Qualitative research practice: A guide for social science students and researchers - Ritchie & Lewis - 2003 - Artikel


Hoe ontwerp je onderwerpgidsen?

Een goede onderwerpgids (topic guide) is nodig zodat het proces van veldwerk en de documentatie van het kernaspect van de studie flexibel kan zijn. Als het ontwerp van de onderwerpgids van lage kwaliteit is, kan dit leiden tot verwarring en daarmee tot een vermindering van de exploratieve en reflectieve kwaliteit van de studie.

Wat is het doel en de aard van een onderwerpgids?

Een onderwerpgids kan dienen als een interview-agenda of als een aide-memoire, een manier om te helpen herinneren wat er gedaan moet worden. Ook leidt het hebben van een onderwerpgids tot meer consistentie in het werven van de data, vooral wanneer er meer dan één onderzoeker bij het onderzoek betrokken is. Het ontwerpen van een onderwerpgids zorgt er ook voor dat alle belangrijke aspecten worden besproken in het interview en dat er daarnaast nog ruimte is om in te gaan op belangrijke details bij elk geïnterviewde individu. Het hebben van een onderwerpgids betekent niet dat elke vraag op dezelfde manier moet worden gesteld of dat elke persoon dezelfde vraag gesteld moet worden: het is meer bedoeld als een mechanisme dat helpt om de discussie de goede richting op te sturen. Een onderwerpgids is dus niet bedoeld als script: het schrijft niet exact voor wat er moet worden gezegd.

Een onderwerpgids is ook het enige dat wordt geschreven tijdens het proces van veldwerk, naast de transcripties. Daarnaast is het hebben van een onderwerpgids belangrijk voor de publieke documentatie van het onderzoek en in de vroege fases van het onderzoek kan het ook gebruikt worden om het verloop van het onderzoek te evalueren.

Wat is het belang van alle onderwerpen dekken?

Het proces van het ontwerpen van een onderwerpgids begint met het kiezen van de onderwerpen die moeten worden gedekt, dus waar data over verzameld gaat worden. De onderzoeker beslist dit in de vroege fases van het onderzoek. Het begin van het onderzoeksproces bestaat dus uit het beoordelen van de specificaties van het onderzoek en de beoordeling van de relevante literatuur. Daarnaast is het ook handig om andere ideeën over het onderwerp te vinden door middel van discussies. Bij deze discussie kunnen sponsoren, andere onderzoekers, experts of diegenen die betrokken zijn bij de toepassing van de onderzoeksbevindingen betrokken worden.

Lofland en Fielding hebben vier stappen opgesteld voor wanneer een onderzoeker nog geen duidelijke onderzoeksvraag heeft. De eerste fase wordt ‘puzzlements and jottings’ (verwarring en notities) genoemd. In deze fase identificeert de onderzoeker een onderwerp en denkt hij na over wat er bijzonder of problematisch is met betrekking tot dit onderwerp. Hierna zet hij al deze problemen of bijzonderheden van dit onderwerp (de puzzlements) in een lijst en noteert hij de (jottings) vragen die zullen helpen tot verduidelijking van deze problemen en/of bijzonderheden. Hierna kan de onderzoeker kijken naar de relevante literatuur om te kijken wat er al bekend is over het gekozen onderwerp.

Hoe ziet de lengte en de structuur van het ontwerpen van een onderwerpgids er uit?

De eerste fase van het ontwerpen van een onderwerpgids is het bekijken van welke onderwerpen samen kunnen en wat de logische volgorde van de onderwerpen zal zijn. Het is hierbij belangrijk om te zorgen dat er geen herhaling plaatsvindt, wat wel eens kan gebeuren, bijvoorbeeld als de onderzoeker heel graag wil dat een bepaald onderwerp wordt besproken. Elk onderwerp moet in één sectie worden besproken, anders is het lastig om de onderwerpgids juist te gebruiken.

