Beginselen van de democratische rechtsstaat - Burkens et al. - BulletPoints - 8e druk


Waar gaat het staats- en bestuursrecht over? - BulletPoints 1

  • Het terrein van het staats- en bestuursrecht behandelt een breed palet van juridische verschijnselen:

    • organen met hun verschillende wijze van samenstelling (bijvoorbeeld verkiezing of

      benoeming) en verschillende bevoegdheden;

    • besluiten van verschillende aard (bijvoorbeeld algemeen verbindende voorschriften en beschikkingen);

    • verschillende controlemechanismen (bijvoorbeeld de ministeriële verantwoordelijkheid);

    • bevoegdheidsverdeling (onder andere territoriaal en functioneel);

    • verschillende voorzieningen ter rechtsbescherming.

  • De structuur van de rechtsorde wordt traditioneel bepaald door drie rechtsgebieden:

    • privaatrecht (particulieren onderling);

    • staats- en bestuursrecht (overheid / burger en overheidsinstanties onderling, betreft alle onderwerpen behalve strafrechtelijke bejegening);

    • strafrecht (betreft strafrechtelijke bejegening overheid / burger).

  • Het handelen van de overheid kan onderscheiden worden in:

    • feitelijke handelingen;

    • rechtshandelingen;

    • privaatrechtelijke handelingen;

    • publiekrechtelijke handelingen (meestal een eenzijdig bindend besluit).

  • Het staatsrecht betreft voornamelijk besluiten van hoogste staatsorganen en de organisatorische structuur van die organen.

  • De organisatorische structuren van veel organen (ambten) zijn geregeld in de Grondwet of in de zogenoemde ‘organieke wetten’ (bijvoorbeeld de Provinciewet en de Gemeentewet).

  • Het bestuursrecht heeft betrekking op organen op specifieke gebieden en de organisatorische structuur van die organen.

  • Het staats- en bestuursrecht is onderdeel van het publiekrecht.

  • Binding houdt in dat men zich aan een besluit moet houden.

  • In eerste plaats is de burger normgeadresseerde, maar dit kan ook de overheid zijn;

    • meerzijdig bindend: bijvoorbeeld een regeling tussen twee gemeenten;

    • niet bindend: een plan met indicatieve betekenis dat te verwachten ontwikkelingen weergeeft.

  • De aard van overheidsbesluiten verschilt:

    • algemeen verbindende voorschriften (in alle gevallen geldig en toepasbaar);

    • beschikkingen (gericht op een concreet geval, bijvoorbeeld een vergunning);

    • beleidsregels (pseudo-wetgeving, inhoudend dat een ambt gebonden is aan afspraken over hoe beleid gevoerd moet worden);

    • vonnissen, uitspraken en arresten.

  • Bindende besluiten worden steeds belangrijker om:

    • productie/consumptie veilig te stellen;

    • economische doelstellingen te bereiken (sturing);

    • door in te kunnen grijpen in de concrete rechtspositie van burgers te voorkomen dat gemeenschapsbelangen worden aangetast en zwakkeren de dupe worden (interactie).

  • Aanvaardbaarheid houdt in dat:

    • ingrijpende voorzieningen die de gehele gemeenschap raken, worden gedragen door de volksvertegenwoordiging;

    • minderheidsopvattingen worden gerespecteerd;

    • er is geen bevoordeling / benadeling is die niet zakelijk gerechtvaardigd is;

    • de vrijheid van burgers zo veel mogelijk wordt ontzien en in basisbehoeften wordt voorzien.

Hoe heeft het staats- en bestuursrecht zich ontwikkeld? - BulletPoints 2

  • Theocratische theorie:

    • de vorst is de hoogste instantie en regeert uit naam van God;

    • de vorst is de bron van macht en recht en staat boven de wet;

    • alle rechten van lagere overheden en individuen hangen af van en vinden oorsprong in de vorstelijke almacht;

    • onderdanen hebben geen rechten, slechts tijdelijke gunsten van de vorst, die hij op elk moment kan verminderen;

    • er bestaat geen recht op verzet tegen de vorst.

  • De visie van Aquino (1225-1274):

    • de vorst had door het natuurrecht slechts beperkte bevoegdheden die hij ten behoeve van het welzijn van de gemeenschap diende aan te wenden;

    • de legitieme vorst, die algemeen belang dient, wordt tegenover de tiran gesteld, die zijn macht door middel van onrechtmatige daad heeft verkregen om zijn persoonlijk belang na te streven;

    • verzet tegen de tiran is toegestaan, namelijk verzet tegen de tiran heeft geen karakter van een opstand; de tiran is de opstandeling.

  • Kenmerken van het feodalisme:

    • Er bestaat een contractuele relatie tussen leenheer en leenman, die wordt gekenmerkt door een sterke band tussen leenheer en leenman. Deze band bestaat uit wederzijdse rechten en plichten;

    • Contractbreuk leidt tot het opheffen / opschorten van de verplichting (gehoorzaamheidsplicht) aan de andere zijde;

    • Charters: natuurrecht/gewoonterecht wordt gecodificeerd en bestendigd (Magna Carta uit 1215 en de Blijde Incomste uit 1356).

  • Bij het absolutisme is de vorst is de plaatsvervanger van God en heeft het recht en de plicht om onderdanen het ware geloof op te leggen.

  • Locke ging uit van de natuurrechtelijke contractsleer en dat had als uitgangspunt dat een mens van nature vrij en ongebonden is, en de neiging heeft zich te laten leiden door eigenbelang en gekleurde vooroordelen.

