Boeksamenvatting bij de 7e druk van The Development of Children van Lightfoot


Het bestuderen van ontwikkeling (1)

 

Het bestuderen van ontwikkeling

De ontwikkelingswetenschap verwijst naar een onderzoeksveld waar de focus ligt op de fysieke, intellectuele, sociale en emotionele ontwikkeling van kinderen. Het doel van dit onderzoeksveld is tweeledig. Aan de ene kant probeert men de biologische en culturele processen in de ontwikkeling te begrijpen, aan de andere kant probeert men effectieve methoden te ontwikkelen die de gezondheid en het welzijn van kinderen bevorderen.

De ontwikkelingswetenschap is interdisciplinair, wat betekent dat het wordt beïnvloed door verschillende andere soorten wetenschap, zoals psychologie, antropologie, biologie, linguïstiek, neurologie en sociologie. Ook is deze wetenschap als internationaal te typeren: ontwikkelingsprocessen worden binnen hun culturele context bekeken.

Onderzoek binnen de ontwikkelingswetenschap is sterk toegenomen door vooruitgang in technologie, waardoor gedrag kan worden vastgelegd op videobeelden en hersenactiviteit objectief gemeten kan worden, en de toenemende interesse in het welzijn van het kind. Ontwikkelingsonderzoekers zoeken dus niet alleen naar antwoorden maar zijn ook voorstanders van de gezonde ontwikkeling van kinderen.

De periode tussen conceptie en volwassenheid kan grofweg in vijf verschillende perioden worden onderscheiden:

  1. Prenatale periode

  2. Babytijd

  3. Vroege kindertijd

  4. Late kindertijd

  5. Adolescentie

Elke fase wordt gekenmerkt door verschillende fysieke, cognitieve, emotionele en sociale veranderingen en deze fasen zijn evenals typerend voor de rol die kinderen binnen de maatschappij vertegenwoordigen. De fysieke, emotionele, cognitieve en sociale domeinen vormen de vier grote domeinen van de ontwikkeling en beïnvloeden elkaar wederzijds.

Ontwikkelingscontext

Binnen de ontwikkelingswetenschap is er grote belangstelling voor de context waarbinnen de ontwikkeling plaats vindt. Het gaat daarbij om verschillen in fysieke omgeving, culturele overtuigingen, gewoontes, families, leeftijdsgenoten, de gemeenschap waarin kinderen opgroeien, de rol van de overheid etc. Om de rol van de context te onderzoeken kunnen kinderen met elkaar vergeleken worden die binnen een andere context opgroeien. Ook kan bekeken worden hoe hetzelfde kind ontwikkelt na radicale veranderingen in de eigen context.

Totstandkoming van de ontwikkelingswetenschap

Culturen verschillen in hun opvattingen over de aard van het kind, maar binnen deze culturen verschilden deze opvattingen ook over de tijd. Onderzoek naar deze opvattingen in de Middeleeuwen is problematisch, vanwege de beperkte documentatie in deze tijd. De wetenschap is beperkt tot data uit kunst en rapportages van lijkschouwers.

In de Middeleeuwen werd de kindertijd niet opgevat als een unieke levensfase, maar werden kinderen simpelweg beschouwd als mini-volwassenen. De visie dat volwassen capaciteiten, wensen, interesses en emoties ook op kinderen van toepassing waren staat bekend als performationisme.

In deze tijd kregen kinderen van drie jaar al de zorgverantwoordelijkheid over hun pasgeboren broertjes en zusjes, doorgaans zonder de aanwezigheid van een volwassene, met hoge baby-en kindersterfte als gevolg.

De grote ommekeer kwam in de 16e eeuw met de komst van de Protestantse Reformatie. Deze reformatie ging gepaard met de opvatting dat zondigen een aangeboren eigenschap was die met discipline en gehoorzaamheid afgeleerd moest worden. Zo werden masturbatie en duimzuigen met name als ‘gevaarlijke geneugten’ opgevat die makkelijk uit de hand konden lopen. Moeders kregen tips om dit te voorkomen, zoals het vastbinden van het kind.

De moderne visie van de kindertijd vond zijn oorsprong in de late 18e en vroege 19e eeuw, met de komst van de industriële revolutie. Hier lagen drie verschillende processen aan ten grondslag.

  1. De verstedelijking leidde ertoe dat kinderen niet langer in het familiebedrijf op het land werkten.

  2. De gezinsgrootte nam af.

  3. De kindersterfte nam af.

Deze drie veranderingen waren ook onderling verweven. Zo werd het werken op het land vervangen door scholing, waarmee kinderen een economische last werden en de gezinsgrootte afnam. Aangezien meisjes naar school gingen waren zij beter voorbereid op het moederschap, met lagere kindersterfte tot gevolg.

Zoals eerder gezegd werkten kinderen niet langer op het land in familiebedrijven. Om economische lasten toch enigszins te drukken, gingen miljoenen kinderen in textiel fabrieken werken. De condities waaronder kinderen werkten, werden onderwerp van een sociaal moreel debat. Dit leidde tot een grotere focus op de welzijn van het kind.

Een andere ontwikkeling die aan de oorsprong ligt van de moderne visie op het kind, was de publicatie van The origin of species van Charles Darwin, de grondlegger van de evolutietheorie. Het werd een trend om het gedrag van kinderen te vergelijken met het gedrag van ontwikkelde non-humane primaten, zoals chimpansees. Hieruit ontstond de visie dat menselijk gedrag in een evolutionaire context moest worden geplaatst.

William Preyer pleitte voor een wetenschappelijke bestudering van dergelijk gedrag, door strikte observatieregels aan te dragen:

  1. Men moet zich beperken tot directe observatie, door wetenschappelijk getrainde observatoren

  2. Observaties moeten direct vastgelegd worden

  3. Kinderen mogen niet getraind worden voor aanvang van de observatie

  4. Als observaties worden onderbroken voor langer dan een dag, moet een vervangende observator ingezet worden

  5. Alles moet gerapporteerd worden, ook ogenschijnlijk irrelevante details

Preyer sprak over opeenvolgingen van gedrag, waarmee hij refereerde aan het feit dat nieuw gedrag voortkomt uit oud gedrag. Denk daarbij bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van kruipen tot lopen.

Een andere wetenschapper die in deze periode naar voren trad was James Mark Baldwin. Hij bekritiseerde het performationisme en beweerde dat de ontwikkeling van kinderen in een aantal stadia plaatsvindt, met als einde het volwassen stadium.

In deze periode ontwikkelde Alfred Binet een methode om de mentale capaciteiten van het kind te testen. Hij was er van overtuigd dat nauwkeurige testen individuele verschillen tussen kinderen konden vaststellen en daarmee kinderen konden identificeren die extra hulp nodig hadden op school. Daar kwam de eerste veelgebruikte intelligentietest uit voor, de Stanford-Binet test.

Het nieuwe onderzoeksveld naar ontwikkeling

In het begin van de 20e eeuw werden vanuit overheden en filantropische instituten steeds meer financiële middelen beschikbaar gesteld voor onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen. Het doel van dit type onderzoek was - en is nog steeds - tweeledig: wetenschappelijke interesse én filosofische interesse om inzicht te krijgen in de culturele en genetische oorsprong van de menselijke ontwikkeling.

De centrale kwesties van ontwikkeling

Hoewel er verschillende visies bestaan omtrent de ontwikkeling van kinderen, bestaat er een gemeenschappelijk interesse ten aanzien van vier fundamentele kwesties:

  1. Bronnen van ontwikkeling

  2. Plasticiteit

  3. Continuïteit versus discontinuïteit

  4. Individuele verschillen

Deze kwesties zullen hieronder elk apart worden behandeld.

Bronnen van ontwikkeling

Een centrale vraag die men kan stellen omtrent ontwikkeling is: Wat veroorzaakt ontwikkeling? Een belangrijk debat rondom dit thema is het nature-nurture debat. Nature verwijst naar onze aangeboren, genetische invloeden, terwijl nurture verwijst naar de aangeleerde invloeden van de sociale en culturele context. Moderne wetenschappers zijn van mening dat nature en nurture elkaar wederzijds beïnvloeden.

Plasticiteit

De mate waarin de ontwikkeling vatbaar is voor verandering wordt plasticiteit genoemd. Plasticiteit stelt individuen in staat om met verschillende omgevingsinvloeden om te gaan. De eerste ideeën rondom plasticiteit werden beïnvloed door de ontdekking van kritieke perioden. In deze kritieke perioden moet een individu een bepaalde vaardigheid of gedraging aanleren, omdat dit niet meer mogelijk is wanneer de kritieke periode voorbij is. Zo blijkt dat een bepaald soort vogel zich direct na de geboorte hecht aan het eerste bewegende object. Wanneer tijdens deze periode geen bewegende objecten aanwezig zijn, zal deze vogel zich niet meer kunnen hechten later in het leven.

Dit voorbeeld van een alles-of-niets periode is relatief zeldzaam en het huidige onderzoek wijst vaker in de richting van sensitieve perioden. Een sensitieve periode wordt gekenmerkt door een grotere gevoeligheid om een bepaalde vaardigheid of gedraging te leren, maar leergedrag na deze periode is – weliswaar met meer moeite - ook nog steeds mogelijk.

Continuïteit versus Discontinuïteit

We spreken van een continue ontwikkeling wanneer er zich een geleidelijke opeenstapeling van kleine veranderingen voordoet, terwijl een discontinue ontwikkeling verwijst naar meer abrupte, radicale veranderingen. De continue ontwikkeling is meer kwantitatief van aard, omdat een grote hoeveelheid kleine veranderingen verantwoordelijk is voor de ontwikkeling. De discontinue ontwikkeling verwijst naar kwalitatieve verandering, omdat nieuw gedrag zich voordoet tijdens specifieke momenten van de ontwikkeling. Deze specifieke momenten worden ook wel ontwikkelingsstadia genoemd.

John Flavell beweerde dat er vier criteria centraal staan in deze ontwikkelingsstadia:

  1. De stadia kunnen worden onderscheiden door kwalitatieve veranderingen

  2. De verschuiving van het ene naar het andere stadium wordt gekenmerkt door gelijktijdige veranderingen in andere domeinen van de ontwikkeling

  3. Wanneer er een verandering plaatsvindt, dan gebeurt dat zeer snel

  4. De veranderingen in de verschillende domeinen hangen logisch met elkaar samen

De voorstanders van de discontinue ontwikkeling beweren dat de kwalitatieve veranderingen van kinderen van invloed zijn op de manier waarop kinderen de wereld zien. Zo zou het leren van taal de interactie met anderen beïnvloeden en resulteert deze interactie in een ander wereldbeeld.

Voorstanders van de discontinue ontwikkeling zeggen dat er een zekere continuïteit is in het redeneren van kinderen en het redeneren van volwassenen. Beiden zouden de wereld verklaren, begrijpen en voorspellen op basis van theorieën die zij over de wereld hebben.

Een probleem dat zich voordoet bij de discontinue ontwikkeling is dat kinderen per situatie gedrag uit verschillende ontwikkelingsstadia laten zien. Zo kan een kind zich egocentrisch gedragen in de ene situatie, maar empathisch in de andere.

Individuele verschillen

Rondom individuele verschillen kunnen twee vragen worden gesteld:

  1. Wat veroorzaakt individuele verschillen tussen mensen?

  2. In hoeverre zijn individuele kenmerken stabiel over de tijd?

Mensen hebben een aantal eigenschappen met elkaar gemeen zoals het vermogen om te praten, lopen en relaties met anderen te onderhouden en deze eigenschappen zijn daarom een product van onze evolutie. Persoonlijkheidskarakteristieken waar mensen uniek in zijn, worden meer beïnvloed door de omgeving.

Ten aanzien van de stabiliteit van persoonlijkheidstrekken is het lastig om vast te stellen of eigenschappen in de kindertijd voortduren tot in de volwassenheid, omdat meetinstrumenten voor kinderen niet gebruikt kunnen worden bij volwassenen en andersom. Metingen naar variaties in de kindertijd hebben aangetoond dat de stabiliteit van psychologische karakteristieken het meest stabiel blijft wanneer de omgeving niet verandert.

Ontwikkelingstheorieën

Een theorie is een raamwerk van ideeën of principes dat gebruikt kan worden om bepaalde fenomenen mee te interpreteren. Zonder deze theoretische bril zouden we niet weten waar we naar moeten kijken en hoe we deze fenomenen moeten karakteriseren. De verhouding tussen data en theorie is wederkerig, dat wil zeggen dat theorie nodig is om data te interpreteren en data nodig is om de theorie aan te passen. Een goed begrip van menselijke ontwikkeling komt niet automatisch voort uit de opeenstapeling van feiten, maar ontstaat door deze feiten in een theoretisch kader te plaatsen.

Binnen de ontwikkelingswetenschap zijn er meerdere theoretische perspectieven. Deze perspectieven verschillen op een aantal kenmerken van elkaar:

  1. Het domein dat onderzocht wordt: cognitief, emotioneel, sociaal of fysiek

  2. De gebruikte methoden

  3. De centrale kwesties die worden behandeld

Grote theorieën van ontwikkeling

Ontwikkelingswetenschappers kunnen grofweg in vier theoretische perspectieven worden onderverdeeld: de psychodynamische, behavioristische, constructivistische en socio-culturele visies.

De psychodynamische theorieën verklaren verschillende processen en ontwikkelingsstadia aan de hand van specifieke levenservaringen. Sigmund Freud, de grondlegger van deze visie, was van mening dat alle biologische driften een enkel doel dienden; het overleven van de soort. Omdat reproductie essentieel is voor het overleven van de soort en daar geslachtsgemeenschap voor vereist is, beargumenteerde hij dat alle biologische driften bijdroegen aan het bevredigen van seksuele driften. Van de geboorte tot de adolescentie zouden individuen een opeenvolging van stadia doorlopen, de zogeheten psychoseksuele stadia, de elk gerelateerd zijn aan een apart deel van het lichaam en de bevrediging daarvan. Daarbij maakte hij onderscheid tussen de orale, anale, fallische, latente en genitale fase (zie tabel 1.2). In elk stadium ervaart het individu een conflict tussen deze bevredigingsbehoefte en de verwachtingen en verboden die door de maatschappij worden opgelegd. De mate waarin deze conflicten worden opgelost is bepalend voor de persoonlijkheid op latere leeftijd.

Freud onderscheidde ook drie mentale structuren:

  1. Het id, dat bestaat uit biologische driften en de behoefte deze te bevredigen

  2. Het ego, dat op rationele wijze medieert tussen de behoeften van het id en de verwachtingen van de maatschappij

  3. Het superego, dat probeert de biologische driften te onderdrukken en moreel acceptabele keuzes te maken

De voortdurende strijd tussen deze drie structuren is de drijvende kracht achter ontwikkeling, die door Freud de ego ontwikkeling werd genoemd.

Een ander element van Freud’s theorie is het onderbewuste, een opslagplek met verborgen motieven die het gedrag van het individu sturen. Deze motieven zouden volgens Freud geassocieerd zijn met de onopgeloste conflicten.

Erik Erikson borduurde voort op de theorie van Freud, maar onderscheidde zich van hem op twee manieren. Allereerst beweerde Erikson dat culturele factoren, en niet biologische driften, aan ontwikkeling ten grondslag liggen. Bovendien was hij van mening dat dit ontwikkelingsproces het hele leven, en niet slechts tot in de adolescentie, voortduurde. Erikson beweerde dat elk psychosociaal stadium gekenmerkt wordt door een specifieke hoofdzaak, die hij ook wel een crisis noemde, vanwege het feit dat deze taak interne conflicten oplevert. Om naar het volgende stadium over te gaan moet deze taak worden voltooid. Daarnaast benadrukte Erikson dat de ontwikkeling van individuen plaatsvindt binnen een culturele context.

Het behaviorisme verwijst naar het principe dat het gedrag van individuen wordt gevormd door leerervaringen. Dit leerproces komt tot stand door associaties te vormen tussen observeerbaar gedrag en consequenties van dit gedrag. John Watson was een behaviorist, evenals Edward Thorndike. Thorndike introduceerde de term law of effect (de wet van effect), waarmee hij uitlegde dat het waarschijnlijker is dat gedrag waar positieve consequenties op volgen in de toekomst zal worden herhaald, dan gedrag waar negatieve consequenties op volgen.

Volgens het behaviorisme worden kinderen gevormd door een proces van straffen en beloningen. B.F. Skinner, was een behaviorist die het principe van operante conditionering introduceerde, dat werkt volgens dit systeem van straffen en belonen. Hij beweerde ook dat ontwikkeling een continue verandering is, waarbij niet precies kan worden achterhaald op welk moment de leerervaring tot stand is gekomen.

Jean Piaget was van mening dat cognitieve ontwikkeling het product is van nature en nurture. Nature verwijst daarbij naar een aangeboren behoefte om te leren en ontdekken, evenals de fysieke ontwikkeling. Nurture verwijst naar alle ervaringen waar kinderen van leren. Volgens Piaget zouden kinderen niet simpelweg de wereld om hen heen ontdekken, maar zelf actief bijdragen aan dit begrip van de wereld. Zijn constructivistische theorie stelt dan ook dat kennis wordt verworven tijdens actieve pogingen om de omgeving te beheersen.

Ook was Piaget van mening dat kinderen verschillende stadia doorlopen, waarbij elk stadium wordt gekenmerkt door een unieke, leeftijd gerelateerde wijze waarop de realiteit wordt begrepen en georganiseerd. Hij was ook van mening dat redeneren aan de basis ligt van cognitieve ontwikkeling. Daarom wijdde hij veel onderzoek aan het achterhalen van de wijze waarop kinderlijk redeneren overgaat in meer wetenschappelijke vormen van redeneren. Piaget was daarbij van mening dat ontwikkeling vertraagd of versneld kan worden door variaties in de omgeving, terwijl kinderen wel uiteindelijk allemaal dezelfde stadia doorlopen.

De meest basale vorm van cognitief functioneren is volgens Piaget het schema, dat kan worden opgevat als een raamwerk dat functioneert als een model om een bepaald aspect van de wereld te begrijpen. Er zouden twee manieren zijn waarop nieuwe informatie wordt verwerkt. Allereerst assimilatie, waarbij nieuwe ervaringen in de huidige schema’s worden ingepast waardoor deze schema’s versterkt worden. Daarnaast is er accommodatie, waarbij het huidige schema wordt aangepast zodat deze zowel op oude als nieuwe informatie kan worden toegepast. Ontwikkeling zou volgens Piaget het gevolg zijn van een zoektocht naar de balans tussen nieuwe ervaringen en bestaande schema’s.

Volgens Lev Vygotsky spelen ook sociale en biologische factoren een rol in de ontwikkeling, maar hij beweerde dat er nog van een derde factor sprake was, namelijk cultuur. In de socioculturele theorie interacteren nature en nurture indirect met elkaar, via cultuur. Zo hebben kinderen uit alle culturen dezelfde aangeboren wiskundige vermogens, maar variëren numerieke systemen per cultuur, waardoor er uiteindelijke grote verschillen zijn in de wiskundige ontwikkeling.

Een belangrijke term die Vygotsky introduceerde was de zone van de proximale ontwikkeling, waarmee hij het gebied aanduidde dat ligt tussen wat een kind onafhankelijk kan leren en wat hij kan leren met behulp van anderen. Om een kind op de juiste manier te kunnen helpen, moet de ander sensitief zijn voor de mogelijkheden en signalen van het kind.

Moderne theorieën

Van de moderne theorieën over de ontwikkeling van het kind zijn vier het meest invloedrijk; de evolutionaire, sociaal-leren, informatieverwerking en de systeemtheorie.

De evolutionaire theorie verklaart menselijk gedrag in termen van de overleving van de soort en de wijze waarop onze evolutionaire geschiedenis bijdraagt aan de ontwikkeling. Individuen met karakteristieken die de overleving meer waarschijnlijk maken, zullen zich makkelijker reproduceren. Een specifieke evolutionaire benadering is de ethologie, waarbij de focus ligt op hoe het gedrag van een soort wordt aangepast zodat zij grotere kansen hebben op overleving. De naturalistische observatie, binnen de natuurlijke omgeving van het kind, is daarom een belangrijke onderzoeksmethode binnen deze benadering. Zo is inprenting een voorbeeld van evolutionaire adaptatie, waarbij pasgeborenen zich onmiddellijk hechten aan de moeder, waardoor zij grotere kans hebben om te overleven. Vanuit een evolutionair perspectief zou het zorgdragen voor onze nakomelingen dan ook een sterk biologisch component moeten hebben, omdat dit de kans op overleven van onze genen vergroot.

De vraag is welke karakteristieken van kinderen deze zorgneiging uitlokken. Een belangrijk component daarin is de uiterlijke verschijning. Kinderen en kleine dieren worden vaak schattig gevonden, vanwege hun grote ogen die laag op het voorhoofd geplaatst zijn en hun bolle wangen. Meisjes tussen de 12 en 14 en jongens tussen de 14 en 16 beginnen de voorkeur te geven aan gezichten met deze kenmerken boven volwassen gezichten, dus vanaf de leeftijd dat jongens en meisjes in staat zijn om zichzelf voort te planten.

Sociale leertheorieën leggen ook een nadruk op de relatie tussen gedrag en consequenties, maar zijn van mening dat deze relaties worden geleerd via observatie en interactie met anderen. Modeling is het proces waarbij kinderen leren door dit gedrag bij anderen te observeren. Een ander belangrijk concept is self-efficiacy, dat verwijst naar de opvattingen over de eigen mogelijkheden om aan bepaalde standaarden te voldoen of doelen te bereiken. Mensen met hoge self-efficiacy hebben veel vertrouwen in hun eigen kunnen, terwijl lage self-efficiacy samengaat met weinig vertrouwen in het eigen kunnen.

Vanuit het principe dat gedrag aangeleerd is, zou het ook weer afgeleerd kunnen worden. Dit was aanleiding voor de ontwikkeling van gedragsmodificatie, een techniek die de relatie tussen het gedrag en de consequentie probeert te doorbreken.

Volgens de informatie-verwerkingstheorieën wordt het mentale functioneren van mensen beschreven als de werking van een computer. Deze theoretici zijn geïnteresseerd in de wijze waarop informatie wordt overgebracht binnen het mentale systeem van kinderen en hoe kinderen deze informatie verwerken, organiseren, ophalen en manipuleren op een efficiënte manier. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen hardware, de structurele componenten van het brein zoals de hersenstructuren en neuronale kenmerken en software, de programma’s, die verwijzen naar de probleemoplossingsstrategieën van kinderen en de manier waarop zij informatie verwerken.

De systeemtheorieën zien ontwikkeling als een complex geheel dat is opgebouwd in delen, de zogeheten systemen. Deze theoretici zijn met name geïnteresseerd in de wijze waarop deze systemen veranderen en met elkaar samenwerken als geheel. De systemen kunnen verwijzen naar specifieke gedragingen of naar de context van het gedrag. Twee systeemtheorieën zijn het meest invloedrijk:

  1. De dynamische systeemtheorie

  2. De ecologische systeemtheorie

De dynamische systeemtheorie beschrijft hoe nieuwe complexe systemen ontwikkelen uit de interactie tussen minder complexe systemen. Om een speeltje te kunnen pakken moeten het perceptuele systeem én het motorische systeem zodanig ontwikkeld zijn, dat het kind weet waar het speeltje zich bevindt en zijn motoriek genoeg onder controle heeft om het ook daadwerkelijk te pakken.

Ecologie is een subveld van die biologie waarbij de relaties tussen organismen en hun omgeving worden bestudeerd. De ecologische systeemtheorie richt zich op de organisatie van de vier verschillende omgevingscontexten waarbinnen kinderen zich ontwikkelen, die elkaar ook wederzijds beïnvloeden:

  1. Het microsysteem verwijst naar alle omgevingen waar het kind zich dagelijks in bevindt, zoals de thuissituatie en school

  2. Het mesosysteem verwijst naar de interactie tussen deze dagelijkse omgevingen, zoals de betrokkenheid van ouders bij de school

  3. Het exosysteem verwijst naar omgevingen die het kind wel beïnvloeden, maar waar het kind geen deel van uitmaakt, zoals de werkomgeving van de ouders

  4. Het macrosysteem verwijst naar de waarden, gebruiken en gevaren van de bredere cultuur waar het kind in opgroeit en het kind door gevormd wordt

Geen enkele van de bovengenoemde theorieën kan de volledige complexiteit van het kind verklaren, maar wel formuleren zij hypotheses, die zodanig specifiek zijn dat deze getest kunnen worden.

Methoden om ontwikkeling te bestuderen

De relatie tussen theorie en methoden is van groot belang, omdat de theorie voorschrijft welke methoden gebruikt moeten worden. Zo is het bijvoorbeeld zinloos om kwalitatieve stadia te meten met kwantitatieve methoden.

Alle ontwikkelingswetenschappen formuleren voorafgaand aan het onderzoek welk doel ze voor ogen hebben. Deze doelen kunnen grofweg in drie categorieën worden onderscheiden:

  1. Basisonderzoek: daarbij is het doel wetenschappelijke kennis te creëren over de menselijke ontwikkeling.

  2. Toegepast onderzoek: daarbij worden praktische vragen beantwoord om de levensstandaard en –ervaring van kinderen te kunnen verbeteren.

  3. Actiegericht onderzoek: daarbij worden data genereerd die helpen bij het maken van beleidsbeslissingen.

Hoewel deze onderzoeken een verschillend doel voor ogen hebben, is er vaak ook overlap in hun doelen. Zo draagt basis onderzoek ook bij aan toegepast onderzoek, etc.

Actiegericht onderzoek is de afgelopen jaren sterk toegenomen. Universiteiten zijn sterker betrokken geraakt bij het verbeteren van de maatschappelijke situatie, met samenwerkingen tussen de gemeenschap en universiteiten tot gevolg.

De onderzoekscriteria

De meeste ontwikkelingswetenschappers beginnen hun onderzoek met observatie en speculatie. De wetenschappelijke benadering wijkt echter af van het gezonde verstand op een aantal specifieke criteria:

  • Allereerst moeten de data objectief zijn, waarbij ze niet worden vertekend door de interpretatie van de onderzoeker.

  • Ten tweede moeten de data betrouwbaar zijn, dat wil zeggen dat dezelfde data worden verkregen wanneer op meerdere tijdstippen of door verschillende observatoren wordt gemeten

  • Ten derde moeten de data repliceerbaar zijn, waarmee verwezen wordt naar een situatie waarin andere onderzoekers in staat zijn om, met exact dezelfde onderzoeksmethoden, tot dezelfde conclusie te komen

  • Als laatste moeten de data valide zijn, dat wil zeggen dat men ook daadwerkelijk meet wat men wil meten en men niet structureel een ander fenomeen meet

Datacollectie

Er zijn verschillende methoden om data te verzamelen, waaronder naturalistische observaties, experimenten en klinische interviews. Men spreekt van triangulatie wanneer een combinatie van twee of meer methoden wordt gebruikt.

Naturalistische observatie is observatie in de natuurlijke dagelijkse context van het kind. Een speciale vorm van naturalistische observatie is etnografie, waarbij niet alleen geobserveerd wordt, maar ook getracht wordt de betekenis van dit gedrag in de context te verklaren. Observationeel onderzoek heeft wel een aantal beperkingen. Zo kunnen mensen, en in het bijzonder kinderen, zich anders gaan gedragen wanneer zij weten dat ze geobserveerd worden. Ook is het mogelijk dat de verwachtingen van de onderzoekers ertoe leiden dat specifiek gedrag wordt geselecteerd en de data niet langer objectief zijn. Ook is het niet mogelijk om alle gedragingen te noteren, waarmee er veel informatie verloren gaat.

Een experiment wordt gebruikt om oorzaak-gevolgrelaties mee vast te stellen. Daarbij wordt bekeken of veranderingen in de ene variabele (onafhankelijke variabele) samenhangt met veranderingen in de andere variabele (afhankelijke variabele). Om ervoor te zorgen dat de verandering ook daadwerkelijk veroorzaakt wordt door veranderingen in de onafhankelijke variabele worden deelnemers willekeurig, ook wel random, toegewezen aan een experimentele conditie en een controle conditie. In de experimentele conditie wordt de onafhankelijk variabele wel gemanipuleerd en in de controle conditie niet. De twee groepen kunnen dan vergeleken worden op de afhankelijke variabele, om te kijken of de verandering in de onafhankelijke variabele effect heeft gehad.

Een groot voordeel van de experimentele methode is dat er oorzakelijke, ook wel causale, factoren geïdentificeerd kunnen worden. Echter, de kunstmatige omgeving waarin het experiment plaatsvindt kan de validiteit in gevaar brengen, omdat mensen zich daardoor structureel anders kunnen gedragen, waardoor je niet meet wat je wilt meten. Als de experimentele setting ernstig afwijkt van de natuurlijke setting wordt er gesproken van een gebrek aan ecologische validiteit.

Het klinische interview wordt aangepast op elk apart individu, waarbij elke vraag gebaseerd is op het antwoord van de vorige vraag. Zo kan er worden doorgevraagd tot er een compleet beeld is van wat men wil weten. Een belangrijk voordeel van klinische interviews is dat de gedachtegang van kinderen makkelijk gevolgd en uitgedaagd kan worden. Interviews leggen wel sterk de nadruk op verbale vermogens, waardoor deze minder geschikt zijn voor kleine kinderen.

Onderzoeksontwerp

Het onderzoeksontwerp beschrijft hoe een onderzoek wordt opgezet, wie onderzocht wordt, hoe dat gebeurt en welke analyses worden gebruikt. Er zijn vier onderzoeksontwerpen te onderscheiden die ontwikkelingswetenschappers gebruiken; het longitudinale, cross-sectionele, cohort volgende en het microgenetische ontwerp.

In het longitudinale ontwerp wordt dezelfde groep mensen gedurende een lange periode gevolgd, waarbij wordt bekeken of gedrag en persoonlijkheidstrekken veranderen wanneer zij ouder worden. Longitudinale studies zijn echter duur en vereisen een langdurige betrokkenheid van de onderzoeksobjecten. Wanneer groepen met bepaalde kenmerken als etniciteit structureel uitvallen, ook wel selectieve uitval genoemd, dan geeft dat een vertekend beeld van de resultaten. Ook is het mogelijk dat een bepaald cohort, een groep mensen die in dezelfde tijd is geboren, afwijkt van andere cohorten en de gevonden verschillen niet aan leeftijd maar aan het cohort kunnen worden toegeschreven. Dit noemt men een cohort-effect.

In cross-sectionele ontwerpen wordt geprobeerd dit laatste probleem te ondervangen door verschillende cohorten op hetzelfde tijdstip te meten. Dit ontwerp is minder duur en kost minder tijd, maar het voortdurende proces van ontwikkeling wordt op deze manier in stukjes geknipt. Er kan dus geen inzicht worden verkregen in het ontwikkelingsproces, omdat er slechts op 1 tijdstip wordt gemeten. Een ander nadeel is dat alle andere factoren, behalve leeftijd, constant gehouden moeten worden, omdat de groepen alleen op leeftijd met elkaar vergeleken moeten worden. Denk daarbij aan sekse, etniciteit en sociaaleconomische status. Daarnaast kunnen ook in het cross-sectionele ontwerp cohort-effecten optreden.

