Samenvattingen bij de voorgeschreven artikelen van Pedagogische vraagstukken rond polarisatie 21/22 (UU)

Samenvattingen bij de voorgeschreven artikelen van Pedagogische vraagstukken rond polarisatie 21/22 (UU)

Check supporting content in full:
Polariseert Nederland? Ontwikkelingen in politiek-culturele tegenstellingen - Dekker et al. - 2014 - Artikel

Polariseert Nederland? Ontwikkelingen in politiek-culturele tegenstellingen - Dekker et al. - 2014 - Artikel


Dit hoofdstuk gaat over politiek-culturele polarisatie in de afgelopen decennia. Polarisatie is een multidimensionaal begrip wat gaat over een toenemende verdeeldheid in de hele bevolking, toenemende verschillen in gemiddelde posities van bevolkingsgroepen en een sterker wordende samenhang tussen politiek-culturele tegenstellingen. De volgende vragen worden behandeld in dit hoofdstuk:

  1. Is er meer politiek­culturele verdeeldheid in de bevolking ontstaan?
  2. Zijn politiek­culturele verschillen tussen bevolkingsgroepen groter geworden?
  3. Is de samenhang van politieke voorkeuren met zelfvertrouwen sterker ge­worden?
  4. Zijn we vaker gaan denken dat er grote tegenstellingen bestaan?

Deze vragen worden beantwoord door middel van enquêtedata. 

Waar komt de data vandaan?

We gebruiken bevolkingsenquêtes uit twee langlopende onderzoeken: het onderzoek Progressiviteit en conservatisme uit 1970 en de daarop gebaseerde onderzoeken Culturele veranderingen in Nederland (cv) van 1975 tot en met 2012 en de Nationale Kiezersonderzoeken (nko) van 1986 tot en met 2012, die steeds rond Tweede Kamerverkiezingen zijn gehouden. 

Voor een periode meer dan veertig jaar kunnen we drie politieke tegenstellingen meten: 

  1. Pro-nivellering
  2. Anti-autoritarisme
  3. Links-rechtszelfplaatsing

Is de bevolking meer verdeeld geraakt?

Om deze vraag te beantwoorden, wordt er gekeken naar de trends op drie polarisatiematen: een maat voor spreiding, een maat voor de neiging tot tweetoppigheid van verdelingen en de samenvattende polarisatiemaat. Een hogere waarde op deze maten indiceert meer polariteit. Bij pro-nivellering zijn er geen statistisch significante trends te signaleren, bij politiek zelfvertrouwen wijzen twee van de drie indicatoren op toenemende polarisatie. Bij antiautoritarisme en de links-rechtszelfplaatsing zijn de indicaties tegenstrijdig. De kortste samenvatting van ontwikkelingen in beide onderzoeken is dat er in de afgelopen decennia geen veelomvattende politiek-culturele polarisatie is geweest in de zin van over de hele linie toenemende tegenstellingen tussen individuele Nederlanders.

Zijn bevolkingsgroepen verder uit elkaar gedreven?

Om deze vraag te beantwoorden, wordt er gekeken naar de sociaal meest zichtbare tweedelingen van man en vrouw, jong en oud, lager- en hogeropgeleiden en onkerkelijken en kerkelijken. In acht gevallen verschillen groepen in beide jaren significant van elkaar. In vijf daarvan in dezelfde richting: in beide jaren zijn in vergelijking met hun tegen- polen ouderen, lageropgeleiden en kerkelijken autoritairder, plaatsen kerkelijken zich rechtser in de politiek en hebben jongeren meer politiek zelfvertrouwen. In drie gevallen is er echter sprake van een omkering. 

Daarnaast zijn er nog regressieanalyses uitgevoerd met interactietermen, waarvan drie sekseverhoudingen verschillende uitkomsten laten zien. Alle drie de verhoudingen zijn meer polariserend: vrouwen verwijderen zich van mannen in egalitaire, antiautoritaire en linkse richting. Daarnaast gaan ouderen zich meer van jongeren onderscheiden door hun nivelleringsvoorkeur. Hogeropgeleiden meer van lageropgeleiden door een linksere positionering en door meer politiek zelfvertrouwen. Kerkelijken waren in de hele periode autoritairder en rechtser dan onkerkelijken, maar het verschil werd kleiner. 

Samenvattend is er op basis van Culturele veranderingen en Nationale Kiezersonderzoeken wel aanleiding om polarisatie tussen bevolkingsgroepen te signaleren: vrouwen zijn linkser en worden dat nog meer; ouderen zijn meer voor nivellering en worden dat nog meer, lageropgeleiden worden rechtser. 

Is de samenhang van voorkeuren met politiek zelfvertrouwen sterker geworden?

De resultaten van het onderzoek Culturele veranderingen laat een stabiel patroon zien: wie meer politiek zelfvertrouwen heeft, is iets minder pro-nivellering en duidelijk meer antiautoritair. Deze relatie is niet te zien in de resultaten van de Nationale Kiezersonderzoeken vanaf 1986. Het politieke zelfvertrouwen is groter naarmate men meer voor de multiculturele samenleving en voor het eu-lidmaatschap is. 

Samenvattend is er geen algehele versterking van de samenhang tussen inhoude- lijke tegenstellingen en tegengestelde houdingen tot de politiek. Wel wijzen beide onderzoeken erop dat nieuwe politieke tegenstellingen (autoritair-libertijns, globaliseringskwesties) wel en oude tegenstellingen (nivellering, euthanasie) nauwelijks of niet samenhangen met politiek zelfvertrouwen. 

Zijn we meer tegenstellingen gaan zien?

Op politiek gebied lijkt dat niet het geval, ten minste wanneer we onderscheid maken tussen links en rechts. Buiten het politieke domein kunnen we wel iets zeggen over de mate waarin sociale tegenstellingen worden gepercipieerd. Gemiddeld ziet men vanaf 2006 meer grote tegenstellingen dan in 1987, maar de vermelde tweedelingen vertonen geen parallelle veranderingen. Dus Nederlanders zijn in de afgelopen decennia minder (partij)politieke polarisatie gaan zien maar wel vaker grote sociale tegenstellingen. 

Wat kan er geconcludeerd worden?

Hieronder de antwoorden op de vier onderzoeksvragen op een rij:

  1. Is de bevolking meer verdeeld geraakt?
    Dat is zeker niet over de hele linie het geval geweest. Tegenover gevallen van polarisatie (politiek zelfvertrouwen tot in de jaren tachtig, Europa sinds midden jaren negentig) staan gedepolariseerde kwesties (euthanasie, inkomensnivellering) en dubbelzinnige polarisatietrends (minder extremen én meer blokvorming in de links-rechtszelfplaatsing).
  2. Zijn verschillen tussen bevolkingsgroepen groter geworden?
    Meestal niet; dan vonden we geen ontwikkeling, convergentie of tegenstrijdige onderzoeksresultaten. In enkele gevallen wel: de link-rechtstegenstelling nam toe tussen de seksen (vrouwen werden linkser) en tussen lager- en hogeropgeleiden (lageropgeleiden werden rechtser), op inkomensnivellering polariseerden jong en oud (oud meer pro) en op eu hoger- en lageropgeleiden (hogeropgeleiden meer pro).
  3. Zijn de relaties tussen inhoudelijke politieke voorkeuren en politiek zelfver- trouwen sterker geworden?
    Ook op deze vraag gaven de geanalyseerde data geen ondubbelzinnig antwoord. We constateerden echter wel dat de samenhang van politiek zelfvertrouwen met globaliseringskwesties relatief sterk is. Een toenemend belang van die kwesties in de politiek zou polarisatie tot gevolg hebben in de zin van een verbredende politiek-culturele tegenstelling.
  4. Zijn we vaker gaan denken dat er grote tegenstellingen bestaan?
    Niet als het om tegenstellingen tussen politieke partijen gaat, maar gemiddeld wel bij de vergelijking van sociale groepen. Achter dat gemiddelde gaan echter tegengestelde veranderingen schuil en er is weinig grond om een toenemend ‘tegenstellingendenken’ te veronderstellen.

Deze resultaten wijzen erop dat we ons geen zorgen hoeven te maken over een toenemende politiek-culturele polarisatie in Nederland. De polarisatie tussen jong en oud is interessant, hiertussen zijn de verschillen groter geworden met betrekking tot inkomensnivellering en links-rechtszelfplaatsing. De verschillen tussen bevolkingsgroepen zijn gemengd. De samenhang met politiek zelfvertrouwen blijkt voor beide globaliseringskwesties sterker dan voor oude strijdpunten. Bij de nieuwe strijdpunten zien we meer polarisatie dan bij de oude strijdpunten. 

Access: 
Public
Cultureel-etnische segregatie in het onderwijs: achtergronden, oorzaken en waarom te bestrijden - Bakker - 2012 - Artikel

Cultureel-etnische segregatie in het onderwijs: achtergronden, oorzaken en waarom te bestrijden - Bakker - 2012 - Artikel


In 2006 startte Nederland met invoeren van het desegregatiebeleid om de cultureel-etnische segregatie te voorkomen, de intergratie te bevorderen en achterstanden te bestrijden. Dit segregatiebeleid wordt ook gevoerd in de hele westerse wereld. Vrijwel overal wordt de cultureel-etnische segregatie in het onderwijs als een ongewenst fenomeen beschouwd, dat bestreden moet worden.

Welke achtergrond heeft de schoolsegregatie?

De cultureel-etnische segregatie kent drie hoofdoorzaken:

  1. Kenmerken van het onderwijssysteem.
  2. Ruimtelijke segregatie.
  3. Residentiële segregatie. 

Welke kenmerken kent het onderwijssysteem?

De segregatie kan voor een deel aan het onderwijssysteem worden toegeschreven. Het onderscheid tussen private en publieke scholen draagt bij aan de verdeling tussen rijke, blanke kinderen en arme, zwarte kinderen. Daarnaast is er ook een onderscheid tussen openbare en confessioneel-bijzondere scholen. Daardoor hebben scholen de macht om leerlingen te weigeren wanneer hun religie niet overeenkomt met de identiteit van de school. Het verschilt per land hoe sterk deze selectieprocedure van toepassing is. Verder zijn er meer openbare scholen in de regio's en buurten waar relatief veel allochtonen wonen. Scholen zijn verplicht om aan te sluiten bij de godsdienstige voorkeur van ouders. Hoe eerder de overgang van primair naar secundair onderwijs, hoe sterker de verschillen tussen etniciteit tussen secundaire scholen.

Welke rol spelen ruimtelijke of residentiële segregatie?

Etnisch bepaalde residentiële segregatie komt sterk voor in de Verenigde Staten, waar blanken en zwarten van elkaar gescheiden wonen. Wel worden de woonwijken in Europa steeds homogener. Onder politici bestaat er een groeiende consensus dat residentiële segregatie van cultureel-etnische groepen een ongewenst fenomeen is en daarom bestreden moet worden. Eenzijdig samengestelde buurten zijn vaak ook de achterstandswijken waar veel sprake is van criminaliteit, werkloosheid en onveiligheid. Hierom willen beleidsmakers buurten meer gaan mengen. Dit kan bijvoorbeeld door een maximaal aantal burgers per etniciteit per wijk te stellen of door subsidies te verlenen die het aantrekkelijk maken om naar een andere buurt te verhuizen. 

Hoe dragen ouders bij aan de segregatie?

Woonsegregatie creëert schoolsegregatie, omdat de meeste kinderen naar een school gaan die bij hun in de buurt is. Ouders preferen een school voor hun kinderen die aansluit bij hun eigen sociale en culturele achtergrond. Hierdoor zijn de leerlingpopulaties van scholen geen adequate afspiegeling van de bevolkingssamenstelling van de buurt. Echter, een gemengde wijk betekent nog niet direct een gemengde school. Ouders moeten zich bewust zijn van de verschillende en van de verschillend samengestelde scholen in hun directe omgeving en beschikken over de nodige informatie om tot een juist oordeel te komen. Het meest effectieve beleid om schoolkeuzeprocessen te beïnvloeden is het controlled-choice-beleid. Scholen kunnen zelf ook initiatieven ontwikkelen om het schoolkeuzegedrag van ouders te beïnvloeden, zoals het concept magneetschool waarbij de school aantrekkelijker wordt gemaakt met andere activiteiten als sport, kunst en drama. 

Waarom moet schoolsegregatie bestreden worden?

In de zaak Brown vs Board of Education of Topeka worden een aantal argumenten genoemd waarom schoolsegregatie bestreden moet worden. Ten eerste hebben zwarten op hun 'eigen' scholen niet dezelfde onderwijskansen als blanken. Ten tweede staat gescheiden onderwijs de zelfwaardering van zwarten in de weg. En ten derde vormt separaat onderwijs een hindernis om to volwaardige interetnische verhoudingen te komen wat zowel zwarten als blanken schade aanricht. Deze rechtszaak was een beginpunt van het onderzoeken van de gevolgen van schoolsegregatie. 

Welke invloed heeft schoolsegregatie op leerprestaties?

De samenstelling van de leerlingpopulatie van een school heeft invloed op de schoolprestaties. De witte middenklasse-kinderen deden een cultuur van ijver en ambitie ontstaan die ook de zwarte lageklasse-kinderen aanspoorden tot hoge schoolprestaties. Het belang van desegregatie werd hierbij benadrukt. Dit blijkt uit peer effect-studies, die zijn opgezet door Coleman (1975). Andere onderzoeken konden ook aantonen dat kinderen afkomstig van cultureel-etnische minderheidsgroepen beter presteren in heterogeen samengestelde scholen dan in gesegreerde en homogeen samengestelde scholen. Echter kwamen andere onderzoeken tot de conclusie dat de schoolsamenstelling er niet toe deed. Wel is het meerendeel er over eens dat allochtone kinderen baat van autotochtone kinderen wanneer het gaat om reken- en taalprestaties. Naast het peer effect is er misschien ook sprake van een invloedrijke relatie tussen de leerlingen en de leerkrachten. Wanneer leerkrachten de leerlingen een gevoel geven dat ze niet goed genoeg zijn, heeft dit een negatief effect op hun schoolprestaties. Met name sterk bevooroordeelde leerkrachten hebben lagere verwachtingen van kinderen uit cultureel-etnische minderheidsgroepen vergeleken met minder bevooroordeelde collega's. 

Welke invloed heeft schoolsegregatie op interetnische verhoudingen?

