BulletPointsamenvatting bij de 4e druk van Introduction to Health Psychology van Morrison & Bennett - Chapter


Wat is gezondheid? - BulletPoints 1

  • Gezondheid bestaat uit 'hebben', 'doen', en 'zijn'', waar gezondheid een reserve is, een afwezigheid van ziekte en een staat van psychologisch en fysiek welzijn.

  • Gezondheid wordt duidelijk in de vaardigheid om fysieke handelingen, zoals fitness, uit te voeren en is normaal gesproken iets dat als vanzelfsprekend wordt gezien tot het uitgedaagd wordt door ziekte.

  • Denkbeelden over gezondheid zijn geswitcht van holistische beelden, waar de geest en het lichaam interacteren, naar meer dualistische denkbeelden, waar de geest en het lichaam worden gezien als onafhankelijk van elkaar. 

  • Dualisten zoals Descartes zagen het lichaam als een machine. Dit zogenaamde mechanisme houdt in dat men er van uitgaat dat gedrag te reduceren is tot het fysiek functioneren van het lichaam. Deze benadering is de basis voor het biomedische model, wat er van uitgaat dat ziektesymptomen een pathologie als oorzaak hebben en verholpen kunnen worden met een medische behandeling

  • Het dualistische denkbeeld is weer terug aan het keren naar het holisme, waarin het medische model uitgedaagd wordt door een meer biopsychosociale benadering. 

  • Het biopsychosociale model houdt rekening met fysieke, psychologische en culturele aspecten bij het verklaren van een ziekte of symptomen. 

  • In de 20e eeuw is de levensverwachting flink omhoog gegaan in de westerse landen. Verklaringen hiervoor zijn behandelingen met medicijnen, vaccinaties, ontwikkelingen in het onderwijs en in de agricultuur.

  • Culturen kunnen collectivistisch of individualistisch georienteerd zijn, en dit beïnvloedt verklaringen voor gezondheid en ziekte evenals het gedrag van de mensen binnen deze cultuur. 

  • Kinderen kunnen ziekte en gezondheid uitleggen in complexe en multidimensionele termen, en menselijke verwachtingen van gezondheid veranderen gedurende het leven als functie van achtergrond en ervaring en cognitieve ontwikkeling. 

  • Erik Erikson (1959 en 1989) beschreef acht ontwikkelingsfases die te maken hebben met het ontwikkelen van een beeld en een karakter wat betreft gezondheid. Die acht fases zijn grofweg op te delen in de volgende vier punten: Cognitief en intellectueel functioneren, Taal- en communicatievaardigheden, Een begrip van ziekte en Gezondheidszorg en het behouden van gezond gedrag.

  • Volgens Piaget vindt de cognitieve ontwikkeling plaats in 4 opeenvolgende stadia: het sensori-motorische stadium (0-2 jaar), het pre-operationele stadium (2-7 jaar), het concreet operationele stadium (7-11 jaar) en het formeel operationele stadium (vanaf 12 jaar). 

  • De World-Health Organization omschrijft gezondheid als 'een staat van fysiek, mentaal en sociaal welzijn en het afwezig zijn van ziekte. Wat in deze definitie mist zijn de sociaal-economische en culturele invloeden op gezondheid, evenals de rol van de psyche. 

  • Het zelfconcept is vrij stabiel gedurende het ouder worden. Er wordt vaak gedacht dat ouder worden een negatief proces is, waardoor een verandering in het zelfconcept onvermijdelijk is. Ouder worden zorgt voor nieuwe uitdagingen, maar die moeten niet als een probleem worden gezien.

  • Vijf modellen van succesvol ouder worden zijn: het biomedische model, het bredere biomedische model, het sociaal functioneringsmodel, het psychologische bronnenmodel, en het lay-model. 

  • Gezondheidspsychologie is de studie naar gezondheid, ziekte en gezondheidszorg praktijken (professioneel en persoonlijk). 

  • Gezondheidspsychologie probeert gezobdheid en ziekte te begrijpen, te verklaren en te voorspellen zodat effectieve interventies ontwikkeld kunnen worden om de fysieke en emotionele kosten van risicogedrag en ziekte te verminderen. 

  • Gezondheidspsychologie biedt een holistisch maar fundamentalistisch psychologische benadering voor zaken met betrekking tot gezondheid, ziekte en gezondheidszorg. 

Hoe hebben culture en sociale achtergronden invloed op gezondheid? - BulletPoints 2

  • Armoede is de belangrijkste oorzaak van ziekte over de wereld, maar psychosociale factoren kunnen de gezondheid ook beïnvloeden op plekken waar de effecten van armoede niet worden gevonden. 

  • Een brede sociale factor die zorgt voor significante variatie in gezondheid binnen maatschappijen is de sociaal-economische status van verschillende groepen. Deze relatie is het resultaat van verschillende factoren, waaronder: verschillende niveaus van gedragingen (zoals roken of beweging), verschillende niveaus van stress geassocieerd met de leefomgeving, niveaus van dagelijkse stress en de aanwezigheid van positieve ervaringen, verschillende toegang tot gezondheidszorg en verschillend gebruik maken van de gezondheidszorg en lage niveaus van sociaal kapitaal en de geassocieerd stress in sommige gemeenschappen. 

  • De World Health Organization heeft een methode ontwikkeld om de verwachtte levensduur van mensen te meten, dit wordt de healthy life expectancy genoemd. Het is opvallend dat het meest welvarende land, namelijk de VS, op de 29e pek staat wat betreft de levensverwachting van de inwoners. Dit kan komen doordat veel sociale groepen in armoede leven, doordat HIV veel voorkomt in de VS, doordat er veel tabak-gerelateerde ziektes voorkomen en doordat er veel geweld is, met name huiselijk geweld. 

  • Armoede heeft waarschijnlijk de belangrijkste sociale en economische invloed op gezondheid. In een ontwikkelingsland sterft een derde van de bevolking op een leeftijd jonger dan 5 jaar. De meest voorkomende doodsoorzaken zijn diarree, bloed in de ontlasting en lagere luchtweginfecties.

  • De meeste studies wijzen toch uit dat de SES de oorzaak is achter de gezondheid. Wanneer mensen vaak van baan verwisselen door bijvoorbeeld reorganisaties, blijkt dat deze mensen emotionele en fysieke problemen ondervinden.

  • De relatie tussen werk en gezondheid is complex. Het hebben van een baan is beter voor iemands gezondheid dan geen baan hebben, maar als het hebben van een baan geassocieerd is met significante eisen naast de baan, kan dit een negatief effect hebben op de gezondheid. 

  • Veel vrouwen hebben bijvoorbeeld last van het hebben van taken op hun werk én thuis, wat negatieve effecten heeft op zowel mentale als fysieke gezondheid. 

  • Banen met hoge niveaus van eisen die worden gesteld en lage niveaus van autonomie zijn stressvoller en sterker gerelateerd aan ziekte dan andere soorten banen. 

  • Het Job Strain Model van Karasek en Theorell beschrijft hoe verschillende factoren bepalen hoe veel werkstress een werksituatie veroorzaakt. Drie factoren worden hierbij genoemd: wat vraagt de baan van de werknemer, hoe veel vrijheid ervaart de werknemer (autonomie) en hoe veel sociale steun is er beschikbaar op het werk. 

  • De financiële onzekerheden die geassocieerd zijn met werkloosheid hebben ook een negatieve invloed op gezondheid.

  • Een derde factor die de gezondheid kan beïnvloeden is het onderdeel zijn van een sociale minderheid. De ervaring van vooroordelen kan significant bijdragen aan niveaus van stress en ziekte. 

  • Gegeven het feit dat veel mensen in een etnische minderheid ook onderdeel zijn van lagere sociaal-economische groepen, ervaren zij ook stress door deze dubbele ongelijkheid. 

  • Geslacht kan gezondheid beïnvloeden, mar niet alleen vanwege biologische verschillen tussen de geslachten. Veel biologische verschillen komen door de verschillende psychosociale ervaringen van mannen en vrouwen. Bovendien doen mannen meer aan gezondheidsbeschadigende gedragingen dan vrouwen en zoeken mannen minder snel hulp als ze ziek zijn. Veel vrouwen zijn economisch inactief of hebben banen waarin ze minder betaald krijgen dan mannen. Dit maakt hen kwetsbaar voor problemen geassocieerd met een lage sociaal-economische status. Bovendien hebben veel vrouwen geen rijbewijs of auto, waardoor ze meer sociaal geïsoleerd zijn dan mannen. 

Welke voor de gezondheid risicovolle gedragingen zijn er? - BulletPoints 3

  • De World Health Organization heeft een lijst gemaakt met risicofactoren die bijdragen aan 1/3 van alle sterfgevallen per jaar. De lijst omvat: hoge bloeddruk; roken; hoog glucoseniveau in het bloed; fysieke inactiviteit; obesitas; hoog cholesterolgehalte; onveilige seks; alcoholconsumptie; laag gewicht bij kinderen; rook door vaste brandstoffen. 

  • Nicotine staat op de derde plek van meest gebruikte psycho-affectieve drugs. De substanties in tabak veroorzaken vernauwing van de vaten en trombose. Passief roken is ook gevaarlijk. 

  • De prevalentie van roken is lager onder minderheidsgroepen dan in de totale populatie. 

  • Alcohol is de tweede meest gebruikte drug ter wereld. Er lijkt een afname te zijn in alcoholgebruik sinds 2010.

  • Alcohol is een depressant van het centrale zenuwstelsel. Lage doses kunnen gedragsinhibitie veroorzaken, en hoge niveaus kunnen de kans op een ongeluk vergroten. Extreem hoge doses kunnen coma en dood veroorzaken. 

  • De kans om dood te gaan door alcohol is twee keer zo groot voor mannen dan voor vrouwen. 

  • Alcoholgebruik kan leiden tot fysieke of mentale ziektes, gedragsproblemen en problemen op school. Er kunnen ook negatieve sociale gevolgen zijn. 

  • Er is bewijs dat gematigd drinken beschermend kan zijn voor de gezondheid, met name voor vrouwen en voor rode wijn. 

  • Regelmatig gebruik van illegale drugs komt vooral veel voor bij cannabis. Drugsgebruik kan leiden tot HIV en Hepatitis C door de methode van toedienen (gebruikte naalden). 

  • De redenen waarom mensen beginnen met het gebruik van drugs zijn: genen, nieuwsgierigheid, modelling/social learning/reinforcement, sociale druk, gewichtscontrole, beeld, risicogedrag, gezondheidscognities, zelfconcept en zelfbeeld. 

  • Mensen die doorgaan met drugsgebruik geven hiervoor de volgende redenen: direct plezier door de belonende effecten, het is een gewoonte geworden, het is een manier om om te gaan met stress, en mensen geloven niet dat ze in staat zijn om te stoppen met drugsgebruik. 