Het cohort volgende ontwerp maakt een combinatie tussen de eerste twee ontwerpen, waarbij verschillende cohorten voor een langere tijd gevolgd worden.

Het microgenetische ontwerp richt zich op de ontwikkeling van kinderen binnen een relatief kort tijdsbestek. Gedrag van kinderen wordt gemeten tijdens de overgangsfase van het ene naar het andere stadium, waarbij soms de verandering direct kan worden gemeten op het moment dat het plaatsvindt.

De ethiek

De institutional review board (IRB) is verantwoordelijk voor het naleven van ethisch verantwoord onderzoek. De ethiek heeft betrekking op de volgende criteria:

  1. Vrijheid van schade: onderzoek mag geen psychologische of fysieke schade toebrengen aan de deelnemer

  2. Informed consent: de deelnemers moeten tot op zekere hoogte weten wat er onderzocht wordt

  3. Vertrouwelijkheid: de deelname moet anoniem blijven zodat de publicatie van resultaten de deelnemer niet kan schaden of in verlegenheid kan brengen

Oefenvragen Hoofdstuk 1: Het bestuderen van ontwikkeling

1. De ontwikkelingswetenschap is interdisciplinair. Wat betekent dit?

2. Welke 5 perioden tussen conceptie en volwassenheid worden onderscheiden?

3. Wat is het performationisme en wanneer speelde dit een belangrijke rol?

4. Wat betekent plasticiteit?

5. Wat is het verschil tussen kritieke en sensitieve perioden?

6. Wat is het verschil tussen continue en discontinue ontwikkeling?

7. Welke drie mentale structuren onderscheid Freud?

8. Wat houdt de law of effect van Thorndike in?

9. Hoe werkt operante conditionering?

10. Wat is een schema volgens Piaget en op welke 2 manieren kan nieuwe informatie worden verwerkt volgens hem?

11. Welke factor was belangrijk in het werk van Vygotsky?

12. Wat is de zone van de proximale ontwikkeling van Vygotsky?

13. Wat is modelling?

14. Wat is in informatie-verwerkingstheorieën het verschil tussen hardware en software?

15. Op welke vier contexten richt de ecologische systeemtheorie zich?

16. Aan welke vier criteria moet onderzoek in ieder geval voldoen?

17. Welke twee condities zijn er in een experiment en waarom?

18. Wat is het verschil tussen een longitudinale studie en een cross-sectionele studie?

19. Op welke drie criteria heeft ethiek betrekking in onderzoek?

 

De biologische en culturele oorsprong (2)

 

De biologische en culturele oorsprong

Ontwikkelingswetenschappers beschrijven cultuur als ‘materiele en symbolische gereedschappen die zich ontwikkelen over de tijd, doorgegeven worden in sociale processen en bronnen vormen voor het ontwikkelende kind.’

Mensen onderscheiden zich van dieren in de mate waarin zij gereedschappen en technologie gebruiken om hun gedrag te organiseren en met de omgeving te interacteren. Er zijn twee typen cultureel gereedschap; materieel gereedschap en symbolisch gereedschap.

Materieel gereedschap verwijst naar fysieke objecten en observeerbaar gedrag. Bij observeerbaar gedrag kan men denken aan familiegewoontes en sociale gebruiken. Het symbolische gereedschap betreft alle abstracte kennis, opvattingen en waarden die de ontwikkeling beïnvloeden. Een voorbeeld waarin deze twee typen gereedschap samenkomen is het nemen van een spiritueel reinigend bad in een rivier, zoals dat in een aantal culturen gebeurt. Het baden zelf is observeerbaar en daarmee een aspect van het materiele gereedschap, terwijl de behoefte om zichzelf spiritueel te reinigen, waarmee waarden en normen worden gereflecteerd, een aspect is van het symbolische gereedschap.

Kinderen erven cultuur door middel van verschillende sociale processen. Sociale versterking verwijst naar het feit dat bepaalde bronnen simpelweg deel uit maken van de omgeving van kinderen, waardoor kinderen ze sneller gebruiken. Een andere manier waarop cultuur kan worden overgedragen is imitatie, het kopiëren van gedrag dat kinderen bij anderen waarnemen. Expliciete instructie is ook een manier om cultuur over te brengen, waarbij kinderen opzettelijk worden onderwezen in het gebruik van bepaald materiaal en symbolisch gereedschap. Expliciete instructie is met name interessant, omdat deze, in tegenstelling tot sociale versterking en imitatie, ook symbolische communicatie bevat, zoals het gesproken of geschreven woord, kunst en muziek. Vanwege het gebruik van symbolische communicatie is het mogelijk kinderen ook iets te leren over dingen die niet in de directe omgeving aanwezig zijn. Denk bijvoorbeeld aan de wijze waarop taal ons in staat stelt iets over onze geschiedenis te leren.

Enerzijds kunnen we stellen dat cultuur door deze sociale processen wordt overgedragen op kinderen, anderzijds zijn we ook in staat deze cultuur te veranderen door er actief aan deel te nemen. Culturen evolueren doordat mensen variaties aanbrengen in de materiele en symbolische gereedschappen die zij gebruiken, een proces dat cumulatieve culturele evolutie wordt genoemd. Variaties in materieel gereedschap zijn zichtbaar in de technologische ontwikkeling, terwijl variaties in het symbolische gereedschap zichtbaar zijn in gewijzigde opvattingen over vrouwen, het gezinsleven en familie.

De vraag is hoe deze gereedschappen veranderen. Een belangrijk element van verandering ligt in de samenstelling van groepen. Groepen die relatief groot en complex zijn en in verbinding staan met andere groepen veranderen sneller dan relatief kleine, geïsoleerde groepen.

Erfelijkheid

Evolutie is gebaseerd op erfelijkheid, waarmee verwezen wordt naar de overdracht van biologische karakteristieken van de ene op de andere generatie. Genen bevatten instructies die leiden tot de formatie van alle individuele trekken, zowel fysiek, gedragsmatig als psychologisch. Deze instructies kunnen op twee manieren tot uiting komen, via het genotype of via het fenotype. Het genotype is het exacte genetische pakket dat het individu geërfd heeft. Het fenotype verwijst naar alle fysieke, gedragsmatige en psychologische kenmerken die het individu ook daadwerkelijk ontwikkelt. Het verschil tussen het genotype en het fenotype is van belang vanwege drie redenen:

  1. Zij worden op andere manieren gemeten: het genotype wordt onderzocht door de bestudering van genetisch materiaal, terwijl het fenotype bestudeerd wordt door naar het lichaam en gedrag te kijken

  2. Ze hangen niet per definitie met elkaar samen: eeneiige tweelingen kunnen andere karaktereigenschappen ontwikkelen ondanks hun genetische overeenkomst

  3. Ze vertolken verschillende rollen in het evolutionaire proces, omdat alleen het fenotype door de omgeving wordt beïnvloed.

Natuurlijke selectie is een proces waarbij fenotypes die zich meer aan hun omgeving aanpassen een grotere kans hebben om te overleven. Variaties in fenotypes die adaptief zijn zullen dus op de lange termijn vaker voorkomen, dan variaties die niet adaptief zijn.

Een goed voorbeeld daarvan is de duur van een zwangerschap. Vrouwen met langdurige zwangerschappen hadden een grotere kans om beschadigd te worden tijdens het geboorteproces, omdat de schedel van het kind dan groter zou zijn. Vrouwen met kortere zwangerschappen hadden dus een grotere kans om te overleven en hun genetisch materiaal voor te zetten. Het resultaat is dat de gemiddelde zwangerschapsduur omlaag is gegaan in het verloop van de geschiedenis. Natuurlijke selectie werkt ook voor gedragsmatige trekken, zo zijn onze vermogens om te leren en socialiseren ook adaptieve fenotypes.

Het genotype van een individu bevat gedeelde informatie van de menselijke soort en informatie die het persoon uniek maakt. Elke spermacel en eicel bevat 23 chromosomen, die bestaat uit een enkele DNA molecuul. Deze DNA molecuul bestaat uit twee lange, samenhangende stroken die in een spiraal om elkaar heen zitten. Elk gen bevat een specifieke set instructies voor het omzetten van eiwitten die nodig zijn voor het aanmaken van nieuwe cellen en de controle van bestaande cellen. Na de conceptie vormen de spermacel en de eicel een zygote, een cel die bestaat uit 46 chromosomen, 23 van de moeder en 23 van de vader.

De sperma- en eicellen worden geslachtscellen genoemd en bestaan elk uit 23 chromosomen, terwijl somatische cellen verwijzen naar de rest van de lichaamscellen en elk uit 46 chromosomen bestaan. Het vormen van nieuwe somatische cellen heet mitose en het vormen van nieuwe geslachtscellen noemt men meiose.

Het proces van mitose begint met de replicatie van de 46 chromosomen in de somatische cel, waarbij exacte kopieën worden gemaakt. De chromosomen reizen vervolgens naar het midden van de cel waar zij zich scheiden om twee identieke sets te vormen. Uiteindelijk deelt de cel zich op in twee identieke dochtercellen, welke elk dezelfde 46 chromosomen bevatten.

Meiose werkt enigszins hetzelfde als mitose, alleen hoeft een geslachtscel slechts 23 chromosomen te bevatten. De cellen dupliceren wederom, alleen delen zij zich op in vier identieke dochtercellen, in plaats van twee. Elk van deze cellen bevat ook 23 chromosomen, waarvan de helft van de originele cel van de ouders. Er zijn op deze manier 8 miljoen combinaties mogelijk, waarmee duidelijk wordt hoe belangrijk meiose is voor de variaties in de soort.

Een uitzondering daarop is de monozygote tweeling, ook wel bekend als eeneiige tweeling, waarbij de zygote zich ontwikkelt in twee aparte individuen. De twee-eiige tweeling, ook wel de dizygote tweeling, is het product van twee gelijktijdig, maar verschillende bevruchte eicellen, waardoor zij net zo veel overeenkomsten vertonen als ‘gewone’ broers of zussen.

Het 23e chromosomenpaar bepaald de sekse van het individu. Bij vrouwen zijn deze chromosomen van hetzelfde type, het X chromosoom, met een XX chromosomenpaar als resultaat. Mannen hebben zowel een X als een Y chromosoom, resulterend in XY. Aangezien vrouwen alleen X chromosomen hebben, bevat elke eicel een X chromosoom. Bij mannen kunnen spermacellen een X of een Y chromosoom bevatten, omdat zij zelf XY zijn. Mannen bepalen dus of het kind een XX of een XY wordt en daarmee het geslacht.

Een specifieke vorm van een gen is het allel. Personen die hetzelfde allel van de moeder en vader hebben geërfd zijn homozygoot op dit allel. Mensen die een ander allel van de moeder dan van de vader hebben geërfd zijn heterozygoot op dit allel. Een homozygoot allel heeft slechts 1 mogelijke uitkomst, maar een heterozygoot allel kan zich op drie verschillende manieren uitdrukken:

  1. Een van de twee allelen komt tot uitdrukking: Het allel dat tot uitdrukking komt noemt men het dominante allel, het allel dat niet tot uitdrukking komt is het recessieve allel

  2. Beide allelen worden uitgedrukt, maar in milde mate

  3. Beide allelen komen volledig tot uitdrukking, een uitkomst die men ook wel codominantie noemt

De meeste trekken zijn het resultaat van polygenetische erfelijkheid, waarbij verschillende genen bijdragen aan de ontwikkeling van het fenotype.

Genetische mutaties

Niet alleen seksuele reproductie, maar ook mutaties zijn een bron van variatie. Met mutaties wordt verwezen naar een verandering in de structuur van de DNA. Ze kunnen het gevolg zijn van fouten in de chromosomale replicatie tijdens meiose en mitose. Wanneer deze mutaties zich voordoen worden ze overgedragen op de volgende generaties en uiteindelijk op de menselijke genetische pool. Het feit dat mutaties een natuurlijk proces zijn, betekent niet dat ze in het voordeel zijn van de organismen waarbij ze voorkomen. Sommige mutaties zijn dodelijk. Deze stoornissen kunnen onderverdeeld worden in twee typen:

  1. Ze zijn een consequentie van specifieke genetische combinatie, zoals homozygoot zijn op een recessief allel.

  2. Ze zijn een consequentie van een afbraak in het proces van genetische transmissie.

Phenylketonurie is een voorbeeld van een recessieve stoornis, dat wordt veroorzaakt door een defect recessief allel dat van beide ouders wordt geërfd. Deze stoornis zorgt er voor dat het lichaam niet in staat is om phenylalanine te verwerken, een aminozuur dat in melk, eieren, brood en vis voorkomt.

Het Downsyndroom is een voorbeeld van een verstoring in de genetische transmissie, dat zich voordoet tijdens meiose. Tijdens dit proces wordt extra genetische materiaal gecreëerd op het 21e chromosoom, waardoor er drie en niet twee kopieën van dit chromosoom ontstaan. Deze mensen zijn vaak mentaal en fysiek geretardeerd en vertonen uiterlijke kenmerken als een plat gezicht, laag geplaatste oren en een korte nek. Hoe deze individuen uiteindelijk opgroeien hangt zowel af van de ernst van de stoornis, als de omgeving waarin zij opgroeien.

De helft van de chromosomale afwijkingen betreft zowel een X als een Y chromosoom. Mannen kunnen een XYY of een XXY zijn, waarbij in het laatste geval wordt gesproken van het Klinefelter syndroom. Deze mannen hebben zeer lage testosteronniveaus, waardoor ze geen baardgroei hebben en de seksorganen niet ontwikkelen. Bij vrouwen kan alleen een X of XXX voorkomen.

Het fenotype

De fenotypische plasticiteit is de mate waarin het genotype ontvankelijk is voor omgevingsinvloeden. Lage plasticiteit verwijst naar een sterke invloed van het genotype, die weinig gevoelig is voor omgevingsinvloeden, terwijl hoge plasticiteit verwijst naar een grote invloed van omgeving. Conrad Waddington beschreef de ontwikkeling van fenotypen als een reis door een heuvelachtig landschap. Trekken met een lage plasticiteit, die dus ongevoelig zijn voor omgevingsinvloeden, zouden volgens hem een vast pad volgen dat hij kanalisatie noemde. Trekken met hoge plasticiteit zouden er voor zorgen dat een individu zich makkelijk aan de omgeving kan aanpassen. Vanwege gen-omgevingsinteracties zou het landschap niet hetzelfde blijven gedurende het leven, maar voortdurend van vorm veranderen.

Erfelijkheid

De relatie tussen genen en gedrag is complex, omdat de meeste individuele trekken door verschillende genen worden beïnvloed. Erfelijkheid kan beschreven worden als de mate van fenotypische variatie in de populatie die het gevolg is van genetische variatie. Er zijn verschillende methoden om te onderzoeken in hoeverre deze karakteristieken toe te schrijven zijn aan genen:

  1. Verwantschapsstudies: hier wordt onderzocht in hoeverre familieleden die variëren in de hoeveelheid genetische verwantschap een bepaalde trek bezitten. Wanneer de mate van genetische verwantschap sterk correleert met de aanwezigheid van deze trek, spreken we van hoge erfelijkheid.

  2. Familiestudies: hier worden personen in hetzelfde gezin onderzocht, die in meer of mindere mate verwant zijn. Dit kunnen broers en zussen, maar ook stiefbroers en zussen zijn. Een probleem bij deze methode is dat de gezinsleden soms niet alleen genen, maar ook omgeving delen en het dus onduidelijk is waar verschillen en overeenkomsten door ontstaan.

  3. Tweelingstudies: hier worden monozygote en dizygote tweelingen met elkaar vergeleken. Wanneer een trek genetisch wordt bepaald zouden monozygote tweelingen meer overeenkomsten moeten vertonen dan dizygote tweelingen. Het is echter mogelijk dat monozygote tweelingen gelijker worden behandeld dan dizygote tweelingen, waardoor de overeenkomsten ook het gevolg zijn van een gedeelde omgeving.

  4. Adoptiestudies: hier worden tweelingen of gewone broers en zussen vergeleken die door verschillende families zijn geadopteerd. Overeenkomsten kunnen dan worden toegeschreven aan genen. Een probleem dat zich hier voordoet is dat adoptiebureaus deze verschillende kinderen vaak bij gezinnen plaatsen met een vergelijkbare achtergrond. Hier kunnen overeenkomsten dus ook het gevolg zijn van gedeelde omgevingen.

Genotypes en fenotypes

Het landschap van Waddington gaat er vanuit dat ontwikkelende individuen zelf een kleine rol spelen in hun ontwikkelingsproces, maar in de werkelijkheid blijken culturele en sociale factoren van het individu ook een grote rol te spelen in de formatie van het landschap.

 

Een niche constructie verwijst naar de wijze waarop gedrag, activiteiten en keuzes van individuen actief bijdragen aan de verandering van hun omgeving (niche). Dit is een sociaal en geen individueel proces. Dit wordt ook aangeduid met de term co-constructie, waarmee verwezen wordt naar de voortdurende vorming en hervorming van de omgeving door interacties tussen het individu en anderen.

De ecologische erfelijkheid verwijst naar de manier waarop deze niche constructie de omgeving vormt en daarmee van invloed is op de ontwikkeling van het nageslacht. Bij dit soort aanpassingen kan men denken aan migratie van grote groepen, ook wel selectie van leefomgeving genoemd. Maar er kunnen ook aanpassingen aangebracht worden in de huidige leefomgeving, zoals een verbetering van de infrastructuur, die nieuwe bronnen vormen voor het nageslacht.

Co-evolutie

Ontwikkelingswetenschappers vertonen toenemend interesse in de interactie tussen cultuur en biologie, ook wel co-evolutie genoemd. Culturele factoren kunnen de overlevingskansen van mensen vergroten, waaronder het conserveren van voedsel, het verzorgen van onderdak en het treffen van medische voorzieningen. Culturen die effectiever zijn in hun overlevingsstrategieën zullen een grotere kans hebben op de voortzetting van hun genen, waardoor cultuur en genen interacteren.

Een bekend voorbeeld van deze interactie is het ontbreken van lactose intolerantie bij specifieke groepen. Mensen met lactose intolerantie hebben moeite met de aanmaak van lactase waarmee de lactose in melk kan worden afgebroken. Ook is lactase, evenals vitamine D, betrokken bij de opname van calcium. Normaal gesproken neemt de aanmaak van lactase af naarmate men ouder wordt, met lactose intolerantie tot gevolg, maar in Scandinavische landen gebeurt dit niet. Omdat mensen in deze landen weinig aan zonlicht worden blootgesteld, waardoor zij een tekort hebben aan vitamine D, kunnen zij met de aanmaak van lactose toch nog calcium opnemen. De genen van personen die wel levenslang lactose aanmaakten, hadden dus een grotere kans op overleven.

Oefenvragen Hoofdstuk 2: De biologische en culturele oorsprong

  1. Wat is het verschil tussen materieel en symbolisch gereedschap? Geef van beide een voorbeeld.

  2. Via welke drie sociale processen erven kinderen cultuur?

  3. Wat wordt bedoeld met cumulatieve culturele evolutie?

  4. Wat wordt bedoeld met erfelijkheid?

  5. Wat is de relatie tussen fenotype en natuurlijke selectie?

  6. Hoe heet het proces waardoor geslachtscellen worden gevormd?

  7. Hoe heet het proces dat verantwoordelijk is voor de vorming van somatische cellen?

  8. Hoe wordt een eeneiige tweeling ook wel genoemd?

  9. Wat voor chromosomenpaar heeft een man?

  10. Wat is codominantie?

  11. Wat wordt bedoeld met mutaties?

  12. Wat is er aan de hand bij het Klinefelter syndroom?

  13. Op welke 4 manieren wordt onderzoek gedaan naar erfelijkheid?

  14. Wat is een niche constructie en wat is ecologische erfelijkheid?

  15. Wat is co-evolutie?

 

De prenatale ontwikkeling (3)

 

De prenatale ontwikkeling

Studies naar de prenatale ontwikkeling dienen een tweeledig doel. Enerzijds is er theoretische interesse in de ontwikkelingsstappen van het ongeboren kind, anderzijds heeft men een praktische interesse in de factoren die een positieve ontwikkeling bevorderen.

Een bevruchte eicel vlak na de conceptie staat ook bekend als een zygote. De chromosomen die de genen bevatten bevinden zich binnen de nucleus, het centrum van de cel. In de prenatale ontwikkeling kunnen drie perioden worden onderscheiden:

  1. De germinale periode die begint bij de conceptie en voortduurt tot het moment dat het organisme zich innestelt de baarmoederwand, ongeveer 8 tot 10 dagen later

  2. De embryonale periode die duurt vanaf de innesteling in de baarmoederwand tot de 8e week van de zwangerschap

  3. De foetale periode die duurt vanaf de 9e week tot de geboorte.

Germinale periode

In de eerste 8 tot 10 dagen reist de zygote richting de baarmoeder. De timing van deze reis is essentieel; wanneer de zygote te vroeg of te laat bij de baarmoeder aankomt zal er geen innesteling plaats vinden. 24 uur na de conceptie begint het opdelingsproces (cleavage), waarbij de zygote zich opsplitst in tweeën, vieren, achten, etc. Niet alle cellen delen zich even snel. Deze variatie noemt men heterochronie, waarbij verschillende delen van het organisme zich op verschillende tempo’s ontwikkelen. Deze onevenredigheid in de celdeling leidt tot heterogeniteit in de ontwikkeling van verschillende lichaamsdelen. In dit vroege stadium zijn alle cellen nog totipotente stamcellen, dat wil zeggen dat zij elk de potentie hebben om tot een embryo uit te groeien. In de periode daarna wordt de potentie van deze cellen beperkter en kunnen zij alleen nog uitgroeien tot een specifiek soort weefsel behorend tot het orgaan waarvan zij deel uitmaken. In het laatste geval spreekt men van multipotente stamcellen.

De embryonale periode

De embryonale periode duurt ongeveer 6 weken en groei in deze periode wordt beïnvloed door de voeding van de moeder en de mate waarin zij het kind beschermt tegen externe invloeden. De amnion, een dun transparant membraan dat vruchtwater bevat, omgeeft het embryo. Rondom het amnion bevindt zich een ander membraan, het chorion, dat later uitgroeit tot de placenta. De placenta is een complex orgaan dat bestaat uit weefsel van de moeder en het embryo. Het fungeert als een barrière en een filter om te voorkomen dat het bloed van de moeder en het embryo direct in contact komen, maar er toch uitwisseling kan plaatsvinden tussen beide organismen. De placenta voorziet het embryo van zuurstof en voedingstoffen en zorgt ervoor dat de afvalstoffen van het embryo op genomen worden in de bloedbaan van de moeder. Deze uitwisselingen vinden plaats via de navelstreng.

De binnenste celmassa differentieert zich in verschillende soorten cellen die uiteindelijk de organen vormen. De eerste stap in dit proces in het opsplitsen van de binnenste celmassa in twee lagen. De buitenste laag, het ectoderm, ontwikkelt zich uiteindelijk tot de huid, nagels, tanden, binnenoor en het centrale zenuwstelsel. De binnenste laag, het endoderm, ontwikkelt zich uiteindelijk tot het spijsverteringsstelsel en de longen. Later ontwikkelt zich nog een derde laag, het mesoderm, dat uiteindelijk de spieren, botten, ademhalingssysteem en de binnenste huidlaag vormt.

Epigenese is een proces waarbij een fenotypische variatie voorkomt uit de interactie tussen een oorspronkelijke vorm en de omgeving. De omgeving van de cel bestaat daarbij uit de omliggende cellen, waartussen voortdurend uitwisseling plaatsvindt. Een stamcel ‘weet’ dan dat hij zich moet ontwikkelen als onderdeel van het endoderm, omdat de andere cellen hem dat ‘vertellen’. De lichamelijke ontwikkeling verloopt volgens twee patronen:

  1. Cephalocaudale patroon: van boven naar beneden (van hoofd tot voeten)

  2. Proximodistale patroon: vanuit het midden naar de periferie (van binnen naar buiten)

In de eerste 6 weken verschillen meisje en jongens nog niet van elkaar. Zij hebben beiden twee gonadale ribbels, waaruit uiteindelijk de seksorganen (gonaden) ontwikkelen. Niet genen, maar hormonen bepalen welke ontwikkeling dat zal zijn. De mannelijke gonaden ontwikkelen onder invloed van androgenen, de mannelijke hormonen, waarvan de belangrijkste testosteron is. Wanneer een embryo niet aan deze hormonen wordt blootgesteld zullen de gonaden in de vrouwelijk richting ontwikkelen.

Testosteron heeft niet alleen invloed op de ontwikkeling van geslachtsorganen, maar ook op het spelgedrag van kinderen. Zo blijken meisjes, die prenataal aan relatief veel testosteron zijn blootgesteld, meer jongensachtig spelgedrag te vertonen.

De foetale periode

In de foetale periode worden de organen complexer en aan het eind van de 7e maand zijn de longen in staat tot het inademen van zuurstof en kan de foetus zijn ogen openen. Deze leeftijd wordt daarom ook aangeduid als de leeftijd van levensvatbaarheid, waarbij de foetus in staat is om buiten de baarmoeder te overleven.

Ten aanzien van de zintuigelijke mogelijkheden van de foetus is het volgende uit onderzoek naar voren gekomen:

  1. Detecteren van beweging: vanaf de 5e maand ontwikkelt het evenwichtsorgaan en is de foetus in staat beweging waar te nemen

  2. Zien: vanaf de 26e week van de zwangerschap kan de foetus lichtcontrasten waarnemen

  3. Horen: vanaf de 5e of 6e maand van de zwangerschap reageert de foetus op geluid

Aan het einde van de 4e maand kan de moeder het kind voelen in de baarmoeder, terwijl het embryo al vanaf de 8e week begint met bewegen. Met 15 weken is de foetus al in staat tot alle bewegingen van een pasgeboren baby. Beweging is essentieel voor een normale ontwikkeling van de ledematen. Andere prenatale bewegingen die belangrijk zijn voor de ontwikkeling buiten de baarmoeder zijn ademhalen, slikken en zuigen.

Foetale inactiviteit kan ook een belangrijke indicatie zijn voor de ontwikkeling. 24 tot 32 weken na de conceptie begint het kind langere perioden van inactiviteit te vertonen, omdat rond deze periode de hersenontwikkeling plaatsvindt die belangrijk is voor bewegingsinhibitie. Rond de 38e tot 40e week kunnen 4 verschillende typen beweging worden onderscheiden; rustige en actieve perioden tijdens de slaap en rustige en actieve perioden tijdens het wakker zijn.

Sinds kort hebben wetenschappers ontdekt dat kinderen al kunnen leren in de baarmoeder. Zo vinden zij geluiden die zij hoorden tijdens de zwangerschap, na de geboorte prettiger dan geluiden die zij nooit eerder hebben gehoord. Denk daarbij aan de moedertaal en de stem van de moeder.

Externe invloeden op de prenatale ontwikkeling

Er zijn positieve en negatieve invloeden tijdens de prenatale ontwikkeling. Zo kan de ontwikkeling van de foetus door stress, voeding en de gezondheid van de moeder worden beïnvloed. Een moeder die tijdens de zwangerschap aan stress wordt blootgesteld maakt stresshormonen aan, waaronder cortisol en adrenaline. Deze hormonen zijn van invloed op de ontwikkeling van het kind en de effecten kunnen langdurig zijn. Kinderen die aan veel stress blootgesteld werden tijdens de zwangerschap zijn op driejarige leeftijd agressiever dan andere kinderen.

Ook een negatieve attitude van de moeder tegenover de zwangerschap heeft effect op de ontwikkeling. Kinderen die niet gewenst zijn wegen minder en hebben meer medische hulp nodig dan kinderen die wel gewenst zijn. Ook angst over de gezondheid van het ongeboren tijdens de 19e week van de zwangerschap heeft een negatief effect op de ontwikkeling, maar dezelfde angst tijdens de 25e of 31e week heeft geen effect. Dit kan wellicht verklaard worden door de ontwikkeling van nieuwe neurale cellen vroeger in de zwangerschap, waaruit blijkt dat timing een belangrijk aspect is van ontwikkeling.

Goede voeding is ook van belang voor de ontwikkelende foetus. Foliumzuur blijkt belangrijk voor de ontwikkeling van de neurale buis, een structuur van het embryo die later de hersenen en het ruggenmerg zullen vormen. Omdat deze neurale buis vlak na de conceptie ontwikkelt, wordt het vrouwen aanbevolen een supplement foliumzuur te slikken voordat zij zwanger worden. Ook is het mogelijk dat zwangere vrouwen ondervoed zijn, waarbij ze te weinig voeding tot zich nemen om normaal te functioneren. Daarnaast is het mogelijk dat de calorieën-inname wel voldoende is, maar dat er te weinig voedingsstoffen in het eten zit. In dat geval spreekt men van malnutrition (slechte voeding).

Ondervoeding en malnutrition kunnen een negatief effect hebben op de ontwikkeling van het ongeboren kind, omdat het lichaam van de foetus leert spaarzaam met voedingstoffen om te gaan. Wanneer het kind na de geboorte wel een ‘normale’ hoeveelheid voedingsstoffen binnen krijgt, kan dat leiden tot overgewicht of zelfs obesitas.

Tegenwoordig is er steeds meer aandacht voor de effecten van overvoeding. Moeders die zichzelf hebben overvoed krijgen baby’s die relatief groot zijn voor de zwangerschapsduur (gestational age), met grotere kansen om op latere leeftijd diabetes en obesitas te ontwikkelen. Het is ook mogelijk dat deze moeders hun kinderen na de geboorte ook overvoeden, als gevolg van hun eigen voedingspatroon.

Teratogenen

Alle omgevingsfactoren die een bedreiging vormen voor het prenatale organismen worden teratogenen genoemd. Er zijn zes algemene principes die op alle teratogenen van toepassing zijn:

  1. De gevoeligheid van het organisme voor een teratogeen hangt af van de ontwikkelingsfase ten tijde van de blootstelling. Doorgaans zijn de lichamelijke systemen het meest kwetsbaar tijdens het begin van hun ontwikkeling.

  2. Een teratogeen is vaak het meest schadelijk voor een specifiek orgaan

  3. Er zijn individuele verschillen in de gevoeligheid voor teratogenen

  4. De gevoeligheid voor teratogenen hangt deels af van de fysiologische staat van de moeder, waaronder de leeftijd, voeding en hormonale balans

  5. Hoe sterker de blootstelling aan de teratogenen, des te groter het risico voor een abnormale ontwikkeling

  6. Sommige teratogenen hebben weinig invloed op de moeder, maar zijn zeer schadelijk voor het kind

Drugs

Het is vaak lastig vast te stellen welk effect drugs hebben op de foetus, omdat drugsgebruik van de moeder vaak samen gaat met ondervoeding, slechte prenatale zorg en een lage sociaal- economische status.

