Begrippenlijst bij de 5e druk van Social Research Methods van Bryman


Wat is ‘sociaal onderzoek’? - Chapter 1

  • Vragenlijst: een verzameling vragen die gepresenteerd worden aan de participant.

  • Epistemologie / epistemologisch: een theorie over kennis die in deze context vooral refereert naar een standpunt met betrekking tot de vraag: wat is acceptabele kennis?

  • Ontologie / ontologisch: een theorie met betrekking tot de aard van sociale entiteiten.

  • Evaluatie onderzoek: onderzoek naar de evaluatie van uitgevoerde interventies in de sociale wereld (niet in het laboratorium).

  • Actie onderzoek: een onderzoek waarin de onderzoeker en de cliënt gezamenlijk een probleem definiëren en een oplossing aandragen.

  • Deductie(f): een relatie tussen theorie en onderzoek waarin het onderzoek en de hypotheses afgeleid worden van de theorie (tegenovergestelde van inductief).

  • Inductie(f): een relatie tussen theorie en onderzoek waarin de theorie het gevolg is van het onderzoek (tegenovergestelde van deductief).

  • Onderzoeksvraag: een vraag die een expliciete stelling bevat waarover de onderzoeker meer te weten wilt komen.

  • Inhoudsanalyse: een objectieve en systematische manier van het analyseren van documenten en teksten opdat er conclusies uit getrokken kunnen worden. De inhoudsanalyse is diep geworteld binnen de kwantitatieve onderzoeksstrategie.

  • Representatieve steekproef: een steekproef die de populatie zo accuraat weerspiegelt dat het gezien kan worden als een miniatuurversie van de populatie.

  • Populatie: het totaal aantal units waarvan een steekproef genomen wordt.

  • Vragenlijstonderzoek (survey): een cross-sectioneel design waarbij de data zoveel mogelijk wordt verzameld door vragenlijsten of door gestructureerde interviewen bij minstens twee groepen op één moment in tijd zodat er de kwantitatieve data met elkaar vergeleken kan worden.

  • ‘Case study’: een onderzoeksdesign waarbij er sprake is van een gedetailleerde en intensieve analyse van een enkele ‘case’.

  • Gestructureerd interview: een formeel type interview waarin alle respondenten exact dezelfde vragen in exact dezelfde volgorde gesteld krijgen.

  • Participantobservatie: onderzoek waarin de onderzoeker zichzelf voor langere tijd plaatst in een sociale setting terwijl hij/zij gedrag observeert, gesprekken volgt en vragen stelt. Dit is het observationele aspect van de etnografie.

  • Semi-gestructureerd interview: een iets minder formeel type interview waarbij een aantal vragen algemeen dienen als leidraad, maar de volgorde van de vragen kan variëren. De vragen zijn vaak wat algemener van aard en de onderzoeker is wat vrijer om te improviseren en aanvullende vragen te stellen.

  • Transcriptie: de geschreven vertaling van een opgenomen interview of een sessie met een focus groep.

  • Thematische analyse: een term die vooral gebruikt wordt in relatie tot de analyse van kwalitatieve data. De term refereert aan de extractie van de belangrijkste thema’s in de data. Het is een wat warrige benadering waarbij er geen algemeen geaccepteerde principes zijn die bepalen wat kernthema’s zijn en wat niet.

  • Codes / codering: in kwantitatief onderzoek worden codes gebruikt als etiketten die geplaatst kunnen worden op data over mensen of andere analyse-units. In kwalitatief onderzoek is codering het proces waarin data opgebroken wordt in componenten en vervolgens benoemd worden.

  • Tekst: deze term kan conventioneel refereren naar een geschreven stuk maar sinds enkele jaren kan het ook refereren naar veel andere fenomenen (Geertz vindt dat de cultuur behandeld moet worden als een tekst).

  • Secundaire analyse: data-analyse door onderzoekers die zelf niet betrokken zijn geweest in de verzameling van die data. Secundaire analyse kan plaatsvinden bij zowel kwalitatief als kwantitatief onderzoek.

Wat zijn sociale onderzoeksstrategieën? - Chapter 2

  • Symbolisch interactionisme: een theoretisch perspectief in de sociologie en sociale psychologie die stelt dat de sociale interactie plaatsvindt onder de voorwaarde dat de ‘actors’ betekenissen toekennen aan acties en dingen (aan wat zij zeggen).

  • Census (data): in tegenstelling tot een steekproef gebruikt census (data) alle units binnen de populatie. Een onderzoek wordt een ‘census’ genoemd als bijvoorbeeld een vragenlijst wordt gestuurd naar alle bewoners van een stad.

  • Empirisme: aanhangers van het empirisme stellen dat geldige kennis alleen vergaard kan worden door ervaring / de zintuigen.

  • Geaarde theorie: een analysevorm waarin stelselmatige herhaling van kwalitatieve data plaatsvindt. Deze manier van analyseren heeft als doel om uit de data een theorie te genereren door een goede ‘fit’ te vinden tussen de theorie en data.

  • Positivisme: een epistemologische positie die pleit voor het volgende standpunt: dezelfde onderzoeksmethoden die gebruikt worden bij natuurwetenschappen moet ook gebruikt worden bij het bestuderen van de sociale realiteit.

  • Realisme: een epistemologische positie die de onafhankelijkheid van een realiteit (buiten onze zintuigen) erkent en stelt dat deze realiteit toegankelijk is voor onderzoekers met de juiste methoden. Het stelt ook dat de termen die gebruikt worden voor objecten werkelijk refereren naar die objecten.