  • In de 20e eeuw werd er een behandeling ontwikkeld voor verslavingen volgens de behavioristische principes. De sociale leertheorie en conditioneringstheorie nemen aan dat leren plaatsvindt door observatie en beloning. 

  • De prevalentie van seksueel overdraagbare aandoeningen neemt toe. Een virus dat bekend staat als HPV is geassocieerd met de ontwikkeling van genitale wratten en baarmoederhalskanker. Condoomgebruik is niet genoeg om te beschermen tegen HPV, omdat HPV op het gehele genitale gebied actief is.

  • Jongere mensen gebruiken vaker condooms dan oudere mensen.

  • Alcoholgebruik veroorzaakt een afname in condoomgebruik onder jonge en oude mensen. 

  • Vrouwen gebruiken minder vaak condooms dan mannen, vanwege 1) moeite met het voorstellen van condoomgebruik aan de partner; Geen behendigheid in condoomgebruik; Zorgen dat het voorstellen van condoomgebruik impliceert dat zijzelf of hun partner mogelijk hiv of een soa heeft; verwachtingen van mannelijk bezwaar tegen een vrouw die voorstelt een condoom te gebruiken (ontkenning van plezier).

  • 35% van de sterfgevallen door kanker komen deels door een slecht dieet. Een dieet met veel vet, veel zout en weinig vezels is vooral schadelijk voor de gezondheid.

  • Vet voedsel bevat low-density lipoproteïnen (LDLs), ook wel 'slecht' cholesterol. Dit kan leiden tot de vorming van plaques in de bloedvaten wanneer het in de bloedstroom circuleert. 

  • Artherosclerose is een conditie waarbij plaques vormen op de wanden van bloedvaten, waardoor deze dikker worden en de bloedstroom naar het hart vermindert. Een gerelateerde conditie is arteriosclerose, wat betekent dat een toegenomen bloeddruk ervoor zorgt dat de wanden van bloedvaten minder elastisch worden en hard worden. 

  • Zout inname is ook een doel van preventieve gezondheidsinterventies. Veel hiervan komt door het eten van te veel verwerkt voedsel. 

  • Obesitas is geen gedrag maar wordt veroorzaakt door een combinatie van een slecht dieet en gebrek aan beweging.

  • Obesitas wordt gemeten in termen van body mass index (BMI), wat berekend wordt door iemands gewicht in kilogrm te delen door de hoogte in vierkante meters. BMI houdt echter geen rekening met leeftijd, geslacht, of lichaamsbouw. 

  • Obesitas is een risicofactor voor verschillende ziektes, waaronder hypertensie, hartziektes, diabetes, osteoarthritis, ademhalingsproblemen, rugpijn en somige vormen van kanker. 

  • Er zijn genetische verklaringen van obesitas: Mensen met obesitas worden geboren met een groter aantal vetcellen; mensen met obesitas hebben een lager metabolisme waardoor ze langzamer calorieën verbranden; obese individuen hebben gebreken in een hormoon dat verantwoordelijk is voor de regulatie van eetlust. 

Welk gedrag vermindert het risico op gezondheidsproblemen? - BulletPoints 4

  • Afhankelijk van de literatuur die je leest (medisch, psychologisch of farmacologisch) worden termen als 'adherence', 'compliance' and 'concordance' gebruikt. De term 'adherence' wordt gebruikt in dit boek en betekent 'de mate waarin het gedrag van de patient overeenkomt met de aanbevelingen van de arts. 

  • De WHO schat dat ongeveert de helft van alle voorgeschreven medicijnen voor chronische condities niet worden genomen zoals voorgeschreven, en dat over alle condities, zowel acuut als chronisch, ongeveer 25% de medicijnen niet neemt zoals voorgeschreven. 

  • Redenen voor non-adherence zijn te verdelen in de volgende groepen: patient-gerelateerde factoren (bijvoorbeeld cultuur en leeftijd); conditiegerelateerde factoren (bijvoorbeeld waargenomen ernst); behandeling-gerelateerde factoren (bijvoorbeeld het aantal, type en timing van de medicatie); sociaal-economische factoren (bijvoorbeeld laag opleidingsniveau, kosten van behandeling); systeem-gerelateerde factoren (bijvoorbeeld communicatie met de arts). 

  • Voor de meeste mensen wordt non-adherence beïnvloed door verschillende van bovenstaande factoren. 

  • Fruit en groente zijn essentieel voor een goede gezondheid vanwege vitamines, vezels en anti-oxidanten. Ze kunnen het lichaam ook beschermen tegen sommige vormen van kanker, hartziektes en beroertes. 

  • Voedelvoorkeuren worden geleerd door socialisatie binnen de familie, waarbij het voedsel dat de ouders het kind bieden de toekomstige voorkeuren vanhet kind bepalen voor: kookmethodes, producten, smaken, texturen en voedselcomponenten. 

  • Fysieke inactiviteit is de vierde risicofactor voor sterfte en regelmatige beweging is beschermend voor de gezondheid, en vermindert het risico op ziektes als cardiovasculaire ziektes en hartziekte. 

  • Regelmatig bewegen versterkt de hartspieren, verhoogt de efficiëntie van het hart en de ademhaling, vermindert de bloeddruk en vermindert de neiging om lichaamsvet op te slaan. 

  • Beweging heeft ook voordelen voor mensen die al ziek zijn. 

  • Lichaamsbeweging heeft ook psychologische voordelen in termen van betere stemming, verminderde angst en depressie en een verbeterd zelfvertrouwen of lichaamsbeeld en prosociaal gedrag. 

  • Biologische mechanismen betrokken bij deze psychologische voordelen zijn: de vrijlating van endorfinen in het bloed; stimulering van het vrijlaten van catecholamines zoals noradrenaline en adrenaline en spierontspanning. 

  • Redenen om te bewegen zijn onder andere een verlangen naar fysieke fitheid, het verlangen om gewicht te verliezen, het verlangen om een gezonde status te behouden of te verbeteren, het verlangen om zelfbeeld te verbeteren, het verminderen van stress of als een sociale activiteit. 

  • Mogelijke barrières zijn een gebrek aan tijd, kosten, gebrek aan toegang, schaamte, gebrek aan zelfvertrouwen en een gebrek aan iemand om samen mee te gaan.

  • Twee doelen van health screening zijn de identificatie van risicofactoren voor ziekte om gedragsverandering mogelijk te maken en om vroege asymptomatische tekenen van ziekte te ontdekken om deze te behandelen.

  • Algemene criteria voor screening programma’s zijn: de conditie moet belangrijk zijn, er moet een herkenbaar vroeg stadium zijn van de conditie of een duidelijk voordeel van het identificeren van een risico; de behandeling in een vroeg stadium moet duidelijke voordelen hebben; een geschikte test moet beschikbaar zijn; de frequentie van screening en follow-up moeten overeengekomen zijn; de kosten moeten overwogen worden; evidence-based informatie moet worden gegeven aan de participanten; subgroepen moeten worden geïdentificeerd.

  • Een aantal factoren is geassocieerd met het niet deelnemen aan screening gelegenheden of zelfonderzoek, waaronder een laag opleidingsniveau en inkomen, leeftijd, gebrek aan kennis, schaamte over de procedure, angst dat er iets ontdekt wordt, angst voor pijn en gebrek aan zelfvertrouwen.

  • Vaccinatie is de oudste vorm van immunisatie, waarbij een kleine hoeveelheid van een antigen geïnjecteerd wordt in het lichaam, wat de ontwikkeling van antilichamen voor dat specifieke antigen triggert.

  • Een nieuw vaccine is ontwikkeld voor HPV, wat aanwezig is in 70-95% van de baarmoederhalskankers.

  • There is evidence of emotional and cognitive predictors of uptake of vaccination, for example parents who exhibite anxiety about the risks of vaccination and the low perceptions of the potential benefits of vaccination.  

Hoe kunnen beoordeling en interventie binnen de gezondheidspsychologie plaatsvinden? - BulletPoints 5

  • Veel proximale en distale factoren beïnvloeden ons gedrag en gezondheidsgedrag. Voorbeelden van distale invloeden zijn cultuur, omgeving, etniciteit, sociaal-economische status, leeftijd, geslacht en persoonlijkheid. Proximale invloeden zijn bijvoorbeeld specifieke overtuigingen en attitudes richting risicovol en beschermend gedrag.

  • Veel gezondheidsgedragingen ontstaan in de kindertijd of vroege volwassenheid.

  • Geslacht heeft een significante invloed op de natuur en het uitvoeren van gezondheidbeschermend of risicovol gedrag. Percepties over de gezondheid en de betekenissen die vastzitten aan gezond gedrag is een gedeeltelijke verklaring voor de geslachtsverschillen in gezondheidsgedrag.

  • Persoonlijkheid heeft ook invloed op gezondheidsgedrag. De Big Five eigenschappen omvatten: neuroticisme, extroversie, openheid, vriendelijkheid en conscientieusheid.

  • Neuroticisme is geassocieerd met gezondheidsrisico gedrag, maar is ook geassocieerd met meer gebruik van de gezondheidszorg door de grotere aandacht aan lichamelijke sensaties en grotere kans deze te labelen als potentiële bedreiging.

  • De multidimensionele gezondheids locus van controle schaal bevat drie dimensies: intern, extern en machtige anderen. Deze zijn echter slechte voorspellers van gedrag.

  • De zelfdeterminatie theorie maakt onderscheid tussen intrinsieke en extrinsieke motivatie.

  • In relatie tot risicovol gedrag voor de gezondheid, wordt sociale invloed gezien in de vele bronnen van informatie waaraan een persoon wordt blootgesteld, bijvoorbeeld advertenties op televisie.

  • De sociale cognitie theorie is een model van sociale kennis en gedrag die de verklarende rol van cognitieve factoren benadrukt (overtuigingen en attitudes)

  • Attitudes zijn relatief langdurig en makkelijk te generaliseren en bestaan uit drie gerelateerde delen: cognitie, emotie en gedrag. Het empirische bewijs voor een directe associatie tussen attitudes en gedrag is echter niet sterk. 

  • Mensen doen vaak aan risicovol of ongezond gedrag omdat ze denken dat ze zelf geen risico lopen, dit wordt onrealistisch optimisme genoemd. Factoren die hiermee geassocieerd zijn, zijn: een gebrek aan persoonlijke ervaring met het gedrag of het probleem; een overtuiging dat hun individuele acties het probleem kunnen voorkomen; de overtuiging dat als het probleem nog niet is ontstaan, dit ook niet zal gebeuren in de toekomst en de overtuiging dat het probleem zeldzaam is. 