  • De klassieke-liberale rechtsstaat had een aantal kenmerken:

    • Het legaliteitsbeginsel.

    • Machtsverdeling; Montesquieu en de scheiding van de machten.

    • Grondrechten.

    • Rechterlijke controle.

  • Theocratie draait om de vorst.

  • Feodalisme draait om de collectiviteit.

  • Liberalisme draait om de individu.

  • De klassiek-liberale beginselen zijn een uitdrukking van:

    • De opkomst van de burger als drijvende kracht achter de staat;

    • Het verlangen van de burger bij economische activiteiten niet meer belemmerd te worden door uit het feodale stelsel voortvloeiende verplichtingen;

    • Het idee dat privileges die niet berusten op eigen verdienste, in strijd zijn met ieders gelijkheid en vrijheid;

    • Het cruciale uitgangspunt dat wanneer aan gelijkheid en vrijheid wordt voldaan, onbelemmerde concurrentie leidt tot een resultaat dat te danken is aan individuele kwaliteit en inzet. Een dergelijk resultaat is rechtvaardig.

  • Wat niet voor de klassieke-liberale beginselen spreekt:

    • er is nog geen echte gelijkheid, maar slechts formele gelijkheid (er is ongelijkheid door verschil in economische macht, de gezinssituatie enz.);

    • het kiesrecht werd gekoppeld aan de economische positie van burgers (grondbezit, inkomen en positie); dit is strijdig met de natuurlijke gelijkheid.

  • De twee grote lijnen in de 19de eeuw waren het terugdringen van de macht van de koning en het brengen van regeringsmacht onder controle van het parlement; de vestiging van democratie.

  • De problemen van de democratische rechtsstaat:

    • In de praktijk komt het vrijwel nooit voor dat een besluit van de volksvertegenwoordiging bij eenstemmigheid zal worden genomen het is niet uitvoerbaar om het gehele volk te laten beraadslagen en besluiten, besluitvorming door middel van representatie is dus praktischer;

    • Problematisch is het karakter van democratische besluiten en de positie van minderheden daartegenover de wet is niet per definitie een juist besluit omdat het een democratisch besluit is; er bestaat nooit eenstemmigheid; men dient dus genoegen te nemen met een meerderheidsbesluit;

    • De status van de minderheidsopvatting is onduidelijk;

    • Tijdens de Franse Revolutie en ook tijdens Nazi-Duitsland was aldaar de heersende leer dat alle besluiten van de democratische wetgever in absolute zin waar zijn.

  • Moeilijkheden voor de vestiging van democratische rechtsstaat zijn:

    • de angst dat een minderheid de meerderheid wordt en aan de macht komt en korte metten zal maken met de voormalige meerderheid kan leiden tot een gebrek aan wederzijdse tolerantie;

    • instabiliteit;

    • het sociaal-economisch ontwikkelingsniveau;

    • voor het ontstaan van een democratische staat, gaat een heel ontwikkelingsproces vooraf.

    • bepaalde waarden, zoals solidariteit en gemeenschapszin, worden onvoldoende nageleefd doordat in democratische samenlevingen de rechtsstaat morele neutraliteit nastreeft.

  • Door ontwikkeling van een verzorgingsstaat groeit het aantal overheidstaken die een ruime bevoegdheid voor het bestuur vragen.

  • De rechtsstaat mag gemeenschapswaarden en samenlevingsverbanden niet opleggen uit respect voor individuele vrijheid.

  • Steeds meer mensen komen naar Nederland en om er zijn twee maatregelen om sociale zekerheid in te perken:

    • Steeds meer zorgtaken worden overgedragen aan de private sector.

    • Er zijn strengere migratieprocedures.

Wat is de rechtsstaat? - BulletPoints 3

  • Een staat is een organisatievorm waarin over de bevolking (binnen een bepaald territoir van meestal vrij grote omvang) macht - in de zin van hoogste, of soevereine macht - wordt uitgeoefend.

  • Er zijn een aantal kenmerken/criteria voor het zijn van een rechtsstaat:

    • legaliteit,

    • grondrechten,

    • machtenscheiding,

    • rechterlijke controle.

  • Legaliteit houdt in dat geen openbare gezagsuitoefening (machtsuitoefening) dan op grond van en in overeenstemming met de wet mag worden uitgeoefend.

  • Grondrechten, fundamentele rechten van de burger moeten door de overheid in acht worden genomen.

  • In een rechtsstaat is er sprake van een machtenscheiding, de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht zijn niet geconcentreerd in één overheidsambt.

  • Rechterlijke controle wil zeggen dat geschillen over rechtmatigheid in individuele gevallen door een onafhankelijke rechterlijke instantie worden beslecht.

  • Een wetgever is:

    • Een representatief orgaan waarin de bevolking (deels) gerepresenteerd is;

    • of een samenwerkingsverband tussen zo’n vertegenwoordigend orgaan en de regering.

  • Wetgever als soeverein die nergens aan gebonden is wil men niet (voorbeeld is Hitler), daarom:

    • zijn kenmerken van wetgeving rechtszekerheid en rechtsgelijkheid;

    • kan er geen machtsuitoefening zijn zonder grondslag in de wet;

    • bestaat er een overheidsbegrenzing in de constitutie;

    • is er een rigide grondwet die moeilijk te wijzigen is;

    • is er een onafhankelijke rechterlijke macht.

  • Een constitutie is een geheel van regels dat de grondslagen van het staatsbestel bevat.

