Artikelsamenvattingen thema Sociale cognitie

Artikelsamenvattingen thema Sociale cognitie zoals behandeld tijdens de 2e jaars cursus Sociale cognitie aan de universiteit Utrecht 2020-2021

Page access
Public
Supporting content I (full)
Social attributions from faces: Determinants, consequences, accuracy, and functional significance - Todorov, Olivola, Dotsch & Mende-Siedlecki - 2015 - Artikel

Social attributions from faces: Determinants, consequences, accuracy, and functional significance - Todorov, Olivola, Dotsch & Mende-Siedlecki - 2015 - Artikel


Mensen maken snel attributies op basis van gezichten. Onderzoek heeft aangetoond dat mensen maar een paar milliseconden nodig hebben om een impressie te vormen. Het maken van deze attributies is meer gerelateerd aan perceptie dan aan denkprocessen. Voor het gemak wordt met ‘sociale attributies’ in deze context de sociale attributies op basis van gezichten bedoeld.

Perceptuele determinanten

Er is een consensus in beoordelingen van persoonlijkheden en beoordelingen van gezichtskenmerken. Globale gezichtskenmerken beïnvloeden sociale attributies. Zo worden ‘babyfaces’ gezien als fysiek zwak, naïef, onderdanig, eerlijk, en vriendelijk. En aantrekkelijke gezichten worden gezien als competent en intelligent. Er is ook veel onderzoek gedaan naar de relatie tussen emotionele expressies en sociale attributies. Zo worden boze gezichten vaker als dominant gezien, en lachende gezichten als meer betrouwbaar. Het is echter mogelijk dat er nog meer determinanten zijn van sociale attributies. Alleen al de verschillende mogelijkheden tussen twintig gezichtskenmerken leiden tot meer dan een miljoen combinaties. Daar komt nog bij dat een gezichtskenmerk goed moet worden gedefinieerd.

Computationele benadering

De computationele benadering is gebaseerd op data en onderzoekt de sociale perceptie van gezichten. Het doel is alle informatie in het gezicht die wij gebruiken om sociale attributies te maken te achterhalen. Aan de hand van deze methoden kunnen ze alle variantie in gezichtsstructuur vastleggen en achterhalen tot welke specifieke sociale attributies ze leiden. Deze methode representeert gezichten aan de hand van een multidimensionaal face space dat is gecreëerd met 3D laser scans van echte gezichten. Alle aspecten in het gezicht die de beoordeling beïnvloeden, kunnen worden gemanipuleerd. De resultaten geven aan dat bedreigende gezichten er vaak volwassen en extreem mannelijk uitzien. Vaker ook drukken deze gezichten negatieve emoties uit. Ook is gebleken dat de meer betrouwbare gezichten er minder aantrekkelijk en ouder uitzien. Een van de nadelen van deze benadering is dat ze afhankelijk is van de stimuli waarop het model gebaseerd is. Als de configuraties van de kenmerken die belangrijk zijn voor attributie niet variëren in de originele set, dan kan deze methode het belang van deze kenmerken ook niet identificeren.

Psychofysieke reverse correlatie methoden

Bij deze benadering moeten participanten ‘noisy’ afbeeldingen van gezichten beoordelen. Deze soort vage foto’s zijn gecreëerd door normale foto’s van gezichten te nemen, en deze vervolgens op het level de pixel te vervagen. Onderzoeken die zijn gebaseerd op deze methoden tonen aan de informatie in het gebied van de mond, ogen, wenkbrauwen, en haar de sociale beoordeling beïnvloedt. Ook zouden gezichtsbewegingen die betrouwbaarheid, dominantie, of aantrekkelijkheid uitstralen meer invloed hebben op de sociale beoordeling dan de statische cues.

Niet-perceptuele determinanten

Typicality

Een andere belangrijke factor die de sociale attributies beïnvloedt is de zogenaamde ‘typicality’ van gezichten. Des te meer een gezicht afwijkt van het gemiddelde gezicht, des te meer het als atypisch wordt beschouwd. Atypische gezichten worden als meer onbetrouwbaar beschouwd. Experimentele manipulaties die de typicality van gezichten veranderen zouden moeten leiden tot veranderingen in de sociale attributies. Dit is bevestigd in een wetenschappelijk onderzoek, waarin de participanten gewend raakten aan atypische gezichten, waardoor de typicality en de aantrekkelijkheid ook werden beïnvloedt.

Sociale categorisatie

Sociale categorisatie beïnvloedt gezichtsperceptie. Zo is bijvoorbeeld gebleken dat zodra een gezicht als Afro-Amerikaans wordt beschouwd, er direct stereotypen worden toegepast, ongeacht hoe Afro-Amerikaans het gezicht er uit ziet.

Kennis van de persoon

Ook het hebben van specifieke kennis over de persoon beïnvloedt de gezichtsevaluaties. Het presenteren van bepaald gedrag in combinatie met een gezicht, zorgt er voor dat de participanten direct bepaalde attributies maken. Er is gebleken dat wanneer iemand wordt gepresenteerd met een gezicht dat veel lijkt op het gezicht van zijn/haar partner, de gezichten op dezelfde manier worden geëvalueerd.

Zelfgelijkenis

Gezichten die meer op het eigen gezicht lijken worden positiever geëvalueerd dan gezichten die niet zo veel lijken op het eigen gezicht.

Gevolgen van sociale attributies

Het maken van sociale attributies op basis van gezichten heeft invloed op allerlei dagelijkse gebeurtenissen. Ten eerste wordt politieke voorkeur sterk beïnvloedt. Onderzoek heeft aangetoond dat een politieke kandidaat meer stemmen krijgt als zijn gezicht er meer competent uitziet. Ook kunnen de resultaten van politieke verkiezingen worden voorspeld aan de hand van hoe dominant, sociaal, en bedreigend de gezichten van de kandidaten zijn. Ten tweede spelen sociale attributies een belangrijke rol wanneer het gaat om de rechtspreking, vertrouwen, en schuldbeoordeling. Deze invloed is zelfs zo groot dat er op basis van gezichten voorspellingen kunnen worden gedaan over rechtsuitspraken, schuldbeoordeling, en strafintensiteit. Een derde gebied dat sterk wordt beïnvloedt is de partnerkeuze. Mensen vinden gezichten aantrekkelijker wanneer deze eigenschappen uitstralen waar die persoon naar op zoek is.

Houdt rekening met

Ook al is er veel wetenschappelijk bewijs dat aantoont dat mensen sociale attributies maken op basis van gezichten, er moet toch met een aantal dingen rekening worden gehouden. Ten eerste is de voorspellende kracht van een bepaald gezichtskenmerk afhankelijk van zijn relevantie in het domein waarin gekeken wordt. Zo speelt bij politici competentie een grotere rol, terwijl bij militairen mannelijkheid een grotere rol speelt. Ten tweede kan de invloed van de sociale attributies variëren aan de hand van geslacht en etniciteit.

Ten derde is de invloed van sociale attributies afhankelijk van de karakteristieken van de persoon, zoals kennis. Zo worden mensen met weinig politieke kennis meer beïnvloedt door de competentie van het gezicht van de politicus, terwijl degenen met meer politieke kennis daar minder door worden beïnvloedt. Tot slot wordt de invloed van de sociale attributies beïnvloed door de kennis die de participant vervolgens krijgt over de persoon in de foto.

Nauwkeurigheid van sociale attributies

Het is makkelijk om bepaalde informatie uit een gezicht af te leiden, zoals huidskleur en geslacht. Maar hoe nauwkeurig we andere eigenschappen die minder duidelijk worden uitgedrukt in het gezicht, dat is nog de vraag. Ook al zijn sommige wetenschappers het er niet mee eens, er is toch aangetoond dat mensen redelijk nauwkeurig bepaalde eigenschappen kunnen aflezen van het gezicht (zoals politieke voorkeur, seksuele oriëntatie, en crimineel gedrag). De nauwkeurigheid van deze beoordelingen wordt door wetenschappers nog altijd onderzocht. Zij kunnen dit op verschillende manieren doen. Een manier is het vergelijken van de sociale attributies met objectieve criteria. Het blijkt echter dat mensen andere informatiebronnen negeren wanneer zij worden geconfronteerd met gezichtskenmerken.

Conclusie

Mensen maken meestal overeenkomende sociale attributies. Sociale attributies worden gemaakt op basis van perceptuele en niet-perceptuele determinanten. De perceptuele determinanten kunnen goed worden onderzocht aan de hand van data-gebaseerde methoden. Sociale attributies worden echter gemaakt op basis van complexe interacties, en niet alleen op basis van perceptuele determinanten. Behalve de fysieke structuur van het gezicht kunnen er nog vijf andere determinanten worden geïdentificeerd, namelijk atypicaliteit, sociale categorisatie, evaluatieve kennis, gezichten die lijken op gezichten die we al kennen, en gezichten die lijken op onze eigen gezichten. Gezichten worden dus beoordeeld op basis van informatie van verschillende informatiebronnen. Sommige van deze bronnen zijn universeel, terwijl andere specifiek zijn aan een bepaalde cultuur of idiosyncratisch zijn. Als het maken van sociale attributies nou nergens invloed op zou hebben, zou het misschien minder interessant zijn. Het is echter zo dat sociale attributies bepaalde zeer belangrijke beslissingen beïnvloeden, zoals rechtsuitspraken, en partnerkeuze.

Waarom maken mensen sociale attributies?

Een verklaring waarom mensen sociale attributies maken wordt gegeven door Paul Secord. Hij stelt dat er bepaalde inferentie mechanismen bestaan die er voor zorgen dat wij sociale attributies maken. Een van die mechanismen is ‘temporal extension’. Dit refereert naar de neiging van mensen om bepaalde tijdelijke toestanden te interpreteren als stabiele persoonlijkheidskenmerken. Dit komt overeen met de overgeneralisatie-hypothese. Deze stelt dat mensen makkelijk te verkrijgen gezichtsinformatie gebruiken om sociale attributies te maken die daarmee overeenkomen. Een tweede verklaring die hij geeft is gebaseerd op categorisatie. Mensen zien een gezicht en stoppen die in een bepaalde sociale categorie. Vervolgens gebruiken ze wat ze weten over die sociale categorie, en passen dat toe op de persoon. Een laatste verklaring wordt gegeven door het parataxis mechanisme. Volgens dit mechanisme generaliseren mensen de eigenschappen van mensen die belangrijk voor hen zijn, naar mensen die zij niet kennen maar die op die belangrijke personen lijken.

Access: 
Public
Moving on from the basic theory of facial expressions - Russell - 2015 - Artikel

Moving on from the basic theory of facial expressions - Russell - 2015 - Artikel


Deze auteur heeft de volgende kritiek op de BET. Volgens de auteur is de BET vooral gebaseerd op gezond verstand en te gemakkelijke aannames over gezichtsuitdrukkingen. Er zijn binnen de theorie nog veel onopgeloste conceptuele problemen. Daarbij heeft nieuw onderzoek gewezen op allerlei feiten over gezichten en gezichtsuitdrukkingen, en de BET zou moeten worden herziend. Er zou ook moeten worden gekeken niet naar-emotionele aspecten van gezichtsuitdrukkingen. Tot slot zou er onderscheid moeten worden gemaakt tussen de gezichtsuitdrukking, en de interpretatie van die gezichtsuitdrukking.