  • Het Health Belief Model (HBM) stelt voor dat de kans dat iemand deelneemt aan een gezondheidsgedrag afhangt van demografische factoren. Het HBM voorspelt dat preventief gedrag volgt uit overtuigingen van kwetsbaarheid voor serieuze gezondheidsbedreigingen en overtuigingen dat de waargenomen voordelen van gedrag zwaarder wegen dan barrières voor dat gedrag. 

  • De Theory of Reasoned Action (TRA) en de Theory of Planned Behviour (TPB) stammen af van de sociale cognitietheorie. Deze modellen gaan ervan uit dat sociaal gedrag bepaald wordt door de overtuigingen van een persoon over gedrag in bepaalde sociale contexten en door hun sociale percepties en verwachtingen van de uitkomst.

  • Mensen vertalen hun goede intenties niet altijd in acties omdat ze dan geen plannen hebben gemaakt over hoe, wanneer en waar ze hun intentie gaan implementeren. Individuen moeten hun mindset van motivatie verplaatsen naar een implementatie mindset. Dit worden implementatie intenties genoemd.

  • Het transtheoretische model beschrijft processen van het uitlokken en behouden van intentionele gedragsverandering. De stadia zijn: 1) pre-contemplatie; 2) contemplatie; 3) voorbereiding; 4) actie; 5) behoud. Twee aanvullende stadia zijn beëindiging en terugval.

  • Het precaution adoption process model (PAPM) heeft zeven stadia en benadrukt belangrijke gebreken uit de TTM. De PAPM geeft meer aandacht aan de pre-actie stadia. De stadia zijn: 1) een persoon is zich onbewust van de bedreiging; 2) een persoon is niet betrokken; 3) mensen raken betrokken en komen in een stadium van overweging; 4) sommige mensen kiezen er actief voor om niet te handelen; 5) sommigen kiezen ervoor om te gaan handelen, gelijk aan intentie/voorbereiding; 6) het actie stadium; 7) het stadium waarin volhouden centraal staat.

  • De health action process approach (HAPA) benadrukt de rol van post-motivationele self-efficacy en actie planning. Het HAPA model suggereert dat the aannemen, het initiëren en behouden van gezondheidsgedrag expliciet moet worden gezien als process dat bestaat uit in ieder geval een pre-intentionele motivatie fase en een post-intentionele volition fase.

  • De modellen van gezondheidsgedrag die voornamelijk gebruikt worden in psychologisch onderzoek richten zich meer op individuele cognities dan goed is. Gedrag wordt namelijk erg beïnvloed door de context, sociaal-economisch bronnen, cultuur en rechten, sancties en gewoontes.

Hoe kan gedragsverandering in gang gezet worden? - BulletPoints 6

  • Het PRECEDE-PROCEED model biedt een sterk kader voor de ontwikkeling van publieke gezondheidsprogramma’s. Belangrijke stadia in hun ontwikkeling zijn: sociale diagnose, epidemiologisch gedrag, omgevingsdiagnose, educationele en ecologische diagnose en programma implementatie.

  • Een aantal benaderingen kan gebruikt worden om gedragsverandering te motiveren: het geven van informatie, de centrale en perifere routes van het elaboration likelihood model, geschikte weergave van informatie en motivationeel interviewen.

  • De NICE richtlijnen voor gedragsverandering hebben verschillende manieren geïdentificeerd om informatie te presenteren om de motivatie te vergroten. De belangrijkste berichten moeten beïnvloeden: verwachtingen met betrekking tot de uitkomst, persoonlijke relevantie, positieve attitude, self-efficacy, descriptieve normen, subjectieve normen en persoonlijke en morele normen.

  • Het elaboration likelihood model suggereert dat pogingen om mensen te motiveren die niet geïnteresseerd zijn in een bepaald onderwerp niet werkt als je rationale argumenten gebruikt. Alleen individuen met een vooraf bestaande interesse in het onderwerp geven aandacht aan dat type informatie en handelen ernaar.

  • Volgens het ELM vindt centrale verwerking plaats als een bericht congruent is met iemands vooraf bestaande overtuigingen, persoonlijk relevant is, mensen de intellectuele capaciteiten hebben om het bericht te begrijpen. Perifere verwerking vindt plaats als iemand niet gemotiveerd is voor een bepaald argument, weinig betrokken is in het onderwerp en incongruente overtuigingen heeft.  

  • De belangrijkste vragen bij motivationeel interviewen zijn: wat zijn sommige goede dingen van je huidige gedrag? Wat zijn de minder goede dingen van je huidige gedrag?

  • Er kunnen een aantal benaderingen gebruikt worden om gedrag te veranderen: probleem-actie benaderingen, implementatie plannen, modelling en praktijk en cognitieve interventies.

  • Counselling is een probleemgerichte benadering om gedrag te veranderen en heeft drie aparte fases: 1) het ontdekken van het probleem en verduidelijking; 2) het stellen van doelen; 3) het faciliteren van actie.

  • Cognitieve interventies proberen cognities direct te veranderen en met name de cognities die ertoe leiden dat individuen deelnemen aan gedragingen die schadelijk zijn voor de gezondheid of die voorkomen dat ze een geschikte gedragsverandering ondergaan.

  • Categorieën van relevante cognities zijn attitudes richting het gedrag en relevante sociale normen, overtuigingen over de kosten en baten van ziekte preventie en overtuigingen over een ziekte of conditie en de vaardigheid om hiermee om te gaan.

  • Bandura identificeert drie basis modellen van obervationeel leren: een live model dat een actueel persoon omvat die een bepaalde gedrag uitvoert, een verbale instructive die beschrijvingen en uitleg geeft over een gedrag en een symbolisch model Bandura identifies three basic models of observational learning: a live model dat echte of fictieve karakters omvat die gedrag laten zien in boeken, films etcetera.

  • Een derde benadering voor het veranderen van gedrag is het aanzetten van de omgeving om gedragsverandering te faciliteren of te belonen en het deelnemen aan schadelijk gedrag te voorkomen.

  • Het Health Belief Model levert simpele richtlijnen over omgevingsfactoren die beïnvloed kunnen worden om gedragsverandering te promoten. Het model suggereert dat een omgeving die gezond gedrag stimuleert 1) cues moet bieden om deel te nemen aan gezond gedrag of cues moet verwijderen voor ongezond gedrag, 2) kosten en barrières voor gezond gedrag moet minimaliseren 3) kosten voor schadelijk gedrag moet maximaliseren.

  • Sommige veranderingen kunnen de maatschappij binnendringen op natuurlijke wijze, wat bekend staat als diffusie van innovatie. Dit proces kan gefaciliteerd worden door het gebruik van vroege adoptanten of opinieleiders die gedragsverandering promoten.

  • Rogers verdeelde de populatie in termen van hun reacties op innovatie en hun invloed op het gedrag van anderen: innovaters (een kleine groep individuen met een hoge status), early adopters (een grotere groep mensen met een bredere invloedsfeer), early majority (een groep die ideeën vroeg aanneemt maar niet de macht heeft om de populatie te beïnvloeden), late majority (mensen die de innovatie pas aannemen na de early majority) en de laggards (mensen die als laatst een innovatie aannemen of zelfs helemaal niet).

  • Informatie voorziening moet informatie bevatten over de gevolgen van gedrag in het algemeen, de gevolgen van gedrag voor het individu, de waardering van anderen van gedragsverandering, normatieve informatie over gedrag van anderen.

  • Probleemgerichte benaderingen omvatten: het stellen van doelen, het plannen van acties, het plannen van barriers/problemen oplossen en het stellen van gegradeerde taken.

Hoe kan gezond gedrag door (bevolkings)groepen worden bevorderd? - BulletPoints 7

  • Het screenen voor risicofactoren kan nuttig zijn voor sommige individuen, maar is niet effectief in het verminderen van het risico op ziekte. Het kan bovendien bijdragen aan de angst voor ziekte.

  • Motivationeel interviewen kan nuttiger zijn voor het motiveren en behouden van gedragsverandering, maar de impact is niet gegarandeerd. 

  • Probleemgerichte benaderingen zijn significant effectiever dan de benaderingen die simpelweg informatie bieden over gezondheid.

  • Het screenen voor gezondheidsrisico’s kan leiden tot signiicante angsten. Voor sommige individuen nemen deze angsten af door het aanleren van simpele copingstrategieën.

  • Eenvoudige media campagnes lijken weinig effectief te zijn in het bereiken van gedragsverandering. Verbetering door het verfijnen van communicatie gebaseerd op theorieën zoals het elaboration likelihood model, het combineren van angst en angstverminderende berichten, geschikte ‘framing’ van informatie en de verdeling van de populatie kan nuttig zijn.

  • Interventies die in het geheel gebaseerd zijn op het uitlokken van angst hebben weinig effect. Als angstberichten worden gebruikt, moeten ze samengaan met makkelijk toegankelijke strategieën om angst te verminderen.

  • Er kunnen vooraf geen sterke oordelen worden gemaakt over welk type framing specifieke populaties beïnvloedt. Dit benadrukt het belang om elke interventie eerst te testen als pilot voor het publiekelijk wordt toegepast.

  • Omgevingsgerichte interventies kunnen ook nuttig zijn. Ze kunnen ook cues foor actie bieden of cues verwijderen voor ongezond gedrag, gezond gedrag vergemakkelijken door het minimaliseren van de kosten en barrières die ermee samen gaan, of het maximaliseren van de kosten voor het deelnemen aan gedrag dat schadelijk is voor de gezondheid. 

  • Traditionele CHD preventieprogramma’s hebben slechts gematigde gezondheidsvoordelen bereikt in de populatie, tenzij het gericht was op relatief naïeve populaties. 

  • Interventies met als doel HIV en AIDS zijn meer succesvol gebleken in geïndustrialiseerde en ontwikkelingslanden vanwege het gebruik van peers.

  • Peer-gestuurde interventies zijn succesvoller voor verschillende gedragingen. Bij deze benadering worden opinieleiders en andere belangrijke mensen in een specifieke gemeenschap betrokken bij projecten en vormen een belangrijk onderdeel van het programma.

  • De werkplaats biedt een belangrijke omgeving om gezonde gedragsveranderingen te faciliteren.

  • Verschillende formats zijn gebruikt op de werkvloer, waaronder enkele innovatieve benaderingen: het screenen voor risicofactoren van ziektes, het bieden van educatie over gezondheid, het bieden van gezonde opties, zoals gezond eten in de kantine, het bieden van economische beloningen voor het veranderen van risicogedrag, het manipuleren van sociale steun om individueel risicogedrag te veranderen en het bieden van niet-roken gebieden. 