  • Kritisch realisme: een realistische epistemologische positie die stelt dat de sociale wereld zich bezig moet houden met de identificatie van de structuren die deze wereld genereren. Kritisch realisme is kritisch omdat de beoefenaars trachten om de structuren te identificeren opdat ze deze kunnen veranderen.

    In tegenstelling tot een het positivisme accepteert kritisch realisme dat er structuren bestaan die niet met de zintuigen te ervaren zijn. Kortom: positivisme is empirisch, kritisch realisme niet.

  • Hermeneutiek: dit is een term die afkomstig is van de theologie en in de sociale wetenschappen refereert naar de theorie en methoden van de interpretatie van menselijke acties. Het benadrukt het belang om het perspectief van de sociale ‘actor’ te begrijpen.

  • Retroductie(f): een vorm van redeneren die stelt dat conclusies getrokken kunnen worden over het onderliggende causale mechanisme verantwoordelijk voor regel-matigheden in de sociale wereld. Dit wordt geassocieerd met het kritisch realisme.

  • Fenomenologie: een filosofie die zich bezighoudt met het vraagstuk hoe individuen de wereld om hen heen begrijpen. De filosoof hoopt vervolgens hiermee de vooroordelen uit de wereld te kunnen helpen.

  • Objectivisme: een ontologische positie de stelt dat sociale fenomenen en hun betekenissen onafhankelijk van sociale ‘actors’ bestaan. Dit wordt vaak als het tegenovergestelde van constructivisme gezien.

  • Constructivisme: een ontologische positie die stelt dat sociale fenomenen en hun betekenissen continu worden voltrokken door sociale ‘actors’. Dit wordt vaak als het tegenovergestelde van objectivisme gezien.

  • Postmodernisme: een anti-realistische positie die kennis ziet als onbepaald (niet vastgelegd). Binnen de context van de onderzoeksmethodologie hebben postmodernisten een voorkeur voor kwalitatieve methoden.

  • Redevoerende analyse: een manier waarop spraak en andere redevoerende vormen worden geanalyseerd waarbij de nadruk wordt gelegd op de manieren waarop taal realiteiten kunnen vormen.

  • Kwalitatieve inhoudsanalyse: een manier van het analyseren van documenten waarbij de rol van de onderzoeker in het creëren van betekenissen van en in teksten wordt benadrukt.

  • Kwalitatief onderzoek: dit soort onderzoek benadrukt gewoonlijk de woorden en niet de kwantificering met betrekking tot de verzameling en de analyse van de data. Als onderzoeksstrategie is het inductief, constructief en interpretistisch, hoewel kwalitatieve onderzoekers niet altijd voldoen aan alle drie kenmerken.

  • Kwantitatief onderzoek: dit soort onderzoek legt de nadruk op de kwantificering met betrekking tot de dataverzameling en data-analyse. Als onderzoeksstrategie is het deductief, objectief en stelt een natuurwetenschappelijk model voor (vooral de positivistische visie is populair). Ook hier voldoen de kwantitatieve onderzoekers niet per se aan alle drie kenmerken.

  • Onderzoeksstrategie: in dit boek refereert deze term naar een algemene oriëntatie van het onderzoek (kwalitatief versus kwantitatief onderzoek).

  • Gemixt methoden onderzoek: deze term krijgt steeds meer populariteit en beschrijft onderzoek die zowel kwantitatieve als kwalitatieve onderzoeksmethoden toepast.

  • Focusgroep: een soort groepsinterview waarin (1) er meerdere respondenten zijn (2) er nadruk ligt op het ondervragen van een redelijk specifiek onderwerp, en (3) er veel waarde gehecht wordt aan de interactie binnen de groep.

  • Reflexiviteit: een term die binnen de onderzoeksmethodologie refereert naar de reflectie tussen sociale onderzoekers over de implicaties die zij genereren voor de sociale wereld rekening houdend met hun, waarden, bias, besluiten, verwachtingen en dergelijke.

Wat voor onderzoekdesigns bestaan er? - Chapter 3

  • Onderzoeksdesign: deze term refereert naar een ‘framework’ voor de verzameling en analyse van data.

  • Variabelen: een attribuut waarop ‘cases’ verschillen.

  • Interview programma: een verzameling vragen die gesteld worden door de interviewer. Dit maakt altijd onderdeel uit van een gestructureerd interview.

  • Ongestructureerd interviewen: een interview waarin de interviewer vaak alleen een lijst met onderwerpen heeft (een interview ‘guide’) die hij/zij aanhoudt. De stijl van ondervragen is vaak informeel en het formuleren van de vragen en de volgorde van de vragen zullen per interview verschillen.

  • Quasi-experiment: een onderzoeksdesign wat lijkt op een experiment maar niet voldoet aan alle eisen om een hoge interne validiteit te garanderen.

  • Vergelijkingsdesign: een onderzoeksdesign waarin twee of meer ‘cases’ worden vergeleken om zo de bestaande theorie te verduidelijken of nieuwe theoretische inzichten aan het licht te brengen.

  • Betrouwbaarheid (‘reliability’): de eis dat een meting van een concept stabiel is, een eis van kwantitatief onderzoek.

  • Betrouwbaarheid (‘trustworthiness’): een set van criteria die toegepast worden voor het beoordelen van de kwaliteit van kwalitatief onderzoek.

  • Herhaalbaarheid: de eis dat de resultaten van een studie kunnen worden gerepliceerd in vervolgonderzoek.

  • Validiteit: een eis met betrekking tot de integriteit van de getrokken onderzoeksconclusies. Er zijn verschillende aspecten van validiteit: constructvaliditeit, interne validiteit, externe validiteit en ecologische validiteit. Op zichzelf refereert de term ‘validiteit’ vaak naar de constructvaliditeit.