Desegragatie van het onderwijs zou de interetnische verhoudingen ten goede komen en daardoor de sociale cohesie in de samenleving helpen bevorderen. Deze resultaten zijn afgeleid van de contacthypothese. Echter zijn er ook onderzoeken die tegenstrijdige resultaten vonden, waarbij de gevolgen van gemengde scholen niet vast te stellen zijn. Deze tegenstrijdige bevindingen leiden tot de conclusie dat etnisch gemengde samengestelde schoolklassen niet onvermijdelijk leiden tot het interpersoonlijk contact dat aan attitudeverbetering ten grondslag ligt. Dit betekent niet dat de vooroordelen direct negatief beïnvloed worden. Etnisch gemengde scholen garanderen lang niet altijd duurzaam interetnisch contact en dit hoeft ook niet gelijk tot gunstigere attitudes te leiden. Het is noodzakelijk dat leerlingen zelf diepere contacten ontwikkelen en daarmee hun attitude verbeteren. Een negatieve attidude ontstond alleen wanneer de out-group een bedreiging gaat vormen. Wanneer op een school veel gepest wordt, zal dit de attitude- en relatievorming negatief beïnvloeden. Eén ding staat wel vast en dat is dat intercultureel onderwijs, dat in menig beleidsdocument gepropageerd wordt om tolerantie en wederzijds respect te bevorderen, niet altijd de gewenste effecten zal leveren. Dit kan verklaard worden doordat het 'ander-zijn' op die manier te veel benadrukt wordt. Met name de experimenten die kinderen ertoe brachten om in etnisch samengestelde klassen individuele verschillen in plaats van groepsverrschillen waar te nemen, leidden tot een significante reductie van vooroordelen en groepsstereotypen. Experimenten met empathie en self-disclosure leidden ook tot positieve resultaten. De meest effectieve strategie om in cultureel-etnisch gemengd samengestelde klassen de groepsrelaties te stimuleren, is het coöperatief leren.

Wat is de conclusie?

Een volledige dessegregatie is geen garantie voor een verscheidenheid in cultuur en etniciteit op scholen. Ook kan niet worden aangetoond dat een multi-etnische samenstelling van scholen de interetnische relaties van kinderen ten goede komt en daarmee wellicht de sociale cohesie in de samenleving bevorderd wordt. 

Welke aanbevelingen zijn er voor vervolg onderzoek?

De meeste onderzoeken die zijn besproken, zijn peer-effect studies. Deze studies geven slechts een globale indruk van de samenhang tussen schoolcompositie en leerlingprestaties en laten belangrijke factoren onderbelicht. Meer onderzoek is nodig naar het gedrag en de attitudes van leraren. 

Access: 
Public
Doet onderwijssegregatie er toe? - Merry et al. - 2012 - Artikel

Doet onderwijssegregatie er toe? - Merry et al. - 2012 - Artikel


Tegenwoordig gaat de mens ervanuit dat integratie een belangrijk en waardevol sociaal goed is. Echter gedragen niet alle ouders zich hiernaar. Hoewel ze segregatie aanmoedigen, sturen ze hun eigen kind wel liever naar een 'goede', dus witte school. Dit proberen we vervolgens goed te praten door verantwoording te geven aan het schoolsysteem in Nederland. De enige manier om meer gelijkheid op scholen te bevorderen is door te streven naar gemengde scholen. Segregatie kent structurele voor- en nadelen ten opzichte van andere kinderen, waarbij kinderen uit een lager milieu vaak in het nadeel zijn. Deze kinderen zouden van het contact met kinderen uit een hoger milieu kunnen profiteren, bijvoorbeeld door het leren van de Nederlandse taal van andere kinderen. School is daarentegen niet de enige factor die de kansen voor een kind bepaald. 

Hoe heeft de segregatie zich ontwikkelt?

Voorheen was er sprake van segregatie op basis van geloofsovertuiging en sociale klasse, waarbij er weinig contact was tussen de gemeenschappen. Tegenwoordig staat sociale integratie en burgerschap bovenaan op de agenda. Gemengde scholen zouden namelijk een rechtvaardige samenleving symboliseren. 

Welke waarden spelen een belangrijke rol in onderwijssegregatie?

Vrijheid en gelijkheid zijn twee belangrijke idealen in de liberale democratie en kunnen elkaar op allerlei manieren aanvullen en versterken, zo ook in het onderwijs. Tegelijkertijd zijn vrijheid en gelijkheid ook vaak in strijd met elkaar, met name in heterogene en multiculturele samenlevingen als de Nederlandse. Echter zijn samenlevingen zo ingericht dat sommige mensen meer bevoorrecht worden dan anderen. Ook wordt elk van ons regelmatig geconfronteerd met talloze beslissingen waarin we prioriteiten moeten stellen wannner er sprake is van concurrerende idealen. Dit is echter het probleem: liberale argumenten vóór integratie neigen vaak naar een eenzijdige aandacht voor gelijkheid, en dit staat op gespannen voet met hoe de meesten van ons hun recht op vrijheid uitoefenen, vooral als het om onze eigen kinderen gaat. De meeste maatregelen om segregatie tegen te gaan, worden gezien als inbreuk op iemands vrijheid. Er bestaat een sterke samenhang tussen het uitoefenen van de schoolkeuze door ouders en segregatie. We moeten accepteren dat onze idealen met elkaar kunnen botsen en dat we gedwongen worden om te kiezen tussen prioriteiten, hopelijk met rand- voorwaarden die ons zowel vormen als beperken in de rechtvaardiging voor het maken van eerlijke keuzes voor onszelf en onze kinderen.

Wat is vrijwillige en onvrijwillige segregatie?

Sommige vormen van onderwijssegregatie zijn nadeling voor kinderen. Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen vrijwillige en onvrijwillige onderwijssegregatie. Er zijn drie grote obstakels die de verwezenlijking van het integratie-ideaal verhinderen:

  1. Segregatie hoeft niet altijd per se verwerpelijk te zijn. De meeste personen ongeacht hun achtergrond kunnen beter opschieten met mensen die dezelfde eigenschappen hebben. Het is daarom beter voor kinderen om met andere kinderen van verschillende afkomsten in contact te komen zodat ze leren welke eigenschappen ze gemeen hebben. Echter zullen er altijd groepjes blijven bestaan met één dominante cultuur. Deze diversiteit werkt de ongelijkheid alleen maar meer in de hand. Sommige kinderen hebben nou eenmaal behoefte aan hun eigen cultuur, normen en waarden. 
  2. Vrijheid en gelijkheid botsen in het integratie-ideaal. Veel inspanningen om segregatie te verkleinen komen in conflict met lang gekoesterde morele en constitutionele rechten.
  3. Wanneer iedereen het eens over dat sociaal geïntegreerde scholen de voorkeur hebben boven gesegregeerde scholen, dan hebben we niet per se een gemengde school nodig voor meer gelijkheid. Soms is separaat onderwijs beter dan gemengd onderwijs.

Argumenten voor integratie focussen zich op gelijkheid, echter bieden gemengde scholen vaak geen gelijkheid omdat volgens sommige ouders de kwaliteit van het reguliere onderwijs onvoldoende tegemoet komt aan hun specifieke wensen, dus richten zij zich op gescheiden onderwijs. Vrijwillige separatie is voor deze ouders en hun kinderen een alternatief voor kwalitatief beter onderwijs, waar hun kinderen hun eigen identiteit kunnen ontwikkelen en geen nadelen ervaren van discriminatie of uitsluiting. 

Welke zorgen bestaan over segregatie?

Een eerste zorg is dat het idee van sepratie uitgebuit zou kunnen worden door antisociale groeperingen. Deze angst is onterecht omdat vrijwillige separatie niet gemotiveerd wordt door radicale, culturele of religieuze superioriteit, maar door een verlangen naar kwalitatief onderwijs. Een tweede zorg is dat er mensen zijn die vrijwillige separatie afwijzen in verband met de consequenties voor de meer bevoorrechte kinderen. Wanneer deze kinderen niet in aanraking komen met kinderen van andere culturen kunnen zouden zij hun horizon niet kunnen verbreden. Echter zal deze kinderen de segregatie veel meer goed dan kwaad doen.

Access: 
Public
The “migrant with poor prospects”: racialized intersections of class and culture in Dutch civic integration debates - Bonjour & Duyvendak - 2018 - Artikel

The “migrant with poor prospects”: racialized intersections of class and culture in Dutch civic integration debates - Bonjour & Duyvendak - 2018 - Artikel


Het huidige artikel heeft als doel om te onderzoeken welke migranten gewenst zijn en welke migranten buiten de grenzen gehouden moeten worden. Dit wordt onderzocht binnen het integratiebeleid in Nederland. 

Wat is er bekend over integratieprogramma's?

Er is een fundamenteel verschil tussen traditioneel integratiebeleid voor migranten dat erop gericht is om lidmaatschap mogelijk te maken en een verplicht inburgeringsbeleid dat voorwaarden oplegt aan lidmaatschap. Door de vraag te beanwoorden wie de ongewenste migrant is, maken we gebruik van en dragen we bij aan de wetenschap die migratiebeleid analyseert als voorbeelden van politiek van verbondenheid. Hierbij ligt de focus op te ontdekken op welke eigenschappen of vaardigheden dit onderscheid gemaakt wordt. Nederland is een van de landen waar een streng integratiebeleid is toegepast en is daarom een goede casus waar wij ons op zullen richten. Hierbij zijn Nederlandse parlementaire debatten geselecteerd en geanalyseerd. 

Wat is geschiedenis van het Nederlandse integratiebeleid?

Aan het eind van de 19e eeuw werd de politiek gedomineerd door wat de sociale kwestie werd genoemd, dit zijn de onmenselijke leef- en werkomstandigheden van de opkomende arbeidersklasse. In de ogen van liberale en conservatieve hervormers was armoede te wijten aan de achterlijkheid en morele zwakte van de armen. De tweede helft van de twintigste eeuw was getuige van een dramatische uitbreiding van de verzorgingsstaat, met een dicht web van instellingen die zich richtten op achterstandswijken en groepen met 'slechte vooruitzichten'. Er was een sterk geloof in de maakbaarheid van de armen. Mensen met 'slechte vooruitzichten' werden beschouwd als slachtoffers van sociaal onrecht: het bewijs van een oneerlijke samenleving waarin sommigen meer vooruitzichten hadden dan anderen.

De staat kon niet alleen, maar zou mensen met slechte vooruitzichten moeten helpen om sociaal onrecht te herstellen. Het was geen kwestie van een achterlijke cultuur maar van ongelijke sociaal-economische kansen en kansen. Althans, voor de autochtone bevolking; in beleid gericht op migranten bleef de moralistische, gecultiveerde en paternalistische benadering dominant. Deze onaangepastheid werd alleen geproblematiseerd in het geval van immigranten uit de lagere klasse, niet voor Japanse of Amerikaanse migranten uit de hogere klasse. Zo kreeg de Nederlandse staat in de jaren tachtig zowel het vermogen om de positie van migranten in de Nederlandse samenleving te verbeteren (door hen aan te passen aan de Nederlandse cultuur) als de verantwoordelijkheid om dat te doen.

Hoe verscheen de migrant met slechte vooruitzichten in debatten?

Ongeveer een op de vijf in Nederland wonende personen heeft een migratieachtergrond, in die zin dat zijzelf of (een van) hun ouders in het buitenland zijn geboren. 

Nederland was in de jaren zeventig en tachtig een van de eerste landen in Europa die beleid voerde om de integratie van migranten te bevorderen. Dit 'etnische minderhedenbeleid' werd in de jaren negentig geleidelijk verlaten, toen de regering koos voor een 'integratiebeleid' dat vooral gericht was op individuele sociaal-economische zelfstandigheid, in plaats van op emancipatie van migrantengroepen. Als Nederlandse politici in de jaren negentig spraken over 'migranten met slechte vooruitzichten', dan was dat vooral in de context van stedelijk beleid, onderwijsbeleid en re-integratiebeleid op de arbeidsmarkt. Het is echter opvallend dat de allereerste keer dat een Nederlandse politicus het idee naar voren bracht om immigratie te onderwerpen aan integratie-eisen, de figuur van de “migrant met kansarme vooruitzichten” aanwezig was – en een totaal nieuwe betekenis kreeg. De ‘migrant met kansarme vooruitzichten’ was niet langer iemand die geëmancipeerd moest worden, die staatsingrijpen verdiende om een ​​betere toekomst te verzekeren – zoals elke andere kansarme groep in de zorg van de Nederlandse staat – maar iemand die de toegang tot Nederland zou moeten worden ontzegd, een toekomst in dit land, omdat het onwaarschijnlijk wordt geacht dat hij of zij zal 'integreren' in de Nederlandse samenleving, hoeveel moeite of middelen de staat ook zou doen om integratie te bevorderen.

Hoe veranderde het beleid na 2000?

Sinds de eeuwwisseling staat de Nederlandse politiek onder sterke en aanhoudende druk van populistische anti-immigrantenpartijen. Zo zouden te veel immigranten met een te grote afstand tot de Nederlandse samenleving en cultuur een te grote druk leggen op onze instellingen en de flexibiliteit van de bevolking overbelasten. Daarom heeft de centrumrechtse regering Balkenende II haar immigratiebeleid fundamenteel herzien, dat niet alleen restrictief maar vooral ook selectief moest zijn, aangezien immigratie via inburgering aan integratie-eisen zal worden gekoppeld. Dit principe is geïmplementeerd in de Wet inburgering 2006, die de verplichting voor nieuw toegelaten migranten om deel te nemen aan een inburgeringscursus verving door een verplichting om te slagen voor het examen. Daarnaast werd in 2005 de eis ingevoerd dat gezinsmigranten een basiskennis van de Nederlandse taal en samenleving moeten bewijzen voordat zij toegang tot Nederland krijgen. Er wordt aangenomen dat de achterlijkheid van de migrant niet door Nederland wordt veroorzaakt - het wordt alleen zichtbaar door de (wens)verhuizing van de migrant naar een modern land, moet het door hem worden aangepakt, of zichzelf. De potentiële migrant blijft misschien op termijn assimileerbaar, maar op voorwaarde dat hij of zij in zichzelf investeert.

Hoe ontwikkelde het integratiebeleid tussen 2007 en 2012?

De populistische anti-immigrant Partij voor de Vrijheid (PVV) speelde een cruciale rol bij het centraal stellen van de 'migrant met kansarme vooruitzichten' in het Nederlandse inburgeringsdebat. De PVV eiste onder andere een moslim immigratiestop. De VVD reageerde direct door te stellen dat het niet logisch en niet gepast was om mensen op grond van hun religie te weren. In plaats daarvan wilden de conservatieve liberalen de immigratie van mensen met slechte vooruitzichten in bedwang houden. Drie maanden later diende de VVD een motie in, in lijn met eerdere moties waarin werd gesteld dat de integratie mislukt, waarin staat dat de toelating tot ons land van een groot aantal kansarme immigranten tot ernstige integratieproblemen heeft geleid en vraagt ​​de regering om toelating tot Nederland te beperken tot personen met voldoende opleiding en taalvaardigheid en met een positieve houding ten opzichte van onze samenleving. Aan de basis van het VVD-pleidooi om de toegang van migranten met slechte vooruitzichten te ontzeggen, is de perceptie dat migranten die in het verleden waren toegelaten onintegreerbaar waren gebleken, en daarom zouden vergelijkbare niet-integreerbare migranten in de toekomst moeten worden geweerd. Met ingang van 2009 namen ook de christen-democraten dit discours over en stelden dat het toegeven van te veel mensen met weinig uitzicht om de anderen in de samenleving bij te houden niet goed was voor de samenleving en ook niet goed voor deze mensen zelf. 