  • Het kader van schoolgerichte interventies omvat: gezond beleid zoals een geen helm, geen fiets op school regel voor fietsveiligheid, het bewerkstelligen van een veilige, gezonde fysieke en sociale omgeving, het aanleren van gezondheid gerelateerde vaardigheden, het bieden van goede gezondheidsdiensten in de school, het bieden van gezond eten, gezondheidspromotie programma’s voor de werkgevers, de beschikbaarheid van counselling of psychologie programma’s en een fysiek educatie programma op school.

  • Een andere benadering voor gezondheidseducatie op school omvat peer educatie, waarbij invloedrijke leerlingen in een school les krijgen over een specifiek gezondheidsprobleem zoals roken, en waarbij zij worden aangemoedigd om hun leeftijdsgenoten hierover op te leiden.

  • Het analyseren van de effectiviteit van internetgerichte interventies laat het bereik zien in het aantal mensen dat ze bereiken en de effectiviteit.

  • Tekstberichten worden ook gebruikt om mensen te herinneren aan de noodzaak om te veranderen, het bieden van vaardigheden om aan gedragsverandering deel te nemen en het bijhouden van gedragsverandering. Deze interventies zijn effectief gebleken.

  • Technologie kan aantrekkelijk zijn voor modern gezondheidszorg promotoren, maar er moet worden opgepast voor het negeren van de meer traditionele benaderingen. De deelname aan geschreven zelf-hulp materialen is groter dan technologisch beschikbare zelf-hulp materialen.

  • Complexere en interactievere interventies die gebruik maken van het internet zijn effectiever in het laten deelnemen van de ontvangers.

Het menselijk lichaam en gezondheid en ziekte - BulletPoints 8

  • De belangrijkste functionele gebieden van het brein zijn de medulla oblongata, die de ademhaling, bloeddruk en hartslag reguleert, de hypothalamus, die de eetlust, seksuele opwinding en dorst controleert en controle heeft over emoties, en de amygdala die situaties van bedreiging linkt aan relevante emoties zoals angst en die de reactie van het autonome zenuwstelsel op zulke bedreigingen controleert.

  • Een van de belangrijkste systemen die wordt gecontroleerd door de hersenen is het autonome zenuwstelsel. Deze bestaat uit twee parallelle sets zenuwen: het sympatische zenuwstelsel is verantwoordelijk voor de activatie van veel organen van het lichaam en het parasympatische zenuwstelsel is verantwoordelijk voor rust en herstel.

  • Het hoogste level van controle over het autonome zenuwstelsel in het brein is de hypothalamus, die reflectieve veranderingen coördineert in reactie op verschillende fysieke veranderingen, waaronder beweging temperatuur en bloeddruk.

  • De hypothalamus reageert ook op emotionele en cognitieve eisen, en is zo een link tussen fysiologische systemen en psychologische stress.

  • Activatie van het sympatische zenuwstelsel omvat twee neurotransmitters: norepinephrine en epinephrine, die de organen stimuleren via de sympatische zenuwen.

  • Langdurige activatie wordt in stand gehouden door hun hormonale equivalenten die worden vrijgelaten uit de adrenal medulla.

  • Een tweede systeem dat gecontroleerd wordt door de hypothalamus en de hypofyse, trigger het vrijlaten van corticosteroïden uit de bijnierschors. Dit zorgt voor een toename van de energie die beschikbaar is om fysiologische activatie te behouden en ontstekking van beschadigd weefsel te onderdrukken.

  • Het immuunsysteem is een barrière voor infecties door virussen en andere biologische bedreigingen voor onze gezondheid. Belangrijke elementen zijn fagocyten, zoals macrofagen en neutrofilen, die pathogenen omgeven en vernietigen.   

  • Een tweede groep cellen zijn de lymfocyten, die cytotoxische T cellen en B cellen omvatten. Deze reageren vooral op aanvallen van virussen en tumorcellen. Beide groepen van cellen kunnen samenwerken om pathogenen te vernietigen.

  • Langzame virussen, waaronder HIV, vallen het immuunsysteem aan door het infecteren van CD4+ cellen, en voorkomen dat de T en B cellen adequaat kunnen reageren. Dit zorgt ervoor dat het lichaam kwetsbaar is voor aanvallen door virussen en kanker, wat kan resulteren in levensbedreigende situaties.  

  • Het immuunsysteem kan problemen veroorzaken door zijn eigen cellen aan te vallen als externe bedreigingen. Dit kan leiden tot ziektes zoals multiple sclerose en type 1 diabetes.

  • Het spijsverteringskanaal is verantwoordelijk voor het innemen, absorberen en verdrijven van voedsel. Activiteit in dit kanaal wordt gecontroleerd door het enterische zenuwstelsel, dat verbonden is aan het autonome zenuwstelsel.

  • Activiteit in het systeem is daarom responsief voor stress en andere psychologische staten.

  • Sommige condities waarvan werd gedacht dat ze het resultaat zijn van stress, worden nou gezien als het resultaat van fysieke en psychologische factoren. Maagzweren zijn het resultaat van een infectie door Helicobacter pylori, terwijl het irritable bowel syndrome niet langer wordt gezien als geheel het resultaat van stress, maar het heeft meerdere oorzaken waarvan stress er één is.

  • Het cardiovasculaire systeem is verantwoordelijk voor het vervoeren van zuurstof, voedingsstoffen en ander materiaal door het lichaam. De activiteit wordt beïnvloed door het autonome zenuwstelsel..

  • Twee stille condities die kunnen leiden tot ziektes als een hartinfarct of beroerte zijn hypertensie en atheroma. Beide omvatten ze lange termijn processen.

  • Een manier waarop lange termijn hypertensie ontwikkelt is door herhaaldelijke korte termijn toenames in de bloeddruk door de actie van het autonome zenuwstelsel in reactie op stress.

  • Artheroma ontwikkelt door herstelprocessen van de wanden van de bloedvaten. Twee duidelijke uitkomsten van dit proces zijn een myocardiaal infarct, waarbij er geen zuurstof meer naar de hartspier wordt gebracht. Angina heeft gelijke symptomen maar is het resultaat van spasmes van de bloedvaten en kan nog teruggedraaid worden.

  • Het ademhalingssysteem is verantwoordelijk voor het inademen en het verplaatsen van zuurstof door het lichaam, en het wegvoeren van carbon diozide. Er kunnen een aantal ziektes ontstaan, waaronder chronische obstructieve luchtweg ziekte (COPD) en longkanker, die beide erg worden verergerd door het roken van sigaretten.

Hoe kunnen symptomen beleefd en geinterpreteerd worden door een individu? - BulletPoints 9

  • ‘Illness’ is wat een patient voelt wanneer hij/zij naar de dokter gaat, dus is de interpretatie, subjectief. Disease is iets wat objectief is, een gebrek in het orgaan, cel of weefsel wat een fysieke stoornis suggereert.

  • Onderzoek heeft verschillende biologische, psychologische en contextuele invloeden op de perceptie van symptomen benadrukt, waarbij bottom-up invloeden op perceptie voortkomen uit de fysieke kenmerken van een lichamelijke sensatie, en de top-down invloeden worden gezien in de invloed van aandachtsprocessen op stemming.

  • Symptomen die aandacht krijgen en geïnterpreteerd worden als symptom zijn vaak pijnlijk of verstorend, nieuw, persistent en gaan vooraf aan een chronische ziekte.

  • Er zijn individuele verschillen in de hoeveelheid aandacht die mensen geven aan hun interne en externe staat. Twee aandachtsprocessen beïnvloeden hoe informatie over symptomen wordt verwerkt: het primaire aandachtssysteem (PAS) opereert buiten het bewustzijn, en het secundaire aandachtssysteem (SAS), dat wordt gezien als meer toegankelijk voor executieve controle.

  • Het wordt vaak gesuggereerd dat geslachtssocialisatie ervoor zorgt dat vrouwen meer aandacht geven aan lichamelijke signalen en symptomen. Dit lijkt echter af te hangen van de symptomen waar het om gaat.

  • Een toename in leeftijd is geassocieerd met een toename in symptomen volgens zelfrapportage. Of kinderen specifieke symptomen ervaren die anders zijn dan bij volwassenen is onduidelijk.

  • Mensen die positief gestemd zijn beoordelen zichzelf als gezonder en rapporteren minder symptomen. Negatieve emotionele staten kunnen de perceptie van symptomen vergroten door het effect op aandacht en door een toename van piekeren en het herinneren van negatieve gezondheid in het verleden.

  • Neuroticisme wordt omschreven als een persoonlijkheidskenmerk en de neiging om negatieve emoties te ervaren en is gerelateerd aan het bredere construct negatieve affectiviteit (NA). NA beïnvloedt de perceptive, interpretatie en rapportage van symptomen.

  • De interpretatie van symptomen wordt beïnvloed door individuele verschillen. Vrouwen interpreteren een lichamelijk teken sneller als symptoom van een onderliggende ziekte dan mannen. Vrouwen gaan ook vaker naar de dokter dan mannen.

  • Mensen die hoog scoren op NA gaan eerder naar de dokter dan mensen die laag scoren op NA. Gematigde niveaus van neuroticisme kunnen echter ook voordelig zijn voor de gezondheid: mensen houden bijvoorbeeld beter vast aan hun behandeling of gaan sneller naar de dokter als er ook echt iets aan de hand is.

  • De interpretatie van symptomen verschilt ook afhankelijk van iemands huidige sociale identiteit.

  • Mensen geloven dat ze ziek zijn als de symptomen die iemand ervaart passen in een model van ziekte die iemand in zijn/haar geheugen heeft. Hier haalt de gezondheidspsychologie een model aan dat dominant is in de cognitieve psychologie.  

  • Het common-sense model beweert dat mentale representaties een kader bieden voor het begrijpen en copen met ziekte en helpen een persoon te herkennen waar ze op moeten letten.

  • Vijf consistente thema’s in ziekte representaties zijn: identiteit, consequenties, oorzaak, tijdlijn en geneesbaarheid of controleerbaarheid.

  • Ziekte representaties hebben een direct effect op veel uitkomsten, waaronder het zoeken en gebruiken van medische behandelingen, het deelnemen aan zelfzorg gedrag of gedragsverandering, attitudes richting het gebruik van een merk of merkloze medicijnen, en behandelkeuzes, ziekte-gerelateerde gebreken en terugkeer naar werk, angst van de verzorger en depressie en kwaliteit van leven.

  • Causale attributies gaan over de vraag waar een persoon de oorzaak van een gebeurtenis, symptomen en/of ziekte lokaliseert. Dit wordt deels beïnvloed door cultuur.

  • Het gedrag van mensen die symptomen ervaren maar die nog geen medisch advise hebben gezocht en een diagnose hebben gekregen wordt ‘illness behaviour’ genoemd.

  • Het ‘lay referral system’ is een informeel netwerk van individuen (bijvoorbeeld vrienden, familie, collega’s) waar mensen zich tot richten voor advies of informatie over symptomen en andere gezondheidsgerelateerde zaken. Dit wordt vaak gebruikt voor het zoeken van een formeel medisch advies.  