  • Constructvaliditeit: de mate waarin een meting van het concept ook werkelijk dat concept meet (‘measurement validity’).

  • Interne validiteit: de mate waarin een causale relatie tussen twee of meer variabelen ook echt geldig is.

  • Externe validiteit: de mate waarin de onderzoeksresultaten generaliseerbaar zijn buiten de specifieke onderzoekscontext waarin de resultaten zijn verkregen om.

  • Ecologische validiteit: de mate waarin de onderzoeksresultaten toepasbaar zijn in de natuurlijke leefomgeving ofwel het alledaagse leven van mensen.

  • Causaliteit: de term die gegeven wordt aan een causale connectie tussen variabelen en niet alleen het gegeven dat er een relatie tussen de variabelen bestaat.

  • Onafhankelijke variabele: een variabele die een causale impact heeft op de afhankelijke variabele.

  • Afhankelijke variabele: een variabele die causaal beïnvloedt wordt door de onafhankelijke variabele.

  • Constante: een attribuut waarop ‘cases’ niet verschillen.

  • Interval/ratio variabele: de eerste is een variabele waarbij de afstand tussen de categorieën identiek is aan de afstand tussen alle andere categorieën, de tweede is een interval variabelen met een werkelijk nulpunt.

  • Ordinale variabele: een variabele waarvan de categorieën gerangschikt kan worden (net als bij interval en ratio variabelen), maar waarbij de afstand tussen de categorieën niet gelijk is aan elkaar.

  • Nominale variabele: dit wordt ook wel een categorische variabele genoemd en betreft een variabele die bestaat uit categorieën die niet gerangschikt kunnen worden.

  • Dichotome variabele: een variabele met enkel twee categorieën.

  • Naturalisme: een verwarrende term die minstens drie betekenissen heeft, namelijk (1) een toewijding aan het aannemen van de principes van een natuurwetenschappelijke methode (2) het trouw blijven aan de aard van het fenomeen wat bestudeerd wordt, en (3) een onderzoeksstijl die de intrusie van kunstmatige methoden gebruikt om data te verzamelen minimaliseert.

  • Experiment: een onderzoeksdesign waaruit alternatieve causale verklaringen van bevindingen uitgesloten kunnen worden (oftewel, het heeft interne validiteit) door gebruik te maken van een experimentele groep (blootgesteld aan een behandeling) en een controlegroep (die deze behandeling niet krijgt) en willekeurige toewijzing aan één van de twee groepen.

  • ‘Randomized controlled trials’ (RCT):een term die gebruikt wordt om een onderzoek te beschrijven die voldoet aan alle criteria van een echt experiment.

  • Willekeurige toewijzing: een term die sterk gerelateerd is een aan experiment en duidt op de willekeurige toewijzing van participanten aan de experimentele of de controlegroep.

  • Willekeurige ‘sampling’: het selecteren van een steekproef waarbij het meenemen van een ‘unit’ van een populatie volledig afhankelijk is van toeval.

  • Generaliseerbaarheid: zie externe validiteit.

  • Reactiviteit / reactief effect: deze term refereert naar de reactie van onderzoeksdeelnemers op het feit dat ze bestudeerd worden. Het reactief effect is gedoemd om te leiden tot atypisch gedrag.

  • ‘Cross-sectioneel’ design: een onderzoeksdesign waarbij data van meer dan één ‘case’ wordt verzameld op één specifiek tijdstip zodat er kwantitatieve data uitkomst die geanalyseerd kan worden op associatiepatronen.

  • Observatie programma: een hulpmiddel tijdens de gestructureerde observatie dat de gedragscategorieën specificeert die bestudeerd moeten worden en uitleg geeft over hoe het gedrag in deze categorieën gepast moet worden.

  • Niet-manipuleerbare variabele: een variabele die niet gemanipuleerd kan worden wegens praktische of ethische overwegingen en daarvoor niet gebruikt kan worden in een experiment.

  • Etnografie / etnograaf: dit is, net als participant observatie, een onderzoeksmethode waarin de onderzoeker (etnograaf) zichzelf voor een lange periode in een sociale setting mengt waar hij/zij gedrag observeert, luistert naar de gesprekken en vragen stelt aan andere leden van die setting. Deze term lijkt meer te bevatten dan participant observatie omdat daar de nadruk ligt op het observatie component.

    De term ‘etnografie’ wordt vaak gebruikt om te refereren aan de geschreven output van etnografisch onderzoek.

  • Longitudinaal onderzoek: een onderzoeksdesign waarbij data van één steekproef (mensen, documenten, etc.) wordt verzameld op minstens twee tijdstippen.

Hoe gaat het plannen van een onderzoek? - Chapter 4

  • Sampling frame’: een lijst met alle ‘units’ in de populatie.

  • ‘Probability’ steekproef: een steekproef geselecteerd op basis van willekeur waarbij elke ‘unit’ in de populatie een kans heeft om geselecteerd te worden.

  • Theoretisch ‘sampling’: deze manier van ‘sampling’ wordt vooral gebruikt in relatie tot de geaarde theorie en refereert aan de doelmatige ‘sampling’ waarbij de theorie de selectie van deelnemers bepaalt.

  • SPSS: dit is een afkorting voor ‘Statistical Package for the Social Sciences’ en is een programma dat het managen en analyseren van kwantitatieve data vergemakkelijkt.

  • NVivo: een CAQDAS(‘Computer-Assisted (or Aided) Qualitative Data Analysis’) programma dat het managen en analyseren van kwalitatieve data vergemakkelijkt.