Wie is de migrant met slechte vooruitzichten?

Het meest genoemde kenmerk van de kansarme migrant is een laag opleidingsniveau. Het opleidingsniveau beschouwd als een voorspeller van economische bijdrage, participatie en financiële onafhankelijkheid. Het immigratiebeleid moet worden hervormd tot een systeem dat alleen toegankelijk is voor individuen die succesvol zullen zijn: migranten die de taal spreken, een opleiding of expertise hebben waarnaar op de arbeidsmarkt echt vraag is, en in staat zijn om geld te verdienen zelf. Niet-opgeleide migranten met slechte vooruitzichten krijgen geen kans meer en zijn daardoor werkloos. Behalve laagopgeleid en werkloos te zijn, heeft de 'migrant met kansarme vooruitzichten' ook specifieke psychologische en culturele kenmerken, waarvan wordt aangenomen dat ze verband houden met zijn of haar sociaal-economische kenmerken. Een bekende omschrijving is het zien van een kansarme migrant als een welzijnsprofiteur. De luie en parasitaire houding van de 'arme migrant' zet hem of haar tegenover de geïdealiseerde Nederlander. Daarnaast is de veronderstelling dat de 'migrant met slechte vooruitzichten' afkomstig is uit een traditionele, paternalistische, autoritaire, vrouwonvriendelijke cultuur. Impliciet maar alomtegenwoordig is de veronderstelling dat de 'migrant met slechte vooruitzichten' een moslim is. Dezelfde vermenging van sociaal-economische en sociaal-culturele factoren komt tot uiting wanneer migranten worden bestempeld als 'niet-westers'.

Welke conclusie kan getrokken worden?

Het begrip 'mensen met een kansarme toekomst' kent een lange geschiedenis in het Nederlandse sociale beleid. Door 'slechte vooruitzichten' te presenteren als een onvermijdelijk kenmerk van de onassimileerbare migrant anders dan als een maatschappelijk probleem, stellen Nederlandse politici zichzelf in staat elke verantwoordelijkheid van de Nederlandse staat om sociale inclusie en gelijke kansen voor migranten te waarborgen, af te wijzen. Onze bevindingen bevestigen dat naast cultuur, klasse een cruciaal aspect is van racialisering en de politiek van verbondenheid. Slechte sociaal-economische vooruitzichten worden verondersteld samen te vallen met nationale afkomst (niet-westers) en religie (moslim). Het beeld van de 'migrant met slechte vooruitzichten' stelt bepaalde toekomstige migranten voor als ongewenst, omdat een meerderheid van de Nederlandse politici van oordeel is dat een zeer aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking met elders gewortelde wortels onvergelijkbaar anders is.

Access: 
Public
The nation under threat: secularist, racial and populist nativism in the Netherlands - Kesic & Duyvendak - 2019 - Artikel

The nation under threat: secularist, racial and populist nativism in the Netherlands - Kesic & Duyvendak - 2019 - Artikel


In het huidige artikel wordt het concept nativisme toegepast op de Nederlandse rechtse partijen. 

Wat is nativisme?

Veel definities van nativisme bevatten een onderscheid tussen twee groepen: autochtonen en immigranten. Aan deze tijdelijke differentiatie tussen groepen die autochtonen en immigranten vormen, voegen sommige opvattingen van nativisme expliciet het element toe van een culturele bedreiging. Er is sprake van nativisme wanneer een immigrantengroep of etnische minderheid wordt geconstrueerd als een fundamentele bedreiging voor de 'natie' en dus wordt immigratiebeperking van deze specifieke groep(en) een primair politiek (overlevings)doel. Door nativisme niet te reduceren tot immigratie, kunnen we erkennen dat de problematisering van buitenlanders door het nativisme niet beperkt is tot buitenlanders, net zoals autochtoon niet kan worden gelijkgesteld met autochtonen. We onderscheiden drie subtypes van nativisme:

  1. Seculier nativisme, dat de islam en moslims problematiseert.
  2. Racistisch nativisme, dat onder meer zwart antiracisme problematiseert.
  3. Populistisch nativisme, dat inheemse elites problematiseert.

Wat is seculier nativisme?

Kenmerkend voor het seculiere nativisme is het gelijkstellen van immigratie en islamisering, het afbeelden van immigratie als een probleem van cultuurverschillen, het terugbrengen van dat verschil tot een tweedeling islam versus nationale cultuur en het zien van de islam als een bedreiging voor de nationale cultuur. Wilders is landelijk, zo niet internationaal, de meest herkenbare stem van het seculiere nativisme. Respect voor individuele vrijheid, scheiding van kerk en staat en vrijheid van meningsuiting zijn de centrale thema's geweest waarmee de Nederlandse cultuur en de islam niet alleen als verschillend, maar ook als antagonistisch onverenigbaar worden gepresenteerd. In het seculiere nativisme functioneren gender en seksualiteit volgens de logica van het typicaliteitseffect, waarbij een saillant element wordt gepresenteerd als wezenlijk kenmerkend voor een hele groep of cultuur, en vervolgens wordt geplaatst naast een andere cultuur, die ook wordt gereduceerd tot zijn eigen typische kenmerk: het effect maakt de verschillen tussen culturen belangrijker dan de verschillen binnen elke cultuur of de overeenkomsten daartussen. Het andere essentiële kenmerk van het seculiere nativisme, naast liberale seksualiteit en genderverhoudingen, is wat we cultureel christendom noemen.

De positie van de moslimminderheid is echter nogal dubbelzinnig: moslims worden, ondanks dat ze een minderheid zijn, gezien als een (potentiële) bedreiging die de Nederlandse cultuur kan vernietigen. Tegelijkertijd is assimilatie, omdat ze een minderheid vormen, een van de oplossingen voor het probleem van culturele tegenstellingen die vaak door nativisten worden voorgesteld: de noodzaak om ‘Nederlander te worden’. Hoe goed moslims ook integreren hun assimilatie wordt nooit als volledig beschouwd. Het gevolg van dit ongeloof in de haalbaarheid van de succesvolle assimilatie van moslims is een idee dat door rechtse nativisten is gepropageerd: verplaatsing naar het land van ‘oorsprong’.

Zowel de problemen als de oplossingen waarnaar het seculiere nativisme verwijst, laten zien dat kritiek op de islam niet alleen een vorm van religieuze opinie is. Het gaat vooral om de hachelijke situatie van de Nederlandse culturele identiteit: Wie behoort tot de natie en wie niet?

Wat is het racistisch nativisme?

Raciaal nativisme betreft het specificeren van hoe racisme functioneert in een context van een cultureel georiënteerd, maar impliciet geracialiseerd nativisme. Het racistisch nativisme is in het algemeen niet beperkt tot extreemrechts. Raciaal nativisme interpreteert de aantijgingen van het antiracisme van historisch en vooral hedendaags racisme (zoals dat Zwarte Piet gezien wordt als een racistische karikatuur) als bewijs van het onvoldoende ‘Nederlands’ van de aanklagers. In andere woorden, het idee is dat alleen buitenstaanders ten onrechte kunnen beweren dat Nederlanders een racistische traditie hebben terwijl we allemaal weten dat Nederlanders niet racistisch zijn, wat impliceert dat degenen die zo'n claim maken zelf geen Nederlanders kunnen zijn. Waar bij racistisch nativisme de bescherming van de nationale cultuur de belangrijkste zorg is, wordt de groep die verantwoordelijk wordt gehouden voor de dreiging geracialiseerd door verwijzingen naar geografische oorsprong en racialisering van de inhoud van de argumenten in het debat. 

Om te begrijpen hoe raciaal nativisme functioneert in een context die zichzelf als tolerant en ‘postraciaal’ beschouwt, is het cruciaal om rekening te houden met waar en hoe het wordt uitgevoerd. De meest flagrante en vulgaire vormen van racistisch nativisme (en racisme) zijn te vinden op internet in plaats van in de dagelijkse publieke of politieke sferen.

Wat is het populistisch nativisme?

Als de elite het doelwit is van een cultureel georiënteerd nativisme, noemen we dat populistisch nativisme. Vanaf het begin van de jaren negentig is de rol van de elites op verschillende manieren opgevat en bekritiseerd in het discours van populistisch nativisme. Geleidelijk hebben politici van het centrum en uiterst rechts met succes 'elites', 'links' en 'multiculturalisme' door elkaar gehaald en beweerd dat elites niet echt 'inheems' zijn omdat ze niet alleen zelf cultureel vervreemd zijn, maar ook de belangen van migranten steunen (multiculturalisme). Een van de belangrijkste aspecten van deze vermeende multiculturalistische houding van elites is hun gebrek aan waardering voor de nationale cultuur en de afnemende aanwezigheid van Nederlands in de publieke sfeer en overheidsinstellingen. 

Gendergelijkheid functioneert zich in het populistisch nativisme op twee nogal tegenstrijdige manieren: aan de ene kant wordt het gezien als de bepalende essentie van het Nederlanderschap dat moet worden gepromoot en beschermd tegen de patriarchale en mannelijke islam. Tegelijkertijd wordt juist deze essentie als een probleem beschouwd omdat het de Europese beschaving ondermijnt. 

Populistisch nativisme valt ook de pro-Europese houding van de autochtone elites en de Europese Unie in het algemeen aan. 

Waar in het populistische nativisme de elite als directe bedreiging opereert, functioneert ze in het seculiere en raciale nativisme meer als een indirecte bedreiging, doordat populistisch nativisme de andere vijanden (moslims, zwarten) in staat stelt (passief of actief) hun vernietigende kracht uit te oefenen. 

Wat kan er geconcludeerd worden over het nativisme?

Dit artikel ontleedde recente rechtse discoursen in Nederland in categorieën die we seculier, raciaal en populistisch nativisme hebben genoemd, waarbij elk van de drie op dezelfde manier een andere minderheid opbouwde: als een vijand van de natie vanwege haar zogenaamd bedreigende vreemdheid.  Het is van cruciaal belang om te benadrukken dat, hoewel we rechtse discoursen proberen te begrijpen als (vormen van) nativisme, we niet het belang verminderen van verwante concepten als islamofobie, racisme en populisme. Het is niet de vervanging van racisme, populisme of secularisme door nativisme, maar de combinatie van nativisme en alle drie vormen van uitsluiting die de debatten van onze tijd kleurt. Ten slotte is de opkomst van de nativistische logica zeker niet beperkt tot Europa.

Access: 
Public
“Us Against Them” or “All Humans Are Equal” Intergroup Attitudes and Perceived Parental Socialization of Muslim immigrant and Native Dutch Youth - Van Bergen et al. - 2016 - Artikel

“Us Against Them” or “All Humans Are Equal” Intergroup Attitudes and Perceived Parental Socialization of Muslim immigrant and Native Dutch Youth - Van Bergen et al. - 2016 - Artikel


De adolescentie is de tijd waarin jongeren persoonlijke, sociale en politieke identiteiten ontwikkelen en nieuwe sociale relaties aangaan. Vooral tijdens de late adolescentie ontwikkelt zich een houding ten opzichte van etnische of religieuze 'anderen' (leden van de buitengroep). In dit artikel richten we ons op de twee tegengestelde posities die adolescenten kunnen innemen ten opzichte van etnisch-religieuze anderen: egalitarisme en intergroepsantagonisme.

Hoe zijn de intergroeprelaties in Europa?

Er is reden om aan te nemen dat het onderwijzen van kinderen over cultuur, religie en intergroepsrelaties een steeds grotere uitdaging is geworden voor ouders in de hedendaagse West-Europese samenlevingen. Turkse en Marokkaanse immigranten en hun kinderen zijn de grootste moslimgroepen en ook de grootste immigrantengroepen in Nederland. Het sociaal-politieke klimaat van verschillende West-Europese landen, waaronder Nederland, wordt in toenemende mate gekenmerkt door polarisatie, die aanleiding heeft gegeven tot (vermeende) intergroepsconflicten die uiteindelijk kunnen ontstaan tot intergroepsantagonisme. Het sociaal-politieke klimaat van verschillende West-Europese landen, waaronder Nederland, wordt in toenemende mate gekenmerkt door polarisatie, die aanleiding heeft gegeven tot (vermeende) intergroepsconflicten die uiteindelijk kunnen ontstaan tot intergroepsantagonisme. 

Hoe vindt etnische socialisatie plaats?

Het is waarschijnlijk dat het klimaat van westerse samenlevingen de complexiteit van het opvoeden van kinderen door moslimouders vergroot, in het bijzonder met betrekking tot het onderwijzen van kinderen over cultuur, religie en intergroepsrelaties. Onderzoek in Europa en de Verenigde Staten heeft aangetoond dat de intergenerationele overdracht van waarden en attitudes de perceptie van adolescenten van intergroepsrelaties en hun gevoeligheid voor zowel antagonisme als egalitarisme beïnvloedt. Hoewel jongeren uit zowel autochtone als allochtone gezinnen antagonisme kunnen ontwikkelen, zullen de onderliggende processen waarschijnlijk verschillen tussen en binnen deze groepen en verdienen ze nader onderzoek. Literatuur suggereert dat etnische socialisatie van ouders bijzonder belangrijk is voor het ontstaan ​​van antagonisme of egalitarisme bij jongeren. Etnische socialisatie van ouders verwijst naar de processen waarmee ouders hun waarden en idealen met betrekking tot etniciteit, ras, cultuur, religie en interetnische groepsrelaties doorgeven aan hun kinderen. Er zijn vier etnische socialisatiestrategieën om kinderen voor te lichten over intergroepsrelaties:

  1. Culturele socialisatie (overdracht van cultuur)
  2. Egalitarisme (benadrukken dat alle mensen gelijk zijn)
  3. Vooringenomenheid (nadruk op discriminatie en ongelijkheid)
  4. Wantrouwen (op je hoede zijn voor anderen)

De huidige studie onderzoekt op welke manier deze vier etnische socialisatiestrategieën ten grondslag liggen aan de manifestatie van antagonisme of egalitarisme onder Nederlandse minderheids- en meerderheidsjongeren. Adolescenten zullen echter alleen de houding van hun ouders overnemen als ze de uitingen van hun ouders als zinvol ervaren. We stellen daarom dat de kwaliteit van de ouder-kindrelatie een belangrijke modererende factor is in dit proces. 

Hoe is dit onderzocht?

Dit onderzoek focust zich op de analyse van diepte-interviews met een subset van deelnemers aan een onderzoek gericht op intergroepsantagonisme onder jongeren van Turkse, Marokkaanse en Nederlandse afkomst. De enquête werd verspreid op middelbare scholen en op Marokkaanse en Turkse websites. In het onderzoek zijn geen ouders betrokken, maar de door jongeren ervaren etnische socialisatie van ouders.

Wie namen deel aan het onderzoek?