  • Vertragingsgedrag verwijst naar iemands vertraging in het zoeken van gezondheidsadvies tegenover vertraging inherent aan het gezondheidssysteem zelf.

  • Er zijn veel mogelijke redenen voor het niet zoeken van medische aandacht (delay behaviour). Enkele belangrijke factoren zijn het type symptoom, locatie en waargenomen prevalentie, financiële redenen, culturele invloeden, leeftijd, geslacht, invloed van anderen, overtuigingen over de behandeling en emoties en persoonlijkheidskenmerken.

Hoe kan interventie binnen de gezondheidspsychologie plaatsvinden? - BulletPoints 10

  • Er is een shift geweest van het beeld dat de dokter het altijd het best weet, naar een consult waarin meer patiëntgerichte benaderingen worden gebruikt en hierdoor vindt gedeelde besluitvorming plaats, waarbij zowel arts als patiënt een rol hebben.

  • Dit heeft veel voordelen, maar veel patiënten zijn voorzichtig hierin omdat het zorgen met zich meebrengt over de expertise van zorgprofessionals en het kan een verantwoordelijkheid leggen bij de patiënt voor hun behandeling die ze niet altijd willen dragen.

  • Sommige andere elementen van het consult kunnen de uitkomst beïnvloeden, waaronder: het geslacht van de gezondheidsprofessional (vrouwen zijn empathischer en zorgzamer dan mannen, wat vaak leidt tot grotere tevredenheid), de manier waarop informatie wordt gegeven, de input van de patiënt: mensen die meer vragen stellen krijgen meer informatie uit hun consult.

  • Het brengen van slecht nieuws houdt in dat aan een patiënt verteld moet worden dat ze ernstig ziek zijn en dat ze eraan dood kunnen gaan. Het is een stressvol proces voor zowel patiënt als gezondheidsprofessional.

  • Belangrijke factoren in het optimaliseren van dit proces zijn: het overbrengen van dit nieuws in persoon, privé, met genoeg tijd en zonder onderbrekingen, het uitvinden wat de patiënt weet over hun diagnose, uitvinden wat de patiënt wil weten, het delen van de informatie, het beginnen met een waarschuwing, reageren op de gevoelens van een patiënt, plannen en volgen.

  • Medische besluitvorming kan worden beïnvloed door verschillende factoren. Doktoren gebruiken vaak heuristieken om een diagnose te stellen. Dit kan het proces versnellen, maar vergroot het risico op diagnostische fouten. Typische fouten zijn fouten van beschikbaarheid, representativiteit en verschillende pay-offs van verschillende diagnoses. 

  • Het volhouden van aangeraden medische behandelingen wordt beïnvloed door een aantal factoren, waaronder sociale factoren, psychologische factoren, behandelfactoren, familiedynamiek en overtuigingen over de aard van de ziekte en het behandelregime.

  • Het volhouden van de behandeling kan verbeterd worden door het gebruik van patiëntgerichte benaderingen en gedeelde besluitvormingen, het maximaliseren van de tevredenheid met het behandelproces, het maximaliseren van het begrip van de conditie en de behandeling en het maximaliseren van het geheugen voor de gegeven informatie.

  • Een simpele strategie voor het maximaliseren van het geheugen voor informatie die wordt gegeven is het aanbieden van de informatie op een gestructureerde manier. De belangrijkste informatie moet vroeg of laat in de informatiestroom worden aangeboden om primacy en recency effecten te stimuleren. Het belang moet bovendien benadrukt worden. Verdere strategieën omvatten herhaling en het gebruik van specifieke statements.

  • Behalve consulten, kunnen deze strategieën ook worden toegediend op de volgende manieren: een goede timing van het innemen van medicatie, relevante informatie, herinneringen om medicatie te nemen, zelf-monitoring en het belonen van het goed gebruiken van medicatie.

  • Het volhouden van gedragsprogramma’s is ook niet maximaal. Dit kan komen door verschillende factoren, waaronder een kosten-baten analyse van verandering, lage motivatie en problemen met het plannen of uitvoeren van consistente verandering.

  • Belangrijke theoretische variabelen die geassocieerd zijn met het volhouden van gedragsprogramma’s zijn: vertrouwen in de vaardigheid om te bewegen, intenties om te bewegen, waargenomen controle over beweging, overtuiging in de voordelen van eerder uitgevoerde fysieke activiteit, waargenomen barrières voor sporten, en het plannen van actie.

  • Op zelf-regulatie gebaseerde interventies die rekening houden met deze factoren zijn het meest effectieve middel voor het bereiken van langdurige gedragsverandering.

  • Gebaseerd op bewijs, suggereert de ERIC database een aantal componenten die centraal moeten staan in elk gedragsveranderingsprogramma. Deze kunnen worden onderverdeeld in zelfregulatie en motivationele strategieën.

  • Zelfcontrole strategieën zijn succesvol omdat participanten een grotere kans hebben om een gedragsprogramma vol te houden als ze een succesvolle gedragsverandering toeschrijven aan hun eigen inzet in plaats van de inzet van gezondheidsprofessionals. Dit kan worden verbeterd door het leren van zelf-management vaardigheden zoals zelf-monitoring, het stellen van doelen, plannen, enzovoorts.

  • Terugvalpreventie omvat het identificeren van hoge risico situaties die kunnen leiden tot terugval en het plannen van hoe deze situaties moeten worden vermeden of hoe iemand hiermee om kan gaan.

  • Motivationele strategieën omvatten een stapsgewijze progressie in de mate van gedragsverandering, het gebruik van sociale steun als dat beschikbaar is, het gebruiken van een gestructureerde maar flexibele benadering, het stellen van haalbare persoonlijke doelen en het meten van successen en het belonen van succes.

  • Verandering een gewoonte maken is belangrijk, en daarom moet verandering continu en volhoudend zijn, niet onderbroken worden.  

Hoe kan stress de gezondheid beïnvloeden? - BulletPoints 11

  • Wanneer stress als een stimulus gezien wordt, gaat het om gebeurtenissen waarvan mensen denken dat zij het misschien niet aan kunnen, of waarvan ze denken dat het erg zwaar gaat worden.

  • Naast vaak zeldzame levensgebeurtenissen, heeft onderzoek de stressvolle aard aangetoond van dagelijkse beslommeringen (daily hassles).

  • Een opvallend verschil tussen mannen en vrouwen is dat vrouwen psychologisch beïnvloed worden door zowel de positieve als de negatieve gebeurtenissen, terwijl mannen alleen last hebben van de negatieve dingen.

  • Volgens Lazarus is stress het resultaat van iemand zijn karakter en manier van benaderen, de interne of externe gebeurtenis en de interne of externe bronnen die iemand heeft om daar mee om te gaan.

  • Wanneer mensen in een nieuwe of uitdagende situatie geraken, komen zij in een proces van benadering, dat primair of secundair kan zijn.

  • Bij primaire benadering overweegt iemand de kwaliteit en de aard van de gebeurtenis. Afhankelijk van het soort stressor weegt iemand af of de gebeurtenis relevant is voor diegene, of het positief of negatief is, of er iets mee gedaan moet worden en of het een bedreiging is.

  • Secundaire benadering houdt in dat iemand bekijkt hoe zijn mogelijke bronnen ingezet kunnen worden om om te gaan met de stressor

  • Smith maakte van de twee soorten benadering (bij de secondary appraisal) vier soorten benaderingen: interne of externe verklaring, probleemgerichte coping, emotiegerichte coping en verwachtingen voor de toekomst.

  • Het conservation of resources model zegt dat mensen proberen hun waardevolle bronnen te behouden. Stress zal ontstaan wanneer het behoud bedreigd wordt of wanneer de bronnen werkelijk verloren worden.

  • De environmental stress theory ziet stress als een combinatie van psychologische en fysiologische reacties op de eisen die de nieuwe omgeving (een door een orkaan verwoest dorp) stelt.

  • De Yerkes-Dodsonwet stelt dat er een optimaal stressniveau is dat de prestatie ten goede komt, maar dat te veel of te weinig stress een negatieve invloed heeft. Voor complexe taken is een lagere mate van stress beter en voor simpele taken is vaak wat meer stress beter.

  • Burn-out wordt door Maslach beschreven als uitputting, depersonalisatie en het niet meer bereiken van persoonlijke doelen.

  • De environment fit theories en de goodness-of-fit theorie van Lazarus stellen dat stress ontstaat wanneer er geen goede combinatie is van omgevingsfactoren en persoonlijke factoren.

  • Het Job demand-control model (JDC) van werkstress beschrijft de volgende kenmerken die zouden leiden tot stress: werkeisen, controleerbaarheid, voorspelbaarheid en ambiguïteit.

  • Een gebeurtenis moet op een bepaalde manier benaderd of beoordeeld worden. Hier is het centrale zenuwstelsel voor nodig. Sensorische informatie en benadering zorgen er samen voor dat er automatische en endocriene reacties plaats vinden.

  • Het general adaptation syndrome (GAS) bestaat uit drie fasen: alarmreactie, verzetsfase en uitputtingsfase.

  • Verschillende soorten stress kunnen geassocieerd worden met verschillende soorten reacties. Zo wordt er in het bloed meer adrenaline gevonden wanneer iemand mentale stress heeft en meer noradrenaline wanneer iemand fysieke stress ondervindt.

  • Het ANS kan worden onderverdeeld in twee verbonden systemen: het sympatische zenuwstelsel (SNS) en het parasympathisch zenuwstelsel (PNS).

  • Het SNS is betrokken bij opwinding en uitbreiding van energie, terwijl het PNS betrokken is bij verminderen van opwinding en herstellen van energie.

  • Stress kan veranderingen veroorzaken in het immuunsysteem en het endocriene systeem die weer leiden tot de ontwikkeling van ziekte. Dit gebeurt voornamelijk wanneer de stress chronisch is.

  • De reactiviteit hypothese beschrijft hoe genetische of omgevingsfactoren samen  iemands kwetsbaarheid voor een fysiologische reactie beïnvloeden na stress en negatieve emoties, die schadelijk kunnen zijn voor gezondheid.

  • CHD is een aandoening aan het cardiovasculaire systeem dat zich geleidelijk ontwikkelt. Het kan ontstaan door een erfelijke gevoeligheid of door iemands manier van leven

  • Door stress komt er meer cholesterol en catecholamines vrij, die zich afzetten tegen de bloedvatwanden. Dit kan de bloedstroom beperken of zelfs blokkeren.

  • Er zijn inmiddels genoeg onderzoeksresultaten om aan te nemen dat copingstijl (hulpeloosheid of hopeloosheid) en humeur de uitkomst en prognose kunnen beïnvloeden van kanker.

