BulletPointsamenvatting per hoofdstuk bij de 1e druk van Onderwijskunde als ontwerpwetenschap van Valcke


Is onderwijskunde een ontwerpwetenschap? - BulletPoints 1

  • Formele contexten zijn situaties waarin het leren en instructie geregeld zijn via wetten, decreten of interne regelgeving. Informele contexten zijn ook situaties waar leren en instructie centraal staan, maar hier is er geen sprake van een systematisch, strik gestructureerd, verplicht of regulerend karakter.

  •  De meest essentiële theoretische visies op leren en instructie zijn het behaviorisme, cognitivisme en constructivisme.

Hoe gaan we naar een referentiekader voor onderwijskunde? - BulletPoints 2

  • Onderzoeker John Hattie heeft in een meta-analyse systematisch weergegeven in welke mate processen, variabelen en actoren die centraal staan in onderwijskundige onderzoeken invloed hebben op leerprestaties.

  • In een onderwijskundig referentiekader zijn op micro- meso- en macroniveau de volgende aspecten van belang: actoren, aggregatieniveaus, organisaties, didactisch handelen of instructieactiviteit en leeractiviteiten.

  • Op microniveau zijn leren en instructie concreet en observeerbaar. Op dit niveau wordt onder andere gekeken naar kenmerken van lerenden, maar ook naar leeractiviteiten, manier van instructie en de beschikbaarheid van ruimte en tijd.

  • De structuur voor didactisch handelen bevat vijf componenten: Leerdoelen, leerstof, instructiestrategieën, media en toetsing.

  • Op mesoniveau staan organisatie-eenheden, groepen, teams en instellingen centraal. De context heeft hier een grotere invloed op leerprestaties. Voorbeelden zijn huiswerkbegeleiding en sociaal-economische status.

  • Op macroniveau is de context nog meer van belang. Het gaat hier om politieke beslissingen en maatschappelijke veranderingen.

Wat is de ontologische en epistemologische discussie? - BulletPoints 3

  • Ontologie is de discussie over het ‘zijn’ en de aard van kennis en het bestaan hiervan. In tegenstelling tot idealistische ontologen geloven objectieve ontologen in een werkelijkheid buiten de feitelijke beleving van de mens.

  • Epistemologie bestudeert de manier waarop kennis verworven wordt.

  • Het objectivisme stelt dat werkelijkheid los van eigen persoonlijke ervaringen gegeven is.

  • Het realisme benadrukt dat werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de eigen kennisconstructie.

  • Het empirisme stelt dat werkelijkheid pas door ervaringen kan leiden tot kennisopbouw.

  • Het rationalisme benadrukt de cognitieve processen die komen kijken bij het verwerken van de ervaringen met de werkelijkheid.

  • Het idealisme benadrukt cognitieve schema’s die ontwikkeld worden bij het construeren van kennis naar aanleiding van ervaringen met de werkelijkheid.

  • Het relativisme schat de rol van de context hoog in. Ervaringen met de kennisconstructie zijn relatief.

Hoe gaan we van een behavioristische visie op leren naar het ontwerpen van instructie? - BulletPoints 4

  • De behavioristische visie houdt in dat men iets kan leren door het bekrachtigen of versterken van het 

  • Een belangrijke behaviorist, Skinner, ontwikkelde operante conditionering. Leren werkt volgens hem niet met straf, maar door middel van positieve of negatieve bekrachtiging. Door bekrachtiging toe te passen en instructie duidelijk te maken kan gewenst gedrag worden 

  • Geprogrammeerde Instructie (GI) is een instructiesysteem dat de leermaterialen en de media centraal stelt in de instructiesetting, waardoor een lerende volledig zelfstandig kan 

  • Feedback kan gegeven worden over de taak, het proces dat gevolgd is om de taak aan te pakken, de mate van zelfregulatie en over de student 

  • Mastery Learning (ML) benadrukt het respecteren van het rekening houden met individuele verschillen tussen lerenden. Dit wordt pas echt effectief als er adequate feedback gegeven 

  • Contingency Contracting (CC) is het maken van schriftelijke afspraken over het al dan niet bekrachtigen van bepaald gedrag. Dit kunnen afspraken met zichzelf of met een ander persoon 

  • Kritiek op het behaviorisme is onder andere dat de rol van de instructieverantwoordelijke klein is en de onderwijssituatie koel en mechanisch. Verder is de mate van bekrachtiging en effectiviteit verschillend per persoon. De grote zwakte is dat de behavioristische technologie geen methode aanbiedt om gedragssequensen op te stellen die afgestemd zijn op de individuele leerling volgens het principe van shaping.

