordering kan verzetten, omdat hij geen partij was bij de huurovereenkomst.

b. hij zich met vrucht tegen de ontruiming kan verzetten, omdat hij de opvolger onder algemene titel van B(avius) is.

c. hij zich met vrucht tegen de ontruiming kan verzetten, omdat hij de opvolger onder bijzondere titel van B(avius) is.

d. hij zich niet tegen de vordering kan verzetten, omdat een huurovereenkomst van rechtswege eindigt bij de dood van de huurder.

 

16 A(ncus) heeft zijn huis te Rome verkocht omdat hij gaat verhuizen naar de nabij gelegen havenstad Ostia. Zolang hij nog geen woonhuis in Ostia heeft gevonden, huurt hij enige tijd een appartement in de Romeinse volkswijk Suburra. Een groot gedeelte van zijn meubels (res nec mancipi) heeft hij zolang opgeslagen in het pakhuis (horrea) van de louche ondernemer B(ibulcus). B(ibulcus) verkoopt en levert een deel van de meubels voor een vriendenprijs aan de niet minder louche winkelier C(anisius) die regelmatig gestolen of verduisterde waren van B(ibulcus) afneemt. Korte tijd nadien ontwaart A(ncus) zijn meubeltjes in de uitdragerszaak van C(anisius). Hij besluit zo streng mogelijke maatregelen tegen de heren B(ibulcus) en C(anisius) te nemen en laat zich daartoe adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat hij beschikt over de mogelijkheid om met vrucht zowel

a. de revindicatie in te stellen tegen C(anisius) als ook een vordering uit wanprestatie in te stellen tegen B(ibulcus).

b. de revindicatie en de condictio furtiva in te stellen tegen C(anisius) als ook een vordering uit wanprestatie en de condictio furtiva in te stellen tegen B(ibulcus).

c. de revindicatie en de actio furti in te stellen tegen C(anisius) als ook een vordering uit wanprestatie en de actio furti in te stellen tegen B(ibulcus).

d. de revindicatie of de actio furti in te stellen tegen C(anisius) als ook een vordering uit wanprestatie of de actio furti in te stellen tegen B(ibulcus).

 

 

17 Voor welke der onderstaande wijzen van eigendomsverkrijging van res nec mancipi is géén bezit of bezitsverschaffing vereist?

a. Toeëigening (occupatio).

b. Vindicatielegaat (legatum per vindicationem).

c. Schatvinding (thesaurus).

d. Verkrijgende verjaring (usucapio).

 

18 A(pronius) en B(asilius) zijn de hoofdelijke schuldeisers (correi stipulandi) van C(aecilius), aan wie zij gezamenlijk een bedrag van 150.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) hebben geleend; tussen A(pronius) en B(asilius) is overeengekomen dat zij, omdat zij ieder de helft van het aan C(aecilius) uitgeleende kapitaal hebben ingebracht, de opbrengst ook in gelijke delen zullen delen. Enige tijd later komt C(aecilius) te overlijden. In zijn testament heeft hij één van zijn beide hoofdelijke schuldeisers, B(asilius), benoemd tot erfgenaam. B(asilius) heeft de nalatenschap van C(aecilius) vol en zuiver aanvaard. Hij wordt nadien door A(pronius) aansprakelijk gesteld voor de schuld van C(aecilius). A(pronius) en B(asilius) komen overeen het niet tot een procedure te laten komen en de zaak ter arbitrage voor te leggen aan een rechtsgeleerde (iuris peritus) die tot het besluit komt dat A(pronius)

a. 150.000 HS te vorderen heeft van B(asilius), omdat deze de opvolger onder algemene titel van de schuldenaar is.

b. 75.000 HS te vorderen heeft van B(asilius), omdat A(pronius) en B(asilius) hebben afgesproken de opbrengst van de vordering te delen.

c. 37.500 te vorderen heeft van B(asilius), omdat A(pronius) en B(asilius) hebben afgesproken de opbrengst van de vordering te delen en de schuld voor de helft is tenietgegaan door vermenging van de identiteit van schuldeiser en schuldenaar.

d. niets meer van B(asilius) te vorderen heeft, omdat de schuld is tenietgegaan door vermenging van de identiteit van schuldeiser en schuldenaar.

 

19 In het jaar 29 n.Chr. ontstaan ernstige ongeregeldheden aan de Friese grenzen van het Romeinse rijk. De Romeinse overheid vaardigt noodwetgeving uit, waarbij de veehandel in Friesland wordt voorbehouden aan vergunninghouders. Ter ondersteuning van deze maatregel is wettelijk bepaald dat overeenkomsten die zijn gesloten door personen die niet beschikken over een dergelijke vergunning van rechtswege nietig zijn. A(rminius) is een rijke, tot Romeins staatsburger genaturaliseerde Fries die, zonder over een dergelijke vergunning te beschikken, handel blijft drijven met de Friezen. Op zekere dag koopt hij in het Friese Tolsum van Friso, een eveneens tot Romeins staatsburger genaturaliseerde boer, een kudde runderen (res mancipi) die hem enige weken later te Matilo (binnen de grenzen van het Romeinse rijk) wordt afgeleverd en die hem tevens op de voorgeschreven wijze, dat wil zeggen door middel van mancipatio, in eigendom wordt overgedragen. Een schuldeiser van Friso laat beslag leggen op de kudde, omdat Friso zijn betalingsverplichtingen jegens hem niet nakomt. A(rminius) verzet zich tegen dit beslag.

Welke der onderstaande stellingen is juist?

a. het beslag is geldig gelegd, omdat de overdracht aan niet-vergunninghouders bij wet is verboden.

b. het beslag is ongeldig gelegd, omdat de overdracht in dit geval niet wordt getoetst aan de geldigheid van de daaraan ten grondslag liggende obligatoire rechtstitel.

c. het beslag is geldig gelegd, omdat aan de overdracht een nietige titel ten grondslag ligt en dus geen eigendom kan zijn overgegaan.

d. het beslag is ongeldig gelegd, omdat er weliswaar een nietige mancipatio heeft plaatsgevonden, maar een geldige bezitsverschaffing, zodat A(rminius) als praetorisch eigenaar heeft te gelden.

 

20 A(riovistus) is eigenaar van het schip de ‘Triton’ dat in de haven van Ostia ligt afgemeerd. B(ato), die al enige tijd op zoek is naar versterking van zijn eigen vloot, koopt op 15 juni van het jaar 65 AD de ‘Triton’ van A(riovistus) voor de lieve som van 150.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid). Tussen partijen is afgesproken, dat de koper (B(ato)) het schip op 1 juli van hetzelfde jaar zal afhalen van de werf in Ostia, waar het ligt aangemeerd. B(ato) heeft kenbaar gemaakt het schip zelf naar het ongeveer 150 zeemijlen (dat is nog geen dag varen) ten zuiden van Ostia gelegen havenstadje Puteoli (de thuishaven van B(ato)) te willen brengen, vanwaar het een lading cement naar Afrika zal transporteren. Op 20 juni krijgt A(riovistus) van een locale bevrachter opdracht om een lading wijn van Ostia naar Puteoli te transporteren. Hij neemt die vracht aan en besluit twee vliegen in één klap te slaan door de ‘Triton’ voor dat transport te gebruiken, zodat het schip reeds eerder dan afgesproken ter beschikking van de koper kan worden gesteld. Op 25 juni verlaat de ‘Triton’ met zijn lading de haven van Ostia. Enige uren na het verlaten van de haven, steekt een plotselinge zware noordwesterstorm op. Ondanks alle inspanningen van schipper en bemanning, wordt de ‘Triton’ aan lager wal gedreven en leidt schipbreuk tegen de rotsen van Kaap Misenum. De bemanning weet zich ternauwernood te redden. B(ato) wordt door A(riovistus) van het gebeurde op de hoogte gesteld. B(ato) ziet zich gedwongen voor veel geld een schip te huren dat zijn vracht cement naar Afrika kan transporteren.

Welke der onderstaande stellingen over deze casus is juist?

a. A(riovistus) is aansprakelijk jegens B(ato) voor de schade die deze heeft geleden, inclusief de kosten verbonden aan de huur van een vervangend schip.

b. A(riovistus) is niet aansprakelijk jegens B(ato) omdat hij zich met vrucht op overmacht kan beroepen; B(ato) is echter de koopprijs verschuldigd.

c. A(riovistus) is aansprakelijk jegens B(ato) voor de schade die deze heeft geleden, maar niet voor de kosten verbonden aan de huur van een vervangend schip.

d. A(riovistus) is niet aansprakelijk jegens B(ato) omdat hij zich met vrucht op overmacht kan beroepen; de koopprijs kan hij echter niet van B(ato) vorderen, omdat ook die schuld door overmacht is vervallen.

 

21 B(ato) heeft voor de prijs van 1500 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) per dag het schip de ‘Poseidon’ (res nec mancipi) gehuurd van de reder C(apito), gevestigd te Puteoli, om een lading cement van Puteoli naar de Afrikaanse stad Carthago te vervoeren. Tijdens de overtocht naar Carthago, wordt het schip geënterd door Afrikaanse zeerovers, die de lading en het schip verkopen aan een louche ondernemer uit de Noord Afrikaanse havenstad Leptis Magna. B(ato) en C(apito) zijn van het gebeurde niet op de hoogte, wanneer zij in Puteoli een overeenkomst sluiten, waarbij de, op dat tijdstip reeds door de zeerovers verkochte, ‘Poseidon’ door C(apito) voor de som van 180.000 HS wordt verkocht en door middel van een traditio brevi manu wordt geleverd aan B(ato). Korte tijd later wordt C(apito) failliet verklaard en wanneer de ‘Poseidon’, die door de ondernemer uit Leptis is doorverkocht en geleverd aan de argeloze Romeinse reder D(rusus), enige dagen later aanlegt in de haven van Ostia, legt de curator in het faillissement van C(apito) beslag op het schip omdat het, naar zijn zeggen, tot de failliete boedel van C(apito) behoort. Daartegen komt B(ato) in verzet, omdat het schip, naar zijn zeggen, zijn eigendom is. Het dispuut wordt voorgelegd aan een rechtsgeleerde (iuris peritus) die vaststelt dat het schip eigendom is

a. van D(rusus), omdat deze te goeder trouw was en het schip aan hem op grond van een geldige titel en op behoorlijke wijze is geleverd.

b. van C(apito), omdat deze, ten tijde van de levering aan B(ato), niet door middel van traditio brevi manu kon leveren aangezien hij op dat tijdstip géén bezitter meer was.

c. van B(ato), omdat voor een geldige traditio brevi manu niet is vereist dat er daadwerkelijk feitelijke heerschappij wordt verschaft.

d. van C(apito), maar dat B(ato) als ‘praetorisch’ eigenaar moet worden aangemerkt, omdat een fout in de leveringsvorm kan worden geheeld door middel van verkrijgende verjaring.

 

22 Welke der onderstaande Romeinse verbintenisscheppende overeenkomsten kon niet door middel van briefwisseling worden gesloten?

a. Een ‘stipulatie’

b. Een koopovereenkomst.

c. Een huurovereenkomst.

d. Een maatschapovereenkomst.

 

23 A(ncus) heeft in de nalatenschap van zijn vader een kostbaar boek (res nec mancipi) aangetroffen. Hij denkt dat het eigendom van zijn vader was, terwijl het boek in werkelijkheid aan zijn vader in bruikleen was gegeven door B(abrius). Omdat A(ncus) dringend om geld verlegen zit, verkoopt en levert hij het boek op 1 februari van het jaar 70 AD aan de antiquiteitenhandelaar C(assius), die denkt met een eigenaar van doen te hebben.

Welke van de onderstaande stellingen over de rechtspositie van C(assius) op 2 februari van het zojuist genoemde jaar is de meest correcte?

a. Hij is slechts bezitter van het boek.

b. Hij is ‘Publiciaans’ bezitter van het boek.

c. Hij is ‘praetorisch’ eigenaar van het boek.

d. Hij is eigenaar van het boek.

 

24 A(lbericus) is eigenaar van een stuk grond dat hij voor de duur van vijf jaren heeft verhuurd aan B(aldus). Een jaar na het sluiten van deze overeenkomst wil A(lbericus) het stuk grond te verkopen en laat de grond in het openbaar veilen; in de verkoopcondities is een beding opgenomen dat de koper verplicht eventuele huurders onverlet te laten. Het stuk grond wordt tegen deze condities gekocht door C(harisius), aan wie het enige dagen later door de eigenaar op de voorgeschreven wijze (mancipatio) wordt overgedragen. Terstond daarna vordert C(harisius) van B(aldus) ontruiming. Deze laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

a. hij zich niet kan beroepen op de verkoopcondities aangezien hij geen partij bij die overeenkomst was, doch zich voor zijn schade kan verhalen op de verhuurder.

b. hij zich jegens de nieuwe eigenaar met vrucht kan beroepen op het feit dat zijn huurovereenkomst nog niet is afgelopen.

c. hij zich jegens de nieuwe eigenaar met vrucht kan beroepen op het beding dat ten gunste van hem (en andere huurders) is gemaakt.

d. hij zich niet kan beroepen op de verkoopcondities aangezien daarin geen boetebeding is opgenomen.

 

25 A(ppius) is eigenaar van een vakantiehuis (res mancipi) in de Romeinse badplaats Baiae, niet ver van Napels. Op 3 januari van het jaar 19 AD komt hij te overlijden. In zijn testament heeft hij zijn beide zoons, B(ibulus) en C(lodius), benoemd tot erfgenamen; zij hebben – voorzover nodig – de nalatenschap vol en zuiver aanvaard. Op 1 februari van dat jaar verkoopt één van de erfgenamen, B(ibulus), het vakantiehuis aan D(ubius), aan wie hij het de volgende dag op de voorgeschreven wijze (mancipatio) overdraagt.

Welke der onderstaande stellingen over deze casus is juist?

a. Zowel de verkoop, als de overdracht is nietig.

b. De verkoop is nietig, de overdracht is geldig.

c. De verkoop is geldig, de overdracht is nietig.

d. Zowel de verkoop, als de overdracht is geldig.

 

26 A(ttius) is eigenaar van een rederij die verschillende schepen exploiteert. Eén ervan, de ‘Nereus’, staat onder bevel van kapitein B(rutus). A(ttius) heeft B(rutus) volmacht gegeven om namens hem alle rechtshandelingen te verrichten die voor het behoud en het onderhoud van dat schip noodzakelijk mochten zijn. Wanneer de ‘Nereus’, op weg van Athene naar Alexandrië, bij het ronden van Kaap Sounion in een zware storm terecht komt en ernstige averij oploopt, besluit kapitein B(rutus) terug te varen naar Athene teneinde het schip daar te laten repareren. Hij sluit daartoe namens de eigenaar een reparatieovereenkomst met de locale scheepswerf van C(allisthenes). Deze zendt, na het voltooien van de reparaties, een rekening aan A(ttius), die weigert haar te voldoen, omdat de reparatiekosten hoger zijn dan de waarde van het schip. C(allisthenes) laat zich door een Romeinse rechtsgeleerde (iuris peritus) adviseren, die hem te verstaan geeft dat hij op grond van de door hem met de kapitein gesloten overeenkomst met vrucht

a. zowel de eigenaar, als de kapitein kan aanspreken, omdat er in dit soort gevallen een hoofdelijke verbintenis ontstaat.

b. niet de eigenaar, maar slechts de kapitein kan aanspreken, omdat het Romeinse recht geen vertegenwoordiging kent.

c. slechts de eigenaar en niet de kapitein kan aanspreken, omdat het Romeinse recht in dit soort gevallen wel vertegenwoordiging kent.

d. de kapitein kan aanspreken en de eigenaar op grond van zaakwaarneming (negotiorum gestio).

 

27 Een legataris, aan wie door de erfgenaam een zaak (res nec mancipi) is geleverd die door de erflater door middel van een zogeheten ‘damnatielegaat’ (legatum per damnationem) aan de legataris is vermaakt, is te beschouwen als

a. opvolger onder algemene titel van de erflater.

b. opvolger onder bijzondere titel van de erflater.

c. opvolger onder algemene titel van de erfgenaam.

d. opvolger onder bijzondere titel van de erfgenaam.

 

28 A(lexander) is eigenaar van het paard Bucephalus, een kostbaar strijdros (res mancipi), dat hij heeft verkocht aan B(artolus). Omdat hij spijt heeft van de verkoop, stelt A(lexander) de overdracht en levering van het paard telkens uit. Op zekere dag besluit B(artolus) daarom het door hem gekochte paard uit de weide te halen waar het graast. Zodra A(lexander) hier achter komt, gaat hij te rade bij een rechtsgeleerde (iuris peritus) met de vraag of hij het paard kan terughalen. Deze geeft hem te verstaan dat hij B(artolus)

a. met vrucht kan aanspreken met de ‘actie uit diefstal’ (actio furti), maar niet met de revindicatie of de condictio furtiva, omdat hij het paard aan B(artolus) heeft verkocht.

b. met vrucht kan aanspreken met de ‘actie uit diefstal’ (actio furti) en daarenboven met de revindicatie of de condictio furtiva.

c. met vrucht kan aanspreken met de revindicatie of de condictio furtiva, maar niet met de ‘actie uit diefstal’ (actio furti), omdat hij het paard aan B(artolus) heeft verkocht.

d. met geen enkele actie aansprakelijk kan stellen, omdat hij het paard aan B(artolus) heeft verkocht.

 

29 A(rrianus) heeft 50.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) geleend van B(aldus). Tot zekerheid van zijn schuld heeft hij aan B(aldus) een hypotheek gegeven op zijn woning te Rome. Voordat hij de schuld heeft afbetaald, komt A(rrianus) te overlijden; in zijn testament heeft hij zijn beide zoons, C(laudius) en D(idius), voor gelijke delen benoemd tot erfgenaam. De beide zoons hebben de nalatenschap van hun vader (voor zover nodig) vol en zuiver aanvaard. Het verhypothekeerde woonhuis in Rome is in het testament door middel van een vindicatielegaat (legatum per vindicationem) vermaakt aan E(gidia), de weduwe van A(rrianus). Daarbij is aan de beide zonen van A(rrianus) de testamentaire last opgelegd om de schuld, waarvoor het huis is verhypothekeerd, onmiddellijk af te lossen. C(laudius) en D(idius) voldoen niet aan die last en B(aldus) wil daarom overgaan tot executie. E(gidia) laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die haar te verstaan geeft dat

a. zij aansprakelijk is voor de schuld, omdat die accessoir is aan de eigendom van de woning, zodat die met vrucht door de hypothecaire schuldeiser kan worden uitgewonnen.

b. zij niet aansprakelijk is voor de schuld, zodat de woning niet door de hypothecaire schuldeiser kan worden uitgewonnen.

c. zij niet aansprakelijk is voor de schuld, maar wel door de hypothecaire schuldeiser kan worden uitgewonnen, omdat de hypotheek de eigendom van de woning volgt.

d. zij aansprakelijk is voor de schuld, omdat zij een voordeel uit de nalatenschap van de schuldenaar heeft ontvangen, zodat de woning met vrucht door de hypothecaire schuldeiser kan worden uitgewonnen.