Voorgeschreven medicijnen kunnen schadelijk zijn voor de foetus. Zo bleek dat het gebruik van thalidomide, een medicijn dat werd voorgeschreven om ochtendmisselijkheid tegen te gaan, resulteerde in kinderen die zonder armen werden geboren of waarbij hun handen en voeten direct aan de romp vastzaten.

Van cafeïne is niet aangetoond dat deze misvormingen aan de ledematen veroorzaakt, maar grote doses tijdens de zwangerschap worden wel geassocieerd met een lager geboortegewicht. Roken blijkt samen te hangen met spontane abortussen, doodgeboorte en wiegendood. Nicotine is verantwoordelijk voor een abnormale groei van de placenta, waardoor minder voedingsstoffen en zuurstof bij het kind terechtkomen. Het geboortegewicht van baby’s die zijn blootgesteld aan nicotine is ook doorgaans lager, waarbij er sprake is van een dosis-respons relatie; des te meer de moeder rookt, des te lager het gewicht. Ook kan roken tijdens de zwangerschap leiden tot slaapverstoringen in de eerste 12 levensjaren.

Een grote proportie kinderen waarvan de moeders meer dan 14 glazen alcohol per week dronken tijdens de zwangerschap of meer dan 4 drankjes per gelegenheid dronken, bleken abnormaliteiten te vertonen. Het foetale alcohol syndroom, veroorzaakt door alcoholconsumptie van de moeder tijdens de zwangerschap, wordt gekenmerkt door een klein hoofd, met onderontwikkelde hersenen, afwijkingen in het gezicht en aan de ogen en hartklachten. Het drinken van meer dan 4 glazen alcohol per gelegenheid, ook wel bekend als binge drinking, is geassocieerd met leer- en gedragsproblemen in de adolescentie. Sommige wetenschappers vonden geen schadelijke effecten bij het sporadisch gebruik van een of twee glazen alcohol, terwijl andere wetenschappers dat wel vonden.

Marihuana tijdens de zwangerschap is geassocieerd met een laag geboortegewicht en neurologische afwijkingen gedurende de hele kindertijd. Eén derde van het psychoactieve bestanddeel van marihuana bereikt het kind via de placenta, met serieuze gevolgen voor de ontwikkeling op korte en lange termijn.

Moeders die cocaïne gebruiken tijdens de zwangerschap, krijgen vaker kinderen die te vroeg geboren worden, een laag geboortegewicht hebben en lichamelijke afwijkingen vertonen. Ook zijn deze baby’s doorgaans meer geagiteerd, ongecoördineerd, overgestimuleerd en leren zij vaak trager. Bovendien vertonen zij vaak een vertraagde taalontwikkeling. Methamphetamine, ook wel bekend als meth of crystal, is geassocieerd met aanzienlijk kleinere baby’s, die alle problemen vertonen van andere te klein geboren baby’s (later in dit hoofdstuk).

Baby’s van moeders die verslaafd zijn aan opiaten, zoals heroïne en methadon, worden vaak te vroeg geboren, hebben ondergewicht en lopen risico op ademhalingsproblemen. Bovendien worden ze verslaafd geboren en moeten deze baby’s afkicken na de geboorte. Ze vertonen vaak abnormaal huilgedrag, zijn snel geïrriteerd en hebben een verstoorde motorische ontwikkeling.

Infectieziekten en andere gezondheidsklachten

Rubella is een infectieziekte die gepaard gaat met symptomen als uitslag, gezwollen lymfeklieren en koorts. Hoewel de symptomen bij de moeder mild zijn, heeft deze ziekte desastreuze gevolgen voor de foetus, met risico’s op hartklachten, doofheid en mentale retardatie. HIV is een infectieziekte die onbehandeld kan leiden tot AIDS. Moeders met HIV kunnen het virus doorgeven aan de foetus via de placenta, tijdens de bevalling of via borstvoeding. Het risico neemt toe wanneer de moeder langer is geïnfecteerd, maar kan worden terug gebracht door de inname van antiretrovirale medicatie tijdens de zwangerschap en het onmiddellijk behandelen van de pasgeboren baby. Om infecties van de baby te verminderen moeten moeders met HIV worden geïdentificeerd en behandeld worden.

Rh is een complexe substantie die zich bevindt op de oppervlakte van rode bloedcellen. Mensen met het dominante gen, zijn Rh positief. Wanneer een Rh negatieve moeder een kind krijgt met een Rh positieve vader, zal het kind ook Rh positief zijn. Wanneer tijdens de bevalling het bloed van de baby de bloedbaan van de moeder bereikt, zal de moeder antistoffen aanmaken. Wanneer zij vervolgens weer zwanger is van een kind dat Rh positief is, zal het lichaam van de moeder de rode bloedcellen van de foetus aanvallen, met serieuze afwijking en soms zelfs dood tot gevolg.

De blootstelling van de foetus aan radioactieve straling kan tot doodgeboorte en spontane abortussen leiden. Van de kinderen die geen zichtbare afwijkingen vertonen bij geboorte, blijkt 64% op latere leeftijd mentaal geretardeerd. Vervuiling van de lucht, het water of het eten kan ook afwijkingen bij de foetus veroorzaken, zoals groeistoornissen, vroeggeboorte en doodgeboorte.

De bevalling

Een bevalling kan onderverdeeld worden in drie fasen:

  1. De ontsluitingsweeën. Dit zijn samentrekkingen van de baarmoeder die ervoor zorgen dat de baarmoedermond opengaat

  2. De geboorte van de baby

  3. De geboorte van de placenta

Verschillende culturen hebben een andere kijk op de bevalling. Zo zijn er culturen waarin de vrouw het bevallingsproces alleen moet doorstaan, maar is het meer gebruikelijk dat daar anderen bij aanwezig zijn. Ook verschillen culturen in hun opvattingen over de aanwezigheid van de vader bij de bevalling. In sommige culturen, waaronder de Ngoi in Oost Afrika, moet zowel de vader, als zijn bezittingen, verwijderd worden uit de bevalkamer, terwijl in andere culturen de aanwezigheid van de vader een spirituele noodzaak is.

In de Verenigde Staten wordt het grootste deel van de bevallingen begeleid door een gynaecoloog. Wel nemen verloskundigen deze rol, sinds de jaren 60, steeds meer over. Uit vergelijkende studies blijkt dat baby’s die worden geboren onder begeleiding van een verloskundige gemiddeld een hoger geboorte gewicht hebben en minder risico’s hebben op overlijden, dan baby’s die door gynaecologen worden verlost. Dit effect is waarschijnlijk het gevolg van betere prenatale zorg door verloskundigen. Het relatief grote percentage bevallingen onder leiding van gynaecologen heeft drie redenen:

  1. Bevallingen met medische indicaties vinden plaats in ziekenhuizen, waar deze vrouwen begeleid worden door gynaecologen

  2. Er is sprake van een toenemend gebruik van pijnbestrijding, dat alleen onder medische begeleiding mag worden gegeven

  3. Het gros van de verzekeringen dekt alleen ziekenhuisbevallingen

Pijnbestrijding tijdens bevallingen kan worden onderverdeeld in drie categorieën:

  1. Anesthetica, waarbij bepaalde delen van het lichaam verdoofd worden

  2. Analgetica, waarbij de perceptie van pijn wordt verminderd

  3. Sedatieven, waarbij de angst voor pijn wordt verminderd.

Hoewel pijnbestrijding geen schadelijk effect heeft voor zowel moeder als kind, blijken baby’s die geboren worden onder invloed van pijnmedicatie de eerste dagen wel minder actief en sneller geagiteerd.

Er zijn verschillende medische maatregelen die de veiligheid van de moeder en het kind kunnen bevorderen. In bepaalde situaties kunnen artsen er voor kiezen de bevalling in te leiden, door de vruchtwaterzak door te prikken of het hormoon oxytocine toe te dienen. Ook kan in een aantal gevallen voor een keizersnede worden gekozen, waarbij het kind via een chirurgische snede in de buikwand wordt verlost. Critici beweren dat veel keizersneden onnodig zijn en ongunstig zijn voor de moeder-kind relatie, omdat deze te snel van elkaar gescheiden worden. Gevoelige methoden om de medische conditie van de foetus te monitoren, zouden leiden tot een overschatting van mogelijke complicaties, waardoor te snel keizersneden worden uitgevoerd.

De geboorte is een stressvolle gebeurtenis voor baby’s, vanwege het nauwe geboortekanaal waardoor zij naar buiten komen, maar deze stress zou ook belangrijke evolutionaire voordelen hebben. De stresshormonen die vrijkomen tijdens de geboorte zouden de longen en de bloedstroom stimuleren, waardoor baby’s beter kunnen overleven buiten de baarmoeder. Kinderen die geboren worden via een keizersnede zouden dan ook vaker ademhalingsproblemen vertonen.

Het uiterlijk van de baby kan soms teleurstellend zijn voor ouders, vanwege hun relatief grote hoofd, kleine ledematen en de vernix caseosa, een witte substantie op de huid van de baby die beschermt tegen infecties. Baby’s wegen gemiddeld tussen de 2.5 en 4.5 kilo en zijn gemiddeld 51 centimeter lang.

Een simpele methode om te bepalen of de baby extra medische zorg nodig heeft is de Apgar Schaal. Deze schaal meet vijf vitale kenmerken: de hartslag, ademhaling, spierspanning, reflexen en kleur, die elk afzonderlijk een score tussen 0 en 2 kunnen krijgen. Een score van 4 of minder is een indicatie voor extra medische zorg. De Brazelton Neonatal Assessment Scale wordt gebruikt om de neurologische conditie van baby’s te onderzoeken, waarbij men ontwikkelingsproblemen verwacht. Deze test meet de reflexen, motorische vaardigheden, spierspanning, reacties op de omgeving, gedragscontrole (wegkijken bij overprikkeling) en aandacht. Een aantal typische items van deze schaal zijn:

  1. De visuele en auditieve oriëntatie richting levende objecten

  2. Optrekken tot zit wanneer de handen worden vastgehouden

  3. Reactie op knuffelen

Pasgeborenen die de grootste gezondheidsrisico’s lopen zijn vroeggeboren baby’s of baby’s met ondergewicht. Wanneer een kind voor de 37e week van de zwangerschap geboren wordt spreekt men van vroeggeboorte. Een groot risico bij vroeggeboorte is de onderontwikkeling van de longen, waardoor zij niet zelfstandig kunnen ademen. Ook een onderontwikkeld spijsverteringsstelsel en immuunsysteem vormen een risico, evenals een slechte coördinatie van zuigen en slikken. Vroeggeboorte komt vaker voor bij meerlingen en baby’s van rokende moeders of van moeders met een slechte medische conditie.

Van een laag geboortegewicht wordt gesproken wanneer de baby bij de geboorte minder dan 2.5 kilo weegt. Vaak zijn dit vroeggeboren baby’s, maar niet in alle gevallen. Een laag geboortegewicht kan ook het gevolg zijn van infecties, chromosomale abnormaliteiten, blootstelling aan nicotine, malnutrition en abnormaliteiten in de placenta. Ook kan een laag geboortegewicht worden veroorzaakt door sociale factoren. Zo blijkt dat de schedel van baby’s met laagopgeleide moeders langzamer groeit dan normaal, waarschijnlijk vanwege de beperkte kennis van een gezonde prenatale ontwikkeling. Ook alleenstaande moeders krijgen baby’s die kleiner zijn dan normaal, waarschijnlijk vanwege een gebrek aan emotionele en sociale steun.

Laag- en vroeggeboorte hebben serieuze implicaties voor de ontwikkeling. Zo blijkt de intellectuele en taalontwikkeling trager te verlopen en vertonen zij afwijkingen in aandacht en neurologisch functioneren. Kinderen die zowel te vroeg zijn geboren als een laag geboortegewicht hebben, lopen met name een groot risico. Echter blijken kinderen die te vroeg zijn geboren, maar wel een normaal geboortegewicht hebben, ook problemen in de aandacht en de visueel-motorische coördinatie te vertonen.

De band tussen ouder en kind

Het is niet vanzelfsprekend dat er een band ontstaat tussen ouder en kind, zoals blijkt uit de relatief hoge percentages verwaarlozing, mishandeling en moord van kinderen. Een belangrijke factor die de hechting tussen ouder en kind bevorderd is de uiterlijke verschijning van het kind. Zo blijkt dat aantrekkelijke baby’s meer aandacht en positieve reacties krijgen van de zorgdragers, dan minder aantrekkelijke baby’s.

Tijdens de zwangerschap hebben ouders vaak verwachtingen over het uiterlijk van het kind, die grotendeels worden beïnvloed door de sekse van de baby. Van meisjes wordt verwacht dat zij schattig, mooi en klein zijn en lijken op hun moeder. Van jongens wordt verwacht dat zij op de vader lijken. Met name vaders lijken er sekse-specifieke verwachtingen op na te houden.

Veel van deze verwachtingen zijn gebaseerd op culturele opvattingen over mannen en vrouwen. Met deze toekomstverwachting in het achterhoofd wordt de leefomgeving van de kinderen zodanig georganiseerd dat kinderen aan deze verwachtingen kunnen voldoen.

 

Oefenvragen Hoofdstuk 3: De prenatale ontwikkeling

1. Hoe wordt een bevruchte eicel vlak na de conceptie genoemd?

2. Hoe heten de drie perioden die worden onderscheiden in de prenatale ontwikkeling?

3. Wat zijn totipotente stamcellen?

4. Van wanneer tot wanneer duurt de embryonale periode?

5. Wat is het amnion en het chorion?

6. Tot wat ontwikkelt het ectoderm, het endoderm en het mesoderm?

7. Wat wordt bedoeld met epigenese?

8. Via welke patronen vindt de ontwikkeling plaats?

9. Welke leeftijd wordt ook wel aangeduid als de leeftijd van levensvatbaarheid?

10. Vanaf welke week kunnen baby’s zien?

11. Kunnen kinderen leren in de baarmoeder?

12. Welk zuur is belangrijk voor de ontwikkeling van de neurale buis?

13. Wat zijn de zes algemene principes van teratogenen?

14. Waar wordt cafeïne mee geassocieerd wanneer gebruikt tijdens de zwangerschap?

15. Waar kan roken toe leiden tijdens de zwangerschap?

16. Wat zijn kenmerken van het foetale alcohol syndroom?

17. Wat is rubella?

18. Wat zijn de effecten van blootstelling aan radioactieve straling?

19. Welke 3 fasen kent de bevalling?

20. Welke type pijnbestrijding zijn mogelijk?

21. Wat is vernix caseosa?

22. Wat is de maximale score op de Apgar schaal?

23. Wanneer wordt gesproken van een vroeggeboorte? Wanneer is er sprake van een laag geboortegewicht?

 

De eerste drie levensmaanden (4)

 

De eerste maanden

De ontwikkeling van de pasgeboren baby’s wordt gevolgd door middel van groeicurves, waarbij het gewicht, de lengte en andere groei-indicaties van de baby worden vergeleken met de gemiddelden van andere baby's. Onderzoekers hebben veel aandacht geïnvesteerd in de validiteit van deze meetinstrumenten.

Zo was men een tijd bezorgd over het gewicht van baby’s die uitsluitend borstvoeding kregen als gevolg van invalide metingen. Deze baby’s waren gemiddeld lichter dan baby’s die flesvoeding kregen, waardoor de moeders het advies kregen om flesvoeding bij te geven. Bij borstvoeding blijkt de melkstroom echter veel beter te reguleren dan bij flesvoeding, waardoor borstvoedingsbaby’s precies binnen krijgen wat zij nodig hebben en flesvoedingsbaby’s sneller overvoed raken. Het ‘ondergewicht’ van de borstvoedingsbaby’s was dus eigenlijk het resultaat van het ‘overgewicht’ van flesvoedingsbaby’s.

De hoofdomtrek van baby’s is een belangrijke indicator van de groei. De botten van de schedel worden gescheiden door fontanellen, zogeheten zachte plekken waar geen botweefsel zit. Deze open plekken zorgen ervoor dat de botten van de schedel over elkaar heen kunnen schuiven en de schedel kan versmallen wanneer baby’s door het geboortekanaal naar buiten moeten. Daarnaast geven deze open plekken ruimte voor groei wanneer de hersenomvang na de geboorte toeneemt.

Neuronen in een netwerk

Hersenveranderingen worden geassocieerd met ontwikkelingsveranderingen. Om te begrijpen hoe deze hersenveranderingen plaatsvinden moet men inzicht hebben in neuronen, de zenuwcellen in het brein die informatie uitzenden en verwerken. Een neuron heeft twee taken:

  1. Het zenden van informatie via kleine elektrische impulsen langs het axon, een tak die aan de neuron vast zit en verbonden is met anderen hersencellen.

  2. Het ontvangen van informatie van de axonen van andere cellen via kleinere takjes, genaamd dendrieten.

Tussen de axonen en de dendrieten bevindt zich een ruimte die de synaps heet. Wanneer een elektrisch signaal, dat via het axon wordt verstuurd, de synaps bereikt, wordt er een chemische stof uitgescheiden. Deze chemische stof heet een neurotransmitter en veroorzaakt een reactie in het ontvangende neuron. Dit proces van ontvangen en uitzenden is een representatie van een neuraal netwerk en ligt aan de oorsprong van hersengroei.

Een deel van deze hersengroei is het gevolg van een toename in grijze stof, die plaatsvindt wanneer de informatie-ontvangende neuronen nieuwe dendrieten aanmaken en de axonen langer worden. Het resultaat is dat er nieuwe synapsen worden aangemaakt, een proces dat synaptogenese wordt genoemd. De hersenen kunnen ook toenemen in witte stof, dat bestaat uit myeline, een isolerend materiaal dat de axonen omgeeft en de transmissie van informatie versnelt.

Het centrale zenuwstelsel

Het centrale zenuwstelsel kan worden onderverdeeld in het ruggenmerg, de hersenstam en de cerebrale cortex. Het ruggenmerg is een bundel van zenuwen die loopt vanaf de hersenen tot onderaan de taille. Dit onderdeel van het centrale zenuwstelsel verstuurt boodschappen tussen de hersenen en de spinale zenuwen en communiceert met de rest van het lichaam. Aan de bovenkant van het ruggenmerg zit de hersenstam vast, die verantwoordelijk is voor vitale functies als slapen en ademhalen. De cerebrale cortex bevindt zich boven de hersenstam en is het meest complexe onderdeel van het centrale zenuwstelsel. Deze is betrokken bij de perceptie, motorische functies, planning, besluitvorming en spraak. De cerebrale cortex kan worden onderverdeeld in vier secties:

  1. De occipitale kwab: betrokken bij de visuele waarneming

  2. De temporale kwab: betrokken bij de auditieve waarneming en de spraak

  3. De pariëtale kwab: betrokken bij de ruimtelijke waarneming

  4. De frontale kwab: betrokken bij de controle en coördinatie van de andere kwabben

Het vermogen van de hersenstructuren om te veranderen als gevolg van ervaringen noemt men plasticiteit, zoals eerder besproken in hoofdstuk 1. Bij de geboorte is de cerebrale cortex minder ontwikkeld dan de hersenstam en het ruggenmerg, waardoor de pasgeboren baby nog beperkte vermogens heeft.

Er zijn twee processen in de hersenontwikkeling te onderscheiden. Allereerst de ervarings-verwachte processen, waarbij de hersenen anticiperen op bepaalde ervaringen, omdat deze ervaringen universeel zijn in een normaal ontwikkeld individu. Een voorbeeld hiervan is de taalontwikkeling. Deze processen bieden kinderen de mogelijkheid om optimaal voordeel te halen uit hun omgeving. Denk daarbij aan de eerder genoemde sensitieve perioden, waarin kinderen een groter vermogen hebben om een bepaalde vaardigheid te ontwikkelen. Tijdens deze sensitieve periode worden veel meer nieuwe synapsen aangemaakt wanneer het kind aan de ervaring wordt blootgesteld, dan tijdens andere perioden. Dit proces wordt exorbitante synaptogenese genoemd. Synapsen die niet worden gebruikt sterven uiteindelijk af, een fenomeen dat synaptische pruning wordt genoemd.

Het tweede proces van hersenontwikkeling is ervarings-afhankelijk, waarbij hersengroei ontstaat als gevolg van specifieke ervaringen van het individu die niet universeel geldend zijn. Dit proces stelt het individu in staat om voordeel te halen uit een veranderende omgeving. Des te rijker de omgeving, des te meer hersengroei er zal plaatsvinden.

Zintuigelijke vaardigheden

Vanwege de constante fluctuaties in slapen en waken bij baby’s is het lastig om betrouwbare en repliceerbare data te verkrijgen over hun capaciteiten. Het gevoel en de reuk zijn verder ontwikkeld dan het zicht, wat verwijst naar de eerder besproken heterochronie in de ontwikkeling. In onderzoek bij baby’s worden zichtbare fysiologische en gedragsresponsen gemeten na het aanbieden van een stimulus, zoals het wegdraaien van het hoofd, variaties in hersengolven (EEG) en veranderingen in hartslag.

Er zijn drie voorname methoden om gedragsresponsen te meten:

  1. Visuele voorkeursmethode, waarbij wordt bekeken of baby’s langer naar de ene stimulus kijken dan naar de andere.

  2. Habituatie, waarbij wordt bekeken of de aandacht voor een bepaalde stimulus verzwakt wanneer deze langer achtereen wordt aangeboden.

  3. Dishabituatie, waarbij wordt bekeken of een baby hernieuwde interesse toont wanneer na het proces van habituatie een verandering in de stimulus plaatsvindt.

Horen

Baby’s kunnen de stem van de moeder en de taal die om hen heen wordt gesproken onderscheiden van andere geluiden. Ze geven vooral de voorkeur aan hoge, langzame, goed gearticuleerde spraak, die wij ook wel kennen als ‘babytaal’. Baby’s zijn in staat om de kleinste klankeenheden in de taal te onderscheiden, die ook wel fonemen worden genoemd. De fonemen verschillen per taal. Zo maken Nederlanders onderscheid tussen de /L/ en de /R/, maar doen Japanners dat niet. Hoewel baby’s nog alle fonemen van alle talen in de wereld kunnen onderscheiden, kunnen volwassenen alleen de fonemen van de moedertaal onderscheiden.

Zien

Het zicht van de pasgeboren baby is nog wazig. De scherpte van het zicht wordt de visuele scherpheid genoemd. Pasgeborenen zijn in staat objecten waar te nemen die zich op maximaal 30 centimeter afstand bevinden. Dit is de afstand tussen de borst en het gezicht van de moeder, waarmee zij in staat zijn oogcontact te maken tijdens de borstvoeding. Vanaf 2 à 3 maanden kunnen baby’s hun zicht coördineren met beide ogen en na 7 à 8 maanden is hun visuele scherpheid vrijwel net zo goed als dat van volwassenen.

Vanaf de eerste levensuren scannen baby’s hun omgeving, zelfs wanneer het donker is en er dus geen visuele stimuli zijn. Dit scannen zonder visuele input wordt endogeen genoemd en komt voort uit de neuronale activiteit van het centrale zenuwstelsel. Exogeen zicht wordt wel gestimuleerd door de externe omgeving. Zo blijken pasgeborenen al sensitief voor licht- en vormverschillen, als is het zicht nog niet zo gedetailleerd als bij volwassenen. Ook blijken baby’s vanaf de eerste levensuren al in staat tot het onderscheiden van kleuren, wanneer deze verschillen in helderheid. Na 2 maanden zijn baby’s in staat om dezelfde kleurvariaties waar te nemen als volwassenen.

Baby’s kijken liever naar objecten met patronen, zoals gezichten of concentrische cirkels, dan naar vlakke objecten. Twee maanden oude baby’s zijn al in staat om de grenzen van objecten waar te nemen en objecten te herkennen die drie-dimensioneel zijn. Het zicht is echter het best wanneer het object uit sterke contrasten bestaat. Zo blijven baby’s van twee weken oud met name gefocust op delen van het object waar zich de grootste contrasten bevinden, terwijl baby’s van 12 weken meerdere aspecten van het objecten scannen.

Baby’s geven een grotere voorkeur aan gewone gezichten, dan aan gezichten waarvan de gezichtskenmerken op een andere plek staan. Dit lijkt een biologische voorkeur voor het waarnemen van gezichten. Uit onderzoek bleek echter dat deze voorkeur het gevolg is van het groter aantal elementen in de bovenste delen van het gezicht dan in de lagere delen. Wanneer de gezichtskenmerken niet op de juiste plek staan, maar het aantal elementen bovenaan het gezicht wel overeenkomt met dat van echte gezichten, geven baby’s niet de voorkeur aan het echte gezicht.

Baby’s blijken bewegende gezichten beter te kunnen herkennen dan foto’s. Bovendien blijkt het visuele systeem gevoelig te zijn voor de ervaringen van de baby’s. Baby’s van 1 jaar oud kunnen beter discrimineren tussen gezichten van hun eigen etniciteit, dan van andere etnische groepen.

Smaak en geur

Baby’s reageren al vanaf de eerste uren anders op verschillende smaken. Zo blijkt zoet een kalmerend effect te hebben, maar is de reactie op bitter te vergelijken met het uitspugen van eten. Omdat bitter eten vaker giftig is dan ander eten, zou deze reactie evolutionaire voordelen kunnen bieden. Het dieet van de moeder tijdens de zwangerschap blijkt ook een belangrijke bijdrage te leveren aan de smaakontwikkeling van de baby, evenals de smaken die baby’s na de geboorte krijgen voorgeschoteld.

Baby’s kunnen ook onderscheid maken tussen verschillende geuren. Wanneer zij een paar uur na de geboorte knoflook of azijn ruiken trekken zij hun lip op, waarmee ze proberen om de onprettige luchtstroom te beperken.

Intermodale perceptie

De intermodale perceptie verwijst naar het gelijktijdig verwerken van verschillende zintuigelijke kenmerken van een object of gebeurtenis, waarbij deze kenmerken worden waargenomen als aan elkaar gerelateerd. Baby’s worden geboren met het vermogen om deze connectie tussen verschillende zintuigelijke stimuli te zien. Zo blijkt bijvoorbeeld dat een baby de visuele kenmerken van het gezicht van de moeder beter herkent wanneer zij ook de stem van de moeder heeft gehoord. De samenwerking tussen verschillende zintuigelijke kenmerken is dus essentieel voor baby’s om iets over de buitenwereld te leren.

Gedrag van baby’s

Het ontwikkelen en organiseren van gedrag is belangrijk om op een efficiënte wijze te interacteren met de wereld om ons heen. In de ontwikkelingswetenschap is er veel aandacht voor de wijze waarop biologische en culturele processen bijdragen aan de organisatie van gedrag. Dit proces begint bij de reflexen. Een reflex is een goed-geïntegreerde, automatische respons op een bepaalde stimulus. Sommige reflexen zijn adaptief, zoals het knipperen van de ogen of de zuigreflex. Van andere reflexen is niet duidelijk welke functie zij hebben. De Moro reflex is een grijpbeweging van de armen als reactie op een hard geluid. Deze reflex kan wellicht nog een erfenis zijn van onze voorouders, die baby’s nog veel op de arm droegen. Met deze grijpreflex konden zij zich beter vastgrijpen aan hun moeder in bedreigende situaties. Het ontbreken van een reflex of het ongebruikelijk lang voortduren van een reflex, kan in beide gevallen een indicatie zijn van hersenbeschadiging.

Reflexen liggen aan de oorsprong van gecoördineerd gedrag, waarbij in het laatste geval van actie wordt gesproken. Wanneer baby’s zes weken oud zijn verandert hun eetgedrag. Ze kunnen dan anticiperen op de voeding, zonder dat daar een fysieke prikkeling aan vooraf gaat en het zuigen, slikken en ademen verloopt soepeler en beter gecoördineerd. De interactie en coördinatie van deze verschillende systemen vormt de basis van de dynamische systeem theorie.

De overgang tussen andere reflexen en het daaropvolgende gedrag is minder duidelijk. Zo hebben pasgeboren baby’s een loopreflex tot zij 3 maanden oud zijn, maar neemt deze reflex vervolgens af totdat zij rond het eerste levensjaar vrijwillig gaan lopen. Een aantal onderzoekers wijten dit aan een neuronale reorganisatie die drie maanden na de geboorte plaatsvindt. Uit ander onderzoek blijkt echter dat de spiermassa en het lichaamsgewicht de reden zijn dat baby’s na drie maanden geen loopreflex meer vertonen. Wanneer baby’s in het water staan, waar dit lichaamsgewicht wegvalt, vertonen zij ook na drie maanden nog een loopreflex.

Grijpen

Claus von Hofsten introduceerde de term prereaching, waarmee hij verwees naar het grijpgedrag van baby’s wanneer zij een object waarnemen. Dit verschilt van gewoon grijpen, omdat het grijpgedrag nog te ongecoördineerd is om het object daadwerkelijk vast te pakken. Wanneer baby’s drie maanden oud zijn, is er sprake van visueel gestuurd grijpen, waarbij ze de feedback van hun eigen bewegingen gebruiken om hun handen dichter bij het object te brengen. In deze fase zijn ze ook in staat hun hand te openen om te anticiperen op het vastgrijpen van het object.

Ontwikkelingstheorieën van gedrag

Jean Piaget gaf een verklaring voor de overgang van reflexen naar gecoördineerd gedrag. Zoals ook besproken in hoofdstuk 1, is een schema een mentaal model dat gebruikt wordt om de externe wereld te verklaren. Deze schemata ontwikkelen aan de hand van assimilatie, ook wel inpassing van informatie, of accommodatie, ook wel aanpassing van het schema. De babytijd wordt gekenmerkt door verschillende fases, waarvan de eerste fase het sensomotorische stadium genoemd wordt. Dit stadium is weer onder te verdelen in zes verschillende substadia, waarvan stadium 1 en 2 in de eerste vier levensmaanden worden doorlopen.

Het eerste stadium wordt gekenmerkt door het oefenen met reflexschema’s. Daarbij leren baby’s hun reflexen te controleren en coördineren, maar vindt er nog weinig accommodatie plaats. Het tweede stadium wordt gekenmerkt door primaire circulaire reacties, waarbij wel accommodatie plaatsvindt. Reflexen worden hier verlengd in de tijd (zoals het zuigen tussen voedingen door) en verplaats naar nieuwe objecten (het zuigen op de duim). Baby’s zuigen in het eerste stadium alleen per toeval op hun duim, terwijl ze in het tweede stadium hun duim opzettelijk naar hun mond brengen. De term primaire circulaire reacties verwijst dan ook naar het herhalen van bevredigend gedrag. Primair verwijst naar het feit dat deze acties alleen gericht zijn op de eigen lichaamsdelen en circulair verwijst naar de herhaling van het gedrag. In substadium 2 is er sprake van differentiatie van gedrag, waarbij het gedrag plaatsvindt als reactie op verschillende omgevingen (zuigen op de duim of tepel). Ook is er in dit substadium sprake van integratie van gedrag, waarbij verschillende typen gedrag worden gecoördineerd tot een specifieke gedraging (zoals de integratie van reiken en grijpen).