De gezichtsuitdrukking

Er bestaan verschillende categorisaties van gezichtsuitdrukkingen. De meeste zijn echter gebaseerd op zeer overdreven gezichtsuitdrukkingen. Wanneer we kijken naar wat de gezichtsuitdrukking veroorzaakt, gaat de BET simpelweg uit van een causaal verband tussen emotie en gezichtsuitdrukking. Het is zo simpel als “geluk doet je lachen” en “pijn doet je huilen”. Er is echter maar weinig bewijs voor dit causale verband. Er zijn heel veel oorzaken die het gezicht doen bewegen, zoals reflexen, zintuigen, en sociale interacties.

De interpretatie van de gezichtsuitdrukking

De BET neemt aan dat mensen emoties bij anderen herkennen. Dit wordt door hen ook wel emotion recognition genoemd. Deze aanname is gebaseerd op studies waarmee personen een bepaalde emotie moeten koppelen aan een bepaalde gezichtsuitdrukking op een foto. Er zijn echter grote methodologische problemen met deze onderzoeken. Ten eerste zouden de resultaten het gevolg kunnen zijn van slecht onderzoeksontwerp (e.g. overdreven gezichtsuitdrukkingen). Ten tweede wordt de gezichtsuitdrukking uit de context gehaald, terwijl men normaal gesproken ook de context gebruikt om de gezichtsuitdrukking te interpreteren. Wat de BET herkenning noemt, kan beter interpretatie worden genoemd. Deze interpretatie wordt beïnvloedt door allerlei factoren, zoals de interesses en motieven en emotionele staat van degene die de gezichtsuitdrukking interpreteert.

Universaliteit

De BET gaat uit van universaliteit van herkenning. Dit betekent dat de basis emoties door iedereen gemakkelijk kunnen worden herkend, ongeacht de cultuur, taal, of opleiding van degene die de gezichtsuitdrukking interpreteert. Er zijn echter wel culturele verschillen gevonden.

Minimale universaliteit

De auteur stelt minimale universaliteit voor. Mensen maken simpele interpretaties van anderen (e.g. is die ander boos of blij?). Vooral als kinderen maken mensen eerst zeer gemakkelijke indelingen van emoties. Maar naarmate kinderen ouder worden, wordt er ook meer gecategoriseerd. Het is dan niet boos versus blij, maar boos omdat ze geen snoepje krijgen versus boos omdat mama niet luistert. Uiteindelijk ontstaan er heel veel verschillende emotionele concepten, die zeker niet gelijk zijn voor alle individuen, talen, en culturen.

Alternatieven

Twee voorbeelden van alternatieven zijn de behavioral ecology view van Fridlund en de appraisal theories van Ortony en Turner. De auteur stelt zelf een alternatief voor. Emotie zou niet moeten worden gezien als een wetenschappelijke term. Het is beter om een bepaald moment of periode als emotioneel te benoemen. Deze periodes bestaan uit veranderingen in bepaalde component processen, zoals periferische fysiologische veranderingen en subjectieve ervaringen. Geen van deze is op zichzelf een emotie. Ook zijn de op zichzelf niet vereist of voldoende om een emotionele periode tot stand te brengen. Elk component heeft zijn eigen semi-onafhankelijke causale proces.

Access: 
Public
The tyranny of choice - Schwartz - 2004 - Artikel

The tyranny of choice - Schwartz - 2004 - Artikel


De Tirannie van keuzes

Amerikanen hebben vandaag de dag veel te kiezen. Logisch gezien lijkt het beter om veel keuzes te hebben, maar onderzoek laat zien dat deze aanname psychologisch gezien verkeerd is. Het is wel goed om een keuze te hebben, maar het hebben van meer opties is niet altijd beter. Het hebben van meer keuzes heeft niet geleid tot meer welzijn. Meer mensen dan ooit tevoren zijn depressief en minder mensen omschrijven zichzelf als erg gelukkig. Dit kan natuurlijk veroorzaakt zijn door andere factoren, maar onderzoeksresultaten wijzen erop dat de explosie van het aantal keuzemogelijkheden een grote rol speelt. Allereerst kan er onderscheid worden gemaakt tussen maximaliseerders (degenen die altijd de beste keus willen maken) en tevredenheidsmensen (degenen die gaan voor ‘goed genoeg’, ondanks dat er betere opties kunnen zijn). Wanneer tevredenheidsmensen iets vinden dat aan hun standaard voldoet, stoppen ze met verder kijken. Maximaliseerders blijven echter verder zoeken en besteden meer tijd aan het vergelijken van beslissingen. Mensen kunnen niet iedere optie bekijken, maar maximaliseerders streven daar wel naar. Dit wordt erg ontmoedigend naarmate het aantal opties toeneemt. Ook worden ze wanneer ze een beslissing hebben gemaakt meer in beslag genomen door de opties die ze niet hebben bekeken. Maximaliseerders maken uiteindelijk betere objectieve keuzen, maar ervaren minder voldoening. Naast de verminderde voldoening, ervaren maximaliseerders ook minder plezier wanneer blijkt dat zij een betere keuze hebben gemaakt dan anderen. Ook ervaren ze vaker spijt. Uit een onderzoek blijkt zelfs dat maximaliseerders minder gelukkig en optimistisch zijn.

Kosten van de mogelijkheden

Verschillende factoren verklaren waarom het hebben van meer keuzes niet altijd beter is, vooral niet voor maximaliseerders. Een van deze factoren gaat over de kosten van de mogelijkheid (opportunity costs). De kwaliteit van een optie kan niet geïsoleerd van de andere opties worden gezien en één van de ‘kosten’ is dat wanneer er een selectie wordt gemaakt, de mogelijkheden verloren gaan dat een andere optie had geboden. Een voorbeeld hiervan is dat het kiezen van een vakantie in Italië ervoor zorgt dat je de goede restaurants in Frankrijk mist. Hierbij kan worden geconcludeerd dat hoe meer opties er zijn, hoe meer je hebt gevoel hebt dat je iets ‘verliest’ wanneer je een keuze maakt en hoe minder tevreden je dus zult zijn met je keuze. Verliezen hebben een veel grotere psychologische impact dan winsten. Verliezen zorgen dat we ons slechter voelen dan dat winsten ons goed laten voelen.

Het probleem van de kosten van de mogelijkheden wordt meer ervaren door maximaliseerders. Het streven naar iets dat goed genoeg is, wat bij tevredenheidsmensen hoort, leidt tot het minder zoeken naar andere mogelijkheden en daardoor zijn er minder keuzemogelijkheden waar de persoon rekening mee moet houden.

Het toevoegen van spijt aan de kosten

Mensen kunnen niet alleen spijt ervaren over de opties die ze hebben moeten laten liggen, maar ook over de keuze die ze hebben gemaakt. Mensen die meer gevoelig zijn voor spijt zijn minder blij, minder gelukkig met het leven minder optimistisch en meer depressief. Dit blijken vaker maximaliseerders te zijn. Hieruit komt de gedachte voort dat het zorgen maken over het mogelijk hebben van spijt in de toekomst over een keuze die ze gemaakt hebben een belangrijke reden is dat mensen maximaliseerders worden. De grootste kans om geen spijt te hebben is in hun ogen het maken van de best mogelijke beslissing.

Spijt kan één reden zijn voor de aversie tegen verliezen. Daarnaast proberen mensen altijd iets uit hun investering te halen. In een onderzoek moest een groep mensen bijvoorbeeld voor de volle prijs kaartjes kopen voor een theater en een andere groep voor een kortingsprijs. Mensen die de kaartjes voor de volle prijs kochten, bleken vaker daadwerkelijk naar de voorstelling te gaan, omdat ze anders meer gevoelens van verlies ervoeren.

Twee factoren die bijdragen aan het gevoel van spijt zijn op die manier:

  • Hoe verantwoordelijk iemand zich voelt over het resultaat

  • Hoe makkelijk het is om een beter alternatief voor te stellen

De aanwezigheid van keuzemogelijkheden activeert beide factoren.

Adaptatie vermindert plezier

Adaptatie heeft ook invloed op de gevolgen die we ervaren aan de hand van het hebben van veel keuzemogelijkheden. Mensen wennen aan dingen en daardoor is er maar weinig in het leven wat zou goed blijkt te zijn als dat we verwachtten. Door adaptatie krijgen mensen dubbel zoveel spijt: allereerst over de opties die ze niet hebben gekozen en daarnaast is er teleurstelling over wat er wel is gekozen, ook al was die beslissing niet slecht.

Door het adaptatie blijft enthousiasme namelijk niet behouden. Mensen ervaren minder lang plezier van iets dan ze verwachten en het opnieuw zoeken naar plezier over tijd blijkt zich altijd voor te doen als een onwelkome ‘verassing’. Deze teleurstelling is sterker wanneer er meer opties zijn. Hoe meer mensen investeren in keuzes (mogelijkheidskosten en de geïnvesteerde tijd) hoe meer mensen tevredenheid over de keuze verwachten. Wanneer de beslissing echter maar voor korte tijd plezier met zich mee brengt, lijken de kosten ineens heel groot.

Het hebben van veel opties kan ook negatief zijn door de verhoogde verwachtingen. Hoge verwachtingen garanderen bijna dat de ervaring tekort schiet.

Wat kan er worden gedaan

De consequenties van het hebben van veel keuzes kan veel verder gaan dan teleurstelling. Het kan leiden tot minder geluksgevoelens en meet depressieve gevoelens. Mensen ervaren de consequenties van hun keuzes en wanneer ze niet voldoen aan de verwachtingen geven ze zichzelf de schuld. Hiernaast is een hoge correlatie gevonden tussen maximaliseerders en metingen van depressie. Dit artikel heeft niet de betekenis dat het beter zou zijn om alle opties weg te halen. De relatie tussen keuzemogelijkheden en welzijn is gecompliceerd. De mogelijkheid om te kiezen heeft een enorm positief effect op mensen, maar dit geldt maar tot op een bepaald punt. Wanneer het aantal keuzemogelijkheden toeneemt, neemt het aantal voordelen voor mensen af en daarmee vermeerderen de negatieve effecten.

Individuen kunnen zeker stappen nemen om keuze-gerelateerde stress te verminderen, deze acties vereisen oefening, discipline en een nieuwe wijze van denken. Daarnaast moet in de samenleving de waarde van keuzes worden bekeken.