Wat omvat literatuuronderzoek? - Chapter 5

  • Systematisch reviewen: deze term verwijst naar een manier om de literatuur na te lezen. Het doel is om een begrijpelijk, repliceerbaar en transparant beeld te geven van de beschikbare literatuur. Tijdens het reviewen wordt aandacht besteed aan het beoordelen van de kwaliteit van onderzoek om te bepalen of een studie wel of niet meegenomen moet worden. Zowel een meta-analyse als een meta-etnografie zijn vormen van een systematisch review.

  • Verhalend reviewen: deze term wordt gerefereerd aan een manier om de literatuur na te lezen die vaak wordt gecontrasteerd met systematisch reviewen. Verhalend reviewen heeft minder focus en doelt op een kritische interpretatie van de literatuur.

  • ‘Sampling errors’: verschillen tussen een willekeurige steekproef en de populatie waaruit de steekproef is geselecteerd.

Wat is de rol van ethiek en politiek in sociaal onderzoek? - Chapter 6

Vier redenen waarom het belangrijk is stil te zijn bij ehtiek: 

  1. Auteurs verschillen veel in wat zij ethisch acceptabel vinden;

  2. Er komt niet echt schot in de discussie (dezelfde argumenten van de jaren ’60 worden aangehaald en weinig vooruitgang geboekt);

  3. Discussies over de ethiek gaan vaak gepaard met extreme voorbeelden van studies die ethisch niet verantwoord zijn. Hierdoor worden de subtielere gevallen waar ethiek wordt geschonden niet worden besproken;

  4. Deze beruchte voorbeeldstudies (punt 3) gaan vaak gepaard met specifieke onderzoeksmethoden (zoals misleiding en geheime observaties). Hierdoor wordt geïmpliceerd dat ethische problemen alleen of primair berusten in sommige methoden, maar niet anderen (gerelateerd aan punt 3).

Wat houdt kwantitatief onderzoek in? - Chapter 7

  • Correlatie: een manier om de relatie tussen interval/ratio variabelen en/of ordinale variabelen te analyseren om zo de sterkte en richting van de relatie te bepalen. Pearson’s r en Spearman’s rho zijn allebei methodes voor het beoordelen van de correlatie.

  • Operationele definitie / operationalisatie: de definitie van een concept in termen van de acties die nodig zijn om de meting uit te voeren.

  • Likert-schaal: een veelgebruikte ‘format’ ontwikkeld door Rensis Likert om de intensiteit van een attitude van de respondenten te meten met betrekking tot een bepaald gebied of onderwerp.

    Respondenten worden gevraagd naar hun mate van overeenstemming met de gepresenteerde stelling. Dit is een ‘multiple-indicator’ of ‘multiple-item’ meting.

  • ‘Multiple-indicator’ of ‘multiple-item measure’: een meting die meer dan één indicator gebruikt om een concept te meten.

  • Responsset: de neiging van sommige respondenten om in ‘multiple-indicator’ metingen om bij elk item hetzelfde antwoord in te vullen.

  • ‘Face validity’: de vraag of op het eerste gezicht een indicator het te meten concept echt lijkt te meten.

  • ‘Concurrent validity’: een meting wordt gerelateerd aan een criterium waarop mensen (of andere ‘cases’) van elkaar verschillen en relevant is voor het te meten concept.

  • Factor analyse: een statistische techniek die gebruikt wordt bij een grote hoeveelheid variabelen om vast te stellen of bepaalde variabelen de neiging hebben om gerelateerd te zijn aan anderen. Deze techniek wordt vaak gebruikt bij ‘multiple-indicator’ metingen om te kijken of de indicatoren gerelateerd zijn. Deze groepen indicatoren worden dan factors genoemd en een naam gegeven.

Hoe werkt een survey als steekproef in kwantitatief onderzoek? - Chapter 8

  • Simpele willekeurige steekproef: een steekproef waarin elke unit geselecteerd is op basis van toeval. Elke unit in de populatie heeft een gelijke kans om deel uit te maken van de steekproef. Dit is een vorm van een ‘probability’ steekproef.

  • Systematische steekproef: Hierbij worden units direct uit de ‘sampling frame’ geselecteerd (dus zonder ze eerst een nummer toe te kennen) met een vast interval.

  • Cluster ‘sampling’: een steekproef methode waarbij units worden geselecteerd vanuit een ‘sampling frame’ volgens een vast interval, bijvoorbeeld elke vijfde unit. Ook dit is een vorm van een ‘probability’ steekproef.

  • Non-respons: een bron van ‘non-sampling error’ wanneer units binnen de steekproef weigeren mee te werken of om welke reden dan ook niet de nodige data kan leveren.

  • Sneeuwbalsteekproef: een steekproef waarin de onderzoeker aanvankelijk contact legt met een kleine groep mensen die relevant zijn voor het onderzoeksgebied en hen gebruikt om contacten met anderen te leggen. Dit is een vorm van een ‘non-probability’ steekproef.

  • ‘Convenience sampling’: een steekproef die is geselecteerd vanwege de beschikbaarheid ervan voor de onderzoeker. Ook dit is een vorm van ‘non-probability’ steekproef.

  • Quota ‘sampling’: een steekproef waarbij de respondenten worden gekozen op basis van quota’s oftewel categorieën (bijvoorbeeld: je moet drie mannen van 65+ werven met minimaal een afgerond HBO diploma). Dit is ook een vorm van een ‘non-probability’ steekproef.

Waarom is een gestructureerd interview een belangrijk meetinstrument binnen een survey? - Chapter 9

  • Gestructureerd interview: een formeel type interview waarin alle respondenten exact dezelfde vragen in exact dezelfde volgorde gesteld krijgen.