  • Het irritable bowel syndrome is een aandoening aan de dikke darm die zorgt voor buikpijn en diarree of juist constipatie, terwijl hier geen organische ziekte de oorzaak van is.

  • Een andere darmaandoening is de inflammatoire darmziekte (inflammatory bowel disease, IBD), welke nader te verdelen is in de ziekte van Crohn en colitis ulcerosa

  • In onderzoeken naar deze ziekten worden mensen gevonden waarbij deze ziektes beïnvloed worden door stress, maar ook mensen waarbij deze ziektes niet onder invloed lijken te slaan van stress.

  • Er zijn aanwijzingen die er op lijken te wijzen dat stress een rol speelt in de ontvankelijkheid voor het HIV-virus en het is erg waarschijnlijk dat stress een rol speelt bij de infectie wanneer iemand het virus heeft.

Waarom beïnvloedt stress de gezondheid van de een meer dan van de ander? - BulletPoints 12

  • Onder coping valt alles wat iemand doet om de situatie dragelijker te maken, dus ook de dingen die het uiteindelijk alleen maar lastiger of vervelender maken.

  • Veel voorkomende copingstrategieën zijn sociale steun zoeken, de confrontatie aangaan, een positieve herinterpretatie maken en alcohol of drugsgebruik.

  • Probleemgerichte coping treedt vaker op wanneer er iets gedaan kan worden om de stressvolle gebeurtenis te veranderen of onder controle te houden.

  • Een psychologische manier van coping is de ‘fighting spirit’. De fighting spirit wordt gekenmerkt door gedachten als ‘ik ben vastbesloten door deze situatie heen te komen’ of ‘ ik ga deze ziekte overwinnen’. Dit is geassocieerd met positievere uitkomsten bij ziektes.

  • Volgens Alport (1961) kun je persoonlijkheid definiëren als ‘de organisatie van psychofysische systemen in een persoon die iemand zijn karakteristieken, gedachten en gedrag bepalen’.

  • De Big Five theorie van persoonlijkheid maakt gebruik van de volgende vijf dimensies: agreeableness, conscientousness, extroversion, neuroticism en openness. 

  • Er wordt gesuggereerd dat individuen die hoog op neuroticisme scoren blootgesteld worden aan meer negatieve stressoren en dat zij de neiging hebben om niet-effectieve, emotie-gerichte coping strategieën te gebruiken.

  • Conscientiousness (gewetensvol handelen) wordt gedefinieerd als een verantwoordelijk iemand zijn, die sociale normen volgt, persistent en gedisciplineerd is. Dit heeft positieve uitkomsten op stress en gezondheid.

  • Agreeableness is ook adaptief omdat het leidt tot een flexibele copingreactie op stressoren. Extraversie is soms positief, maar leidt ook tot meer risicogedrag zoals roken.

  • Hardiness (robuustheid) wordt beschreven als rijke, gevarieerde en belonende ervaringen in de jeugd en gevoelens van commitment (betrokkenheid), control (controle) en challenge (uitdaging).

  • Type A persoonlijkheden laten de volgende gedragingen vaak zien: competitie, (te) veel doen in (te) weinig tijd, ze zijn snel geïrriteerd en snel onaardig of agressief, ongeduldigheid, prestatiegericht gedrag, een sterke manier van spreken.

  • Vijandige mensen vertonen vaker risicovol ongezond gedrag. Ook kunnen ze minder profiteren van psychosociale instellingen en sociale steun van vrienden en collega’s. Op die manier missen zij een belangrijke buffer. Dit wordt de ‘psychosociale kwetsbaarheid hypothese’ genoemd.

  • Type C persoonlijkheid moet voldoen aan de volgende karakteristieken: coöperatief en kalmerend, meegaand en passief, zichzelf opofferend en de neiging om negatieve emoties in te houden. Het leidt tot slechtere uitkomsten na ziekte.

  • Mensen met het type D persoonlijkheid zijn gevoelig voor cardiovasculaire ziekteprognose en -uitkomst. Deze types scoren hoog op schalen die negatieve affectiviteit en sociale inhibitie meten.

  • De zogenaamde Locus of Control (LoC), zoals voorgesteld door Rotter, houdt in dat gedrag als een beloning kan werken wanneer de verantwoordelijkheid voor gebeurtenissen als intern en niet als extern gezien wordt.

  • Volgens Rotter nemen mensen met een interne LoC de verantwoordelijkheid voor wat er met hen gebeurt, terwijl mensen met een externe LoC het eerder op omgevingsfactoren schuiven.

  • Er worden verschillende soorten controle beschreven: gedragscontrole, cognitieve controle, controle over beslissingen, informatie controle en retrospectieve controle.

  • Causale attributies zijn de manieren waarop een persoon een oorzaak of een gebeurtenis toeschrijft aan gevoelens of acties van hemzelf of anderen.

  • Een aantal onderzoeken hebben bevestigd dat negatieve affectiviteit in combinatie met sociale inhibitie voor een deel de uitkomst van hartziekte kan voorspellen. 

  • Mensen met een sterk sociaal netwerk leven langer en gezonder dan mensen die in een sociaal isolement verkeren.

  • De hypothese van direct effect: onafhankelijk van de mate van stress heeft sociale steun positieve invloed. De afwezigheid van sociale steun is ook schadelijk als er geen stress of ziekte is.

  • Sociale steun als buffer: sociale steun beschermt mensen tegen stress omdat het werkt als een buffer doordat het de cognitieve benadering van mensen beïnvloedt en omdat het invloed heeft op iemands copingsreactie.

  • Vrouwen ontvangen en bieden meer steun dan mannen. Daarnaast geven vrouwen aan een grotere vriendenkring te hebben.

  • In (collectivistische) Aziatische culturen zoeken en verwachten mensen geen steun. De groep staat hier voorop en deze individuen willen de relaties niet beschadigen door over hun persoonlijke problemen te praten. In westerse landen zoeken individuen enorm veel steun bij vrienden en familie.

Hoe kan er met stress worden omgegaan? - BulletPoints 13

  • Stress management training is de algemene term voor interventies ontwikkeld om deelnemers te leren hoe zij met stress om moeten gaan. Deze interventies zijn gebaseerd op cognitief-gedragsmatige theorieën van stress.

  • Beck heeft verschillende categorieën van denken geïdentificeerd die tot negatieve emoties leiden, namelijk: catostrophic thinking, over-generalisation, arbitrary inference en selective abstraction.

  • Een van de meest gebruikte benaderingen om triggers te identificeren en te veranderen is die van Egan. Hierbij worden stress triggers geïdentificeerd en veranderd door middel van drie fases: Problem exploration and clarification, goal setting en facilitating action.

  • Ontspanningsoefeningen helpen om het stressgevoel in specifieke situaties te verminderen, maar ze zorgen er ook voor dat iemand zich over het algemeen rustiger voelt.

  • In 1985 ontwikkelde Meichenbaum een strategie die ‘self-instruction’ genoemd wordt. De bedoeling is dat stressopwekkende gedachten geïdentificeerd worden en vervangen worden door positievere gedachtes.

  • Een meer complexe vorm van cognitieve interventie werkt als volgt: het individu moet de doemgedachten als mogelijkheden gaan zien in plaats van als feiten. Meestal gebeurt dit in therapiesessies door middel van de ‘Socratische methode’.

  • De ‘Stress inoculation training’ is een manier van stressreductie die richt op het bezinnen en rustig worden voordat iemand zich in een bepaalde situatie begeeft.

  • De conditioneringstheorieën van Pavlov en Skinners staan bekend als de first wave therapies. Deze hielden zich niet bezig met cognities aanpassen.

  • De second wave therapies zagen cognities als de ontwikkeling en behandeling van emotionele problemen.

  • De third wave therapies krijgen steeds meer bekendheid en staan bekend om een combinatie van cognitief en gedragsaanpassingen.

  • Volgens een Boeddhistische traditie is mindfulness nodig om verlichting te bereiken. Iemand richt zijn gedachten op het hier en nu. Hierdoor leert men dat gedachten gewoon gedachten zijn, die waar en niet waar kunnen zijn. 

  • Om een grotere psychologische flexibiliteit te bereiken wordt er gebruik gemaakt van verplichting, acceptatie, mindfulness en gedragsverandering. Dit kan worden bereikt door een focus op de volgende vijf kernprocessen: acceptance, cognitive defusion, contact with the present moment, values en committed action.

  • Uit onderzoek blijkt ook dat mensen die ontspanningsoefeningen en andere stressreducerende oefeningen doen, minder stress ervaren dan mensen die dit niet doen.

  • Het nadeel van werkgerelateerde stressinterventie is dat lang niet iedere werknemer of werkgever aan dergelijke programma’s wil meedoen. En als werknemers de keuze hebben dit te doen, zijn het meestal de mensen met relatief weinig stress die deelnemen.

  • Als je iets wilt doen aan de stress op de werkvloer kun je dat het beste doen in drie stappen: de oorzaken van stress in de werkomgeving identificeren, de oplossingen van de mensen die hier het meest mee te maken hebben identificeren, een proces op gang brengen om de uit punt twee naar voren gekomen onderwerpen aan te pakken.

  • De angst voor de operatie heeft invloed op de hoeveelheid pijnstillers die iemand wil en op de tijd die iemand er over doet om te herstellen.

  • Omdat mensen zichzelf niet onder verdoving kunnen brengen en zichzelf ook niet kunnen opereren, moet het controlegevoel in dit geval ontstaan doordat iemand voldoende geïnformeerd is, en bijvoorbeeld kan aangeven wanneer hij klaar is voor de ingreep.

  • Op welke manier je een patiënt het beste kunt informeren, verschilt erg per patiënt. Informatie geven is altijd beter dan iemand zelf maar laten merken wat er gebeurt, maar binnen die extra zorg is het goed om de manier van interventie aan te passen aan de patiënt.

  • Een colonoscopy is een kleine chirurgische procedure waarbij een klein stukje van de maagwand wordt weggehaald. Dit stukje kan dan getest worden op aanwezigheid van afwijkende cellen.

  • Als kinderen geopereerd moeten worden is het soms handig om ze eerst aan de hand van een boekje of met een pop te laten zien wat er gaat gebeuren. 

Welke psychologische invloed kan ziekte hebben op een patient? - BulletPoints 14

  • Mensen met een chronische ziekte moeten een aantal moeilijkheden trotseren, namelijk: Uncertainty, Disruption, Striving for recovery en Restoration of wellbeing.  

  • Vermoeidheid komt in veel condities voor. Er zijn ook associaties tussen vermoeidheid, depressie en angst. Zulke negatieve emotionele correlaten van vermoeidheid kunnen de negatieve effecten van ziekte op iemands leven versterken.