Tijdens een discussie kan het zo zijn dat er soms door moet worden gevraagd (dat er een follow-up nodig is). Een onderzoeker kan verschillende keuzes maken en het 'boom en tak' model toepassen, waarin de takken de zaken zijn waar over doorgevraagd moet worden en die van tevoren zijn bepaald, en een 'rivier en kanaal model', waarin de onderzoeker de kanalen of thema's volgt naar waar zij toe leiden, dus tijdens de discussie bepaalt waar er over doorgevraagd moet worden.

Welke informatie zit in een onderwerpgids?

Een onderwerpgids bevat dus de belangrijke onderwerpen die gedekt moeten worden tijdens het interview. Daarnaast kan het ook vragen bevatten die heel nauwkeurig zijn opgesteld. Een onderwerpgids kan ook meer gedetailleerd zijn en informatie bevatten zoals:

  • Gesuggereerde woorden voor het openen en het eindigen van het interview of voor het introduceren van bepaalde onderwerpen;

  • Specifieke onderwerpen die moeten worden gedekt;

  • Suggesties voor probes. Probes zijn ‘gereedschappen’ voor wanneer een onderzoeker meer wil weten over iets wat een participant zegt. Hij kan daarvoor verschillende soorten probes gebruiken, bepaalde woorden. Dit wordt later beschreven. Dit is in een interview natuurlijk heel belangrijk en daarom moet de onderzoeker heel vaak gebruik maken van deze probes;

  • Gesuggereerde woorden voor het adresseren van gevoelige onderwerpen.

Onderwerpgidsen kunnen variëren van één tot meerdere pagina's. Het is het beste om een onderwerpgids zo kort als mogelijk te houden. Hoe minder details een onderwerpgids bevat, hoe beter de onderzoeker kan in gaan op wat elk individu zegt. Dit leidt uiteindelijk tot de meest belangrijke informatie en daardoor tot de rijkste data. Ook is het zo dat wanneer een onderwerpgids heel gedetailleerd is, dit er voor kan zorgen dat het lijkt alsof de vragen die er in staan de enige vragen zijn die gesteld moeten worden, terwijl dit vaak niet het geval is. Het kan daarentegen wel zo zijn dat sponsoren of diegenen die verantwoordelijk zijn voor de toepassing van het onderzoek een gedetailleerd overzicht willen van wat er precies allemaal besproken is tijdens het interview.

Het is lastig om precieze keuzes te maken over de lengte van een onderwerpgids, maar als vuistregel kan zes tot negen secties worden aangehouden voor een interview. De duur van de afname van het interview is in het meest ideale geval tussen de één en twee uur. Bij focusgroepen wordt er een maximum van vijf of zes secties aangehouden: dit is minder dan een interview, omdat het de bedoeling is dat elke participant in de focus groep aan het woord komt.

In een onderwerpgids moeten de items niet als vragen worden neergezet, maar moeten er enkel woorden of korte zinnen in staan. Hierdoor is het proces van het interviewen actiever en kan de onderzoeker reageren op wat de participanten zeggen. Ook bevat een onderwerpgids enige sturing in het gebruik van probes en follow-ups.

Hoe kan er gezorgd worden dat gidsen makkelijk gebruikt kunnen woden?

Er zijn praktische tips voor het creëren van een gids die makkelijk in gebruik is:

  • Objectieven: Het kan helpen om de onderliggende doelen van de studie te verkondigen in het begin van de gids;

  • Introductie: Het kan helpen om een sectie te wijden aan het herinneren van de personen hoe de onderwerpgids gebruikt moet worden;

  • Samenvatting van de onderwerpen: Een overzicht van een onderwerpgids met de belangrijkste gedeeltes kan helpen voor het gebruik er van;

  • De lay-out: Veel lege ruimte op de pagina's is gewenst, omdat op deze manier de onderzoekers aantekeningen kunnen maken in deze ruimtes;

  • Instructies: Hoe een onderwerpgids gebruikt moet worden wordt voor het grootste gedeelte besproken tijdens de vergaderingen, maar het kan handig zijn om in de onderwerpgids zelf een aantal punten neer te zetten die als geheugensteuntje kunnen dienen;

  • Eindigen: Het kan nuttig zijn om aan het einde van de onderwerpgids iets te zeggen over de vertrouwelijkheid van het onderzoek en over hoe de data zal worden gebruikt, of om mensen te bedanken.