  • Gesloten vragen: een vraag in een interviewprogramma of vragenlijst waarbij de respondent een aantal antwoordopties wordt gepresenteerd waaruit gekozen moet worden. Dit heet ook wel een ‘fixed-choice’ vraag of een ‘pre-coded’ vraag.

  • ‘Coding frame’: een lijst van de codes die gebruikt worde in relatie tot de data-analyse. Bij een gestructureerd interviewprogramma of vragenlijst zal het ‘coding frame’ de categorieën bevatten waarbinnen de vragen vallen. Dit is vooral cruciaal in relatie tot het coderen van open vragen; bij gesloten vragen wordt de ‘coding frame’ al verwerkt in de vastgestelde antwoordopties (vandaar dat gesloten vragen ook wel ‘pre-coded’ vragen heten).

  • Internet survey: een hele algemene term waaronder elk sociaal survey valt dat online wordt afgenomen.

  • Sociale wenselijkheidbias: een verstoring in de data die veroorzaakt wordt door de pogingen van de respondent om antwoorden te geven die sociaal wenselijk zijn.

Wat is het doel van zelfrapportage en vragenlijsten bij sociaal onderzoek? - Chapter 10

  • De meest voorkomende vorm van een vragenlijst is de post of mail vragenlijst waarbij de vragenlijst dus per post of mail wordt opgestuurd.

  • Deze zijn goedkoop en snel af te nemen, maar de response rate is lager en de kans op missende informatie groot.

  • Men kan ook dagboeken laten invullen. Hiermee wordt binnen deze context het type dagboek bedoeld dat Elliot (1997) het ‘researcher-driven diary’ noemt: de onderzoeker ontwikkelt een structuur voor het dagboek en het is de bedoeling dat de respondenten hun activiteiten gelijk op dat moment invullen.

Wat is het doel van open en gesloten vragen bij sociaal onderzoek? - Chapter 11

  • Open vraag: een vraag in een gestructureerd interview of vragenlijst die de deelnemer niet een aantal mogelijke antwoorden biedt waaruit gekozen moet worden zoals het geval is bij een gesloten vraag. Bij een open vraag mag de respondent reageren hoe hij of zij wenst.

  • ‘Pre-coded’: deze term wordt ook wel gebruik voor een gesloten vraag. Deze vraagstelling krijgt vaak de voorkeur omdat het niet nodig is om een ‘coding frame’ toe te passen nadat de vraag beantwoord is. Dit komt doordat de antwoorden vooral al zijn gecodeerd en een numerieke waarde is toegekend aan de antwoordopties.

  • ‘Coding frame’: een lijst van de codes die gebruikt worde in relatie tot de data-analyse. Bij een gestructureerd interviewprogramma of vragenlijst zal het ‘coding frame’ de categorieën bevatten waarbinnen de vragen vallen. Dit is vooral cruciaal in relatie tot het coderen van open vragen; bij gesloten vragen wordt de ‘coding frame’ al verwerkt in de vastgestelde antwoordopties (vandaar dat gesloten vragen ook wel ‘pre-coded’ vragen heten).

Wat is het doel van gestructureerde observatie bij sociaal onderzoek? - Chapter 12

  • Gestructureerde / systematische observatie: een techniek waarin de onderzoeker expliciet geformuleerde regels gebruikt voor het observeren en registreren van gedrag. Deze regels vertellen de observant waarnaar ze moeten zoeken en hoe ze het gedrag moeten noteren.
  • Observatieschema: een middel in gestructureerde observatie dat de categorieën van te bestuderen gedrag specificeert en bepaalt hoe gedrag toegewezen moet worden aan deze categorieën.

  • Continu registreren: een procedure binnen de gestructureerde observatie waarbij geobserveerd wordt voor lange periodes zodat de frequentie en duur van bepaalde types gedrag zorgvuldig kunnen worden geregistreerd.

  • Tijd ‘sampling’: een ‘sampling’ methode in gestructureerde observatie waarbij een criterium wordt gebruikt voor het besluiten of er geobserveerd zal worden.

  • Ab libitum ‘sampling’: een ‘sampling’ methode in gestructureerde observatie waarbij alles wat er op dat moment gebeurt wordt geobserveerd en geregistreerd.

  • Focale ‘sampling’: een ‘sampling’ methode in gestructureerde observatie waarbij één individu voor een bepaalde periode wordt geobserveerd. De observant registreert alle relevante gedragingen.

  • Scan ‘sampling’: een ‘sampling’ methode in gestructureerde observatie waarbij een hele groep individuen ‘gescanned’ wordt op vastgestelde intervallen en het gedrag van iedereen telkens wordt geregistreerd.

  • Gedrag ‘sampling’: een ‘sampling’ methode in gestructureerde observatie waarbij een hele groep wordt geobserveerd en de observant alleen het gedrag registreert van degene die bij een bepaalde actie betrokken waren.

  • Veldstimulatie: een veldstudie is een studie waarbij de onderzoeker direct de natuurlijke omgeving verstoort / manipuleert om te kunnen observeren wat er gebeurt naar aanleiding van de interventie.

  • Reactiviteit / het reactieve effect: een term die gebruikt wordt om de reactie van respondenten te beschrijven op het feit dat ze weten dat ze bestudeerd worden. Reactiviteit is gedoemd om te resulteren in atypisch gedrag.

Wat is het doel van inhoudsanalyse bij sociaal onderzoek? - Chapter 13

  • Inhoudsanalyse: een objectieve en systematische manier van het analyseren van documenten en teksten opdat er conclusies uit kunnen worden getrokken. De inhoudsanalyse is diep geworteld binnen de kwantitatieve onderzoeksstrategie.