  • De Awb staat voor Algemene wet bestuursrecht en is in 1994 ingevoerd.

  • Aanbouwwet is een wet die constant wordt aangevuld, zoals de Awb.

  • De Awb antwoordt op vier belangrijke vragen:

    • welke overheidsorganen zijn bevoegd?

    • welke bevoegdheden hebben zij?

    • hoe hebben zij deze bevoegdheden verkregen?

    • zijn er grenzen aan de bevoegdheden?

  • Machtenscheiding bestaat om willekeur te voorkomen.

  • Checks and balances is een systeem van machtsevenwicht en onderlinge controle.

  • Grondrechten zijn algemene normen die het principieel beperkte karakter van overheidsbevoegdheden doen uitkomen.

  • Grondrechten kunnen alleen beperkt worden wanneer:

    • er een beperkingsclausule (voor de hogere wetgever) in de grondwet staat;

    • er een delegatieterm (voor de lagere wetgever) in de grondwet staat en de wetgever de beperkingsbevoegdheid heeft gedelegeerd aan de lagere wetgever.

  • Rechterlijke controle bestaat:

    • om geschillen van burgers te beslechten;

    • om te controleren of overheidsoptreden overeenstemt met rechtmatigheidsnormen

Wat houdt het legaliteitsbeginsel in? - BulletPoints 4

  • Het legaliteitsbeginsel bepaalt welke instantie een bevoegdheid heeft of kan hebben, wat die bevoegdheid inhoudt en hoe die bevoegdheid verkregen is of kan worden.

  • Het negatieve aspect van het legaliteitsbeginsel houdt in dat overheidsbevoegdheden binnen de grenzen van het (hoger) recht uitgeoefend moeten worden.

  • Er zijn vier centrale vragen:

    1. Welke overheidsinstanties zijn bevoegd (wie?);

    2. Welke bevoegdheden hebben ze (wat?);

    3. Op welke wijze hebben ze hun bevoegdheden verkregen (hoe?); en

    4. Binnen welke grenzen dienen deze bevoegdheden gehanteerd te worden (tot hoever?)

  • Een ambt (orgaan) is een instantie die publiekrechtelijke bevoegdheden heeft.

  • Een openbaar lichaam bestaat uit een aantal ambten.

  • Openbare lichamen zijn:

    • De staat (ambten binnen de staat zijn: wetgevende macht, regering, minister, rechterlijke instanties)

    • Decentrale gemeenschapsverbanden:

      • provincies (ambten binnen de provincie: provinciale staten, gedeputeerde staten, commissaris van de Koningin).

      • gemeentes (ambten binnen de gemeentes: gemeenteraad, college van B&W, burgemeester).

      • waterschappen.

      • openbare lichamen voor beroep en bedrijf.

  • In het publiekrecht is een ambt een rechtspersoon.

  • In het privaatrecht is een openbaar lichaam een rechtspersoon.

  • Onder bestuursorgaan wordt verstaan:

    • een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld;

    • een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

  • A-orgaan is een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld.

  • B-organen zijn privaatrechtelijke rechtspersonen die krachtens wet publiekrechtelijke bevoegdheden bezitten.

  • Beleidsontwikkeling wordt bevorderd door:

    • privaatrechtelijke instrumenten.

    • feitelijk handelen.

    • publiekrechtelijke instrumenten.

  • Materiële wetten zijn geldig voor iedereen en ze zijn niet toegespitst op een bepaald geval.

  • Een formele wet is een wet die afkomstig is van de formele wetgever.

  • De formele wetgever zijn de regering en de Staten-Generaal samen.

  • De definitie van het begrip ‘besluit’ heeft de volgende kenmerken:

    • het besluit moet afkomstig zijn van een bestuursorgaan;

    • het vereiste van schriftelijkheid;

    • het vereiste van een rechtshandeling;

    • het vereiste van publiekrechtelijkheid.

  • Besluiten van algemene strekking richten zich op burgers in het algemeen en in abstracto.

  • Besluiten met een concrete strekking richten zich tot een of meer concrete, vaak met naam en toenaam aangeduide burgers.

  • Begunstigende beschikkingen leveren de burger voordeel op.

  • Belastende beschikkingen roepen verplichtingen in het leven.

  • Een plan is een besluit dat een samenhangend geheel van op elkaar afgestemde keuzes bevat omtrent door een bestuursorgaan te nemen besluiten of handelingen om een doelstelling te bereiken.

  • De aard van een plan kan zijn:

    • indicatief;

    • juridisch bindend;

    • geen gelijkheid voor een ieder met zich meebrengend, geen voor herhaalde toepassing vatbare normen;

    • niet gericht op individuele en concrete rechtsgevolgen.

  • Beleidsregels vormen het laatste type ‘besluiten’ van algemene strekking.

  • Er zijn twee soorten juridische beslissingen voor het individuele geval:

    • Rechterlijke uitspraken;

    • beslissingen door niet-rechterlijke instanties.

  • Er zijn twee manieren waarop bevoegdheden worden verkregen:

    • Attributie; Een nieuwe bevoegdheid wordt gecreëerd en toebedeeld aan een ambt.

    • Delegatie (horizontaal/verticaal); het overdragen door een bestuursorgaan (delegans) van zijn (bestaande) bevoegdheid.

  • Een bestuursorgaan (de ‘mandans’ of mandaatgever) machtigt een ander (de ‘mandataris’ of gemandateerde) om een bevoegdheid in naam en onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan uit te voeren, oftewel mandaat.