Van mogelijke respondenten van het onderzoek interviewden we de eerste 60 jongeren die met geïnformeerde schriftelijke toestemming instemden om deel te nemen en wiens profiel overeenkwam met de onderzoekscriteria. Hiervan zijn 22 jongeren geselecteerd voor het huidige onderzoek, omdat uit de analyse bleek dat ze ofwel vatbaar waren voor antagonisme ofwel sterke egalitaire opvattingen hadden. Deze vorm van participanten verzamelen wordt extreme case-sampling genoemd. 

In de analytische steekproef voor de huidige studie (N = 22) waren negen jongeren van autochtone afkomst (twee christenen), acht van Turkse afkomst (allemaal moslims) en vijf van Marokkaanse afkomst (allemaal moslims). Alle geïnterviewde minderheden behoorden tot de tweede generatie immigranten, behalve één geïnterviewde die een derde generatie immigrant was. 

Welke methode is gebruikt?

Er is gebruik gemaakt van kwalitatieve interviews, omdat we verwachtten dat deze het beste de meervoudige en dynamische realiteit van intergroepsattitudes zou onthullen vanuit de eigen opvattingen van jongeren. Met behulp van een verhalende benadering werden jongeren aangemoedigd om naast het uiten van hun opvattingen en houdingen ook verhalen over hun feitelijke ervaringen te delen en de reacties, het gedrag en de houding van hun ouders te beschrijven. Het interview concentreerde zich op vijf vooraf geïdentificeerde onderwerpen:

  1. Etnische en religieuze identificatie
  2. Opvattingen en gedrag ten opzichte van out-groups
  3. Gepercipieerde behandeling en/of stigmatisering van de in-group
  4. Ouderlijke in/out-group opvattingen
  5. Ouderlijke etnische socialisatie met betrekking tot de bovengenoemde onderwerpen

Welke analyses zijn gedaan?

Alle interviews zijn opgenomen en letterlijk getranscribeerd en gecodeerd. Met behulp van de constante vergelijkingsmethode werd gezocht naar overeenkomsten en verschillen met betrekking tot de ervaringen, attitudes en percepties van de jongeren over de (etnische) socialisatie van hun ouders in en tussen interviews. Een codeerlijst werd eerst deductief ontwikkeld (op basis van de lijst met onderwerpen) en vervolgens inductief (op basis van opkomende thema's uit de gegevens). Vanuit deze codes werden patronen geconstrueerd, gekoppeld, uitgewerkt en geïntegreerd.

Wat zijn de resultaten?

We vonden twee patronen onder de respondenten, namelijk jongeren die we categoriseerden als vatbaar voor antagonisme (n = 10) versus jongeren met een egalitaire houding (n = 12). 

Wat houdt het eerste patroon in: vatbaar voor antagonisme?

Jongeren in dit patroon vertoonden een vijandige houding ten opzichte van out-groups, wat duidelijk werd door hun uitingen van etnische of religieuze superioriteit, en de botsingen die ze waarnamen vanwege de contrasterende normen en waarden binnen de groep versus de buitengroep. 

Hoe waren de opvattingen in de meerderheidsgroep?

De meerderheid van de jongeren die tot dit patroon behoorden, ervoeren een sterke dreiging van immigranten, die volgens hen in Nederland te positief werden behandeld, en zij waren van mening dat deze behandeling de maatschappelijke positie van autochtone Nederlanders in gevaar bracht. Een terugkerende overtuiging van jongeren met dit soort verhalen was dat immigranten moesten assimileren in de Nederlandse samenleving. 

Hoe waren de opvattingen in de minderheidsgroep?

In dezelfde geest als de meerderheidsjongeren in dit patroon, ervoeren minderheidsjongeren hun cultuur en religieuze waarden als verschillend van en beter dan die van autochtonen. Voor veel minderheidsjongeren had stigmatisering als minderheid en/of moslim hen ernstig van streek gemaakt en leek hun gevoel van superioriteit te hebben versterkt. 

Wat waren de percepties van de ouders van de jongeren in Patroon 1?

Hoe waren de opvattingen in de meerderheidsgroep?

In de meeste (vier van de vijf) meerderheidsgevallen gaven jongeren aan dat hun ouders ook een negatieve kijk hadden op out-groups waarin sociale klasse, onrechtvaardigheid en wantrouwen werden waargenomen, evenals 'Nederlandse' of christelijke waarden en assimilatie-attitudes een rol spelen.  In gezinnen in het onderzoek die tot de lagere sociaal-economische lagen behoorden, werden collectieve deprivatie en een afkeer van vriendjespolitiek jegens minderheden gevoeld. Een aantal jongeren in dit patroon (ongeacht hun sociale klasse) meldden dat hun ouders beweerden dat “correct en fatsoenlijk gedrag” in contrast stond met wat ze onder moslims zagen, en hiermee leken ouders een voorbeeld te zijn voor hun kinderen. In één geval leek een jongere echter veel negatiever dan zijn ouders. Jongeren in dit patroon noemden ook invloeden buiten de gezinscontext met betrekking tot hun opvattingen over immigranten.

Hoe waren de opvattingen in de minderheidsgroep?

De overeenkomst in antagonisme tussen kinderen en ouders was minder aanwezig in minderheidsgevallen dan in meerderheidsgevallen in Nederland.  In twee gevallen vonden we geen enkele overeenkomst van antagonisme bij minderheidsjongeren en hun ouders. 

Wat houdt het tweede patroon in: egalitaire houding?

De reacties en opvattingen van jongeren met een pro-diversiteitsattitude en egalitaire opvattingen bestonden uit kleurenblindheid (d.w.z. etniciteit als onbelangrijk beschouwen) of pro-diversiteit. Jongeren in dit patroon ervoeren geen antagonisme tussen groepen, noch voelden ze zich superieur aan anderen op basis van hun etniciteit of religie, aangezien ze expliciet positieve ideeën hadden over out-groups en geweld ter verdediging van de in-group niet goedkeurden. 

Hoe waren de opvattingen in de meerderheidsgroep?

De meerderheid van de jongeren met dit soort verhalen toonden een grote interesse in andere culturen en religies dan de hunne, en voerden aan dat een multiculturele en multireligieuze samenleving veel te bieden heeft. Veel jongeren met dit patroon concentreerden zich op de overeenkomsten tussen henzelf en groepsgenoten. Anders dan de autochtone jongeren in Patroon 1, spraken deze jongeren niet over hun eigen waarden als gekoppeld aan de Nederlandse cultuur. Ze brachten het onderwerp spanningen tussen groepen helemaal niet ter sprake. 

Hoe waren de opvattingen in de minderheidsgroep?

De verhalen van minderheidsjongeren in dit patroon waren vergelijkbaar met die van autochtone jongeren: velen van hen geloofden dat culturele diversiteit waardevol of een feit was. Nog krachtiger dan de meerderheidsjongeren, voerden de minderheidsjongeren aan dat niemand zou moeten worden beoordeeld op basis van hun etniciteit, huidskleur of geloof. Met betrekking tot hun religie (islam) merkten deze jongeren overeenkomsten op met het christendom in plaats van conflicten. Minderheidsjongeren legden niet veel nadruk op hun etnisch-culturele achtergrond, terwijl jongeren in Patroon 1 hun etnisch-culturele achtergrond afschilderden als kritisch en bovendien als basis voor superioriteit. Bovendien bleken deze jongeren, in tegenstelling tot minderheidsjongeren in Patroon 1, bereid en in staat om culturele verschillen te integreren of te overbruggen. Bovendien vonden deze jongeren stigmatisering niet sterk aanwezig in de samenleving.

Wat waren de percepties van de ouders van de jongeren in Patroon 2?

Hoe waren de opvattingen in de meerderheidsgroep?

In drie van de vier gevallen meldden jongeren dat hun ouders dezelfde positieve opvattingen over diversiteit hadden als zij. Het leek erop dat voor deze jongeren hun ouders een sociaal model waren voor een pro-diversiteit houding. Dus, anders dan de autochtone jongeren in Patroon 1, zeiden de meeste jongeren in dit patroon dat hun ouders egalitarisme uitdrukten, en dat hun ouders een reden gaven achter hun egalitaire houding tegenover hun kinderen. In één geval week de visie van een egalitaire jongere af van die van een van zijn ouders.

Hoe waren de opvattingen in de minderheidsgroep?

In zes van de acht gevallen gaven minderheidsjongeren aan dat hun ouders ook egalitaire idealen hadden. Net als autochtonen in dit patroon, beschreven minderheidsjongeren hun ouders als een multiculturele vriendenkring en open voor andere culturen. Sommige minderheidsjongeren verklaarden dat hun ouders het belang van respect voor verschillende etniciteiten hadden benadrukt. Minderheidsjongeren die tot dit patroon behoren, vertelden meer steun van het gezin dan jongeren in patroon 1. Bovendien hadden deze jongeren ouderbegeleiding gekregen bij het omgaan met stigmatisering, terwijl jongeren in patroon 1 dat niet hadden. In twee gevallen week de pro-diversiteitsopvattingen van minderheidsjongeren af ​​van de opvattingen van hun ouder(s).

Wat zijn discussiepunten in dit onderzoek?

Door 22 kwalitatieve interviews met moslim- en autochtone jongeren in Nederland te onderzoeken, werpen we licht op een opkomend sociaal fenomeen in West-Europa, dat wil zeggen, gespannen intergroepsattitudes onder jongeren in de trant van religie en etniciteit. De studie analyseerde antagonisme en zijn tegendeel, egalitarisme, bij jongeren van Turkse, Marokkaanse en autochtone afkomst en had tot doel de rol van waargenomen etnische socialisatie van ouders in de ontwikkeling van deze attitudes kwalitatief vast te leggen. 

Onder autochtone jongeren in dit onderzoek die een vijandige houding hadden ten opzichte van out-group(s), gevoed door vermeende superioriteit, culturele botsingen, negativiteit en wantrouwen, werd een grote overeenkomst met hun ouders aangetoond. Van de vijf minderheidsgevallen van antagonisme was er één matige tot sterke match en één sterke match. De andere vier minderheidsjongeren vermeldden dat hun ouders enigszins ambivalent, onverschillig of gematigd positief waren ten opzichte van out-group(s), of het niet met elkaar eens waren. Opvallend is dat volgens deze jongeren hun ouders niet altijd de worsteling van hun kinderen met etnisch-religieuze conflicten en/of slachtofferschap herkenden.

Bijna alle minderheids- en meerderheidsjongeren in het tegenovergestelde patroon 2, met een positieve (egalitaire of pro-diversiteit) houding ten opzichte van out-groups, rapporteerden vergelijkbare positieve houdingen bij hun ouders. In zowel Patronen 1 als 2 vonden we één geval waarin jongeren uit de meerderheid rapporteerden dat hun ouders minder consistente input en les gaven, omdat de houding van de vader en de moeder afweken. In deze gevallen uitten jongeren vaak een out-group-attitude die vergelijkbaar was met die van de ouder met wie ze aangaven een betere relatie te hebben. De kwaliteit van de ouder-kindrelatie, vanuit het perspectief van de jeugd, was dus een belangrijke moderator van de intergenerationele overdracht van opvattingen van buiten de groep via sociaal leren van ouders thuis. 

Al met al impliceren de resultaten de relevantie van de sociale leertheorie om antagonistische versus egalitaire opvattingen bij jongeren te begrijpen. Daarnaast vonden we aanwijzingen dat het gezin niet de enige plek is voor sociaal leren. Jongeren van etnische groepen en etnische minderheden, of ze nu egalitair of vijandig zijn, zeiden dat ze (vergelijkbare) ervaringen en emoties ten opzichte van de in-group en out-group deelden met hun zelfde-etnische leeftijdsgenoten. Opmerkelijk is ook dat in de weinige gevallen waarin ouders van minderheidsjongeren een middelbaar tot hoog opleidingsniveau hadden genoten, de meeste minderheidsjongeren (drie van de vier) sterke egalitaire opvattingen rapporteerden. Het is daarom aannemelijk dat als we meer allochtone jongeren met hoger opgeleide ouders hadden opgenomen, we mogelijk meer ouder-kind-overeenkomst hadden gevonden in de minderheidsgroep.

Wat zijn de limitaties in dit onderzoek?

We hebben de opvattingen van jongeren over socialisatie van ouders geaccentueerd, terwijl het ook waardevol zou zijn om ook de eigen opvattingen van ouders over etnische socialisatie te integreren. Dit zou ook meer licht werpen op bidirectionele transmissieprocessen. Vervolgens hadden autochtonen in het onderzoek een wat hogere sociale klasse-achtergrond. Een toekomstig onderzoek zou dit aspect beter moeten controleren. Bovendien werd dit onderzoek uitgevoerd door op een bepaald moment interviews te houden, terwijl het een aanwinst zou zijn om de verhalen van jongeren over intergroepsantagonisme of egalitarisme in de loop van de tijd te volgen. Daarnaast zou in toekomstig onderzoek een opzet kunnen worden gehanteerd waarin mogelijke effecten van de etniciteit van de interviewer worden meegewogen. 

 

 

Access: 
Public
Development of anti-immigrant attitudes in adolescence: The role of parents, peers, intergroup friendships, and empathy - Miklikowska - 2017 - Artikel

Development of anti-immigrant attitudes in adolescence: The role of parents, peers, intergroup friendships, and empathy - Miklikowska - 2017 - Artikel


Hoewel immigratie een dagelijkse praktijk is, is de houding ten opzichte van immigranten niet altijd positief. Sociaalpsychologische theorieën hebben de rol benadrukt van socialisatiemiddelen, zoals ouders, leeftijdsgenoten en vriendschappen tussen groepen, in de ontwikkeling van vooroordelen bij kinderen en adolescenten. Het doel van dit onderzoek was om op een aantal manieren iets aan het bestaande onderzoek toe te voegen. Ten eerste door longitudinale effecten in de pratijk te onderzoeken. Ten tweede werd er onderzoek gedaan naar de effecten van sociaaleconomische achtergrond. Ten derde werd onderzocht of empathie bij jongeren zou helpen om de effecten van ouders en leeftijdsgenoten te verklaren. Ten slotte richtte dit onderzoek zich op de adolescentie.

Hoe ontwikkelen anti-immigranten attitudes?

Hoewel intergroepsattitudes zich ontwikkelen als gevolg van de interactie tussen genetische, omgevings- en situationele factoren, hebben sociaalpsychologische theorieën de rol van sociale contexten benadrukt, waaronder ouders, leeftijdsgenoten en vriendschappen. De effecten van ouders en leeftijdsgenoten zijn verklaard in termen van sociaal leren en de overdracht van attitudes. De sociale leertheorie stelt dat kinderen en adolescenten attitudes leren door observatie en imitatie van ouders en leeftijdsgenoten om hun acceptatie te krijgen. Het is aangetoond dat de sterkte van intergenerationele overdracht wordt gemodereerd door de kwaliteit van de relatie, dat wil zeggen: hoe beter de relatie, hoe sterker de ouderlijke invloed. Er is nog geen eenduidig bewijs over de invloed van leeftijdsgenoten. De invloed van vriendschappen is verklaard in het licht van de intergroepscontacttheorie. Positief contact en vriendschappen met de leden van de outgroup leiden tot meer empathie, vermindering van angst en uiteindelijk tot vermindering van negatieve intergroepsattitudes. 