Wanneer er verschillende groepen in de studie zijn, is het soms nodig om meer dan één onderwerpgids te ontwerpen.

Hoe kan je gestructureerd data verwerven?

Een onderwerpgids wordt soms samen met een vragenlijst gebruikt, bijvoorbeeld wanneer er financiële informatie benodigd is. Het is handig om dit gelijk aan het begin van de interview te vragen. Het moet alleen wel zo zijn dat deze informatie écht nodig is.

Wat is het voordeel van voorbeelden geven?

Het geven van specifieke voorbeelden kan helpen om meer diepte en specificiteit te creëren tijdens het interview. Soms kan een onderzoeker een bepaald voorbeeld van tevoren kiezen. Dit is niet altijd handig, want een participant kan het een slecht voorbeeld vinden. Soms is het dus handig om tijdens het interview zelf met voorbeelden te komen.

Wat zijn projectieve technieken?

Technieken genaamd 'enabling' en ‘projectieve technieken’ worden gebruikt om te helpen bij de uiting van de mening van de participanten. Ze worden hieronder beschreven.

Vignetten

Een manier om een discussie een bepaalde richting te geven, is door het gebruik van van tevoren opgestelde hypothetische voorbeelden genaamd 'vignetten'. Dit zijn korte beschrijvingen van een bepaalde omstandigheid, persoon of gebeurtenis die beschreven kan worden door de onderzoeker of door het laten zien van een geschreven versie. Het gebruik van vignetten leidt tot consistentie, wat handig is in discussies in focus groepen: zo kunnen de participanten goed met elkaar vergeleken worden.

Het sorteren en stapelen van kaarten

In deze techniek zien participanten een aantal geschreven of visuele voorbeelden en wordt aan hen gevraagd om deze voorbeelden te sorteren of te stapelen.

Informatie geven of geschreven materiaal laten zien

Soms is het nodig om extra informatie te introduceren in een interview of groepsdiscussie wanneer de discussie bijvoorbeeld gestimuleerd moet worden. Zo kan er bijvoorbeeld iets gezegd worden over wat de échte statistieken zijn van een fenomeen, nadat de participanten hebben gezegd hoe vaak zij denken dat een bepaald fenomeen voorkomt.

Het in kaart brengen van belangrijke zaken

In deze techniek worden belangrijke zaken in kaart gebracht op een bord zodra ze ter sprake komen. Hier wordt dan verder op ingegaan tijdens de discussie.

Projectieve technieken

Projectieve technieken worden vaak gebruikt in marketingonderzoek om te weten te komen wat consumenten denken over een merk of product of voor het ontwerpen van reclame.

Er zijn vijf verschillende typen van projectieve technieken: associatie, zinnen aanvullen, construeren, expressieve methoden of volgorde van keus.

Wat zijn veldaantekeningen?

Veldaantekeningen zijn een manier voor de onderzoeker om op te schrijven wat hij of zij meemaakt buiten de afname van het interview en/of om zijn of haar gedachten of problemen tijdens het interview te noteren.

Waarom moet je een onderzoeksteam briefen?

Het is belangrijk dat een onderzoeker een duidelijk beeld heeft van wat er wordt verwacht te weten te komen binnen elk onderwerp. Het duidelijk verstrekken van informatie voor het hele team (briefing) in een vergadering is daarom heel belangrijk voor succesvolle dataverzameling. Deze vergadering is ook een goede mogelijkheid om te bespreken hoe de onderwerpgids in de praktijk zal worden gebruikt en om problemen te identificeren of om bepaalde woordkeuzes te bespreken. Deze vergadering hoort interactief en levendig te zijn.

Wat zijn content mining vragen/probes?