Volgens leertheorieën is de overgang van reflexen naar georganiseerd en gecoördineerd gedrag een consequentie van leren. Van klassieke conditionering wordt gesproken wanneer bepaald gedrag geassocieerd wordt met een stimulus, die in eerste instantie niet gerelateerd was aan het gedrag. Het beroemde voorbeeld is een experiment van Ivan Pavlov, waarbij hij telkens wanneer een hond te eten kreeg een bel liet rinkelen. Het eten noemde hij de ongeconditioneerde stimulus en de aanmaak van speeksel was de ongeconditioneerde respons. Door telkens de bel te rinkelen wanneer het eten werd gepresenteerd ging de hond het geluid van de bel associëren met het eten. De bel werd daarmee de geconditioneerde stimulus. Op het moment dat de hond speeksel aanmaakte tijdens het horen van de bel, zonder dat hij eten voorgeschoteld kreeg, was er sprake van een geconditioneerde respons.

Operante conditionering verwijst naar de wijze waarop gedrag wordt gevormd door de consequenties. Een consequentie die de kans vergroot dat het gedrag zal worden herhaald wordt een bekrachtiger genoemd.

Temperament

Pasgeboren baby’s vertonen individuele verschillen in de manier waarop zij op hun omgeving reageren. Deze emotionele en gedragskarakteristieken van het individu die relatief stabiel blijven in de tijd en over verschillende situaties, noemt men het temperament. Chess en Thomas vonden 9 karaktertrekken van het temperament:

  1. Activiteiten niveau

  2. Biologisch ritme

  3. Mate van toenadering bij nieuwe prikkels

  4. Aanpassingsvermogen

  5. Drempel van responsiviteit (bij veel of weinig prikkels)

  6. Intensiteit van de reactie

  7. Soort stemming

  8. Gevoeligheid voor afleiding

  9. Aandachtsspanne

Op basis van deze karakteristieken werden baby’s ingedeeld in drie brede categorieën. Allereerst de makkelijke baby’s, die een stabiel ritme hebben en zich makkelijk aan nieuwe situaties aanpassen. Vervolgens de moeilijke baby’s die een onregelmatig ritme hebben, snel overprikkeld raken en negatief en ontwijkend reageren op nieuwe prikkels. Als laatste de langzaam opgewarmde baby’s, die een laag activiteitenniveau vertonen en meer tijd nodig hebben om aan nieuwe situaties te wennen.

Mary Rothbart maakte ook onderscheid tussen 3 dimensies in het temperament:

  1. Bewuste controle: controle over de gerichte aandacht en de eigen reacties

  2. Negatief affect: de mate van negatieve emoties

  3. Extraversie: de mate waarin iemand plezier ervaart binnen de interactie met anderen.

Uit verschillend onderzoek blijkt dat bepaalde trekken van het temperament inderdaad stabiel zijn over de tijd, waaronder de gevoeligheid voor irritatie, de aandachtspanne en flexibiliteit. Er blijken echter wel sprake van etnische en culturele verschillen in het temperament. Zo zijn Chinese baby’s doorgaans rustiger dan Amerikaanse baby’s. Deze verschillen kunnen wellicht het resultaat zijn van culturele verschillen, omdat in China rustige eigenschappen meer cultureel gewaardeerd worden. Hoewel het temperament relatief stabiel is over de tijd, worden in onderzoek slechts matige correlaties gevonden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het temperament een product is van verschillende factoren.

Functioneren in de sociale wereld

Baby’s hebben vlak na de geboorte een eet- en slaapritme dat afwijkt van volwassenen. Ouders proberen deze ritmes in te passen in hun dagelijkse structuur, waardoor baby’s onderdeel worden van hun sociale wereld. Er zijn zeven staten van alertheid te onderscheiden (tabel 4.5). Pasgeborenen vertonen een slaapfragmentatie, waarbij ze korte perioden slaap afwisselen met korte perioden van waken. Het resultaat is dat zij wakker kunnen zijn op elk willekeurig moment gedurende de dag en de nacht. De mate waarin baby’s een slaap-waak ritme hebben dat overeenkomt met dat van volwassenen verschilt per cultuur. In Kenya, waar kinderen vrijwel altijd in de aanwezigheid van de moeder zijn en kunnen slapen wanneer zij daar behoefte aan hebben, vertonen baby’s een grotere slaapfragmentatie dan in de Verenigde Staten. In de Verenigde Staten wordt de duur van de langste slaap als maat gebruikt voor de rijping van het brein, waardoor ouders vaak proberen de perioden van slaap op te rekken. Baby’s zijn echter niet altijd in staat om te beantwoorden aan deze volwassen verwachtingen.

In een aantal culturenis het gebruikelijk om minimaal 2 jaar borstvoeding te geven. Zolang de moeder borstvoeding geeft, menstrueert zij niet en is deze activiteit een vorm van anticonceptie. In Oeganda is het verboden om aan seksuele activiteiten deel te nemen wanneer de baby pas is geboren, omdat een snel opvolgende zwangerschap nadelige gevolgen zou hebben voor de hoeveelheid moedermelk. Het eerste kind zou dan, vanwege dit tekort aan moedermelk, gevaar lopen om kwashiorkor te krijgen, een proteïne-calorie tekort met doorgaans fatale gevolgen.

Vroeger werd het moeders aangeraden de baby te voeden op vaste tijdstippen en niet op verzoek, ook wanneer de baby’s het signaal gaven dat zij honger hadden. Baby’s die op vaste tijdstippen gevoed worden huilen meer, dan wanneer zij op verzoek gevoed worden. Voeden volgens een strikt schema heeft echter geen nadelige gevolgen voor de groeiontwikkeling van de baby.

Huilen is een complexe vorm van gedrag waarbij een goede coördinatie tussen ademhaling en de bewegingen van de stembanden vereist is. Baby’s waarbij de ouders direct beantwoorden aan de behoeften van het kind, ook wel proximale zorg, huilen minder. Proximale zorg kan zich uiten in het langdurig vasthouden van het kind, frequente voedingen, een snelle respons op huilgedrag en samen slapen.

Volwassenen, ongeacht of zij kinderen hebben, vertonen een automatische fysiologische respons op het gehuil van baby’s door een verhoging van de hartslag en bloeddruk. Volwassenen kunnen doorgaans goed onderscheid maken tussen verschillende typen huilgedrag, waarbij zij de hogere tonen en korte pauzes in het huilgedrag als meer urgent en onprettig typeren. Koliek is een onverklaarde medische conditie die tot overmatig huilgedrag leidt. Niet zozeer de toon, maar het onvoorspelbare, onverklaarbare en langdurige karakter van koliek worden met name als vervelend ervaren door ouders.

 

Oefenvragen Hoofdstuk 4: De eerste drie levensmaanden

1. Welke aspecten worden bekeken met groeicurves?

2. Waar zorgen fontanellen voor?

3. Uit welke onderdelen bestaat een neuron?

4. Hoe heten de ruimtes tussen neuronen en hoe heten de stofjes die zich daarin bevinden?

5. Wat is het verschil tussen grijze en witte stof?

6. Uit welke drie onderdelen bestaat het centrale zenuwstelsel?

7. Waar is de hersenstam verantwoordelijk voor?

8. Uit welke vier kwabben bestaan de hersenen en wat zijn de functies van elk van die kwabben?

9. Welke twee processen in de hersenontwikkeling zijn te onderscheiden?

10. Wat zijn de drie meest gebruikte methoden om gedragsresponsen te meten bij baby’s?

11. Bij welke leeftijd bereiken baby’s dezelfde visuele scherpte als volwassenen? Na hoeveel maanden zijn ze in staat om kleurvariaties waar te nemen?

12. Geven baby’s de voorkeur aan bewegende gezichten of aan foto’s?

13. Heeft het dieet van de moeder tijdens de zwangerschap invloed op de smaakontwikkeling van de baby?

14. Wat is intermodale perceptie?

15. Wat is een reflex? Noem enkele voorbeelden van aangeboren reflexen.

16. Hoe heet de eerste fase die Piaget noemde?

17. Wat zijn primaire circulaire reacties?

18. Hoe werkt klassieke conditionering? En operante?

19. Welke 3 dimensies in temperament wees Rothbart aan?

20. Wat is koliek?

 

 

 

De fysieke en cognitieve ontwikkeling van baby’s (5)

 

Wanneer het gewicht en de lengte van de baby toeneemt, doen zich ook veranderingen voor in de lichaamsproporties. Het hoofd van een pasgeboren baby betreft 25% van de totale lichaamslengte, terwijl dit op volwassen leeftijd slechts 12% is. Vanwege deze ontwikkelingen verplaatst het centrum van de zwaartekracht zich naar lagere delen van het lichaam, waardoor mensen na ongeveer 12 maanden al in staat zijn om te balanceren op twee benen. De groei van baby’s is echter wel van vele factoren afhankelijk, waaronder het dieet, de sociaaleconomische status en de gezondheid van de moeder. Te langzame groei kan vervelende gevolgen hebben zoals wiegendood, ontwikkelingsstoornissen, infecties en mentale stoornissen.

De botten van baby’s verkalken naarmate zij ouder worden, waardoor zij harder worden. De eerste botten die verkalken, bevinden zich in de hand, waardoor baby’s beter in staat zijn dingen vast te pakken. Meisjes ontwikkelen doorgaans sneller dan jongens. Dit verschil is al zichtbaar bij foetussen maar wordt steeds groter naarmate de adolescentie nadert, waarin meisjes gemiddeld twee jaar voorlopen op jongens.

De hersenen en gedrag

Bij de geboorte is de cerebrale cortex nog onderontwikkeld. De prefrontale cortex, die achter het voorhoofd ligt, is met name betrokken bij vrijwillig gedrag. Dit gebied vertoont functionele veranderingen wanneer baby’s tussen de 7 en de 9 maanden oud zijn, waarmee zij beter in staat zijn tot vrijwillige gedragingen. Ook het taalgebied van de cerebrale cortex ondergaat een proces van myelinatie, waardoor de transmissie van informatie wordt versneld. Dit biologische proces gaat gepaard met een toename in het vocabulaire. Een andere belangrijke ontwikkeling van het brein is de samenwerking tussen verschillende corticale gebieden, waar myeline ook bij betrokken is. Deze samenwerking resulteert in een interactie tussen het denken en het voelen. Aan het eind van de babytijd heeft elk neuron in het brein een verbinding gemaakt met andere neuronen.

De hersenen en ervaring

Door de processen van exorbitante synaptogenese en synaptische pruning (zie hoofdstuk 4), zijn ervaringen – of het gebrek daaraan - bepalend voor aanmaak of afsterving van synapsen. Het proces van synaptische pruning, het afsterven van synapsen, was duidelijk zichtbaar in Roemeense weeshuizen. Daar werden baby’s dag en nacht aan het bed gebonden en ontvingen zij naast fysieke zorg nauwelijks intellectuele of sociale prikkels. Kinderen die werden geadopteerd nadat zij zes maanden oud waren, vertoonden nog duidelijke ontwikkelingsachterstanden op 7 ½ jarige leeftijd. Kinderen die geadopteerd waren voordat zij zes maanden werden leken volledig te herstellen van dit gebrek aan prikkels. Uit onderzoek blijkt ook dat de grootste hersenontwikkelingen zich tussen 6 maanden en 24 maanden voordoen, waardoor dit als een sensitieve periode mag worden opgevat.

De motorische ontwikkeling

Een van de grootste ontwikkelingen tussen 3 en 24 maanden is de motorische ontwikkeling, die kinderen in staat stelt hun omgeving te ontdekken door de interactie met objecten en hun grotere mobiliteit. Deze motorische ontwikkeling geeft baby’s de mogelijkheid met anderen te communiceren en feedback van hen te krijgen over objecten in hun omgeving. Er wordt onderscheid gemaakt tussen de fijne motorische vaardigheden, waarvoor kleine spieren gebruikt worden, en de grove motorische vaardigheden, waarvoor grote spieren gebruikt worden.

Fijne motoriek

Door controle te krijgen over de fijne motoriek zijn kinderen in staat tot dagelijkse activiteiten als eten en aankleden. Ook reiken en vastpakken vereist een controle over de fijne motoriek. Wanneer baby’s ongeveer negen maanden oud zijn, verloopt het grijpen en reiken naar objecten geïntegreerd en automatisch. Kinderen die 12 maanden oud zijn, kunnen hun vinger en duim zodanig positioneren dat zij hun greep kunnen aanpassen aan de afmetingen van het object. Dit is de fase waarin zij de pincetgreep onder de knie krijgen, waarmee ze zeer kleine voorwerpen kunnen vastpakken. De verdere coördinatie van de fijne motoriek ontwikkelt zich in het tweede levensjaar.

Grove motoriek

In de eerste levensmaanden worden bewegingen voornamelijk aangestuurd door de lagere, subcorticale delen van het brein. Kinderen in deze fase maken kruipbewegingen, als gevolg van de kruipreflex, maar stoppen daarmee wanneer zij ongeveer 2 maanden oud zijn. Wanneer ze de leeftijd van 8 à 9 maanden bereiken, beginnen ze met het vrijwillig kruipen op gladde oppervlakten. Door hun ervaring met kruipen - en soms ook vallen - krijgen zij een besef van diepte, waardoor zij een terughoudendheid voor steile afdalingen en hoogten gaan vertonen. Het inschatten van gevaar vindt niet alleen plaats op basis van de eigen ervaringen, maar verloopt ook via een proces van social referencing. Kinderen kijken daarbij naar hun ouder/verzorger om diens reactie te peilen over het potentiële gevaar van de situatie. Wanneer de ouder/verzorger hen ontmoedigt om een bepaalde handeling uit te voeren, vertonen baby’s een grotere terughoudendheid voor deze handeling. Wanneer de baby echter op basis van het eigen inschattingsvermogen de situatie als te gevaarlijk typeert, heeft de reactie van de zorgdrager geen invloed meer. Social referencing vindt dus alleen plaats wanneer de baby twijfelt of de situatie al dan niet gevaarlijk is.

Kinderen kunnen alleen leren lopen wanneer aan een bepaald aantal motorische voorwaarden is voldaan. Zo moeten zij rechtop kunnen staan, gewicht kunnen verdelen, in balans kunnen blijven en de spieren moeten voldoende zijn ontwikkeld. Wanneer niet aan deze voorwaarden is voldaan, kan het kind - ongeacht oefening - niet beginnen met lopen. Wel kan zich een vertraging voordoen in het lopen bij gebrek aan oefening. Zo blijken kinderen in de Ache cultuur, waar zij de eerste levensjaren voortdurend op de arm worden gedragen, later te lopen dan zij motorisch aankunnen. De Ache kinderen lopen pas met 23 maanden, terwijl kinderen in Westerse culturen beginnen met lopen rond het eerste levensjaar.

Sinds het advies wordt gegeven om baby’s voornamelijk op de rug te laten slapen, ter preventie van wiegendood, beginnen baby’s gemiddeld later met kruipen vanwege een gebrek aan oefening. Vandaar dat nieuwe ouders nu het advies krijgen om hun baby tijdens wakkere perioden dagelijks even op de buik te leggen.

Om zindelijk te worden moet het kind de sluitspieren vrijwillig kunnen controleren. Bovendien moeten de blaas en darmen genoeg ontwikkeld zijn om signalen naar de hersenen te sturen en deze signalen moeten vervolgens door het kind herkend worden. Met de komst van de wasmachine en wegwerpluiers is het tijdstip van de zindelijkheidstraining verschoven van 1 jaar naar gemiddeld 3 jaar. De kinderen die vroeger al op 1-jarige leeftijd zindelijk waren hadden geleerd om hun behoefte te doen wanneer zij op het toilet geplaatst werden. Ze waren echter niet in staat om ’s nachts genoeg controle over hun sluitspieren uit te oefenen om droog te blijven.

De cognitieve ontwikkeling

Zoals eerder in hoofdstuk vier werd besproken, was Piaget van mening dat kleine kinderen uitsluitend over sensomotorische intelligentie beschikken. Daarbij verklaren en begrijpen zij de wereld via hun eigen acties en percepties. Wanneer zij 18 maanden zijn ontstaat het representationeel denken, waarbij kinderen mentale afbeeldingen van de wereld vormen. Kinderen zijn daarbij in staat om eerdere ervaringen te onthouden, deze te vergelijken met huidige situaties en te anticiperen op de toekomst. Deze representationele vorm van denken is dan ook conceptueel en niet langer sensomotorisch.

Met de sensomotorische ontwikkeling wordt verwezen naar de wijze waarop motorische acties uitsluitend worden gestuurd door de zintuigen. In hoofdstuk 4 werd al besproken dat het sensomotorische stadium uit zes verschillende substadia bestaat, waarvan de eerste twee zijn behandeld. Dit waren de stadia oefenen met reflexschema’s en primaire circulaire reacties. De overige vier substadia zullen nu besproken worden.

Baby’s tussen 4 en 8 maanden oud beginnen hun aandacht te richten op de externe wereld. In dit substadium herhalen zij acties die interessante veranderingen in de omgeving teweeg brengen, ook wel secundaire circulaire reacties genoemd. Zij zijn secundair omdat ze niet op het eigen lichaam, maar op de externe wereld gericht zijn.

Tussen 8 en 12 maanden is er sprake van de coördinatie van secundaire circulaire reacties. In dit substadium is het gedrag meer doelmatig van aard. Deze doelmatigheid werd door Piaget ook wel intentionaliteit genoemd. In dit stadium ontstaat ook een basaal besef van objectpermanentie, waarbij kinderen begrijpen dat objecten voortbestaan wanneer zij zich niet in het gezichtsveld bevinden.

Tussen de 12 en 18 maanden is er sprake van tertiaire circulaire reacties, waarbij kinderen het vermogen hebben om de acties van substadium 4 systematisch en flexibel te variëren. Dit is een substadium waarin kinderen beginnen met experimenteren om meer te leren over de aard van objecten en gebeurtenissen. Ze zijn hier echter nog niet in staat om systematisch te redeneren over hun acties en te anticiperen op de consequenties.

In het laatste substadium, tussen 18 en 24 maanden, wordt een begin gemaakt in de symbolische representatie. In dit substadium baseren kinderen hun acties op interne, mentale symbolen, door een mentale representatie van de wereld te vormen. Wanneer kinderen in staat zijn een opeenvolging van gebeurtenissen mentaal te representeren, kunnen zij problemen meer systematisch oplossen. In deze fase beginnen kinderen met symbolisch spel, waarbij het ene object symbool staat voor een ander object. Ook is er sprake van uitgestelde imitatie, waarbij kinderen acties imiteren die zij in het verleden hebben waargenomen. Representatie kan ook plaatsvinden via taal, waarbij woorden symbool staan voor mensen, objecten en gebeurtenissen.

Hoewel er aanhoudend bewijs is voor de representatie via symbolisch spel, uitgestelde imitatie en taal, evenals de opeenvolging van gedrag in de verschillende stadia, is er ook kritiek geweest op de theorie en methoden van Piaget. Zo zijn critici van mening dat kinderen eerder al in staat zijn om objecten te representeren, maar zijn de experimenten van Piaget niet geschikt om deze vaardigheden bij hele jonge kinderen te onderzoeken.

Objectpermanentie

Piaget was van mening dat het besef van objectpermanentie begint wanneer baby’s actief op zoek gaan naar een absent object. Dit doen zij voor het eerst rond de 8 maanden en wordt verder geperfectioneerd tot in het tweede levensjaar. Een fenomeen dat volgens Piaget typerend was voor het ontbreken van objectpermanentie is de A-niet-B fout. Kinderen die deze inschattingsfout maken, zoeken naar een verborgen object op locatie A, waar zij dit object eerder hadden gevonden, maar niet op locatie B, waar het zojuist voor hun ogen verstopt werd.

Andere ontwikkelingswetenschappers beweren echter dat dit type fout niet het gevolg is van een gebrek aan objectpermanentie, maar van een onderontwikkeld geheugen en motorische vaardigheden. Zo zouden zij deze fout maken, omdat ze simpelweg niet kunnen onthouden waar het object verstopt was. Zo blijkt uit onderzoek dat baby’s wel naar locatie B grijpen, wanneer zij de kans krijgen om direct naar het object te grijpen nadat het verstopt is. Terwijl zij na een vertraging van 2 seconden naar locatie A grijpen.

Perseveratie verwijst naar het hardnekkig herhalen van bepaald gedrag. Motorische perseveratie zou ook een verklaring kunnen vormen voor de A-niet-B fout. Wanneer bepaald motorisch gedrag een gewoonte wordt, zou het mogelijk zijn dat baby’s vanuit deze gewoonte naar locatie A grijpen, omdat ze hier eerder ook al het object hadden gevonden. Deze gewoonte wordt ook wel de pakfout genoemd. Zo blijkt ook dat baby’s wel naar locatie B kijken, maar zij desondanks naar locatie A grijpen.

Het is dus niet ondenkbaar dat baby’s wel in staat zijn tot representationeel denken, maar dat zij simpelweg niet over de uitvoerende vaardigheden beschikken om dit te demonstreren. Wanneer dit representationele denken niet gemeten zou worden in termen van reiken en grijpen naar objecten, zouden zij wellicht wel het vermogen tot representationeel denken kunnen demonstreren. Renée Baillargon en collega’s hebben een experiment opgezet waarmee zij op een andere manier representationeel denken wilden onderzoeken. Daarbij gebruikten zij de schending-van-verwachtingen methode. Baby’s worden daarbij meerdere malen blootgesteld aan een bepaalde situatie, waarbij er habituatie plaatsvindt en zij vervolgens verwachtingen vormen over de uitkomst. Daarna worden twee variaties van deze gebeurtenis getoond. Een gebeurtenis is mogelijk onder bepaalde omstandigheden, terwijl de andere gebeurtenis onmogelijk is. Baby’s kijken langer naar gebeurtenissen waarin de eerdere verwachtingen worden geschonden, waarmee zij blijk geven van representationeel denken.

Volgens de dynamische systeemtheorie is het gedrag van baby’s in objectpermanentie taken het gevolg van een interactie tussen de huidige omstandigheden en eerdere ervaringen met deze omstandigheden. Het ontwikkelingsproces is dus geen verschuiving van een sensomotorische naar een conceptuele intelligentie, maar komt voort uit de toegenomen vaardigheid om deze verschillende typen intelligentie te coördineren. Vanuit deze benadering ligt de focus meer op het proces van de ontwikkeling, dan op de vaardigheid zelf. Wanneer representationeel denken inderdaad een continue ontwikkeling is, zoals de dynamische systeemtheorie beweert, zou objectpermanentie sterker moeten zijn voor bekende objecten, dan voor vreemde objecten. Shinskey en Munakata ontworpen een experiment waarbij ze een bekend en een vreemd voorwerp op tafel presenteerden. Wanneer het licht aan was en de objecten dus zichtbaar waren, reikten de kinderen sneller naar het vreemde object, omdat het bekende object minder interessant zou zijn. Wanneer het licht uit werd gedaan reikten zij echter vaker naar het bekende object, omdat zij een betere representatie van dit object hadden gevormd, met betere objectpermanentie tot gevolg. Hieruit blijkt dat de representatie van objecten wordt gevormd door ervaring.

Kinderen tussen de 3 en 9 maanden vertonen enig begrip van fysieke wetten omtrent het gedrag van objecten. Zo bleek dat kinderen, volgens het principe van zwaartekracht, verwachten dat een object niet in de ruimte blijft hangen, maar naar beneden valt.

Tellen

Ook blijken kinderen van 4 maanden al enig begrip te hebben van aantallen. Kinderen die 2 poppen zien verdwijnen, kijken langer naar deze situatie, wanneer er even later slechts 1 pop tevoorschijn komt dan wanneer er op dezelfde plek twee poppen verschijnen. Bij dit basale vermogen tot tellen, lijken baby’s ook verschillende zintuigen te combineren. Wanneer zij bijvoorbeeld drie verschillende stemmen horen, kijken zij langer naar een video waarin drie gezichten worden getoond.

Causaliteit

Ook hebben baby’s een beperkt begrip van oorzaak-effect relaties, ook wel causaliteit genoemd, dat volgens Leslie en collega’s aangeboren zou zijn en niet berust op eerdere ervaringen. Baby’s van 6 maanden oud kijken langer naar een gebeurtenis waarin er een – fysisch onmogelijke - vertraging tussen de oorzaak en het effect optreedt, dan wanneer het effect direct volgt op de oorzaak. Dit begrip van causaliteit doet zich echter alleen voor onder gemanipuleerde, overzichtelijke condities. In het echte leven, waar veel meer factoren meespelen, lijken zij geen begrip te vertonen van causaliteit.

Categoriseren

Categoriseren is het zien van overeenkomsten tussen verschillende objecten en gebeurtenissen. Dit is essentieel voor ons begrip van de wereld. Al vroeg in het leven tonen baby’s het vermogen tot categoriseren. De vraag is of zij dit categoriseren uitsluitend baseren op de waarneming of dat zij ook gebruik maken van mentale concepten. Baby’s van zeven maanden oud scharen vogels en vliegtuigen onder dezelfde categorie, terwijl baby’s tussen 9 en 11 maanden oud deze objecten bij verschillende categorieën indelen. Hieruit kan worden opgemaakt dat er een verschuiving plaatsvindt in het categoriseren op basis van de waarneming, naar het categoriseren op basis van algemene objectkenmerken.

Zo werd een experiment uitgevoerd bij baby’s tussen de 9 en 11 maanden, waarbij zij een volwassene een bepaalde handeling zagen uitvoeren met twee verschillende objecten. Deze objecten werden later vervangen door andere objecten, die wel uit dezelfde categorie kwamen. Ondanks het feit dat zij deze objecten niet eerder hadden gezien, voerden zij wel de toepasselijke handelingen uit met deze objecten, waaruit een vermogen tot categorisatie blijkt.

Aandacht en geheugen

Aandacht blijkt in vier fasen te verlopen:

  1. Stimulus-detectie reflex, waarbij de baby een verandering in de omgeving opmerkt en de hartslag enigszins versneld

  2. Stimulus-oriëntatie, waarbij de aandacht van de baby gefixeerd raakt op de stimulus en de hartslag daalt.

  3. Volgehouden aandacht, waarbij er sprake is van het vrijwillig richten van de aandacht en het lastiger wordt om de baby af te leiden.

  4. Beëindigen van de aandacht, waarbij de baby nog steeds naar de stimulus kijkt, maar niet langer informatie verwerkt. In deze fase is het makkelijk om de aandacht te onderbreken.

De volgehouden aandacht is de fase waarin de baby leert van ervaringen en deze opslaat in het geheugen. Waar kinderen van 1 jaar hun aandacht voor langere tijd op richten, besteden 2-jarigen nauwelijks aandacht aan, omdat een 1-jarig kind meer tijd nodig heeft om informatie te verwerken. Kinderen van 6 maanden die relatief lang de aandacht op een simpel patroon richten, hebben op latere leeftijd doorgaans een lager IQ, omdat zij meer tijd nodig hebben om informatie te verwerken. Het is daarbij belangrijk goed onderscheid te maken tussen visuele aandacht, waarbij informatieverwerking plaatsvindt, en visuele fixatie, waarbij de baby uitsluitend kijkt naar de stimulus.

Het geheugen van baby’s neemt sterk toe gedurende het eerste levensjaar. Hoewel een aantal wetenschappers van mening zijn dat de ontwikkeling van het geheugen een continu proces is, zijn er ook wetenschappers die pleiten voor meer kwalitatieve ontwikkelingen. Volgens de laatste groep zouden baby’s aanvankelijk alleen gebruik maken van het impliciete geheugen, waarbij gebeurtenissen uitsluitend herkend worden, terwijl zij later pas het expliciete geheugen gebruiken, waarmee zij opzettelijk herinneringen kunnen terughalen. Het expliciete geheugen vereist ook een mentale representatie van gebeurtenissen en objecten die niet direct in de omgeving aanwezig zijn.

Oefenvragen Hoofdstuk 5: De fysieke en cognitieve ontwikkeling van baby's

1. Waar zorgt het verkalken van botten voor?

2. Waar ligt de prefrontale cortex?

3. Wat waren de gevolgen van de deprivatie in Roemeense weeshuizen?

4. Welke periode is belangrijk voor de motorische ontwikkeling?

5. Wat is social referencing en wanneer wordt het gebruikt?

6. Wat is representationeel denken en wanneer ontstaat het?

7. Wat intentionaliteit?

8. Wat zijn de substadia van het sensomotorische stadium genoemd door Piaget?

9. Wat is objectpermanentie en hoe heet de fout die veel kinderen maken?

10. Wat is perseveratie?

11. Hoe verklaart de dynamische systeemtheorie objectpermanentie?

12. Hoe ontwikkelt het tellen?

13. In hoeverre hebben kinderen begrip van causaliteit?

14. Wat is categoriseren?

15. Welke 4 fasen heeft aandacht?

 

De sociale en emotionele ontwikkeling van baby’s (6)

 

Socioemotionele ontwikkeling

Een emotie kan omschreven worden als een gevoel waarbij sprake is van onderscheidbare fysiologische responsen en cognitieve evaluaties die het gedrag sturen. Emoties voldoen aan vier principes:

  1. Fysiologisch aspect: ze gaan gepaard met veranderingen in de hartslag, ademhaling en hormoonhuishouding

  2. Communicatieve functie: ze worden gecommuniceerd via gezichtsuitdrukkingen, vocalisaties en ander gedrag

  3. Cognitief aspect: ze zijn afhankelijk van hoe wij gebeurtenissen om ons heen waarderen

  4. Actie aspect: ze motiveren tot bepaald gedrag

Emoties zijn complex, omdat ze variëren in intensiteit en gelijktijdig kunnen voorkomen. Mensen hebben verschillende strategieën om met de eigen emoties en die van anderen om te gaan, een proces dat emotieregulatie wordt genoemd.

De basale emoties – blijdschap, angst, woede, verrassing, verdriet en walging – worden in alle culturen hetzelfde uitgedrukt. Dit vormt een bewijs dat emoties universele adaptieve reacties zijn die bijdragen aan de biologische en culturele evolutie van de mensheid. Vanuit een biologisch perspectief zouden emoties kinderen behoeden voor potentieel gevaar, omdat het signalen zijn die zorg en bescherming uitlokken. Vanuit een cultureel perspectief vormen emoties sociale verbindingen tussen mensen. Er zijn twee punten waarop ontwikkelingswetenschappers van mening verschillen. Allereerst is er controverse over de mate waarin emoties van baby’s overeenkomen met emoties van volwassenen. Daarnaast verschillen ontwikkelingswetenschappers van mening over het ontstaan van nieuwe, niet basale emoties, gedurende de ontwikkeling.

De theorie van graduele differentiatie stelt dat baby’s geboren worden met het vermogen om alleen algemene positieve en negatieve emoties uit te drukken, die gradueel veranderen in de meer gedetailleerde basale emoties. Deze visie stelt echter wel dat er sprake is van discontinuïteit in de ontwikkeling van emoties, waarbij er sprake is van kwalitatieve veranderingen.