  • Horizontale delegatie vindt plaats binnen de sfeer van de centrale overheid.

  • Verticale delegatie vindt plaats van centrale overheid naar gedecentraliseerde overheidsorganen.

  • De formele wetgever mag de regering geen onbepaalde bevoegdheid tot het vaststellen van regels geven.

  • Voorbeelden van uitbreiding van de reikwijdte van het legaliteitsbeginsel:

    • in grondwettelijke bepalingen overheidsoptreden inzake strafrecht, vermogen, klassieke grondrechten, rechtspositie ambtenaren is gebonden aan de wettelijke grondslag;

    • bestuurlijke sancties kan men alleen krachtens de wet opleggen (art. 89 6w);

    • art. 4:23 Awb: subsidieverstrekking mag slechts op basis van een wettelijk voorschrift plaatsvinden (begrenzing van een belang voor de overheid die actief stimuleert).

  • Er zijn drie vormen van begrenzing van publiekrechtelijke overheidsbevoegdheden:

    • het wettelijk kader van de bevoegdheid:

  • Normen die worden gesteld aan het wettelijk kader zelf dat de basis vormt voor de beschikkingsbevoegdheid; en

  • Normen die worden gesteld aan de toepassing van het wettelijk kader in het concrete geval.

  • formele normen voor de bevoegdheidsuitoefening

    • Deze normen hebben betrekking op de organisatie en de procedure van de besluitvorming en kunnen worden gevonden in de Awb.

  • materiële normen voor de bevoegdheidsuitoefening

    • Deze normen stellen inhoudelijke eisen aan de bevoegdheidsuitoefening.

  • Bij strafrechtelijke handhaving worden sancties door de rechter opgelegd.

  • Bij bestuurlijke handhaving wordt door het bestuursorgaan de sancties opgelegd.

Hoe moet de macht verdeeld worden? - BulletPoints 5

  • Kenmerkende begrippen voor de middeleeuwen zijn: feodalisme, standenmaatschappij en machtsverdeling.

  • Nederland onder Willem I:

    • Er is sprake van landsbestuur door Koning (binnen grenzen van Grondwet);

    • De Koning maakt zelfstandig algemene maatregelen van bestuur;

    • De rechtelijke macht is onafhankelijk van de regering, geschillenoplossing vindt plaats in burgerlijke zaken en er is sprake van strafoplegging; en

    • De rechter had geen monopolie.

  • Het invoeren van het legaliteitsbeginsel betekent: 

    • De macht van de Koning om algemene maatregelen van bestuur vast te stellen werd teruggedrongen;

    • De wetgevende macht behelst het maken van wetten en regelgeving waar de burgers aan gebonden zijn;

    • De uitvoerende macht / het bestuur is belast met de toepassing van deze regelgeving; en

    • De rechterlijke macht is belast met conflictbeslechting en strafoplegging.

  • In Nederland zijn de wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende taak niet strikt gescheiden want de wetgevende taak wordt bijvoorbeeld uitgevoerd door de regering én door de regering en Staten-Generaal tezamen.

  • Machtsverdeling houdt in dat de verschillende organen onderling samenwerken, maar ook deels zelfstandig taken uitvoeren en elkaar controleren.

  • Het systeem van checks and balances op centraal niveau wordt horizontale machtenscheiding genoemd.

  • Verticale machtenscheiding houdt in dat bevoegdheden niet geconcentreerd blijven binnen de centrale overheid, maar worden gespreid over hogere en lagere overheden.

  • De rechterlijke macht bestaat uit:

    • Hoge Raad;

    • Gerechtshoven;

    • arrondissementsrechtbanken;

    • kantongerechten.

  • De rechterlijke macht:

    • houdt zich bezig met geschillenoplossing, strafoplegging, nemen van bestuurlijke besluiten;

    • is onafhankelijk van taakaanwijzingen van regering;

    • is benoemd door de regering;

    • controleert de hiërarchische werking van wetgeving;

    • controleert de besluiten van de overheid op het legaliteitsvereiste.

  • De bevoegdheid tot besluitvorming van de Staten Generaal

    • Zelfstandige besluiten zijn met name gericht op het eigen functioneren;

    • Een extern effect heeft het besluit tot het houden van een enquête en het benoemen van een Nationale Ombudsman;

    • Soms zijn besluiten een voorwaarde voor de rechtsgeldigheid van andere besluiten (goedkeuring), maar dit is geen zelfstandige besluitvormende bevoegdheid van de Staten Generaal;

    • De Staten Generaal hebben medewetgevende bevoegdheid met de regering en kunnen opvattingen/verlangens kenbaar maken aan de regering die een politiek effect kunnen hebben.

  • De bevoegdheid tot wetgeving van de Staten-Generaal:

    • Art. 81 Gw: de regering en Staten-Generaal hebben deze bevoegdheid.

    • Art. 82-88 Gw bevatten de wetgevingsprocedure.

  • De wetgevingsprocedure gaat als in de volgende stappen:

    1. Een kamercommissie doet onderzoek, schriftelijk of via wetgevingsoverleg.

    2. Dan vindt plenaire beraadslaging plaats waarbij de minister verdediging voert van zijn wetsvoorstel.

    3. De kamer heeft het recht op amendement, anders moet de regering het voorstel intrekken.

    4. Wanneer het wetsvoorstel door de Tweede Kamer en de Eerste Kamer is aanvaard, dan vindt bekrachtiging door de regering plaats en publicatie in het Staatsblad.

  • Een wetsvoorstel kan niet van de Eerste naar de Tweede kamer teruggestuurd worden.