Content mining vragen zijn 'de gereedschappen' die worden gebruikt precies te weten te komen wat een participant bedoeld. Hiervoor kunnen probes gebruikt worden. Er zijn vier verschillende categorieën van probes: versterkend, exploratief, erklarend en verhelderend.

Versterkende probes

Versterkende probes worden gebruikt om participanten aan te moedigen om te verduidelijken wat ze zeggen en om een duidelijker beeld te krijgen van hoe een ervaring of fenomeen wordt ervaren. Een voorbeeld is: "Je zei dat je een zeer verschillende groep patiënten hebt. Kan je me meer vertellen over het type patiënten dat je ziet?"

Explorerende probes

In kwalitatief onderzoek is het belangrijk om de onderliggende gevoelens en visies die er zijn tijdens beschrijvingen van gedag, gebeurtenissen of ervaringen te exploreren. Een voorbeeld is: "Wat voelde je toen ...?"

Verklarende probes

Verklaringen zijn zeer gewaardeerd in kwalitatief onderzoek. In plaats van te vragen: "Waarom?" kan je vragen: "Wat zorgt er voor dat jij dit nu zegt?". Vaak vinden onderzoekers dit lastig om te doen, omdat het vaak niet gewenst is om te vragen waarom iemand iets doet. Toch is het wel heel belangrijk en daarom moet de onderzoeker zorgen dat hij vraagt naar een verklaring, zonder dat een participant zich onprettig voelt.

Verhelderende probes

Verheldering is heel belangrijk wanneer problemen worden onderzocht. Ze worden gebruikt om:

  • Termen en taal te verklaren: Alles wat de participant zegt moet duidelijk zijn. Er mag niks zomaar aangenomen worden;

  • Details en gebeurtenissen te verklaren;

  • De participant lichtelijk uitdagen zonder dat er een echte confrontatie is, zo dat de participant zichzelf verklaart.

Inconsistentie uit te dagen: Het is belangrijk dat de participant consistent is in zijn antwoord. Dit kan soms mis gaan, wanneer er bijvoorbeeld sociale normen zijn. Ook kan het zijn dat een participant voor het eerst naar iets gevraagd wordt, waardoor hij pas nadenkt terwijl hij praat en hierdoor inconsistente antwoorden geeft. Toch is het belangrijk om de participant te wijzen op de consistentie, zonder een confrontatie en er voor te zorgen dat het duidelijk wordt wat de participant echt vindt.

Iteratieve probing en diepte

Probing moet doorgaan tot dat de onderzoeker een duidelijk beeld heeft van wat de participant denkt of voelt, omdat diepte in kwalitatief onderzoek belangrijk is. Na het gebruik van één probe kan het daarom zijn dat er nog een probe gebruikt moet worden. Dit kan lang doorgaan en dit proces heet iteratieve probing.

Hoe formuleer je vragen?

Een goed interview bevat open vragen en geen dichotome ja/nee vragen. Dus in plaats van te vragen: "En ging je daarna naar de politie?", kan je vragen: "En wat gebeurde er toen/daarna?". Dit zorgt er voor dat de participant alle acties die hij of zij ondernam noemt. Maar, het is niet zo dat diepe interviews alleen open vragen bevatten. Voor het in kaart brengen van de inhoud en bij content mining/probes zijn er vragen die variëren in lengte en breedte. Daarnaast kunnen gesloten vragen helpen om te controleren of de onderzoeker alles goed heeft begrepen, als de participant zich moet concentreren of wanneer de participant zeer veel te zeggen heeft.

Het vermijden van lijdende vragen

Als onderzoeker is het belangrijk er voor te zorgen dat er geen lijdende vragen worden gesteld. Dus in plaats van te vragen: "Was je woedend toen dat gebeurde?", kan er beter gezegd worden: "Hoe reageerde je toen hij dat zei?".