Hoe gaan we van een cognitivistische visie op leren naar het ontwerpen van instructie? - BulletPoints 5

  • Het cognitivisme gaat uit van een objectief bestaande werkelijkheid buiten de lerende. Interne cognitieve processen verwerken de extern waargenomen werkelijkheid. In tegenstelling tot het behaviorisme zijn ook interne mentale processen van belang.

  • Er zijn verschillende soorten kennis: declaratieve kennis, procedurele kennis (kennis over het verwerken van declaratieve kennis) en metacognitieve kennis (kennis over hoe we zelf denken en leren).

  • Het informatieverwerkingsmodel gaat ervan uit dat informatie wordt ontvangen, verwerkt en opgeslagen in een geheugen. Er zijn grenzen aan wat opgeslagen kan worden, en het opslaan van informatie is interactief.

  • De Cognitive Load Theorie (CLT) stelt dat het werkgeheugen maar een beperkt aantal kenniselementen tegelijk kan verwerken. Overbelasting kan voorkomen wanneer er veel nieuwe begrippen zonder uitleg na elkaar worden geïntroduceerd.

  • Algemene cognitivistische principes voor instructies zijn dat leren cultuurgebonden en doelgericht is. Een probleem moet voorgestructureerd zijn, zodat de karakteristieken goed waarneembaar zijn. Tot slot zijn divergent en convergent denken beide belangrijk.

  • Onderzoeker Gagné stelt in zijn instructiebenadering voor om de instructie te baseren op een op voorhand geëxpliciteerde leerhiërarchie die aangeeft welke kennis en vaardigheden stap voor stap moeten worden opgebouwd om uiteindelijk de doelvaardigheid te bereiken.

  • De Social Learning Theory (SLT) van Bandura hecht veel belang aan observationeel leren en modelleren.

  • Kritiek op het cognitivisme is dat sociaal leren, emotioneel leren, motorisch leren en sociale interactie onderbelicht worden. Daarnaast wordt het effect van ervaring verwaarloosd en wordt het instructieproces teveel gebaseerd op reeds aanwezige schema’s.

Hoe gaan we van een constructivistische visie op leren naar het ontwerpen van instructie? - BulletPoints 6

  • Er zijn verschillende stromingen van het constructivisme, maar er gelden vier basisprincipes. Iedere lerende brengt bij een leerproces kennis in gebaseerd op eerdere processen, kennis is het resultaat van een persoonlijke interpretatie, lerenden kunnen samenwerken en standpunten verzoenen, en kennis ontwikkelt zich en verandert.

  • Onderzoeker Piaget stelt dat er verschillende ontwikkelingsfasen zijn. De eerste fase is de sensomotorische fase, de tweede de pre-operationele fase, de derde de concreet-operationele fase en de laatste fase is de formeel-operationele fase.

  • Het begrip ‘zone van naaste ontwikkeling’, geïntroduceerd door Vygotsky, is de afstand tussen het niveau waarop een lerende zelfstandig een probleem kan oplossen en het niveau waarop een lerende een probleem kan oplossen met hulp.

  • Bij constructivistische opvattingen over leren is van belang dat leren een persoonlijk proces is. De instructieverantwoordelijke dient als mediator.

  • Constructivistische manieren van leren zijn experiential learning (nadruk op ervaring), situated learning (nadruk op context) en samenwerkend leren (bv. groepswerk).

  • Bij Probleemgestuurd onderwijs (PGO) moeten groepjes leerlingen zelfstandig oplossingen bedenken voor grote problemen. De lerende wordt als het ware eigenaar van het probleem.

Wat zijn metacognitie en problem solving? - BulletPoints 7

  • Metacognitie is de kennis over onze eigen cognitie en kennisverwerving. Het zijn bewuste controleprocessen over hoe we iets aanpakken.