Access: 
Public
When words decide - Schwartz - 2007 - Artikel

When words decide - Schwartz - 2007 - Artikel


Het effect van taal op de keuzes die mensen maken

Stel je voor dat er een Aziatische ziekte is uitgebroken, waaraan 600 mensen zullen sterven wanneer er niks wordt gedaan. Er kan een medicijn worden gemaakt wat in ieder geval 200 levens redt, of een medicijn waarbij de kans 1/3e is dat iedereen wordt gered en 2/3e dat niemand wordt gered. Stel nu datzelfde verhaal, maar dan omschreven in termen van verliezen: bij A gaan in ieder geval 400 mensen dood, bij B is de kans 1/3e dat niemand dood gaat en 2/3e dat iedereen dood gaat. Wanneer een verhaal in termen van verliezen is omschreven kiezen mensen vaak voor een risico en wanneer een verhaal in termen van winst is omschreven kiezen ze voor een zekere optie. Dit geldt ook wanneer de verschillende opties in beide verhalen tot hetzelfde resultaat leiden (A leidt altijd tot 200 doden, B leidt altijd tot een mogelijkheid dat iedereen dood gaat of iedereen overleeft). De logica stelt dat mensen dezelfde keuze maken en dat de verwoording van een situatie en de opties daarin geen invloed zou moeten hebben. Waarom kiezen mensen dan toch voor andere opties?

Mensen reageren anders wanneer verhalen worden omschreven in termen van verliezen dan wanneer verhalen worden omschreven in termen van winst dit wordt het loss-versus-gain effect genoemd. Wanneer er moet worden gekozen tussen positieve uitkomsten, kiezen mensen meer voor een zekere optie. Mensen zijn meer geneigd tot het nemen van risico’s wanneer er wordt gekeken naar mogelijke verliezen. Na dit onderzoek zijn er veel meer voorbeelden ontdekt waarbij de formulering een sterke invloed heeft. Naast dit loss-versus-gain effect kunnen mensen ook in een bepaalde richting gestuurd worden aan de hand van een default optie. Dit is een onuitgesproken optie die mensen krijgen wanneer zij géén keuze maken. Mensen hebben geen sterke voorkeuren of waarden, maar vormen deze aan de hand van de vragen die worden gesteld of de opties die worden voorgelegd.

Winsten en verliezen

Keuzes die logisch gezien aan elkaar gelijk zijn, hoeven dat psychologisch niet te zijn. In de prospect theorie wordt de relatie tussen het objectieve en het subjectieve in relatie tot winst en verlies bekeken. De mate van geluk wordt niet in een lineaire relatie vergroot met de mate van winst. De subjectieve staat van iemand verbeterd een stuk langzamer dan de objectieve winst totdat er een situatie ontstaat waarbij er nauwelijks een verandering is in iemands tevredenheid. Dit heet in economische termen ‘dismishing marginal utility’. Dit betekent bijvoorbeeld dat het redden van 600 levens niet 3 keer zo goed voelt als het redden van 200 levens. Het risico nemen om alle 600 levens te redden voelt psychologisch daarom als een slechte gok. Wanneer het gaat om de negatieve kant, het aantal doden, verdwijnen de veranderingen in iemands psychologische staat wanneer de situatie slechter wordt. Het verliezen van 600 levens voelt op die manier niet drie keer zo slecht aan als het verliezen van 200 levens. Het risico nemen om niemand te verliezen voelt daarom aan als een goede psychologische gok. Bij de prospect theorie hoort ook dat mensen zich slechter voelen over een verlies dan dat ze zich goed voelen over een winst. Mensen richten op het verminderen van verlies werkt dus meer motiverend dan het richten op de zekerheid op winst.

De kracht van stilte

Een andere machtige manier van beïnvloeden is door iets ongezegd te laten. Dit kan beschreven worden aan de hand van orgaandonaties. Wanneer mensen actie moeten ondernemen om géén donor te zijn, staat 90% van de mensen ingeschreven als donor.

Wanneer mensen zich kunnen aanmelden als donor in plaats van dat ze automatisch staan ingeschreven, is maar 25% van de mensen donor. De verzuim-optie is in beide gevallen tegenovergesteld aan elkaar. De invloed hiervan is zo groot door de onoplettendheid van mensen. Mensen kunnen niet overal aandacht aan besteden. Ook nemen mensen aan dat de optie waar ze niks voor hoeven doen de beste en aangeraden optie is. Beleidsmakers kunnen mensen zo een richting op sturen die hun welzijn vergroot.

Matchmaker

Een derde grote invloed van het maken van een keuze is de context. De aantrekkelijkheid van een optie wordt ook bepaald door waar de optie mee vergeleken wordt. Wanneer een broodmachine 275 euro kost, lijkt dit misschien veel. Wanneer er daarna echter een meer luxe variant op de markt komt die 475 euro kost, wordt de eerste machine (van 275 euro) ineens een stuk meer verkocht. Dit komt doordat de duurdere broodmachine de oude versie een hele goede deal laat lijken. Een goed gestructureerde vraag kan op die manier een project met weinig prioriteit meer in de aandacht brengen bij mensen. Een groot kader kan juist weer leiden tot verminderde aandacht. Door dit te controleren kan de publieke opinie erg gestuurd worden.

Ware leugens

Weten mensen wel wat ze willen? Deze vraag komt naar voren uit de voorgaande invloeden. Mensen zien zichzelf als rationeel en denken dat ze de beste optie kiezen. Onderzoek laat echter iets anders zien. Het is dus erg moeilijk om de echte waarden en voorkeuren van mensen te leren kennen.

Toepasbaarheid en toegankelijkheid

Vaak kan input in meerdere, verschillende categorieën worden gecodeerd, elk met andere implicaties. Als gevolg hiervan kan dezelfde input soms heel anders geïnterpreteerd worden. Wanneer een stimulus in een bepaalde categorie gecodeerd moet worden, moet de categorie toepasbaar en toegankelijk zijn. Toepasbaarheid houdt in dat de categorie potentieel gebruikt moet kunnen worden om betekenis te geven aan de stimulus. Toegankelijkheid of beschikbaarheid verwijst naar de moeite waarmee voorafgaande kennis opgehaald kan worden uit het geheugen. Toegankelijkheid en toepasbaarheid zijn logisch onafhankelijk.

Frequentie, recency & priming

Twee algemene principes beïnvloeden de toegankelijkheid van voorafgaande kennis: frequentie en recency. Ten eerste wordt informatie die net gebruikt is sneller opgehaald dan informatie die veel langer geleden gebruikt is (recency). In de tweede plaats is informatie die vaak gebruikt wordt eenvoudiger op te halen dan informatie die niet vaak gebruikt wordt (frequentie). Het recency principe komt duidelijk naar voren in priming experimenten, waarbij recent geactiveerde categorieën toegankelijkheid versterken. Priming kan gezien worden als informatie activatie, waardoor de informatie eerder gebruikt zal worden in de verdere verwerking. Een van de bekendste priming experimenten is dat van Higgins, Rholes en Jones (1977). Participanten moesten een target persoon, Donald, beoordelen op basis van een ambigue beschrijving. Voorafgaand aan die taak kregen ze een lijst met woorden te zien, waarvan sommige woorden toepasbaar waren op de beoordeling van Donald, op een positieve of negatieve manier. Alleen de toepasbare woorden werden gebruikt om een oordeel te vormen. Het oordeel was positief wanneer deze woorden positief waren, en negatief wanneer de woorden negatief waren.

Een belangrijke assumptie van primingonderzoek is dat individuen niet zoeken naar bepaalde categorieën die relevant zijn voor het coderen van een bepaalde stimulus input. Vanwege capaciteitsbeperkingen kunnen individuen niet alle categorieën nagaan; ze moeten het zoekproces afkappen (truncate the search process) wanneer ze een toepasbare categorie gevonden hebben. De mate waarin gezocht wordt hangt af van de verwerkingscapaciteit en motivatie van individuen. Ze gebruiken cognitieve mechanismen die simplificatie van het benodigde proces toestaan en een hoge mate van efficiëntie en adaptieve waarde hebben.

Opslaan en ophalen

Individuen kunnen de gecodeerde informatie gebruiken voor de onmiddellijke situatie, maar ook in latere situaties. Om informatie opnieuw te kunnen gebruiken, moet het worden opgeslagen in het geheugen. Hoe meer een individu denkt aan bepaalde informatie, hoe waarschijnlijker het wordt opgeslagen in het geheugen. Aandachttrekkende informatie wordt bijvoorbeeld eerder opgeslagen en opgehaald dan andere informatie. In de tweede plaats coderen individuen vaak hun codering van de stimulus input, en niet te stimulus zelf (zie box 2.2). Informatie moet zo efficiënt mogelijk worden opgeslagen, zodat het later zo snel mogelijk weer kan worden opgehaald als de informatie nodig is. De verwerkingsdoelen en voorafgaande kennis dragen bij aan de opslagprocessen. De werking van deze verwerkingsdoelen komt naar voren in onderzoek van Hamilton, Katz en Leirer (1980; zie boek blz. 40).

De invloed van voorafgaande kennis op opslagprocessen

Individuen hoeven niet altijd passende kennisstructuren te creëren: ze kunnen uitgaan van hun voorgaande kennis, die al een kennisstructuur biedt. Wanneer er al zo’n kennisstructuur aanwezig is, is het voldoende om een link te leggen met de kennisstructuur, in plaats van het opnieuw opslaan van informatie. Consistente informatie kan hierdoor eenvoudiger en preciezer worden opgehaald. Tegenover dit voordeel staat het nadeel van intrusion errors, waarbij een individu algemene kennis gebruikt om informatie te reconstrueren terwijl dit geen deel uitmaakte van de gegeven informatie. Inconsistente informatie kan niet worden gereconstrueerd aan de hand van voorafgaande kennis. Dit betekent niet dat inconsistente informatie verloren gaat. Inconsistente informatie vraagt over het algemeen meer aandacht, en individuen gebruiken meer verwerkingsbronnen om hiermee om te kunnen gaan. Hoe meer individuen aan iets denken, hoe eerder het opgehaald zal worden, omdat er voldoende verwerkingsbronnen waren tijdens het coderen en opslaan. Consistente en inconsistente hebben dus allebei ophaalvoordelen, maar om verschillende redenen. De verschillende thema’s die in het begin van het hoofdstuk zijn beschreven komen ook hierin terug: opslag en ophalen hangt af van voorafgaande kennisstructuren (thema 1) en de hoeveelheid verwerking (thema 3). Bovendien komt opnieuw de adaptieve waarde van menselijke cognitie naar voren: individuen simplificeren hun processen waar mogelijk (consistente informatie) en gebruiken meer verwerkingsbronnen waar nodig (inconsistente informatie).

Verdere verwerking, inferenties, oordelen en beslissingen

Om aan de verwachtingen van de sociale wereld te voldoen moeten individuen informatie, na het coderen en ophalen van informatie, verder verwerken. Ze moeten inferenties, oordelen en beslissingen maken. Het is soms lastig om onderscheid te maken tussen deze processen. Ze delen hun constructieve kwaliteit, en vooral in deze processen komt naar voren hoe individuen gebruik maken van informatie die niet gegeven was.