Duidelijke vragen stellen

Effectieve vragen zijn kort en duidelijk en zorgen er voor dat de participant niet verward raakt. Om dit te bereiken kunnen er meerdere dingen worden gedaan. Het is bijvoorbeeld niet handig om een vraag te introduceren, je moet hem simpelweg stellen. Ook dubbele vragen moeten worden vermeden: mensen zijn namelijk geneigd om de meest makkelijke vraag te beantwoorden. Ten derde is het belangrijk om vragen die te abstract of theoretisch zijn te vermijden. De participant moet goed begrijpen wat er van hem of haar gevraagd wordt. Daarom moeten de gestelde vragen in simpele taal worden gesteld. Juist deze soort vragen leiden tot de meeste informatie en daarom tot rijke data.

Het verbeteren van de relatie met de participant

Het is belangrijk om een goede relatie te hebben met de participant in het interview. Hiervoor kunnen verschillende dingen gedaan worden:

  • Interesse en aandacht uiten;

  • Dit wordt gedaan door oogcontact te maken met de participant, te glimlachen en af en toe te knikken met het hoofd om aandacht te uiten. Ook is het handig om follow-up vragen te bedenken die laten zien dat de onderzoeker heeft gehoord wat er is gezegd en meer wil weten. Zo weet de participant dat wat hij of zij zegt relevant en van waarde is;

  • Uitleggen dat er geen goede of foute antwoorden zijn;

  • Gevoelig zijn voor de toon van iemand en iemand zijn non-verbale taal;

  • De participant tijd geven om te reageren: Soms wordt een participant gevraagd naar dingen waar hij of zij eigenlijk nog niet over na heeft gedacht. Dan is het belangrijk dat hij de tijd krijgt om te antwoorden. De interviewer moet niet proberen de stilte te vullen met woorden, maar leren om de stilte te waarderen;

  • Het interview bijhouden: De onderzoeker moet goed in de gaten houden dat alle onderwerpen in de onderwerpgids worden besproken. Wanneer er meer tijd nodig blijkt te zijn, moet dit vantevoren met de participant worden overlegd;

  • Het behandelen van informatie die van tevoren bekend is: De onderzoeker moet er voor zorgen dat de informatie die hij of zij van tevoren heeft over een participant, het interview niet te veel beïnvloed. Er moet alleen wel voor gezorgd worden dat er niet vragen worden gesteld die de participant al eerder heeft beantwoord;

Hoe zorg je voor onbevooroordeelde vragen?

De bedoeling van een diepte interview is om een duidelijk en onbevooroordeeld beeld te krijgen van de participant zijn of haar perspectief. Vooroordelen kunnen zorgen voor een verminderde kwaliteit van het interview en moeten daarom omgedraaid worden in een vraag, dus:

  • Neem nooit iets zomaar aan. Assumpties kloppen heel vaak niet;

  • Maak geen opmerkingen als “oh, dat is interessant”. Dit kan leiden tot een verstoring van de flow van het interview;

  • Vat de antwoorden van de participant niet samen, dit gaat vaak mis;

  • Maak niet iemand zijn antwoorden af. Je kan wel iemand wijzen op dat hij of zij een zin nog niet heeft afgemaakt en hierover vragen;

  • Maak geen opmerkingen als “juist”, “oké”, “jup”. Dit soort opmerkingen kunnen leiden tot dat de participant denkt dat hij voldoende heeft gezegd, terwijl dit misschien niet zo is;

Wat wordt verstaan onder neutraliteit en het vermijden van zelfonthulling?

Er is discussie gaande over of zelfonthulling van de onderzoeker tijdens een interview goed is. Sommigen vinden van wel, omdat de participant zich dan meer op zijn of haar gemak kan voelen. Anderen denken van niet. Zij zeggen dat het kan zijn dat de participant hierdoor informatie achterwege laat. Een voorbeeld hiervan is wanneer de participant weet dat de onderzoeker kinderen heeft en bepaalde dingen hier niet over uit, omdat hij denkt dat de onderzoeker zelf vast wel weet hoe het is om kinderen te hebben. Hij kan ook bang zijn voor de mening van de onderzoeker.

Hoe moet je reageren op emotie?