  • Metacognitie kan onder andere gemeten worden door vragenlijsten, eigen inschattingen, systematische observaties en computerprogramma’s.

  • Het problem solving model van Polya is het meest bekend en heeft vier fasen: probleem onderkennen, plan ontwerpen, plan uitvoeren en resultaat evalueren. Probleemoplossen wordt zo gezien als een lineair proces.

  • Zelfgereguleerd leren is een complex proces waarin verschillende theorieën met elkaar interacteren en er op verschillende manieren feedback wordt gegeven. Voorbedachtheid, leergedrag en controle over wat men zelf wil en zelfreflectie grijpen op elkaar in.

Wat is Instructional Design? - BulletPoints 8

  • Het IDI-model is een cyclisch onderwijskundig ontwerpmodel. Het bestaat uit drie clusters van activiteiten: definieeractiviteiten, ontwikkelactiviteiten en evaluatieactiviteiten.

  • Onderwijskundig ontwerpen omvat de doelen van instructie, hoe men dit wil aanpakken, hoe men de aanpak uittest en reviseert en hoe men de lerenden evalueert. Instructional design is uitgegroeid tot een eigen wetenschapsterrein.

  • Een benadering op microniveau is terug te vinden in de theorie van Skinner. Tekortkomingen van deze benadering zijn onder andere dat er geen reflectie is op het procesverloop en dat de benadering vaak sterk verankerd ligt in een theorie.

  • Macroniveau benaderingen kijken meer naar de context en zien instructie als een systeem. De focus ligt hier eerder op een opleiding dan op een enkele les.

  • Modellen kunnen geordend worden in integrated models, task-oriented models en prescriptive models. Een andere ordening is mediamodellen, productiemodellen, kookboekmodellen, standaardmodellen en systeemmodellen.

  • Bij onderwijskundig ontwerpen worden ook tools gebruikt, zoals computergebaseerde instructional design tools of elektronische leeromgevingen.

  • Kritiek op de huidige benaderingen van ID is bijvoorbeeld dat de modellen nog te lineair zijn en dat lerenden een te kleine rol spelen.

Wat is een curriculum en de curriculumtheorie? - BulletPoints 9

  • Curriculum is een begrip wat op meerdere manieren te omschrijven valt en discussie oproept. Gaat het curriculum alleen om doelstellingenpotentieel, of hoort ook het ontwerpen van de instructie erbij?

  • Er bestaat een continuüm tussen kennisgeoriënteerd curriculum en lerendegeoriënteerd curriculum. Dit continuüm begint met vakkencurriculum, spiralcurriculum, kerncurriculum en ten slotte het acitiveitengebaseerd curriculum.

  • Wanneer er kritisch naar curriculumbenaderingen gekeken wordt, speelt vooral de politiek-ideologische invulling een grote rol. Het eindresultaat is dan een politiek-ideologische activiteit.

  • Curriculumontwikkeling op macroniveau wordt gedomineerd door eindtermen en ontwikkelingsdoelen. Het mesoniveau verwijst naar het niveau van een concrete onderwijsinstelling. Op microniveau zijn de concrete leerdoelen aan de orde.

  • Eendimensionale taxonomieën van leerdoelen kijken naar één dimensie, zoals gedrag, tweedimensionale kijken bijvoorbeeld naar gedrag en inhoud en driedimensionale kijken ook naar transferniveaus.

Wat houdt evaluatie in? - BulletPoints 10

  • Evaluatie is het totale proces van het verzamelen, analyseren en interpreteren van informatie over elk mogelijk aspect van een instructieactiviteit, met als doel een uitspraak te doen over de effectiviteit, de efficiëntie en/of een andere impact.

  • Evaluatie op microniveau is heel persoonlijk, op mesoniveau gaat het om een responsabilisering van instellingen. Dit gebeurt vaak in nauwe relatie tot evaluatie op macroniveau, waar het gaat om het bepalen van de kwaliteit van complete instructiesystemen.

  • Er wordt een onderscheid gemaakt tussen verschillende functies van evaluatie, namelijk: formatieve functie, summatieve functie, predictieve functie en selectieve functie.