  • Depressie en angst komen veel voor na hartziektes en hartaanvallen. De prevalentie van emotionele stress in kankerpatiënten is 70%, waarbij zowel angst als depressie voorkomen.

  • Niveaus van angst bij kankerpatiënten nemen toe op bepaalde punten in de behandeling: wanneer iemand op de testuitslag wacht, of wanneer een eindstadium van een behandeling is bereikt en de behandeling stopt zonder uitzicht op genezing.

  • Depressieve mensen zijn minder goed in het volhouden van behandeling, bijvoorbeeld het blijven slikken van medicatie. Ook nemen mensen met depressie meer risico’s, bijvoorbeeld in onbeschermde seks.

  • Emotieregulatie is belangrijk in de uitkomst van ziektes. In andere woorden, hoe een persoon emoties ervaart, verwerkt en ermee omgaat heeft invloed op aanpassing, waarbij vermijding en onderdrukking maladaptief zijn, en erkenning en expressie vaak adaptief.

  • Optimistisch zijn is geassocieerd met minder ernstige pijn en minder vermoeidheid onder kankerpatiënten tien weken na chemotherapie. Pessimisten hebben meer maladaptieve copingstrategieën.

  • Acceptance coping houdt in dat het individu de realiteit van de situatie inziet en het feit dat de situatie onveranderbaar is.

  • Social comparison is het proces waarbij een persoon of groep mensen zichzelf vergelijkt met anderen.

  • Het ontkennen van een gebeurtenis is op korte termijn een gemakkelijke en effectieve manier om om te gaan met wat er is gebeurd. Op langere termijn echter blijkt het echter voor inefficiënte copingstrategieën te zorgen, en leidt het tot meer depressie en meer verdriet en zorgen.

  • Probleemgerichtheid wordt geassocieerd met een betere, positievere gemoedstoestand terwijl emotiegerichtheid geassocieerd wordt met een negatievere gemoedstoestand.

  • Religieuze overtuigingen zijn geassocieerd met grotere waardering van uitdagingen, groter optimisme, hoop en positieve waardering van gebeurtenissen en persoonlijke groei, en betere emotionele en fysieke aanpassingen in ouderen.

  • Volgens de World health organisation (WHO) beslaat QoL (Quality of Life) de volgende aspecten: physical health, psychological health, level of independence, social relationships, relation to environment en spirituality, religion and personal beliefs.

  • in westerse culturen wordt gezondheid en gezondheidszorg gezien als iets individueels, in niet-westerse culturen is het vaak een collectieve zorg.

  • Aspecten van de ziekte zijn van belang: pervasieve en persistente pijn en beperkingen zijn geassocieerd met een lagere kwaliteit van leven. Ernst van de ziekte is niet onvermijdbaar of consistent geassocieerd met een lagere QoL.

  • Onder fysiek gezonde mensen blijken angst en angststoornissen een negatieve invloed te hebben op QoL.

  • Etnische herkomst bleek ook invloed te hebben op de QoL. Niet-blanke mensen, zo bleek uit verschillende onderzoeken, hebben over het algemeen een lagere QoL dan blanke mensen.

  • Op een ontwijkende manier omgaan met de situatie blijkt positief bij te dragen aan de QoL wanneer de situatie ook daadwerkelijk niet de controleren is.

  • Wanneer een ziekte iemand het bereiken van zijn doelen moeilijker of onmogelijk maakt zal dit de QoL verstoren

  • Wanneer iemand gevraagd wordt naar zijn QoL krijgt de specialist een beter beeld van de algemene toestand van de patiënt. Dit kan de communicatie tussen patiënt en behandelaar verbeteren. De behandelaar heeft dan een beter beeld van wat de punten zijn waar de patiënt moeite mee heeft.

  • Wanneer je de algemene QoL meet, kun je verschillende ziektegroepen goed met elkaar vergelijken. Echter, je mist dan misschien de punten die specifiek zijn voor een bepaald soort ziekte, zoals de angst voor het terugkomen van kanker.

  • Sommige individuen met beperkende ziektes geven soms aan een hogere QoL te hebben dan gezonde mensen. Onderzoekers denken dat dit te maken heeft met de response shift; veranderingen in subjectieve verslagen van mensen waarvan hun gezondheidsstatus is veranderd.

  • Bij sommige condities is het lastig om een QoL uit te voeren. Bijvoorbeeld bij mensen met ziektes waar de communicatie verstoord is, kunnen geen interviews worden afgenomen.

Welke psychologische invloed kan ziekte hebben op de familie en andere bekenden van een patient? - BulletPoints 15

  • De mate waarin informele zorg wordt gebruikt verschilt per land, afhankelijk van het nationale systeem. Informele verzorgers zijn vaak ongetrainde familieleden of vrienden die geen contractuele uren hebben.

  • De behoefte aan informele zorg neemt toe aangezien het gezondheidszorg systeem niet meer kan voldoen aan de vraag.

  • Vrouwen domineren nog steeds de statistieken wat betreft verzorging.

  • Er zijn culturele variaties in aspecten van collectivisme en in geloof en waarde systemen waaronder familiariteit en de verplichtingen van respect, steun en zorgen voor oudere familieleden.

  • De relatie tussen de potentiële verzorger en ontvanger en intrinsieke motivatie om te verzorgen tegenover extrinsieke motivatie, zijn cruciaal voor het welzijn van de verzorger.

  • McCubbin en Patterson beschrijven hoe druk een familiesysteem kan verstoren of veranderen, met stadia in een continuum: Stadium van weerstand, Stadium van herstructurering en Stadium van consolidatie.

  • Rolland’s Family-Systems Illness Model biedt een meer systemisch beeld op ziekte en neemt in overweging dat een biopsychosociaal model van ziekte de ziekte moet erkennen over tijd, en dat alle personen in een familie het verloop van een ziekte en het welzijn van iemand beïnvloeden.

  • Drie geïntegreerde dimensies van het familiesysteem zijn benadrukt door Olson en Stewart: cohesie, adaptatie en communicatie, met bewijs dat families die in balans zijn op deze factoren, een betere aanpassing hebben op stressoren.

  • Het gebruik van actief oplossen van problemen en minder gebruik van vermijding en passieve reacties is geassocieerd met minder angst en depressie van de ouders.

  • Het zorgen voor een ouder vraagt veel van een kind, omdat het gaat om het omkeren van rollen.

  • Er zijn een aantal aspecten van zorg die voor patiënten van verschillende ziektes nuttig bleken te zijn. Voorbeelden van die aspecten zijn praktische hulp, het uiten van liefde, begrip en bezorgdheid.

  • Vrouwen en mannen verschillen niet in hun vaardigheden van het geven van zorg aan hun partner of in de hoeveelheid zorg die ze bieden, maar vrouwen zijn responsiever voor de veranderende behoeftes van hun partners.

  • De beschermende effecten van het huwelijk op gezondheid en gezondheidsuitkomsten zijn vaak gerapporteerd. Het is niet de absolute zorg die verschil maakt, maar vooral de waargenomen kwaliteit en het vermeende nut hiervan doen de patiënt goed.

  • Patiënten die heel erg beschermd worden door de verzorger denken zelf minder aan te kunnen, hebben minder zelfvertrouwen en minder motivatie om te herstellen.

  • Uit onderzoek blijkt dat zeker drie kwart van de mensen die iemand verzorgen significante emotionele problemen hebben. Ook blijken hun fysieke gezondheid en tevredenheid met het leven minder te zijn.

  • Er is vaak aangetoond dat zorg op lange termijn de effectiviteit van het immuunsysteem onderdrukt.

  • als de patiënt veel van zijn verzorgende vraagt of moeilijk gedrag vertoont, heeft dat meer impact op de verzorger dan wanneer de fysieke zorg zwaar is.

  • Wanneer de negatieve eigenschappen van de zieke toenemen of erger worden voorspelt dat depressie bij de verzorgende, en wanneer de positieve eigenschappen afnemen maakt dit de taak zwaarder voor de verzorgende.

  • Persoonlijkheidskenmerken als optimisme en neuroticisme hebben directe effecten op de mentale gezondheid van de verzorger en indirecte effecten via de invloed op waargenomen stress.

  • De self-efficacy van de verzorger heeft een significante invloed op emotionele uitkomsten en percepties van last.

  • Partners ontkennen of verzwijgen negatieve informatie, gedachtes of gevoelens voor hun partner om hen te beschermen, maar hiermee kunnen ze hun eigen stress vergroten.

  • Ziekte kan een ‘stress spill-over’ effect veroorzaken door bij te dragen aan bestaande uitdagingen in het huwelijk en verdere kansen voor conflict te introduceren.

  • De mate waarin een gezonde partner zijn of haar relatie met de ziekte partner als deel van het zelfconcept beschouwt medieert deels de effecten van spanning, uitdaging in de relatie, en verlies van onafhankelijkheid op mentale gezondheidsscores.

  • Relaties met gedeelde positieve percepties doen het beter in termen van lagere beperkingen, minder seksuele moeilijkheden, minder gezondheid gerelateerde stress, betere vitaliteit en betere algemene aanpassing.

  • Patiënten en partners die meer steun kregen van de partner rapporteerden minder stress na verloop van tijd, maar alleen als ze weinig persoonlijke controle hadden.

Wat is pijn en hoe kan hier mee om worden gegaan? - BulletPoints 16

  • Er zijn verschillende soorten pijn. De meeste mensen hebben acute pijn die niet meer dan een paar minuten aanhoudt, maar de definitie van acute pijn omschrijft pijn die minder dan drie tot zes maanden aanhoudt. Chronische pijn wordt gedefinieerd als pijn die langer dan drie tot zes maanden aanhoudt.

  • Je kunt ook onderscheid maken in de aard van de pijn, de ernst van de pijn en het patroon.

  • Van alle redenen waarom mensen de dokter bezoeken heeft 40% te maken met pijn. De meeste mensen worden door die pijn ook beperkt in hun bewegingsvrijheid en fysieke mogelijkheden.

  • De meest simpele theorie over pijn is dat er pijnreceptoren in de huid en andere delen van het lichaam zitten en dat deze, wanneer ze geactiveerd worden, pijn veroorzaken.

  • Ze sturen informatie naar het pijncentrum in de hersenen, die door activatie voor de sensorische ervaring van pijn zorgen. Deze theorie wordt ook wel de specificiteit theorie genoemd.

  • Fantoompijn houdt in dat mensen sensaties hebben die soms extreem pijnvol kunnen zijn, die zij voelen in ledematen die zij niet meer hebben. Zij voelen tintelingen, kramp of steken in bijvoorbeeld hun been dat geamputeerd is.

  • Angst en depressie verlagen de pijngrens en zorgen ervoor dat iemand vaker aangeeft pijn te hebben. Andersom werkt het ook: pijn beïnvloedt de gemoedstoestand.