Wanneer er een sterke emotionele respons is tijdens een interview, zijn de eerste tekenen te zien in de expressie van het gezicht, iemand zijn stem of toon of iemand zijn of haar lichaamstaal. Wanneer iemand boos is tijdens een interview is het belangrijk om hier naar te vragen. Ook wanneer iemand angstig is, moet hier iets mee gedaan worden. De onderzoeker moet dan zorgen dat vóór het interview de participant rustig is geworden. Dit kan hij of zij doen door het onderwerp of de studie goed uit te leggen aan de participant.

Hoe moet je reageren op dominantie?

Soms zijn er participanten die dominant zijn, omdat ze een autoritaire positie hebben of wanneer ze zichzelf als een expert zien op het gebied. Dan is het belangrijk dat de onderzoeker zichzelf herinnert aan dat de participant heeft ingestemd op mee doen met het interview en dat hij of zij dus gewoon moet antwoorden op de manier die de onderzoeker wil.

Welke praktische overwegingen zijn er bij een interview?

De lengte van een interview moet niet langer dan twee uur zijn. Ook moet er tijd tussen de interviews zitten, zo dat de onderzoeker kan laten inzinken wat er is gezegd.

Ook is soms de plek van diepte interviews lastig om te beslissen. Vaak beslist de participant hier over en vaak is het bij hen thuis.

Ten slotte is het belangrijk dat een onderzoeker over de juiste opname-apparatuur beschikt. Dit is belangrijk, omdat de onderzoeker zo geen aantekeningen hoeft te maken tijdens het interview en met volle aandacht op de participant kan richten.

Hoe leid je een discussie?

De onderzoeker moet er voor zorgen dat het interview open en interactief is, maar ook er voor zorgen dat iedereen aan de beurt komt en dat dominantie van bepaalde participanten wordt voorkomen. De onderzoeker speelt hier dus een hele belangrijke rol.

De onderzoeker gebruikt soms probes om te zorgen dat alle onderwerpen aan bod komen. Hij moet er voor streven om alles duidelijk te krijgen.

Daarnaast moet de onderzoeker goed letten op de lichaamstaal van de participanten. Dit zegt namelijk ook iets over de mening van de participanten.

Zorgen dat iedereen aan de beurt komt

De onderzoeker moet zorgen dat iedereen aan de beurt komt. Hiervoor kan hij of zij oogcontact maken met elk individu in de groep en vragen of er nog mensen zijn die iets nieuws willen toevoegen aan de discussie.

Ook moet hij zorgen dat dominante participanten niet de leiding nemen in de discussie. Hiervoor kan hij of zij verschillende strategieën gebruiken om de aandacht indirect af te leiden van de dominante participanten zo dat de anderen ook hun mening kunnen geven. Non-verbale manieren hiervoor zijn om geen oogcontact te maken met de dominante participanten, weg te leunen, naar anderen in de groep te kijken of gebaren dat anderen iets moeten zeggen. Wel is het belangrijk om confrontaties zo veel mogelijk te vermijden.

Soms kan het ook zijn dat participanten niet praten. Toch kan het wel zo zijn dat zij andere perspectieven hebben dan de rest en het is voor het onderzoek belangrijk om ook deze meningen te horen. De onderzoeker kan dan zorgen dat deze participant mee doet door bijvoorbeeld oogcontact met hem of haar te maken. Wanneer het niet lukt, dan kan de onderzoeker er voor kiezen om dingen te laten zoals ze zijn en zich op de anderen te richten.

Ook is het belangrijk om te voorkomen dat mensen tegelijk praten, omdat iedereen gehoord moet worden. Hiervoor kan het soms helpen om naar de opnameapparatuur te wijzen of specifiek oogcontact te maken met een individu.

De focus groepen zijn een goede plek om verschillen en diversiteit waar te nemen. De onderzoeker kan er voor zorgen dat diverse meningen benoemd worden, door bijvoorbeeld lichtelijk verward te kijken wanneer een participant iets zegt. Dit geeft dan een signaal voor de participanten die dit zien en die het niet eens zijn met wat er gezegd wordt om hun mening te geven.