Een belangrijke vorm van inferentie is de manier waarop individuen algemene disposities afleiden op basis van specifieke gedragingen. De neiging om gedrag van anderen toe te wijzen aan disposities in plaats van situationele factoren wordt ook wel de fundamentele attributiefout genoemd. Het overwegen van situationele factoren vraagt om extra verwerkingsbronnen, die individuen soms niet willen of kunnen inzetten. In het algemeen kunnen inferenties ook worden gezien als oordelen, die soms worden beschouwd als het eindpunt van de opeenvolging van informatieverwerking. Oordelen zijn lastig te onderscheiden van beslissingen, en veel onderzoekers weerhouden zich ervan om een onderscheid te maken. Een mogelijk verschil is dat oordelen meestal laten zien dat een individu het target een locatie toewijst langs een bepaalde dimensie of continuüm, terwijl beslissingen vaak inhouden dat individuen een keuze maken uit twee of meer opties. Dit verschil wordt verzwakt wanneer oordelen worden gezien als een selectie van verschillende alternatieven van de onderliggende dimensie.

Het selecteren, wegen en integreren van informatie

Het oordeel van een individu verwijst naar de inhoud van de informatie die in gedachten komt wordt wanneer het oordeel wordt gevormd. Aan de ene kant bevat deze informatie voorafgaande kennis uit het geheugen, en aan de andere kant de stimulus input van de situatie. Ook de beoordelingsprocessen worden sterk beïnvloed door verwerkingsbeperkingen. Omdat individuen capaciteitsbeperkingen hebben wordt niet alle informatie overwogen of opgehaald; in plaats daarvan gaan ze uit van een subset van informatie die gevormd wordt door het afkappen van het zoekproces wanneer relevante informatie gevonden is. De recency en frequentie principes beïnvloeden welke informatie gebruikt wordt. Ook nu kunnen individuen in meerdere of mindere mate informatie verwerken (thema 3) afhankelijk van de persoonlijke relevantie en beschikbare verwerkingsbronnen. Beperkingen in motivatie en capaciteit zorgen voor een stijging van de invloed van stereotypes op de impressies van individuen over andere personen. Bovendien kan uit worden gegaan van perifere cues, zoals de aantrekkelijkheid van een spreker. In hoofdstuk E wordt uitgebreid beschreven hoe mensen informatie selecteren, wegen en integreren (zie ook box 2.3).

Heuristieken als oordeel-short cuts

Vaak is het selecteren, wegen en integreren van informatie een complexe taak, zelfs als mensen dit simplificeren door de zoektaak af te kappen. Om met deze complexiteit om te kunnen gaan maken individuen gebruik van heuristieken. De meest prominente heuristieken werden geïntroduceerd door Tversky en Kahneman (1973). Een voorbeeld van een heuristiek is de beschikbaarheidheuristiek, waarbij individuen hun oordelen niet alleen baseren op de inhoud van de geactiveerde informatie, maar ook op de eenvoud waarmee deze informatie in je gedachten komt. De assumptie achter deze heuristiek is dat wanneer exemplaren van een categorie makkelijk in je gedachten komen, er hier ook veel van zullen zijn. Over het algemeen zijn heuristieken accuraat, maar niet altijd. Heuristieken komen uitgebreider aan bod in hoofdstuk D.

De selectie van een gedragsrespons

Een belangrijk idee uit de sociale cognitie houdt in dat het gedrag van individuen gebaseerd is op hun interne representaties van hun sociale wereld; op hun inferenties, oordelen en beslissingen. Deze gedragsrespons kan verschillende vormen aannemen. In de eerste plaats kunnen individuen hun oordelen direct communiceren naar andere personen. Dit kan de interactie tussen individuen versterken.

Bovendien kunnen individuen direct feedback krijgen en hun wereldbeelden vergelijken, wat een ondersteuning kan zijn van hun zelfbeeld of de accuraatheid van de informatie. In de tweede plaats vormen interne beslissingen en oordelen de basis voor het hele spectrum van gedrag. De gecommuniceerde oordelen en gedragingen komen niet altijd overeen met de interne representatie van het te beoordelen target. Bovendien nemen individuen ook andere aspecten van de situatie me, afgezien van het target, zoals sociale normen. De interactie tussen sociale normen en attitudes komt naar voren in theorie van gepland gedrag van Fishbein en Azjen (1974;1980). Attitudes beïnvloeden meestal het gedrag, maar kunnen soms overstemd worden door sociale normen.

Access: 
Public
Evil Acts and Milicious Gossip: A Multiagent Model of the Effects of Gossip in Socially Distributed Person Perception - Smith - 2014 - Artikel

Evil Acts and Milicious Gossip: A Multiagent Model of the Effects of Gossip in Socially Distributed Person Perception - Smith - 2014 - Artikel


Inleiding

Het proces van persoonswaarneming speelt een centrale rol bij bijna al het menselijke sociale gedrag. Er is veel onderzoek naar gedaan. In het meeste onderzoek lag de focus op cognitieve en affectieve processen in de individuele waarnemer. Onderzoeksparticipanten worden meestal geïsoleerd en krijgen gecontroleerde stimuli aangeboden, op basis waarvan ze een oordeel moeten vellen of een beslissing moeten maken. Deze benadering laat echter een belangrijk aspect van persoonswaarneming buiten beschouwing: in het dagelijks leven is persoonswaarneming geen individueel proces, maar is het een vorm van sociaal verspreide cognitie. Waarnemers delen hun indrukken met anderen en maken gebruik van andermans informatie. Kortom, mensen roddelen.

Theoretische achtergrond

Definitie

Roddelen wordt meestal gedefinieerd als informeel praten over afwezige derde partijen. Er kan zowel over positieve als negatieve dingen worden gepraat.

Perspectieven

Sociologische en sociaal-psychologische perspectieven benadrukken vaak de rol van roddelen bij normhandhaving of sociale controle. Het feit dat anderen over je zouden kunnen roddelen, heeft een afschrikwekkend effect, wat bijvoorbeeld leidt tot een grotere bijdrage aan een groepsopdracht. Roddelen heeft ook andere functies:

  • Door het verspreiden van informatie over normschendingen, leren groepsleden de inhoud van die normen.

  • Geroddel is bevorderlijk voor banden tussen mensen die samen roddelen.

  • Roddelen is een manier om macht uit te oefenen. De status van de roddelaar kan worden verbeterd door positieve informatie over vrienden te delen en negatieve informatie over vijanden.

  • Roddelen dient voor ontspanning en vermaak.

Geroddel is ook onderzocht vanuit de evolutionaire biologie. Hierbij is met name gekeken naar de rol ervan bij de evolutie van coöperatie. Wederkerige coöperatie (ik werk met jou samen, als jij met mij samenwerkt) is één manier waarop coöperatie ontstaat. Echter, naarmate populaties groter worden, komen eenmalige interacties met vreemden vaker voor dan herhaaldelijke interacties met bekenden. Wederkerigheid alleen is dan onvoldoende. In dit geval is indirecte wederkerigheid een oplossing: ik werk met jou samen, als jij met anderen samenwerkt. De kennis over andermans algemene coöperatie is gebaseerd op diens reputatie, die verspreid wordt door geroddel. Roddelen is dus nuttig om normschenders te identificeren, zodat anderen niet met hen zullen samenwerken.

Onjuist geroddel

Hoe kunnen ontvangers voorkomen dat ze misleid worden door onjuiste roddels? De effecten van onjuist geroddel kunnen worden verminderd als men roddels van meerdere bronnen ontvangt.

Sociaal-psychologische overwegingen

Het nut van roddelen

Mensen roddelen regelmatig. Anderen kunnen informatie geven over mensen, die je zelf moeilijk zou kunnen verkrijgen, zoals in het geval van zeldzaam negatief gedrag. Een sociaal netwerk kan worden beschouwd als een verspreid surveillancesysteem, dat het gedrag van leden van het netwerk effectiever kan monitoren dan één waarnemer alleen zou kunnen. Uit onderzoek blijkt dat mensen meer vertrouwen op roddels dan op zelfrapportage door de ander, in een context waarin een positieve zelfrapportage overdreven kan worden.

Mogelijke onbetrouwbaarheid van roddels

Roddelen kent ook beperkingen. Informatie van anderen kan minder betrouwbaar zijn dan informatie uit de eerste hand. Hiervoor zijn meerdere redenen:

  • Het doelwit (degene over wie geroddeld wordt) kan verschillende individuen op een verschillende manier benaderen.

  • Verschillende waarnemers passen in het proces van persoonswaarneming verschillende vooroordelen, stereotypes en schema’s toe. Zelfs als het doelwit zich consistent gedraagt, kan de indruk van waarnemer A verschillen van die van B.

  • In het communicatieproces kunnen vooroordelen sluipen. Het kan zijn dat naarmate communicatie van de ene persoon naar de andere gaat, het meer stereotypisch wordt.

  • Bij gecommuniceerde informatie over het gedrag van het doelwit kan belangrijke situationele informatie worden weg gelaten, wat leidt tot een meer extreme indruk.

  • Roddels kunnen opzettelijk worden gemanipuleerd.

Het vermijden van invloed van onjuiste roddels

Hoe kunnen mensen voorkomen dat ze beïnvloed worden door onopzettelijk bevooroordeelde dan wel opzettelijk gemanipuleerde roddels? Eén manier is om mensen te identificeren die valse roddels verspreiden en hen als onbetrouwbaar te bestempelen. Deze strategie is echter vaak om meerdere redenen niet effectief:

  • De boodschapper kan liegen over de bron van de roddel.

  • Boodschappers kunnen de bron van een specifieke roddel zijn vergeten.

  • Zelfs als boodschappers weten dat zij een roddel van persoon X hebben gehoord, weten zij vaak niet van wie persoon X de roddel heeft gehoord.

  • De validiteit van een roddel wordt niet vastgesteld als je dezelfde roddel van twee of meer afzonderlijke mensen hoort, omdat deze mensen de informatie van een gemeenschappelijke bron gekregen zouden kunnen hebben.

Een andere benadering om te voorkomen dat je wordt beïnvloedt door onjuiste roddels is gebaseerd op de inhoud van de roddel. Als je een roddel hoort, die significant afwijkt van je eigen kennis, kun je deze veronachtzamen. Er is bewijs dat mensen dit doen. Een andere op inhoud gebaseerde strategie om de betrouwbaarheid van een roddel te beoordelen, is het vergelijken van twee of meerdere roddels. Als ze overeenkomen, is de kans groter dat ze kloppen. Kan een dergelijke strategie ervoor zorgen dat je gebruik kunt maken van de waardevolle functies van roddelen, terwijl je voorkomt dat je beïnvloed wordt door valse roddels?

Doelen van dit artikel

Dit artikel onderzoekt deze vraag met behulp van multiagent modeling. Multiagent modeling is een manier om de resultaten te begrijpen, die zouden ontstaan als meerdere processen interafhankelijk en tegelijkertijd werkzaam zouden zijn. Het is een set van gesimuleerde vertegenwoordigers die mensen representeren, die specifieke gedragsregels volgen. Het model wordt op de computer uitgevoerd. Smith en Collins hebben een multiagent model ontwikkeld, dat drie algemene processen omvatte. In dit artikel wordt een aangepaste versie van dit model gebruikt.