 

 

30 A(ldus) heeft 50.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) geleend van B(ovis). Teneinde die schuld te kunnen aflossen, verkoopt hij wat kunstwerken aan de verzamelaar C(assius) voor de som van 75.000 HS. Als C(assius) aan A(ldus) vraagt waarom hij die kunstwerken heeft verkocht, vertelt A(ldus) hem dat hij voor 50.000 HS in het krijt staat bij B(ovis). Zonder daartoe opdracht te hebben gekregen, betaalt C(assius) daarop namens A(ldus) 50.000 HS aan B(ovis). Hij laat de resterende 25.000 HS bijschrijven op de bankrekening (ratio) die A(ldus) onderhoudt bij de bankier D(aedalus). Kort na ontvangst van het bericht van betaling van deze 25.000 HS, betaalt A(ldus) dit bedrag aan B(ovis) en verzoekt hij aan C(assius) hem zo snel mogelijk de nog resterende 50.000 HS over te willen maken. Deze laat hem weten dat hij dit bedrag al aan de schuldeiser (B(ovis)) van A(ldus) heeft betaald.

Welke der onderstaande stellingen over deze casus is juist?

a. A(ldus) heeft een vordering uit onverschuldigde betaling (condictio indebiti) tegen B(ovis) voor het bedrag van 25.000 HS.

b. C(assius) heeft een vordering uit onverschuldigde betaling (condictio indebiti) tegen B(ovis) voor het bedrag van 50.000 HS.

c. C(assius) heeft een vordering uit onverschuldigde betaling (condictio indebiti) tegen B(ovis) voor het bedrag van 25.000 HS.

d. A(ldus) heeft een vordering uit onverschuldigde betaling (condictio indebiti) tegen B(ovis) voor het bedrag van 50.000 HS.

 

CASUS

 

naar

D. 12,6,55

(Papinianus, libro sexto Quaestionum)

 

In het appartementencomplex dat eigendom is van A(picius) staan al geruime tijd enige appartementen leeg. B(avius), één van de huurders van een appartement in dat complex, besluit hier een slaatje uit te slaan en verhuurt, zich afficherende als de zaakwaarnemer (procurator) van A(picius), de leegstaande appartementen. Eén ervan heeft hij voor de duur van twee jaar verhuurd aan C(rassus); de maandelijks door C(rassus) betaalde huur steekt B(avius) in eigen zak. Na een jaar komt A(picius) er achter dat B(avius) onbevoegd namens hem optreedt en hij beëindigt daarom de huurovereenkomst met B(avius). Hij laat C(rassus), die van een en ander niet op de hoogte is, echter ongemoeid en deze gaat daarom door met het betalen van huur aan B(avius). Korte tijd nadien bereikt C(rassus) echter een schrijven van A(picius), waarin deze hem sommeert het appartement onmiddellijk te verlaten omdat het aan hem door een onbevoegde is verhuurd.

 

Aan Papinianus is de vraag voorgelegd, of C(rassus) de door deze aan B(avius) betaalde huur op grond van onverschuldigde betaling kan terugvorderen. Wat heeft deze rechtsgeleerde daarop geantwoord?

 

 

 

Antwoordindicaties Tentamen 1

 

  1. A 11. B 21. B

  2. D 12. C 22. A

  3. D 13. C 23. B

  4. C 14. D 24. A

  5. C 15. B 25. C

  6. D 16. C 26. A

  7. D 17. B 27. D

  8. D 18. B 28. B

  9. C 19. B 29. C

  10. D 20. A 30. A

 

 

Tentamen 2

 

I Uitwendig deel

 

1 Onder het imperium van een Romeinse magistraat ‘met het imperium’ (cum imperio), zoals de consuls en de praetoren, dient te worden verstaan

a. de uitvoerende en wetgevende macht.

b. de wetgevende en rechterlijke macht.

c. de rechterlijke en uitvoerende macht.

d. de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht.

 

2 Het college van priesters (collegium pontificum) heeft enige tijd een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van het Romeinse recht op basis van de Wet van de Twaalf Tafelen en wel omdat aan hen aanvankelijk

a. de rechtspraak was voorbehouden.

b. de procesbijstand was voorbehouden.

c. de uitleg van de wet was voorbehouden.

d. het recht van initiatief was voorbehouden.

 

3 De Romeinse praetor kon in zijn edict

a. het ius civile niet corrigeren, maar slechts aanvullen.

b. het ius civile corrigeren, ondersteunen en aanvullen

c. het ius civile niet corrigeren, maar slechts ondersteunen.

d. het ius civile ondersteunen en aanvullen, maar niet corrigeren.

 

4 Het Romeinse recht bestaat, zo leert ons Gaius, deels uit ius civile, deels uit ius gentium. Onder het eerste begreep hij

a. wetten in formele zin.

b. wetten in formele zin en de gewoonte.

c. wetten in formele zin en het praetorische recht.

d. wetten in formele zin, de gewoonte en het praetorische recht.

 

5 De Romeinse keizer concurreerde in zijn zogeheten ‘rescriptenpraktijk’ met het werk van

a. de rechter (iudex privatus).

b. de zogeheten ‘respondeerjuristen’.

c. de praetor.

d. de stadsprefect (praefectus urbi).

 

6 De Romeinse rechtsgeleerde literatuur komt in het midden van de derde eeuw van onze jaartelling aan een abrupt einde. Dit werd voornamelijk veroorzaakt doordat

a. het ambt van praetor onbeduidend was geworden, sinds diens taken waren overgenomen door de ‘stadsprefect’ (praefectus urbi).

b. het ‘praetorisch edict’ op overheidsgezag was gecodificeerd.

c. het ‘recht om in het openbaar adviezen te geven’ (ius publice respondendi) niet meer werd verleend.

d. de Romeinse juristen hun werkterrein verplaatsten naar de ambtelijke bureaucratie.

 

7 Aan welke der onderstaande beroemde Romeinse juristen werd in de zogeheten ‘Citeerwet’ (lex citandi) posthuum de status van ‘respondeerjurist’ verstrekt, zodat zijn opinies in rechte konden worden aangehaald:

a. Gaius.

b. Papinianus.

c. Paulus.

d. Ulpianus.

 

8 De zogeheten ‘Novellen’ (novellae constitutiones) behelzen een inhoudelijke voortzetting op de stof die voordien door Justinianus was bijeengebracht in

a. de zogeheten ‘vijftig besluiten’ (quinquaginta decisiones).

b. de Instituten.

c. de Codex Justinianus.

d. de Digesten.

 

9 De zogeheten ‘Instituten’ (Institutiones) van keizer Justinianus zijn voornamelijk gebaseerd op

a. de Sententiae van Paulus.

b. de Institutiones van Ulpianus

c. de Institutiones van Marcianus.

d. de Institutiones van Gaius.

 

10 Onder het zogeheten ‘gemene recht’ (ius commune) verstond men in de Middeleeuwen

a. de wetgeving van de keizer van het Heilige Romeinse Rijk.

b. het in het Corpus Iuris Civilis neergelegde Romeinse recht.

c. het natuurrecht.

d. het gewoonterecht.

 

II Inwendig deel

Bij de beantwoording van de onderstaande vragen dient de fictie te worden gehanteerd dat een (Romeinse) rechtsgeleerde altijd het juiste antwoord geeft op een aan hem gestelde rechtsvraag.

11 Het onderscheid tussen overeenkomsten waarbij het de rechter was toegestaan de redelijkheid en billijkheid te betrekken (contractus bonae fidei) en die waarbij hem dat niet was toegestaan (contractus stricti iuris) wordt enigszins afgezwakt doordat

a. de eiser, desgewenst, een ‘verweermiddel van boos opzet’ (exceptio doli) in een procesformulier kon laten opnemen.

b. een handeling in strijd met de redelijkheid en billijkheid een aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (delictum) opleverde.

c. de gedaagde, desgewenst, een ‘verweermiddel van boos opzet’ (exceptio doli) in een procesformulier kon laten opnemen.

d. tegen een uitspraak van de iudex privatus hoger beroep open stond bij de keizer, die zich in zijn rechtspraak altijd liet leiden door de bona fides (redelijkheid en billijkheid).

 

12 A(rrius) heeft een paard (res mancipi) gekocht van B(rutus) voor de som van 150.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid). Er is afgesproken dat het paard binnen tien dagen na het sluiten van de overeenkomst door B(rutus) ten huize van A(rrius) zal worden afgeleverd. Drie dagen nadien gaat B(rutus) met het paard, dat in een wagen wordt vervoerd, op weg naar A(rrius). Onderweg komt het door de onzorgvuldigheid van een andere weggebruiker, C(inesius), tot een aanrijding, waarbij de wagen, waarin zich het aan A(rrius) verkochte paard bevindt, kantelt en het paard zijn nek breekt. Omdat omtrent de risicoverdeling geen nadere afspraken zijn gemaakt, moet A(rrius) de koopprijs betalen aan B(rutus). A(rrius) onderhoudt zich over de mogelijkheid om zijn schade te verhalen op C(inesius) met een rechtsgeleerde (iuris peritus), die hem te verstaan geeft dat

a. C(inesius) aansprakelijk is jegens A(rrius), omdat deze, ten gevolge van het delict van C(inesius), schade heeft geleden.

b. C(inesius) niet aansprakelijk is jegens A(rrius), omdat het paard ten tijde van het door C(inesius) gepleegde delict eigendom was van B(rutus).

c. C(inesius) aansprakelijk is jegens A(rrius), omdat het paard ten tijde van het door C(inesius) gepleegde delict eigendom was van A(rrius).

d. C(inesius) niet aansprakelijk is jegens A(rrius), omdat A(rrius) het aan zichzelf te wijten heeft dat hij geen andere risicoverdeling met B(rutus) is overeengekomen.

 

 

 

13 A(ulus) is eigenaar van een koe (res mancipi), die is gestolen door B(lasius). A(ulus) heeft zich tegen diefstal verzekerd bij C(laudius), die hem de verzekerde som uitkeert en aan wie hij door middel van mancipatio de eigendom van de koe overdraagt. Het personeel van C(laudius) gaat op zoek naar de koe en vindt die bij B(lasius). Deze echter weigert de koe aan C(laudius) af te geven, omdat hij die, naar zijn zeggen, slechts aan A(ulus) behoeft af te geven. C(laudius) overweegt de revindicatie tegen de dief in te stellen en laat zich daarom adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

a. hij geen eigenaar is van de koe, omdat iemand die geen bezitter is van een zaak geen eigendom kan overdragen.

b. hij eigenaar is van de koe, omdat hem die door mancipatio is overgedragen, zodat hij met vrucht de revindicatie kan instellen.

c. hij geen eigenaar is van de koe, omdat slechts een bezitter door mancipatio eigendom kan overdragen.

d. hij met vrucht de actio Publiciana kan instellen, omdat een gebrek in de leveringsvorm door middel van verkrijgende verjaring kan worden geheeld.

 

14 Welke der onderstaande Romeinse verbintenisscheppende overeenkomsten is enkel op grond van de daartoe strekkende wilsovereenstemming (consensus) afdwingbaar?

a. Ruil (permutatio).

b. Koop en verkoop (emptio venditio)

c. Stipulatie (stipulatio).

d. Bruikleen (commodatum).

 

15 Voor welke der onderstaande Romeinse derivatieve wijzen van eigendomsverkrijging is géén overdrachtshandeling vereist?

a. De mancipatio.

b. De traditio.

c. De in iure cessio.

d. Het ‘vindicatielegaat’ (legatum per vindicationem).

 

16 A(ppius) heeft een slechte gezondheid en maakt zich zorgen over de toekomst van zijn echtgenote B(eatrice). Het echtpaar heeft géén kinderen en daarom komt A(ppius) met zijn neef C(naeus) door middel van een daartoe strekkende stipulatie overeen dat deze zijn echtgenote na zijn dood financieel zal verzorgen door haar maandelijks 500 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) uit te keren. Korte tijd nadien komt A(ppius) te overlijden. In zijn testament blijkt hij zijn echtgenote B(eatrice) en zijn neef C(naeus) tot erfgenamen te hebben benoemd. Beiden aanvaarden de nalatenschap vol en zuiver. Wanneer B(eatrice) de neef van haar overleden echtgenoot herinnert aan diens alimentatieverplichting jegens haar, komt het tot onenigheid. C(naeus) heeft zich (geheel tegen zijn hoop en verwachting in) reeds de helft van de nalatenschap van zijn oom zien ontgaan en weigert te betalen, omdat B(eatrice), nu zij de (gedeeltelijke) erfgenaam van haar man is, geen afzonderlijke ondersteuning meer behoeft. C(naeus) laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

a. de stipulatie met zijn oom uitsluitend een derdenbeding behelst en derhalve nietig is.

b. iedere mondeling gesloten overeenkomst als stipulatie afdwingbaar is.

c. de stipulatie met zijn oom géén boetebeding (stipulatio poenae) behelst en daarom niet kan worden afgedwongen.

d. B(eatrice) het ten gunste van haar gemaakte beding als opvolger onder algemene titel van haar man kan afdwingen.

 

17 A(ncus) heeft een kostbaar renpaard (res mancipi) gekocht van B(aldus) voor de prijs van 15.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid). Enige tijd nadien krijgt B(aldus) een bod op hetzelfde paard van C(rassus), die twee keer zoveel over heeft voor het paard als de eerste koper (A(ncus)). B(aldus) gaat op dit bod in en verkoopt het paard nogmaals aan C(rassus). De overdracht van het dier geschiedt echter niet op de voorgeschreven wijze (door middel van mancipatio), maar door bezitsverschaffing (traditio). Nadien draagt B(aldus) het paard door middel van mancipatio over aan A(ncus). Wanneer A(ncus) enige tijd nadien om aflevering van het paard verzoekt, komt hij erachter dat het paard is afgeleverd aan C(rassus). Hij laat zich over zijn rechtspositie informeren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

a. hij met vrucht de revindicatie kan instellen tegen C(rassus), omdat hem de eigendom op de voorgeschreven wijze door de eigenaar is overgedragen.

b. hij niet met vrucht de revindicatie tegen C(rassus) kan instellen, omdat B(aldus) na de levering aan C(rassus) niet meer bevoegd was om over de eigendom te beschikken.

c. hij niet met vrucht de revindicatie tegen C(rassus) kan instellen, omdat deze (C(rassus)) praetorisch eigenaar is.

d. hij met vrucht de revindicatie kan instellen tegen C(rassus), omdat de mancipatio een abstracte wijze van overdracht is.

 

18 A(rrius) heeft een kar (plaustrum) gekocht van de wagenmaker (vehicularius fabricator) B(avius). Er is afgesproken dat B(avius) de vrachtwagen tien dagen nadien aan A(rrius) zal afleveren. Omdat er, in verband met de druivenoogst, grote krapte heerst op de Romeinse transportwagenmarkt, besluit B(avius) nog gauw een slaatje te slaan uit de door hem verkochte wagen door die voor een week te verhuren aan C(assius). Op de via Appia komt het, enkele dagen nadien, tot een aanrijding tussen de transportwagen die C(assius) van B(avius) heeft gehuurd en die van D(idius). Het ongeluk valt toe te schrijven aan de onzorgvuldigheid waaraan de laatste (D(idius)) zich bij de besturing van zijn vrachtwagen heeft schuldig gemaakt. De aan C(assius) verhuurde vrachtwagen is onherstelbaar beschadigd. Wanneer A(rrius) tien dagen nadien de verkoper (B(avius)) in gebreke stelt en hem sommeert binnen vijf dagen aan zijn leveringsverplichting te voldoen, beroept deze zich op het feit dat hij door overmacht niet meer kan voldoen aan zijn verplichting, aangezien de vrachtwagen onherstelbaar is beschadigd tengevolge van een ongeluk dat niet aan zijn onzorgvuldigheid kan worden toegerekend. A(rrius) laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

a. de overeenkomst tussen hem en B(avius) door overmacht is ontbonden, maar hij van D(idius) de schade kan vorderen die hij ten gevolge van het verlies van de wagen lijdt.

b. het beroep op overmacht van B(avius) niet slaagt, omdat deze in zijn zorgplicht jegens de koper tekort is geschoten.

c. het beroep op overmacht van B(avius) slaagt en dat hij daarom verplicht is de koopprijs aan B(avius) te betalen.

d. de overeenkomst tussen hem en B(avius) door overmacht is ontbonden, zonder dat hij van D(idius) de schade kan vorderen die hij ten gevolge van het verlies van de wagen lijdt.

 

19 A(vienus) verhuurt aan B(aronius) een stuk grond buiten Italië (res nec mancipi) dat aan A(vienus) in eigendom toebehoort voor de duur van veertig jaar. Vijf jaar na het sluiten van dit pachtcontract verhuurt B(aronius) dat stuk grond voor dertig jaar aan C(incus), die, alhoewel B(aronius) zich daaromtrent niet heeft uitgelaten, denkt dat B(aronius) de eigenaar van de grond is. Na afloop van dit huurcontract neemt B(aronius) de grond weer zelf in exploitatie. Vijf jaar later is het huurcontract met A(vienus) afgelopen en vordert diens erfgenaam A(vienus minor) ontruiming van de grond. B(aronius) weigert hieraan te voldoen, omdat hij van mening is dat de revindicatie van de eigenaar inmiddels is verjaard.

Welke der onderstaande stellingen is juist?

a. De revindicatie van de eigenaar is niet verjaard, omdat de verjaringstermijn pas begon te lopen vanaf het tijdstip waarop B(aronius) ontruiming weigerde.

b. De revindicatie van de eigenaar is verjaard, omdat A(vienus) zijn bezit verloor op het tijdstip waarop C(incus) voor B(aronius) is gaan houden.

c. De revindicatie van de eigenaar is niet verjaard, omdat de verjaringstermijn pas begon te lopen op het tijdstip waarop B(aronius), na afloop van het pachtcontract met C(incus), de grond in eigen exploitatie nam.

d. De revindicatie van de eigenaar is verjaard, omdat A(vienus) het bezit van de grond verloor op het tijdstip waarop B(aronius) daarvan de feitelijke heerschappij verwierf.