Wat is het doel van secundaire analyse en statistieken bij sociaal onderzoek? - Chapter 14

  • Ecologische bedrieglijkheid: de foute aanname dat gevolgtrekkingen over individuen gemaakt kunnen worden uit samengevoegde data.

Hoe werkt kwantitatieve data-analyse? - Chapter 15

  • Interval / ratio variabele: de eerste is een variabele waarbij de afstand tussen de categorieën identiek is aan de afstand tussen alle andere categorieën, de tweede is een interval variabelen met een werkelijk nulpunt.

  • Ordinale variabele: een variabele waarvan de categorieën gerangschikt kan worden (net als bij interval en ratio variabelen), maar waarbij de afstand tussen de categorieën niet gelijk is aan elkaar.

  • Nominale variabele: wordt ook wel een categorische variabele genoemd en betreft een variabele die bestaat uit categorieën die niet gerangschikt kunnen worden.

  • Dichotome variabele: bestaat enkel uit twee categorieën (zoals geslacht).

  • ‘Univariate’ analyse: de analyse van een enkele variabele per keer.

  • Frequentietabel: een tabel dat het aantal en vaak ook percentage van units (zoals mensen) in verschillende categorieën van een variabele weergeeft.

  • Maat van de centrale neiging: een statistiek, zoals het gemiddelde de mediaan of de ‘mode’ die de distributie van waardes samenvat.

  • Gemiddelde: het (aritmetisch) gemiddelde is het totaal van alle waardes gedeeld door het aantal waardes.

  • Mediaan: het middenpunt in een verdeling van waardes.

  • Uitschieter: een extreme waarde in de verdeling van waardes. Als een variabele een extreme waarde heeft – hoog of laag – zal het gemiddelde of het bereik verstoort zijn.

  • ‘Mode’: de waarde die het meest frequent voorkomt in de verdeling van waardes.

  • Maat van de verspreiding: een statistiek, zoals het bereik of de standaarddeviatie, die de hoeveelheid variatie binnen de verdeling van waardes samenvat.

  • Bereik: een maat van de verspreiding wat het verschil tussen de minimum en de maximum waarde representeert, geassocieerd met een interval/ratio variabele.

  • Standaarddeviatie: een maat van de verspreiding rondom het gemiddelde.

  • ‘Bivariate’ analyse: het onderzoeken van de relatie tussen twee variabelen, zoals in ‘contingency’ tabellen of correlatie.

  • Relatie: een associatie tussen twee variabelen waarbij de variatie in de ene variabele samenvalt met variatie in een andere variabele.

  • Positieve relatie: een relatie tussen twee variabelen waarbij de ene verhoogt als de andere ook verhoogt.

  • Negatieve relatie: een relatie tussen twee variabelen waarbij de ene verhoogt als de andere verlaagt of vice versa.

  • Pearson’s r: een maat voor de kracht en richting van de relatie tussen twee interval/ratio variabelen.

  • Spearman’s rho (ρ): een maat voor de kracht en richting van de relatie tussen twee ordinale variabelen.

  • Phi (ϕ): een methode voor het beoordelen van de kracht van een relatie tussen twee dichotome variabelen.

  • Cramér’s V: een methode voor het beoordelen van de kracht van een relatie tussen twee variabelen waarvan minstens één meer dan twee categorieën heeft.

  • ‘Chi-square test’ (χ²): dit is een test van statistische significantie die gebruikt wordt om vast te stellen hoe zeker we kunnen zijn dat de onderzoeksbevindingen uit een ‘contingency’ tabel gegeneraliseerd kunnen worden van onze ‘probability’ steekproef naar de populatie waaruit deze steekproef is gehaald.

  • Eta: een test van de kracht van een relatie tussen twee variabelen. De onafhankelijke variabele moet een nominale variabele zijn en de afhankelijke variabele moet een interval/ratio variabele zijn. Het resulterende correlatieniveau is altijd positief.

  • Onechte relatie: een relatie tussen twee variabelen is onecht als het geproduceerd wordt door de ipmact van een derde variabele (vaak een ‘confounding’ variabele genoemd) op elk van de twee variabelen. Wanneer de derde variabele onder controle gehouden kan worden.

  • ‘Confound’ variabele: een variabele die gerelateerd is aan elk van de twee variabelen waardoor het lijkt alsof de twee variabelen gerelateerd zijn (zie ‘onechte relatie’).

  • ‘Intervening’ variabele: een variabele die beïnvloedt wordt door een andere variabele die een causale impact heeft op nog een andere variabele. Het meenemen van deze variabele verhoogt het begrip van de relatie tussen de twee variabelen.

  • Gemodereerde relatie: een relatie tussen twee variabelen is gemodereerd wanneer het standhoudt voor één categorie van een derde variabele, maar niet voor een andere categorie of andere categorieën.

  • Nulhypothese: een hypothese waarin wordt gezegd dat er geen relatie is tussen de twee variabelen.

SPSS - Chapter 16

  • Redevoerende analyse (DA): de analyse van spraak (en andere vormen van voordracht) die benadrukken hoe taalgebruik versies van de realiteit kan vormen.

  • Conversatieanalyse: de fijne analyse van spraak zoals deze plaatsvindt in natuurlijke situaties. De spraak wordt opgenomen en woord voor woord genoteerd opdat gedetailleerde analyses kunnen worden uitgevoerd.