Overzicht van het model

Het model omvat 20 doelwitten die verschillende gedragingen vertonen. Daarnaast omvat het model 20 observatoren, die indrukken van de doelwitten vormen die gebaseerd zijn op die gedragingen. Een indruk in dit model is een cijfer, dat valentie representeert. Nul is neutraal, negatieve waarden duiden erop dat de observator een hekel aan een doelwit heeft en positieve waarden betekenen dat de observator een doelwit aardig vindt.

Aannames over het proces van persoonswaarneming

De kern van het model bevat aannames van Denrell. Observatoren en doelwitten interacteren in tweetallen. In iedere trial vertoont het doelwit een gedraging met een valentie die gebaseerd is op een normale verdeling met een vaststaand gemiddelde (+0.5) en een standaardwijking van 1.0. Het ietwat positieve gemiddelde representeert de aanname dat positieve gedragingen vaker voorkomen dan negatieve gedragingen. Bij een nieuwe gedragsobservatie wordt het gemiddelde berekend van de nieuwe en oude indruk. Negatieve informatie weegt dus niet zwaarder dan positieve informatie. Daarnaast neemt Denrell aan dat observatoren hun huidige indruk gebruiken om te beslissen of zij in de toekomst met een doelwit zullen interacteren. Naarmate de indruk negatiever is, is de kans op interactie kleiner.

Aannames over roddels

Aangenomen wordt dat iedere observator een bepaald deel van de trials roddelt, waarbij roddelen een directe interactie met een doelwit vervangt. In het model kunnen twee verschillende versies van geroddel worden gebruikt:

  • Gericht geroddel: observator X kiest observator Z en vraagt Z naar zijn indruk van doelwit Y (het doelwit waarmee observator X anders tijdens deze trial zou hebben geïnteracteerd). De indruk van Z wordt gebruikt om X’s huidige indruk van doelwit Y te updaten. Hierbij wordt het gemiddelde genomen van de indruk van Z en X.

  • Interessant geroddel: observator X vraagt observator Z naar zijn indruk van het doelwit van wie hij de meest negatieve indruk heeft. Deze indruk wordt gebruikt om de huidige indruk van X van dat doelwit te updaten.

Tot slot wordt in één versie van het model aangenomen dat observatoren proberen zichzelf te beschermen tegen onjuiste roddels. Als roddels informatie bevatten die meer dan 1 punt afwijken van hun eigen huidige indruk van het doelwit, neemt de observator deze roddel niet in acht.

Kwaadaardige doelwitten en observatoren

In dit artikel worden twee versies van het model gebruikt. In het eerste model wordt aangenomen dat een klein deel van de doelwitten (4 van de 20) kwaadaardig zijn. Bij 5% van de trials vertonen zij erg negatief gedrag met een gemiddelde dat 5 punten lager ligt dan het algemene gemiddelde (-4.5 in plaats van 0.5). In alle andere gevallen heeft hun gedragingen een iets hoger gemiddelde van 0.75, zodat hun gedragingen over het geheel genomen dezelfde gemiddelde valentie (0.5) hebben als alle andere doelwitten. Kunnen observatoren indrukken vormen, die onderscheid maken tussen de kwaadaardige en normale doelwitten?

Om gedifferentieerde indrukken te vormen, moet het proces van beeldvorming zorgen voor non-lineaire effecten, zodat een ervaring van extreem negatief gedrag niet gecompenseerd kan worden door meerdere daaropvolgende positieve gedragingen. Twee aspecten van het model kunnen non-lineaire effecten genereren:

De versie van het model, waarin observatoren op basis van hun huidige indruk actief beslissen of zij met een doelwit zullen interacteren. Dit beslissingsproces betekent dat één enkele negatieve gedraging de indruk zo negatief kan maken, dat de kans op toekomstige interacties wordt verkleind.

Het interessante roddelmodel, waarbij één enkele negatieve gedraging de indruk van het doelwit zo negatief kan maken dat de kans groot is dat deze informatie via roddels verspreid wordt naar andere observatoren, totdat compensatie door positieve gedragingen niet meer mogelijk is.

In de tweede versie van het model zijn alle doelwitten normaal en hebben al hun gedragingen het gemiddelde van 0.5. Echter, één observator verspreidt negatieve roddels over vier specifieke doelwitten. Zijn de andere observatoren gevoelig voor deze negatieve, onjuiste roddels en vormen zij indrukken van de specifieke doelwitten die negatiever zijn dan de indrukken van de andere doelwitten?

Discussie

Wat betreft het identificeren van kwaadaardige doelwitten blijkt uit de onderzoeksresultaten het volgende: observatoren die onvoorwaardelijk met de doelwitten interacteren en niet roddelen, zijn niet in staat om de kwaadaardige doelwitten te detecteren. Observatoren die keuzes over interacties baseren op hun indruk van een doelwit of die roddelen, zijn daarentegen wel in staat om de kwaadaardige doelwitten te onderscheiden. Interessant geroddel is effectiever dan gericht geroddel. Met betrekking tot het tweede probleem (het vermijden van onjuist, negatief geroddel) blijkt uit het onderzoek dat het veronachtzamen van roddels die teveel van de eigen huidige indruk afwijken, bescherming biedt tegen onjuiste roddels. Over het algemeen is de beste strategie voor observatoren als volgt:

  • Beslis in iedere situatie op basis van je huidige indruk of je met een doelwit zal interacteren.

  • Roddel om gebruik te maken van andermans indrukken in plaats van volledig op je eigen observaties te steunen.

  • Veronachtzaam roddels, die teveel afwijken van je eigen huidige indruk.

Het veronachtzamen van afwijkende roddels beschermt dus tegen kwaadaardige observatoren. Echter, waarom zorgt dit niet voor beschadiging van het vermogen om te leren over de daadwerkelijke kwaadaardige doelwitten? Het antwoord op deze vraag is dat roddels door overdracht van de ene op de andere observator wordt gefilterd en aangepast. Als observator A een gemiddelde indruk (0.5) heeft van een kwaadaardig doelwit en vervolgens een zeldzame, extreem negatieve gedraging (-4.5) observeert, is de uiteindelijke indruk het gemiddelde van die twee (-2.0). Stel, observator A communiceert deze indruk naar observator B met een indruk van -1.5. De indruk van observator A valt dan binnen de range (+1.0 of -1.0), zodat het niet als afwijkend wordt beschouwd. Hierdoor wordt de indruk van observator B negatieve (-1.75). Als dit proces wordt herhaald, kan worden gezien dat herhaaldelijke voerdracht van de indruk van de ene persoon naar de ander de indruk filtert. Hierdoor wordt de extreme negativiteit ervan verminderd.

Beperkingen

Een belangrijke beperking vanwege de abstractie van het model is dat de meeste parameter waarden arbitrair zijn. Het is belangrijk om met behulp van een onzekerheidsanalyse aan te tonen dat het gedrag van het model niet gevoelig is voor de specifieke waarden van de parameters. Uit de onzekerheidsanalyse komt naar voren dat de patronen in de resultaten ongeveer hetzelfde blijven bij variërende parameter waarden. Ze zijn dus niet uniek voor een specifieke set van vaststaande waarden.

Vervolgonderzoek

Een kleine uitbreiding van het model zou observatoren in staat stellen om bij te houden welke roddels zij van wie horen. Dit zou een andere strategie mogelijk maken om te voorkomen dat je door onjuiste roddels wordt beïnvloed: afwijkende roddels alleen gebruiken als dezelfde informatie is gehoord van twee of meer verschillende bronnen. Echter, zelfs als je informatie van meerdere bronnen hoort, is het mogelijk dat de roddel onjuist is.

Er zijn twee andere manieren waarop het model uitgebreid zou kunnen worden. Voor beide manieren moet het model worden veranderd, zodat de observatoren en doelwitten dezelfde individuen zijn. De eerste uitbreiding is dat observatoren niet alleen indrukken van anderen als individuen vormen, maar ook van hun relaties. Als observatoren informatie over relaties kunnen verzamelen, kan dit helpen bij het bepalen van de waarde die gehecht moet worden aan een roddel. Als A bijvoorbeeld positieve dingen vertelt over B (de beste vriend van A) of negatieve dingen over C (een vijand van C), kun je de roddel negeren. Daarnaast zou het model kunnen worden uitgebreid met de optie dat roddels over relaties kunnen zijn in plaats van over individuen.

Een tweede uitbreiding van het model betreft metaroddels. De aanname zou kunnen worden toegevoegd, dat de observator een indruk van de bron van afwijkende roddels opslaat als onbetrouwbaar. Dit maakt het mogelijk om toekomstige roddels van dezelfde bron te veronachtzamen. Die indruk kan daarnaast worden overgedragen naar andere observatoren. Dit is roddelen over roddelen, oftewel metaroddelen. Zowel roddels als metaroddels kunnen onopzettelijk bevooroordeeld of opzettelijk gemanipuleerd, en dus onbetrouwbaar zijn.

Het probleem van uitbreidingen van het model is niet technisch, maar conceptueel: als een model een bepaald niveau van complexiteit bereikt, worden de onderliggende redenen voor het gedrag ervan vaag en wordt het doel van modeling (het beter begrijpen van een fenomeen) uit het oog verloren.

Een laatste manier om dit model verder te ontwikkelen, is het doen van empirisch onderzoek naar de processen die in het model worden aangenomen.

Access: 
Public
Attitudes and attitude change - Bohner & Dickel - 2011 - Artikel

Attitudes and attitude change - Bohner & Dickel - 2011 - Artikel


Attitude

Een attitude is een evaluatie van een object of een gedachte. Een attitude object kan van alles zijn, zoals een ding, een persoon, groepen, of ideeën. Niet iedereen is het eens met deze definitie, en in de wetenschappelijke wereld bestaat er een heel spectrum van definities. Aan de ene kant van dit spectrum gelooft men dat attitudes stabiele entiteiten zijn, die zijn opgeslagen in het geheugen. Dit wordt ook wel de ‘stable-entity view’ genoemd. Aan de andere kant van het spectrum gelooft men dat attitudes tijdelijke beoordelingen zijn, die in het moment worden geconstrueerd op basis van de informatie die op dat moment beschikbaar is. Dit noemt men de constructionistische benadering. Tussen deze twee uitersten bestaan er nog allerlei gematigde benaderingen.

‘Stable-entity view’

We bespreken nu twee modellen die zich aan deze kant van het spectrum bevinden. Beide modellen beschouwen attitudes als lange termijn geheugen structuren. De eerste is de MODE. Dit staat voor ‘Motivation and Opportunity as Determinants’. Volgens dit model is de representatie van een object verbonden aan een globale evaluatie. Het tegenkomen van dit object, laat de globale evaluatie naar voren komen aan de hand van een associatieve link. Een ander voorbeeld is het MCM. Dit staat voor ‘Meta-Cognitive Model’. Dit model is te vergelijken met de MODE, maar bevat daarnaast ook de mogelijkheid dat een object is verbonden aan meer dan één evaluatie met variërende associatieve kracht.