 

20 A(ldus) heeft een stamboekstier (res mancipi) gekocht van B(ibulus), waarmede hij een fokkerij wil beginnen. Kort voordat de eigendomsoverdracht zal plaatsvinden, komt A(ldus) te overlijden. Hij heeft twee erfgenamen, zijn zoons C(anisius) en D(eodatus), die beiden de nalatenschap van hun vader vol en zuiver hebben aanvaard. Zonder dat zijn broer C(anisius) daar weet van heeft, vordert D(eodatus) van B(ibulus) dat deze hem de eigendom van de stier overdraagt. B(ibulus) voldoet aan dit verzoek; het dier wordt op de voorgeschreven wijze (door mancipatio) in eigendom overgedragen en onmiddellijk daarop ook feitelijk afgeleverd aan D(eodatus). Enige tijd wendt zich C(anisius) tot B(ibulus) met hetzelfde verzoek. De laatste stelt C(anisius) van het gebeurde op de hoogte. C(anisius) wil weten wat zijn rechtspositie is en laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

a. er in dit geval sprake is van een hoofdelijke verbintenis, zodat er slechts geldig door de debiteur kan worden betaald aan de beide crediteuren gezamenlijk. B(ibulus) heeft daarom niet bevrijdend betaald.

b. er in dit geval sprake is van een ondeelbare verbintenis, zodat elk van de erfgenamen van de crediteur het recht heeft om de volledige prestatie van de debiteur te vorderen. D(eodatus) is dientengevolge eigenaar van de stier geworden.

c. er in dit geval sprake is van een ondeelbare verbintenis, zodat er slechts geldig door de debiteur kan worden betaald aan de beide crediteuren gezamenlijk. B(ibulus) heeft daarom niet bevrijdend betaald.

d. er in dit geval sprake is van een hoofdelijke verbintenis, zodat elk van de erfgenamen van de crediteur het recht heeft om de volledige prestatie van de debiteur te vorderen. C(anisius) is daarom mede-eigenaar van de stier geworden.

 

21 A(ttus), B(urrus) en C(innus) zijn mede-eigenaren van een flatgebouw (insula) in het centrum van Rome. Het driemanschap heeft afgesproken dat één van hen, C(innus), het beheer over het gebouw zal voeren, zulks tegen vergoeding van een hoger aandeel in de winst. Omdat het gebouw op een bijzonder ongunstige plek in de stad staat, staan er nogal wat appartementen (cenacula) leeg en daarom besluit A(ttus) één ervan tegen een zacht prijsje te verhuren aan D(rusus), een van zijn familieleden. Korte tijd daarop ontstaat, tengevolge van een grote uitslaande brand in de volkswijk Suburra, grote woningnood in de Romeinse binnenstad en is C(innus) in staat alle appartementen tegen hoge prijzen te verhuren. Hij komt er bij deze gelegenheid achter dat één ervan door A(ttus) tegen een lage prijs is verhuurd aan een familielid. Omdat dit zijn winstaandeel ongunstig beïnvloedt, sommeert hij D(rusus) het appartement onmiddellijk te ontruimen.

Welke der onderstaande stellingen is juist?

a. de huurovereenkomst tussen A(ttus) en D(rusus) is geldig, omdat het geen beschikking betreft waarvoor de toestemming van de mede-eigenaren is vereist.

b. de huurovereenkomst tussen A(ttus) en D(rusus) is nietig, omdat één van de mede-eigenaren niet bevoegd is om zonder toestemming van de anderen te beschikken.

c. de huurovereenkomst tussen A(ttus) en D(rusus) is geldig, maar kan op verzoek van C(innus) worden vernietigd omdat één van de mede-eigenaren niet bevoegd is om zonder toestemming van de anderen te beschikken.

d. de huurovereenkomst tussen A(ttus) en D(rusus) is nietig, omdat C(innus) géén partij was bij dat contract.

 

22 Rome verkeert in oorlog met het Parthische rijk. Ten gevolge van de oorlogstoestand wordt een wet uitgevaardigd die het, op straffe van nietigheid van de in strijd daarmede gesloten overeenkomsten, verbiedt om, gedurende de oorlogstoestand, rij- en trekpaarden (res mancipi) te verkopen aan anderen dan degenen die over een speciale vergunning (concessio) beschikken. De Romeinse handelaar A(ttalus) verkoopt, in strijd met de wet, een groot aantal rij- en trekpaarden aan de handelaar B(erossus), die niet over de daarvoor noodzakelijke vergunning beschikt. De overdracht van de dieren vindt plaats op de daarvoor voorgeschreven wijze (mancipatio). Korte tijd nadien raakt de Romeinse overheid op de hoogte van de illegale activiteiten van A(ttalus). Hij wordt strafrechtelijk vervolgd; zijn vermogen wordt in beslag genomen en er wordt een vermogensbeheerder (curator bonorum) aangesteld om het te beheren. Wanneer B(erossus) als eigenaar van de rij- en trekpaarden (res mancipi) afgifte van de dieren vordert, laat de vermogensbeheerder (curator bonorum) zich over zijn rechtspositie informeren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

a. de overdracht aan B(erossus) nietig is, aangezien daaraan geen geldige titel ten grondslag ligt.

b. de overdracht aan B(erossus) geldig is, omdat de overdracht in dit geval niet wordt getoetst aan de aanwezigheid van een geldige, tot overdracht verplichtende verbintenis, zodat de vermogensbeheerder niet beschikt over een verweermiddel tegen de eis van de koper.

c. de vermogensbeheerder de eis van de koper kan afweren door er, bij wijze van exceptie, op te wijzen dat deze op grond van onverschuldigde betaling verplicht is de overdracht ongedaan te maken.

d. de overdracht aan B(erossus) nietig is, aangezien A(ttalus), ten gevolge van de wet, niet meer bevoegd is om over de eigendom te beschikken.

 

23 A(lbinovanus) is eigenaar van een rederij. Hij heeft een groot aantal schepen in eigendom en een even groot aantal kapiteins (exercitores) in dienst. B(abrius) is één van die kapiteins en voert het bevel over de Proteus, één van de vlaggeschepen van de vloot van A(lbinovanus). De kapitein is gemachtigd om namens de reder overeenkomsten te sluiten met scheepswerven, indien de aan hem toevertrouwde schepen reparatie behoeven. Tijdens de overtocht van Rome naar Alexandrië loopt de Proteus avarij op en moet het schip de haven van Carthago aandoen om reparaties te laten verrichten op de scheepswerf van de locale ondernemer C(allisthus). B(abrius) sluit, namens zijn werkgever, een reparatieovereenkomst met C(allisthus); het schip wordt gerepareerd en verlaat korte tijd nadien de haven van Carthago. De rekening voor de reparatiewerkzaamheden wordt te Rome, namens de scheepswerf door haar locale vertegenwoordiger, gepresenteerd aan A(lbinovanus). Deze blijkt evenwel, kort voordien, in staat van faillissement te zijn verklaard. De locale vertegenwoordiger van de scheepswerf laat zich adviseren over de rechtspositie van de werf door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die te verstaan geeft dat C(allisthus)

a. slechts beschikt over een vordering tegen A(lbinovanus), maar niet tegen B(abrius), omdat deze heeft gehandeld in naam en in opdracht van zijn werkgever.

b. zowel tegen A(lbinovanus), als tegen B(abrius) kan ageren, omdat in een geval als dit sprake is van hoofdelijke aansprakelijkheid.

c. slechts beschikt over een vordering tegen B(abrius), omdat hij degene is geweest die een overeenkomst met C(allisthus) heeft gesloten.

d. noch tegen A(lbinovanus), noch tegen B(abrius) kan ageren, omdat B(abrius) zijn eigen aansprakelijkheid heeft uitgesloten door in naam van zijn werkgever te contracteren en A(lbinovanus) niet aansprakelijk is, omdat het Romeinse recht geen vertegenwoordiging kende.

 

24 I. Slechts de onmiddellijke houder kan bezit verschaffen.

II. Iedere bezitter kan eigendom overdragen.

a. Stelling I is juist, stelling II is onjuist.

b. Stelling I is juist, stelling II is juist.

c. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.

d. Stelling I is onjuist, stelling II is onjuist.

 

25 I. Iedere verbintenis (obligatio) berust op een daartoe strekkende wilsovereenstemming (consensus).

II. Iedere wilsovereenstemming (consensus) leidt tot de daarmede beoogde verbintenis (obligatio).

a. Stelling I is juist, stelling II is onjuist.

b. Stelling I is juist, stelling II is juist.

c. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.

d. Stelling I is onjuist, stelling II is onjuist.

 

26 A(nchises) is eigenaar van een steenbakkerij (lateraria). Bij het opmaken van de inventaris, mist hij duizenden stenen. Na een grondig onderzoek is hem gebleken dat de stenen zijn gestolen door de aannemer (conductor) B(aresius), die ze heeft gebruikt in zijn bouwprojecten. Eén van die bouwprojecten betreft het huis van C(laudius), dat geheel en al is opgetrokken uit bouwmateriaal dat van A(nchises) is gestolen. Bovendien bevindt zich nog een groot aantal van A(nchises) gestolen stenen op het bouwterrein van B(aresius). Aangezien de stenen van de steenbakkerij van A(nchises) zijn voorzien van het stempel van de steenbakker, kan hij op eenvoudige wijze aantonen welke stenen uit zijn fabriek afkomstig zijn.

Welke der onderstaande stellingen is juist?

a. A(nchises) beschikt over de revindicatie tegen C(laudius), of de ‘ongedaanmakingsactie op grond van diefstal’ (condictio furtiva) tegen B(aresius).

b. A(nchises) beschikt ten aanzien van de in het huis van C(laudius) verwerkte stenen over de ‘ongedaanmakingsactie op grond van diefstal’ (condictio furtiva) tegen B(aresius) en ten aanzien van de zich nog op diens bouwterrein bevindende stenen ook over de revindicatie tegen B(aresius).

c. A(nchises) beschikt over de ‘ongedaanmakingsactie op grond van diefstal’ (condictio furtiva) tegen C(laudius) en ten aanzien van de zich nog op diens bouwterrein bevindende stenen over de revindicatie tegen B(aresius).

d. A(nchises) beschikt slechts ten aanzien van de zich nog op diens bouwterrein bevindende stenen over de revindicatie tegen B(aresius).

 

27 A(lbinus), woonachtig te Athene, wil verhuizen naar Rome en neemt daarom schriftelijk contact op met de aldaar gevestigde makelaar (proxeneta) B(ulbus) om voor hem een villa op één van Rome’s heuvels te kopen voor een bedrag dat niet hoger dan 150.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) mag liggen. Bovendien neemt A(lbinus) schriftelijk contact op met het te Rome gevestigde bankiershuis van C(inna), met het verzoek hem een crediet van 200.000 HS toe te zeggen, onder gelijktijdige aanbieding van een hypotheek op de daarmede te Rome aan te kopen villa. Het bankiershuis laat daarop schriftelijk weten aan dit verzoek van A(lbinus) te zullen voldoen. Binnen een week nadien weet B(ulbus) aan A(lbinus) te berichten dat hij voor het bedrag van 150.000 HS een villa voor hem heeft gekocht op de Aventijn, nog steeds een rustige villawijk in de Romeinse binnenstad. Te Rome aangekomen, presenteert B(ulbus) de rekening voor zijn bemiddeling, die naar Romeins recht als verhuur van werkzaamheden werd gequalificeerd, alsmede de rekening voor de aankoop van de villa. Als A(lbinus) aan de bank van C(inna) verzoekt dit bedrag ter beschikking van B(ulbus) te stellen, stuit hij op een weigering van de bank, die hem geen crediet meer wil verstrekken.

Welke der onderstaande stellingen is juist?

a. De overeenkomsten tussen A(lbinus) en C(inna) en A(lbinus) en B(ulbus) zijn op geldige wijze tot stand gekomen.

b. De overeenkomst tussen A(lbinus) en C(inna) is niet op geldige wijze tot stand gekomen, maar die tussen A(lbinus) en B(ulbus) wel.

c. Noch de overeenkomst tussen A(lbinus) en C(inna), noch die tussen A(lbinus) en B(ulbus) is op geldige wijze tot stand gekomen.

d. De overeenkomst tussen A(lbinus) en C(inna) is op geldige wijze tot stand gekomen, maar die tussen A(lbinus) en B(ulbus) niet.

 

28 A(ricia), de weduwe van Hippolytus, heeft een recht van vruchtgebruik (usus fructus) op het woonhuis van haar overleden echtgenoot. Haar zoon B(rutus) is de enige erfgenaam van zijn vader Hippolytus. B(rutus) verkeert in ernstige geldnood en leent daarom een bedrag van 200.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) van het bankiershuis C(ommodius); tot zekerheid van die geldlening vestigt hij een hypotheek op het woonhuis dat hij van zijn vader heeft geërfd. Als na enige tijd blijkt dat B(rutus) zijn lening niet kan afbetalen, wil C(ommodius) overgaan tot executie van zijn hypotheekrecht. A(ricia) laat zich adviseren over haar rechtspositie door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die haar te verstaan geeft dat

a. de hypotheek nietig is, omdat B(rutus) niet bevoegd is om zonder haar toestemming een hypotheek te vestigen.

b. de hypotheek geldig is gevestigd en dat A(ricia) zich daarom niet tegen de executie en de ontruimingsvordering van de nieuwe eigenaar kan verzetten.

c. de hypotheek nietig is, omdat voor de vestiging daarvan is vereist dat de hypotheekhouder in het bezit van de tot zekerheid strekkende zaak wordt gesteld.

d. de hypotheek geldig is gevestigd en ook kan worden ten uitvoer gelegd, maar dat A(ricia) zich met vrucht tegen de ontruimingsvordering van de nieuwe eigenaar kan verzetten.

 

29 A(sinius) en B(ibius) zijn de hoofdelijke debiteuren (correi promittendi) van C(roesus), aan wie zij samen het bedrag van 180.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) zijn verschuldigd. Tussen A(sinius) en B(ibius) is overeengekomen dat A(sinius) daartoe een bijdrage van 120.000 HS en B(ibius) van 60.000 HS zal leveren. Op zekere dag verkoopt A(sinius) zijn huis in de Romeinse badplaats Baiae aan C(roesus) voor de som van 120.000 HS; bij wijze van betaling is overeengekomen dat de koopprijs verrekend wordt met de schuld die A(sinius) bij C(roesus) heeft. Enige tijd nadien spreekt C(roesus) B(ibius) aan tot betaling van 180.000 HS. B(ibius), die van de betalingsregeling tussen A(sinius) en C(roesus) heeft gehoord, laat zich adviseren over zijn rechtspositie door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat hij aansprakelijk kan worden gesteld voor

a. 20.000 HS

b. 30.000 HS

c. 60.000 HS

d. 180.000 HS

 

30 A(loysius) heeft een groot geldsbedrag geleend van het bankiershuis B(ubulcus); tot zekerheid van die schuld heeft hij een hypotheek gevestigd op zijn woonhuis. Voordat hij zijn schuld heeft afbetaald, komt A(loysius) te overlijden; hij heeft twee erfgenamen – C(harisius) en D(ionysius) – die beiden de nalatenschap vol en zuiver hebben aanvaard. De erfgenamen verkopen het woonhuis van A(loysius) aan zijn buurman E(gidius), die van het bestaan van de hypotheek niet op de hoogte is. De overdracht van de woning vindt op de voorgeschreven wijze (door middel van mancipatio) plaats. Wanneer enige tijd later blijkt dat de erfgenamen de schulden van hun erflater niet kunnen voldoen, wil B(ubulcus) overgaan tot executie van zijn hypotheek en stelt daarom de actio Serviana in tegen E(gidius). E(gidius) laat zich over zijn rechtspositie adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

a. hij zich niet tegen de eis van de hypotheekhouder kan verzetten omdat er volledig zaaksgevolg is verbonden aan diens recht van hypotheek.

b. hij zich met vrucht tegen de eis van de hypotheekhouder kan verzetten omdat hij niet wist van het bestaan van de hypotheek.

c. hij zich met vrucht tegen de eis van de hypotheekhouder kan verzetten omdat hij niet aansprakelijk is voor de schuld tot zekerheid waarvan de hypotheek is gevestigd.

d. hij zich niet tegen de eis van de hypotheekhouder kan verzetten, omdat de overdracht aan hem nietig is, aangezien er zonder toestemming van de hypotheekhouder niet over het huis kan worden beschikt.

 

 

 

CASUS

 

Hoge Raad van Holland en Zeeland d.d. 15 december 1745

(Willem Pauw,

Observationes tumultuariae novae

I, no 145, edd. Fischer e.a., Haarlem 1964.)

*

 

Ene ‘Maevius’ had een maatschapsovereenkomst (societas) gesloten met ‘Sempronius’ die ten doel had wijnen in te kopen en te verkopen. Maevius had een hoeveelheid wijn ter waarde van flor. 3875 gekocht van ‘Titius’. De wijn was geleverd, maar niet door Maevius betaald, waarop Titius Maevius en Sempronius dagvaardde en hen hoofdelijk voor de schuld aansprakelijk stelde. Lopende de daaropvolgende procedure werd Maevius failliet verklaard. Sempronius beriep zich op het feit dat alleen de handelende maat aansprakelijk is voor door hem gesloten overeenkomsten en dat hij derhalve niet aansprakelijk kon worden gesteld voor de schulden die zijn maat had gemaakt, zelfs niet wanneer, zoals feitelijk was vastgesteld, Sempronius zelf een gedeelte van de door zijn maat ingekochte wijn had verkocht en de daarvoor verschuldigde koopprijs had geïnd.

 

De voormalige Hoge Raad van Holland en Zeeland diende de vraag te beslissen op basis van het toentertijd in Holland geldende Romeinse recht. Hoe heeft de Hoge Raad in dit geval beslist?

 

 

Antwoordindicaties Tentamen 2

 

1. D 11. C 21. A

2. C 12. B 22. B

3. B 13. B 23. B

4. D 14. B 24. A + D

5. B 15. D 25. D

6. D 16. D 26. B

7. A 17. C 27. B

8. C 18. B 28. D

9. D 19. A 29. C

10. B 20. B 30. A

 

 

Tentamen 3

 

I Uitwendig deel

 

1 Gedurende de periode in de Romeinse geschiedenis die bekend staat als de ‘koningstijd’ werd, naar het eenstemmige oordeel van de Romeinse kroniekschrijvers, de koning opgevolgd door

a. degene die door de volksvergadering was gekozen.

b. zijn oudste zoon.

c. degene die door de senaat was aangewezen.

d. zijn testamentaire erfgenaam.