Een groot kritiekpunt over focusgroepen is dat de groep kan zorgen voor sociale druk en dat daardoor de participanten niet durven te reageren. De onderzoeker kan dit oplossen, door bijvoorbeeld te vragen of iemand een andere mening heeft, door te zeggen dat verschil gewenst en geaccepteerd is en door te vragen of er situaties zijn waarin de groep zich anders zou voelen.

Waaruit bestaat generaliseerbaarheid?

Generalisatie kan worden onderverdeeld in twee componenten:

  • Empirische generalisatie: hierbij worden bevindingen gegeneraliseerd over populaties die buiten de afgenomen steekproef vallen.

  • Theoretische generalisatie: het generen van theoretische concepten die in een breder perspectief worden geplaatst. Conclusies worden getrokken uit kenmerken of constructen uit een klein aantal studies om vervolgens worden gebruikt bij het ontwikkelen van een bredere theorie.

Empirische en theoretische generalisatie zijn nauw met elkaar verweven. Om het begrip duidelijke uit te leggen, wordt er onderscheid gemaakt in drie afzonderlijke concepten:

  1. Theoretische generalisatie: verklaringen uit de bevindingen in een onderzoek worden gebruikt voor een algemene toepassing.

  2. Inferentiële generalisatie: bevindingen in een onderzoek worden gegeneraliseerd in andere contexten waar het onderzoek heeft plaatsgevonden.

  3. Representatieve generalisatie: de resultaten die in de onderzoekssteekproef zijn gevonden, worden gegeneraliseerd naar de gehele steekproef.

Bij kwalitatief onderzoek is het van belang na te gaan of de conclusies uit een onderzoek gegeneraliseerd kunnen worden op grotere schaal. Theoretische inzichten die op kwantitatieve wijze zijn bevonden, mogen niet gelijk op kwalitatieve schaal worden toegepast en vice vera.

Benaderingen van generalisatie

De auteurs belichten drie vormen van generalisatie.

Theoretische generalisatie

Bij theoretische generalisatie worden verklaringen van causale verbanden als universeel toepasbaar gezien. Het belangrijkste kenmerk hierbij is dat er sprake moet zijn van ‘nomische’ generalisatie. Dit betekent dat een relatie moet optreden zodra de omstandigheden en voorwaarden gelijkmatig zijn.

Generalisaties zijn beweringen die contextvrij zijn en dit leidt ertoe dat het mogelijk is om voorspellingen te doen. Het lastige bij sociale wetenschap is dat de manier waarop concepten worden toegepast door onderzoekers kunnen verschillen wegens een verschil in interpretatie. Om deze beperking te verminderen zijn theoretische generalisaties gerelateerd aan de ontologische basis waarvan de theorie is afgeleid.

Om te beoordelen in hoeverre gegevens van een studie bestaande theorieën ondersteunen, wordt bekeken in hoeverre dit in lijn is met een gevestigde theorie.

Inferentiële generalisatie

Een belangrijk gerelateerd concept van inferentiële generalisatie is ‘naturalistische generalisatie’. Dit is een intuïtieve en empirisch vorm van generalisatie, gebaseerd op de eigen ervaring en gevoelens van de onderzoeker in plaats van rationele beslissingen. De veralgemening komt tot stand door overeenkomsten tussen objecten en problemen in en uit de context te herkennen en door natuurlijke variaties van gebeurtenissen aan te voelen.

Bij inferentiële generalisatie in sociaalwetenschappelijk onderzoek is het van belang dat de onderzoeker de ‘thick description’ achterhaalt. Dit is de essentie van de uitkomsten om zo overdraagbaarheid van theorie te kunnen waarborgen.

Representatieve generalisatie

Bij kwalitatief onderzoek is representatieve generalisatie lastig te beargumenteren, omdat er vaak wordt gewerkt met een kleine onderzoeksdoelgroep. Vanuit de sociale wetenschap wordt het vaak als noodzakelijk geacht ander bevestigend bewijs te verzamelen om de strekkingen uit het eigen onderzoek kracht bij de zetten.