  • Rechten van de Staten-Generaal:

    • Art. 82 bevat het initiatiefrecht van de Tweede Kamer

    • Art. 84 bevat het recht van amendement van de Tweede Kamer.

    • Art. 70 bevat het recht van enquête; art 68 bevat het inlichtingenrecht.

  • In 1848 vond de invoering van ministeriële verantwoordelijkheid plaats.

  • De vertrouwensregel staat nergens gecodificeerd, dus is een ongeschreven staatsrecht.

  • Onder ministeriële verantwoordelijkheid verstaat men dat een minister zich moet kunnen verantwoorden over zijn eigen doen en laten en ook over het doen en laten van zijn ondergeschikten.

  • De rijksbegroting bestaat uit een inkomsten- en een uitgavenbegroting van elk departement.

  • Gehaktdag, de derde woensdag in mei, dan moet het ministerie zich verantwoorden over de gemaakte uitgaven.

Wat houden de grondrechten in? - BulletPoints 6

  • Grondrechten behoren typisch bij een rechtsstaat.

  • John Locke vond dat grondrechten komen mensen van nature toe; er bestaat een maatschappelijk verdrag dat is bedoeld om leven, vrijheid, eigendom van alle burgers te waarborgen; daarom moet de overheid de fundamentele rechten respecteren.

  • Ontwikkelingen in de grondrechten in Nederland:

    • 1798: invoering van de burgerlijke en staatkundige grondregels behorende bij de Staatsregeling;

    • 1810: inlijving bij Frankrijk, grondrechten namen af;

    • 1814: invoering van de eerste Grondwet, deze bevat met name justitiële en godsdienstige waarborgen en een beperkt aantal grondrechten;

    • 1815: grondwetsherziening, uitbreiding van de grondrechten;

    • 1848: voorlopige afronding van het grondrechtenbestand;

    • 1917: meer grondrechten worden toegevoegd in de Grondwet;

    • 1983: grondwetsherziening, een volwaardige grondrechtencatalogus door toevoeging van de sociale grondrechten;

    • Na WOII: het vastleggen van grondrechten in verdragen (mensenrechten).

  • In de 19de eeuw was er een klassiek liberale staat: individuele vrijheidsrechten staan voorop.

  • In de 20ste eeuw door algemeen kiesrecht ontstaat de democratische rechtsstaat.

  • Na WOII doet de sociale rechtsstaat zijn intrede: de individuele vrijheidssfeer is belangrijk, maar daarnaast zijn er ook sociaal-economische condities.

  • Grondrechten zijn van betekenis voor de rechtsstaat in twee vormen:

    • Grondrechten werpen een dam op tegen willekeurig en repressief overheidsoptreden; en

    • Grondrechten brengen door contrastwerking het beperkte karakter van overheidsbevoegdheden in beeld.

  • Grondrechten zijn rechten van:

    • het individu (bijv. een Nederlander, vreemdeling);

    • collectiviteiten (zoals kerk, school);

    • niet van overheidsorganen,

    • wel voor personen die ten opzichte van de overheid in een bijzondere rechtsverhouding staan.

  • Er zijn twee categorieën van grondwetten:

    1. Klassieke grondrechten / vrijheidsrechten met betrekking tot overheidsonthouding; en

    2. Sociale grondrechten met betrekking tot overheidsprestaties.

  • De overheid mag grondrechten beperken wanneer hiervoor een basis in de Grondwet ligt in de vorm van een beperkingsclausule.

  • De beperkingssystematiek heeft de volgende kenmerken:

    • er bestaat een motivatieplicht,

    • er zijn doelcriteria,

    • er bestaan procedurevoorschriften,

    • er zijn competentievoorschriften.

  • De meerwaarde van mensenrechtenverdragen zijn:

    • formele wetten kunnen eraan getoetst worden;

    • ze bestrijken meer terreinen dan de Grondwet; en

    • sommige beperkingsclausules eisen een zwaardere proportionaliteitstoets.

  • Nachtwakersstaat is een staat met een terughoudende overheid en vond plaats in de 19de eeuw.

  • Klassieke grondrechten waren in de 19de eeuw geformuleerd als negatieve competentienormen of afweerrechten.

  • Klassieke grondrechten zijn in rechte afdwingbare waarborgnomen.

  • Vandaag de dag spreken we van een sociale rechtsstaat waarbij de overheid een actieve rol speelt.

  • Hierbij zijn sociale grondrechten geformuleerd als positieve verplichtingen.

  • Sociale grondrechten zijn niet in rechte afdwingbare instructienormen.

  • De horizontale werking van grondrechten is onder burgers zelf.

  • Verticale werking is tussen burgers en de overheid.

Welke rol vervult de rechter? - BulletPoints 7

  • Het stelsel van rechtsbescherming tegen de overheid heeft twee lijnen:

    • de rechter als beschermer van rechten van de burger in relatie tot de overheid en

    • de administratieve rechtspraak.

  • In de 19de eeuw sprak de rechter alleen burgerlijke en strafrechtspraak.

  • De burgerlijke rechter ging over tot toetsing van het bestuursoptreden, maar alleen waar het ging om het privaatrechtelijk optreden van de overheid.

  • De Raad voor de Rechtspraak ontleent zich voor de volgende terreinen:

    • financieel beleid;

    • bedrijfsvoering;

    • rechtseenheid en juridische kwaliteit.