  • Geaarde theorie: voor nu is het slechts een theorie die voortgekomen is uit systematisch verzamelde en geanalyseerde data (het is ook een kwalitatieve data-analyse methode, zie hiervoor hoofdstuk 23).

  • Gevoelige concepten: een term geïntroduceerd door Blumer (1954) die concepten ziet als een gids, opdat het concept in een algemene richting wijst naar wat relevant is voor het onderzoek. Deze term staat lijnrecht tegenover Blumer’s tweede term die uitmaakt van deze tweedeling, namelijk ‘definitieve concepten’.

  • Respondent validatie: ook wel ‘member validation’ genoemd. Dit is het proces waarin een onderzoeker een verslag stuurt van zijn of haar bevindingen naar degene die betrokken zijn geweest bij zijn onderzoek (waaronder respondenten)

  • Triangulatie: het gebruik van meer dan één methode of databron in het bestuderen van sociale fenomenen zodat iets dubbel gecheckt kan worden.

  • Dikke beschrijving: een term opgegooid door Geertz (1973) die verwijst naar een gedetailleerde beschrijving van een sociale setting.

  • Actie onderzoek: een benadering waarbij de onderzoeker en respondenten samenwerken in de diagnose van een probleem en in het ontwikkelen van een oplossing voor dit probleem.

  • Reflexiviteit: een term die binnen de onderzoeksmethodologie refereert naar de reflectie tussen sociale onderzoekers over de implicaties die zij genereren voor de sociale wereld rekening houdend met hun eigen waarden, vooroordelen, besluiten, verwachtingen en andere subjectieve aspecten.

  • CAQDAS: de afkorting voor Computer-Assisted (of -Aided) Qualitative Data Analysis, oftewel een computer geassisteerde kwalitatieve data-analyse.

Wat houdt kwalitatief onderzoek in? - Chapter 17

  • Doelgerichte steekproeven: elke niet-waarschijnlijkheidssteekproef waarbij de onderzoeker de ‘units’ van de steekproef strategisch kiest zodat de steekproef relevant is voor de gestelde onderzoeksvraag.

  • Theoretische steekproef: een term die vaak gebruikt wordt binnen de geaarde theorie. Deze term verwijst naar een doelgerichte steekproef die gekozen is op basis van theoretische overwegingen.

  • Theoretische verzadiging: in de geaarde theorie is dit het punt waarop de nieuw ontwikkelde concepten compleet verkend zijn en geen nieuwe theoretische inzichten meer gegenereerd kunnen worden.

  • Sneeuwbal steekproef: een tweede vorm van een doelgerichte steekproef waarin de onderzoeker aanvankelijk contact legt met een kleine groep mensen die relevant zijn voor het onderzoek en hen gebruikt om contact met anderen te leggen.

Hoe werken steekproeven in kwalitatief onderzoek? - Chapter 18

  • Etnografie: net als bij participant observatie is etnografie een onderzoeksmethode waarbij de onderzoeker zichzelf voor langere tijd indompelt in een sociale setting en gedrag observeert, luistert naar wat gezegd wordt in conversaties en vragen stelt. Ook worden bij beiden sleutelinformanten geïnterviewd en documenten bestudeerd. De term ‘etnografie’ is echter meer alomvattend dan de term ‘participant observatie’ waarbij de nadruk echt ligt op het observatie component. De term ‘etnografie’ wordt ook gebruikt om te refereren naar het geschreven eindresultaat van etnografisch onderzoek.

  • Participant observatie: zie ‘etnografie’. In dit boek wordt ‘participant observatie’ gebruikt om specifiek te refereren naar het observatie component van etnografie.

  • Veldnotities: een gedetailleerde notitie over een gebeurtenis, gesprek of over getoond gedrag aangevuld met de aanvankelijke reflectie daarop van de etnograaf.

  • Sleutelinformanten: iemand die de onderzoeker, vaak de etnograaf, informatie geeft over de sociale setting, belangrijke gebeurtenissen en individuen.

  • Foto-verdieping (‘photo-elicitation’): een visuele onderzoeksmethode waarbij onderzoeksrespondenten discussiëren over één of meer foto’s (gemaakt door de onderzoeker of door de respondenten zelf).

Wat is het doel van etnografie en observatie bij sociaal onderzoek? - Chapter 19

  • Ongestructureerd interview: een interview waarbij de onderzoeker vaak alleen een kleine aide-mémoire heeft en de ondervragingsstijl heel informeel is.

  • Semigestructureerd interview: een interview waarbij de onderzoek een aantal vragen op zak heeft in zijn of haar ‘interview guide’, maar waarbij de volgorde van vragen gevarieerd kan worden. De vragen zijn wat algemener dan typisch is in een gestructureerd interview. De interviewer heeft ook meer vrijheid om nieuwe vragen te verzinnen en te stellen wanneer hij/zij dit nodig acht.

  • ‘Interview guide’: een wat vage term die refereert naar een korte lijst met geheugensteuntjes over onderwerpen of vragen die behandeld moeten worden.

  • Transcriptie: de term voor een geschreven vertaling van een opgenomen interview of focusgroep sessie.

  • Levensgeschiedenismethode / biografische methode: deze methode benadrukt de innerlijke ervaring van individuen met betrekking tot de ervaren gebeurtenissen. Deze methode gaat vaak samen met levensgeschiedenis interviews en het bestuderen van persoonlijke documenten zoals foto’s, dagboeken en brieven.

Wat is het doel van interviewen in kwalitatief onderzoek? - Chapter 20

  • Focusgroep: een soort groepsinterview waarin (1) meerdere geïnterviewden zijn (2) de nadruk ligt op een redelijk concreet gedefinieerd onderwerp, en (3) de nadruk ligt op de interacties binnen de groep en het resulterende, collectieve antwoord.