Ondanks het feit dat socialisatie een longitudinaal proces is, is er weinig bekend over de langetermijneffecten van ouders, leeftijdsgenoten en intergroepsvriendschappen op de vooroordelen van kinderen en adolescenten. Er is gesuggereerd dat de invloed van ouders in de midden- en late adolescentie zou kunnen afnemen in vergelijking met eerdere perioden, aangezien adolescenten meer tijd doorbrengen met hun leeftijdsgenoten.Longitudinaal onderzoek in niet-experimentele settings is dus nodig om vragen te beantwoorden over het langetermijnpotentieel van ouders, leeftijdsgenoten en de effecten van vriendschappen tussen groepen. Daarnaast is het gelijktijdig bestuderen van invloedrijke contexten erg belangrijk, ook als we kijken naar de mogelijke wisselwerking daartussen. Voor nauwkeurigere schattingen van socialisatie-effecten zijn studies met controlevariabelen, grotere steekproeven en strengere maatregelen nodig. Voor een vollediger beeld van de ontwikkeling van vooroordelen moeten we adolescenten bestuderen, aangezien eerdere onderzoeken zich alleen op kinderen richtten. 

Hoe ontwikkelt empathie zich?

Er is een groeiende consensus dat empathie bestaat uit affectieve en cognitieve componenten. De affectieve component, aangeduid als empathische bezorgdheid, vertegenwoordigt een bezorgdheid voor anderen die vaak resulteert in motivatie om hun nood te verlichten. De cognitieve component, ook wel perspectief nemen genoemd, heeft betrekking op het begrijpen van de interne toestanden van anderen die al dan niet resulteren in een affectieve reactie op anderen. Empathie vormt de kern van sociaal-cognitieve ontwikkeling: het maakt sociaal begip en het omgaan met anderen mogelijk.

Empathie vormt ook een basis van prosociale oriëntatie. Onderzoek toont aan dat het stimuleren van empathie vooroordelen verminderen. Deze bevindingen zijn verklaard door het feit dat empathie percepties van gelijkenis tussen zelf en outgroups mogelijk maakt, de waardering van het welzijn van anderen verhoogt en sensibiliseert voor de negatieve ervaringen van anderen. Empathie ontwikkelt zich door observatie van anderen die gevoeligheid aanmoedigen, rollen aanmoedigen en de aandacht vestigen op de achtergestelde situatie van een ander. Samenvattend suggereert de literatuur dat empathie zou kunnen helpen bij het verklaren van de voorwaarden en mechanismen die ten grondslag liggen aan socialisatie van vooroordelen.

Wat is het doel van het huidige onderzoek?

De belangrijkste doelen van dit onderzoek waren het onderzoeken van de relatieve effecten van drie socialisatiecontexten, namelijk ouders, leeftijdsgenoten en intergroepsvriendschappen, op de ontwikkeling van de anti-immigrantenattitudes van adolescenten en het onderzoeken van mogelijke mediatoren en moderators van deze effecten.

Wat zijn de verwachte uitkomsten?

Er werd verwacht dat ouders, leeftijdsgenoten en vriendschappen tussen groepen veranderingen in de houding van jongeren zouden voorspellen, waarbij ouders de meeste invloed zouden hebben. Er werd ook verwacht dat vriendschappen tussen groepen de effecten van de houding van ouders en leeftijdsgenoten zouden matigen. Bovendien werd verondersteld dat empathie de effecten van ouders, leeftijdsgenoten en intergroepsvriendschappen zou bemiddelen of matigen.

Hoe is dit onderzocht?

De steekproef bestaat uit adolescenten uit Zweden die zijn verzameld door verschillende scholen te benaderen. De data bestaat uit drie beoordelingen met elk twee jaar er tussen (in 2010, 2012 en 2014). De participanten met een immigratie achtergrond en waarvan de ouders niks hebben ingevuld werden verwijderd uit het onderzoek. Er waren geen significante verschillen tussen de participanten die hebben gereageerd op T1 en T2 en participanten die alleen hebben gereageerd op T1. 

Welke metingen zijn uitgevoerd?

Anti-immigrant attitudes zijn gemeten door drie items, die de ouders en adolescenten onafhankelijk moesten beoordelen op een 4-punts Likertschaal. Adolescenten werden gevraagd om maximaal acht beste vrienden te noemen. Intergroep vriendschappen verwijzen naar een nominatie van een leeftijdsgenoot die eerste of tweede generatie immigrant is. Empathie werd gemeten met een subschaal van de Interpersonal Reactivity Inventory die bestond uit zes items die geschoord moesten worden op een 5-punts Likertschaal. Sociaaleconomische achtergrond werd gemeten door het inkomen van het huishouden en het educatieniveau van de ouders op te vragen. 

De correlaties tussen de variabelen tonen aan dat de anti-immigrant attitudes van ouders en leeftijdsgenoten gerelateerd zijn aan die van de adoelscenten. Daarnaast zijn intergroep vriendschappen negatief gerelateerd aan attitudes. Empathie is negatief geassocieerd met vooroordelen.

Welke analyses zijn uitgevoerd?

Een model werd gemaakt om te esten of ouders, leeftijdsgenoten en intergroepsvriendschappen veranderingen in de anti-immigrantenattitudes van adolescenten zouden voorspellen en of empathische bezorgdheid of het innemen van perspectieven de effecten van ouders, leeftijdsgenoten en intergroepsvriendschappen zouden bemiddelen. 

Om te testen of vriendschappen tussen groepen de directe of indirecte effecten van de houding van ouders en leeftijdsgenoten zouden matigen, werden meerdere groepsanalyses uitgevoerd met vriendschappen tussen groepen als groepsvariabele. 

Om te onderzoeken of empathische bezorgdheid of het nemen van perspectieven de effecten van ouders, leeftijdsgenoten of intergroepsvriendschappen op de vooroordelen van adolescenten zou matigen, werd een basismodel voor moderatie geschat. Dit basismodel werd vervolgens vergeleken met zes alternatieve modellen, waarbij het pad van een van de interactietermen naar de attitudes van adolescenten onbeperkt was.

Wat zijn de resultaten?

Om te onderzoeken of ouders, leeftijdsgenoten en intergroepsvriendschappen veranderingen in de anti-immigrantenattitudes van adolescenten zouden voorspellen en of empathische bezorgdheid of het nemen van perspectieven deze effecten zou bemiddelen, werd geschat, waarbij de directe en indirecte effecten van ouders, leeftijdsgenoten en intergroepsvriendschappen werden gespecificeerd. Dit model liet een goede pasvorm zien. De test van indirecte effecten onthulde dat de houding van ouders en leeftijdsgenoten, evenals vriendschappen tussen groepen, de empathische bezorgdheid van adolescenten voorspelden, die op hun beurt een verandering in de houding van jongeren tegen immigranten voorspelden.

Het model toonde aan dat de matiging van de directe effecten van ouders en leeftijdsgenoten beperkt was tot T2: de vooroordelen van ouders en leeftijdsgenoten voorspelden T1-T2-verandering in de houding van adolescenten voor jongeren zonder immigrantenvrienden, terwijl dit niet het geval was voor adolescenten met immigrantenvrienden. Het model toonde ook de matiging van indirecte effecten van ouders en leeftijdsgenoten: de houding van ouders en leeftijdsgenoten voorspelde empathische bezorgdheid voor adolescenten zonder immigrantenvrienden, terwijl dit niet het geval was voor adolescenten met immigrantenvrienden

Het onbeperkte model voor de interactieterm tussen attitudes van ouders en empathische bezorgdheid was niet significant beter dan het beperkte model, en evenmin was het onbeperkte model voor de interactieterm tussen de attitudes van ouders en perspectief nemen. Empathie matigde dus de ouderlijke effecten niet.

Wat zijn discussiepunten bij dit onderzoek?

Deze studie onderzocht de longitudinale effecten van drie socialisatiecontexten, namelijk ouders, leeftijdsgenoten en intergroepsvriendschappen, op relatieve veranderingen in de houding van adolescenten ten opzichte van immigranten in de vroege en middenadolescentie. De resultaten toonden aan dat ouders, leeftijdsgenoten en intergroepsvriendschappen veranderingen in de houding van adolescenten voorspelden: jongeren met meer bevooroordeelde ouders en leeftijdsgenoten en zonder intergroepsvrienden namen toe in vooroordelen. Terwijl ouders veranderingen in de houding van jongeren voorspelden in zowel de vroege als de middenadolescentie, waren de effecten van leeftijdsgenoten en intergroepsvriendschappen beperkt tot de vroege adolescentie. Bovendien lieten de resultaten zien dat adolescenten met allochtone vrienden minder werden beïnvloed door de houding van ouders en leeftijdsgenoten dan jongeren zonder allochtone vrienden. Ten slotte werden de effecten van ouders, leeftijdsgenoten en intergroepsvriendschappen gedeeltelijk gemedieerd door de empathische bezorgdheid van adolescenten. De resultaten laten zien dat ouders, leeftijdsgenoten en intergroepsvriendschappen veranderingen in de anti-immigrantenhouding van adolescenten voorspelden. Deze studie draagt ​​ook bij aan het bestaande correlationele en experimentele onderzoek naar vooroordelen en vriendschappen tussen leeftijdsgenoten door aan te tonen dat hun longitudinale effecten op korte termijn vergelijkbaar zijn met de kleine tot matige effecten uit eerdere studies. Tegelijkertijd laten de resultaten zien dat er geen langetermijneffecten zijn van leeftijdsgenoten en intergroepsvriendschappen. Het langere tijdsinterval in deze studie zou het gebrek aan langetermijneffecten kunnen verklaren: vriendschappen zouden beëindigd kunnen zijn of minder invloed hebben op latere leeftijd. 

Naast de effecten van ouders, leeftijdsgenoten en intergroepsvriendschappen, vestigt deze studie de aandacht op de effecten van een vaak weggelaten socialisatiecontext, sociaaleconomische achtergrond. Zowel de opleiding van de ouders als het inkomen voorspelden veranderingen in de houding van adolescenten tegen immigranten. Deze effecten zijn verklaard met verschillen in dreigingsperceptie en overtuigingen. Er is gesuggereerd dat individuen met een lage economische status bang zijn voor de economische effecten van concurrentie op de arbeidsmarkt die, in het geval van een verhoogde immigratie, vooral arbeiders zouden kunnen treffen

De resultaten laten ook zien dat de empathische bezorgdheid van adolescenten de effecten van ouders, leeftijdsgenoten en intergroepsvriendschappen medieerde. Interessant is dat het mediërende effect niet werd gevonden in het geval van perspectief nemen. Het is mogelijk dat affectieve processen betere mediatoren zijn van socialisatie-effecten dan cognitieve factoren.

De resultaten laten ook zien dat vriendschappen tussen groepen de effecten van ouders en leeftijdsgenoten modereerden. De vooroordelen van ouders en leeftijdsgenoten voorspelden veranderingen in de houding van adolescenten voor jongeren zonder immigrantenvrienden, maar niet voor adolescenten met immigrantenvrienden. Het feit dat vriendschappen tussen groepen onafhankelijk zijn van ouderlijke vooroordelen, terwijl ze een buffer vormen tegen de effecten ervan, stimuleert het gebruik van intergroepscontact in programma's die gericht zijn op jongeren met bevooroordeelde ouders.

Limitaties van dit onderzoek zijn onder andere het onderzoek op interindividueel niveau. Bovendien werden de attitudes van ouders en leeftijdsgenoten evenals intergroepsvriendschappen slechts één keer gemeten. Gezien de gedeeltelijk genetische oorsprong van empathie, zou het ook vruchtbaar zijn om de rol van intergenerationele gelijkenis in empathie bij de socialisatie van intergroepsattitudes door ouders te onderzoeken.

Wat kan er geconcludeerd worden?

Deze studie toont de effecten van ouders, leeftijdsgenoten en intergroepsvriendschappen op veranderingen in de anti-immigrantenattitudes van adolescenten. Het benadrukt de directe, langetermijneffecten van ouders en de bemiddelende rol van empathische bezorgdheid van jongeren. Het laat ook zien dat vriendschappen tussen groepen een beschermende factor kunnen zijn tegen vooroordelen van ouders en leeftijdsgenoten. Deze studie suggereert dat anti-vooroordelen-programma's mogelijk nauwer samenwerken met intergroepsvriendschappen, ouderlijke attitudes en empathische bezorgdheid van jongeren. Gezien het feit dat adolescenten met bevooroordeelde ouders en leeftijdsgenoten een laag empathisch niveau kunnen behouden, zou een combinatie van individuele programma's met sociale interventies gericht op intergroepsvriendschappen en berichten over immigranten die thuis worden uitgewisseld, het meest effectief kunnen zijn. Deze studie toont ook de effecten van sociaaleconomische achtergrond op de ontwikkeling van vooroordelen, wat suggereert dat het verminderen van anti-immigrantenattitudes educatieve en economische veranderingen in een samenleving nodig zou kunnen hebben. Ten slotte suggereert dit onderzoek dat het model voor de overdracht van attitudes processen moet bevatten die dit kunnen verklaren.

Access: 
Public
When and why does extended contact work? The role of high-quality direct contact and group norms in the development of positive ethnic intergroup attitudes amongst children - Cameron et al. - 2011 - Artikel

When and why does extended contact work? The role of high-quality direct contact and group norms in the development of positive ethnic intergroup attitudes amongst children - Cameron et al. - 2011 - Artikel


De uitgebreide intergroepscontacthypothese is gebaseerd op het idee dat alleen al het zich bewust zijn van intergroepsvriendschappen tussen een lid van de eigen groep en een andere groep ook de intergroepsattitudes kan verbeteren. Hoewel we weten dat langdurig contact een positieve houding bij kinderen kan bevorderen, is er weinig bekend over de omstandigheden die effectief langdurig contact bij kinderen vergemakkelijken en welke factoren hieraan ten grondslag liggen. Het huidige onderzoek zal onderzoeken wanneer en waarom uitgebreid contact een positieve houding ten opzichte van een etnische minderheidsgroep bevordert bij kinderen met een etnische meerderheid. 

Hoe is het contact tussen kinderen?

Eerder onderzoek met volwassenen suggereert dat direct contact doorgaans een sterkere significante relatie heeft met positieve out-group attitudes dan uitgebreid contact. Dit onderzoek suggereert dat direct contact effectiever is in het veranderen van de etnische houding van kinderen dan langdurig contact. Desalniettemin heeft geen enkele studie bij kinderen getest of geïnduceerd langdurig contact effectief is, ongeacht het niveau van direct contact van kinderen. Men denkt dat de effecten van direct contact van hoge kwaliteit die van indirect contact overtreffen, wat betekent dat de additieve effecten van langdurig contact op intergroepsattitudes naast de effecten van direct contact van hoge kwaliteit, beperkt zijn. Daarom verwachten we in de huidige studie dat een uitgebreide contactinterventie significant effectiever zal zijn bij kinderen die minder direct contact hebben gehad.