 

2 Ten tijde van de Romeinse ‘Republiek’ kon de rechtskracht van een ‘wet in formele zin’ (lex of plebiscitum) worden beperkt door

a. een ‘edict’ (edictum) van een ‘volkstribuun’ (tribunus plebis).

b. een contrair besluit van het college van staatspriesters (pontifices).

c. een contrair senaatsbesluit (senatus consultum).

d. een ‘edict’ (edictum) van een magistraat ‘met souverein gezag’ (cum imperio).

 

3 De vertaling ‘volkstribuun’ voor een Romeinse tribunus plebis is misleidend, omdat hij

a. slechts met toestemming van de senaat wetten kon uitvaardigen die bindend waren voor het gehele volk.

b. niet het gehele Romeinse volk vertegenwoordigde.

c. slechts met toestemming van een consul wetten kon uitvaardigen die bindend waren voor het gehele volk.

d. niet de senaat vertegenwoordigde.

 

4 Rechtsvorming door middel van wetgeving in formele zin (leges of plebiscita) heeft in het Romeinse privaatrecht ná de uitvaardiging van de ‘Wet van de Twaalf Tafelen’ (Lex XII Tabularum) een betrekkelijk ondergeschikte rol gespeeld. Dit vindt, onder meer, zijn verklaring in het feit dat in de rechtsvorming een belangrijke rol was toebedeeld aan

a. het natuurrecht (ius gentium).

b. de vonnissen van rechters.

c. de redelijkheid en billijkheid (bona fides) die altijd tussen burgers in acht diende te worden genomen.

d. het gewoonterecht (mos maiorum).

 

5 Op welke der onderstaande ‘Republikeinse’ bevoegdheden berustte in het staatsrecht van de Romeinse keizertijd het gezag van de keizer binnen de stad Rome?

a. De souvereiniteit (imperium) die aan het consulaat was verbonden.

b. Het gezag (auctoritas) dat aan het opperpriesterschap was verbonden.

c. Het gezag (auctoritas) dat aan het voorzitterschap van de senaat was verbonden.

d. De macht (potestas) die aan het volkstribunaat was verbonden.

 

6 Het ambt van ‘vreemdelingen-praetor’ (praetor peregrinus) was in Rome goeddeels overbodig geworden nadat

a. Julianus in opdracht van keizer Hadrianus het ‘eeuwige edict’ (edictum perpetuum) had gecodificeerd.

b. het ius gentium door keizer Justinianus als rechtsbron was vervangen door de wet.

c. keizer Caracalla in 212 n. Chr. de zogeheten ‘Antonijnse wet’ (constitutio Antoniniana) had uitgevaardigd.

d. Gnaeus Flavius de uitleg van de ‘Wet van de Twaalf Tafelen’ (Lex XII Tabularum) bekend had gemaakt.

 

7 Welke der onderstaande rechtsboeken maakt in formele zin géén onderdeel uit van Justinianus’ codificatie?

a. De Codex.

b. De Digesten.

c. De Instituten.

d. De Novellen.

 

8 Het zogeheten ‘Authenticum’ is een Latijnse vertaling van

a. de Codex.

b. de Digesten.

c. de Instituten.

d. de Novellen.

 

9 Onder een zogeheten ‘interpolatie’ verstaat men

a. de uitleg van een bepaling uit het Corpus Iuris door een middeleeuwse hoogleraar.

b. de aanpassing van een tekst uit het klassieke Romeinse recht door Justinianus’ codificatiecommissie.

c. de uitleg van een bepaling uit het Corpus Iuris door een keizerlijke rechter.

d. de aanpassing van een tekst uit het Corpus Iuris door een middeleeuwse keizer van het Heilige Romeinse Rijk.

 

10 Het in de Middeleeuwen gerecipieerde Romeinse recht staat ook wel bekend als het ‘geleerde’ recht, omdat

a. in de Italiaanse steden slechts hoogleraren als rechter konden worden aangesteld.

b. in de Middeleeuwen vonnissen als regel niet werden gemotiveerd, zodat men de uitleg van het Corpus Iuris slechts kon kennen uit de commentaren van hoogleraren.

c. de middeleeuwse keizers van het Heilige Romeinse Rijk slechts hoogleraren tot rechters benoemden.

d. het belangrijkste onderdeel van het Corpus Iuris, de Digesten, bestaat uit een bloemlezing uit de geschriften van Romeinse rechtsgeleerden.

 

 

II Inwendig deel

 

11 A(ulus) heeft een vordering van 10.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) op B(lasius) en dagvaardt hem voor de praetor. B(lasius) laat verstek gaan. Dit heeft tot gevolg dat

a. de praetor de vordering van A(ulus) toewijst, omdat verstek van de gedaagde geldt als bekentenis (confessio).

b. de gedaagde indefensus werd verklaard, waarop beslag op zijn gehele vermogen (missio in bona) volgt.

c. de praetor A(ulus) doorverwijst naar een iudex die de vordering van A(ulus) toewijst.

d. de praetor de vordering van A(ulus) afwijst (denegatio actionis).

 

12 A(ppius) heeft een paard verkocht aan B(avius) voor de prijs van 10.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid). Enkele maanden nadat hij dat paard op de daarvoor voorgeschreven wijze aan B(avius) heeft overgedragen en afgeleverd, is de koopprijs nog steeds niet betaald. Nadat B(avius) enkele malen zonder succes door A(ppius) in gebreke is gesteld, komt het tot een procedure, waarbij A(ppius) van B(avius) de koopprijs, vermeerderd met de over dat bedrag verschuldigde rente, vordert. B(avius) verweert zich tegen deze eis door te stellen (en te bewijzen) dat er geen rentebeding is gemaakt, zodat hij niet kan worden veroordeeld tot het betalen van rente.

De rechter die over de zaak moet oordelen legt de zaak voor aan een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

a. B(avius) slechts tot betaling van de koopsom moet worden veroordeeld, omdat er geen rente is bedongen en het een overeenkomst ‘naar streng recht’ (stricti iuris) betreft.

b. A(ppius) met de door hem ingestelde ‘actie uit verkoop’ (actio venditi) slechts betaling van de koopprijs kan vorderen; voor de betaling van de rente dient hij een afzonderlijke rechtsvordering op grond van ongegronde verrijking (condictio) in te stellen.

c. B(avius) tot betaling van de koopsom, vermeerderd met de rente, moet worden veroordeeld, omdat het een overeenkomst betreft die in overeenstemming met de redelijkheid en billijkheid (bona fides) ten uitvoer moet worden gelegd.

d. A(ppius) met de door hem ingestelde ‘actie uit verkoop’ (actio venditi) slechts betaling van de koopprijs kan vorderen; voor de betaling van de rente dient hij een afzonderlijke rechtsvordering op grond van onrechtmatige daad (delictum) in te stellen.

 

13 A(elius) heeft een stuk grond in Italië voor de duur van vijftig jaren in erfpacht (emphyteusis) gegeven aan B(rutus). Als A(elius) drie jaren nadien besluit naar de bloeiende Romeinse provincie Mauretania (Marokko) te verhuizen, draagt hij al zijn Italiaanse bezittingen (waaronder ook de grond die aan B(rutus) in erfpacht is gegeven) over aan C(assius). C(assius) wil de grond die in gebruik is bij B(rutus) onmiddellijk in exploitatie nemen en vordert met de rei vindicatio ontruiming.

C(assius) laat zich over zijn rechtspositie voorlichten door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

a. de overdracht aan C(assius) nietig is ten aanzien van de in erfpacht gegeven grond, omdat een eigenaar niet meer bevoegd is om te beschikken over een zaak waarop een (beperkt) zakelijk recht is gevestigd.

b. de overdracht van de in erfpacht gegeven grond geldig is, zodat B(rutus) slechts beschikt over een vordering uit wanprestatie tegen A(elius).

c. de overdracht aan C(assius) nietig is ten aanzien van de in erfpacht gegeven grond, omdat de daaraan ten grondslag liggende titel nietig is.

d. de overdracht van de in erfpacht gegeven grond geldig is, maar geen nadelig effect heeft op het gebruiksrecht van B(rutus), omdat het een zakelijk recht betreft.

 

14 A(rrius) heeft op 1 januari van het jaar 755 ná de stichting van de stad (1 n. Chr) 10.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) geleend van B(aldus); voor die schuld heeft C(rassus) zich hoofdelijk borg gesteld. Op 2 februari van het jaar 756 ( 2 n. Chr.) leent A(rrius) 20.000 HS van D(ecius), voor welke schuld hij ten gunste van D(ecius) een hypotheek vestigt op zijn huis. Weer een jaar later leent A(rrius) een bedrag van 30.000 HS van E(nnius); de lening is na drie maanden opeisbaar. Een half jaar later wordt A(rrius) failliet verklaard. Het blijkt dan dat hij één maand voordien de helft van zijn lening van E(nnius) heeft afgelost.

Welke van de navolgende stellingen over deze feiten is juist?

a. De betaling aan E(nnius) is nietig, omdat een debiteur allereerst dient te betalen aan een crediteur met een zakelijk zekerheidsrecht (D(ecius)).

b. De betaling aan E(nnius) is geldig, maar B(aldus) kan haar op grond van schuldeisersbenadeling met de actio Pauliana aantasten.

c. De betaling aan E(nnius) is nietig, omdat een debiteur zijn crediteuren in rangorde van de ouderdom van hun vorderingsrecht dient te voldoen.

d. De betaling aan E(nnius) is geldig en is ook niet ‘Paulianeus’, omdat het niet om een onverplichte rechtshandeling gaat.

 

15 A(rruns) is eigenaar van een bijzondere pottenbakkersschijf (een res nec mancipi) die hij voor de duur van drie jaren heeft verhuurd aan de pottenbakker B(abrius). B(abrius) heeft de schijf, zonder toestemming van A(rruns), verhuurd aan C(laudius), die denkt dat de schijf eigendom van B(abrius) is. Enige tijd nadien koopt C(laudius) de door hem van B(abrius) gehuurde schijf van B(abrius), die de schijf brevi manu aan hem levert. Drie jaren later wil A(rruns) zijn schijf terug. B(abrius) blijkt met de noorderzon te zijn vertrokken en A(rruns) vordert daarom met de rei vindicatio van C(laudius) afgifte van de schijf.

A(rruns) laat zich over zijn rechtspositie voorlichten door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

a. C(laudius) eigenaar is geworden, omdat hij gedurende drie jaar te goeder trouw en krachtens een geldige titel in het bezit van de schijf is geweest.

b. C(laudius) geen eigenaar is geworden, omdat B(abrius), als houder voor A(rruns), niet in staat was om hem het bezit te verschaffen.

c. C(laudius) eigenaar is geworden op het tijdstip waarop B(abrius) de schijf aan C(laudius) heeft geleverd.

d. C(laudius) geen eigenaar is geworden, omdat het om een zaak gaat die niet vatbaar is voor verjaring.

 

16 A(vienus) heeft 100.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) geleend aan B(ibulus) en C(atullus); de laatsten hebben zich voor die schuld hoofdelijk verbonden. B(ibulus) en C(atullus) hebben onderling afgesproken dat de een de ander voor de helft schadeloos zal stellen, als één van hen de hele schuld aan A(vienus) aflost. Op zekere dag komt B(ibulus) te overlijden; in zijn testament heeft hij A(vienus) tot zijn erfgenaam benoemd, die – voor zover nodig – de nalatenschap vol en zuiver heeft aanvaard. A(vienus) stelt enige tijd nadien een rechtsvordering in tegen C(atullus), waarmede hij betaling van 100.000 HS vordert.

C(atullus) laat zich over zijn rechtspositie voorlichten door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

a. de eis moet worden afgewezen, omdat C(atullus) slechts 50.000 HS aan A(vienus) is verschuldigd.

b. de eis moet worden toegewezen, omdat C(atullus) de hoofdelijke schuldenaar van A(vienus) is.

c. de eis moet worden afgewezen, omdat C(atullus) in het geheel niets meer aan A(vienus) is verschuldigd.

d. de eis moet worden toegewezen, zij het dan dat C(atullus) bij wege van exceptie een beroep kan doen op compensatie.

 

17 A(canthus) en B(ibaculus) zijn mede-eigenaren van het renpaard Bucephalus (een res mancipi). Het paard doet het erg goed in de races en op zekere dag doet daarom de steenrijke ondernemer C(roesus) een bod op het paard. Het wordt door A(canthus) geaccepteerd, maar door B(ibaculus) verworpen. C(roesus) weet daarop A(canthus) te bewegen zijn aandeel in het paard te verkopen en op de voorgeschreven wijze aan hem over te dragen. B(ibaculus) wil onder geen beding afstand doen van zijn aandeel.

C(roesus) laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

a. hij nimmer tegen de wil van B(ibaculus) de exclusieve eigendom van het paard kan verwerven, omdat die niet kan worden gedwongen om zijn aandeel aan hem te verkopen.

b. de overdracht door A(canthus) nietig is, omdat deze slechts met toestemming van de andere eigenaar (B(ibaculus)) over zijn aandeel kan beschikken.

c. hij met vrucht een scheiding- en delingsprocedure (actio communi dividundo) kan instellen tegen B(ibaculus), omdat niemand kan worden gedwongen om tegen zijn zin in een gemeenschap te blijven.

d. de overdracht door A(canthus) nietig is, omdat men van een onlichamelijke zaak, zoals een onverdeeld aandeel in een gemeenschappelijke zaak, geen bezit kan verschaffen.

 

18 De Alexandrijnse graanhandelaar A(lexander) heeft een lading graan verkocht aan de Romeinse graanimporteur B(oethius) voor de prijs van 35.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid). Er is afgesproken dat het graan te Ostia (de haven van Rome) zal worden afgeleverd en betaald aan de kapitein van het schip ‘De Zwaan’ (Cygnus), dat eigendom is van A(lexander). Als het schip zijn graan in Ostia heeft afgeleverd, meldt zich ten kantore van B(oethius) een zeeman die zich afficheert als de kapitein van het schip en die zelfs een (vervalste) volmacht van A(lexander) weet te produceren die hem machtigt betaling namens A(lexander) in ontvangst te nemen. B(oethius) betaalt daarop het overeengekomen bedrag aan de zeeman. Enige uren nadien meldt zich ten kantore van B(oethius) een andere zeeman die zich óók afficheert als de kapitein van het schip en die zelfs een (echte) volmacht van A(lexander) weet te produceren die hem machtigt betaling namens A(lexander) in ontvangst te nemen. B(oethius) weigert aan hem te betalen, waarop hij namens A(lexander) in rechte wordt gedagvaard door één van diens vertegenwoordigers in Rome.

B(oetius) laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

a. hij nog een keer moet betalen, omdat men slechts bevrijdend kan betalen aan zijn schuldeiser of iemand die namens deze bevoegd is om betaling in ontvangst te nemen.

b. bevrijdend heeft betaald, omdat hij niet wist of kon weten dat degene aan wie hij had betaald niet bevoegd was om namens zijn contractspartij betaling in ontvangst te nemen.

c. hij nog een keer moet betalen, maar zich van die verplichting kan ontslaan door zijn vordering uit onverschuldigde betaling tegen de oplichter aan zijn schuldeiser te cederen.

d. bevrijdend heeft betaald, omdat in gevallen zoals dit de schuldeiser het risico dient te aanvaarden dat aan de verkeerde persoon wordt betaald.

 

19 De bouwondernemer A(rborius) is eigenaar van een bloeiend aannemersbedrijf. De aanzienlijke winsten worden, onder meer, mogelijk gemaakt doordat hij het bouwmateriaal, dat hij aan zijn klanten in rekening brengt, door zijn knechten pleegt te laten stelen uit de opslagplaatsen van handelaren in hout en baksteen. Op zekere dag wordt hij ontmaskerd door de stenenhandelaar B(rixtus), die heeft weten te achterhalen dat het huis dat A(rborius) in opdracht van C(aecus) op diens (C(aecus)’s) grond heeft gebouwd, geheel en al is opgetrokken uit door A(rborius) van hem (B(rixtus)) gestolen bakstenen.

Welke der onderstaande stellingen is juist?

a. C(aecus) is ten koste van B(rixtus) verrijkt, omdat hij door natrekking eigenaar is geworden van andermans bakstenen en hij kan daarom met vrucht in rechte worden aangesproken met de actie uit baatrekking (actio de in rem verso).

b. Doordat alle stenen waaruit het huis van C(aecus) is opgetrokken eigendom waren van B(rixtus), zijn C(aecus) en B(rixtus) mede-eigenaren van dat huis geworden.

c. C(aecus) is niet ten koste van B(rixtus) verrijkt, omdat hij voor de bakstenen heeft betaald, zodat B(rixtus) zich met een vordering op grond van diefstal (actio furti) kan verhalen op A(rborius).

d. Doordat alle stenen waaruit het huis is opgetrokken eigendom zijn van B(rixtus), is B(rixtus) door zaaksvorming eigenaar geworden van dat huis.

 

20 I. Alle verbintenisscheppende overeenkomsten van het Romeinse recht dienden, op straffe van nietigheid, te berusten op wilsovereenstemming (consensus).

II. Niet elke wilsovereenstemming schiep in het Romeinse recht een in rechte afdwingbare overeenkomst.

a. Stelling I is juist, stelling II is juist.

b. Stelling I is juist, stelling II is onjuist,

c. Stelling I is onjuist, stelling II is onjuist.

d. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.

 

21 A(nicius) heeft goede gronden om te vrezen dat hij in ongenade zal vallen bij de wrede keizer Nero en dat zijn vermogen dientengevolge in beslag zal worden genomen. Hij schenkt daarom al zijn onroerend goed in Italië aan zijn neef B(assus), zulks onder het beding dat die het, na zijn dood, in eigendom zal overdragen aan zijn enige zoon C(aeso). Enige tijd nadien valt A(nicius) inderdaad in ongenade bij de keizer en wordt hij op diens last onthoofd. Alle bezittingen van A(nicius) worden in beslag genomen, maar het onroerend goed in Italië blijft onaangetast, omdat het inmiddels eigendom is geworden van B(assus). Na de dood van keizer Nero, wendt zich C(aeso), de enige zoon en erfgenaam van A(nicius), tot zijn verwant B(assus) met het verzoek het onroerend goed in Italië dat door zijn vader aan B(assus) is geschonken aan hem over te dragen. B(assus) weigert op dat verzoek in te gaan.