  • Wanneer je pijn aandacht geeft wordt de pijnervaring vergroot.

  • Wanneer je denkt dat de pijn erger zal worden is dat op zich al genoeg om te pijn inderdaad als toegenomen te ervaren.

  • Mensen die denken dat hun pijn te wijten is aan psychologische factoren zullen eerder aan lichaamsbeweging doen dat mensen die denken dat hun pijn fysiek bepaald is. Deze laatste groep mensen is namelijk bang dat door te bewegen de pijn erger wordt.

  • Er lijkt een voordeel te zijn van simpelweg krijgen wat een behandeling lijkt te zijn, of dit nou een tablet, een injectie of een andere behandeling is. Dit heet het placebo-effect.

  • Twee belangrijke mechanismen van het placebo effect zijn waarschijnlijk een klassieke conditioneringsreactie, en onze verwachtingen van pijn of de vermindering van pijn.

  • Volgens de gate control theory (GCT) ervaren we pijn als resultaat van twee processen: 1) Pijnreceptoren in de huid en andere organen geven informatie door over fysieke schade aan een aantal targetpunten in de ruggengraat. 2) Op het moment dat de pijnprikkels aankomen in onze hersenen ervaren we ook emoties en cognities.

  • De A delta vezels zorgen voor de ervaring van scherpe pijn. De C polymodale vezels werken langzamer en geven informatie door over doffe, kloppende pijn.

  • Informatie van de A vezels gaat naar de thalamus zodat iemand actie kan ondernemen om weg te gaan van de bron van pijn. Informatie van de C vezels gaat naar het limbisch systeem, de hypothalamus en het autonome zenuwstelsel.

  • Melzich suggereerde dat het anatomische substraat van de ‘lichaam-zelf’ een groot netwerk is van neuronen die verbonden zijn aan de thalamus, de cortex en het limbisch systeem in de hersenen. Hij noemde dit systeem de ‘neuromatrix’.

  • Een ‘neurosignature’ is een netwerk van informatie over de oorsprong en emotionele reacties van een pijnstimulus.

  • De McGill vragenlijst meet: het soort pijn, de emotionele reactie op de pijn, de intensiteit van de pijn en de timing van de pijn.

  • Er zijn een aantal dingen die mensen kunnen doen om acute pijn te verminderen. De meeste benaderingen richten zich op het vergroten van iemands controlegevoel over de pijn en de medische interventie

  • Een populaire manier om pijn te beheersen is door middel van elektrische stimulatie van A beta vezels. Door deze methode worden ook de C vezels gestimuleerd om endorfinen af te geven. De methode staat bekend onder de naam transcutaneous electrical nerve stimulation (TENS).

  • Het ontspannen van specifieke spiergroepen is vaak lastig maar kan bereikt worden met biofeedback technieken. Doordat de patiënt steeds feedback krijgt vanuit het lichaam weet de patiënt precies wat zijn toestand is, en weet hij het meteen als het ontspannen gelukt is.

  • Een specifiek probleem waarbij biofeedback met succes wordt gebruikt is bij chronische hoofdpijn. Bij andere pijn is het vaak niet effectiever dan ontspanning op zich.

  • Om te voorkomen dat mensen pijngedrag vertonen moet je zorgen dat dit gedrag niet meer beloond wordt en dat ander gedrag juist wel beloond wordt. Deze methode is met name effectief wanneer de fysieke oorzaak van de pijn gering is, of wanneer daar toch niets aan te doen is.

  • De doelen van cognitieve gedragstherapie zijn de patiënt helpen inzien dat hun pijn te reguleren is, helpen met het leggen van de relatie tussen gedachten, emoties en gedrag en de patiënt krijgt tips en leert strategieën die helpen bij het reguleren van de pijn, de emotionele stress en de psychologische problemen.

  • Uit vele onderzoeken blijkt telkens weer dat de cognitieve gedragsinterventies erg effectief zijn. Het blijkt vaak effectiever dan farmacologische of educatie-therapie en andere methoden.

  • Mindfulness interventies worden steeds vaker gebruikt. Het dagelijks mindfulness mediteren is effectief in verminderen van pijn

Hoe kan de kwaliteit van leven voor zieke mensen zo goed mogelijk worden gewaarborgd? - BulletPoints 17

  • Mensen met een ernstige ziekte hebben zorgen over de prognose, behandeling en de mogelijke effecten van hun ziekte of de QoL. De stress is vaak het hoogst aan het begin, als de ziekte net in beeld komt, en wanneer er snelle veranderingen optreden in het ziektebeeld.

  • Wanneer mensen wat meer informatie hebben en dus beter weten wat ze kunnen verwachten, kan de stress wat afnemen.

  • De manier waarop slecht nieuws gebracht wordt is, zeker als het gaat over een ziekte met een hele slechte of fatale prognose, heel erg belangrijk. Het heeft invloed op de manier waarop mensen om zullen gaan met hun toestand.

  • Wanneer iemand enkel medische informatie krijgt zal dit de angst niet reduceren of zelfs vergroten. Het is dus van belang dat mensen ook informatie krijgen over hoe zij kunnen omgaan met de medische informatie en behandeling.

  • Er zijn ook educatieve programma’s die informatie verstrekken over het in de hand houden van ziekte en de ziekte geen of een beperkte invloed laten hebben op de gemoedstoestand.

  • Stressmanagement programma’s richten zich meestal op probleemoplossing, cognitieve herstructurering en ontspanning.

  • Uit onderzoek blijkt dat mensen die een vorm van stressmanagement volgen zich tot wel 60 procent beter voelen dan mensen die dit niet doen.

  • Sears et al. Vergeleken twee actieve stressmanagement programma’s na ICD implantatie, de ene duurde een dag en de ander zes wekelijkse sessies. Beide interventies waren geassocieerd met verminderingen in angst en cortisollevels op de korte termijn.

  • Mindfulness-based stress reduction (MBSR) leidt tot betere coping met symptomen, verbeterd welzijn en kwaliteit van leven, en verbeterde gezondheidsstatus.

  • Het is gebleken dat een hoop sociale interventies effectief zijn, maar dit geldt niet voor alle sociale interventies. Een hoop patiënten wilden graag terugvallen op vrienden en familie en niet langer deel uitmaken van professionele hulpgroepen.

  • De beste programma’s richten zich niet alleen op wat er zou moeten veranderen, maar ook op hoe iemand dat kan doen en hoe dat het beste wordt volgehouden.

  • Tegenwoordig kan iedereen veel informatie vinden op het internet. Dit is aan de ene kant erg positief omdat iedereen bij een grote hoeveelheid informatie kan. Aan de andere kant is het een nadeel omdat de verschillende informatiebronnen elkaar soms tegenspreken, en sommige informatie niet wetenschappelijk onderbouwd is.

  • De beste manier om mensen te leren hun ziekte te reguleren is door middel van zelfmanagement training. Deze methode is gebaseerd op de sociaal cognitieve theorie van Bandura die suggereert dat mensen zelfmanagement kunnen leren door te oefenen en door naar anderen te kijken.

  • De zelfmanagement training is een training die bestaat uit gestructureerde fasen. Zoals belangrijk is gebleken bij het aanleren van gedrag wordt niet overgegaan op een volgende fase wanneer iemand de eerdere vaardigheden nog niet voldoende beheerst.

  • Meestal is de zelfmanagement training gericht op de praktische kant van het onder controle houden van de ziekte en krijgt de emotionele kant minder aandacht.

  • Zelfmanagement wordt niet alleen in groepsverband of tijdens persoonlijke afspraken getraind. Steeds vaker worden er programma’s ontwikkeld die mensen thuis kunnen volgen. Bijvoorbeeld met video, via internet of aan de hand van telefoongesprekken.

  • Ondanks dat de vrienden, familie, collega’s en andere mensen in de directe omgeving van een ziek persoon erg veel invloed hebben op de emoties en het welzijn van de patiënt, zijn er nauwelijks interventies of programma’s die zich op die sociale omgeving richten.

  • Het tegengaan van stress heeft als positief effect dat iemand zich rustiger voelt en daardoor beter in zijn vel zit. Daarnaast blijkt dat ontspanning ook een positieve invloed heeft op de bloedsuikerspiegels.

  • Wanneer mensen doen aan een programma voor het uiten van emoties melden zij vaak een korte toename in depressieve of angstige gevoelens. Op langere termijn voelen zij zich beter en blijkt ook de fysieke gezondheid vooruit te gaan.

Wat is het toekomstperspectief van de gezondheidspsychologie? - BulletPoints 18

  • Belangrijke variabelen die gedrag beïnvloeden zijn opgenomen in theorieën over gezondheid. Deze theorieën zijn altijd in ontwikkeling en worden steeds uitgebreider. Hierdoor zijn de theorieën recent en vormen ze voor een basis voor interventies.

  • Er moet worden ontdekt wat de overtuigingen over de ziekte zijn bij de patiënt. Als deze niet correct of zinvol zijn moet er gekeken worden of deze veranderd kunnen worden en of de patiënt hier pogingen voor doet.

  • Het is belangrijk dat patiënten leren hoe ze zo effectief mogelijk kunnen omgaan met hun (ernstige) ziekte. Leer patiënten, afhankelijk van de context, de probleem gerichte coping of emotie gerichte coping.

  • De interventie moet worden aangepast aan het individu en is onderhevig aan veranderingen door omgeving en mensen.

  • Naast de theorieën zijn psychologen en gezondheidsprofessionals ontzettend belangrijk bij het in de praktijk brengen van een theorie.

  • De belangrijkste taken van de gezondheidspsycholoog zijn: Het promoten en behouden van gezondheid, het voorkomen en managen van ziekte, de identificatie van psychologische factoren die bijdragen aan fysieke ziektes, het verbeteren van het gezondheidszorgsysteem en het formuleren van gezondheidsbeleid

  • Nederland heeft geen trainingsprogramma voor gezondheidspsychologen net als verschillende zuid-europese landen.

  • Volgens Lazarus is ‘het gebrek aan samenwerking en communicatie tussen onderzoekers en clinici een bekend en pijnlijk onderwerp voor de meeste psychologen’. Het bereiken van professionals is dus moeilijk.

  • De factoren die bijdragen aan het feit dat klinische richtlijnen niet genoeg worden nageleefd zijn onder anderen zwakte in communiceren van het bewijs richting artsen, conflicterende bronnen van informatie en meningen voor artsen, moeite om de juiste mensen samen te krijgen om samen te werken voor verandering en weerstand tegen verandering.

  • Andere factoren zijn persoonlijke attitudes en overtuigingen over het doelgedrag, persoonlijke kenmerken van de professional, de inhoud van informatie, de overdracht van informatie, en organisationele problemen.

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

Check more of this topic?
Check all content related to:
How to use more summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
1100
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.