Wat is de kwaliteit van direct contact?

De studie die in dit artikel wordt beschreven, zal de modererende effecten van twee soorten direct contact onderzoeken: direct contact van hoge kwaliteit (met betrekking tot vriendschappen tussen groepen) en direct contact van lage kwaliteit (kennissen in plaats van vriendschappen tussen groepen). Groepsoverschrijdende vriendschappen van hoge kwaliteit hebben waarschijnlijk een sterk effect op het bevorderen van positieve intergroepsattitudes bij kinderen, omdat ze betekenisvolle interacties, samenwerking en zelfonthulling inhouden. Aan de andere kant impliceert direct intergroepscontact van lage kwaliteit via kennissen in de buurt of schoolomgeving niet noodzakelijk betekenisvolle en positieve interacties, en in tegenstelling tot contact van hoge kwaliteit, zou dit niet significant moeten leiden tot positieve intergroepsattitudes.

We voorspellen dat langdurig contact minder effectief zal zijn bij kinderen die meer direct contact van hoge kwaliteit rapporteren, aangezien hun intergroepsattitudes al positiever zouden moeten zijn ten opzichte van de out-group vanwege eerdere interetnische vriendschappen. Terwijl we verwachten dat kinderen die minder direct contact van hoge kwaliteit rapporteren, baat zouden hebben bij uitgebreide contactinterventies, aangezien ze momenteel niet de voordelen ervaren van direct contact van hoge kwaliteit via groepsoverschrijdende vriendschap.

Hoe werkt uitgebreid contact?

Binnen de sociale psychologie is er veel discussie geweest over de effectiviteit van intergroepscontact, afhankelijk van de opvallendheid van groepscategorieën. Twee benaderingen van dit probleem zijn:

  1. Gemeenschappelijke in-groupsidentiteit, deze theorie stelt dat contact tussen groepen een maximaal effect zal hebben op attitudes wanneer subgroepcategorieën (bijv. zwart en wit) tijdens het contact minder benadrukt worden, en een gemeenschappelijke, gedeelde categorie (bijv. beide Britse) meer benadrukt wordt. 
  2. Dubbele identiteit, deze theorie stelt dat de kans groter is dat contact de algemene houding ten opzichte van alle leden van de out-groep verbetert wanneer een gemeenschappelijke, gedeelde categorie wordt benadrukt tijdens contact, en subgroepscategorieën ook worden benadrukt. 

Wat is de invloed van school heterogeniteit?

De opvallendheid van de etnische subcategorieën van kinderen moet afhangen van de ethische heterogeniteit van hun schoolomgeving. Het lijkt redelijk om te verwachten dat hoe meer kinderen worden blootgesteld aan etnische diversiteit, hoe meer ze zich bewust worden van het lidmaatschap van hun eigen etnische subgroep. 

Welke factoren hebben invloed op het velengde contact effect?

Deze studie zal ook onderzoeken waarom uitgebreid contact effectief zou kunnen zijn in het bevorderen van een positieve interetnische houding bij kinderen met een meerderheidsstatus. Onderzoek onder volwassenen en adolescenten heeft positieve in-group-normen over de out-group of meer positieve out-group-normen over de in-group geïdentificeerd als onderliggende mechanismen voor het verlengde contacteffect. We verwachten dat elk verlengd contacteffect zal worden gemedieerd door waargenomen normen binnen en buiten de groep met betrekking tot positiviteit ten opzichte van intergroepsvriendschappen.

Welke methode is gebruikt?

Honderd drieënvijftig blanke Britse kinderen van negen basisscholen werden getest. Twee soorten uitgebreide contactinterventie werden vergeleken met een controleconditie: dubbele identiteit uitgebreide contactinterventieconditie, algemene in-groep identiteit uitgebreide contactinterventieconditie en geen interventie- of controleconditie.

Het onderzoek maakte gebruik van een 3 (Conditie: Gemeenschappelijke identiteit binnen de groep, Dubbele identiteit en Controle) x 2 (Leeftijd: ouder en jonger) x 2 (Direct contact: hoger en lager) tussen deelnemers. De afhankelijke variabelen waren bedoeld vriendschapsgedrag tussen groepen en waargenomen normen voor outgroup en ingroup peers voor interetnische vriendschappen.

Hoe verliep het onderzoek?

Aanvankelijk werden in alle omstandigheden kinderen geïntroduceerd in de out-groep. Kinderen kregen foto's te zien van de kinderen uit de out-group (Indiaas-Engelse kinderen) met een uitleg. De interventie bestond uit het lezen van verhalen die vriendschappen uitbeeldden tussen Britse kinderen met een status van etnische meerderheid (blanke) en minderheid (Indiase). In sommige verhalen was het lidmaatschap van de personages in de bovenliggende (school)categorie opvallend (gemeenschappelijke in-groupsidentiteit) en in sommige verhalen was de boven- en subgroepidentiteit van de protagonisten (“wit-Engels” en “Indiaas –English”) opvallend gemaakt (dubbele identiteit). Er was ook een controlegroep van kinderen die geen verhalen te horen kregen. Kinderen onder alle condities hebben ongeveer 1 week na de laatste interventiesessie individuele interviews afgenomen met een onderzoeker die de interventie niet toedient.

Welke metingen zijn gedaan?

Direct intergroepcontact werd onderscheiden in hoge kwaliteit en lage kwaliteit. Dit werd gemeten door verschillende foto's te laten zien van verschillende in- en out-group proporties, waarvan kinderen moesten aanwijzen welke verdeling het best hun eigen omgeving op school en in de buurt representeert. Daarnaast werden dezelfde soort foto's laten zien, maar dan met de vraag welke het beste hun vrienden representeert. 

Beoogd vriendschapsgedrag had betrekking op in hoeverre kinderen bij een toekomstige gelegenheid vriendschapsgedrag zouden willen vertonen met een kind uit de groep. Hierbij kregen de kinderen een verhaal te horen waarbij ze verschillende stellingen moesten beoordelen op een 5-punts Likert schaal, zoals 'zou je met hem willen spelen?'.

Waargenomen in- en out-groups-normen voor intergroepsvriendschappen werden gemeten door tekeningen van in- en out-group kinderen te laten zien, waarna vier stellingen over vriendschap voorgelegd werden waarop de kinderen moesten antwoorden hoeveel kinderen van de tekeningen het eens zouden zijn met deze stelling. 

Wat zijn de resultaten?

Kinderen met meer direct contact van hoge kwaliteit vertoonden significant meer positief voorgenomen gedrag dan kinderen met een lager niveau van direct contact van hoge kwaliteit. Daarnaast laten de bevindingen zien dat de uitgebreide contactinterventies het meest effectief waren in het bevorderen van positiever voorgenomen vriendschapsgedrag jegens de out-groep wanneer kinderen een lager dan gemiddeld of hoger niveau van direct contact van hoge kwaliteit hadden. Ook laten de resultaten zien dat de uitgebreide contactinterventies beter waren in het produceren van meer positief bedoeld vriendschapsgedrag bij jongere dan bij oudere kinderen.

Vervolgens testten we de onvoorwaardelijke bemiddelingshypothese dat het effect van langdurig contact op het beoogde vriendschapsgedrag van kinderen werd gemedieerd door hun waargenomen out-group-normen over interetnische vriendschap. Meervoudige regressieanalyse liet, zoals verwacht, zien dat interventiecontrole een significant effect had op het beoogde vriendschapsgedrag van kinderen, wat werd teruggebracht tot niet-significantie toen de waargenomen norm voor vriendschap buiten de groep werd opgenomen in het model. Daarnaast is gevonden dat uitgebreide contactinterventies resulteerden in positiever beoogd vriendschapsgedrag door de kinderen te laten denken dat de out-group positiever zou zijn over cross-etnische vriendschappen. Vervolgens hebben we onderzocht of er sprake was van gemodereerde bemiddeling (d.w.z. voorwaardelijke bemiddeling), namelijk dat de hierboven beschreven bemiddelingsrelaties afhankelijk waren van het niveau van hoogwaardig direct contact van de kinderen. De bevindingen tonen aan dat het significante indirecte effect van interventiecontrole op voorgenomen gedrag via waargenomen out-group-normen niet afhankelijk was van het niveau van direct contact van hoge kwaliteit van de kinderen.

Vervolgens testten we de onvoorwaardelijke bemiddelingshypothese dat het effect van langdurig contact op het beoogde vriendschapsgedrag van kinderen werd gemedieerd door hun waargenomen in-groepsnormen over interetnische vriendschap. Regressieanalyse vond geen significante relatie tussen interventiecontrole en de waargenomen in-groepsnormen van kinderen over etnische vriendschap en daarom werd de onvoorwaardelijke bemiddelingshypothese niet bevestigd.

Wat zijn discussiepunten bij dit onderzoek?

Ten eerste suggereren onze bevindingen, zoals voorspeld, dat uitgebreid contact het meest effectief is wanneer kinderen minder direct contact van hoge kwaliteit hebben. We ontdekten ook dat direct contact van lage kwaliteit het verlengde contacteffect niet matigde. Deze bevindingen suggereren dat kinderen met een hoger niveau van directe intergroepsvriendschappen niet snel baat hebben bij uitgebreide contactinterventies, omdat ze hoogstwaarschijnlijk al gunstig voorgenomen vriendschapsgedrag vertonen ten opzichte van de out-group, naast het waarnemen van positieve in-group en out-group normen over interetnische vriendschappen.

Ten tweede verrijkt dit onderzoek ons ​​begrip van 'waarom' langdurig contact positieve out-group-attitudes genereert bij kinderen met een etnische meerderheid, omdat we voor het eerst quasi-experimenteel hebben aangetoond dat out-group-norm een ​​onderliggend mechanisme is voor de uitgebreide contacteffect. Dit onvoorwaardelijke bemiddelingseffect houdt in dat langdurig contact leidt tot positiever beoogd vriendschapsgedrag door de kinderen te laten denken dat de out-group positiever zou zijn over interetnische vriendschappen. Dit significante model van gemodereerde bemiddeling liet in het bijzonder zien dat alleen bij oudere kinderen de uitgebreide contactinterventie resulteerde in de perceptie van positievere normen binnen de groep, wat op zijn beurt leidde tot positiever bedoeld gedrag voor de outgroep. Een verklaring voor het feit dat we vonden dat binnengroepsnormen alleen het verlengde contacteffect bij oudere kinderen medieerden, zou kunnen zijn dat er verschillen zijn in de sterkte van ingroepsidentificatie tussen jongere en oudere kinderen. 

We ontdekten, zoals voorspeld, dat de dubbele identiteit en de gemeenschappelijke in-groep identiteitsvormen van uitgebreid contact beide effectief waren in het bevorderen van positief voor de groep bedoeld vriendschapsgedrag. Dit suggereert dat de etnische subgroepcategorie, evenals de gemeenschappelijke in-groepsidentiteit, opvallend waren, zelfs in de gemeenschappelijke identiteitsvorm van uitgebreid contact. Met andere woorden, beide versies van uitgebreid contact volgden het formaat van dubbele identiteit. Verder onderzoek is nodig voordat harde conclusies kunnen worden getrokken over de waarde van subgroepscategorie opvallendheid bij het ontwerpen van uitgebreide contactinterventies voor gebruik onder schoolkinderen. 

Over het algemeen laten onze bevindingen zien dat uitgebreide contactinterventies op scholen het meest effectief zijn bij kinderen die minder direct contact van hoge kwaliteit hebben (d.w.z. interetnische vriendschappen). Bovendien suggereert dit onderzoek dat beoefenaars bij het ontwerpen van uitgebreide contactinterventies voor kinderen zich moeten concentreren op het aanmoedigen van positieve out-group-normen met betrekking tot intergroepsvriendschappen, en ook op positieve in-group-normen, vooral bij oudere kinderen. Ten slotte denken we dat de bevindingen van dit onderzoek suggereren dat directe contactinterventies het meest effectief kunnen zijn als ze worden voorafgegaan door uitgebreide contactinterventies.

Access: 
Public
Civic Motivation and Globalization: What Is It Like to Be a Good Citizen Today? - Keller - 2017 - Artikel

Civic Motivation and Globalization: What Is It Like to Be a Good Citizen Today? - Keller - 2017 - Artikel


Goed burgerschap is een belangrijke deugd, vanuit twee gezichtspunten:

  1. Essentieel voor de gezondheid van een staat;
  2. Het is een centrale persoonlijke deugd. 

Een goede burger geeft om anderen, volgt de wet, draagt ​​bij aan het gemeenschapsleven en handhaaft de waarden van een rechtvaardige staat. Toch is de kern van wat goed burgerschap is niet zo eenvoudig te beschrijven. Goed burgerschap is een deugd die in wezen partijdigheid inhoudt. Een goede burger zijn, betekent in de eerste plaats een speciale prioriteit geven aan mensen die je niet kent. Bovendien houdt goed burgerschap een directe bekommernis met rechtvaardigheid in, waarschijnlijk in grotere mate dan andere vormen van partijdigheid. De goede burger handelt uit plichtsbesef jegens haar staat en haar medeburgers, en bekommert zich om rechtvaardigheid binnen haar staat en om elk van haar medeburgers hun morele recht te geven. Het is opnieuw een raadsel om te zeggen hoe een deugdzaam persoon een zorg kan hebben die expliciet over rechtvaardigheid gaat, maar ook beperkt is tot één staat boven anderen en tot één groep mensen boven anderen.

Als hier sprake is van een echte puzzel, dan kunnen twee bekende ethische behandelingen van burgerschap worden geïnterpreteerd als pogingen om deze op te lossen.

  1. De eerste behandeling zegt dat burgerschap in zijn meest volwassen en ethisch verdedigbare vorm niet gericht is op een bepaalde staat, maar eerder op de mensheid of de wereld als geheel: we moeten ernaar streven wereldburgers te zijn.
  2. De tweede strategie om de puzzel op te lossen is het verwerpen van de veronderstelling dat het werkelijke perspectief van rechtvaardigheid en moraliteit een onpartijdig perspectief is.

Het is tegenwoordig moeilijk vol te houden dat het ‘thuis’ van het individu even groot is als een bepaalde staat, en daarom is het moeilijk te zeggen waarom we van een burger mogen verwachten dat hij de morele wereld in wezen vanuit het perspectief van zijn eigen staat ziet. Mijn doel in dit artikel is om in meer getheoretiseerde bewoordingen de puzzel voor de deugd van burgerschap uit te leggen en vervolgens een meer veelbelovende strategie te schetsen voor het oplossen van de puzzel. Op welke overtuigingen, emoties en motivaties moeten we vandaag hopen in een burger? Ik wil twee benaderingen van deze vraag onderscheiden: de ene begint met de aard van de bloeiende staat en de andere met de aard van de bloeiende persoon. 

Hoe kunnen burgers helpen om een staat te laten opbloeien?