C(aeso) wendt zich tot een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

a. C(aeso) géén partij is geweest bij de schenkingsovereenkomst en daarvan dientengevolge geen uitvoering kan verlangen.

b. C(aeso) weliswaar géén partij is geweest bij de schenkingsovereenkomst, maar dat de niet-nakoming ervan jegens hem een onrechtmatige daad (delictum) oplevert die hem het recht geeft schadevergoeding te vorderen.

c. C(aeso) met vrucht uitvoering kan verlangen van de door zijn vader ten behoeve van hem gesloten overeenkomst.

d. C(aeso) weliswaar géén partij is geweest bij de schenkingsovereenkomst, maar dat hij met vrucht ongedaanmaking van de schenking kan vorderen omdat die onder dwang tot stand is gekomen.

 

22 A(lexius) is eigenaar van een aantal muilezels (res mancipi) die hij voor de duur van twee jaren heeft verhuurd aan B(olus). Anderhalf jaar na het sluiten van deze overeenkomst, verkoopt hij al zijn muilezels aan C(aecina) en draagt die op de voorgeschreven wijze (mancipatio) aan deze over, zulks onder het (gebruikelijke) beding dat de koper de rechten van de huurder zal respecteren. Noch A(lexius), noch C(aecina) weten op dat tijdstip dat de aan B(olus) verhuurde muilezels kort voordien zijn gestolen door de beruchte struikrover D(inus). Een half jaar later wordt A(lexius) failliet verklaard en eindigt de huurovereenkomst met B(olus). De muilezels bevinden zich in de stallen van de Romeinse politie (vigiles), waarheen ze, samen met het andere door D(inus) gestolen vee, zijn overgebracht nadat deze was gearresteerd. De curator in het faillissement van A(lexius) vordert afgifte van de muilezels van de politie; C(aecina) doet hetzelfde. De hoofdcommissaris van politie (praefectus vigilum) weet nu niet aan wie hij de muilezels moet afgeven en vraagt om advies.

Welke van de navolgende stellingen is juist?

a. De muilezels zijn eigendom van A(lexius), omdat hij het bezit ervan, na de diefstal door D(inus) niet meer aan C(aecina) kon verschaffen.

b. De muilezels zijn eigendom van C(aecina), omdat ze op geldige wijze aan hem zijn overgedragen door een beschikkingsbevoegde.

c. De muilezels zijn eigendom van A(lexius), omdat hij, na zijn faillissement, niet meer bevoegd was om over de eigendom van de muilezels te beschikken.

d. De muilezels zijn eigendom van C(aecina), omdat de mancipatio een abstracte wijze van eigendomsoverdracht is.

 

23 De graanhandelaar en reder A(lexander) laat een voorraad graan, bestemd voor Rome, transporteren in zijn schip ‘De Zwaan’ (Cygnus). Het graan is verkocht aan de Romeinse graanimporteur B(oethius), aan wie A(lexander) ook ‘De Zwaan’ heeft verkocht. Het schip (een res nec mancipi) zal, met het graan, worden afgeleverd in de Romeinse haven Ostia. ‘De Zwaan’ gaat in een vliegende storm met man en muis verloren nog voordat het schip de haven van Ostia heeft bereikt.

B(oethius) laat zich door een rechtsgeleerde (iuris peritus) adviseren over de gevolgen van dit noodlottige ongeval. Diens advies luidt dat

a. de overeenkomst van graanleverantie door overmacht is ontbonden, maar dat B(oethius) de koopprijs van het schip moet betalen, omdat in dit geval het risico voor de koper is.

b. beide overeenkomsten door overmacht zijn ontbonden.

c. de koopovereenkomst van het schip door overmacht is ontbonden, maar dat de overeenkomst van graanleverantie nog steeds van kracht is, omdat het soortzaken betreft.

d. dat de overeenkomst van graanleverantie nog steeds van kracht is, omdat het soortzaken betreft en dat B(oethius) de koopprijs van het schip moet betalen, omdat in dit geval het risico voor de koper is.

 

24 De antiquair A(lfenus) heeft op zekere dag een kostbaar antiek beeldje verkocht aan B(oios); het staat in zijn winkel aan de Romeinse ‘Breestraat’ (Via lata). B(oios) betaalt onmiddellijk de koopprijs en spreekt met A(lfenus) af dat hij het beeldje de volgende dag zal komen afhalen. A(lfenus) besluit het beeldje zo lang op te bergen in een tegenover zijn winkel gelegen pakhuis, omdat dit – anders dan zijn winkel – kan worden afgesloten. Als hij de ‘Breestraat’ oversteekt, wordt hij overreden door een stel muilezels dat op hol is geslagen omdat het slecht wordt gemend door de muilezeldrijver C(anisius). A(lfenus) breekt ten gevolge van het ongeluk zijn nek en is op slag dood; het beeldje spat in tientallen delen uiteen op het plaveisel. De volgende dag krijgt B(oios) een verslag van het ongeluk van D(idius), de zoon en enige erfgenaam van A(lfenus). Als B(oios) de door hem reeds vooruit betaalde koopprijs terugvraagt, weigert D(idius) aan dit verzoek te voldoen.

B(oios) laat zich door een rechtsgeleerde (iuris peritus) adviseren over zijn positie. Die geeft hem te verstaan dat

a. hij de koopprijs niet kan terugvorderen, maar dat hij beschikt over een vordering uit onrechtmatige daad op grond van zaakbeschadiging (actio ex lege Aquilia) tegen C(anisius).

b. de koopprijs aan hem moet worden teruggegeven, omdat D(idius) beschikt over een vordering uit onrechtmatige daad op grond van zaakbeschadiging (actio ex lege Aquilia) tegen C(anisius).

c. hij de koopprijs niet kan terugvorderen, maar dat D(idius) zijn vordering uit onrechtmatige daad op grond van zaakbeschadiging (actio ex lege Aquilia) tegen C(anisius) door middel van een ‘cessiemandaat’ aan B(oios) moet cederen, omdat D(idius) anders ongerechtvaardigd is verrijkt.

d. hij de koopprijs niet kan terugvorderen en dat noch hij, noch D(idius) beschikt over een vordering uit onrechtmatige daad op grond van zaakbeschadiging (actio ex lege Aquilia) tegen C(anisius).

 

25 In de zeer dicht bevolkte Romeinse stadswijk Suburra breekt regelmatig brand uit, omdat de woningen in die volkswijk zeer dicht op elkaar zijn gebouwd en grotendeels uit hout zijn opgetrokken. De senaat besluit daarom tot herinrichting van die wijk; de grond zal (tegen een redelijke, door deskundigen vast te stellen, vergoeding) worden onteigend en de bestaande bebouwingen zullen worden afgebroken om plaats te maken voor moderne flatgebouwen (insulae) die op veilige afstand van elkaar zullen worden gebouwd. Teneinde grondspeculatie tegen te gaan, is in het daartoe strekkende senaatsbesluit bepaald dat na het tijdstip van het besluit de verkoop van onroerend goed in de Suburra is verboden. Een week nadien verkoopt A(sinus), die niet van het senaatsbesluit op de hoogte is, een aantal huizen in de Suburra voor een zacht prijsje aan de speculant B(erlusconus); de eigendomsoverdracht vindt nog diezelfde dag op de daarvoor voorgeschreven wijze (mancipatio) plaats. Een maand later vindt de onteigening van die huizen plaats en B(erlusconus) strijkt een aardige winst op. A(sinus) is twee weken voordien failliet verklaard en de curator in zijn faillissement maakt aanspraak op de door B(erlusconus) gemaakte winst.

B(erlusconus) laat zich door een rechtsgeleerde (iuris peritus) adviseren over zijn positie. Die geeft hem te verstaan dat

a. de overdracht geldig is, omdat de mancipatio een abstracte wijze van eigendomsoverdracht is, zodat B(erlusconus) geen enkele verplichting meer heeft jegens A(sinus).

b. de overdracht nietig is, omdat daaraan een nietige titel ten grondslag ligt. Dientengevolge moet de aan B(erlusconus) uitgekeerde onteigeningsvergoeding door deze worden betaald aan A(sinus), uiteraard verminderd met hetgeen deze als koopprijs heeft ontvangen.

c. de overdracht geldig is, omdat de mancipatio een abstracte wijze van eigendomsoverdracht is. Desalniettemin is B(erlusconus) verplicht om, op grond van onverschuldigde betaling, de waarde van het huis, zijnde de onteigeningsvergoeding, aan A(sinus) uit te keren, uiteraard verminderd met hetgeen deze als koopprijs heeft ontvangen.

d. de overdracht nietig is, omdat daaraan een nietige titel ten grondslag ligt. De senaat zal daarom een vergoeding moeten betalen aan A(sinus) en kan, op grond van onverschuldigde betaling, met vrucht een rechtsvordering instellen tegen B(erlusconus).

 

26 Welke van de onderstaande obligatoire overeenkomsten kan naar Romeins recht niet als een ‘reëel’ contract worden beschouwd?

a. Bruikleen (commodatum).

b. Verbruikleen (mutuum).

c. Bewaargeving (depositum).

d. Lastgeving (mandatum).

 

27 I. Iedere verjaringsbezitter is ‘Publiciaans’ bezitter.

II. Iedere verjaringsbezitter is ‘praetorisch’ eigenaar.

a. Stelling I is juist, stelling II is juist.

b. Stelling I is juist, stelling II is onjuist,

c. Stelling I is onjuist, stelling II is onjuist.

d. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.

 

28 A(lexander), eigenaar van het vrachtschip ‘De Zwaan’ (Cygnus), heeft kapitein B(ryson) in dienst genomen om het schip vanuit het Egyptische Alexandrië naar de Romeinse haven Ostia te varen. Hij voorziet de kapitein van alle noodzakelijke volmachten om, mocht dat noodzakelijk zijn, namens hem overeenkomsten te sluiten met derden tot behoud van de veiligheid van schip en lading. Tijdens een storm loopt ‘De Zwaan’ ernstige averij op en kapitein B(ryson) loopt daarom de haven van Pozzuoli (Puteoli) binnen, om het daar op de scheepswerf van de ondernemer C(estius) te laten repareren. Hij afficheert zich daarbij als gevolmachtigde van de eigenaar van het schip en sluit in diens naam een overeenkomst met C(estius). De kosten van de reparatiewerkzaamheden bedragen 80.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid). Omdat de rederij van A(lexander) een kantoor houdt in Pozzuoli, verlaat ‘De Zwaan’ de haven zonder dat de kapitein de reparatiekosten heeft betaald. Als C(estius) enige maanden later ten kantore van A(lexander) te Pozzuoli een rekening voor de door hem verrichte werkzaamheden indient, krijgt hij te horen dat de reder inmiddels failliet is verklaard. Hij besluit daarom die kosten te verhalen op kapitein B(ryson), die onmiddellijk na aankomst in Ostia de dienst van A(lexander) heeft verlaten wegens onenigheden met zijn werkgever.

B(ryson) laat zich door een rechtsgeleerde (iuris peritus) adviseren over zijn positie. Die geeft hem te verstaan dat

a. hij hoofdelijk aansprakelijk is voor de overeenkomst die hij in naam van zijn werkgever, binnen de grenzen van de aan hem verstrekte volmacht, heeft verricht.

b. hij slechts subsidiair aansprakelijk is, dat wil zeggen indien en voor zover als C(estius) niet wordt voldaan door zijn opdrachtgever.

c. hij niet aansprakelijk is voor een overeenkomst die hij in naam van zijn werkgever, binnen de grenzen van de aan hem verstrekte volmacht, heeft verricht.

d. hij als enige aansprakelijk is voor de overeenkomst die hij in naam van zijn werkgever, binnen de grenzen van de aan hem verstrekte volmacht, heeft verricht en wel omdat het Romeinse recht geen vertegenwoordiging kent.

 

29 A(cilius) heeft voor de duur van vijftig jaar een stuk grond in erfpacht (emphyteusis) gegeven aan B(lossius) die daarop een landbouwbedrijf wil beginnen. Dat valt B(lossius) echter tegen en hij draagt daarom zijn recht van erfpacht al binnen een jaar over aan C(incius). Korte tijd nadien komt B(lossius) te overlijden. In zijn testament heeft hij A(cilius) benoemd tot zijn erfgenaam; voor zover noodzakelijk, heeft A(cilius) de nalatenschap vol en zuiver aanvaard. A(cilius), die zelf plannen heeft met de in erfpacht gegeven grond, eist nu ontruiming van C(incius).

C(incius) laat zich door een rechtsgeleerde (iuris peritus) adviseren over zijn positie. Die geeft hem te verstaan dat

 

a. hij geen ontruiming hoeft te vrezen, daar hij beschikt over een zakelijk recht dat tegen de eigenaar werkt.

b. zijn recht van erfpacht is afgeleid van het recht van B(lossius) en daarom teniet is gegaan op het tijdstip waarop de bloot-eigenaar (A(cilius)) onder algemene titel opvolgt in het vermogen van B(lossius).

c. zijn recht van erfpacht weliswaar teniet is gegaan, maar dat hij, omdat A(cilius) de opvolger onder algemene titel is van zijn contractspartij (B(lossius)), de ontruimingseis kan afweren met een verweer van boos opzet (exceptio doli).

d. een recht van erfpacht onoverdraagbaar is, zodat hij, op grond van onverschuldigde betaling, de daarvoor betaalde koopprijs kan terugvorderen van A(nicius) in diens kwaliteit van opvolger onder algemene titel van B(lossius).

 

30 Op het hoofdkantoor van de handelsonderneming A(rgus) heerst een grote chaos ten gevolge van een bedrijfsreorganisatie. Dientengevolge worden per vergissing een aantal oude rekeningen (die reeds lang geleden zijn voldaan) nog eens betaald. Een jaar nadien komt, bij de vaststelling van de jaarrekening, die vergissing aan het licht. Het blijkt dan, onder meer, dat aan de bouwonderneming B(albillus) per vergissing het enorme bedrag van 3.000.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) onverschuldigd is betaald. Het gaat om een bedrag dat al eerder door A(rgus) aan B(albillus) was uitbetaald als vergoeding voor een bouwproject dat door A(rgus) aan B(albillus) was uitbesteed. A(rgus) laat onderzoeken of men zich ten kantore van B(albillus) bewust was dat de tweede betaling per vergissing was geschied en weet inderdaad vast te stellen dat die betaling daar onder grote hilariteit in ontvangst is genomen en als bonus onder de directieleden is verdeeld.

A(rgus) laat zich nu adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) adviseren over zijn positie. Die geeft hem te verstaan dat hij

a. slechts beschikt over een vordering uit onverschuldigde betaling ten bedrage van 3.000.000 HS.

b. beschikt over een vordering uit onverschuldigde betaling ten bedrage van 3.000.000 HS, vermeerderd met de daarover verschuldigde rente.

c. beschikt over een vordering uit onverschuldigde betaling ten bedrage van 3.000.000 HS en over een vordering uit onrechtmatige daad vanwege diefstal (actio furti).

d. beschikt over een vordering uit onverschuldigde betaling ten bedrage van 3.000.000 HS of over een vordering uit onrechtmatige daad vanwege diefstal (actio furti).


III Opdracht

 

(helaas geen uitwerking beschikbaar)

D. 12,6,32 pr.

(Julianus, libro decimo Digestorum)

 

A(mphion) is een bekend paardenfokker. Hij is eigenaar van de beroemde merrie Alceste. Op zekere dag verkoopt hij één van de twee veulens die Alceste heeft geworpen aan een andere paardenfokker, B(aton). De laatste laat de keuze welke van de beide veulens aan hem zullen worden geleverd over aan de verkoper. Door een misverstand onder het personeel van A(mphion) worden beide veulens afgeleverd bij de stoeterij van B(ato). Als A(mphion) achter de vergissing komt, blijkt één van de veulens (dat leed aan een ernstig, maar verborgen, gebrek (‘dempigheid’)) inmiddels te zijn overleden, ondanks alle zorg die B(ato) aan het dier heeft besteed. A(mphion) eist nu op grond van onverschuldigde betaling het overgebleven dier terug, omdat hij, zo betoogt hij, geen keuze heeft kunnen maken en het niet valt uit te sluiten dat hij zijn keuze op het inmiddels overleden dier zou hebben laten vallen.

 

U bent de rechtsgeleerde bijstand van B(ato) en geeft een argument op basis waarvan de eis van A(mphion) moet worden afgewezen.

 

Antwoordindicaties Tentamen 3

1 a

11 b

21 c

2 d

12 c

22 b

3 b

13 d

23 d

4 a

14 d

24 a/b/c/d

5 d

15 d

25 c

6 c

16 a

26 d

7 d

17 c

27 b

8 d

18 a

28 a

9 b

19 c

29 a

10 b

20 a

30 a/c

Tentamen 4

 

I UITWENDIG DEEL

 

1 Er bestaat een belangrijk verschil tussen de rechtskracht van een lex of plebiscitum (wetten in formele zin) en het ‘edict’ (edictum) van een Romeinse magistraat (cum imperio), zoals de praetor. Dat verschil bestaat uit het feit dat

a. alle wetten in formele zin (lex en plebiscitum) vooraf dienden te worden goedgekeurd door de senaat, hetgeen niet het geval was met een ‘edict’.

b. de rechtskracht van een ‘edict’ berustte op het imperium van de magistraat, zodat die verviel na afloop van zijn ambtstermijn.

c. alle ‘edicten’ vooraf dienden te worden goedgekeurd door de senaat, hetgeen niet het geval was met wetten in formele zin (lex en plebiscitum).

d. in een ‘edict’, anders dan in een wet, geen regels konden worden opgenomen, op de overtreding waarvan straffen waren gesteld.

 

2 Een zogeheten ‘volkstribuun’ (tribunus plebis) speelde potentieel een belangrijke rol in iedere Romeinse civiele procedure ten overstaan van de praetor en wel omdat hij

a. zijn goedkeuring diende te verlenen aan de benoeming van de rechter (iudex privatus).

b. ambtshalve onderdeel uitmaakte van de raad (consilium) die de praetor terzijde stond.

c. iedere beslissing van de praetor met zijn ‘veto’ ongedaan kon maken.

d. ambtshalve was betrokken bij de opstelling van het ‘edict’ waarop de praetor zijn rechtspraak baseerde.