Hoe beoordeel je de betrouwbaarheid in kwalitatief onderzoek?

Betrouwbaarheid heeft betrekking op de reproduceerbaarheid van de onderzoeksresultaten en of dezelfde resultaten worden behaald met een ander onderzoek waarbij de zelfde of vergelijkbare methode wordt toegepast.

Bij kwalitatief onderzoek wordt gesteld dat betrouwbaarheid generaliseren vrijwel onmogelijk is, omdat iedere onderzoekssituatie een andere realiteit is. Het maximale resultaat dat behaald kan worden is het zoeken naar bevestiging van resultaten uit andere onderzoeken.

Om toch een zo betrouwbaar mogelijk onderzoek te verrichten is het van belang dat de kwalitatieve gegevens die gebruikt worden van te voren zijn vastgesteld en consistent, betrouwbaar en repliceer zijn.

Interne en externe betrouwbaarheid

  • Interne betrouwbaarheid: het replicatie niveau dat wordt verwacht als vergelijkbare onderzoeken worden uitgevoerd

  • Externe betrouwbaarheid: de mate waarin beoordelingen overeenkomen tussen verschillende onderzoekers

Welke vragen zijn belangrijk bij de opzet en uitvoering van een betrouwbaar onderzoek?

  • Sample design: is dit zonder vooringenomenheid tot stand gekomen en representatief?

  • Fieldwork: is het consequent uitgevoerd en bood het respondenten de mogelijkheid al hun ervaringen te delen?

  • Analyse: is het systematisch en volledig uitgevoerd?

  • Interpretatie: wordt er bewijs geleverd aan de interpretatie?

  • Verschillende perspectieven: bood het onderzoek gelijke kansen om alle perspectieven te identificeren of was er selectieve dekking?

Wat is validiteit bij kwalitatief onderzoek?

Validiteit heet betrekking op op de correctheid of precisie hoe het onderzoek is uitgevoerd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • interne validiteit: wanneer er vanuit de gekozen onderzoeksmethoden de juiste conclusies getrokken kunnen worden.

  • externe validiteit: de mate waarin de conclusies te generaliseren zijn naar de hele populatie of andere situaties dan in het onderzoek dat is verricht.

Welke vragen zijn belangrijk bij de opzet en uitvoering van een valide onderzoek?

  • Sample coverage: was er van te voren bias vastgesteld?

  • Verschijnselen: was de omgeving waarin het onderzoek is uitgevoerd voldoende effectief?

  • Identificatie: zijn de verschijnselen geïdentificeerd, gecategoriseerd en 'benoemd' op een manier die de betekenissen weerspiegelt die door de deelnemers aan het onderzoek zijn toegewezen?

  • Interpretatie: is er voldoende intern bewijs.

  • Weergave: zijn de bevindingen weergegeven op een manier die trouw blijven aan de oorspronkelijke gegevens?

Waaruit bestaat validatie?

Kwalitatieve gegevens kunnen op twee manieren gevalideerd worden. Daarbij worden enkele voorbeelden genoemd.

Interne validatie

  • Constante vergelijking van resultaten.

  • Deviant cases: ervoor zorgen dat afwijkende gevallen niet in de algemene theorievorming worden meegenomen.

Externe validatie

  • Triangulatie: meerdere onderzoeksmethoden gebruiken om hetzelfde fenomeen te onderzoeken in één onderzoek.

  • Validatie van respondente: controleren of de behaalde resultaten passen bij de desbetreffende respondenten die hebben meegewerkt aan het onderzoek.

TentamenTickets

  • De stappen die Lofland en Fielding beschrijven zijn belangrijk. Probeer daarom te begrijpen waarom zij de term 'puzzlements en jottings' hebben gebruikt. 

  • Zorg er voor dat je de vuistregels voor het ontwerpen van een onderwerpgids kent. 

  • In het tentamen is er een hele grote kans dat er naar één van de vier soorten probes gevraagd wordt. Probeer daarom een voorbeeld te vinden voor elk van deze categorieën.

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use more summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
795 1
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.