De differentiële emotie theorie stelt dat alle basale emoties aangeboren zijn en vergelijkbaar zijn met de emoties van volwassenen. Een derde visie op emoties stelt echter dat er sprake is van ontogenetische adaptatie, waarbij emoties evolutionair ontstaan in het kader van overleving en ontwikkeling. Vanuit deze visie is er aandacht voor de omstandigheden waarbinnen emoties worden uitgedrukt en de wijze waarop emoties de interactie tussen het kind en de zorgdragers beïnvloeden. Zo glimlachen baby’s van een maand oud in hun slaap, maar is deze glimlach nog als endogeen te typeren, omdat deze geassocieerd is met interne, fysiologische fluctuaties. Wanneer baby’s 2 tot 3 maanden oud zijn wordt deze glimlach meer responsief, als reactie op de glimlach van anderen, waardoor de ouders een nieuwe emotionele kwaliteit toekennen aan de relatie met hun kind.

Moeder en kind zijn in staat tot het herkennen en delen van de emotionele staat van de ander, een proces dat men primaire intersubjectiviteit noemt. Dit proces kan echter door aantal factoren worden verhinderd, waaronder een depressie van de moeder. Intersubjectiviteit wordt onder andere gemeten met de uitdrukkingsloos-gezichtsmethode. In dit experiment moeten moeders een aantal minuten normaal omgaan met hun kind, om vervolgens een periode niet responsief te reageren door een uitdrukkingsloos, neutraal gezicht te tonen. Een andere methode is de vertraagde transmissie, waarbij de reactie van de moeder steeds een aantal seconden later wordt gegeven dan gebruikelijk. In beide gevallen reageren de baby’s met het afwenden van de blik en het onderbreken van de glimlach en raken zij doorgaans geagiteerd. Baby’s van depressieve moeders geven echter geen geagiteerde reactie op een uitdrukkingsloos gezicht. Wellicht zijn deze baby’s gewend geraakt aan de weinig responsieve interacties, waardoor zij geleerd hebben zich er voor af te sluiten.

Pruilen is een bijzondere emotionele gezichtsuitdrukking vanwege twee redenen. Ten eerste wordt pruilen gekenmerkt door spierbeweging die tegenovergesteld zijn aan huilen. Bij pruilen wordt de mond samengeperst en zijn de ogen open, terwijl bij huilen de mond opengaat en de ogen gesloten zijn. Bovendien is pruilen gericht op de sociale partner vanwege het oogcontact tussen beide partijen. Pruilen is daarmee de eerste vorm van stressregulatie die gericht is op het onderhouden van sociaal contact.

Spiegelneuronen zijn hersencellen die op dezelfde manier vuren wanneer het individu iemand een handeling ziet uitvoeren, als wanneer het individu zelf de handeling uitvoert. Dit vindt ook plaats bij emoties, waarbij men – bijvoorbeeld- blijdschap ervaart wanneer deze emotie bij anderen wordt waargenomen. Spiegelneuronen spelen een grote rol in het vermogen van baby’s om het gedrag en de uitdrukking van anderen te imiteren. Kinderen zijn daarbij niet alleen in staat om anderen te imiteren, maar kunnen ook herkennen wanneer zij zelf geïmiteerd worden. Er is echter enige controverse omtrent spiegelneuronen. Zo zijn in onderzoek nog geen specifieke spiegelneuronen geïdentificeerd, maar werd alleen bewijs gevonden voor de activatie van bepaalde hersengebieden.

Hechting

Kinderen zoeken voortdurend een balans tussen het exploreren van de wereld en het waarborgen van hun veiligheid. Een belangrijk onderdeel in dit proces is de emotionele band met de belangrijke zorgdragers, die ook wel hechting wordt genoemd. Dit hechtingsproces begint tussen 7 en 9 maanden en kan herkend worden aan de hand van vier signalen:

  1. Baby’s willen voortdurend dicht bij de zorgdrager zijn

  2. Baby’s vertonen stress wanneer zij gescheiden worden van hun zorgdragers

  3. Baby’s worden gerustgesteld wanneer de zorgdrager terug komt na een periode van scheiding

  4. Baby’s richten hun acties op de zorgdrager

Over de hele wereld beginnen kinderen signalen van hechting te vertonen tussen 7 en 9 maanden, waarmee geconcludeerd wordt dat hechting een universeel kenmerk van de ontwikkeling is.

Freud verklaart hechting in termen van biologische driften, de impulsen van organismen om hun fysiologische driften te bevredigen. De baby zou zich dan hechten aan de persoon die hen voorziet in deze behoeften, waaronder voeding. In een experiment met resusaapjes kwam echter naar voren dat het voorzien in biologische driften alleen niet voldoende is. Zo bleek dat aapjes die voeding kregen van een pop die niet met haar bedekt was, alsnog de aanraking zochten bij een pop die hen niet te eten gaf, maar wel met haar bedekt was.

John Bowlby ontdekte dat weeskinderen die langdurig gescheiden zijn van hun primaire zorgdrager op een bepaald moment onverschillig raken ten opzichte van anderen. Dit proces noemde hij onthechting. Het experiment met de resusaapjes sluit beter aan bij de evolutionaire theorie van Bowlby, omdat hij stelde dat de hechting deels gebaseerd is op lichaamscontact en de geruststellende werking daarvan bij potentieel gevaar. Bowlby beweerde echter ook dat alleen lichaamscontact niet voldoende was. De afwezigheid van een sensitieve en reactieve sociale partner, zoals in de eerder beschreven primaire intersubjectiviteit, zou nadelige gevolgen hebben voor de latere emotionele en sociale ontwikkeling. Dit bleek ook uit het experiment met de resusaapjes.

Hechting verloopt in vier fasen:

  1. De voor-hechtingsfase, van de geboorte tot zes weken, waarbij baby’s niet van streek raken wanneer ze alleen worden gelaten.

  2. De hechting-in-ontwikkelingsfase, van 6 weken tot 6 à 8 maanden, waarbij baby’s verschillend reageren op bekende en onbekende personen

  3. De duidelijke-hechtingsfase, van 6 tot 8 maanden, waarbij de moeder een veilige basis vormt en baby’s scheidingsangst vertonen wanneer de moeder weg gaat.

  4. De wederkerige relatiefase, van 18 tot 24 maanden en ouder, waarbij het kind mobieler is en dus vaker gescheiden wordt van de moeder. Moeder en kind onderbreken daarbij regelmatig hun eigen bezigheden om opnieuw contact te zoeken met elkaar en dragen zo beiden bij aan de hechtingsrelatie.

Hoewel geen enkele moeder-kind relatie hetzelfde is, hebben ontwikkelingswetenschappers een aantal algemene patronen van interactie geïdentificeerd, via de vreemde situatie methode. In dit experiment is het kind met de moeder, eventueel met een vreemdeling erbij, alleen met een vreemdeling of volledig alleen om vervolgens weer herenigd te worden met de moeder. Daarbij werd gekeken naar de reactie van de baby wanneer de moeder de kamer verliet en wanneer deze de kamer weer binnen kwam. Op basis van deze responsen zijn vier verschillende hechtingsstijlen geïdentificeerd:

  1. Veilige hechting, waarbij de baby van streek raakt wanneer de moeder de kamer verlaat en rustig wordt wanneer zij weer terug is.

  2. Vermijdende hechting, waarbij de baby onverschillig lijkt voor de aanwezigheid van de moeder, wel of niet huilen wanneer zij de kamer verlaat en wegkijken wanneer zij terug komt.

  3. Ambivalente hechting, waarbij baby’s dicht bij hun moeder blijven, overstuur raken wanneer zij de kamer verlaat en niet gerustgesteld kunnen worden wanneer zij weer terug is.

  4. Gedesorganiseerde hechting, waarbij geen coherent hechtingspatroon zichtbaar is en kinderen willekeurig huilen en wegkijken van de moeder.

Oorzaken van variaties in hechting

Er zijn drie contexten die de responsiviteit en sensitiviteit van de zorg bepalen: de familiecontext, zorg buitenshuis en de culturele context. Allereerst de familie context. Kinderen van moeders die snel en responsief reageren, zijn vaker veilig gehecht dan andere kinderen. Des te meer betrokken ouders zijn bij hun kinderen, des te responsiever zij reageren. Huwelijksproblemen en een lage sociaaleconomische status zijn geassocieerd met onveilige hechting. Wellicht vanwege het feit dat deze factoren de kans op depressieve klachten bij de moeder vergroten. Ook zijn kinderen in bovengenoemde omstandigheden vaker getuige van gewelddadige interacties tussen ouders, waardoor zij zich niet veilig voelen.

Zorg buitenshuis, waaronder kinderopvang, is in de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen, vanwege het groter aantal eenpersoonshuishoudens en de grotere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Zorg buitenshuis kan echter nadelige gevolgen hebben voor de hechting, met gevolgen voor de ontwikkeling. Zo vertonen kinderen, die in het eerste levensjaar vaak zorg buitenshuis kregen, vaker een onveilige hechtingstijl, zijn ze minder gehoorzaam en vaker agressief. Hoewel deze alternatieve zorg een negatief gevolg heeft voor de hechtingstijl, speelt de kwaliteit van het moederschap en de sociaaleconomische status van het huishouden een grotere rol.

Kinderen die opgroeien in weeshuizen vertonen verstoringen in hun sociaal-emotionele ontwikkeling. Kinderen die geadopteerd werden voordat zij vier maanden oud waren, verschillen echter niet van kinderen die opgroeien bij de biologische ouders. Wanneer zij echter pas geadopteerd werden na de leeftijd van 8 maanden, vertoonden zij vaker een onveilig hechtingstijl. Deze kinderen waren even vriendelijk tegen vreemden als bekenden, wat suggereert dat zij een aanzienlijke behoefte aan aandacht hadden. Hoewel alle kinderen erop vooruitgingen wanneer zij het weeshuis verlieten, was er wel een verschil in het soort huishouden waar zij in terecht kwamen. Kinderen die terugkeerden naar hun biologische ouders waren doorgaans minder goed af dan kinderen die geadopteerd werden. Een mogelijke verklaring was dat er nog onopgeloste conflicten speelden binnen het biologische gezin. Bovendien waren daar vaak andere broers en zussen aanwezig, waardoor het kind de aandacht van de moeder moesten delen. Daarnaast kunnen adoptiegezinnen het kind doorgaans grotere financiële voordelen bieden.

Ontwikkelingswetenschappers verschillen van mening over de mate waarin cultuur verantwoordelijk is voor verschillen in hechting. Enerzijds blijkt cultuur een grote invloed te hebben op de hechting. Zo zijn baby’s die in een Israëlische kibboets opgroeien, en daarbij zorg vanuit de hele gemeenschap krijgen, minder veilig gehecht wanneer zij ook de nachten doorbrengen bij anderen. Wanneer echter de opvoedstijl van Amerikaanse en Puerto Ricaanse moeders wordt vergeleken, waarbij de laatste meer controlerend en minder sensitief van aard is, worden geen verschillen in hechting gevonden. Hechting op zichzelf zou dus universeel zijn, terwijl de ontwikkeling van de hechtingstijl onderhevig is aan culturele variatie.

Effecten van hechting op de ontwikkeling

Veilig gehechte kinderen zijn nieuwsgieriger, spelen meer met leeftijdsgenoten en hebben beter contact met hun kleuterjuf, dan onveilig gehechte kinderen. Op 10-jarige leeftijd zijn veilig gehechte kinderen vaardiger, hebben zij meer zelfvertrouwen en kunnen zij hun emoties beter uitdrukken. 72% van de kinderen die tijdens de babytijd een bepaalde hechtingstijl vertoonden, krijgen dezelfde classificatie op latere leeftijd. Deze continuïteit in hechtingstijl is afhankelijk van de mate waarin het interne werkmodel over de omgang met anderen consistent functioneert over de tijd en in verschillende situaties. Aanpassing van het interne werkmodel is lastig en vindt alleen plaats wanneer kinderen ervaringen hebben die sterk afwijken van hun verwachtingen. Een veilige hechtingstijl kan veranderen in een onveilige hechtingstijl wanneer het kind wordt blootgesteld aan:

  1. Het verlies van een ouder

  2. Scheiding van de ouders

  3. Ziekte van het kind of de ouders

  4. Een psychiatrische ziekte bij de ouders

  5. Fysiek of seksueel misbruik

Communicatie

De eerste vorm van communicatie tussen het kind en de zorgdrager is, zoals eerder besproken, de primaire intersubjectiviteit. Tussen 9 en 12 maanden beginnen baby’s op een meer complexe wijze te interacteren met anderen, ook wel secundaire intersubjectiviteit genoemd. Bij deze vorm van intersubjectiviteit communiceert het kind met de ander over zaken die zich buiten de interactie bevinden. Een belangrijke vorm van secundaire intersubjectiviteit is het eerder besproken social referencing, waarbij baby’s naar de zorgdrager kijken om in te schatten hoe zij zich moeten gedragen binnen een bepaalde situatie. Wanneer baby’s 10 maanden oud zijn nemen zij deel aan een proces van selectieve social referencing, waarbij ze alleen de reactie van de zorgdrager peilen wanneer deze beschikbaar is.

Een andere vorm van communicatie met anderen is het volgen van diens blik of wijsvinger. Voordat baby’s de leeftijd van 10 à 12 maanden kijken ze naar de vinger zelf, terwijl ze na deze periode hun blik richten op datgene dat wordt aangewezen. Zowel het volgen van een blik, als het volgen van de wijsvinger, hangt samen met een toenemend vocabulaire.

Wanneer kinderen mobieler worden, leren zij te communiceren op afstand, hoofdzakelijk via taal. Een van de eerste vereisten voor taalbegrip is het vermogen om de segmenten tussen woorden en zinnen te kunnen onderscheiden. Wanneer baby’s zes maanden oud zijn, hebben zij begrip van een aantal zeer bekende woorden, waaronder hun eigen naam. Het leren van andere woorden gaat sneller wanneer deze gepaard gaan met deze bekende woorden, een fenomeen dat perceptuele verankering wordt genoemd. Zo is het makkelijker om het woord beker te leren, wanneer deze in een zin wordt genoemd met de eigen naam, bijvoorbeeld ‘Hier is je beker, Pietje.’

Het vermogen om zelf woorden te produceren volgt enkele maanden later. Eerst is er sprake van babbelen, waarbij er reeksen worden gemaakt van dezelfde lettergreep. In eerste instantie produceren baby’s geluiden die zij nooit eerder hebben gehoord en ook niet behoren tot de moedertaal. Later wordt dit babbelen selectiever en zijn deze klanken gebaseerd op de taal die zij om zich heen horen. Wanneer de intonatie nauwkeurig overeenkomt met de moedertaal, wordt er gesproken van jargon. Wanneer kinderen 12 maanden oud zijn hebben zij begrip van veelgebruikte, korte zinnen en produceren zij hun eerste woorden. Dove kinderen babbelen ook, maar dit babbelen verdwijnt wanneer zij de leeftijd van 12 maanden bereiken. Wanneer er om hen heen met gebarentaal wordt gecommuniceerd, gaan deze kinderen babbelen met hun handen.

Het besef van het zelf

Wanneer kinderen 6 maanden oud zijn hebben zij zo veel ervaring in het interacteren met objecten en personen, dat zij een besef van het zelf ontwikkelen. Dit zelfbewustzijn wordt zichtbaar wanneer kinderen zichzelf herkennen in een spiegel. In de eerste drie maanden vertonen baby’s weinig interesse in hun eigen spiegelbeeld. Na deze periode kijken ze langer naar hun eigen spiegelbeeld dan naar afbeeldingen van andere baby's, maar lachen ze juist meer naar afbeeldingen van andere baby's. Pas wanneer kinderen de leeftijd van 18 maanden hebben bereikt zullen zij naar hun eigen gezicht grijpen, wanneer zij in de spiegel zien dat er een rood stipje op hun neus zit.

Het besef van het zelf ligt aan de basis van een nieuwe klasse emoties, waaronder schaamte, trots, schuld en jaloezie. Deze emoties kunnen geclassificeerd worden als zelfbewuste emoties omdat ze afhankelijk zijn van het vermogen tot het herkennen, praten over en denken over zichzelf in relatie tot anderen.

Dit besef van het zelf ontwikkelt zich nog verder via een aantal met elkaar samenhangende fenomenen:

  1. Een toename in het zelfbewustzijn

  2. Een toegenomen sensitiviteit voor de standaarden en wensen van anderen

  3. Een toename in het vermogen om aan andermans standaarden te voldoen

  4. Een toenemend vermogen om zelf plannen te maken en deze te beoordelen op basis van volwassen standaarden

  5. Een toenemende behoefte om deze plannen zonder afkeuring uit te voeren

Deze fase wordt in het Westen ook wel aangeduid met de term terrible twos, waarbij een groeiend gevoel van autonomie resulteert in minder gehoorzaamheid en controleerbaarheid.

Vertrouwen en autonomie

Erik Erikson, die eerder al werd besproken in hoofdstuk 1, maakte onderscheid tussen twee stadia in de babytijd. Het eerste stadium onderscheid basaal vertrouwen van basaal wantrouwen, waarbij baby’s beoordelen of de wereld een veilige plek is of een onvoorspelbare en bedreigende plek. Het tweede stadium wordt gekenmerkt door autonomie vs. schaamte en twijfel, waarbij kinderen beoordelen of zij competent of incompetent zijn om taken uit te voeren en problemen op te lossen. Opvoedstijlen die sterk controlerend zijn kunnen het gevoel van autonomie aantasten, waardoor kinderen gevoelens van schaamte en twijfel ontwikkelen.

 

Oefenvragen Hoofdstuk 6: De sociale en emotionele ontwikkeling van baby's

1. Aan welke vier principes voldoen emoties?

2. Wat is emotieregulatie?

3. Welke 6 emoties zien er in alle culturen hetzelfde uit?

4. Wat stelt de theorie van graduele differentiatie en wat stelt de differentiële emotie theorie?

5. Wat is primaire intersubjectiviteit en met welke onderzoeksmethode wordt dit gemeten?

6. Wat is er zo bijzonder aan pruilen?

7. Waar zorgen spiegelneuronen voor?

8. Hoe verloopt de ontwikkeling van hechting?

9. Hoe verklaart Freud hechting?

10. Welke hechtingsstijlen onderscheid Bowlby en hoe wordt bepaald welke hechtingsstijl een kind heeft?

11. Welke drie contexten beïnvloeden de responsiviteit en sensitiviteit van zorg?

12. Wat is secundaire intersubjectiviteit?

13. Wat is perceptuele verankering?

14. Wat is babbelen? Babbelen dove kinderen?

15. Waar zorgt het besef van het zelf voor?

16. Welke twee stadia koppelt Erikson aan de babytijd?

 

 

 

 

Taalontwikkeling (7)

 

Taal

Om taal te kunnen verwerven moet aan twee voorwaarden worden voldaan:

  1. Biologische structuren en systemen die de verwerving van taal mogelijk maken

  2. Deelname aan een gemeenschap waar taal wordt gebruikt

Is taal uniek voor mensen? Deze vraag trachtten ontwikkelingswetenschappers te beantwoorden door te onderzoeken of chimpansees ook taal kunnen leren. Hoewel chimpansees in staat waren tot het begrijpen van simpele zinnen en instructies, hadden zij niet het vermogen om taal verbaal te produceren. Wel konden zij simpele handgebaren en symbolen leren, maar de complexiteit van de taalproductie bleef op het niveau van een 2-jarig kind, evenals het begrip van de taal.

Hersenonderzoek heeft uitgewezen dat de linkerhersenhelft van mensen een dominante rol speelt in de taalvaardigheid. Paul Broca onderzocht het brein van overleden mensen, die tijdens hun leven vrijwel niet of slechts heel beperkt spraken, maar wel taalbegrip vertoonden en dus problemen hadden met de taalproductie. Daarbij vond hij een afwijking in het linker frontale gebied, dat hij Broca’s gebied noemde. Carl Wernicke vond via dezelfde methode afwijkingen in een gebied dat daar vlakbij lag, bij mensen die wel taal konden produceren, maar alleen onzinwoorden gebruikten en het taalbegrip dus was aangetast. Dit gebied stond later bekend als Wernicke’s gebied.

Uit deze autopsies kwam dus naar voren dat er een apart gebied is voor het begrijpen en het produceren van taal. In een experiment kregen de proefpersonen zinnen aangeboden die varieerden in complexiteit. Wanneer de zinnen complex waren, werd Broca’s gebied geactiveerd, terwijl simpele zinnen alleen een ouder gebied van het brein activeerden dat wij delen met non-humane primaten. Wanneer kinderen vroeg in het leven beschadigingen oplopen in Broca’s of Wernicke’s gebied, kunnen zij echter nog op een normale wijze taal verwerven. Dit is het resultaat van de plasticiteit van het brein, waarbij het beschadigde gebied in de linkerhersenhelft nog kan worden opgevangen door de rechterhersenhelft.

Wanneer 5-maanden oude baby’s brabbelen, is hun mond meer geopend aan de rechterkant dan aan de linkerkant. Aangezien de rechterhelft van ons lichaam wordt aangestuurd door de linkerhersenhelft, kan hieruit worden opgemerkt dat het taalgebied in onze linkerhersenhelft al vroeg in het leven actief is.

Omgevingsinvloeden op de taalverwerving

De deelname aan een normale sociale omgeving, waarin taal wordt gesproken, is essentieel voor de taalverwerving. Kinderen beschikken dan niet alleen over modellen die hen leren hoe taal wordt begrepen en gebruikt, maar worden ook gemotiveerd om hun taalgebruik te perfectioneren, zodat zij kunnen communiceren met anderen.

Dove kinderen die geboren worden in een gezin met dove ouders verwerven taal net zo snel als kinderen die wel kunnen horen. Wanneer dove kinderen echter geen gebarentaal krijgen aangeboden, ontwikkelen zij thuisgebaren (home-sign). Dit is een taal die bepaalde karakteristieken van een gewone taal bevat, zelfs wanneer er geen taalaanbod is. Thuisgebaren beginnen met het wijzen naar objecten en gaan vervolgens over in handgebaren die naar 1 specifiek object verwijzen. Rond hun tweede verjaardag maken zij reeksen van 2, 3 of meer gebaren, waarmee simpele zinnen worden gevormd. Wanneer er na deze fase nog steeds geen taalaanbod is vanuit de omgeving, stopt de spontane taalverwerving op dit punt. Hieruit blijkt dat, wanneer kinderen geen toegang hebben tot de complexiteit van taal, zij niet in staat zijn om de subtiele karakteristieken van de taal te leren.

Er is sprake van een grote variatie in de contexten waarbinnen taal zich ontwikkelt. Een van deze variaties betreft het taalaanbod vanuit de ouders. In De VS wordt al vroeg tegen baby’s gesproken, nog voordat zij in staat zijn tot taalbegrip, terwijl in andere culturen pas tegen kinderen gesproken wordt wanneer zij zelf taal produceren.

De baby-georiënteerde-spraak, ook wel bekend als babytalk, wordt gekenmerkt door een hoge stem, een fluctuerende intonatie, een versimpeld vocabulaire en een sterke nadruk op de segmenten tussen woorden en zinnen. Uit onderzoek blijkt dat kinderen woorden, ook onzin-woorden, sneller leren wanneer deze worden aangeboden in baby-georiënteerde-spraak. Ook geven baby’s sterker de voorkeur aan dit type spraak. In de VS wordt niet alleen baby-georiënteerde spraak gebruikt, maar wordt het taalgebruik van kinderen ook geherformuleerd, waarbij het taalgebruik van kinderen door de ouders wordt herhaald op een grammaticaal correcte manier.

De snelheid waarmee het vocabulaire toeneemt, is sterk afhankelijk van het taalaanbod vanuit de omgeving. Ondanks culturele variaties in het taalaanbod, worden er echter op lange termijn geen verschillen gevonden in de taalvaardigheid.

De basiskenmerken van taal

De fonologische ontwikkeling vindt plaats wanneer het kind, uit een opeenvolgende reeks klanken, losse woorden en zinnen leert onderscheiden. De semantische ontwikkeling vindt plaats wanneer het kind een begrip ontwikkelt van de betekenis van de woorden en woordcombinaties. Ook moeten kinderen leren waar woorden geplaatst moeten worden in een zin en hoe zij gerelateerd zijn aan elkaar, waarbij er sprake is van grammaticale ontwikkeling. Daarnaast is het belangrijk dat kinderen leren welke woorden toepasselijk zijn voor de sociale en culturele context waarin zij zich bevinden, waarvoor zij een pragmatische ontwikkeling moeten doorlopen.

Het correct leren uitspreken van de woorden uit de moedertaal is een proces dat een aantal jaren duurt. Daarbij beheersen kinderen niet alle klanken op hetzelfde moment. Zo kunnen kinderen nog moeite hebben met het onderscheiden van de /L/ en de /Y/, terwijl ze wel nauwkeurig andere letters kunnen uitspreken. Fonemen zijn de kleinste klankeenheden van de taal, terwijl morfemen de basis eenheden zijn van de betekenis. Zo bestaat het woord ‘paarden’ uit twee morfemen. ‘Paard-’ verwijst naar een viervoetig dier, terwijl ‘-en’ verwijst naar het meervoud.

De semantische ontwikkeling, het taalbegrip, vindt plaats wanneer kinderen in staat zijn te begrijpen dat een woord refereert aan een object. Dit proces hangt grotendeels af van het vermogen tot gedeelde aandacht met de spreker en het begrip van diens referentiele intenties, datgene waar de spreker naar verwijst. Wanneer het kind spreekt is het belangrijk dat de ouder de relatie tussen de klanken en de acties van het kind op de juiste manier interpreteert. Ouders interpreteren deze klanken vaak op basis van de overeenkomsten met bestaande woorden. ‘Poeh’ zou dan bijvoorbeeld geïnterpreteerd kunnen worden als ‘poes’. Door het woord van het kind te herhalen, op een correct uitgesproken manier, wordt het kind van feedback voorzien en kan de ouder controleren of hij het kind goed begrepen heeft.

De eerste woorden uit de moedertaal presenteren zich rond de eerste verjaardag. Wanneer kinderen 10 à 12 maanden oud zijn kunnen zij gemiddeld 10 woorden produceren en op de leeftijd van 18 maanden zijn dat er gemiddeld 50. Rond de tweede verjaardag heeft het kind een gemiddeld vocabulaire van 300 woorden. Het receptieve vocabulaire, het aantal woorden dat een kind kan begrijpen, is veel groter. Wanneer zij 10 woorden kunnen produceren, kunnen zij al 100 woorden begrijpen.

De eerste 100 woorden in het vocabulaire zijn voornamelijk zelfstandig naamwoorden, waarvan het grootste deel verwijst naar objecten die kinderen kunnen manipuleren en gebruiken. Ook objecten die veranderen en bewegen, zoals voertuigen, maken deel uit van die vroege vocabulaire.

Wanneer kinderen de leeftijd van 2 jaar hebben bereikt, bestaat minder dan de helft van het vocabulaire nog maar uit zelfstandig naamwoorden en is het vocabulaire aangevuld met werkwoorden en bijvoeglijk naamwoorden. Het woordje ‘nee’ is een van de eerste en meest frequent gebruikte woorden, omdat het zowel als afwijzing, protest en ontkenning gebruikt kan worden.

Een veel gemaakte taalfout van kinderen is overextensie, waarbij zij hetzelfde woord gebruiken om naar wezenlijk verschillende objecten of personen te verwijzen. Zo kan een kind alle mannen ‘papa’ noemen of alles op vier benen een ‘kat’. Ook kan er sprake zijn van onderextensie, waarbij kinderen een algemeen woord uitsluitend gebruiken voor een specifiek persoonlijk voorwerp. Het woord ‘fles’ verwijst dan bijvoorbeeld alleen naar het eigen favoriete, gele flesje.

In de peutertijd maken kinderen een groeispurt mee in hun taalontwikkeling. Er is sprake van fast mapping wanneer kinderen een onbekend woord horen binnen een bekende, gestructureerde sociale interactie, waarbij ze direct de betekenis van het onbekende woord uit de context halen. Van fast mapping lijkt alleen sprake wanneer kinderen al over een vocabulaire bezitten van minimaal 50 tot 75 woorden, waardoor dit proces zich doorgaans pas in de peutertijd voordoet. Uit onderzoek blijkt dat kinderen met een grotere woordenschat sneller woord-object associaties leggen. Uit ander onderzoek kwam echter ook naar voren dat jongere kinderen minder goed in staat zijn om de sociale context van een woord te betrekken in de betekenis. Dit zou een alternatieve verklaring zijn voor het feit dat fast mapping vrijwel niet voor de peutertijd voorkomt.

Een metafoor verwijst naar een woord of een zin waarmee een directe vergelijking wordt gemaakt tussen datgene waar het normaal naar verwijst en een ander, ongerelateerd, fenomeen. Denk bijvoorbeeld aan een uitspraak als ‘het is hier een zwijnenstal’ of ‘de appel valt niet ver van de boom’. Het begrip van metaforen vormt bewijs dat taalverwerving een creatief – en niet simpelweg geïmiteerd - proces is. Hoewel kinderen vaak zelf in staat zijn tot het gebruik van metaforen, hebben jonge kinderen vooral moeite met het begrijpen van metaforen die door anderen worden gebruikt.

Grammatica

Zinnen van twee woorden bevatten meer informatie dan elk apart woord op zich, omdat er ook betekenis ligt besloten in de relatie van deze woorden tot elkaar. Dit proces van betekenisgeving door de combinatie van woorden ligt aan de basis van grammatica.

Vanaf het tweede levensjaar zijn kinderen al in staat de ordening, ook wel syntax, van een zin te begrijpen. Wanneer kinderen de zin “De eend gorpt het konijn’ gepresenteerd krijgen, begrijpen ze dat de eend een actie uitvoert bij het konijn en niet andersom, ondanks het feit dat ‘gorpt’ een onzinwoord is. Dit proces waarbij grammatica wordt gebruikt om de betekenis van nieuwe woorden te leren noemt men syntactic bootstrapping. Ook in het verkeerd vervoegen van werkwoorden, zoals ‘hij loopte’, wordt zichtbaar dat kinderen kennis hebben van grammatica en deze actief toepassen en niet simpelweg imiteren.

De complexiteit van het taalbegrip kan gemeten worden door het aantal morfemen - en niet de woorden - in een zin te tellen. Grammaticale morfemen zijn morfemen die betekenis geven aan een zin doordat zij in relatie staan met de andere elementen van deze zin. Wanneer kinderen de zin ‘Een grote kat kan bijten’ gebruiken, verwijst ‘Een’ niet naar een specifieke kat, maar naar alle grote katten. Het gebruik van grammaticale morfemen begint met het vervoegen van de tegenwoordige tijd van werkwoorden, zoals ‘lopen’, ‘praten’, etc. Vervolgens presenteren zich morfemen die naar locatie, hoeveelheid en bezit verwijzen. Contradicties zoals ‘kan niet’, doen zich vaak later pas voor. Het gebruik van grammaticale morfemen is een indicatie van het vermogen om onderscheid te maken tussen zelfstandig naamwoorden en werkwoorden. Een kind zou niet snel het woord ‘tafelde’ gebruiken, omdat zelfstandig naamwoorden niet vervoegd worden.