 

3 Onder het zogeheten ius gentium verstonden de Romeinse juristen

a. het gestelde, positieve recht.

b. het internationale recht.

c. het familierecht.

d. het natuurrecht.

 

4 Rechtspraak was in het Romeinse recht geen rechtsbron. Dit vindt voornamelijk zijn verklaring in het feit dat

a. de rechtspraak niet werd gepubliceerd.

b. de rechtspraak in handen was van lekenrechters.

c. de rechter slechts op basis van de wet, niet op basis van precedenten recht mocht spreken.

d. de rechter was gebonden aan de opinies van de rechtsgeleerden.

 

5 De ‘Instituten’ van Justinianus zijn voornamelijk gebaseerd op het gelijknamige boek van

a. Ulpianus.

b. Paulus.

c. Papinianus.

d. Gaius.

 

6 De zogeheten ‘Codex Theodosianus’ (438) behelsde een gedeeltelijke codificatie van het Romeinse recht. Welk onderdeel ervan was slechts (gedeeltelijk) in die codificatie verwerkt?

a. De rechtsgeleerde literatuur, het zogeheten ius.

b. Het ius honorarium, in het bijzonder het praetorisch edict.

c. De keizerconstituties.

d. Het ius civile.

 

7 Onder een keizerlijk ‘rescript’ verstaat men een

a. instructie aan een keizerlijke ambtenaar.

b. algemene maatregel van bestuur.

c. rechtsgeleerd advies.

d. vonnis in laatste instantie.

 

8 Welke van de vier onderstaande rechtsbronnen en/of rechtsboeken behield ook na de uitvaardiging van de eerste Codex Justinianus (529) rechtskracht?

a. Het Edictum perpetuum.

b. De Codex Hermogenianus.

c. De Codex Gregorianus.

d. De Codex Theodosianus.

 

9 De Justiniaanse Digesten (of Pandecten) behelzen de codificatie van

a. wetten in formele zin (leges en plebiscita).

b. de rechtsgeleerde literatuur (het zogeheten ius).

c. het keizerrecht (constitutiones principum).

d. senaatsbesluiten (senatus consulta).

 

10 Het Romeinse recht had, sinds de ‘receptie’, tot ver in de negentiende eeuw nagenoeg overal op het West Europese continent ‘subsidiaire’ rechtskracht. Dit betekent dat

a. locale wetgeving voorrang had vóór het Romeinse recht, dat – op zijn beurt – voorrang had vóór het locale gewoonterecht.

b. locale wetgeving en locale gewoonterechten voorrang hadden vóór het Romeinse recht.

c. het locale gewoonterecht voorrang had vóór het Romeinse recht, dat – op zijn beurt – voorrang had vóór locale wetgeving.

d. het Romeinse recht voorrang had vóór locale wetgeving en locale gewoonterechten.

 

II Inwendig deel

 

11 Het gegeven dat het Romeinse recht de nodige moeite heeft gehad met het afdwingen van een zogeheten ‘derdenbeding’ hield óók nauw verband met een eigenaardigheid van het Romeinse burgerlijke procesrecht dat door middel van ‘procesformulieren’ (formulae) werd gevoerd, te weten het feit dat

a. het procesformulier berustte op een overeenkomst tussen eiser en gedaagde.

b. een veroordeling altijd in geld moest worden uitgedrukt, hetgeen een vermogensrechtelijk belang van de eiser vooronderstelt.

c. het procesformulier niet toeliet dat een procedure bij verstek werd geopend.

d. een veroordeling slechts werkte tussen eiser en gedaagde, hetgeen uitsluit dat daaraan rechtsgevolgen ten gunste van derden zijn verbonden.

 

12 Het gegeven dat een aantal overeenkomsten ‘van streng recht’ (stricti iuris) was, wordt sterk gerelativeerd door het feit dat

a. de praetor niet was gebonden aan het strenge recht.

b. de eiser, op zijn verzoek, een ‘verweermiddel van kwade trouw’ (exceptio doli) in het procesformulier kon laten opnemen.

c. de rechter, als lekenrechter (iudex privatus), niet was gebonden aan het strenge recht.

d. de gedaagde, op zijn verzoek, een ‘verweermiddel van kwade trouw’ (exceptio doli) in het procesformulier kon laten opnemen.

 

13 A(ulus) heeft zijn paard Bucephalus voor de duur van vijf maanden verhuurd aan B(lasius). Een maand nadat hij dit contract heeft gesloten, verkoopt A(ulus) dit paard aan C(assius), die de koopprijs onmiddellijk voldoet. Nog vóórdat het paard op de daarvoor voorgeschreven wijze aan C(assius) kan worden geleverd, sterft het dier ten gevolge van de slechte behandeling die het van de zijde van de huurder (B(lasius)) ten deel is gevallen. A(ulus) stelt C(assius) van het geschiede op de hoogte, waarop deze de door hem vooruit betaalde koopprijs van A(ulus) terugvordert. A(ulus) weigert aan dit verzoek te voldoen.

C(assius) laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat hij

a. de koopprijs met vrucht van A(ulus) kan terugvorderen, omdat de overeenkomst door overmacht is ontbonden.

b. de koopprijs niet van A(ulus) kan terugvorderen, maar dat hij dat verlies kan verhalen op B(lasius) omdat het paard ten gevolge van diens onrechtmatige daad (delictum) is gestorven.

c. de koopprijs met vrucht van A(ulus) kan terugvorderen, omdat deze instaat voor zijn keuze van een onzorgvuldige huurder.

d. de koopprijs niet van A(ulus) kan terugvorderen, omdat C(assius) het risico draagt voor het tenietgaan van de zaak.

 

14 A(ppius) is eigenaar van een buitenhuis aan de baai van Napels waarop zijn vriend B(rutus) zijn oog heeft laten vallen. A(ppius) wil geen afstand doen van het huis, maar belooft zijn vriend dat hij, mocht hij er wel afstand van willen doen, dat huis als eerste aan hem te koop zal aanbieden en wel voor de alvast tussen hen overeengekomen prijs van 150.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid). Enige tijd nadien raken A(ppius) en B(rutus) gebrouilleerd en verkoopt A(ppius) het huis voor 100.000 HS aan C(laudius), die op de hoogte is van de optie van B(rutus).

Zodra B(rutus) van het gebeurde op de hoogte is, laat hij zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat hij

 

a. slechts een vordering uit wanprestatie heeft tegen A(ppius).

b. levering van het huis kan vorderen op grond van koop, daar de overdracht aan C(laudius) nietig is omdat daaraan geen geldige titel ten grondslag ligt.

c. een vordering uit wanprestatie heeft tegen A(ppius) en een vordering uit onrechtmatige daad (delictum) tegen C(laudius).

d. op grond van koop levering van het huis kan vorderen, daar de overdracht aan C(laudius) nietig is omdat A(ulus) niet meer bevoegd is om zonder zijn toestemming over het huis te beschikken.

 

15 De Romeinse ‘innominaat’-contracten vertonen een zeer sterke overeenkomst met de

a. consensuele contracten (contractus consensu).

b. aan bewoordingen gebonden contracten (contractus verbis).

c. aan de aanwezigheid van een geschrift gebonden contracten (contractus litteris).

d. reële contracten (contractus re).

 

16 A(ncus) heeft een vordering uit geldlening tegen B(rancus) tot betaling van 100.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid). Hij heeft, enige tijd vóórdat hij een geldlening verstrekte aan B(rancus), een paard gekocht van diens zoon C(rassus) voor de prijs van 80.000 HS. Deze koopprijs is nog steeds niet betaald als B(rancus) komt te overlijden zonder een testament na te laten. Hij heeft twee zoons, C(rassus) en D(rusus), die – voorzover nodig – de nalatenschap vol en zuiver hebben aanvaard. D(rusus) betaalt, daartoe aangesproken door A(ncus), 100.000 HS aan A(ncus).

Over welke rechtsmiddelen beschikt D(rusus) tegen A(ncus)?

a. Omdat de broers hoofdelijk jegens A(ncus) aansprakelijk zijn, beschikt D(rusus) over geen enkel rechtsmiddel jegens A(ncus).

b. Omdat vorderingen en schulden van rechtswege worden verdeeld over de erfgenamen, kan D(rusus) met vrucht 50.000 HS van A(ncus) terugvorderen op grond van onverschuldigde betaling.

c. Omdat de broers hoofdelijk jegens A(ncus) aansprakelijk zijn, kan D(rusus) met vrucht 20.000 HS van A(ncus) terugvorderen op grond van onverschuldigde betaling.

d. Omdat vorderingen en schulden van rechtswege worden verdeeld over de erfgenamen, kan D(rusus) met vrucht 10.000 HS van A(ncus) terugvorderen op grond van onverschuldigde betaling.

 

17 A(vitus) heeft een tweetal trekpaarden verhuurd aan B(aldus) voor de duur van een jaar. Een maand nadien, komt B(aldus) te overlijden. Hij heeft één zoon, zijn erfgenaam D(idius). Deze denkt dat de trekpaarden eigendom zijn van zijn vader en verkoopt en levert de dieren op de voorgeschreven wijze onmiddellijk na de dood van zijn vader aan E(nnius), die meent dat de verkoper eigenaar is van de paarden.

Welke van de onderstaande uitlatingen over de rechtspositie van E(nnius) is juist?

a. E(nnius) is bezitter van de paarden, maar kan niet door middel van verkrijgende verjaring eigenaar worden.

b. E(nnius) is eigenaar van de paarden, omdat hij te goeder trouw, op grond van een geldige titel en op de voorgeschreven wijze geleverd heeft gekregen.

c. E(nnius) is Publiciaans bezitter van de paarden.

d. E(nnius) is geen bezitter van de paarden, omdat het bezit hem niet kan worden verschaft door iemand die zelf geen bezitter is.

 

18 I. Iedere verjaringsbezitter is ‘Publiciaans’ bezitter.

II. Iedere ‘praetorische’ eigenaar is verjaringsbezitter.

a. Stelling I is juist, stelling II is juist.

b. Stelling I is juist, stelling II is onjuist,

c. Stelling I is onjuist, stelling II is onjuist.

d. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.

 

19 A(rmando) is eigenaar van een kostbaar schilderij, dat hij in bruikleen heeft gegeven aan de galeriehouder B(avius) op voorwaarde dat deze hem voor het verlies van het schilderij schadeloos zal stellen, zelfs indien dat teniet mocht gaan door omstandigheden die niet aan B(avius) zijn toe te rekenen. B(avius) heeft daarom een overeenkomst (stipulatie) gesloten met C(anisius) dat deze de waarde van het schilderij zal uitkeren aan A(rmando), als dat door omstandigheden die niet aan B(avius) zijn toe te rekenen teniet mocht gaan. Korte tijd nadien breekt er brand uit in de straat waar zich de galerie van B(avius) bevindt; de brand slaat over naar de galerie van B(avius) en het schilderij van A(rmando) gaat dientengevolge verloren.

Welke van de onderstaande uitlatingen over de rechtspositie van A(rmando) is juist?

a. A(rmando) heeft een vordering tegen C(anisius) tot uitkering van de waarde van het schilderij.

b. A(rmando) heeft geen vordering tegen B(avius), omdat men niet bij overeenkomst kan afwijken van de risicoregels.

c. A(rmando) heeft een vordering tegen B(avius) tot uitkering van de waarde van het schilderij.

d. A(rmando) heeft geen vordering tegen B(avius), omdat deze hem met vrucht kan verwijzen naar C(anisius).

 

20 A(vienus) is een ondernemer die muilezels (muli) verhuurt. Een aantal van zijn dieren is gehuurd door de transportondernemer (onerarius) B(assus) die ze gebruikt om zijn karren (plaustra) te trekken. Op de Via Appia tussen Rome en Minturnae (een belangrijke handelsplaats ten zuiden van Rome) komt het tot een aanrijding tussen een vrachttransport van B(assus) en een ossenwagen van C(laudius); het ongeluk is te wijten aan een fout van de laatste (C(laudius)). Ten gevolge van het ongeluk, breekt één van de muilezels een been en moet worden afgemaakt, terwijl de kar die door de muilezels werd getrokken zwaar beschadigd is. B(assus) vordert van C(laudius) op grond van het delict van zaaksbeschadiging schadevergoeding voor het verlies van één van de door hem gehuurde muilezels en de beschadiging van zijn kar.

C(laudius) laat zich voorlichten door een rechtsgeleerde (iuris peritus), die hem het navolgende adviseert.

a. C(laudius) is verplicht tot het vergoeden van de schade van de kar, omdat die de eigendom is van B(assus); hij is echter niet verplicht het verlies van de muilezel te vergoeden, omdat die geen eigendom van B(assus) is.

b. C(laudius) is verplicht tot het vergoeden van de schade van de kar, omdat die de eigendom is van B(assus); hij is verplicht het verlies van de muilezel te vergoeden, omdat B(assus) voor het verlies van het beest aansprakelijk is jegens A(vienus).

c. C(laudius) is verplicht aan B(assus) alle schade te vergoeden die het gevolg is van zijn onrechtmatige daad, dat wil zeggen zowel een vergoeding voor de schade aan de kar, als ook voor het verlies van de muilezel.

d. C(laudius) is verplicht tot het vergoeden van de schade van de kar, omdat die de eigendom is van B(assus); hij is echter niet verplicht het verlies van de muilezel te vergoeden, omdat B(assus) voor het verlies van het beest niet aansprakelijk kan worden gesteld door A(vienus).

 

21 Na de val van keizer Caracalla in het jaar 217, wordt het hoofd van die keizer overal in het rijk van de keizerstandbeelden verwijderd en vervangen door dat van de nieuwe keizer, de ongelukkige Macrinus. A(ppianus) is eigenaar van een steenhouwerij die is gespecialiseerd in de productie van afbeeldingen van de hoofden van Romeinse keizers in marmer. Op al zijn voorraden rust een hypotheek die hij aan zijn bank, B(eatus), heeft verstrekt tot zekerheid van een geldlening. Na 217 levert hij een drietal hoofden af aan het gemeentebestuur van de stad Nijmegen (Colonia Ulpia Traiana), dat niet op de hoogte is van het bestaan van het recht van B(eatus). Te Nijmegen worden de hoofden op de zich in die stad bevindende drie oude standbeelden gemetseld. Enige tijd nadien legt de hypothecaire schuldeiser B(eatus) beslag op die standbeelden, omdat A(ppianus) zijn schuld niet betaalt. De gemeente verzet zich tegen dit beslag.

B(eatus) laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus), die vaststelt dat

a. het beslag geldig is, omdat de hypotheek van B(eatus) een zakelijk recht is waaraan zaaksgevolg is verbonden en dus ook kan worden ingeroepen tegen een nieuwe eigenaar.

b. het beslag dient te worden opgeheven, omdat een hypotheek niet kan worden ingeroepen tegen een derde die de met hypotheek belaste goederen te goeder trouw heeft verworven.

c. het beslag geldig is, omdat de hypotheek van B(eatus) op de hoofden zich door natrekking mede uitstrekt op de standbeelden waaraan zij zijn verbonden.

d. het beslag dient te worden opgeheven, omdat de hypotheek is teniet gegaan op het moment waarop de hoofden door natrekking eigendom werden van de eigenaar van de standbeelden.

 

22 A(rrianus) is eigenaar van een olijfoliefabriek. Voor de aankoop van nieuwe oliepersen heeft hij een krediet nodig dat hem wordt verstrekt door zijn bankier B(olus). Tussen B(olus) en A(rrianus) is mondeling overeengekomen dat de door A(rrianus) aan te kopen oliepersen aan B(olus) zullen worden verpand en wel dusdanig dat A(rrianus) voor het gebruik ervan een som betaalt aan B(olus) die in mindering wordt gebracht op de schuld uit geldlening die hij aan B(olus) heeft. De persen worden aan A(rrianus) geleverd, maar korte tijd nadien wordt hij failliet verklaard. De curator in dit faillissement weigert het recht van vuistpand van B(olus) te erkennen.

B(olus) laat zich adviseren door een rechtsgeleerde, die als zijn mening te kennen geeft dat

a. het recht van vuistpand (pignus) geldig is gevestigd, omdat iedere mondelinge overeenkomst geldig is als stipulatio.

b. het recht van vuistpand (pignus) ongeldig is, omdat dit een reëel contract (contractus re) is.

c. het recht van vuistpand (pignus) geldig is gevestigd, omdat het bezit van de persen door middel van constitutum possessorium aan B(olus) is verschaft.

d. het recht van vuistpand (pignus) ongeldig is, omdat B(olus) niet beschikt over de feitelijke heerschappij van de persen.

 

23 Ten gevolge van de brand die de binnenstad van Rome in het jaar 64 heeft geteisterd, ontstaat een wilde speculatie in grond in de binnenstad (res mancipi). Om die tegen te gaan, wordt een wet uitgevaardigd die de verkoop van onroerend goed in de Romeinse binnenstad tijdelijk onderwerpt aan een vergunning van de senaat, zulks op straffe van de nietigheid van de overeenkomst. In weerwil van deze wet verkoopt A(mmianus) de rokende puinhoop van zijn flatgebouw (insula) in de Romeinse volkswijk Suburra, midden in de binnenstad, zonder vergunning van de senaat voor een zacht prijsje aan de speculant B(abrius); de overdracht vindt op de voorgeschreven wijze (door middel van mancipatio) plaats. Korte tijd nadien worden zowel B(abrius) als A(mmianus) failliet verklaard. Tussen de curatoren in beide faillissementen ontstaat onenigheid over de vraag naar de eigendom van de zonder vergunning vervreemde grond.

Zij leggen hun geschil voor aan een rechtsgeleerde (iuris peritus) die bereid is als arbiter op te treden. Hij komt tot de navolgende uitspraak.

a. De overdracht is geldig, maar dient ongedaan te worden gemaakt omdat daaraan een nietige overeenkomst ten grondslag ligt. De curator van A(mmianus) beschikt daarom over een vordering uit onverschuldigde betaling tegen de boedel van B(abrius).

b. De overdracht is nietig, omdat daaraan een nietige overeenkomst ten grondslag ligt. De curator van A(mmianus) beschikt daarom over een vordering uit onverschuldigde betaling tegen de boedel van B(abrius).

c. De overdracht is geldig, maar dient ongedaan te worden gemaakt omdat daaraan een nietige overeenkomst ten grondslag ligt. De curator van A(mmianus) kan daarom de grond met de revindicatie terugvorderen van de curator van B(abrius).

d. De overdracht is nietig, omdat daaraan een nietige overeenkomst ten grondslag ligt. De curator van A(mmianus) kan daarom de grond met de revindicatie terugvorderen van de curator van B(abrius).