  • De Raad voor de Rechtspraak heeft de volgende bevoegdheden:

    • inlichtingen vragen aan besturen van gerechten;

    • algemene aanwijzingen geven op het terrein van de bedrijfsvoering;

    • beslissingen op dit gebied opschorten of vernietigen;

    • voordrachten doen voor schorsing of ontslag van leden van het gerechtsbestuur.

  • Er zijn vier vormen van bescherming tegen optreden door het bestuur:

    1. Beroep op de bestuursrechter.

    2. De bezwarenprocedure.

    3. Voorlopige voorziening.

    4. Hoger beroep.

  • Tegen een uitspraak van de rechtbank staat hoger beroep open bij een van de diverse bestuursrechtelijke appelcolleges, zoals:

    • de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State;

    • de Centrale Raad van Beroep;

    • het College van Beroep voor het Bedrijfsleven en

    • de belastingkamers van de vijf gerechtshoven.

  • Bij de bezwarenprocedure vindt in beginsel een volledige heroverweging plaats van het bestreden besluit door het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen.

  • De heroverwegingsprocedure heeft een aantal obstakels:

    • Gaat het om appellabel besluiten? (er kan alleen bezwaar worden gemaakt tegen een besluit)

    • Is de betrokken burger belanghebbende? (‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken)

    • Is rekening gehouden met de termijn van zes weken voor het instellen van beroep?

  • Een rechtmatigheidstoetsing ex tunc door de rechter wil zeggen dat hij in principe uitgaat van de feiten, omstandigheden en het recht zoals deze golden tot het bestreden besluit werd genomen.

  • Een vernietiging werkt ex tunc, dat wil zeggen dat de vernietiging terugwerkt naar het moment waarop het besluit werd genomen.

  • De leer van de formele rechtskracht impliceert:

    • dat de burgerlijk rechter uitgaat van de rechtsgeldigheid van een besluit wanneer de daartegen openstaande bestuursrechtelijke rechtsgang binnen de termijn van zes weken is benut;

    • dat de burgerlijk rechter de uitspraak van de bestuursrechter omtrent de rechtsgeldigheid van een besluit als gegeven beschouwt (dit voorkomt twee tegenstrijdige uitspraken);

    • dat er bij de burgerlijk rechter een schadevordering kan worden ingediend.

  • De klassieke taak van de rechter is een rechtmatigheidstoets.

  • De positie van de rechter als wetgever-plaatsvervanger:

    • algemeen gezichtspunt;

    • gezichtspunt van internationaal recht.

  • Rechterlijke controle is steeds verder uitgebreid en geïntensiveerd omdat:

    • de wetgever is door de pluriforme samenleving steeds meer onmachtig om ten aanzien van fundamentele politieke- en wereldbeschouwelijke conflicten inhoudelijke normen te stellen en laat dit aan de rechter over;

    • de wet heeft legaliteitsgehalte verloren.

  • Redenen voor het toetsingsverbod art. 120 Gw:

    • het toetsingsverbod bepaalt een door de wetgever ingenomen standpunt over de grondwettigheid van een wet, terwijl het standpunt nu veranderd kan zijn;

    • het verdragsargument: waarom een verbod wanneer toetsing aan soortgelijke rechten in verdragsbepalingen wel zijn toegestaan?

  • Redenen wanneer het toetsingsverbod kan worden opgeheven:

    • dit is toegespitst op een concrete omschrijving van de grondrechten;

    • internationale jurisprudentie hiermee in overeenstemming is;

    • de rechter terughoudendheid betracht;

    • daarbij een creatieve invulling wordt vermeden.

Wat zijn de eisen van de democratie? - BulletPoints 8

  • Een democratie moet voldoen aan de volgende eisen:

    1. een ieder heeft het recht op actief kiesrecht 

    2. een ieder heeft het recht op passief kiesrecht 

    3. een ieder heeft het recht om te streven naar politieke macht 

    4. een ieder heeft politieke grondrechten

    5. vertegenwoordigende colleges kunnen mee beslissen en/of achteraf controleren bij het de besluitvorming

    6. er is openbaarheid van besluiten en besluitvorming

    7. bij besluitvorming wordt de meerderheidsregel gehanteerd

    8. er is respect voor de rechten van minderheden

  • Passief kiesrecht is het recht om gekozen te worden.

  • De politieke grondrechten:

    • Het vergaderrecht (art. 9 Gw).

    • Het verenigingsrecht (art. 8 Gw).

  • Vrijheid van meningsuiting is erg belangrijk in een democratie, omdat de burger goed geïnformeerd moet zijn om zijn stem te kunnen uitbrengen.

  • Zonder openbaarheid heeft de burger geen idee van wat er gaande is binnen de overheid.

  • Bij actieve openbaarheid moet de overheid op eigen initiatief informatie verstrekken.

  • Bij passieve openbaarheid betreft het geven van informatie op verzoek.

  • Bij ingrijpende besluiten is een twee derde meerderheid van de stemmen vereist bij de kamers van de Staten-Generaal.

Hoe wordt het centraal gezag ingericht? - BulletPoints 9

  • Drie stelsels kunnen worden onderscheiden:

    • het parlementaire stelsel;

    • het presidentiële stelsel;

    • het conventionele stelsel.

  • De twee hoofdvormen van democratische systemen zijn het presidentiële en het parlementaire systeem.

  • Er is sprake van een dualistische verhouding wanneer regering en parlement beide eigen bevoegdheden en vrijheden hebben.

  • Monistisch stelsel houdt in dat een van beide organen ondergeschikt is aan de ander.

  • Rousseau was de gedachtevader van het conventionele systeem.