Een goede burger is iemand die handelt op een manier om de staat beter te maken. Als we bijvoorbeeld denken dat een bloeiende staat een ordelijke staat is, dan zullen we zeggen dat een goede burger zich aan de wetten houdt. De goede burger zal ook andere handelingen verrichten, zoals het betalen van haar belastingen, het ondersteunen van belangrijke maatschappelijke organisaties, het zorgen voor kwetsbare medeburgers en het verdedigen van de staat wanneer deze wordt bedreigd. 

Er is echter een andere dimensie aan de taak om de bloeiende staat te dienen, wanneer de bloeiende staat als democratisch wordt beschouwd. In een democratie zijn de acties van de burger niet alleen instrumenteel gerelateerd aan de bloei van de staat, maar dragen ze ook bij aan de bloei ervan. Een bloeiende staat is een legitieme staat en een democratie ontleent haar legitimiteit aan het feit dat haar burgers zichzelf besturen. Dus een burger die de bloei van haar staat dient, zal deelnemen aan de beraadslaging en de regering van de staat. Een goede burger in een democratie kan dus geen robot zijn: het volstaat niet dat de burger de handelingen verricht die bijdragen aan de bloei van de staat. De burger moet een goede gelovige en beraadslaagde zijn, tenminste op sommige domeinen.

Welke psychologische kenmerken heeft een goede burger?

Als we nadenken over wat het betekent om een ​​goed mens te zijn, kunnen we ons afvragen hoe iemand floreert binnen verschillende rollen. Als we ons afvragen wat er nodig is om iemand binnen een bepaalde rol te laten floreren, moeten we ons onder meer afvragen hoe die rol in bredere zin kan passen in een bloeiend menselijk leven. Een onderdeel van menselijke bloei is het hebben van de juiste overtuigingen en juiste waarden. 

Als we concluderen dat een goede burger valse overtuigingen of misleide emoties en motieven moet hebben, dan zullen we moeten concluderen dat goed burgerschap een offer is: een goede burger kan geen volledig bloeiend mens zijn.Dat gezegd hebbende, blijft het mogelijk dat we bij het beschrijven van het psychologische leven van de goede burger, overtuigingen, emoties en motieven kiezen voor hun instrumentele waarde, zelfs ten koste van hun correctheid. Een poging om het psychologische leven van de goede burger te beschrijven, volgens deze tweede benadering, moet een afweging maken tussen de gevolgen van bepaalde mentale toestanden en de overweging van hun juistheid. We hebben nu twee vragen:

  1. Van welke psychologische toestanden is de kans het grootst dat een persoon de handelingen verricht die het meest bijdragen aan de bloei van de staat?
  2. Wat is de aard van het mentale leven van de bloeiende persoon die (als onderdeel van haar algehele bloei) een bloeiende burger is?

Wat is patriottisme?

Als je van iemand een goede burger van haar staat wilt maken, kun je proberen een patriot van haar te maken. Een patriot houdt van haar land en is loyaal aan haar land, dus kan worden verwacht dat een patriot gemotiveerd is om te doen wat het beste is voor haar land, en dus om de bloei van haar land te bevorderen, in zijn politieke manifestatie als staat. Bij patriottisme zijn bepaalde vormen van liefde en loyaliteit betrokken. Patriottisme houdt in de eerste plaats een soort identificatie in. Als je een patriot bent, dan gebruik je je band met je land om iets te zeggen over wie je werkelijk bent. Deze vorm van identificatie met het land stelt een patriot in staat zich nauw betrokken te voelen bij het lot van haar eigen land, en dus van de staat waarvan zij staatsburger is, en om met medeburgers de gemeenschappelijke identiteitsband te delen die een groep van verschillende mensen om een ​​politieke gemeenschap te vormen. De patriot is bovendien bereid offers te brengen voor haar land. Verstrikt in de toewijding van de patriot aan het land is een visie op wat haar land is. De patriot verbindt zich niet alleen aan haar land omdat het haar eigen land is, maar ook omdat ze denkt dat het eigenschappen heeft die het haar trouw waard maken. Patriottisme is geen slaafse toewijding aan een nationaal project of staat. Patriotten kunnen het oneens zijn over wat er goed is aan hun land, over hoe hun nationale project het best wordt begrepen en over wat er nodig is om het land op zijn eigen voorwaarden te laten bloeien.

Wat is het nut van patriottisme?

Waar een goede burger wordt opgevat als een burger die de bloei van de staat dient, is er dan een duidelijke reden waarom we mogen verwachten dat patriottisme bijdraagt ​​aan goed burgerschap. Dienovereenkomstig hebben staten de taak om goede burgers te creëren, en zelfs de taak om een ​​staat te creëren, vaak opgevat als de taak om patriotten te creëren. Om iemand patriottisch te maken, moet je hem een ​​zeker begrip van zichzelf geven, bereid maken om offers te brengen voor de staat en je moet hem trots maken op zijn land. 

Het inprenten van patriottisme in dienst van goed burgerschap kan worden gebruikt om zowel lokalisme als globalisme het hoofd te bieden. Het project van het koesteren van patriottisme is hoe dan ook grotendeels het project van het koesteren van bepaalde overtuigingen, emoties en motivaties. Dat is de reden waarom patriottisch onderwijs het leren over het land en zijn geschiedenis omvat, evenals het betrekken van liederen, ceremonies en symbolen.

Is het patriottisme correct?

Als patriottisme effectief kan zijn in het bouwen van burgers die de bloei van de staat bevorderen, kan het dan ook mensen bouwen die floreren in de rol van burger? Een kosmopolitisch beeld, waar eerder in dit artikel naar werd verwezen, zegt dat patriottisme, hoe nuttig ook, geen element is van menselijke bloei. Niemand wordt een beter mens, heeft andere rechten of doet er meer toe, alleen maar omdat ze uit het ene land komt en niet uit het andere. De juiste morele identiteit, in dit verhaal, is je identiteit gewoon als mens, of als rationeel middel. 

Tegenover dat kosmopolitische beeld staat echter een andere manier van denken over morele identiteit en de aard van moraliteit, die nauw samenhangt met de verdediging van patriottisme. Dit beeld stelt dat iemands morele gevoeligheid niet kan worden gescheiden van de waarheid over waar en van wie hij zijn moraliteit heeft geleerd, en dat de krachtigste en meest aantrekkelijke vorm van morele motivatie afkomstig is van vanuit een gemeenschapsgericht perspectief. Staten zijn vaak de entiteiten die het meest verantwoordelijk zijn voor onze opvoeding, moreel en anderszins. Of u zich aan de ene of de andere kant van een staatsgrens bevindt, kan een aanzienlijk verschil maken in de manier waarop u wordt onderwezen. 

Als we accepteren dat er een verband is tussen iemands morele opvoeding en achtergrond en haar juiste morele perspectief en identiteit, dan kunnen we de patriot voorstellen als een persoon die zichzelf en de wereld correct ziet. Een consequentie is dat wanneer we mensen een patriottische opvoeding geven, we onder de juiste omstandigheden 'waar kunnen maken' dat patriottisme voor hen de juiste morele houding is.

Welke problemen kent het patriottisme?

De staat blijft de belangrijkste politieke instelling in de moderne wereld. De politieke ervaring van het individu en de omstandigheden van haar politieke leven worden grotendeels bepaald door haar staat. Het menselijk leven is beter en rechtvaardiger waar staten beter en rechtvaardiger zijn. Toch zijn er hedendaagse fenomenen die de staat in zekere zin bedreigen. Mensen verplaatsen zich gemakkelijker tussen staten en veel staten hebben grote immigrantengemeenschappen. Als gevolg hiervan zijn staten doorgaans minder etnisch en cultureel homogeen dan ze misschien ooit waren. Verder is de aandacht van mensen steeds minder gericht op hun eigen land. We zijn ons er steeds meer van bewust dat we met mondiale problemen worden geconfronteerd, zoals de klimaatverandering. Wanneer mensen zich ervan bewust zijn dat ze ervaringen en problemen delen met mensen in het buitenland, net als thuis, en wanneer mensen hun ervaring van de wereld niet in wezen beschouwen als de ervaring van een burger van een bepaalde staat, wordt het veel moeilijker om ze identificeren zich met hun land. 

Het is niet meer zo eenvoudig om staten te vertegenwoordigen als vertegenwoordigers van morele gemeenschappen. Het land is niet langer zo'n natuurlijke bron van diepe morele identiteit of morele motivatie. Als gevolg hiervan lijkt het model van patriottisch burgerschap (het meest bekende en natuurlijke model van goed staatsgericht burgerschap) de mensen niet te vangen zoals ze zijn. Staten zijn nog steeds belangrijk en hebben nog steeds toegewijde burgers nodig, maar het is niet langer logisch om te verwachten dat mensen zich diep identificeren met hun eigen land en dat ze betrokken staatsburgers zijn vanwege die identiteit. 

Welke vormen van verbintenis zijn er?

Volgens het model van patriottisch burgerschap dient de burger de staat uit gevoelens van loyaliteit. De toewijding van de patriottische burger aan het land is een primaire verbintenis, geen afgeleide verbintenis. Het is logisch om te denken dat een krachtige toewijding aan het land, van een soort dat daden van goed burgerschap kan motiveren, een loyaliteitsverbintenis aan het land ter wille van het land zelf zal zijn. Maar er zijn verbintenissen van heel verschillende aard die vaak, in andere contexten, daden opleveren die op een positieve manier bijdragen aan de bloei en het succes van een instelling. 

Over het algemeen gesproken is de structuur van een verbintenis iets anders dan de kracht ervan. Het is een vergissing om te denken dat of een verbintenis al dan niet een loyaliteitsverbintenis is, en of het een primaire of een afgeleide verbintenis is, iets garandeert over de intensiteit of betrouwbaarheid ervan. Nog meer in het algemeen gesproken, ons motiverende leven is complexer dan het op het eerste gezicht lijkt. Je kunt je op allerlei manieren en om allerlei redenen ergens voor inzetten. In het bijzonder is er geen directe lijn, in welke richting dan ook, tussen identificatie met iets en bereid zijn om op significante manieren bij te dragen aan de bloei ervan.

Hoe zijn identiteit en de staat aan elkaar gerelateerd?

In een geglobaliseerde wereld is het vaak – steeds vaker – een vergissing om de land als basis voor de morele identiteit en motivatie van het individu. De meesten van ons hebben plekken waar we ons thuis voelen: plekken waar we speciale kennis van hebben en waar we ons speciale zorgen over maken. Evenzo hebben de meesten van ons specifieke zorgen, en de meesten van ons hebben bepaalde gemeenschappen waarvan we deel uitmaken. De staat blijft, zoals gezegd, het dominante soort menselijke politieke instelling. De gezondheid van veel van de dingen waar u om geeft, hangt af van het karakter van de staat of staten waarin ze zich bevinden. Gezien zijn macht en de vele manieren waarop het onze individuele en gedeelde levens beïnvloedt, heeft de staat betekenis, in een of andere vorm, voor veel van de dingen waar we om geven. Staten hebben ook betekenis voor de gezondheid en rechtvaardigheid van de wereld en van de mensheid. U zult inderdaad reden hebben om te willen dat ze veilig en welvarend zijn, voor zover hun veiligheid en welvaart zullen resulteren in het morele voordeel van bepaalde individuen en gemeenschappen. 

Hier is dus een soort toewijding die je mogelijk aan je staat hebt. Je zou je kunnen bekommeren om de bloei van je staat omdat je de bloei ervan belangrijk vindt, niet omwille van zichzelf, of omwille van het land dat de staat vertegenwoordigt, maar vanwege de gevolgen voor andere zaken waar je om geeft. Het gaat er niet om dat het land van jou is, maar de betekenis ervan voor de dingen die van jou zijn. En het is geen primaire vorm van betrokkenheid bij het land. Het is een verbintenis met het land die voortkomt uit diepere verbintenissen met andere dingen. Een afgeleide verbintenis kan een zeer sterke verbintenis zijn, en het is mogelijk dat de verbintenis met het land dat ik beschrijf diepgaand en grondig zou kunnen zijn. Hoewel uw toewijding aan het land groot kan zijn, en zelfs zo groot als de toewijding van de patriottische burger, zal het qua structuur anders zijn dan de toewijding van de patriot, en dat zal enkele gevolgen hebben voor hoe u over uw land denkt en wat u denkt daarvoor bereid zijn. 

  1. Ten eerste, als u uw land nadert, zult u het minder snel zien als het enige speciale land dat van u is en het eerder herkennen als één van de andere landen.
  2. Ten tweede, gezien de structuur van uw inzet voor uw land, zal uw bereidheid om ervoor op te treden voorwaardelijk zijn.

De vorm van betrokkenheid bij het land die ik hier probeer te beschrijven, kan werelds burgerschap worden genoemd. Het is werelds omdat het gaat om het begrijpen van uw land als één van de andere. Het is geen wereldburgerschap omdat de identiteitsvorm die eraan ten grondslag ligt geen identiteit is met de mensheid of met de wereld als geheel.

Wat is wereldburgerschap?

Denk aan iemand die van het ene land naar het andere verhuist en een goede burger van het nieuwe land wordt. Zulke mensen komen veel voor. Goede immigrantenburgers, zo lijkt mij, vertonen vaak de structuur van verplichtingen die wereldburgerschap kenmerken. Als u een immigrant bent die ook een algemene zorg voor andere mensen heeft, kunt u ook worden bewogen om bij te dragen aan goede doelen in het nieuwe land, om politiek betrokken te raken en in het algemeen om goed te handelen jegens degenen die u om u heen vindt. 

De bron van zo'n goed immigrantenburgerschap is niet afstandelijk kosmopolitisme, hoewel het deels een uiting is van een algemene achting voor anderen en een bereidheid om goed te handelen jegens andere mensen in welke omstandigheden dan ook. De bron is gedeeltelijk een toewijding aan de dingen in het nieuwe land waar de nieuwe burger van gaat houden,  dingen die verschillen van het land zelf. De structuur van motivatie die wordt gevonden bij immigrantenburgers kan worden gerepliceerd bij burgers die geen immigrant zijn. U hoeft geen immigrant in een land te zijn om het land te waarderen en een verbintenis aan te gaan met de staat uit respect voor het goede dat het doet voor de meer lokale dingen waar u om geeft en voor zijn rol bij het bevorderen van mensenrechten en belangen over het algemeen.

Hoe koestert men het wereldburgerschap?

Er is een lange traditie van patriottische opvoeding, bedoeld om goede burgers voort te brengen door patriottische overtuigingen, gevoelens en motieven in te prenten. Als we werelds burgerschap als ons alternatieve ideaal willen nemen, dan zal opvoeding tot burgerschap andere doelen hebben. De eerste taak bij het opleiden van wereldse burgers is hen aan te moedigen de verschillende plaatsen en andere invloeden die hen maken tot wie ze zijn, te herkennen en te waarderen. De tweede taak is om oprechte humanitaire overtuigingen en gevoelens bij te brengen: een begrip van wat mensen gemeen hebben, een begrip dat er een grote wereld is vol mensen die hun eigen leven leiden, in sommige opzichten vergelijkbaar maar in andere anders en zorg en respect voor de rechten en belangen van iedereen. De derde taak van een opvoeding tot wereldburgerschap is om uit te leggen hoe het thuisland werkt, met nadruk op het belang van de staat voor de gezondheid van lokale gemeenschappen en plaatsen, en voor de algemene mensenrechten en belangen. 