Kinderen hebben de neiging om de verkeerde dingen te zeggen op het verkeerde moment, simpelweg omdat ze nog weinig begrip hebben van de pragmatiek van taal. Een belangrijk aspect van de pragmatiek zijn conversationele acties, waarmee verwezen wordt naar het doelmatig inzetten van taal.

Deze conversationele acties kunnen in twee categorieën worden ingedeeld:

  1. Protoimperatieven: dit is een vroege variant van het aansporen van anderen tot actie. Het kind kan bijvoorbeeld een kopje omhooghouden en ‘Meer!’ zeggen, wanneer het bekertje bijgevuld moet worden.

  2. Protodeclaratieven: dit verwijst naar het aanzetten tot gedeelde aandacht en het voortzetten van een dialoog. Het kind kan bijvoorbeeld met zijn vinger naar iets wijzen en het object benoemen.

Tijdens de pragmatische ontwikkeling leren kinderen dat dezelfde samenstelling woorden naar verschillende dingen kan verwijzen. ‘Niet eten’ kan betekenen dat het kind zelf niet wil eten, maar ook dat hij niet wil dat de ander het opeet. Om de betekenis van een samenstelling woorden te begrijpen, moet het kind in staat zijn sociale signalen te herkennen. Tegelijkertijd leren kinderen dat zij dezelfde boodschap op verschillende manieren kunnen formuleren.

Wanneer de taalontwikkeling van kinderen vordert, leren zij ook verhalen te vertellen over hun ervaringen. Opvallend is daarbij dat kinderen vaak een chronologische structuur aanhouden tijdens deze vertelling, waarbij ze in hun verhaal van het verleden naar het heden toewerken. Naarmate kinderen ouder worden, is de invloed van cultuur steeds duidelijker zichtbaar in hun vertellingen. Afro-Amerikaanse verhalen worden bijvoorbeeld gekenmerkt door dramatisch taalgebruik, sterke lichaamstaal, dramatische intonatie en cultureel specifieke objecten. Deze elementen worden steeds meer geïntegreerd in de vertellingen van Afro-Amerikaanse kinderen naarmate zij ouder worden.

Verschillende theorieën over taalverwerving

Nadat er lange tijd een tweedeling was tussen theoretici die ofwel de taalverwering aan nature toeschreven, ofwel aan nurture, zijn de meeste theoretici het nu eens over een gecombineerde invloed. Naast deze twee theoretische stromingen is nog een derde stroming ontstaan, waarbij de rol van cognitie in de taalontwikkeling wordt benadrukt.

Aangezien kinderen een snelle taalontwikkeling doormaken en in staat zijn zinnen te formuleren die zij nooit eerder hebben gehoord, was Noam Chomsky van mening dat taal voornamelijk aangeboren is. Hij beschreef taal als een mentaal orgaan, een op zichzelf staand mentaal proces, dat desondanks wel geassocieerd is met andere mentale processen en de omgeving. Zo erkende hij ook de rol van causale observaties en imitaties in de taalontwikkeling. Chomsky was van mening dat ieder kind vanaf de geboorte beschikt over een language acquisition device (LAD), dat het kind in staat stelt de grammaticale regels te leren van de taal waar hij of zij aan wordt blootgesteld. Naarmate het LAD verder ontwikkelt neemt ook de complexiteit van de taal toe. De hypothese dat grammatica grotendeels is aangeboren baseerde hij met name op het feit dat kinderen relatief weinig feedback krijgen op hun spraak en desondanks een goed begrip van grammatica ontwikkelen. Ervaring is echter wel bepalend voor welke taal het kind uiteindelijk zal gaan spreken.

Binnen de nurture stroming worden formats, sociale activiteiten waaraan volwassenen en kinderen gezamenlijk deelnemen, als basis gezien voor de taal ontwikkeling. Binnen deze stroming wordt gesproken over het language acquisition support system (LASS), waarbij de taalontwikkeling wordt beïnvloed door omgevingsfactoren en daarmee de sociale tegenhanger is van het LAD. Een belangrijk element binnen het LASS is een goed afgestelde interactie tussen de deelnemers. Cultuur beïnvloedt welke objecten de focus worden van gedeelde aandacht tussen moeder en kind. Zo kunnen kinderen, die in een cultuur opgroeien waar men nauw samenwerkt met de natuur, op 2 ½- jarige leeftijd al 30 planten benoemen, terwijl hun leeftijdsgenoten in het Westen nauwelijks een paar plantennamen kennen.

Binnen de cognitieve benadering wordt bekeken hoe de taalvaardigheid voortkomt uit het vermogen om te denken en informatie te verwerken. Veranderingen in de taalontwikkeling zouden een gevolg moeten zijn van andere cognitieve ontwikkelingen, zoals ook werd beschreven door Piaget. Wanneer kinderen in staat zijn tot representationeel denken, leren zij beredeneren over absente objecten en hun eigen activiteiten. Rond dezelfde periode leren zij woorden te produceren die deze absente objecten en activiteiten beschrijven. In dit stadium voeren kinderen gesprekken met elkaar, waarbij zij niet reageren op datgene wat de ander zegt, maar in feite alleen hun gedachten hardop uitspreken. Deze gespreksvorm wordt het collectieve monoloog genoemd. Aan de basis van dit collectieve monoloog zou egocentrisme liggen, omdat kinderen nog niet in staat zijn zich in te leven in de ander. Uiteindelijk gaat dit collectieve monoloog over in een echt dialoog.

Vygotsky was echter van mening dat er een andere oorzaak aan deze egocentrische gespreksvorm ten grondslag ligt. Volgens hem zouden kinderen egocentrische spraak gebruiken om hun eigen gedachten te ordenen en gedrag te reguleren. Een ander verschil tussen Piaget en Vygotsky is dat Piaget beweerde dat egocentrische spraak uiteindelijk overgaat in gesocialiseerde spraak, terwijl Vygotsky van mening was dat egocentrische spraak nooit helemaal verdwijnt. Egocentrische spraak zou vervangen worden door interne spraak, waarbij mensen in gedachten tot zichzelf spreken. De vorm van egocentrische spraak verandert dus wel, maar de functie blijft hetzelfde, aldus Vygotsky.

Wanneer het vocabulaire van kinderen groeit, neemt ook het gebruik van grammatica toe. De grammatica lijkt dus een bijproduct te zijn van het toenemende vocabulaire en de behoefte om meer complexe gedachten uit te spreken.

Taal en cognitieve afwijkingen

Kinderen met het Down Sydroom vertonen symptomen van mentale retardatie. Hun vocabulaire is beperkt en de grammatica is simpel. Dit lijkt bewijs te vormen voor de hypothese dat een goede taalontwikkeling alleen plaatsvindt wanneer het kind een normale cognitieve ontwikkeling vertoont. Deze constatering gaat echter niet op voor alle vormen van mentale retardatie. Kinderen met het Williams Syndroom zijn ook mentaal geretardeerd, maar vertonen minder taalafwijkingen dan kinderen met het Down Syndroom. Hieruit mag geconcludeerd worden dat de taalontwikkeling deels onafhankelijk is van andere cognitieve ontwikkelingen.

Oefenvragen Hoofdstuk 7: Taalontwikkeling

1. Aan welke twee voorwaarden moet worden voldaan om taal te verwerven?

2. Tot welk niveau kunnen apen taal leren?

3. Via welke methode vonden Broca en Wernicke hun gebieden?

4. Wat zijn thuisgebaren?

5. Welke drie kenmerken heeft baby-georiënteerde spraak?

6. Waar is de snelheid van vocabulaire toename van afhankelijk?

7. Wat is de pragmatische ontwikkeling?

8. Wat zijn morfemen?

9. Wat is het receptieve vocabulaire?

10. Wat is overextensie en wat is onderextensie?

11. Wat is fast mapping?

12. Wat is syntactic bootstrapping?

13. Uit welke twee categorieën bestaan conversationele acties?

14. Wat is het verschil tussen LAD en LASS?

15. Hoe verklaarde Vygotsky egocentrische spraak? Waar leidt deze vorm van spraak toe?

 

 

 

 

 

 

De fysieke en cognitieve ontwikkeling bij jonge kinderen (8)

 

Ontwikkeling bij jonge kinderen

De variatie in de intellectuele prestaties van kinderen zijn het resultaat van ongelijkheid in de ontwikkeling van verschillende delen van het organisme. Onduidelijk is of er sprake is van continuïteit of discontinuïteit in de ontwikkeling. Vanuit de discontinue benadering zijn verschillen in vaardigheden het resultaat van verschillen in de fase van cognitieve competentie, waarbij alleen interesse is voor de prestatie van kinderen. De continue benadering kijkt niet zozeer naar de prestatie op zich, maar naar het proces waarbinnen deze prestatie zich ontwikkelt. Variaties in prestatie zouden dan voortkomen uit:

  1. Graduele veranderingen in algemene psychologische mechanismen, zoals het korte-termijn geheugen

  2. Verandering binnen domein-specifieke psychologische processen, die elk op een verschillend moment ontwikkelen

Fysieke ontwikkeling

Op 2 ½ -jarige leeftijd hebben de lichaamsproporties van kinderen grote veranderingen ondergaan. Veel van deze veranderingen zijn het gevolg van de verlenging van de botten door proces van verkalking, waarbij de botten niet alleen harder en sterker worden, maar de uiteinden van de botten ook voorzien worden van nieuw botweefsel.

In de vroege kindertijd, tussen 2 en 5 jaar, ondergaan kinderen een uitzonderlijke fysieke en motorische ontwikkeling. Van deze nieuw verworven vaardigheden wordt door kinderen optimaal gebruik gemaakt, een fenomeen dat men motorische driften noemt. Ook de fijne motorische ontwikkeling neemt sterk toe in deze periode.

De gezondheid in de vroege kindertijd

Ten opzichte van de babytijd stagneert de groei enigszins in vroege kindertijd, waardoor kinderen relatief weinig eetlust hebben. Desondanks neemt de fysieke activiteit in deze periode aanzienlijk toe, waardoor het van groot belang is dat zij genoeg slaap en voeding krijgen. In de praktijk blijkt echter dat kinderen van deze leeftijd doorgaans te weinig slapen en eten. Kinderen tussen 2 en 5 jaar hebben gemiddeld 12 uur slaap nodig in een cyclus van 24 uur. In de praktijk slapen zij gemiddeld slechts 9.5 uur per dag. De effecten van slaapdeprivatie zijn nog onbekend.

In de meeste industriële maatschappijen krijgen kinderen maximaal 2 jaar borstvoeding. De voedingswaarde van het eten dat kinderen consumeren is een grote bron van zorgen, vanwege een toenemend aantal kinderen met overgewicht. Kinderen met overgewicht tussen het 2e en het 4e levensjaar hebben 5 keer zo veel kans op overgewicht wanneer zij volwassen zijn. Kinderen met ondergewicht in de eerste 2 jaar van hun leven, die een snelle gewichtstoename hebben ondergaan in de vroege kindertijd, vertonen een sterk verhoogde kans op cardiovasculaire ziekten op latere leeftijd.

Vanwege economische redenen kan het lastig zijn om kinderen een goed gebalanceerd voedingspatroon te bieden, een fenomeen dat men voedingsonzekerheid noemt. Ook de houding van ouders ten opzichte van gezonde voeding kan de oorzaak zijn van slechte voeding. Zo blijken ouders vaker bezorgd te zijn over het ondergewicht van jongens dan van meisjes, als gevolg van sekse-specifieke schoonheidsidealen in de samenleving. Zorgen over het ondergewicht van jongens en overgewicht van meisjes, kan invloed hebben op het type voeding dat ouders hun kinderen voorschotelen.

Hersenontwikkeling in de vroege kindertijd

Aan het begin van de vroege kindertijd hebben de hersenen 80% van hun volwassen gewicht bereikt en aan het einde van de vroege kindertijd is dat 90%. Ten opzichte van het eerste jaar is dat een relatief laag groeipercentage, maar tegelijkertijd doen zich veel belangrijke verandering voor tijdens deze periode. De voornaamste reden van groei is myelinatie en de toename van synapsen. Ook is er sprake van synaptische pruning, waarbij synapsen afsterven die niet functioneel zijn. Verschillende hersengebieden ontwikkelen op een verschillend tijdstip, waardoor er ongelijkheid in de ontwikkeling plaatsvindt. Wanneer een bepaald hersengebied echter zeer snel ontwikkelt, is dezelfde ontwikkeling zichtbaar in de psychologische processen die aan dat gebied gerelateerd zijn.

Wanneer hersengebieden, die op een zeker moment met elkaar in verbinding moeten komen, nog niet verbonden zijn doen zich schaalfouten voor. Van een schaalfout is sprake wanneer het kind nog niet in staat is om informatie over de afmetingen van een object te integreren in het gebruik van het object. Zo kunnen kinderen bijvoorbeeld proberen een klein huisje in te klimmen waar zij in feite niet in passen. Er is dan sprake van een disconnectie tussen de visuele informatie en het vermogen om acties te plannen en controleren.

Cultuur specifieke ervaringen genereren ervarings-afhankelijke hersenontwikkelingen, die niet elk individu doormaakt. Zo blijkt bijvoorbeeld dat kinderen die tussen 4- en 6-jarige leeftijd muziekles krijgen, een betere muzikaal geheugen en algemeen IQ hebben, dan kinderen die dat niet kregen.

Preoperationele ontwikkeling

Na het sensomotorische stadium begint het preoperationele stadium. Dit stadium werd door Piaget beschouwd als de overgangsfase tussen de sensomotorische intelligentie van de babytijd en de operationele intelligentie van de late kindertijd. Operationeel denken vereist mentale operaties, ook wel mentale acties waarin kinderen informatie combineren, scheiden en transformeren. Daarbij kan men denken aan wiskundige processen of het categoriseren van objecten. Deze operationele intelligentie begint tussen 7 en 8 jaar. Jonge kinderen zijn echter nog niet in staat tot dergelijke mentale operaties en vervallen nog vaak in fouten.

Het preoperationele stadium verwijst dan naar het proces waarin kinderen zich meester maken van deze operationele vorm van denken. De fouten die kinderen maken in het preoperationele stadium zijn niet willekeurig, maar juist consistent, waarmee veel inzicht wordt verkregen in de aard van hun cognitieve ontwikkeling.

Centratie

Er is sprake van centratie wanneer kinderen zich laten leiden door een geïsoleerd perceptueel kenmerk en geen oog meer hebben voor andere details. Daar tegenover staat decentratie, waarbij kinderen zichzelf wel kunnen distantiëren van het geïsoleerde detail en meerdere perceptuele aspecten tegelijk verwerken. De consequentie van decentratie zou volgens Piaget objectiviteit zijn, waarbij de realiteit wordt bekeken zonder dat deze gekleurd wordt door de eigen subjectieve percepties. Preoperationele kinderen zijn deze objectiviteit aan het ontwikkelen, maar maken daarbij nog 3 soorten fouten:

  1. Egocentrisme

  2. Verwarren van de verschijning met de realiteit

  3. Precausaal redeneren

Van egocentrisme is sprake wanneer het kind zichzelf als het centrum van de wereld ziet en geen oog heeft voor het perspectief van de ander. In een experiment met een 3-dimensionale voorstelling van drie bergen, werd kinderen gevraagd wat de pop, die aan de andere kant van het tafereel zat, op dat moment zag. De kinderen waren niet in staat om het perspectief van de pop te beschrijven. Wanneer de voorstelling meer gemakkelijk te onderscheiden objecten bevatte, waren kinderen wel in staat het perspectief van de pop te beschrijven. Kinderen beschikken dus wel over de competentie om zich in een ander perspectief te verplaatsen, maar hun prestatie is afhankelijk van het soort taak dat afgenomen wordt.

Kinderen hebben ook moeite de uiterlijke verschijning van de realiteit te onderscheiden. In een experiment mochten kinderen een aantal minuten spelen met een goedaardige, kindvriendelijke kat. Deze kat werd later op een video scherm vertoond, waarbij een masker van een hondenkop over het hoofd van de kat werd geplaatst. De 3-jarige deelnemers waren van mening dat deze kat inderdaad in een hond was veranderd, terwijl de 4- en 5-jarigen nog twijfelden. De 6-jarige kinderen rapporteerden dat dit inderdaad om dezelfde kat ging met het masker van een hond. In een experiment met mensen zijn 3-jarigen echter wel in staat de uiterlijke verschijning van de realiteit te onderscheiden. Bovendien bleek dat deze leeftijdsgroep vooral problemen had met het beschrijven van het onderscheid tussen de verschijning en de realiteit. Wanneer zij dit onderscheid non-verbaal konden aangeven, waren 3-jarigen doorgaans meer accuraat.

Piaget was van mening dat jonge kinderen niet in staat zijn tot mentale operaties. Er zouden twee soorten redeneringen zijn die problematisch zijn voor jonge kinderen. Een deductie is een redenering van algemeen naar specifiek, terwijl een inductie verwijst naar redeneringen van specifiek naar algemeen. Jonge kinderen zouden volgens Piaget niet deductief of inductief denken, maar transductief, oftewel van specifiek naar specifiek. Een voorbeeld daarvan is de redenering: ‘Ik heb geen middagslaapje gedaan, dus het is geen middag.’ Deze vorm van redeneren zou een aspect zijn van precausaal denken.

Uit ander onderzoek blijkt echter dat kinderen wel in staat zijn tot causaal denken onder duidelijke, overzichtelijke condities. Uit onderzoek blijkt ook dat jonge kinderen, ondanks hun begrip van causale relaties, meer moeite hebben met het beschrijven daarvan, dan oudere kinderen. Bij meer complexe condities lijkt het begrip van causale relaties bij 3-jarigen echter nog niet voldoende.

In een ander experiment werd onderzocht in welke situaties jonge kinderen redeneren over causale relaties. Dit blijkt het geval bij gebeurtenissen die inconsistent zijn met hun kennis over de wereld. Wanneer nieuwe informatie de bestaande kennis uitdaagt, gaan kinderen dus op zoek naar een verklaring voor deze inconsistentie.

Ongelijkheid in prestatie

De voorbeelden die eerder zijn gegeven vormen een bewijs voor preoperationeel denken. Er is echter ook bewijs dat de vroege kindertijd minder ongelijk en gefaseerd is dan Piaget beweerde. Er zijn twee benaderingen die een alternatief vormen voor het preoperationele stadium van Piaget. Allereerst de informatie-verwerkingsbenadering waarin de focus ligt op algemene psychologische mechanismen als oorzaak van ongelijkheid in prestatie. Het tweede theoretische alternatief legt de nadruk op domein-specifieke psychologische processen in de cognitieve ontwikkeling. Beide alternatieven zullen nu uitgebreider worden besproken.

Informatie-verwerkingsbenadering

In de informatie-verwerkingsbenadering worden de neuronale kenmerken van het brein, ook wel de structurele kenmerken, opgevat als de hardware van een computer. In meer concrete termen zijn dit het sensorische geheugen, korte termijn geheugen en het lange-termijn geheugen.

De activiteiten en strategieën die mensen gebruiken om informatie op te halen en te verwerken worden daarbij opgevat als de software van het brein. Daarbij kan men denken aan controle processen zoals aandacht, besluitvorming, herhalen en terughalen van informatie.

Informatie komt eerst binnen in het sensorische geheugen. Wanneer daar vervolgens aandacht aan besteed wordt, komt deze informatie terecht in het werkgeheugen. Het werkgeheugen combineert informatie uit het sensorische register met informatie uit het lange-termijn geheugen over eerdere ervaringen. De controle processen bepalen welke informatie in het werkgeheugen blijft en hoe deze informatie wordt toegepast op het probleem. Specifiek wordt bepaald aan welke informatie aandacht wordt besteed, welke probleemstrategie wordt gebruikt, in hoeverre het lange-termijn geheugen nog verder doorzocht moet worden en welke informatie opgeslagen of vergeten moet worden.

Het geheugen van jonge kinderen neemt toe als gevolg van veranderingen in de software. Twee factoren spelen een grote rol in het succes van deze processen. Allereerst de kennis die uit eerdere ervaringen is opgedaan, waarbij kinderen gemakkelijker nieuwe ervaringen ‘ophangen’ aan reeds bestaande kennis. Een tweede factor betreft de hulp van volwassenen. Wanneer volwassenen praten met het kind over een nieuwe ervaring, kan het kind deze ervaring makkelijker opslaan in het geheugen. De meest effectieve strategie in het ondersteunen van geheugenprocessen bij het kind is de elaboratieve stijl, die gekenmerkt wordt door:

  1. W-vragen (Wat? Wie? Waarom? Wanneer? Waar?)

  2. Associaties leggen tussen huidige en eerdere ervaringen

  3. Discussies over aspecten van de ervaring (follow-ins)

  4. Uitgesproken positieve waarderingen van het kind

Vanuit het informatie-verwerkingsperspectief worden cognitieve moeilijkheden dus veroorzaakt door beperkingen in geheugen, kennis, aandacht, snelheid van verwerking en strategieën

Domein-specifieke psychologische processen

In die vroege kindertijd doen zich ook veranderingen voor binnen specifieke kennisdomeinen, ook wel bevoorrechte domeinen. Deze domeinen worden ‘bevoorrecht’ genoemd, omdat kennis over deze domeinen evolutionaire voordelen biedt. Deze kennisdomeinen betreffen de fysica, psychologie en biologie.

Fysica

Kinderen redeneren tot op zekere hoogte over fysieke wetten in de wereld, waaronder zwaartekracht en veranderingen van materiaal bij temperatuurverschillen. Omdat dit redeneren nog beperkt en intuïtief is, spreekt men van naïeve fysica. Met de schending-van-verwachtingen methode, die is besproken in hoofdstuk 5, kan het begrip van fysica gemeten worden. Zo blijkt dat baby’s geen begrip hebben van zwaartekracht, zijn de resultaten bij 2-jarigen gemengd en hebben 6-jarigen een goed begrip van zwaartekracht. Driejarige kinderen zijn al in staat te begrijpen dat materiaal niet zomaar in het niets kan verdwijnen, ook wanneer dit in poedervorm wordt opgelost in water.

Psychologie

Kinderen redeneren ook over de interne mentale driften die aan het gedrag van anderen ten grondslag liggen. Dit vroege begrip van psychologie wordt naïeve psychologie genoemd. Kinderen van 2 jaar oud zijn al in staat hun eigen wensen te onderscheiden van de wensen van anderen. Zij vormen theorieën over de wijze waarop deze wensen en opvattingen het gedrag van de ander vormen, een proces dat theory of mind (ToM) wordt genoemd. ToM kan gemeten worden met valse-opvattingstaken (false-belief tasks), waarmee onderzocht wordt in hoeverre kinderen kunnen herkennen dat anderen opvattingen hebben die niet overeenkomen met de feiten. In deze taak krijgen kinderen een verhaal te horen over een jongetje dat zijn snoep in een la opbergt en zijn moeder dit snoep vervolgens, zonder zijn medeweten, op een andere plek legt. Wanneer 3-jarige kinderen gevraagd wordt waar zij denken dat het jongetje de snoep zal zoeken, wijzen zij de plek aan waar de moeder het verstopt heeft. Ze zijn dus nog niet in staat vanuit het perspectief van het onwetende jongetje te redeneren. Vijfjarigen wijzen wel de locatie aan waar het jongetje de snoep zelf had opgeborgen. Driejarigen negeren ook hun eigen valse opvattingen, terwijl deze vlak daarvoor weerlegd zijn. Wanneer kleine kinderen echter zelf meehelpen in het complot, zijn zij wel in staat tot ToM.

Biologie

De eerste basale ideeën over onze biologie, waaronder het onderscheid tussen levende en niet-levende wezens, wordt naïeve biologie genoemd. Dit onderscheid begint tussen 3- en 4-jarige leeftijd. Waar dit begrip dit vandaan komt is nog onduidelijk. Enerzijds zijn er wetenschappers die stellen dat de naïeve biologie voortkomt uit de naïeve psychologie, anderzijds stellen wetenschappers dat kinderen analogieën maken tussen zichzelf en andere levende organismen. In deze analogieën zijn kinderen geneigd om belangrijke verschillen te negeren tussen zichzelf en andere levende organismen, zoals het feit dat niet elk organisme wensen en intenties heeft.

Verklaringen voor domein-specifieke ontwikkeling

Er zijn drie benaderingen die de ontwikkeling van bevoorrechte domeinen trachten te verklaren. Allereerst de modulariteitstheorie, waarin elk domein wordt opgevat als een op zichzelf staand mentaal proces. Daarnaast de theorie theorie, waarbij men uitgaat van aangeboren basiskennis binnen elk domein dat verder zich ontwikkelt gedurende de kindertijd. De derde benadering legt de nadruk op de rol van taal en cultuur in de domein-specifieke ontwikkeling.

De modulariteitstheorie

Mentale modules verwijzen naar aangeboren mentale gebieden die verantwoordelijk zijn voor het ontvangen en verwerken van informatie over objecten in de omgeving. Elke module opereert zelfstandig en er is weinig interacties tussen de modules. Deze modules zijn aangeboren en worden geactiveerd door de omgeving. Onderzoek naar autisme vormde een basis voor de modulariteitstheorie, omdat autistische kinderen moeite hebben met vaardigheden binnen het ene domein en uitblinken in het andere domein. Zo zouden autistische kinderen een onderontwikkelde ToM-module hebben, waarbij hun prestatie overeenkomt met dat van 3-jarigen. Ze hebben moeite met het begrip van opeenvolgende mentale stadia bij anderen en beschrijven situaties alleen in termen van zichtbaar gedrag, zonder referentie aan mentale processen. Autistische kinderen blijken buitengewoon goed te presteren in het beschrijven van zichtbaar opeenvolgend gedrag, maar hebben moeite met valse-opvattingstaken. Autisme zou daarmee een indicatie zijn voor cognitieve defecten binnen de ToM-module.

De theorie theorie

Niet alle theoretici zijn het er over eens dat de ToM-module aangeboren is. Binnen intensieve therapeutische programma’s blijken autistische kinderen wel vooruitgang te boeken in hun sociale vaardigheden en communicatieve vaardigheden. In de theorie theorie gaat men uit van aangeboren primitieve theorieën over de wereld. Deze theorieën richten de aandacht op domein-specifieke kenmerken en beïnvloeden het gedrag van het kind. Na verloop van tijd worden deze theorieën aangepast als gevolg van ervaringen. Het denken van kinderen binnen bevoorrechte domeinen is wetenschappelijk in twee opzichten. Ten eerste zijn de ideeën van kinderen gebaseerd op causale relaties en - ten tweede – doen kinderen voorspellingen op basis van deze ideeën.

Een belangrijk element in het ontwikkelen van theorieën zijn de gesprekken die kinderen met volwassenen voeren. Daarbij kunnen volwassenen vragen stellen, analogieën aandragen of verklaring geven voor bepaalde verschijnselen. Niet alleen ouders, maar ook leeftijdsgenoten, leerkrachten en persoonlijke ervaringen dragen bij aan de constructie en ontwikkeling van deze theorieën.

Taal en cultuur

Culturen verschillen in de domein-specifieke taal die zij gebruiken. Zo zijn er culturen die slechts vijf termen hebben voor het beschrijven van mentale processen. Het is onduidelijk of dit beperkt aantal termen de ontwikkeling van de naïeve psychologie vertraagd. Ook ten aanzien van de naïeve biologie zijn culturele verschillen zichtbaar. Zo is het in bepaalde culturen niet afwijkend om te geloven dat bepaalde individuen kunnen veranderen in dieren en dat deze vorm-verwisselaars kwaadaardig zijn. De naïeve psychologie en de naïeve biologie komen samen in deze overtuiging en roepen twijfels op over het onderscheid tussen deze bevoorrechte domeinen. De bewering dat deze verschillende modules onafhankelijk van elkaar zijn is dan ook een Westerse overtuiging en niet per definitie waarheidsgetrouw.

De cognitieve ontwikkeling en cultuur

De actieve participatie van kinderen in culturele activiteiten is essentieel voor hun kennis over de wereld. Het resultaat van deze participatie zijn algemene representaties van gebeurtenissen, ook wel culturele scripts genoemd. In deze scripts wordt gespecificeerd wie deelneemt aan de gebeurtenis, welke sociale rollen zij spelen, welke objecten zij gebruiken en welke acties elkaar opvolgen. Culturele scripts zijn bronnen voor de cognitieve ontwikkeling. In het begin zijn deze scripts nog meer extern dan intern, omdat jonge kinderen deze gebeurtenissen nog passief ondergaan. Wanneer kinderen meer vaardigheden ontwikkelen en bekender raken met het script, gaan zij een actievere rol spelen in dit proces. Omdat kinderen opgroeien binnen de culturele scripts van anderen, ervaren zij hun omgeving zelden als ‘rauw’, maar wordt hun ervaring gekleurd door anderen.

 

Scripts bevatten gegeneraliseerde kennis. Naast het gegeven dat de scripts een algemene inhoud bevatten, hebben deze ook een algemene structuur die overeenkomt met de scripts van volwassenen. Totdat kinderen een grote variëteit aan kennis hebben verworven over deze scripts, hebben zij nog moeite het onderscheid tussen essentiële en oppervlakkige kenmerken van een nieuwe context. Zo kunnen kinderen, die alleen pizza hebben gegeten in een restaurant, denken dat er uitsluitend pizza’s worden geserveerd in restaurants.

Een ander belangrijk kenmerk van scripts is dat zij acties coördineren in relatie tot elkaar, omdat scripts gedeeld worden met andere leden van de cultuur.

De ongelijkheid van ontwikkeling binnen een culturele context

Wanneer kinderen zich in omgevingen bevinden buiten het ouderlijk huis, komen zij in aanraking met een grote variatie aan nieuwe scripts en worden de bestaande scripts aangepast. Cultuur is van invloed op de ongelijkheid in ontwikkeling vanwege een aantal redenen:

  1. Door specifieke activiteiten beschikbaar te maken

  2. Door de frequentie van dagelijkse activiteiten te bepalen

  3. Door verschillende activiteiten met elkaar te associëren

  4. Door de rol van het kind in de activiteit te reguleren

 

Oefenvragen Hoofdstuk 8: De fysieke en cognitieve ontwikkeling bij jonge kinderen

1. Waardoor hebben jonge kinderen minder eetlust dan baby’s?

2. Hoeveel uur slaap hebben kinderen tussen 2 en 5 nodig en hoeveel slapen zij gemiddeld?

3. Wat is voedingsonzekerheid?

4. Welke fout maken kinderen als ze de afmetingen van een object nog niet kunnen integreren met het gebruik ervan?

5. Hoe heet het stadium na het preoperationele stadium?

6. Wat is het tegenovergestelde can centratie?

7. Welke drie fouten maken preoperationele kinderen volgens Piaget?

8. Hoe werkt de computeranalogie die de informatie-verwerkingsbenadering maakt?

9. Waar wordt de elaboratieve stijl door gekenmerkt?

10. Welke drie bevoorrechte kennisdomeinen zijn er?

11. Hoe verklaart de modulariteitstheorie de ontwikkeling van de bevoorrechte domeinen?

12. Hoe verklaart de theorie theorie de ontwikkeling van de bevoorrechte domeinen?

13. Wat zijn culturele scripts?

14. Door welke vier redenen is cultuur van invloed op de ongelijkheid van ontwikkeling?

De sociale en emotionele ontwikkeling bij jonge kinderen (9)

 

De sociale en emotionele ontwikkeling bij jonge kinderen

Het sociale en emotionele leven van kinderen volgt twee verschillende ontwikkelingspaden. Het eerste pad is socialisatie, waarbij kinderen zich de standaarden, waarden en kennis van hun maatschappij eigen maken. Het tweede pad is de persoonlijkheidsformatie, waarbij kinderen hun eigen unieke wijze van voelen, denken en gedragen ontwikkelen. Socialisatie wordt zichtbaar in de manier waarop ouders hun kinderen leren hoe zij zich wel of juist niet moeten gedragen. Daarnaast is socialisatie zichtbaar in de wijze waarop ouders de omgevingen van hun kinderen beïnvloeden, waaronder de keuze voor het type kinderopvang en de leefomgeving.