  • In het conventionele systeem zijn de burgers de soeverein en zijn de burgers dus de wetgever, er is geen sprake van machtsverdeling.

  • Het parlementaire systeem berust op samenwerking tussen de regering en de volksvertegenwoordiging.

  • Het presidentiële stelsel kent een wetgevende macht die ligt bij de volksvertegenwoordiging en een uitvoerende macht welke ligt bij de president en de door hem gevormde regering.

  • Het semi-presidentiële stelsel (Frankrijk) houdt in dat zowel de president als de volksvertegenwoordiging door het volk zijn gekozen.

Hoe is het centraal gezag in Nederland ingericht? - BulletPoints 10

  • In Nederland hebben wij het parlementaire stelsel.

  • De Grondwet van 1814 legde de bestuursmacht voor het overgrote deel bij de Koning.

  • De Koning benoemde de ministers naar 'welgevallen', met andere woorden zonder volksvertegenwoordiging.

  • Het censuskiesrecht wordt ingevoerd met de Grondwet van 1848.

  • Censuskiesrecht is dat de Tweede Kamer, Provinciale Staten en de gemeenteraden worden verkozen door degenen die een bepaald bedrag aan belasting betalen.

  • De regering wordt gevormd door de Koning en de Ministers.

  • Het staatshoofd in Nederland is de Koning.

  • Een regeringsperiode duurt vier jaar vanaf de verkiezingen voor de Tweede Kamer.

  • Een regeerakkoord is de laatste decennia steeds gemaakt om het te voeren beleid van de nieuwe regering min of meer vast te leggen.

  • De Staten-Generaal is de Nederlandse volksvertegenwoordiging en vertegenwoordigt dan ook het gehele Nederlandse volk.

  • Eerste kamer wordt ook wel de kamer van revisie genoemd, zij heroverweegt de besluiten van de Tweede Kamer.

  • De Eerste Kamer mist het recht van amendement.

  • De Tweede Kamer oefent het recht van initiatief uit.

  • De vertrouwensregel is een sanctie op de ministeriële verantwoordelijkheid.

  • Drie soorten van ministeriële verantwoordelijkheid zijn te onderscheiden, namelijk:

    • De politieke verantwoordelijkheid.

    • Civiele verantwoordelijkheid.

    • Strafrechtelijke verantwoordelijkheid.

  • De vertrouwensregel treedt alleen in werking op initiatief van de volksvertegenwoordiging.

  • De verhoudingen zijn monistisch als één van beide de ander domineert.

  • Er is sprake van dualistische verhoudingen als beide organen eigen bevoegdheden en beslissingsvrijheid hebben.

Hoe functioneert het Nederlands stelsel? - BulletPoints 11

  • Functies van een politieke partij:

    • Mobilisatiefunctie: het mobiliseren van kiezers.

    • Aggregatie- of integratiefunctie: het signaleren van in de maatschappij levende wensen en verlangens en die vervolgens in hun programma integreren.

    • Communicatiefunctie: het zijn van een communicatiemiddel tussen overheid en burger.

    • Participatiefunctie: leden en niet-leden activeren om actief mee te doen aan de politiek, ook buiten de verkiezingen om.

    • Representatiefunctie: het vertegenwoordigen van het electoraat (de kiezers).

  • De verhouding tussen het parlement en de regering zijn de laatste decennia monistischer geworden, dit komt door:

    • De fractiediscipline.

    • De regeerakkoorden.

  • Het voordeel van coalitiemonisme is een stabiele regering en continuïteit in het regeringsbeleid.

Hoe kunnen burgers deelnemen aan de besluitvorming? - BulletPoints 12

  • Een commissie onderscheidt verschillende gradaties van participatie:

    • Meeweten, de lichtste vorm.

    • Meepraten, iets verdergaand.

    • Meebeslissen, de zwaarste vorm.

  • De belangrijkste participatiemogelijkheden:

    • Inspraak.

    • Adviescommissies.

    • Overleg.

    • (functionele) decentralisatie.

    • Referendum en volksinitiatief.

  • Externe adviescommissies geven advies aan bestuursorganen.

  • Overleg houdt in een rechtstreekse confrontatie of uitwisseling van standpunten met de belanghebbenden.

  • Functionele decentralisatie houdt in dat een orgaan bevoegdheden delegeert aan een ander orgaan die te maken hebben met één doel.

  • Een referendum houdt in dat het volk stemt over een genomen besluit of een te nemen besluit van de overheid.

  • Er zijn verschillende vormen van referenda:

    • Consultatief: de uitslag is niet bindend voor de overheid.

    • Decisief: de uitslag is wel bindend voor de overheid.

Wat is de functie van decentrale overheden? - BulletPoints 13

  • Twee vormen van bevoegdheidsverdeling zijn te onderscheiden, namelijk:

    • De territoriale, waarbij kleinere territoriale gebieden over een eigen kring van bevoegdheden beschikken.

    • De functionele, waar bevoegdheden worden gespreid over verschillende organen.

  • Voor het bestaan van zelfstandige bestuursorganen zijn vele redenen, zoals:

    • hogere kwaliteit van bestuur;

    • verlichting van de werkdruk van de overheid;

    • adequate belangenbehartiging; en

    • het dichter bij de burger staan leidt tot meer participatie door de burger.

  • Er zijn drie staatsvormen, namelijk:

    • De eenheidsstaat.

    • De confederatie.

    • De federatie.

  • In een eenheidsstaat hebben de wetgever en de regering alle bevoegdheidsuitoefening in handen.