Hoe voelt het om een goede burger te zijn?

In een geglobaliseerde wereld kunnen we niet aannemen dat de identiteit van individuen wordt gevormd door hun connecties met hun land of dat het mogelijk is om individuen te vormen wiens identiteit zal worden gevormd door dergelijke connecties. Er is iets anders nodig dan patriottisch burgerschap en wereldburgerschap.

Een eerste voordeel van het ideaal van werelds burgerschap is dat het verenigbaar is met een nauwkeurig begrip van het zelf. De wereldse burger kan zichzelf zien door de verspreide netwerken, gemeenschappen en instellingen te begrijpen die haar maken tot de persoon die ze is. Een andere deugd van werelds burgerschap is dat de voorwaardelijke toewijding van de wereldse burger aan de staat precies het soort toewijding is dat de staat verdient. 

De omstandigheden waarmee we in een geglobaliseerde wereld worden geconfronteerd, vormen een uitdaging voor traditionele manieren van denken over goed burgerschap. De wereld is te veel met elkaar verbonden en de krachten die onze identiteiten vormen, of we het ons realiseren of niet, zijn te geïnternationaliseerd. Maar dat betekent niet dat goed burgerschap minder belangrijk is, en het hoeft ook niet te betekenen dat goed burgerschap onbereikbaar is. Een volwassen burger in de geglobaliseerde wereld is iemand die haar specifieke vormende relaties begrijpt, die een algemene humanitaire morele gevoeligheid heeft, en die de staat begrijpt en waardeert voor wat het is. 

Access: 
Public
Burgerschapsvorming anders: een pleidooi voor zakelijk onderwijs - Van der Ploeg - 2015 - Artikel

Burgerschapsvorming anders: een pleidooi voor zakelijk onderwijs - Van der Ploeg - 2015 - Artikel


Inleiding

Er zijn verschillende opvattingen over wat goed burgerschap is. Burgerschapsvorming zoals voorgestaan door het Europese en Nederlandse beleid vertoont een bias ten gunste van bepaalde opvattingen over wat (goed) burgerschap is. Hierbij wordt in het onderwijs bepaalde handels- of leefwijzen meer goedgekeurd dan anderen, terwijl hier verschillende gedachten over zijn. 

Wat is het Europees beleid over burgerschapsvorming? 

Volgens het Europese beleid moet burgerschapsvorming politieke en maatschappelijke participatie en sociale cohesie bevorderen en zich hierbij concentreren op conventionele deugden, plichten, praktijken en procedures. Er is hierbij geen aandacht voor minder brave en minder hamonieuze vormen van activisme, betrokkenheid en solidariteit. Het beleid wordt gevoed door zorgen over afnemende politieke participatie en zorgen over minder vertrouwen in publieke instanties. Burgerschapsvorming moet zelfregering bevorderen, maar tegelijkertijd een bepaalde mentaliteit aanleren, een samenstel van specifieke percepties, attituden en waarderingen. 

Welke veranderingen zijn gewenst?

Het Europese burgerschapsvormingsbeleid moet opener zijn aan de activistische zijde: aandacht en waardering voor conflict en strijd. Ook moet het beleid opener worden naar de non-participatieve kant, aangezien non-participatie niet gezien wordt als acceptabele optie. De burgerschapsvorming naar Europees beleid is eenzijdig: de bias ten gunste van liberalisme en republicanisme gaat ten koste van aandacht en waardering voor niet alleen agonistische, maar ook non-participatieve perspectieven op burgerschap. Het Europese beleid weerspiegelt dus een bepaalde ideologie ten aanzien van burgerschap.

Hoe is het Nederlands beleid betreft burgerschapsvorming?

In Nederland is burgerschapsvorming gericht op vier aandachtspunten, die het onderwijs op eigen wijze mag invullen: 

  1. Bevorderen van sociale competenties.
  2. Aanbrengen van competenties die bijdragen aan deelname aan en betrokkenheid bij de samenleving en bevordering van actieve deelname aan de samenleving. 
  3. Overdracht van basiswaarden en overdracht van kennis, houdingen en vaardigheden die nodig zijn om als burger in een democratische rechtsstaat te participeren. 
  4. Burgerschap in de praktijk brengen waarbij de school dient als oefenplaats. 

Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen begrijpt burgerschapsvorming als combinatie van overbrengen van kennis met sociale en maatschappelijk ontwikkeling, overdracht van waarden en het stimuleren van gedrag met het oog op participatie en verbondenheid ondanks diversiteit. Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) begrijpt burgerschap ook in termen van cohesie en participatie naast kennis en vaardigheden. Het CITO onderscheidt in burgerschap naast de kennisbasis ook een competentiebasis. Vanuit een overheidswege bijgevolg wordt er een eenduidige visie op burgerschapsvorming uitgedragen die nagenoeg overeenkomt met het Europese beleid. 

Welke rol speelt het onderwijs in de burgerschapsvorming?

Doordat er geen discussie of diversiteit met betrekking tot burgerschap erkent wordt, geloven kinderen dat bepaalde handels- of leefwijzen en gezindheden beter zijn dan andere, terwijl er verschillend over gedacht wordt. Het zou onmogelijk zijn om een samenhangend onderwijsprogramma te realiseren vanwege de verschillen tussen de opvattingen. Hierdoor kunnen niet alle opvattingen van goed burgerschap recht gedaan worden. School is integraal burgerschapsvormend, omdat kinderen hier geletterdheid, gecijferdheid, kennis van de wereld, kennis van de natuur, kennis van techniek en mensenkennis leren. Burgerschap hoe dan ook zou onmogelijk zijn wanneer elementaire competenties ontbreken. De school is medeverantwoordelijk voor de ontwikkeling van die elementaire competenties. Het idee van onderwijs als burgerschapsvorming leidde tot het invoeren van het volksonderwijs en de leerplicht. Onderwijs als burgerschapsvorming wordt eenzijdig wanneer de ontwikkeling van een competentie wordt opgeschroefd of geïntensiveerd waarbij één opvatting van wat goed burgerschap is, als norm geldt. 

Hoe wordt burgerschap geïmplementeerd in het onderwijs?

Onderwijs is als geheel burgerschapsvormend als het elementaire competenties ontwikkelt die elke burger nodig heeft hoe burgerschap ook opgevat wordt. Echter is de vraag of er meer gedaan kon worden aan burgerschap naast het ontwikkelen van elementatire competenties. Het onderwijs kan maar één opvatting van burgerschap normerend laten zijn, maar het is wel mogelijk om verschillende opvattingen het onderwerp van onderwijs te laten zijn. Bij elk vak krijgen leerlingen een overzicht van en inzicht in verschillende burgerschapsopvattingen, waarbij de leerling leert om zelf opvattingen van goed burgerschap te vergelijken, te waarderen en te beoordelen welke opvatting het meest overtuigend is en het beste bij hem past. Zo bouwt burgerschapsvormingen niet alleen voort op het leren van elementaire competenties, maar ook op onderwijs in wereldoriëntatie (ba- sisonderwijs) en geschiedenis en economie (voortgezet onderwijs).

Wat is het verschil tussen burgerschapsvorming als onderwerp en de burgerschapsvorming die het beleid wil?

Het ontwikkelen van elementaire competenties, zoals van ouds gewoonlijk in het onderwijs gebeurt, is burgerschapsvormend zonder bias ten faveure van specifieke opvattingen van burgerschap. Burgerschapsvorming dat uitgaat boven dit elementaire niveau, kan ook zon- der bias: door zakelijk te zijn. In een zakelijke benadering zijn de verschillende opvattingen van burgerschap en verschillen tussen opvattingen onderwerp van onderwijs in plaats van dat burgerschap volgens één opvatting doel is van onderwijs. In een zakelijke benadering staat inzichtelijk maken voorop; voor moraliseren is geen plaats. Burgerschapsvorming moet leerlingen hun moreel oordelen niet uit handen nemen of voorkauwen, maar ze helpen in de ontwikkeling van hun mogelijkheden om zelf te bepalen wat goed burgerschap is en wat zulk burgerschap betekent voor hun leefwijze, hun oordelen en beslissingen en hun doen en laten.

Access: 
Public
De pedagogische civil society in praktijk: Een studie naar de effecten van de activiteiten binnen het programma Allemaal Opvoeders - Kesselring et al. - 2015 - Artikel

De pedagogische civil society in praktijk: Een studie naar de effecten van de activiteiten binnen het programma Allemaal Opvoeders - Kesselring et al. - 2015 - Artikel


Vanaf begin 2015 hebben gemeenten de verantwoordelijkheid voor de hulp aan jeugdigen en hun opvoeders. Hierbij is het doel om meer nadruk op preventie te leggen. Een ander doel is demedicalisering, dit is het voorkomen van onnodig problematisen en etiketteren van opvoedvragen. Deze doelen worden geoperationaliseerd door het programma Allemaal Opvoeders (AlOp). 

Wat is Allemaal Opvoeders?

De opvoeding van jeugdigen ligt niet alleen bij de ouders, maar ook andere volwassenen spelen hierin een belangrijke rol, zogenaamde medeopvoeders. Wanneer ouders en medeopvoeders zich gezamenlijk inzetten voor het groot- brengen van jeugdigen, spreken we van de “pedagogische civil society”. Het hoofddoel van Allemaal Opvoeders is om de pedagogische civil society te versterken. Kenmerkerd van de AlOp is de bottom-up werkwijze, waarbij activiteiten worden georganiseerd door de gemeenten. Hierbij wordt er gewerkt volgens een contactladder die bestaat uit vier opeenvolgende treden: ontmoeten, dialoog, buurtklimaat en netwerkvorming. De resultaten van deze activiteiten worden onderzocht aan de hand van twee onderzoeksvragen:

  1. Met welke activiteiten hebben de pilotgemeenten vormgegeven aan de gedachte achter Allemaal Opvoeders en wat waren de operationele doelen van deze activiteiten?
  2. In hoeverre zijn deze doelen gerealiseerd?

Welke methode is gebruikt?

De onderzoeksgroep werd gevormd door de (mede)opvoeders die deelgenomen hebben aan een activiteit binnen de pilotgemeenten. De onderzoeksgroep bestaat uit mannen en vrouwen en zowel ouders als mensen zonder kinderen. 

Bij elke activiteit is er een doelrealisatiemeting afgenomen die is opgesteld op basis van de operationele doelen die vooraf geformuleerd zijn. Deze doelen zijn gescoord met de Goal Attainment Scaling (GAS), waarbij de respondenten bij elk doel aangeven in hoeverre dat voor hen persoonlijk behaald is. De gemiddelde GAS-score per doel is gekregen door de individuele scores van de respondenten op het betreffende doel op te tellen. Per activiteit is ook nog het percentage behaalde doelen berekend.

Wat zijn de resultaten?

Er zijn in totaal 26 activiteiten ontwikkeld en uitgevoerd. Elke activiteit is gecategoriseerd binnen een van de vier treden van de contactladder:

  • 9 ontmoetingsactiviteiten, waarvan een voorbeeld de huiskamer is waar opvoeders en hun kinderen op bezoek kunnen gaan.
  • 6 dialoogactiviteiten, bijvoorbeeld de opvoedparty's waarbij een opvoedvraag behandeld worden.
  • 7 buurtactiviteiten, bijvoorbeeld respect waarbij buurtbijeenkomsten en werkgroepen gevormd zijn om de buurt te verbeteren. 
  • 4 netwerkactiviteiten, bijvoorbeeld het moedercomité waarbij tien Marokkaanse moeders samenkomen om opvoedkwesties te bespreken.

Bij elke activiteit zjn de doelen geformuleerd die vervolgens herformuleerd zijn naar een ik-vorm. Elk doel wordt gecategoriseerd binnen de vier treden. De doelen die in alle categorieën toegepast worden, werden benoemd als deel A. Enkele doelen overlapten met slechts 2 of 3 categorieën en zijn daarom in een deel B genoemd. In deel C zijn de doelen benoemd die uniek zijn binnen een bepaalde categorie. 

Hoe scoren de doelen per categorie?

In de eerste categorie, ontmoeten, valt op dat zeven van de negen doelen een positieve gemiddelde score behalen. Van de dialoogactiviteiten behaalt vijf van de negen doelen een positieve gemiddelde score. In de derde categorie, de buurtactiviteiten, behalen zes van de negen doelen een positieve gemiddelde score. Tot slot, als we kijken naar het profiel van netwerkactiviteiten blijkt dat alle negen doelen gerealiseerd zijn. 

Wanneer er specifiek naar de doelen gekeken wordt, kunnen hieruit verschillende conclusies getrokken worden. Ten eerste blijkt dat contact tussen (mede)opvoeders bijdraagt aan herkenning en reflectie op het eigen opvoedend handelen, aangezien alle doelen die hierop betrekking hebben een positieve gemiddelde score behaalden in alle vier de categorieën. Verder blijkt dat buurtactiviteiten minder expliciet gericht zijn op het ondersteunen van opvoeding. Wel lijken buurtactiviteiten indirect steun te bieden bij het opvoeden. Ontmoetings-, buurt- en netwerkactiviteiten dragen bij aan het ontstaan van nieuwe- of het intensiveren van bestaande contacten. Tot slot blijkt dat het geven van tips alleen binnen netwerkactiviteiten een positieve score behaalt. 

Wat zijn de opbrengsten van de activiteiten afzonderlijk?

Op basis van het percentage behaalde doelen en de spreiding tussen de doelen, zijn de activiteiten onderverdeeld in: activiteiten met een relatief hoge opbrengst, activiteiten met een gemiddelde opbrengst en activiteiten met een relatief lage opbrengst. Van de 26 activiteiten behaalt 50% een relatief hoge opbrengst, 19% behaalt een gemiddelde opbrangst en 31% een relatief lage opbrengst. Bij de helft van de activiteiten zijn de doelen dus grotendeels behaalt. 

Wat draagt de huidige studie bij?

Het doel van deze studie was om inzicht te verkrijgen in de resultaten van de activiteiten binnen het programma Allemaal Opvoeders (AlOp). Zonder definitieve oordelen te kunnen geven over de effectiviteit van de programma-activiteiten, geeft deze studie wel handvatten om tot verdere methodiekontwikkeling te komen. Uit de doelrealisatiemetingen blijkt daarnaast dat sommige type activiteiten effectiever zijn voor het bereiken van de doelen dan andere. Deze studie laat zien dat activiteiten gericht op het versterken van het contact tussen (mede)opvoeders, informele steun bij het opgroeien en opvoeden van jeugdigen kunnen faciliteren. 

 

 

 

Access: 
Public
Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Follow the author: Vintage Supporter
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.