  • ‘Moderator’ / ‘facilitator’: de persoon die het interviewen van de focusgroep leidt.

Wat is het doel van focusgroepen als kwalitatieve interviewmethode? - Chapter 21

  • Conversatieanalyse (CA): de fijne (gedetailleerde) analyse van spraak zoals deze plaatsvindt tijdens gesprekken in natuurlijke situaties. De spraak wordt opgenomen en vervolgens ‘transcribed’ zodat gedetailleerde analyses uitgevoerd kunnen worden. De analyse houdt zich bezig met het blootstellen van de onderliggende structuren van spraak in interacties en daarmee met het bereiken van sociale orde door deze interacties. De conversatieanalyse is gegrond in de etnomethodologie.

  • Redevoerende analyse (‘discourse analysis’, DA): een analyse van spraak en andere vormen van taal die de nadruk legt op de manier waarop het gebruik van taal verschillende versies van de realiteit kan creëren.

  • Etnomethodologie: een sociologisch perspectief met betrekking tot de manier waarop taal en interacties de sociale order creëren.

  • Om de beurt (‘turn-taking’): de notie van conversatieanalyse die stelt dat alledaagse gesprekken kunnen plaatsvinden door het geordend, om de beurt spreken.

  • Nabijheid paren: de neiging van bepaalde soorten activiteiten geuit in spraak gekenmerkt te worden door aanverwante fases.

  • Kritische redevoerende analyse (CDA): een vorm van redevoerende analyse (DA) die de nadruk legt op de rol van taal als een bron van macht die gerelateerd is aan ideologie en sociaal-culturele verandering. Het is vooral beïnvloedt door Foucault.

  • Interpretatieve repertoires: een verzameling van linguïstische bronnen die acties en gebeurtenissen karakteriseren.

Wat is de rol van taalgebruik bij sociaal onderzoek? - Chapter 22

  • Etnografische inhoudsanalyse: zie ‘kwalitatieve inhoudsanalyse’. Dit analysemethode van documenten waarbij de rol die de onderzoeker speelt in de constructie van betekenis in en van teksten wordt benadrukt. Er ligt een nadruk op het genereren van categorieën uit de data en op het (h)erkennen van het belang van de context waarin elk data item tot stand is gekomen.

  • Het teken: een term die gebruikt wordt binnen de semiotiek. Een teken bestaat uit een ‘signifier’ (de manifestatie van een teken) en het ‘signified’ (het idee of de diepere betekenis waarnaar de ‘signifier’ refereert).

  • De aanduidende (‘denotative’) betekenis: een term binnen de semiotiek die refereert naar de letterlijke, duidelijke betekenis van een teken.

  • De ‘connotatieve’ betekenis: een term binnen de semiotiek die refereert naar de diepere betekenis van een teken die geassocieerd wordt met de sociale context waarin het teken zich voordoet. Het is een toevoeging op de aanduidende betekenis en is minder vanzelfsprekend.

Wat is het nut van documenten als databron bij sociaal onderzoek? - Chapter 23

  • Analytische inductie: een kwalitatieve data-analysemethode waarbij de onderzoeker zoekt naar universele verklaringen voor een fenomeen door te blijven doorgaan met de dataverzameling totdat er geen gevallen meer zijn die inconsistent zijn met de hypothetische verklaring.

  • Geaarde theorie: een ‘iteratieve’ analysemethode van kwalitatieve data die als doel heeft om een theorie te genereren uit de onderzoeksdata. Dit wordt gedaan door het vinden van de beste ‘fit’ tussen de data en de theorie.

  • Constante vergelijkingen: een kernaspect binnen de geaarde theorie die inhoudt dat de nieuwe data continu vergeleken wordt met de bestaande data, concepten en categorieën. Het houdt ook in dat de categorieën met elkaar en met concepten worden vergeleken.

  • Categorie: in de geaarde theorie bestaat een categorie een categorie uit één of meerdere uitgewerkte concepten. Categorieën zijn hiermee abstracter van aard Een categorie is hiermee het middenstuk tussen het coderen en een theorie.

  • Coderen: in kwantitatief onderzoek zijn codes labels die geplaatst worden op data over mensen of andere analyse-units. Het doel hiervan is om de data gerelateerd aan elke variabele toe te wijzen aan groepen ofwel categorieën. Vervolgens worden er nummers toegewezen aan elke categorie zodat de informatie verwerkt kan worden door de computer. Kort gezegd wordt coderen in kwantitatief onderzoek gebruikt om de data enkel te organiseren. In kwalitatief onderzoek is coderen het proces waarbij data opgebroken wordt in fragmenten. Deze fragmenten krijgen vervolgens namen. Bij kwalitatief onderzoek is coderen veel meer dan een organisatietool; het is de eerste stap voor het genereren van een theorie.

  • Verhalende analyse: een methode om data die gevoelig is voor temporale reeksen (chronologische volgorde), zoals verhalen die mensen vertellen over hun leven en gebeurtenissen hierin, te genereren en analyseren. Deze benadering is niet exclusief de focus van de levensgeschiedenis methode.

  • Thematische analyse: een term verbonden aan de kwalitatieve data-analyse die refereert naar het afleiden van sleutelthema’s in de data. Er zijn slechts weinig algemeen geaccepteerde principes die gehanteerd worden bij het definiëren van deze sleutelthema’s waardoor het een nogal warrige analyse is.

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

Check more of this topic?
Check supporting content:
Society and culture: summaries and study assistance - WorldSupporter Start
How to use more summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
767 2
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.