De socialisatie wordt niet passief ontvangen door kinderen, maar verloopt via een actief proces van interpretatie en selectie op basis van hun eigen unieke persoonlijkheid, ook wel temperament. Persoonlijkheidsformatie vindt plaats wanneer hun persoonlijke interactiestijl geïntegreerd wordt in hun cognitieve ontwikkeling, emotionele reacties en gewoontes, waardoor socialisatie en persoonlijkheidsformatie met elkaar geassocieerd zijn. Kinderen spelen dus een actieve rol in hun eigen ontwikkeling, waarbij zij hun ontwikkeling co-construeren.

De ontwikkeling van de identiteit

Eerder werd al het stadium autonomie vs. schaamte en schuld besproken, dat geassocieerd wordt met de ‘terrible twos’. In de vroege kindertijd worden kinderen geconfronteerd met de uitdaging initiatief vs. schuld, waarbij ze enerzijds proberen autonomie na te streven en anderzijds willen conformeren aan de sociale rollen binnen de maatschappij.

Een belangrijk kenmerk van socialisatie is identificatie, een psychologisch proces waarbij kinderen moeite doen om te voelen, denken, gedragen en lijken op belangrijke personen uit hun omgeving. De meeste studies naar identificatie onderzoeken de ontwikkeling van de genderidentiteit en de etnische identiteit.

De genderidentiteit

Wanneer kinderen 2 jaar oud zijn produceren ze al meer woorden gerelateerd aan de eigen sekse, dan aan de andere sekse. Op de kleuterschool hebben jongens en meisjes andere speelgoedvoorkeuren en verschillen zij in hun speelgedrag. Daarnaast spelen kinderen rond deze leeftijd vaker met leeftijdsgenoten van de eigen sekse. Deze voorkeur voor de eigen sekse leidt tot gender segregatie bij kinderen. Er zijn vijf verschillende visies op de ontwikkeling van de genderidentiteit (ook wel sekse-identiteit):

  1. Psychodynamische visie

  2. Sociaal leren visie

  3. Cognitieve-ontwikkelingsvisie

  4. Gender schema visie

  5. Culturele visie

De psychodynamische visie

Volgens de psychodynamische visie van Sigmund Freud ontwikkelt de genderidentiteit zich tijdens de fallische fase, tussen de 3 en 4 jaar, waarbij kinderen zich bewust worden van hun genitaliën. Jongens zouden, volgens Freud, op deze leeftijd verliefd worden op hun moeder en daarvoor de strijd met de vader willen aangaan. Omdat zij tegelijkertijd bang zouden zijn dat hun gedachten kenbaar worden en zich daar schuldig over voelen, ontstaat er een Oedipus Complex, gebaseerd op een Griekse mythe waarin Oedipus zijn vader vermoordde en met zijn moeder trouwde. Dit complex zou volgens Freud opgelost worden door zich te differentiëren van de moeder en te identificeren met de vader, gedreven door schuldgevoelens en angst.

Bij meisjes zou een vergelijkbaar complex ontstaan rond deze leeftijd, dat Freud het Electra complex noemde, waarbij meisjes zich uiteindelijk differentiëren van de vader en identificeren met de moeder. Er is echter veel kritiek geweest op de theorie van Freud, omdat hij mannelijkheid als superieur zag aan vrouwelijkheid. Bovendien wordt de genderidentiteit ook beïnvloed door andere processen, dan uitsluitend identificatie.

De sociale leertheorie

De sociale leertheorie onderscheidt zich van de psychodynamische theorie op twee manieren. Allereerst verschillen zij van elkaar in de ontwikkelingsprocessen die zij toeschrijven aan de genderidentiteit. Daarnaast zijn sociale leertheoretici van mening dat niet alleen de ouders verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van de genderidentiteit.

In de sociale leertheorie zou identificatie verlopen via modelleergedrag, waarbij kinderen anderen observeren en imiteren, en differentiële bekrachtiging, waarbij kinderen beloond worden voor gedrag dat toepasselijk is voor hun sekse. Naast de ouders, vormen leeftijdsgenoten, broers, zussen, andere volwassenen en de media bronnen van identificatie. Vooral broers en zussen lijken een grote invloed te hebben op de ontwikkeling van de genderidentiteit.

De cognitieve ontwikkelingsvisie

De cognitieve-ontwikkelingsvisie gaat ervan uit dat de eigen opvattingen van het kind centraal staan in de ontwikkeling van de genderidentiteit. De genderrol-opvattingen van het kind zouden het gevolg zijn van het actief structureren van de eigen ervaringen. Volgens Lawrence Kohlberg zou deze genderrol-ontwikkeling verlopen in drie stadia:

  1. De genderrol identiteit, waarbij kinderen zichzelf labelen als jongens of meisjes

  2. De genderrol stabiliteit, waarbij kinderen leren dat de genderrol stabiel is over de tijd

  3. De genderrol constantie, waarbij kinderen leren dat de genderrol stabiel is over situaties

In bovengenoemde beschrijving blijft het echter onduidelijk hoe de genderrol overgaat in gender-typisch gedrag. Kohlberg is van mening dat de genderrol het gedrag begint te beïnvloeden wanneer kinderen begrip ontwikkelen van de genderrol constantie.

Gender schema visie

In de gender schema theorie worden principes uit de sociale leertheorie en de cognitieve ontwikkelingstheorie gecombineerd. Het begrip van gender bij kinderen is het resultaat van gender schema’s, die informatie bevatten over gebruiken, gedragingen, uiterlijke kenmerken en activiteiten die typerend zijn voor mannen en vrouwen. Gelijktijdig met het ontwikkelen van gender schema’s leren kinderen deze scripts in te passen in hun eigen activiteiten. De gender schema visie propageert een informatie-verwerkingsbenadering en onderscheid zich daarmee van de gefaseerde benadering van de cognitieve ontwikkelingsvisie.

De culturele visie

Cultuur speelt een aanzienlijke rol in de ontwikkeling van de genderidentiteit. In culturen waar genderopvattingen meer rigide zijn, vertonen kinderen meer gender-stereotiep gedrag. In het Westen wordt de mannelijke genderrol meer rigide omschreven dan de vrouwelijke genderrol. Het gevolg is dat mannelijk gedrag bij meisjes meer getolereerd wordt dan vrouwelijk gedrag bij jongens. Deze verschillen in rigiditeit hebben ook gevolgen voor de kennis die kinderen ontwikkelen over deze genderrollen. Zo rapporteren meisjes kennis van beide genderrollen, terwijl jongens vrijwel uitsluitend kennis hebben van de mannelijke genderrol.

De etnische identiteit

De subjectieve beleving van het eigen lidmaatschap van de etnische groep en de daarbij behorende gevoelens en attitudes, vormen de etnische identiteit. Ontwikkelingswetenschappers hebben geprobeerd te achterhalen welke gevoelens en attitudes kinderen associëren met de etnische groep en hoe dit gevolgen heeft voor de zelfwaardering. Uit een experiment kwam naar voren dat Afro-Amerikaanse kinderen zichzelf definiëren in termen van de blanke meerderheidsgroep, ook wel een witte bias genoemd. Hoewel de Afro-Amerikaanse kinderen in dit experiment de voorkeur gaven aan de witte pop, vertoonden zij - ondanks hun witte bias - geen negatief etnisch zelfconcept.

De communicatie van ouders met hun kinderen over etnische vraagstukken wordt etnische socialisatie genoemd. Deze socialisatie kan in vier categorieën worden ingedeeld:

  1. Culturele socialisatie, waarbij het etnische erfgoed en trots wordt overdragen.

  2. Voorbereiding voor bias, waarbij discriminatie en vooroordelen worden besproken

  3. Promotie van etnisch wantrouwen, waarbij wantrouwen ten opzichte van de meerderheidsgroep wordt aangemoedigd.

  4. Egalitarisme, waarbij gelijkheid voor alle etnische groepen wordt overgedragen.

Uit onderzoek blijkt dat vrijwel alle ouders deelnemen aan de culturele socialisatie van kinderen. Een kleinere proportie bespreekt thema’s rondom etnisch wantrouwen. Kinderen die een culturele socialisatie hadden doorlopen hadden sterkere cognitieve vaardigheden, betere probleem-oplossende vermogens en minder gedragsproblemen, dan kinderen die deze socialisatie niet kregen.

De persoonlijke identiteit

De persoonlijke identiteit bestaat uit twee delen:

  1. Het ik-zelf

  2. Het mij-zelf

Het ik-zelf verwijst naar de subjectieve beleving van het zelf als een individu, terwijl het mij-zelf verwijst naar een objectieve beschrijving van het zelf in termen van eigenschappen die door anderen worden waargenomen. Beschrijving van het zelf door kinderen richt zich voornamelijk op de objectieve kenmerken en is zeer specifiek. De zelfomschrijvingen van jonge kinderen zijn nog niet geïntegreerd in de persoonlijkheidsstructuur, maar zijn nog sterk aan verandering onderhevig. Ook zijn kinderen geneigd zichzelf op een positieve manier te omschrijven, waarbij ze nog moeite hebben met het onderscheid tussen het werkelijke zelf en het ideale zelf.

Tijdens de ontwikkeling van de persoonlijke identiteit leren kinderen ook verhalen te vertellen over hun eigen leven. Deze persoonlijke verhalen zijn opgeslagen in het autobiografische geheugen. Volwassenen kunnen kinderen helpen bij het vertellen van deze persoonlijke narratieven, door het kind te stimuleren herinneringen op te halen en deze te interpreteren. Daarbij vormen de ouders niet simpelweg een spiegel, maar oefenen zij ook invloed uit op de manier waarop deze verhalen worden verteld. Wanneer kinderen 4 jaar oud zijn hebben zij doorgaans de narratieve structuren van hun cultuur geïntegreerd in hun vertellingen.

Morele ontwikkeling

Kinderen ontwikkelen opvattingen over goed en kwaad binnen interacties tussen henzelf en belangrijke anderen. Deze morele opvattingen raken diep verankerd in de persoonlijke structuur en worden niet simpelweg van buitenaf opgelegd. Er zijn drie theorieën ontwikkeld over de wijze waarop deze morele opvattingen tot stand komen; de psychodynamische, cognitieve-ontwikkeling en sociale domein theorie.

Psychodynamische theorie

Vanuit de psychodynamische visie worden morele standaarden geïnternaliseerd via een proces van identificatie met de ouder van dezelfde sekse. Daarbij onderscheidde Freud drie mentale structuren:

  1. Het id, dat onbewuste functioneert op basis van het bevredigingsprincipe

  2. Het ego, dat op basis van het realiteitsprincipe bemiddelt tussen het id en de verwachtingen vanuit de sociale omgeving

  3. Het superego, dat het gedrag reguleert in termen van goed en kwaad en daarmee betrokken is bij het morele bewustzijn.

De cognitieve ontwikkelingstheorie

Wanneer jonge kinderen redeneren over morele zaken richten zij zich vaak op de objectieve consequenties van het gedrag, zoals de hoeveelheid schade die het heeft opgeleverd, ook wel bekend als heteronome moraliteit. Deze moraliteit gaat uiteindelijk over in autonome moraliteit, waarbij de morele opvattingen vrij en persoonlijk gekozen worden.

De sociale domein theorie

Binnen de sociale domein theorie worden verschillende soorten ‘goed’ en ‘kwaad’ onderscheiden. De regels die goed of kwaad voorschrijven, vallen onder drie domeinen:

  1. Morele regels, gebaseerd op de wetgeving en het welzijn van anderen, die in elke maatschappij voorkomen

  2. Sociale conventies, gebaseerd op culturele principes over goed en kwaad, die dus sterk variëren tussen culturen

  3. Persoonlijke sfeer, gebaseerd op persoonlijke voorkeuren, die dus sterk variëren tussen individuen

Kinderen van 3 à 4 jaar zijn al in staat deze morele, sociale en persoonlijke regels van elkaar te onderscheiden.

Zelfregulatie

Wanneer kinderen leren te beantwoorden aan de eisen en verwachtingen van de omgeving, zonder dat zij dat zelf willen, spreekt men van zelfregulatie. Primaire vormen van zelfregulatie zijn zichtbaar in slaap-en eetgedrag van baby’s dat in overeenstemming is met volwassen schema’s. Wanneer kinderen ouder worden neemt dit zelfregulerend gedrag toe in complexiteit en verscheidenheid, waarbij kinderen bewust de aandacht kunnen richten op een object, zich ervan kunnen afwenden en hun emoties leren onderdrukken. Deze eigenschappen zijn van groot belang om onafhankelijk te kunnen functioneren in de maatschappij.

Het reguleren van gedrag en gedachten

Het inhiberen of onderbreken van gedrag staat bekend als bewuste controle en is met name lastig voor jongere kinderen. In een experiment met kinderen tussen 2 en 5 jaar gaven moeders hun kinderen de instructie dat zij hun speelgoed, waarmee zij op dat moment speelden, moesten opruimen. Een klein percentage van deze kinderen gaf onmiddellijk gehoor aan deze instructie, ook wel toegewijde gehoorzaamheid, maar het overgrote deel moest daar herhaaldelijk op gewezen worden, ook wel situationele gehoorzaamheid.

Het vermogen van kinderen om gehoor te geven aan dergelijke verzoeken is een indicatie van de mate waarin deze bewuste controle is geïnternaliseerd. Volgens Freud is deze internalisatie het gevolg van een strijd tussen zichzelf en de autoriteit van de ouders, waarbij kinderen altijd verliezen. Vygotsky zag internalisatie als een proces waarbij sociale regulaties worden overgedragen naar het interne psychologische systeem.

Zelfregulatie en spelgedrag

Vygotsky was van mening dat spelgedrag leidt tot zelfregulatie, omdat kinderen leren de objecten waarmee zij spelen te onderscheiden van hun gedachten over deze objecten. Wanneer dit begrip ontstaat, kunnen kinderen objecten op een andere manier gebruiken dan waar zij oorspronkelijk voor bedoeld waren. Een banaan kan dan bijvoorbeeld fungeren als telefoon. Zelfregulatie is vooral belangrijk in denkbeeldig spelgedrag, waaronder sociodramatisch spel, waarbij verschillende sociale rollen worden afgewisseld. Een belangrijk kenmerk van dit type spel is dat kinderen enerzijds hun sociale rollen spelen en anderzijds afstand kunnen nemen van het spel door directies en commentaar te geven op het spelgedrag van de ander. Kinderen die veel sociodramatisch spelgedrag vertonen, laten een aantal maanden later een betere zelfregulatie zien. Dit was met name het geval voor impulsieve kinderen, die het meest baat blijken te hebben bij dit type spelgedrag.

Het reguleren van emoties

In de vroege kindertijd leren kinderen hun emotionele toestand en expressie te reguleren en – indien nodig - deze emoties te maskeren. Kinderen hanteren een aantal strategieën om deze emoties te reguleren. Ze kunnen zich fysiek afwenden van de bron, zichzelf afleiden met plezierige activiteiten of hun cognitieve vaardigheden gebruiken om de situatie positiever te waarderen. Emotionele regulatie is belangrijk voor sociaal gedrag. Wanneer zij zich laten leiden door onze emoties zijn zij minder goed in staat anderen te helpen in stressvolle situaties. Kinderen moeten dus een balans vinden tussen emotionele expressie en regulatie.

Het duurt een aantal jaren voordat kinderen leren hun emoties te reguleren en – eventueel - maskeren. Anderzijds duurt het ook enige tijd voordat kinderen begrijpen dat de emoties die anderen uitdrukken niet noodzakelijkerwijs overeen komen met hun interne beleving. De culturele conventies die voorschrijven in welke situaties het gepast is om emoties te tonen staan bekend als de display rules (vertoningsregels). Meisjes zijn doorgaans beter in het herkennen van gemaskeerde emoties dan jongens. Daarnaast zijn er culturele verschillen in de leeftijd waarop kinderen deze gevoeligheid voor het detecteren van gemaskeerde emoties ontwikkelen. Het vermogen om de eigen emotionele expressie te reguleren en de expressie van anderen te herkennen wordt samengevat in de socioemotionele competentie. Deze competentie verwijst naar het vermogen om zich gepast te gedragen in sociale situaties die een sterke emotionele reactie uitlokken. Kinderen dienen daarvoor niet alleen inzicht te hebben in de eigen emotionele toestand, maar moeten ook hun emotionele expressies kunnen controleren.

Cultuur en emotieregulatie

In de Verenigde Staten wordt veel waarde gehecht aan individualisme en prestatie. Kinderen in de VS worden gestimuleerd om zich emotioneel uit te drukken. Ouders in de VS investeren veel moeite in het verhogen van het zelfvertrouwen bij kinderen en het minimaliseren van schaamte en schuld, door falen toe te schrijven aan de moeilijkheid van de taak. In China wordt echter bescheidenheid gepropageerd en leren kinderen dat hun succes te danken is aan de inzet van anderen. Ook gebruiken Chinese ouders schaamte technieken, waarbij het falen van kinderen wordt toegeschreven aan hun gebrek aan inzet en oefening.

Agressie

Kinderen moeten leren hun agressie te reguleren wanneer zij kwaad worden. Gewelddadige agressie verwijst naar alle vormen van agressie die gericht zijn op het, fysiek of anderzijds, beschadigen van de ander. Instrumentele agressie verwijst naar alle vormen van agressie die worden ingezet om een bepaald doel te bereiken. Agressief gedrag van kinderen kan verschillende vormen aannemen, afhankelijk van hun cognitieve ontwikkelingsfase. Plagen is een subtiele vorm van agressie, waarbij vereist is dat men inzicht heeft in de mentale toestand en wensen van de ander. Bij kinderen komt plagen daarom pas voor vanaf het tweede levensjaar.

Jongens zijn doorgaans agressiever dan meisjes. Tussen de leeftijd van 1 en 3 jaar vindt er ook gender segregatie plaats in agressie, waarbij de agressie van jongens ten opzichte van meisjes afneemt en de agressie ten opzichte van andere jongens toeneemt. Meisjes maken zich vaker schuldig aan relationele agressie, dat gericht is op het beschadigen van vriendschappen of het uitsluiten van een groep.

De oorzaken van agressie

Vanuit een biologische perspectief wordt agressie opgevat als adaptief gedrag. Agressieve individuen zouden een concurrentievoordeel hebben in de toegang tot bronnen die belangrijk zijn voor het overleven en reproduceren. Individuen met agressieve eigenschappen zouden daarmee een grotere kans hebben om hun genen voort te zetten. Er is sprake van een sterke connectie tussen agressie en de formatie van dominante hiërarchieën onder 3- en 4-jarigen. Wanneer kinderen hun positie binnen de groep kennen, richten zij alleen nog hun agressie op groepsleden met dezelfde of een lagere positie binnen de groep.

De tweede verklaring voor agressie verwijst naar de culturele en sociale omgeving waarbinnen kinderen opgroeien. Kinderen zouden agressief gedrag observeren en vervolgens imiteren. Uit onderzoek blijkt ook dat kinderen die opgroeien in gemeenschappen met een gewelddadige reputatie twee keer zo vaak agressief gedrag vertonen als andere kinderen.

Emotionele en cognitieve verklaringen voor agressief gedrag verwijzen naar de wijze waarop kinderen denken en voelen over sociale situaties die agressie uitlokken. Het vermogen om hun gedrag te reguleren hangt voor een groot deel af van de interpretatie die zij geven van sociale situaties en het vermogen om de emoties van anderen in de interactie te begrijpen.

Volgens deze visie zou agressie veroorzaakt worden door het negatieve affect dat ontstaat als reactie op een vervelende situatie, waaronder het falen van een doelstelling, de afkeuring van een ouder of de afwijzing door een leeftijdsgenoot. Deze negatieve emoties leiden tot een vlucht-of-vecht reactie. Woede is daarbij gerelateerd aan vechten en angst is gerelateerd aan vluchten. Deze emoties kunnen beïnvloed worden door cognitieve processen, zoals de anticipatie op de consequenties en gedachten over sociaal acceptabel gedrag. Als gevolg van deze cognitieve processen ontstaan er meer gedifferentieerde emoties op basis waarvan het kind kan besluiten geen agressie te tonen. Uit onderzoek blijkt ook dat kinderen, die een beter begrip hebben van emoties, minder agressief zijn dan andere kinderen.

Kinderen die een essentialistische opvatting hebben ten opzichte van agressie, gaan ervan uit dat agressie een eigenschap is die stabiel is over situaties. Het gevolg is dat zij kortzichtige conclusies trekken over de gewelddadigheid van leeftijdsgenoten en daardoor zelf eerder overgaan tot agressief gedrag.

De opvatting dat agressie op een andere, positieve manier geuit kan worden, waardoor kinderen minder snel tot gewelddadig gedrag overgaan, wordt op grote schaal geaccepteerd. Uit onderzoek komt echter nog geen overtuigend bewijs naar voren.

Prosociaal gedrag

Vrijwillig gedrag in het voordeel van anderen, waaronder delen, helpen en zorgen, wordt prosociaal gedrag genoemd. Prosociaal gedrag kan onderscheiden worden in twee mentale toestanden; empathie en sympathie.

Empathie

Het delen van emoties en gevoelens van anderen wordt empathie genoemd. Hoffman maakte onderscheid tussen vier stadia van empathie. Het eerste stadium wordt in de babytijd doorlopen en betreft globale empathie, waarbij baby’s huilen als reactie op het huilgedrag van anderen. Deze reactie is puur reflexief, omdat baby’s nog geen begrip hebben van de mentale toestand van anderen. In het tweede levensjaar wordt het 2e stadium doorlopen, waarbij sprake is van egocentrische empathie. Kinderen zijn dan in staat te begrijpen dat iemand van streek is, maar hebben nog moeite zich volledig te verplaatsen in de ander. In het derde stadium, dat doorlopen wordt in de vroege kindertijd, zijn kinderen in staat de eigen emotionele behoeften te onderscheiden van de emotionele behoeften van de ander. De reacties van kinderen zijn daarmee minder egocentrisch en meer sensitief. Het vierde stadium wordt doorlopen in de late kindertijd, waarbij kinderen in staat zijn de emotionele reacties van anderen te begrijpen in het licht van hun unieke geschiedenis en eerdere ervaringen.

De theorie van Hoffman is gerelateerd aan de cognitieve theorie van Piaget, waarbij elke stadium van empathie correspondeert met een nieuwe fase binnen de cognitieve ontwikkeling. Zo zou het vermogen tot decentratie bijdragen aan de ontwikkeling van empathie.

Sympathie

Empathie kan resulteren in sympathie of in persoonlijk ongemak. Sympathie betreft gevoelens van medeleven en zorgen over het leed van anderen. Persoonlijk ongemak is een op zichzelf gerichte emotionele reactie op het ongemak van de ander. Sympathie en persoonlijk ongemak hebben verschillende consequenties voor prosociaal gedrag, omdat de eerste reactie gericht is op de ander, terwijl de tweede reactie gericht is op het zelf.

Het vermogen om de eigen emoties te reguleren is een bepalende factor in het type reactie dat kinderen geven op het leed van anderen. Kinderen die laag scoren op emotieregulatie scoren ook laag op sympathie en andersom. Daarnaast bleek het vermogen om de aandacht te richten, ook een kenmerk van zelfregulatie, een rol te spelen in sympathie. Kinderen die goed de aandacht kunnen richten, vertonen doorgaans meer sympathie.

 

Oefenvragen Hoofdstuk 9: De sociale en emotionele ontwikkeling bij jonge kinderen

1. Wat is het doel van socialisatie?

2. Wat is het doel van persoonlijkheidsformatie?

3. Met welke uitdaging worden kinderen in de vroege kindertijd geconfronteerd?

4. Wat is identificatie?

5. Hoe werkt het Oedipus complex? Het Electra complex?

6. Volgens welke theorie is er sprake van differentiële bekrachtiging?

7. Welke drie stadia noemde Kohlberg voor genderrol-ontwikkeling?

8. Wat voor soort informatie bevatten gender schema’s?

9. Welke vier categorieën kent etnische socialisatie?

10. Wat is het verschil tussen het ik-zelf en het mij-zelf?

11. Wat is autobiografisch geheugen?

12. Hoe verloopt volgens Freud de morele ontwikkeling?

13. Volgens de sociale theorie vallen regels over goed en kwaad onder drie domeinen. Welke drie domeinen zijn dit?

14. Hoe wordt het inhiberen of onderbreken van gedrag genoemd?

15. Welke belangrijke factor wees Vygotsky aan als belangrijk voor de ontwikkeling van zelfregulatie?

16. Wat zijn display rules?

17. Wat is socioemotionele competentie?

18. Wat is het verschil tussen gewelddadige, relationele en instrumentele agressie?

19. Noem twee mogelijke oorzaken van agressie.

20. Uit welke twee mentale toestanden bestaat prosociaal gedrag?

21. Scoren kinderen die laag op emotieregulatie scoren hoog of laag op sympathie?

 

 

Ontwikkelingscontext (10)

 

Inleiding

De eerste en grootste invloed op de ontwikkeling van het kind betreft de familie. Via tradities, routines, verhalen en culturele symbolen wordt het gedrag van kinderen vorm gegeven. Families verschillen van elkaar in de wijze waarop zij de ontwikkeling van het kind beïnvloeden. De familiestructuur verwijst naar de sociale organisatie van een familie, waarbij er grofweg twee structuren onderscheiden worden. De eerste structuur betreft het kerngezin, bestaande uit een of twee ouders en hun kinderen. De tweede structuur is de uitgebreide familie, waarbij niet alleen de ouders en kinderen, maar ook tweede of derdegraads familieleden onder 1 dak wonen.

Het kerngezin is een relatief private structuur die uniek is voor de moderne maatschappij, als gevolg van de industriële revolutie waarin gezinnen naar de stad trokken vanwege economische redenen. De geïsoleerde structuur van de nucleaire familie vereist meer intieme relaties tussen de ouders en kinderen dan uitgebreide families, met gevolgen voor de ontwikkeling van kinderen. In uitgebreide families worden kinderen geconfronteerd met een grotere variatie aan sociale rollen.

Hoewel het kerngezin kenmerkend is voor het Westen, komen uitgebreide families nog regelmatig voor. Vanwege economische redenen, alleenstaand ouderschap of culturele tradities kan voor deze uitgebreide gezinssamenstelling worden gekozen. Met name kinderen die in relatieve armoede opgroeien profiteren van de stress-reducerende bronnen van de uitgebreide familie, zoals voedsel, inkomen, oppas, hulp in het huishouden en emotionele steun. Wanneer niet de ouders, maar andere leden van de familie, de zorg en bescherming van kinderen op zich nemen, wordt er gesproken van allocaregiving.

Deze gedeelde zorg biedt evolutionaire voordelen. Zo blijkt dat kinderen in gezinnen, waarin de eerstgeborene een dochter is, een grotere kans hebben op overleven, vanwege haar bijdrage aan de zorg voor andere gezinsleden. In het dierenrijk wordt deze gedeelde zorg coöperatief opvoeden genoemd. De effecten van gedeelde zorg geven inzicht in de reden waarom menselijke kinderen relatief lang nodig hebben om op eigen benen te kunnen staan. Een verlengde kindertijd, die mogelijk gemaakt wordt door de uitgebreide familie, geeft de hersenen de mogelijkheid te rijpen tot een groot en complex orgaan. De fenotypische grote hersenen en de goede cognitieve, sociale en talige vaardigheden die daaruit voortkomen, hadden evolutionaire en daarmee productieve voordelen. Kinderen die in uitgebreide families opgroeiden hadden dus een grotere kans op deze verlengde kindertijd en als gevolg een groter en complexer brein.

Opvoedpraktijken

Ouders over de hele wereld hebben drie verschillende doelstellingen in het grootbrengen van hun kinderen, die hiërarchisch zijn geordend (van hoog naar laag):

  1. Het overlevingsdoel: het overleven van kinderen, door zorg en gezondheid te bieden

  2. Het economische doel: het aanleren van vaardigheden om financiële zekerheid te verwerven

  3. Het culturele doel: het overdragen van de culturele waarden van de groep

De doelstelling van ouders is afhankelijk van de context waarin het kind opgroeit. In een fysiek gevaarlijke omgeving wordt de nadruk gelegd op het overlevingsdoel en besteden zij relatief weinig aandacht aan de emotionele en gedragsmatige ontwikkeling. In economisch welgestelde families ligt de nadruk sterker op het culturele doel.

No-nonsense ouderschap refereert aan een combinatie van ouderlijke controle, waaronder fysieke opvoedtechnieken, en warme affectie. Deze opvoedstijl komt vaker voor bij vrouwen die in een stad wonen en beter opgeleid zijn.

Diana Baumrind maakte onderscheid tussen drie opvoedpatronen:

  1. Het autoritatieve opvoedpatroon, waarbij hoge eisen gesteld worden aan het gedrag van kinderen, maar tegelijkertijd herkend wordt dat kinderen behoeften en rechten hebben. Ouders die deze opvoedingsstijl hanteren, zijn warm en responsief naar hun kinderen en zullen niet snel overgaan tot fysiek straffen. Het bijsturen van kinderen verloopt via redeneringen en uitleg van de regels. Dergelijke kinderen vertonen meer zelfcontrole en zijn nieuwsgieriger naar hun omgeving.

  2. Het autoritaire opvoedpatroon, waarbij de nadruk sterk ligt op het controleren en vormen van het gedrag en veel waarde wordt gehecht aan gehoorzaamheid. In deze opvoedstijl ontbreekt het aan warmte en responsiviteit. Dergelijke kinderen vertonen een gebrek aan sociale competentie, spontaniteit en intellectuele nieuwsgierigheid.

  3. Het permissieve opvoedpatroon, waarbij de nadruk minder sterk ligt op het controleren van gedrag en ouders van opvatting zijn dat kinderen moeten leren van hun eigen ervaringen. Hoewel deze ouders warm zijn, verwachten zij weinig prestatie van hun kinderen. Het gevolg is dat dergelijke kinderen relatief onvolwassen zijn.

Deze opvoedpatronen zijn niet altijd stabiel over de tijd. Bovendien kunnen verschillende kinderen binnen hetzelfde gezin, aan verschillende opvoedpatronen worden blootgesteld.