Constructionistische benadering

Aan deze kant van het spectrum worden attitudes gezien als evaluatieve beoordelingen die worden geconstrueerd in het moment en zijn gebaseerd op de op dat moment beschikbare informatie. Een voorbeeld van een model aan deze kant van het spectrum is het APE, dat staat voor ‘Associative-Propositional Evaluation’. Beide benaderingen hebben sterke en zwakke punten. Er is veel bewijs dat evaluatieve beoordelingen beïnvloed worden door de context, maar er is ook bewijs dat veel attitudes stabiel zijn door de tijd heen en in veranderende contexten. Toekomstig onderzoek zou beide benaderingen moeten combineren, en rekening moeten houden met zowel de stabiele aspecten als de variabele aspecten van attitudes.

Het meten van attitudes

De meest gebruikte methode voor het meten van attitudes is zelfrapportage. Hierin wordt een respondent direct gevraagd om een attitude object te evalueren door middel van een numerieke respons. Deze methode gaat er van uit dat mensen bereid zijn en in staat zijn om precies aan te geven wat hun attitude is. Dit is helaas niet het geval. Mensen zijn zich niet altijd bewust van hun attituden en soms willen ze liever hun werkelijke attitude niet aangeven. Als gevolg van deze problemen zijn nieuwe methoden geïntroduceerd om impliciete attitudes te meten. De meest populaire zijn de ‘implicit association test’ en de ‘evaluative priming task’. Het onderliggende idee bij deze methoden is dat evaluatieve associaties in de gedachten van de observeerder verschillende niveaus van interferentie veroorzaken. Door het meten van de verschillen in response tijden worden de impliciete attitudes gemeten.

Studies die gebruik hebben gemaakt van zowel impliciete als expliciete methoden hebben gemengde resultaten opgeleverd. In sommige studies hadden beide methoden parallelle verandering, terwijl in andere studies er wel impliciete attitudeverandering was, maar geen expliciete attitudeverandering.

Attitudeverandering

De auteurs van dit artikel volgen een gematigde attitude benadering. Volgens hen gaat attitude verandering zowel over het terughalen van opgeslagen informatie, als om het overwegen van nieuwe evaluatieve informatie. Het heeft daarom ook geen zin om een onderscheid te maken tussen attitudeformatie en attitudeverandering. Want wanneer iemand een attitude verandert, kan men ook zeggen dat er tegelijkertijd een nieuwe attitude wordt geformeerd. Een voorbeeld binnen dit idee is dat oude attitudes worden opgeslagen in het geheugen terwijl nieuwe attitudes worden gevormd. Hierdoor kunnen er binnen een persoon meerdere attitudes zijn tegenover een object. Deze attituden kunnen elkaar ook tegenspreken, ook al is de persoon zich daar misschien niet van bewust. Of soms zijn mensen zich daar wel van bewust, en zijn ze simpelweg en openlijk ambivalent over een bepaald object. Een ander voorbeeld van dit idee van meerdere attitudes is het PAST-model. Dit staat voor ‘Past Attitudes are Still There’. Volgens dit model vergaan oude attitudes niet. Ze blijven bestaan binnen de persoon, maar worden door de persoon zelf als ‘verkeerd’ gelabeld.

Conceptuele overeenkomsten en verschillen tussen impliciete en expliciete attitudeverandering

Volgens het ‘Elaboration Likelihood Model’ kunnen verschillen tussen impliciete en expliciete attituden worden verklaard door de vatbaarheid van de verschillende methoden voor sociaal wenselijke antwoorden. Volgens dit model wordt attitude-relevante informatie verwerkt door hoge of lage niveaus van effort. Een hogere mate van effort leidt tot langer durende verandering in expliciete attituden. Uit onderzoek is gebleken dat impliciete attituden kunnen worden beïnvloedt door de hoeveelheid denken, net als bij de expliciete attituden.

‘Associative-Propositional Evaluation’

Volgens het APE-model zijn attitudes geworteld in twee typen mentale processen, namelijk associatieve evaluaties en propositioneel redeneren. De associatieve evaluaties zijn de basis van impliciete attitudes, en propositioneel redeneren is de basis van expliciete attitudes.

Associatieve evaluaties worden automatisch geactiveerd wanneer men geconfronteerd wordt met een relevante stimulus. Afhankelijk van de context worden verschillende associatieve patronen, en daardoor verschillende automatische evaluaties, geactiveerd. Veranderingen in de impliciete attituden zouden het gevolg zijn van veranderingen in de stimulus of veranderingen in de associatieve structuur. Propositioneel redeneren wordt gezien als de basis van expliciete attitudes. Deze evaluaties zijn gebaseerd op syllogistische inferenties over propositionele informatie die relevant is voor de evaluatie. Deze inferenties vinden plaats in een reflectief systeem dat gebruikt maakt van inputs uit een associatieve opslag en deze omzet naar proposities. Deze proposities worden dan gecheckt voor hun validiteit door syllogistisch redeneren. Een propositie is valide wanneer deze consistent is met andere proposities die relevant zijn voor deze evaluatiesituatie.

De transformatie van associatieve evaluaties naar proposities kan verklaren hoe een verandering in impliciete attitudes kan leiden tot een verandering in expliciete attitudes (en andersom). De validiteit van evaluatieve propositie kunnen wel of niet overeenkomen met de evaluatieve implicaties van associaties. Dit kan leiden tot een verschil in impliciete en expliciete attitudes. Ter voorbeeld worden er twee mogelijkheden van indirecte beïnvloeding besproken. Ten eerste zou er een indirecte invloed kunnen zijn van informationele input op propositioneel redeneren, dat wordt gemedieerd door een directe invloed op associatief redeneren. Ten tweede zou informationele input een indirecte invloed kunnen hebben op associatief redeneren, welke wordt gemedieerd door een directe invloed op propositioneel redeneren.

Een verandering in het propositioneel redeneren hoeft niet perse een direct effect te hebben op de expliciete attitudes, maar kunnen alsnog een indirect effect hebben op impliciete attitudes. Bijvoorbeeld doordat mensen zichzelf in een onderzoek graag goed willen presenteren.

Evaluatief conditioneren kan worden omschreven als een geobserveerde verandering in de voorkeur (‘liking’) van een stimulus, als gevolg van het paren van die stimulus met een andere stimulus. Het herhaald paren van een positieve of negatieve ongeconditioneerde stimulus (US) met een neutrale geconditioneerde stimulus (CS) leidt tot positievere evaluaties van de CS.

Er zijn twee typen modellen voor evaluatief conditioneren. De eerste zijn associatie formatie modellen. Deze gaan uit van een automatisch proces waarbij een associatie wordt gemaakt tussen de US en de CS, waarbij de waarde van de US wordt gekoppeld aan de CS. Je zou daarover kunnen zeggen dat de nieuwe evaluatie van de CS is gebaseerd op een mistoekenning van een waarde aan de verkeerde stimulus. De tweede zijn propositionele modellen. Deze stellen dat associatieve verbanden niet kunnen worden gevormd zonder de bewuste toekenning van de waarde. De wetenschappelijke onderzoeksresultaten hierover zijn gemengd.

Lichamelijke staten en attitudeverandering

Er bestaat een neurale basis die een verband legt tussen attituden en fysieke perceptie, lichaamsreacties, en bewegingen. Een voorbeeld van dit verband is warmte. Participanten die een warme kop vast hadden gehouden, beoordeelden de andere persoon hoger op kwaliteiten die gerelateerd waren aan warmte (zoals generositeit en zorgzaamheid). Het idee is dat de fysieke ervaring van het vasthouden van de warme kop het concept van warmte toegankelijker maakt buiten het bewustzijn van de participant om.

‘Persuasion’

‘Persuasion’ kan worden omschreven als de formatie of verandering van attitudes als gevolg van informatie verwerking in reactie op een bericht over het attitude-object. Het wetenschappelijk onderzoek in de jaren tachtig en negentig werd vooral gedomineerd door twee dual-process modellen, te weten het ‘Elaboration Likelihood Model’ en het ‘Heuristic-Systematic Model’. Later werd aan deze modellen ook het uni-model toegevoegd. Een van de kernpunten in het debat over duaal- versus enkelproces modellen is de vraag of bepaalde specifieke informatietypen conceptueel kunnen worden verbonden aan kwalitatief verschillende procestypen.

Ook al is er bewijs gevonden dat een bepaalde variabele verschillende rollen kan spelen binnen persuasion, toch stelt het unimodel dat er geen theoretisch relevant verschil is tussen informatietypen. Het model stelt dat elk persuasive bewijs varieert op een continuüm van verwerkingsmoeilijkheid. Bewijs dat makkelijker te verwerken is heeft een grotere kans op het beïnvloeden van attitudes op lagere verwerkingsniveaus. En bewijs dat moeilijker te verwerken is, heeft hogere niveaus van procesverwerking nodig om attitudes te kunnen beïnvloeden.

De twee benaderingen kunnen echter ook worden geïntegreerd. Zo zijn ze het er allemaal over eens dat de cognitieve activiteiten van de berichtontvanger in kaart kunnen worden gebracht op een continuüm van verwerkingsinspanning. Daarnaast zijn ze het er ook over eens dat vroege informatie het verwerken van volgende informatie kan vertekenen. Zo stelt het unimodel dat vroege informatie de toegankelijkheid van bepaalde inferenties kan verhogen, die vervolgens gaan gelden als een basis voor het interpreteren van de nieuwe informatie.

Additiviteit, attenuation, bias, en contrast

Binnen het framework van het Heuristic-Systematic Model hebben wetenschappers meer gevarieerde assumpties voorgesteld over de interactie tussen het heuristische en systematische informatieverwerking. Deze zijn de additiviteit hypothese, de attenuation hypothese, de bias hypothese, en de contrast hypothese:

  • Volgens de additiviteit hypothese hebben zowel heuristische cues als berichtargumenten onafhankelijk invloed op attitudes.

  • Volgens de attenuation hypothese kan systematisch procesverwerking zorgen voor meer bewijs met betrekking tot de validiteit van het bericht.

  • Volgens de bias hypothese is de interpretatie van gemengde berichten geassimileerd aan de initiële cue-based inferenties. Ondubbelzinnige berichten hebben niet te maken met deze assimilatie.

Volgens de contrast hypothese kunnen argumenten tegen cue-based verwachtingen worden geïnterpreteerd, wanneer deze verwachtingen elkaar duidelijk tegenspreken.

Sommige wetenschappers hebben voorgesteld dat interactieve effecten van de bias- of contrasttype vereisen dat vroege informatie op een bepaalde manier is gerelateerd aan de volgende informatie, terwijl er sprake zou moeten zijn van additieve effecten wanneer er geen relatie is tussen beide typen informatie. Deze ‘relatie’ tussen eerste en latere informatie houdt in dat de eerste informatie bepaalde inferenties moet activeren, die vervolgens worden gebruikt als input om de kwaliteit van de volgende informatie te beoordelen.