 

24 I. Iedere eigendomsverkrijging berust op traditio, mancipatio of in iure cessio.

II. Iedere overdracht berust op traditio, mancipatio of in iure cessio.

a. Stelling I is juist, stelling II is juist.

b. Stelling I is juist, stelling II is onjuist,

c. Stelling I is onjuist, stelling II is onjuist.

d. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.

 

25 B(albillus) en C(apito) hebben samen een bedrag van 160.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) geleend van de bankier A(castus). Zij hebben zich voor die schuld hoofdelijk aansprakelijk gesteld. Nog vóórdat de schuld opeisbaar wordt, komt A(castus) te overlijden. Hij heeft geen testament gemaakt; zijn twee zonen, D(emon) en E(gon), hebben, voor zover nodig, de nalatenschap vol en zuiver aanvaard. Als de schuld opeisbaar is geworden, betaalt B(albillus) 160.000 HS aan D(emon). Enige tijd nadien wordt B(albillus) failliet verklaard; diens curator vordert 80.000 HS uit onverschuldigde betaling van D(emon). Deze verzet zich tegen de eis, stellende dat B(albillus) hoofdelijk aansprakelijk was voor de gehele schuld.

De rechter die over de zaak moet oordelen vraagt advies van een rechtsgeleerde (iuris peritus) die te kennen geeft dat

a. de betaling van B(albillus) niet onverschuldigd is, omdat hij een hoofdelijk aansprakelijke debiteur was.

b. de betaling van B(albillus) gedeeltelijk onverschuldigd is, omdat D(emon) slechts voor de helft van de schuld is gerechtigd.

c. de betaling van B(albillus) niet onverschuldigd is, omdat hij ten aanzien daarvan beschikt over een vordering uit zaakwaarneming tegen C(apito).

d. de betaling van B(albillus) in haar geheel onverschuldigd is, omdat D(emon) niet bevoegd is om zonder medewerking van E(gon) betaling in ontvangst te nemen.

 

26 A(ntonius) en B(oethius) hebben een maatschap (societas) gesloten tot de verkoop en transport van wijnen over het gehele Romeinse rijk. A(ntonius) brengt daartoe zijn wijngaarden op de hellingen van de Vesuvius in de maatschap in en B(oethius) zijn pakhuizen en zeeschepen. Bij de oprichting van de maatschap is overeengekomen dat alle bezittingen van de maatschap aan de maten in mede-eigendom zullen toebehoren. Op zekere dag sluit A(ntonius), ten behoeve van de maatschap (maar zonder toestemming van B(oethius)) een geldlening ten bedrage van 200.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) met de bankier C(luentius). Tot zekerheid van die lening, vestigt hij een hypotheek op de wijngaarden. Enige tijd nadien vordert C(luentius) betaling van A(ntonius); als deze niet aan dit verzoek voldoet, legt C(luentius) beslag op de wijngaarden om die in het openbaar te kunnen doen verkoepen. B(oethius) verzet zich tegen dit beslag.

B(oethius) en C(luentius) leggen hun geschil voor aan een rechtsgeleerde (iuris peritus) die bereid is als arbiter op te treden. Hij komt tot de navolgende uitspraak.

a. De hypotheek is geldig gevestigd, omdat ieder van de maten bevoegd is om over de eigendommen van de maatschap te beschikken.

b. De hypotheek is nietig, omdat A(ntonius) niet bevoegd is om zonder toestemming van B(oethius) over de eigendommen van de maatschap te beschikken.

c. De hypotheek is geldig gevestigd, omdat het gaat om goederen die door A(ntonius) in de maatschap zijn ingebracht, zodat hij bevoegd blijft om daarover te beschikken.

d. De hypotheek is nietig, omdat daaraan een nietige titel ten grondslag ligt aangezien A(ntonius) niet bevoegd is om zonder toestemming van B(oethius) een geldlening te sluiten.

 

27 (vervolg van de voorgaande vraag)

A(ntonius) wordt in de loop van het bovenstaande geschil failliet verklaard. C(luentius) richt zich daarom tot B(oethius) van wie hij aflossing vordert van de door A(ntonius) gesloten geldlening.

Ook dit geschil wordt aan de rechtsgeleerde arbiter voorgelegd, die beslist dat

a. elk van de maten slechts voor zijn aandeel in de maatschap voor schulden van de maatschap aansprakelijk kan worden gesteld.

b. B(oethius) niet aansprakelijk is, omdat niet hij, maar A(ntonius) de contractspartij van C(luentius) is.

c. elk van de maten voor schulden van de maatschap hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld.

d. B(oethius) niet aansprakelijk is, omdat A(ntonius) niet bevoegd is om zonder zijn toestemming een geldlening te sluiten.

 

28 A(emilius) is eigenaar van een kudde runderen (res mancipi) die grazen op de weides van de Albaanse bergen. Op zekere dag wordt de kudde gestolen door de beruchte rover Felix B(ulla). A(emilius) neemt, zodra hij van het gebeurde op de hoogte is gesteld, contact op met de ondernemer C(onstans) die zich heeft gespecialiseerd in de aankoop en recuperatie van gestolen vee. C(onstans) koopt de kudde van A(emilius); zij wordt op de daarvoor voorgeschreven wijze (mancipatio) overgedragen. Hij weet inderdaad de kudde te traceren; zij is naar de veemarkt gebracht door de stadsprefect (praefectus urbi), die B(ulla) en zijn bende heeft opgespoord en gevangen genomen. De stadsprefect wordt nu geconfronteerd met twee concurrerende claims op de kudde: die van de curator in het faillissement van de inmiddels failliet verklaarde A(emilius), die beweert dat de kudde nog steeds eigendom is van A(emilius) en die van de koper, C(onstans).

De stadsprefect moet de kudde toewijzen aan

a. de curator van A(emilius), omdat deze niet meer bevoegd was om over de eigendom te beschikken nadat hij het bezit van de kudde had verloren.

b. C(onstans), omdat voor eigendomsoverdracht door middel van mancipatio geen geldige titel is vereist.

c. de curator van A(emilius), omdat men geen eigendom kan overdragen van zaken waarvan men geen bezitter is.

d. C(onstans), omdat voor eigendomsoverdracht door middel van mancipatio geen bezitsverschaffing is vereist.

 

29 Voor welke van de onderstaande verbintenisscheppende overeenkomsten is geen ander vormvereiste dan wilsovereenstemming (consensus) vereist?

a. Geldlening (mutuum).

b. Stipulatie (stipulatio).

c. Ruil (permutatio).

d. Lastgeving (mandatum).

 

30 A(puleius) is woonachtig in Napels, waar hij een bedrijfje wil opzetten in de aan- en verkoop van vissaus (garum). Hij treedt in verband daarmede in een briefwisseling met de in Rome gevestigde bankier B(ibulus), aan wie hij een bedrijfskrediet vraagt. B(ibulus) heeft hem per brief laten weten dat hij daarin toestemt, op voorwaarde dat hij ten gunste van B(ibulus) een hypotheek vestigt op zijn gehele bedrijfsvoorraad. A(puleius) schrijft terug dat hij daarmede instemt en koopt daarna op grote schaal vissaus in bij de fabrieken rondom de baai van Napels. Als de verkopers aandringen op betaling, verzoekt A(puleius) aan B(ibulus) om, ten laste van het hem toegezegde krediet, betalingen te verrichten aan de fabrieken. B(ibulus) weigert echter die betalingen te verrichten.

A(puleius) legt zijn probleem voor aan een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

a. men een debiteur niet kan dwingen om aan een ander dan de crediteur te betalen.

b. er geen geldige kredietverstrekkingsovereenkomst tussen hem en B(ibulus) tot stand is gekomen.

c. een debiteur verplicht is om te betalen aan degene die hem daartoe door zijn crediteur is aangewezen.

d. er een geldige kredietverstrekkingsovereenkomst tussen hem en B(ibulus) tot stand is gekomen, op grond waarvan zijn crediteuren betaling van B(ibulus) kunnen vorderen.

 

III Opdracht
 

(helaas geen uitwerking beschikbaar)

Naar aanleiding van

D. 18.1.16

(Pomponius, libro nono ad Sabinum)

A(rruns) is eigenaar van een kostbare ring die hij in het badhuis heeft verloren. Enige tijd nadien ziet hij bij een handelaar in tweedehands juwelen een ring die als twee druppels water lijkt op de ring die hij heeft verloren. Hij koopt de ring voor het aanzienlijke bedrag van 25.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid). Thuis aangekomen, bestudeert hij de ring nauwkeuriger en komt tot de conclusie dat hij zijn eigen ring heeft gekocht. Hij vordert nu van de handelaar de door hem betaalde koopsom terug met een vordering uit onverschuldigde betaling omdat hij al eigenaar was van de zaak die hij had gekocht.

 

U bent de rechtsgeleerde bijstand van de handelaar en verzint een argument op basis waarvan de betaling van de koopprijs in dit geval niet als onverschuldigd kan worden aangemerkt.

 

 

Antwoordindicaties Tentamen 4

 

1 b

11 b

21 d

2 c

12 d

22 c/d

3 d

13 c

23 a

4 b

14 a

24 d

5 d

15 d

25 b

6 c

16 b

26 b

7 c

17 c

27 b

8 a

18 a

28 d

9 b

19 c

29 d

10 b

20 a

30 b

 

 

Tentamen 5

 

I UITWENDIG DEEL

 

  1. In de hiërarchie van de Romeinse rechtsbronnen gedurende de keizertijd stond

    1. een edict van een Romeinse magistraat bóven het ius civlile.

    2. Het ius civile naast het ius gentium.

    3. het ius civile bóven het ius gentium

    4. een edict van een Romeinse magistraat onder het ius civile.

 

  1. Het gezag van ‘keizer’ Augustus , de stichter van het zogeheten ‘principaat’ berustte constitutioneel op het geven dat hij

    1. altijd het consulaat bekleedde

    2. voorzitter van de senaat (princeps senatus) was.

    3. tot dictator van het leven was benoemd

    4. was bekleed met de ‘bevoegdheid van een volkstribuun’ (tribunicia potestas)

 

  1. Het verschil tussen een zogeheten ‘plebisciet’ en een zogenoemde ‘lex’ was ná de les hortensia (286 v. Chr.) gelegen in het gegeven dat

    1. een plebisciet slechts verbindend was voor plebejers, niet voor patriciërs

    2. een plebisciet, evenals een lex, voor het gehele Romeinse rijk verbindend was, zonder dat patriciërs daaraan hadden meegewerkt

    3. een lex slechts verbindend was voor patriciërs, niet voor plebejers

    4. plebiscieten slechts met voorafgaande toestemming door de senaat verbindend waren voor het gehele Romeinse volk

 

  1. Welke der onderstaande Romeinse staatsrechtelijke organen had gedurende de periode van de Romeinse republiek géén wetgevende bevoegdheid

    1. De Romeinse volksvergadering (comita)

    2. de vergadering van de plebejers (consilum plebis)

    3. De stadspraetor (praetor urbanus)

    4. De senaat

 

  1. Het zogeheten recht der volkeren (ius gentium) is voornamelijk ontwikkeld in

    1. de rechtspraak van de Romeinse iudex privatus

    2. de wetgeving van de volksvergadering (comita)

    3. de rechtspraak van de Romeinse ‘vreemdelingenpraetor’ (praetor peregrinus)

    4. de wetgeving van het senaat

 

  1. De Codex Justicianus bevat een selectie uit

    1. de keizerlijke wetgeving tot aan de Codex Theodosianus

    2. de in de zogeheten Codex Gregorianus en Codex Hermogenianus verzamelde keizerlijke wetgeving

    3. de gehele keizerlijke wetgeving tot en met die van Justicianus

    4. de in de Codex Theodosianus en de zogeheten Codex Gregorianus en de Codex Hermogenianus verzamelde keizerlijke wetgeving

 

  1. In de middeleeuwse hiërarchie van rechtsbronnen op het West-Europese continent ging

    1. het Romeinse recht vóór het locale wetten- en gewoonterecht

    2. het locale wettenrecht voor het locale gewoonterecht en het Romeinse recht

    3. het locale wettenrecht voor het locale gewoonterecht en het Romeinse recht

    4. het Romeinse recht voor het locale gewoonterecht, maar niet voor het locale wettenrecht

 

  1. Welk der onderstaande bronnen van het Romeinse recht in de latere keizertijd was niet verwerkt in de Codex Theodosianus?

    1. Keizerlijk rescripten (rescripta)

    2. Geschriften van gezaghebbende juristen (responsa prudentium)

    3. Keizerlijke richtlijnen (mandata)

    4. Keizerlijke rechtspraak (decreta)

 

  1. De Instituten van keizer Justinianus zijn hoofdzakeljik gebaseerd op

    1. de instituten van Ulpianus

    2. de Sententiën van aulus

    3. De instituten van Gaius

    4. De instituten van Mausurius Sabinus

 

  1. Het leeuwendeel van de in de Jusiniaanse Digesten opgenomen stof bestaat uit

    1. fragmenten uit de geschriften van Ulpanius en Paulus

    2. keizerlijke wetgeving

    3. fragmenten uit de instituten van Gaius

    4. keizerlijke rechtspraak

 

II INWENDIG DEEL

 

  1. A(rruns) heeft gedurende een periode van zes maanden het schip de Poseidon gehuurd van B(urrus) voor de som van 100 HS (een Romeinse munteenheid) per maand. Tussen de huurder en verhuurder is overeengekomen dat de huurder, A, jegens de verhuurder óók aansprakelijk is voor het verlies van het schip door andere oorzaken dan die aan de huurder toe te rekenen zijn. Drie maanden later gaat de Poseidon op weg naar Britannië in een vliegende storm met man en muis ten onder in de golf van Biskaje. Zes maanden later krijgt A, die zelf niet op de Poseidon meevoer, een rekening van 6.000 HS voor de huur van het schip en 100.000 HS voor de waarde van de Poseidon. Hij laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus), die hem het volgende te verstaan geeft.

    1. De huurder is slechts 3.000 HS verschuldigd aan de verhuurder, omdat de huurovereenkomst na drie maanden door overmacht is ontbonden

    2. De huurder is niets verschuldigd aan de verhuurder, omdat de huurovereenkomst van rechtswege door overmacht is ontbonden.

    3. De huurder is 6.000 HS verschuldigd aan de verhuurder, omdat de huurder het risico op zich heeft genomen

    4. De huurder is 106.000 HS verschuldigd aan de verhuurder, omdat de huurder het risico op zich heeft genomen

 

  1. A(vienus) heeft 120.000 HS geleend van B(ibulcus). Tot zekerheid van die vordering heeft hij een hypotheek op zijn huis gevestigd ten gunste van zijn crediteur Enige tijd nadien komt A te overlijden; hij heeft geen nakomelingen en heeft zijn crediteur B ingesteld tot enige erfgenaam. B heeft de nalatenschap van A vol en zuiver aanvaard. In zijn testament heeft A zijn huis door middel van een zogeheten ‘vindicatie-legaat’ (legatum per vindicationem) vermaakt aan zijn trouwe knecht C(anius). De erfgenaam B weigert echter dat huis aan C af te staan. C vordert daarop met revindicatie afgifte van het huis.

Welke van de onderstaande stellingen is juist?

    1. C is geen eigenaar van het huis, maar kan met de persoonlijke rechtsvordering op grond van het testament met vrucht overdracht van het huis vorderen van B

    2. C is eigenaar van het huis en kan met vrucht met de revindicatie afgifte vorderen van B

    3. C is geen eigenaar van het huis,maar kan met de persoonlijke rechtsvordering op grond van het testament met vrucht overdracht van het huis vorderen van B indien hij de schuld van A aan B heeft voldaan.

    4. C is eigenaar van het huis maar zal de schuld van A aan B moeten voldoen voordat hij met vrucht afgifte kan vorderen

 

  1. A(grippa) heeft door middel van een overeenkomst van lastgeving (mandatum) opdracht gegeven aan B(albo) om voor hem een geldlening (mutuum) te bemiddelen bij de bankier C(naeus). B komt met C overeen dat deze een bedrag van 2.000 HS (‘sestertiën’, een Romeinse munteenheid) zal lenen aan A. Er is tevens door middel van een ‘stipulatie’ tussen B en C overeengekomen dat over die lening een bedrag van 1% rente op maandbasis door A aan C zal worden betaald en dat de lening twaalf maanden later dient te worden terugbetaald. C geeft daarop een zak met 2.000 HS aan B, die hem voor A in ontvangst neemt. Op de daarop volgende dag overhandigt B de zak met 2.000 HS aan A. Een jaar en drie maanden later heeft A de verschuldigde som nog niet terugbetaald. C begint daarop een procedure tegen B, waarbij hij van deze terugbetaling vordert van het door A geleende geld, alsmede de daarover verschuldigde rente. B consulteert een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

    1. tussen B en C een overeenkomst van geldlening (mutuum) tot stand is gekomen, waarvoor óók A aansprakelijk is en dat B bovendien jegens C aansprakelijk is voor de daarover verschuldigde rente.

    2. tussen B en C géén overeenkomst van geldlening (mutuum) tot stand is gekomen, maar dat hij wél aansprakelijk is voor de daarover verschuldigde rente.

    3. tussen B en C géén overeenkomst van geldlening (mutuum) tot stand is gekomen en dat hij dus ook niet aansprakelijk is voor de daarover verschuldigde rente.

    4. tussen B en C een overeenkomst van geldlening (mutuum) tot stand is gekomen, waarvoor óók A aansprakelijk is, maar dat hij niet aansprakelijk is voor de daarover verschuldigde rente, aangezien niet hij B, maar A het genot van het geld heeft gehad.

 

  1. A(tilius) heeft een schip ( een res nec mancipi) gekocht van de reder B(ato) voor de som van 200.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid). Omdat A en B zich ten tijde van het sluiten van de koop te Rome bevinden en het schip van Britannië op de terugweg is naar Italië, wordt het schip door middel van constitutum possessorium door B en A geleverd. Op diezelfde dag wordt het schip voor de lieve som van 400.000 HS door A doorverkocht en (door middel van constitutum possessorium) doorgeleverd aan C. Enige maanden nadien wordt A failliet verklaard en legt de curator in zijn faillissement beslag op het zojuist in de Romeinse havenstad Ostia aangekomen schip. Tussen de curator, B en C ontstaat verschil van mening omtrent de vraag wie eigenaar is van het schip.

Welke van de onderstaande keuzemogelijkheden is juist.