  • Voor ieder aggregatieniveau worden er andere evaluatieve vraagtypes gebruikt, zoals ja/nee vragen en aanvulvragen.

  • Kritiek op evaluatie is dat het slechts een momentopname weergeeft. Er is teveel nadruk op gestandaardiseerde en efficiënte toetsen.

Wat voor individuele verschillen zijn er? - BulletPoints 11

  • Verschillen tussen jongens en meisjes zijn bijvoorbeeld dat meisjes gemotiveerder zijn en meer tijd besteden aan school, terwijl jongens hun capaciteiten vaak overschatten. Echter zijn deze aspecten verschillend per individueel persoon.

  • Een lagere SES hangt samen met lagere leerprestaties. Drie theorieën verklaren sociale ongelijkheid: het genetisch deficitmodel, het onderwijsdeficitmodel en het cultureel deficitmodel.

  • Leerstijl zijn eigen opvattingen over leren en instructie, de eigen motivatie voor het leren, de eigen leerdoelen, cognities hoe men kennis verwerkt, gevoelens, motivatie, beslissingsstijl, waarden en emotionele voorkeuren.

  • Er zijn drie concrete benaderingen op leerstijl: instructional preferences, information processing style en cognitive personality style.

  • Instructiestijl is een spiegeling van de leerstijl en omvat specifieke houdingen, opvattingen, interactiestijl en voorkeur voor bepaalde strategieën.

Hoe verhouden motivatie en leren zich? - BulletPoints 12

  • Motivatie is het proces waardoor doelgericht gedrag wordt uitgelokt en onderhouden.

  • In tegenstelling tot de eerdere behavioristische visie op motivatie, zijn de hedendaagse cognitivistische opvattingen over motivatie dat het benaderd wordt als opvattingen, gedachten, doelen en doelgericht gedrag. Ook is er een grote invloed van sociale en contextuele variabelen.

  • De expectancy-value theory voor motivatie stelt dat de uitvoering van het gedrag afhangt van de inschatting van de waarde van een taak en de verwachting over het al dan niet succesvol kunnen uitvoeren van een taak.

  • De attributietheorie voor motivatie stelt dat individuen hun gedrag richten op doelen die gericht zijn op het begrijpen en beheersen van de eigen wereld. Er wordt gezocht naar redenen waarom dit soms wel en soms niet lukt.

  • De social cognitive theory voor motivatie stelt dat leren gebeurt in de driehoek gevormd door de persoon, de omgeving en gedrag. Nieuw gedrag zal pas vertoond worden wanneer een lerende verwacht dat het zal leiden tot positieve gevolgen.

  • Bij extrinsieke motivatie wordt er een beloning toegekend na het uitvoeren van een taak. Bij intrinsieke motivatie beleeft men plezier aan het uitvoeren van de taak.

  • Leraren kunnen kiezen voor de ontwikkelingsgerichte opvatting waarbij de lerende centraal wordt gesteld, of voor het overdrachtsgericht model waarbij het onderwijs externe belangen dient.

Wat voor problemen in rekenen-wiskunde zijn er? - BulletPoints 13

  • Er is sprake van dyscalculie wanneer er voldaan is aan het achterstandscriterium, het exclusiecriterium en het hardnekkigheidcriterium.

  • Wetenschapper Piaget stelde dat conservatie, correspondentie, classificatie en seriatie leiden tot getalbegrip. Kritiek hierop was dat tellen en taal geen plaats krijgen in het model.

  • SNARC-effecten verwijzen naar het feit dat bepaalde rekenopgaven makkelijker en sneller worden opgelost dan anderen. SNARC-effecten zijn het problem-size effect, het tie-effect, het five-effect, split effect, interferentie of associatief verwarringseffect en odd-even effect of pariteitseffect.

  • Er zijn vier typen rekenstoornissen: semantisch geheugen dyscalculie, procedurele dyscalculie, visuo-spatieel subtype (VSLD) en getallenkennisdyscalculie.

  • STICORDI-maatregelen voor dyscalculie zijn dat er STImulerende, Compenserende, Remediërende en Dispenserende maatregelen worden ingevoerd.

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

Check more of this topic?
Check all content related to:
How to use more summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
894 1
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.