Metacognities en persuasion

Metacognities zijn de gedachten van mensen over hun eigen cognitieve reacties als gevolg op een persuasief bericht. Deze metacognities hebben vooral veel invloed wanneer men gemotiveerd is en de verwerkingsmogelijkheid heeft. De effecten van persuasion zouden niet alleen worden gedefinieerd door de waarde van de eerste cognitieve reacties, maar ook door het vertrouwen dat men heeft in deze cognities. Dit wordt ook wel de moderation hypothese genoemd.

Gevolgen van attitudes

Attitudes beïnvloeden het verwerken van informatie. Als een persoon vooral informatie van hoge kwaliteit wil selecteren, en daarbij een attitude-congruente bias heeft in de perceptie van de informatiekwaliteit, kan dat leiden tot een selectieve blootstelling aan informatie. In de sociale interacties zorgen mensen dat hun berichten zijn afgestemd op de attitudes van de mensen die luisteren, waardoor men uiteindelijk te maken krijgt met biased recall en biased evaluation. Attitudes beïnvloeden ook het gedrag van mensen. Met name impliciete attitudes voorspellen spontaan en ongecontroleerd gedrag. Terwijl expliciete attitudes vaker doelbewust en gecontroleerd gedrag voorspellen.

Access: 
Public
Executive functions and self-regulation - Hofmann, Schmeichel & Baddeley - 2012 - Artikel

Executive functions and self-regulation - Hofmann, Schmeichel & Baddeley - 2012 - Artikel


Wanneer mensen hun zelfcontrole verliezen, komt dit vaak door een conflict tussen krachten die beide een andere invloed hebben: een kracht die ons laat geloven wat redelijk is en eentje die ons voorschrijft om te doen wat zorgt voor plezier. Om verleidingen te weerstaan en te kiezen voor de redelijke optie hebben mensen zelfcontrole nodig.

Dit artikel weerspiegelt het belangrijke idee dat verleidingen kunnen worden gezien als een conflict tussen zelfcontrole en impulsen. Tot nu toe heeft onderzoek vooral de focus gelegd op de kant van de zelfcontrole, terwijl de auteurs van het artikel een meer gebalanceerde kijk aanbevelen wat komt van een model over twee verschillende systemen die gedrag bepalen. Twee verschillende systemen zorgen voor impulsiviteit tegenover zelfcontrole.

Definities van impulsiviteit en zelfcontrole

Een impuls is allereerst erg specifiek en ontstaat wanneer globale motivaties (bijvoorbeeld dorst) samenkomen met specifieke activerende stimuli in de omgeving (een glas drinken). Daarnaast brengen impulsen een sterke prikkel teweeg die bestaat uit een primitieve reactie op de verleidelijke stimulus. Als derde is een impuls erg direct in een opvatting qua tijd en ruimte (dus: gericht op korte termijn doelen). De kracht van de prikkel neemt snel af wanneer de tijd en ruimte verder van een stimulus is verwijderd. Ook brengt een impuls de neiging om bepaald gedrag te vertonen, wat vaak een benadering van de verleiding inhoudt. Impulsen gaan vaak slecht samen met doelen op de lange termijn. Daarom hebben mensen de mogelijkheid van zelfcontrole. Zelfcontrole is de capaciteit om ongewilde gedragsneigingen te ‘verbieden’ en mensen ervan af laat zien om impulsen uit te voeren. Vaak gaat zelfcontrole over hoe mensen zich zouden moeten gedragen in een bepaald domein.

Een perspectief van twee systemen

Verschillende systemen kunnen het gedrag van mensen beïnvloeden. Deze opvatting komt naar voren in veel psychologische theorieën. Alle systemen over zelfcontrole delen de opvatting dat aan de ene kant het impulsieve, automatische gedrag staat en aan de andere kant de gecontroleerde vormen van gedrag. In dit artikel wordt gebruik gemaakt van het RIM-model (reflective impulse model) om de twee verschillende kanten van gedrag aan te duiden.Het impulsieve systeem zorgt voor impulsief gedrag. Mensen hebben associatieve clusters in hun lange termijn geheugen die zijn ontstaan door het samen activeren van externe stimuli, affectieve reacties en geassocieerde gedragsmatige neigingen.wanneer ze associaties zijn gemaakt kunnen deze snel geactiveerd worden door input en mensen een interne trigger geven in condities als bijvoorbeeld ‘honger’. Deze associatieve clusters zorgen voor een soort voorbereidheid , de mogelijkheid om de omgeving snel te evalueren en snel te reageren in overeenstemming met behoeften en eerdere ervaringen. Het reflectieve systeem gaat over gereguleerde doelen en vormt daarmee een aanvulling op het impulsieve systeem. Het zorgt voor hogere mentale processen, zoals uitvoerende processen (bijvoorbeeld het maken van oordelen en evaluaties). Dit gebeurt doormiddel van relatief langzame gecontroleerde processen. Het reflectieve systeem zorgt dus voor een controle over beslissingen van hogere orde waardoor onmiddellijke reacties op stimuli kunnen worden voorkomen.

Het nadeel van dit reflectieve systeem is dat deze werkt aan de hand van bronnen voor controle. Wanneer de capaciteit maar beperkt is, neemt het controlerende vermogen af.

De bepaling van gedragingen. In typische voorbeelden van zelfcontrole dilemma’s zijn de gedragsmatige implicaties van de twee systemen niet te verenigen. De vraag is welk van de systemen op zo’n moment de overhand krijgt. Verschillende gedragsmatige schema’s kunnen worden geactiveerd als potentiële kandidaat voor acties. Welk schema wint hangt af van de relatieve kracht van de activatie van de schema’s die zijn aangesproken door de impulsieve en regulerende systemen. Grenscondities of moderatoren kunnen een verschuiving in activatie teweeg brengen waardoor iemand wordt gestuurd in de richting van één systeem.

Een voorgesteld framework voor de voorspelling van uitkomsten van zelfcontrole

Uitkomsten van gedragsmatige zelfcontrole komen voort uit de wisselwerking tussen verschillende processen die gedrag bepalen en moderatoren die de capaciteit voor zelfcontrole bepalen. Goede modellen geven dus ook de situationele grenzen weer die een verschuiving naar het andere systeem kunnen veroorzaken.

Veel voorgaand onderzoek ging over situaties waarin mensen falen wat betreft de zelfcontrole. Ook is er veel onderzoek gedaan waardoor een sterke invloed van grenscondities en hun uitkomst op de zelfcontrole is blootgelegd. Deze onderzoeken hebben echter niet gekeken naar het impulsieve deel van het model, terwijl dit wel nodig is. Mensen kunnen namelijk ook verschillen in hun impulsieve reacties tegenover verleidelijke stimuli. Ook wordt er dan een completer beeld geschetst, waardoor mensen beter het gedrag kunnen voorspellen.

Het beste beeld wordt dus verkregen door het integreren van 3 elementen:

  • Reflecterende voorlopers zoals standaarden voor terughoudendheid of opzettelijke evaluaties

  • Impulsieve voorlopers zoals automatische affectieve gedragsmatige reacties.

  • Situationele en dispositionele modererende variabelen voor het succes van zelfcontrole.

Door de reflectieve en impulsieve voorlopers te specificeren en uit te zoeken kan het huidige framework een flexibele benadering voor het meten van de natuur van de onderliggende processen bieden.

Vele onderzoeken bieden ondersteuning voor het model dat uitgaat van twee systemen. In zelfcontrolesituaties gaan deze uit van fundamenteel verschillende psychologische systemen, in plaats van dat er dezelfde principes aan ten grondslag liggen.

Er zijn verschillende risicofactoren die leiden tot verminderd zelfcontrole. Hoewel ze erg van elkaar verschillen, brengen deze risicofactoren soortgelijke resultaten teweeg.

Access: 
Public
Human cooperation. Trends in cognitive sciences - Rand & Nowak - 2013 - Artikel

Human cooperation. Trends in cognitive sciences - Rand & Nowak - 2013 - Artikel


Een simpele definitie van coöperatie is dat het ene individu kosten betaalt, zodat een ander een voordeel ontvangt. Kosten en baten worden gemeten in termen van reproductief succes, waarbij reproductie zowel cultureel als genetisch kan zijn. In een goed gemengde populatie, waarin ieder individu een even grote kans heeft om te interacteren en concurreren met ieder ander individu, geeft natuurlijke selectie de voorkeur aan defectie boven coöperatie. In een populatie met zowel coöperatoren als defectoren, hebben de defectoren een hogere ‘fitness’. Selectie vermindert daarom het aantal coöperatoren, tot de populatie geheel uit defectoren bestaat. Voor coöperatie is een mechanisme voor de evolutie van coöperatie noodzakelijk. Een dergelijk mechanisme is een interactiestructuur, waardoor de voorkeur wordt gegeven aan coöperatie boven defectie. Er zijn vijf van deze mechanismen: directe wederkerigheid, indirecte wederkerigheid, ruimtelijke selectie, multiniveau selectie en familieselectie.

Directe wederkerigheid

Directe wederkerigheid ontstaat als twee individuen elkaar herhaaldelijk ontmoeten. Omdat zijn herhaaldelijk interacteren, kunnen zij voorwaardelijke strategieën gebruiken, waarbij gedrag afhangt van eerdere uitkomsten. Directe wederkerigheid kan tot de evolutie van coöperatie leiden als de kans op een andere interactie hoog genoeg is. Het kan dan zijn dat je vandaag coöpereert en in het nadeel bent, om morgen de wederkerige coöperatie van de ander te verdienen. Een voorbeeld van een succesvolle strategie is ‘tit-for-tat’ waarbij je de eerdere zet van de tegenstander kopieert. Een ander voorbeeld is de ‘win-stay lose-shift’ strategie: je verandert de handeling na het ervaren van exploitatie of wederkerige defectie.

Indirecte wederkerigheid

Er is sprake van indirecte wederkerigheid als er binnen een populatie herhaaldelijke ontmoetingen zijn en deze worden geobserveerd of achterhaald door derde partijen. Informatie over ontmoetingen kan verspreid worden door communicatie, waardoor de reputaties van de deelnemers worden beïnvloed. Individuen kunnen voorwaardelijke strategieën gebruiken, waarbij de beslissing wordt gebaseerd op de reputatie van de ontvanger. Coöperatie is kostbaar, maar leidt tot de reputatie dat je behulpzaam bent, wat de kans vergroot dat je hulp van anderen ontvangt. Een strategie voor indirecte wederkerigheid bestaat uit een sociale norm en een actieregel. De sociale norm specificeert hoe reputaties worden geüpdatet volgens interacties tussen individuen. De actieregel specificeert of coöperatie wel of niet verstandig is, gegeven de beschikbare informatie over de ander. Indirecte wederkerigheid leidt tot de evolutie van coöperatie als de kans op het kennen van iemands reputatie groot genoeg is.