    1. het schip is eigendom van B, omdat voor de eigendomsoverdracht van res nec mancipi de verschaffing van de feitelijke heerschappij is vereist.

    2. het schip is eigendom van A, omdat men dient te beschikken over de feitelijke heerschappij teneinde een zaak door middel van constitutum possessorium te leveren.

    3. het schip is eigendom van C, omdat A weliswaar niet beschikte over de feitelijke heerschappij, maar wel over het juridische bezit toen hij het schip door middel van constitutum possessorium aan C leverde.

    4. het schip is eigendom van A, omdat hij nog geen eigenaar van het schip was toen hij het door middel van constitutum possessorium aan C leverde.

 

  1. A(rrius) is eigenaar van een buitengewoon kostbare ring (een res nec mancipi) die hij tegen diefstal en verlies heeft laten verzekeren door de verzekeringsmaatschappij B(eneficientia). Op zekere dag verliest hij zijn ring en vordert van de verzekeringsmaatschappij vergoeding van de waarde. De verzekeringsmaatschappij verklaart zich daartoe bereid, op voorwaarde dat A de eigendom van de ring aan haar overdraagt. A laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus), die hem het volgende te verstaan geeft.

    1. A kan de ring door middel van constitutum possessorium aan B overdragen.

    2. A kan de ring door middel van cessie van de revindicatie aan B overdragen.

    3. A kan de ring door middel van mancipatio aan B overdragen.

    4. A kan de ring in het geheel niet aan B overdragen.

 

  1. A(ttus) en B(rutus) zijn de hoofdelijke crediteuren van C(rassus), van wie zij de som van 100.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) te vorderen hebben uit hoofde van een door hen aan C verschafte geldlening. Enige tijd nadien komt C te overlijden. Hij heeft twee erfgenamen D(idius) en E(ennius), die zijn nalatenschap vol en zuiver hebben aanvaard. Op zekere dag vordert één der hoofdelijke crediteuren, A, van één der erfgenamen, D, betaling van 100.000 HS. Deze verweert zich tegen de eis door te stellen dat hij slechts door de schuldeisers samen kan worden aangesproken tot betaling. A laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus), die hem het volgende te verstaan geeft.

    1. Omdat A en B de hoofdelijke crediteuren zijn van C, kunnen zij ook ieder voor zich van diens erfgenamen de volledige door de erflater verschuldigde som vorderen.

    2. A kan slechts 50.000 HS vorderen van D.

    3. Omdat A en B de hoofdelijke crediteuren zijn van C, kunnen zij ook slechts samen van diens erfgenamen de volledige door de erflater verschuldigde som vorderen.

    4. A kan slechts samen met B 50.000 HS vorderen van D.

 

  1. Welke van onderstaande derivatieve wijzen van eigendomsverkrijging vindt zonder overdrachtshandeling plaats?

    1. Mancipatio.

    2. in iure cessio.

    3. traditio.

    4. adiudicatio.

 

  1. Welke der onderstaande verbintenisscheppende overeenkomsten kan NIET door middel van een daartoe strekkende correspondentie tot stand komen?

    1. Koop en verkoop.

    2. Huur en verhuur.

    3. Lastgeving.

    4. Geldlening.

 

  1. A(ncus) wil zijn fabriek van amforen uitbreiden en heeft daarvoor een bedrijfscrediet van 100.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) nodig. Hij vraagt aan de bankier B(enificarius) hem dat crediet te verstrekken. Deze verklaart zich daartoe bereid, doch slechts onder verlenging van een hypotheek door A op al zijn bedrijfsvoorraden. A gaat hiermee accoord en verleent een dergelijke hypotheek aan B, die daarop het door A gewenste crediet op diens bankrekening overmaakt. Enige tij nadien wordt A failliet verklaard en wil B overgaan tot executoriale verkoop van de sindsdien door A geproduceerde amforen. Het grootste deel daarvan is echter overgedragen aan de wijnproducent C(laris), die het merendeel ervan heeft gevuld met wijn. B vordert van C afgifte van alle door A aan C geleverde amforen.

Welke der onderstaande keuzemogelijkheden is juist?

    1. C kan zich met vrucht tegen deze vordering verweren, omdat hij van het bestaan van het recht van B niet op de hoogte was.

    2. C kan zich niet met vrucht tegen deze vordering verweren, omdat hij geen eigenaar is geworden van de amforen aangezien A na de vestiging van de hypotheek niet meer bevoegd was om zonder toestemming van B over de verhypothekeerde zaken te beschikken.

    3. C kan zich met vrucht tegen deze vordering verweren, omdat hij daardoor aansprakelijk wordt gesteld voor een schuld die niet de zijne is.

    4. C kan zich niet met vrucht tegen deze vordering verweren, omdat aan de hypotheek van B zaaksgevolg is verbonden.

 

  1. A(ugustinus) heeft op een mooie zomerdag besloeten om samen met zijn vriendin een ritje te maken op zijn zojuist verworven fraaie nieuwe vierspan. Op de via Appia komt hun plotseling in razende vaart een vierspan tegemoet dat - in kennelijke staat van dronkenschap – wordt gedreven door B(ibulus). Het komt tot een aanrijding, waarbij B de dood vindt. Het vierspan van A is een total loss en hijzelf en zijn vriendin hebben ernstige letselschade opgelopen. Hij stelt tegen C(aesonius), de enige erfgenaam van B, een procedure in op grond van de Aquilische wet over zaaksbeschadiging en bovendien op grond van de aan hem toegbrachte letselschade (iniuriae).

Welke der onderstaande keuzemogelijkheden is juist?

    1. C is aansprakelijk, omdat alle rechten en plichten van de erflater van rechtswege overgaan op diens erfgenaam.

    2. C is niet aansprakelijk, omdat slechts de zakelijke en persoonlijke rechten van de erflater van rechtswege overgaan op de erfgenaam, maar de schulden niet.

    3. C is aansprakelijk voor de zaakschade, niet echter voor de letselschade, omdat de verplichting tot het betalen van letselschade vervalt met de dood van de pleger van het delict.

    4. C is niet aansprakelijk, omdat alle verplichtingen uit een delict vervallen door de dood van de pleger van het delict.

 

  1. A(elius) is verjaringsbezitter van een paard (een res mancipi) dat in eigendom toebehoort aan B(ota). Hij weet echter niet beter dan dat hij eigendom is van het paard (een res mancipi). De paardenhandelaar C(aecus) weet echter dat het paard eigendom is van B. Dat weerhoudt hem er niet van een bod te doen op het paard, dat voor een goede prijs door A aan C wordt verkocht. Op het tijdstip waarop de overeenkomsten wordt gesloten is de verjaringstermijn nog niet voltooid, maar als het paard door middel van mancipatio aan C wordt overgedragen is dat wel het geval. Het paard blijft zich echter in de stal bij A bevinden, waar C het zal komen ophalen. Ondertussen is B erachter gekomen waar zich zijn paard bevindt. Hij vervoegd zich bij A, die overtuigd raakt van het recht van B en hem het paard daarom afgeeft. Als C het door hem gekochte paard bij A wil komen ophalen, krijgt hij te horen dat A zich verplicht achtte het paard aan de eigenaar af te staan. Hij is razend en bezint zich op gerechtelijke stappen. Hij laat zich daarom instrueren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

    1. hij geen eigenaar is van het paard omdat hij ten tijde van het sluiten van de koop te kwader trouw was.

    2. hij eigenaar is van het paard, omdat het hem op de geldige wijze door een eigenaar is overgedragen.

    3. hij geen eigenaar is van het paard, omdat het dier is teruggegeven aan B vóórdat het bezit aan hem was verschaft.

    4. hij eigenaar is van het paard, omdat de mancipatio een abstracte wijze van eigendomsoverdracht is.

 

  1. I. Iedere Publicaanse bezitter is verjaringsbezitter.

II. Iedere Publicaanse bezitter is praetorisch eigenaar.

    1. Stelling I is juist, stelling II is juist.

    2. Stelling I is juist, stelling II is onjuist.

    3. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.

    4. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.

 

  1. A(loisius) heeft, in strijd met het schenkingsverbod tussen echtgenoten, aan zijn vrouw B(erenice) een kostbaar schilderij (een res nec mancipi) geschonken. Enige tijd nadien ontstaat er onenigheid tussen de echtgenoten en gaat B inwonen bij haar vriend C(laudius). Het schilderij neemt zij mee en hangt het op ten huize van C, waar de gasten er hun bewondering over uitspreken. Een echtscheiding is onvermijdelijk geworden en na het uitspreken ervan wil A het schilderij terug.

Welke der onderstaande stellingen is juist?

    1. A kan tegen B met vrucht de revindicatie instellen.

    2. A kan tegen B met vrucht de revindicatie en de actie uit onverschuldigde betaling (condictio indebiti) instellen

    3. A kan tegen B met vrucht de revindicatie of de actie uit onverschuldigde betaling (condictio indebiti) instellen.

    4. A kan tegen B met vrucht de actie uit onverschuldigde betaling (condictio indebiti) instellen.

 

  1. A(zo) heeft één van zijn huizen in Rome verkocht en in eigendom overgedragen aan zijn neef B(aldus). Het huis wordt bewoond door C(laudia), de schoonmoeder van A, aan wie A de woning voor de duur van haar leven tegen een slecht prijsje heeft verhuurd. A en B zijn daarom bij de verkoop van het huis overeengekomen dat C zolang zij leeft in het huis zal mogen blijven wonen. Korte tijd na de overdracht sterft A, die zijn schoonmoeder C in zijn testament tot enige erfgenaam heeft benoemd. Zij aanvaart de nalatenschap van haar schoonzoon vol en zuiver. B is verbitterd dat hij in het testament van A is gepasseerd en vordert nu als eigenaar ontruiming van het huis dat nog steeds door C wordt bewoond.

Welke der onderstaande stellingen is juist?

    1. C kan zich tegen de ontruimingsvordering van B met vrucht beroepen op de door haar met A gesloten huurovereenkomst.

    2. C kan zich tegen de ontruimingsvordering van B niet beroepen op de door haar met A gesloten huurovereenkomst en zal daarom de woning dienen te ontruimen.

    3. C kan zich tegen de ontruimingsvordering van B met vrucht beroepen op de door A met B ten gunste van haar gesloten overeenkomst en zal daarom de woning niet behoeven te ontruimen.

    4. C kan zich tegen de ontruimingsvordering van B niet met vrucht beroepen op de door A met B ten gunste van haar gesloten overeenkomst en zal daarom de woning dienen te ontruimen.

 

  1. A(ulus) is in een procedure verwikkeld met zijn buurman B(lasius). A beweert in de formula die door de praetor aan de procedure ten grondslag is gelegd op grond van een aan hem door B verleend recht van erfdienstbaarheid (servitus) bevoegd te zijn tot het gebruik van een bron die zich op het terrein van B bevindt. B ontkent het bestaan van dat recht, maar A weet ter zitting ten overstaan van de rechter (iudex) te bewijzen dat, wat er ook zij van het bestaan van de erfdienstbaarheid (waarvan hij het bestaan niet kan bewijzen), B in ieder geval op basis van een tussen A en B gesloten overeenkomst verplicht is om het gebruik van de bron toe te staan.

In een geval als dit zal de Romeinse rechter

    1. B veroordelen op basis van de door hem met A gesloten overeenkomst.

    2. De formula aanvullen en B veroordelen op basis van de door hem met A gesloten overeenkomst.

    3. B vrijspreken, omdat het bestaan van de erfdienstbaarheid niet is bewezen.

    4. De zaak terugwijzen naar de praetor om een nieuwe formula op te stellen.

 

  1. de zogeheten noodzakelijke schuldvernieuwing (novatio necessaria) die in het zogeheten proces per formulam onderdeel uitmaakte van iedere civiele procedure had tot gevolg dat

    1. selchts persoonlijke rechtsvorderingen zich leenden voor een veroordeling tot nakoming.

    2. Nadien tussen dezelfde partijen niet meer over dezelfde zaak kon worden geprocedeerd.

    3. Slechts zakelijke rechtsvorderingen zich leenden voor een veroordeling tot nakoming.

    4. Nadien tussen dezelfde personen niet meer kon worden geprocedeerd

 

  1. A(ppius) is eigenaar van een vrachtwagen (plaustrum, een res nec mancipi) die hij een maand geleden voor de duur van zes maanden heeft verhuurd aan B(albus). Twee weken nadat de wagen aan B ter beschikking is gesteld, verkoopt A de vrachtwagen aan C(lodius) en levert hem door middel van een constitutum possessorium. Enkele nadien vordert C als eigenaar afgifte van de vrachtwagen van B. Deze gaat te rade bij een rechtsgeleerde (iuris peritus), die hem het volgende te verstaan geeft.

    1. C is geen eigenaar, omdat zaken die zich onder een huurder bevinden niet meer door een verhuurder kunnen worden geleverd. Hij kan daarom de vrachtwagen ook niet met vrucht van B vorderen.

    2. C is eigenaar, maar kan niet afgifte van B vorderen, omdat B zich met vrucht kan beroepen op de door hem met A gesloten huurovereenkomst.

    3. C is geen eigenaar, omdat A beschikkingsonbevoegd is geworden doordat hij de vrachtwagen aan B heeft verhuurd.

    4. C is eigenaar en kan met vrucht afgifte van de vrachtwagen vorderen van B.

 

  1. (variant op de vorige vraag)

A is eigenaar van een vrachtwagen die hij een maand geleden voor de duur van twee jaren heeft verhuurd aan B. Twee weken nadat de wagen aan B ter beschikking is gesteld, verkoopt A de vrachtwagen aan C en levert hem door middel van een constitutum possessorium. Tussen A en C is overeengekomen dat C pas afgifte van B mag vorderen nadat de huurovereenkomst tussen B en A is beëindigd. Ter versterking van dit derdenbeding heeft A een boetebeding (stipulatio poenae) gemaakt, krachtens hetwelk C de som van 1000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) is verschuldigd als hij in strijd met dat beding handelt. Desalniettemin vordert C enkele dagen nadien als eigenaar afgifte van de vrachtwagen van B. Deze gaat te rade bij een rechtsgeleerde, die hem het volgende te verstaan geeft.

    1. B kan zich beroepen op het ten behoeve van hem gemaakte beding en heeft bovendien een vordering van 1000 HS tegen C.

    2. B kan zich niet beroepen op het ten behoeve van hem gemaakte beding; hij heeft slechts een vordering tot schadevergoeding tegen A.

    3. B kan zich beroepen op het ten behoeve van hem gemaakte beding, maar de vordering op basis van het boetebeding kan slechts worden ingesteld door A.

    4. B kan zich niet beroepen op het ten behoeve van hem gemaakte beding, maar beschikt wel over een vordering van 1000 HS op C.

 

  1. A(ccursius) is eigenaar van een kostbaar paard dat op kwade dag uit de stal is gestolen door B(artolus). A huurt een aantal speurders in om te achterhalen waar zijn paard zich bevindt en dezen weten het te achterhalen. Het dier bevindt zich in de stal van C(harisius), de zoon en enige erfgenaam ban B die niet beter weet dan dat zijn vader het dier op de markt heeft gekocht. Hij weigert dan ook het paard af te staan aan A. Deze (A) vraagt aan een rechtsgeleerde welke rechtsmiddelen hem ten dienste staan en krijgt ten antwoord dat hij met vrucht tegen C kan instellen

    1. de actie op grond van diefstal (actio furti) en de revindicatie en de ongedaanmakingsactie op grond van diefstal (condictio furtiva).

    2. De revindicatie en de ongedaanmakingsactie op grond van diefstal.

    3. De actie op grond van diefstal en de revindicatie of de ongedaanmakingsactie op grond van diefstal.

    4. De revindicatie of de ongedaanmakingsactie op grond van diefstal.

 

  1. I. Een houder van ene zaak kan, omdat hij geen bezitter is, het bezit van die zaak nimmer aan een derde verschaffen.

II. Een houder van een zaak kan, omdat hij geen bezitter is, die zaak nimmer op geldige wijze aan een derde verkopen.

    1. Stelling I is juist, stelling II is juist.

    2. Stelling I is juist, stelling II is onjuist.

    3. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.

    4. Stelling I is onjuist, stelling II is onjuist.

 

III OPDRACHT

 

(Helaas ontbreekt een uitwerking van deze opdracht)

C. 4,5,8

(de keizers Diocletianus en Maximianus aan Ziparus)

18 oktober 294

 

Ziparus is de schuldenaar van Pamphilus. Op zekere dag vervoegt zich een zekere Heraclius bij hem, met de mededeling dat hij een vordering van Pamphilus komt innen. Ziparus verzoekt daarop aan Heraclius of hij zich als gevolmachtigde van Pamphilus kan legitimeren. Daarop vertoont Heraclius een document waaruit blijkt dat Heraclius door Pamphilus is aangesteld als rentmeester van al zijn bezittingen en in het bijzonder is belast met het innen van al zijn vorderingen. Dat document is door Heraclius vervalst, maar Ziparus laat zich erdoor overtuigen en betaalt aan Heraclius. Enige tijd nadien wordt hij in gebreke gesteld door zijn schuldeiser Pamphilus die (uiteraard) niets uitstaande heeft met het optreden van Heraclius. Zapirus richt zich nu tot de keizer met de vraag of hij zich tegen de eis van Pamphilus kan verweren en welke rechtsmiddelen hem overigens ten dienste staan.

 

Wat zullen de keizers hem te verstaan hebben gegeven?

 

 

 

Antwoordindicaties Meerkeuzevragen

 

 

 

  1. b

  2. d

  3. b

  4. d

  5. c

  6. c

  7. b

  8. b

  9. c

  10. a

  11. d

  12. b

  13. b

  14. c

  15. d

  16. b

  17. d

  18. d

  19. d

  20. d

  21. b

  22. b

  23. a

  24. c

  25. c

  26. b

  27. a

  28. b

  29. d

  30. d

 

 

 

 

 

 

Add this content to my World Supporter Magazine

Share this with your friends

Contributions

Log in or Create your Free account

Waarom een account aanmaken?

  • Je WorldSupporter account geeft je toegang tot alle functionaliteiten van het platform
  • Zodra je bent ingelogd kun je onder andere:
    • pagina's aan je lijst met favorieten toevoegen
    • feedback achterlaten
    • deelnemen aan discussies
    • zelf bijdragen delen via de 11 WorldSupporter tools

Summaries & Study Note of World Supporter Cycle

Access level of this page

  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private

Join World Supporter

to follow other supporters, see more content and use the tools
 
to see all content