  • De confederatie is een staatsvorm waarin bij verdrag tussen verschillende staten een gezamenlijk gezagsorgaan wordt ingesteld en daaraan taken worden toebedeeld.

  • De federatie is een soevereine staat die bestaat uit meerdere deelstaten.

  • Bij deconcentratie geeft de wetgever d.m.v. attributie bevoegdheden aan hiërarchisch ondergeschikte organen.

  • Decentrale organen hebben ook bevoegdheden gedelegeerd/geattribueerd gekregen, maar zij hoeven zich niet te verantwoorden.

  • Bij autonomie zijn er bevoegdheden die strekken tot regeling en bestuur van de eigen huishouding, welke aan provinciale en gemeentelijke besturen wordt overgelaten.

  • Bij medebewind wordt er medewerking gegeven aan uitvoering van hogere regelingen, deze medewerking wordt gevorderd van provinciale en gemeentelijke besturen.

  • Bij de driekringenleer gaat men er vanuit dat het Rijk, de gemeente en provincie elk een hen van nature toekomend werkterrein hadden.

  • De Unie van Utrecht (1579) wordt gezien als het ontstaan van een Nederlandse staat.

  • Een provincie bestaat uit een drietal organen:

    • de volksvertegenwoordiging.

    • de gedeputeerde staten.

    • de commissaris van de koningin.

  • De provinciale staten worden gekozen voor een periode van 4 jaar.

  • De gedeputeerde staten bestaan uit de commissaris der koningin en een aantal afgevaardigden van provinciale staten.

  • De commissaris van de koningin wordt door de Kroon benoemd.

  • Gemeentelijke organen:

    • De gemeenteraad;

    • College van Burgemeester en Wethouders;

    • Burgemeester;

    • Commissies als provinciale en gemeentelijke bestuursorganen.

  • Waterschappen zijn van oudsher belast met de zorg voor de waterstaat.

  • De territoriale grens houdt in dat zowel een gemeente en een provincie in hun optreden zijn beperkt tot hun eigen grondgebied.

  • Geldigheid van een lagere regeling kan worden gecontroleerd:

    • indien zowel de hogere als lagere regels hetzelfde motief hebben (belang beogen) komt de anterieure lagere verordening te vervallen;

    • indien een posterieure lagere verordening met eenzelfde motief als een hogere regeling aanvullend werkt dan mag hij blijven bestaan, tenzij aanvulling was uitgesloten in de hogere regeling;

    • hogere en lagere regelingen kunnen naast elkaar bestaan in die gevallen waarin er een ander motief is, tenzij ook hier sprake is van uitsluiting door de hogere regeling.

  • Onder repressief toezicht wordt verstaan de mogelijkheden die aan hogere organen toekomen om in te grijpen, om zodoende strijd met het recht te voorkomen of hogere belangen te beschermen.

  • Bij preventief toezicht zijn er gevallen waarin een besluit van een lager overheidsorgaan pas genomen kan worden in het geval een hoger orgaan verklaard dat het tegen het voorgenomen besluit geen bedenkingen heeft.

  • Positief toezicht houdt in dat hogere organen proberen bepaalde besluiten tot stand te laten komen op decentraal niveau.

  • Het Nuth-criterium houdt in dat bij het beperken van een verspreidingsmiddel, er wel gebruik van enige betekenis moet overblijven.

  • Veel kleine gemeenten verdwenen na WO II, enkele problemen laatste decennia:

    • Het regionale gat.

    • De problematiek van de grote en middelgrote steden.

    • Grensoverschrijdende problemen van gemeentes en provincies.

Wat is er geregeld op internationaal niveau? - BulletPoints 14

  • Men kan niet alleen meer nationale regelgeving en jurisprudentie raadplegen, daarvoor is internationaal recht te belangrijk geworden.

  • In een dualistisch stelsel vormen de internationale en de nationale rechtsorde twee strikt gescheiden sferen.

  • In het monistische stelsel is er geen strikte scheiding en zijn de twee rechtsorden meer verweven.

  • De Raad van Europa heeft als belangrijkste taken:

    • de totstandbrenging van een grotere Europese eenheid;

    • het handhaven van de democratische regeringsvorm;

    • het verbeteren van de levensomstandigheden van de Europese burgers; en

    • de bescherming van de rechten van de mens.

  • De internationale controle op de naleving van het internationale recht is op verschillende wijzen geregeld:

    • in het kader van de Verenigde Naties functioneert het Internationale Gerechtshof in Den Haag als geschillenbeslechter;

    • het Comité voor de Rechten van de Mens in Genève ziet toe op de naleving van het IVBPR;

    • het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ziet toe op de naleving van het EVRM;

    • Particulieren kunnen een klacht indienen tegen de staat bij het Comité voor de Rechten van de Mens en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

  • De Europese Unie is opgericht in 1993 en dat gebeurde bij het in werking treden van het Verdrag van Maastricht.

  • De besluitvorming binnen de EU geschiedt in overeenstemming met het verdrag door vier instellingen:

    • het Europese Parlement.

    • de Raad.

    • de Commissie.

    • het Hof van Justitie.

  • De raad bestaat uit ministers van de lidstaten.

  • De Commissie bestaat uit onafhankelijke personen.

  • Het Europees parlement wordt rechtstreeks gekozen door de lidstaten.

  • De verdragsschendingsprocedure houdt in dat een lidstaat een dwangsom of boete opgelegd krijgt.

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Follow the author: Law Supporter
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.