Ruimtelijke selectie

Als populaties gestructureerd in plaats van willekeurig gemengd zijn, hoeft gedrag niet te worden gebaseerd op eerdere uitkomsten. Omdat individuen interacteren met degenen die dicht bij hen staan, kunnen coöperatoren clusters vormen. Coöperatoren interacteren vaker met andere coöperatoren, waardoor ze grotere resultaten kunnen boeken dan defectoren.

De populatiestructuur specificeert wie met wie interacteert om winst te behalen en wie met wie concurreert voor reproductie. Populatiestructuur kan geografische verdeling of sociale netwerken representeren en kan statisch of dynamisch zijn. Populatiestructuur kan ook worden geïmplementeerd door middel van label-gebaseerde coöperatie, waarbij interactie en coöperatie worden bepaald door arbitraire labels. In dit geval is clustering niet letterlijk ruimtelijk, maar vindt dit plaats in de ruimte van fenotypes.

Multiniveau selectie

Er is sprake van multiniveau selectie als er niet alleen sprake is van competitie tussen individuen in een groep, maar ook competitie tussen groepen. Het is mogelijk dat defectoren binnen groepen winnen, maar dat groepen van coöperatoren het winnen van groepen defectoren. Een dergelijk proces kan leiden tot de selectie van coöperatoren.

Familieselectie

Er is sprake van familieselectie als er sprake is van voorwaardelijk gedrag op basis van herkenning van familie. Familieselectie is gerelateerd aan het concept van ‘inclusieve fitness’: een bepaalde wiskundige methode om fitness effecten te verklaren. Het neemt aan dat persoonlijke fitness kan worden geschreven als de som van bij elkaar opgetelde componenten, veroorzaakt door individuele handelingen.

Interacties tussen mechanismen

Elk van bovengenoemde mechanismen is van toepassing op menselijke coöperatie. Waarschijnlijk waren en zijn deze mechanismen allemaal in variërende mate werkzaam. Hoewel ieder mechanisme afzonderlijk is bestudeerd, is het belangrijk om ook de interactie tussen de mechanismen te onderzoeken. Als mechanismen worden gecombineerd, kunnen er dynamieken ontstaan.

Experimenteel bewijs voor de mechanismen

Directe wederkerigheid

Uit experimenteel onderzoek blijkt dat mensen vaak leren om meer samen te werken wanneer de kans op toekomstige interacties groter is. Herhaling bevordert coöperatie in dyadische interacties. De situatie is echter meer gecompliceerd bij groepen. Groepscoöperatie is onderzocht in de context van de ‘public goods game’ (PGG). De PGG wordt vaak uitgevoerd door iedere speler in de groep een geldbedrag te geven. De spelers mogen zelf bepalen hoeveel ze zelf houden en hoeveel ze aan de groep bijdragen. Gerichte interacties zijn hierbij niet mogelijk: als speler A veel geld inlegt en speler B weinig geld inlegt, kan speler C niet selectief speler A belonen en speler B bestraffen. Hoewel directe wederkerigheid in theorie groepscoöperatie kan stabiliseren, is deze stabiliteit fragiel en kan deze worden ondermijnd door fouten of een klein aantal defectoren. Dit betekent echter niet dat er andere mechanismen nodig zijn om groepscoöperatie te verklaren. Het is alleen nodig om te beseffen dat groepsinteracties niet in een vacuüm plaatsvinden, maar in de context van een netwerk van dyadische persoonlijke relaties. Deze persoonlijke relaties maken gerichte wederkerigheid mogelijk, waardoor coöperatie op groepsniveau kan ontstaan.

Indirecte wederkerigheid

Om indirecte wederkerigheid in het laboratorium te onderzoeken, spelen onderzoeksparticipanten meestal met willekeurig gekozen partners. Zij krijgen informatie over hun keuzes in eerdere interacties met anderen. De meeste participanten baseren hun gedrag op deze informatie. Het hebben van een reputatie als coöperator is waardevol en houdt coöperatie in stand. Het is ook aangetoond dat reputatie-effecten prosociaal gedrag buiten het laboratorium bevorderen.

Indirecte wederkerigheid hangt af van het vermogen van mensen om informatie over reputaties effectief te communiceren en verspreiden. Het internet heeft ons vermogen aanzienlijk vergroot om grootschalige reputatiesystemen van vreemden in stand te houden. Zoals voorspeld door het principe van indirecte wederkerigheid, heeft het hebben van een goede reputatie op Marktplaats een grote economische waarde.

Een fascinerende vraag is waarom mensen de moeite nemen om eerlijke evaluaties te schrijven. Indirecte wederkerigheid kan dit probleem zelf oplossen: om een goede reputatie te houden, moet je niet alleen in primaire interacties coöpereren, maar moet je ook eerlijke informatie delen.

Ruimtelijke selectie

Experimenteel bewijs voor ruimtelijke selectie onder mensen is inconsistent. Experimenten die vaste ruimtelijke structuren onderzoeken, wijzen onderzoeksparticipanten meestal toe aan locaties in een netwerk en laten hen herhaaldelijk met hun buren spelen. Vervolgens worden hun coöperatiecijfers vergeleken met die van een controlegroep. In de controlegroep wordt de positie van participanten in het netwerk in iedere ronde willekeurig gewisseld, waardoor een gemengde populatie ontstaat. In tegenstelling tot de modellen komt coöperatie niet vaker voor in gestructureerde dan gemengde populaties. Hiervoor zijn meerdere verklaringen mogelijk:

Onderzoeksparticipanten in laboratoriumexperimenten experimenteren meer. Zij veranderen hun strategieën vaker willekeurig dan dat ze de strategie van hun buren kopiëren. Veel veranderingen ondermijnen het effect van ruimtelijke structuur: als spelers hun strategie willekeurig veranderen, wordt de clustering die essentieel is voor ruimtelijke selectie verstoord. Zonder voldoende clustering is coöperatie niet meer voordelig.

Het is mogelijk dat onderzoeksparticipanten in experimentele situaties geneigd zijn om updateregels te gebruiken, die het effect van ruimtelijke structuur te niet doen. Hieraan gerelateerd is de verwarring tussen ruimtelijke structuur en directe wederkerigheid, die in deze experimenten plaatsvindt. Participanten in de experimenten weten dat ze herhaaldelijk met dezelfde buren interacteren. Ze kunnen dus voorwaardelijke strategieën gebruiken. Omdat spelers dezelfde actie op alle buren moeten richten, kunnen spelers in deze experimenten hun wederkerigheid niet op specifieke personen richten.

Er is een simpele regel voor wanneer een vaststaande netwerkstructuur bevorderlijk is voor coöperatie: coöperatie verdient alleen de voorkeur wanneer de baten-kosten ratio het gemiddelde aantal buren in het netwerk overschrijdt. Tot op heden voldoen de meeste experimenten niet aan deze voorwaarde.

In tegenstelling tot deze negatieve resultaten bij statische netwerken, blijkt uit onderzoek dat dynamische netwerken coöperatie in het laboratorium bevorderen. Bij deze experimenten kunnen participanten verbindingen met anderen maken en breken, waardoor het netwerk zich over de tijd heen ontwikkelt. Deze dynamische aard stelt de participanten in staat om gericht te handelen via ‘verbindingswederkerigheid’: spelers kunnen ervoor kiezen om banden met defectoren te verbreken en verbindingen met coöperatoren te maken.

Er is aanzienlijk bewijs dat sociale banden en identiteiten flexibel zijn. Minimale cues van gedeelde identiteit (bijvoorbeeld een voorkeur voor een bepaald type schilderijen) kunnen coöperatie tussen vreemden vergroten. Tot slot heeft onderzoek buiten laboratoria aangetoond dat ook in het dagelijks leven populatiestructuur van belang is voor coöperatie.

Multiniveau selectie

In het laboratorium wordt multiniveau selectie vaak geïmplementeerd door middel van interactiestructuren, waarbij groepen tegen elkaar strijden. Dergelijke experimenten hebben aangetoond dat competitie tussen groepen leidt tot een toename in coöperatie. Ook conflicten tussen groepen in de echte wereld vergroot coöperatie binnen groepen.

Familieselectie

Familieselectie is het minst onderzochte mechanisme voor menselijke coöperatie. Ouders die hun kind helpen, is geen voorbeeld van familieselectie, maar simpelweg selectie-maximaliserende directe ‘fitness’. Wel kan familieselectie werkzaam zijn bij interacties tussen ‘collaterale’ familie (familieleden die niet direct van elkaar afstammen, zoals broers en zussen). Er is onderzoek gedaan naar de cues die gebruikt worden om familie te herkennen. Zo wordt gesuggereerd dat samenwonen gebruikt wordt als indicatie dat je aan elkaar verwant bent.

Coöperatie in afwezigheid van mechanismen

Hoe kunnen we coöperatie in eenmalige, anonieme laboratoriumspellen tussen vreemden verklaren? Dit lijkt in tegenspraak te zijn met theoretische voorspellingen, omdat geen van de vijf mechanismen werkzaam lijkt te zijn. Er zijn twee dimensies waarover men het niet eens is. Allereerst is er geen overeenstemming over de vraag of coöperatie in eenmalige interacties expliciet het gevolg is van evolutie (door ruimtelijke of multiniveau selectie) of het gevolg van overgeneraliserende strategieën van situaties, waarin coöperatie op lange termijn in het eigen belang is (door directe en indirecte wederkerigheid). Volgens beide perspectieven leidt de evolutie tot altruïstische mensen, die zelfs coöpereren wanneer er geen toekomstige voordelen zijn. Daarnaast is men het niet eens over het relatieve belang van genetische evolutie versus culturele evolutie in het vormen van menselijke coöperatie. In de context van culturele evolutie verspreiden trekken zich door middel van leren.

Intuïtieve wederkerigheid

Onderzoeksbevindingen suggereren dat er bij coöperatie in eenmalige, anonieme interacties sprake is van overgeneralisatie: meer gegeneraliseerde processen hebben betrekking op intuïtie en emotie en geven de voorkeur aan coöperatie (wat meestal het meest voordelig is), terwijl reflectie en redeneren leiden tot gedrag dat in de specifieke context van een eenmalig spel tot de grootste winst leidt (egoïsme).

Deze experimenten ondersteunen het idee dat coöperatieve strategieën ontstaan in de context van directe en indirecte wederkerigheid en vervolgens onjuist worden toegepast in eenmalige spellen. Is deze intuïtie het gevolg van genen of leren en ervaring? Diverse onderzoeksresultaten ondersteunen de laatste hypothese. Sommige experimenten vonden geen effect van intuïtie op coöperatief gedrag in eenmalige spellen, wat erop duidt dat coöperatieve intuïtie niet universeel is. Studies hebben moderatoren van het intuïtieve coöperatie-effect gevonden. Zo is eenmalige coöperatie alleen intuïtief bij mensen uit gemeenschappen, waarin de meeste andere mensen betrouwbaar en coöperatief zijn.

Access: 
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.