Cultuur speelt een belangrijke rol in de opvoedingspraktijken van ouders. Zo blijken Indiase moeders sterk de nadruk te leggen op zelfcontrole en de sociale consequenties van gedrag. Duitse moeders leggen echter de nadruk op zelfvertrouwen en persoonlijke behoeften.

Broers en zussen

Broers en zussen hebben een sterke socialiserende invloed op de ontwikkeling van het kind, waarbij gedrag en opvattingen van de sociale groep worden doorgegeven. De relaties die kinderen hebben met broers en zussen zijn vaak ambivalent. Enerzijds is deze relatie liefdevol en ondersteunend en anderzijds is deze vijandig en competitief. Kinderen leren in deze relaties over thema’s als delen en vertrouwen, maar ook over conflicten en onderhandelen. De mate waarin de relaties met broers en zussen wordt gekenmerkt door intimiteit en conflict is afhankelijk van zowel leeftijd als sekse. Zusjes vertonen meer onderlinge intimiteit dan broertjes. Daarnaast blijft de intimiteit tussen broers en zussen van dezelfde sekse stabieler in de late kindertijd, dan tussen broers en zussen met verschillende seksen.

Een bepalende factor voor de kwaliteit van de relatie tussen broers en zussen is het emotionele klimaat binnen het gezin, waarbij ruzies, scheidingen en de aanwezigheid van een stiefvader voorspellend zijn voor meer conflicten. Daarnaast wordt de intimiteit tussen broers en zussen bepaald door de mentale gezondheid van de kinderen. Wanneer kinderen getraumatiseerd zijn door het zien van geweld, vertonen zij meer rivaliteit met hun broers en zussen. Deze rivaliteit om de aandacht van de ouders zou kinderen dan evolutionaire voordelen bieden. Hoge niveaus van intimiteit zijn echter ook geassocieerd met een verminderde kans op depressie en psychologisch lijden. Daarnaast kan de relatie met broers en zussen cognitieve voordelen bieden bij het oplossen van moeilijke taken. Deze relatie draagt daarmee bij aan de, in hoofdstuk 1 beschreven, zone van de proximale ontwikkeling, waarbij kinderen meer leren met behulp van anderen dan dat zij onafhankelijk zouden leren.

Diversiteit in families

Een veelvoorkomende methode om diversiteit tussen families te onderzoeken is het kijken naar verschillen in opvoedpatronen. De opvoedpatronen die zijn beschreven door Baumrind, kunnen echter niet gegeneraliseerd worden naar andere etniciteiten, vanwege verschillen in terminologie. De term ‘autoritair’ wordt in het Westen geassocieerd met vijandigheid, dominantie en wantrouwen, terwijl dezelfde term in China wordt geassocieerd met het begrip ‘training’.

Immigranten hechten meer waarde aan een goede opleiding dan autochtonen. Dit verschil is wellicht het gevolg van de economische beperking waaronder immigranten gebukt gaan en de wens om het nageslacht een betere toekomst te bieden. In de praktijk blijken kinderen van immigranten echter minder goed te presteren op school. De blootstelling aan racisme en de slechte invloed van leeftijdsgenoten spelen daar een rol in.

Het opgroeien in een eenoudergezin wordt geassocieerd met verschillende gedragsmatige, sociale en academische problemen. Dit is het gevolg van verminderd toezicht en contact met de ouders, evenals financiële beperkingen en de traumatische effecten van een scheiding. Grootschalige bevolkingsstudies geven inzicht in de samenstelling van huishoudens, maar onthullen weinig over de dynamiek, communicatie en opvoedstijlen binnen deze gezinnen. Daarnaast is het de vraag of de resultaten uit deze bevolkingsstudies ook op etnische-minderheidsgroepen van toepassing zijn. In studies naar etnische minderheden werden geen verschillen gevonden tussen kinderen uit een- en tweeoudergezinnen, terwijl dat in studies naar autochtonen wel het geval was. Wellicht ligt er een minder groot stigma op het eenouderschap in minderheidsculturen of is het eenouderschap vaker een bewuste keuze, waardoor kinderen niet blootgesteld worden aan de negatieve effecten van een scheiding.

Onderzoek naar homoseksuele gezinnen kent een aantal beperkingen. Allereerst ervaren homoseksuele ouders vaak weerstand om over hun seksuele geaardheid te spreken. Daarnaast is een weinig betrouwbare demografische informatie beschikbaar over dergelijke gezinnen. In een aantal studies waarin kinderen van homoseksuele ouders werden vergeleken met kinderen van heteroseksuele ouders werden geen verschillen gevonden tussen kinderen. Kinderen van homoseksuele ouders worden echter wel vaker gepest, met negatieve gevolgen voor de ontwikkeling. Ook bleken deze kinderen meer seksueel te experimenteren met dezelfde sekse en hadden zij vaker zelf een homoseksuele identiteit, dan kinderen van heteroseksuele ouders.

Benadeelde families

Families die voor aanzienlijke sociale, economische of psychologische uitdagingen staan worden benadeelde families genoemd. Er is sprake van een relatie tussen de welvaart van een gezin en het welzijn van het kind. Armoede heeft effect op alle aspecten van het gezinsleven, waaronder de kwaliteit van het huishouden, de gezondheid, opleiding en zelfs de veiligheid van de gezinsleden. Omdat de sociaaleconomische status (SES) van het gezin een goede indicatie is van de intellectuele vaardigheden van kinderen en succes op school een economische voorspeller is voor de toekomst, leidt armoede tot een neerwaartse spiraal. Armoede heeft ook negatieve gevolgen voor de mentale en fysieke gezondheid van kinderen. Daarnaast heeft armoede effect op het opvoedingspatroon dat ouders hanteren, dat doorgaans meer autoritair is vanwege de gevaarlijke omstandigheden waar kinderen in opgroeien. Bovendien brengt armoede stress met zich mee, waardoor ouders sneller depressieve klachten en een laag zelfbeeld ontwikkelen.

Tienermoeders hebben minder kennis over de ontwikkeling van kinderen, een lager zelfbeeld en staan minder positief tegenover het ouderschap. Daarnaast zijn ze doorgaans agressiever en beschikken ze over minder zelfcontrole en intellectuele capaciteiten, dan oudere moeders. Er zijn twee factoren van het tienermoederschap die een negatief effect hebben op de ontwikkeling van kinderen. Allereerst zijn tienermoeders minder goed voorbereid en onverschilliger ten opzichte van het moederschap en daarnaast beschikken zij over minder financiële bronnen. Kinderen die echter wel een succesvolle ontwikkeling doormaakten hadden tienermoeders die relatief goed opgeleid waren, in betere buurten woonden, meer betrokken waren bij het moederschap en de zorg deelden met een man.

Onderzoek naar de incidentie van kindermishandeling kent een aantal beperkingen. Allereerst wordt mishandeling niet in elke cultuur op dezelfde manier gedefinieerd, met uitzondering van ernstig fysiek en seksueel misbruik. Daarnaast is de grens tussen mishandeling en ‘acceptabele’ fysieke straf niet altijd even duidelijk.

Enkele belangrijke risicofactoren van mishandeling zijn stress binnen het gezinsleven, evenals een laag opleidingsniveau, het gebruik van drugs en alcohol en een gebrek aan financiële steun vanuit de vader. Een aantal karakteristieken van het kind verhogen de kans op mishandeling

  1. Leeftijd: kinderen onder de leeftijd van 3 jaar worden vaker mishandeld

  2. Sekse: meisjes worden vaker mishandeld

  3. Etniciteit: Amerikaanse en Afro-Amerikaanse kinderen worden vaker mishandeld dan Europese kinderen

Het overgrote deel van kindermishandeling begint met het fysiek straffen van kinderen in het kader van disciplineren, waarbij kinderen uiteindelijk fysiek letsel oplopen. Factoren die kinderen beschermen tegen langdurige consequenties zijn een stabiel onderkomen, goed contact met tenminste 1 ouder, positieve schoolervaringen en extra-curriculaire activiteiten.

Ook rijkdom kan nadelige gevolgen hebben voor de ontwikkeling van kinderen, met depressies en middelenmisbruik tot gevolg. In welgestelde families ligt de nadruk vaak sterk op de prestatie van kinderen en is er vaker sprake van een emotionele afstand tussen moeder en kind. Als reactie op het overvolle schema van deze kinderen, kunnen zij hun uitvlucht zoeken in het gebruik van verdovende middelen.

Niet-ouderlijke zorg

Er zijn verschillende vormen van niet-ouderlijke zorg, waarbij de zorg van kinderen tijdelijk wordt overdragen aan anderen. Allereerst is er zorg aan huis, waarbij een grootmoeder of ander familielid de zorg van het kind overneemt in diens natuurlijke leefomgeving, terwijl de ouders buitenshuis werken. Bij zorg aan huis ervaart het kind de minste veranderingen in de dagelijkse routine. Ook is er sprake van gastouderschap, waarbij kinderen tijdelijk worden opgevangen in het huishouden van een andere familie. Kinderen bevinden zich daarbij wel in een vreemde omgeving, doorgaans in het gezelschap van andere kinderen. De dagelijkse routine komt wel enigszins overeen met de routine van het ouderlijk huis. In kinderopvangcentra wordt de zorg voor kinderen opgevangen door professionals, in speciaal daarvoor ingerichte ruimtes. Deze kinderopvangcentra variëren sterk in kwaliteit en het pedagogisch klimaat dat zij nastreven.

De effecten van niet-ouderlijke zorg op de ontwikkeling van het kind hangen grotendeels af van de kwaliteit van de zorg. In kinderopvangcentra lopen kinderen een grotere kans op luchtweginfecties, darminfecties en oorinfecties. Ook worden kinderen aan meer stress blootgesteld wanneer zij zorg buitenshuis ontvangen. De intellectuele ontwikkeling van kinderen die kwalitatief hoge, niet-ouderlijke zorg krijgen verschilt niet van de intellectuele ontwikkeling van kinderen die thuis opgroeien. Kinderen met een lage SES profiteren zelfs meer van hoge kwaliteitszorg buitenshuis, dan zorg binnenshuis. Belangrijke elementen in de kwaliteit van de zorg zijn de kind-leidster ratio, ook wel het aantal kinderen per peuterleidster, en de hoeveelheid training die de peuterleidsters hebben gekregen.

Kinderen die naar de kinderopvang gaan zijn doorgaans meer zelfstandig, kunnen zich beter uitdrukken, hebben meer kennis over de sociale wereld en voelen zich comfortabeler in nieuwe situaties. Tegelijkertijd zijn zij gemiddeld minder beleefd, gehoorzaam en inschikkelijk jegens volwassenen en vaker agressief. Deze negatieve gedragseffecten zijn echter vrij mild en hangen grotendeels af van de sensitiviteit van de moeder en de SES van de familie. Het leven thuis is daarnaast ook grotendeels bepalend voor de mate waarin kinderen zich aanpassen in kinderopvangcentra. Wanneer kinderen thuis veel liefde en zorg krijgen, passen zij zich doorgaans makkelijker aan. Ook de kwaliteit van de zorg in kinderopvangcentra is een bepalende factor voor het aanpassingsvermogen.

De buurt en gemeenschap

Het microsysteem van kinderen, waaronder zorg binnen- en buitenshuis, wordt ook beïnvloed door andere systemen, waaronder de lokale politiek, de massa media (exosysteem) en de opvattingen en waarden van de cultuur (macrosysteem). Sociaal kapitaal verwijst naar alle toegankelijke bronnen binnen een gemeenschap, evenals de verwachtingen voor gedrag en het niveau van vertrouwen en samenwerking tussen de leden van deze gemeenschap.

Kinderen die opgroeien in armoede leven meestal in achterstandswijken, die op zichzelf een risico vormen vanwege slechte faciliteiten en een gebrek aan speelruimte. Kinderen met een lage SES hebben een groter risico op het ontwikkelen van emotionele en academische en gezondheidsproblemen. Een probleem dat geassocieerd is met het opgroeien in dergelijke omstandigheden is de neighborhood physical disorder, waarbij sprake is van fysiek verval van de buurt - zoals gebroken ramen, afval en graffiti - en van chaotische activiteiten, zoals druk straatverkeer en harde omgevingsgeluiden. Een ander probleem dat geassocieerd is met het opgroeien in achterstandswijken is de sociale desorganisatie van de buurt, waarbij er weinig sociale cohesie heerst, de criminaliteitscijfers hoog zijn en racisme relatief vaak voorkomt.

De media

De term media refereert aan alle vormen van massa communicatie, waaronder kranten, boeken, tijdschriften, radio, televisie, films, video games en internet. Kinderen maken relatief veel gebruik van deze media, met name tussen de leeftijd van 11 en 14 jaar, waarbij het mediagebruik oploopt naar gemiddeld 8.5 uur per dag. Onderzoek naar het effect van dit mediagebruik op de ontwikkeling richt zich op twee kenmerken van media:

  1. De fysieke vorm van media, waarbij de focus ligt op het vermogen van kinderen om onderscheid te maken tussen realiteit en fictie.

  2. De inhoud van media, waarbij de focus ligt op de mate waarin media-inhoud de opvattingen en het gedrag van kinderen beïnvloeden.

Geprinte media

Kinderen worden relatief weinig blootgesteld aan geprinte media, zoals boeken, kranten en tijdschriften. Literatuur zou echter een belangrijke bijdrage leveren aan de intellectuele ontwikkeling van kinderen en diens prestaties op school bij vakken als taal, lezen en schrijven. Daarnaast zou literatuur gunstig zijn voor de emotionele ontwikkeling en zou er een therapeutische werking van uitgaan.

Televisie

Kinderen vinden het lastig onderscheid te maken tussen fictie en realiteit. Wanneer kinderen televisie kijken, leggen zij geen associaties tussen verschillende scenes, waardoor ze vaak moeite hebben het overkoepelende moraal van het verhaal te begrijpen. Ook de gewelddadige inhoud van televisieprogramma’s zijn reden tot zorg. Kinderen die veel programma’s kijken waarin fictioneel geweld voorkomt, kunnen minder goed moreel redeneren en vinden geweld vaker acceptabel. Dit is niet vreemd gezien het feit dat de karakters in tekenfilms, waar kinderen zich mee identificeren, vaak ongestraft wegkomen met het gebruik van geweld en er weinig aandacht is voor de consequenties. Gewelddadige programma’s hebben echter een andere invloed op jongens dan op meisjes. Dergelijke programma’s leiden tot meer fysieke, verbale en relationele agressie bij jongens, terwijl meisjes alleen meer verbale agressie laten zien. Wel vertonen kinderen, die veel naar educatieve programma’s kijken, meer prosociaal gedrag dan andere kinderen.

Een andere bron van kritiek op het kijkgedrag van kinderen zijn de sociale stereotypes die binnen dergelijke programma’s worden overgedragen. Enerzijds zijn dit gender-gerelateerde stereotypes, waarbij mannen voornamelijk als groot, sterk en machtig worden afgeschilderd en vrouwen een ondergeschikte rol spelen. Anderzijds zijn dit etnische stereotypes, waarbij etnische minderheden nauwelijks vertegenwoordigd zijn en - als dat toch het geval is - immoreel gedrag vertonen.

Interactieve media

Computerspellen vereisen een aantal cognitieve vaardigheden, waaronder gedeelde aandacht, ruimtelijk inzicht en representatie. Het onderscheid tussen realiteit en fictie speelt ook bij computerspellen een grote rol. De grootste zorgen omtrent deze interactieve media verwijzen naar de manier waarop deze media het real-life contact met leeftijdsgenoten in de weg staan. Uit onderzoek komen echter geen eenduidige conclusies naar voren. Het gebruik van internet als communicatiemiddel hangt zelfs samen met een groter aantal, kwalitatief sterke vriendschappen. Dit is wellicht het resultaat van de relatief grote self-disclosure van kinderen op het internet, waarbij ze informatie over hun interne wereld kenbaar maken aan de buitenwereld. De nieuwe media zijn ook van invloed op de relatie tussen ouder en kind, omdat kinderen doorgaans beter begrip hebben van deze media dan hun ouders, waardoor er minder kennisuitwisseling plaatsvindt.

Gewelddadige computerspellen worden geassocieerd met een toename in agressie en antisociaal gedrag. Deze associatie is in de afgelopen jaren steeds sterker geworden, vanwege het groter aantal grafisch realistische computerspellen. Dergelijke spellen beïnvloeden de opvattingen van kinderen over criminaliteit en maken hen ongevoelig voor het zien van geweld. Interactieve media spelen een grotere rol in dit proces dan de televisie, omdat kinderen in computerspellen actief gewelddadige keuzes maken en daar vervolgens voor beloond worden. Desondanks zijn er individuele verschillen in de mate waarin kinderen beïnvloed worden door dergelijke media.

Risico’s en veerkracht

De preventie wetenschap onderzoekt welke sociale en biologische processen een gezonde ontwikkeling in de weg staan. Daarbij ligt de focus op het achterhalen van risicofactoren, waarmee verwezen wordt naar persoonlijke en omgevingsfactoren die de kans op een negatieve uitkomst vergroten. Risicofactoren zijn geen directe oorzaak van problemen, omdat zij niet altijd tot een negatieve uitkomst leiden. Vaak is er sprake van een samenspel tussen biologische, sociale en omgevingsfactoren. Veerkracht verwijst naar het vermogen om, ondanks aversieve levenservaringen, tot een psychologisch gezonde uitkomst te komen. Veerkracht is daarmee een beschermende factor. In publieke beleidsprogramma’s wordt het welzijn van kinderen en families gepropageerd, door informatie te verstrekken over – onder andere - gezonde voeding en educatie.

 

Oefenvragen Hoofdstuk 10: Ontwikkelingscontext

1. Welke twee familiestructuren worden genoemd in het boek?

2. Wat is allocaregiving?

3. Welke drie doelstellingen hebben ouders in het grootbrengen van hun kinderen?

4. Welke drie opvoedingspatronen onderscheid Baumrind?

5. Op welke manier hebben broers en zussen een invloed op de ontwikkeling van het kind?

6. Waar hechten immigranten meer waarde aan dan autochtonen?

7. Waar wordt het opgroeien in een eenoudergezin mee geassocieerd?

8. Welke beperkingen kent onderzoek naar homoseksuele gezinnen?

9. Wat zijn benadeelde families?

10. Noem drie risicofactoren voor kindermishandeling.

11. Noem drie vormen van niet-ouderlijke zorg.

12. Wat is sociaal kapitaal?

13. Wat is sociale desorganisatie?

14. Op welke twee kenmerken van media richt onderzoek naar mediagebruik zich?

15. Wat is veerkracht

 

 

De fysieke en cognitieve ontwikkeling in de midden kindertijd (11)

 

De midden kindertijd

Wanneer kinderen de leeftijd van vijf tot zeven jaar bereiken, hoeven ze niet altijd meer zorgvuldig door volwassenen in de gaten te worden gehouden. De kinderen leren zichzelf te gedragen en verantwoording te nemen voor hun gedrag. Deze verschuiving is van belang voor de ontwikkeling. Kinderen leren zo wat het betekent verantwoordelijkheid te nemen en sociale relaties te ontwikkelen. Ook ontwikkelen ze een moreel besef en een persoonlijke identiteit.

Gedurende de midden kindertijd zijn kinderen steeds meer in staat om diep en logisch na te denken. Ze leren ook steeds beter een taak af te maken en daarnaast kunnen ze meerdere aspecten van een bepaalde situatie verwerken.

Onderzoek wijst uit dat de verwachtingen van volwassenen veranderen wanneer een kind de leeftijd van zes tot zeven jaar bereikt. Dit is niet cultuurspecifiek.

De fysieke en motorische ontwikkeling

Oudere kinderen kunnen meer zelf doen omdat ze groter en sterker zijn. Daarnaast worden kinderen naarmate ze ouder worden steeds geduldiger. De veranderingen in grootte en kracht zijn significant in de midden kindertijd, maar de veranderingen zijn niet zo groot als eerder in de ontwikkeling. Er zijn duidelijke verbeteringen in de motorische ontwikkeling te zien doordat kinderen vaardigheden zoals rennen en gooien steeds verder perfectioneren.

Groeipatronen. De groei van kinderen in de midden kindertijd hangt af van zowel genetische als omgevingsfactoren. De lengte heeft een sterke genetische component: lange ouders krijgen lange kinderen. Groeipatronen van monozygotische tweelingen zijn nagenoeg gelijk. Toch speelt ook de omgeving hier een belangrijke rol: zo kan een kind bijvoorbeeld vanwege ziekte of een slechte omgeving achterblijven in de lengtegroei. Een andere belangrijke omgevingsfactor wat betreft de lengtegroei is voeding. Kinderen die minder voedzame en minder gezonde voeding krijgen, blijven achter in de lengtegroei (in vergelijking met kinderen die voedzame en gezonde voeding krijgen). Zoals gezegd werkt ziekte, zelfs wanneer de ziekte niet zo heftig is, afremmend op de lengtegroei. Bij een goede voeding maakt het kind na de ziekte meestal een inhaalgroei. Dit gebeurt niet bij inadequate voeding.

Lichaamsgewicht wordt ook door zowel genetische als omgevingsfactoren beïnvloed. Een belangrijke lange termijn omgevingsfactor is het aantal calorieën dat een kind op een dag consumeert. Bij het consumeren van slechts 50 extra calorieën per dag kan een kind op jaarbasis bijna 2,5 kilo aankomen. Het is dus niet vreemd dat obesitas een steeds groter probleem wordt: voedzaam en gezond eten wordt steeds vaker vervangen door minder voedzaam en ongezonder eten. Om deze reden is er steeds meer onderzoek naar obesitas onder kinderen.

Obesitas wordt gemeten met behulp van de Body Mass Index (BMI). Wanneer je BMI boven het 95e percentiel voor je leeftijd en geslacht komt, spreek je van obesitas. Een BMI tussen het 85e en 95e profiel wordt als ‘overgewicht’ geclassificeerd. Onderzoek (Amerika) wijst uit dat van de kinderen tussen de twee en negentien jaar, bijna zeventien procent kan worden geclassificeerd als obees. Daarnaast kan meer dan dertig procent van de kinderen worden geclassificeerd met overgewicht.

Verschillende factoren dragen bij aan overgewicht of obesitas:

  • lichaamscelkarakteristieken

  • kindkarakteristieken

  • gezinskarakteristieken

  • omgevingskarakteristieken

  • landskarakteristieken

  • cultuurkarakteristieken

In het Engels zijn deze te beschrijven als de zes C’s: cell, child, clan, community, country en culture.

Veel interventies focussen zich maar op één van de zes bovenstaande factoren (single level interventie), waardoor interventies geen of minder succes hebben. In een ideale interventie zouden de zes C’s tegelijk worden aangepakt. Dit wordt ook een multilevel interventie genoemd.

Motorische ontwikkeling. Kinderen worden door de jaren heen sterker, behendiger en daarnaast verbetert hun balans steeds verder. Toch wijst onderzoek uit dat ongeveer tien procent van de negenjarigen vaardigheden zoals schoppen en gooien niet beheerst (of leert beheersen).

Er zijn geslachtsverschillen in fysieke vaardigheden waar te nemen. Jongens (vijf jaar) kunnen bijvoorbeeld gemiddeld verder springen, sneller rennen en verder gooien dan meisjes. Meisjes zijn echter behendiger dan jongens. Hoe ouder kinderen worden, hoe duidelijker de geslachtsverschillen zijn. Jongens hebben betere motorische vaardigheden waar kracht voor nodig is, terwijl meisjes vaak beter zijn in taken die een beroep doen op de fijne motoriek of op de grove motoriek wat betreft balans en voetenwerk.

Tot halverwege het tiende levensjaar hebben jongens een klein beetje meer spiermassa en lengte dan meisjes, hierna komen meisjes in een groeispurt en gaan ze de jongens voorbij. De verschillen zijn echter niet groot genoeg om te kunnen zeggen dat jongens in de midden kindertijd van meisjes verschillen.

De verschillen in wat jongens en meisjes kunnen, worden versterkt door de cultuur waarin de kinderen opgroeien. Sommige culturen hechten er bijvoorbeeld veel waarde aan dat een jongen goed kan basketballen, waardoor er meer aandacht wordt besteed aan de ontwikkeling van gooien. Er lijkt een trend te zijn die zegt dat kinderen die sporten hiervan profiteren wat betreft de ontwikkeling van hun motorische vaardigheden. Kinderen die sporten hebben, in vergelijking met kinderen die niet sporten:

  • meer vrienden die een positieve invloed hebben

  • minder vrienden die een negatieve invloed hebben

  • een hogere zelfwaardering

  • een groter gevoel van ‘erbij horen’ op school

  • lagere niveaus van depressie

Voor het ontwikkelen van de motorische vaardigheden is oefenen, oefenen, oefenen heel belangrijk.

Hersenontwikkeling. Voornamelijk in de eerste jaren van de midden kindertijd (zesde tot achtste levensjaar) is er sprake van een continue groei van de hersenen en van het ontwikkelen van specifieke hersenfuncties die zorgen voor veranderingen in de cognitieve vaardigheden:

  • Myelinisatie. De myelinisatie, voornamelijk in de frontaalkwab, gaat door (zelfs tot in de volwassenheid).

  • Snoeien van synapsen (pruning). Ongebruikte synapsen gaan dood. Dit proces houdt aan voor de later ontwikkelde hersengebieden. Daarnaast worden de connecties tussen gebruikte synapsen sterker en stabieler.

  • Hersenactiviteit verandert. Tot het vijfde levensjaar laat een EEG meer thèta dan alpha activiteit zien. Tussen het vijfde en zevende levensjaar is de thèta en alpha activiteit ongeveer gelijk, daarna is er sprake van meer alpha activiteit.

  • Coherentie van hersenactiviteit. Er is sprake van een verbeterde synchronisatie van de elektrische hersenactiviteit tussen de verschillende hersengebieden. Het brein functioneert steeds meer als een gecoördineerd systeem.

Deze processen spelen een belangrijke rol in de aanname dat het volwassen worden van het brein (maturatie) een belangrijke rol speelt bij de ontwikkeling van denken in de midden kindertijd. Hierdoor kunnen kinderen steeds complexere hersenprocessen aan, zoals aandachtscontrole, oplossen van complexe problemen en zelfreflectie. Dit zijn vaardigheden die specifiek te maken hebben met de rijping van de frontaalkwab.

Onderzoek toont aan dat de score op een intelligentietest correleert met een ontwikkelingspatroon van corticaal verdikken en verdunnen in de midden kindertijd. Kinderen met een hoge intelligentie hebben een dunnere hersenschors op het zevende levensjaar, waarna de hersenschors duidelijk dikker wordt met een piek rond het elfde levensjaar. Hierna neemt de dikte van de hersenschors snel weer af. Kinderen met een gemiddelde intelligentie hebben een gelijkmatige vermindering van dikte van de hersenschors vanaf het zevende levensjaar. Verdikking van de hersenschors ontstaat door proliferatie van hersencellen en synapsen en/of door myeline. Verdunning van de hersenschors ontstaat wanneer ongebruikte synapsen worden weggesnoeid (pruning).

Concreet-operationele ontwikkeling

Voor de midden kindertijd bevinden kinderen zich in het preoperationele stadium (Piaget) van denken. Ze zijn gevoelig voor centratie: ze kunnen mentaal opgaan in één enkel detail of object. Dit interfereert met mentale operaties/acties waarbij informatie wordt samengevoegd, gescheiden en omgevormd op een logische manier. Vanaf het zevende tot achtste levensjaar zijn kinderen steeds beter in staat om verschillende aspecten van een situatie als geheel te beschouwen, waardoor er complexere probleemoplossing kan plaatsvinden. Dit wordt door Piaget het concreet operationele stadium genoemd. De verschillende ontwikkelingsstadia die Piaget onderscheidt staan beschreven in tabel 11.1 (pagina 402).

Voor kinderen wordt de fysieke wereld steeds meer voorspelbaar omdat zij leren dat verschillende fysieke aspecten van objecten hetzelfde blijven, zelfs wanneer dat object er anders uitziet. Kinderen worden ook steeds meer georganiseerd en flexibel, waardoor ze steeds meer en betere probleemoplossingsstrategieën gebruiken.

Conservatie. Het weten dat fysieke aspecten van een object hetzelfde blijven, ook wanneer dat object er anders uitzien, wordt door Piaget omschreven als conservatie. Conservatie van getal betekent dat kinderen het begrip krijgen dat, wanneer een rij objecten in elkaar wordt geschoven of juist uit elkaar wordt getrokken, het aantal objecten niet verandert:

Rij 1: x x x x x x x x

Rij 2: x x x x x x x x

Een jong kind (onder de zes tot zeven jaar) zou zeggen dat de tweede rij meer objecten (x-en) bevat dan de eerste rij. Een kind dat wel conservatie van getal heeft, weet dat beide rijen evenveel objecten bevatten.

Conservatie van inhoud wil zeggen dat de hoeveelheid vloeistof niet verandert wanneer het bijvoorbeeld vanuit een lang smal glas in een kort breed glas wordt gegoten. De hoeveelheid ziet er anders uit, maar de hoeveelheid blijft (logischerwijs) gelijk. Kinderen tot een jaar of vier denken dat de hoeveelheid verandert bij het overgieten; het lange glas is het grootst, dus daar zit het meeste in. Rond het vijfde of zesde levensjaar komt langzaam het besef dat de inhoud gelijk blijft. Rond het achtste levensjaar hebben (de meeste) kinderen conservatie van inhoud.

Classificatie. Een belangrijke verandering in de concreet-operationele ontwikkeling is dat kinderen de hiërarchische structuur van categorieën leren begrijpen. Ze leren de relatie tussen een hoofdklasse en subklassen. Het begrip hiervan wordt in de midden kindertijd stabiel. Iets dat nog wel lastig is in de midden kindertijd, is om objecten te categoriseren aan de hand van meerdere criteria.

Plannen. Vanaf de midden kindertijd leren kinderen plannen. Hiervoor maken kinderen geen of nauwelijks gebruik van plannen om hun doel te bereiken. Om te plannen, moet je:

  1. in gedachten houden wat er nu gebeurt;

  2. in gedachten houden wat je wilt dat er gebeurt en

  3. weten wat je moet doen om van het huidige in de toekomst te komen (om je plannen dus te verwezenlijken).

Daarnaast moet een kind voldoende zelfcontrole hebben om de aandacht op het doel gericht te houden.

Voor redeneertaken heb je ook planningsvermogen nodig. Omdat plannen in de midden kindertijd steeds beter wordt beheerst, zijn in deze periode spelletjes die te maken hebben met logica, zoals schaken en mastermind, erg populair. Planningsvermogen kun je bijvoorbeeld meten met de Tower of Hanoi.

Metacognitie. Het kunnen denken over en het reguleren van je eigen gedachten wordt metacognitie genoemd. Wanneer een kind metacognitie beheerst, kan het kind lastige problemen oplossen, omdat het kind flexibel is in het kiezen van oplossingsstrategieën. Het hebben van metacognitieve vaardigheden helpt het kind in te zien hoe succesvol hij of zij is in het behalen van doelen, zodat hij of zij in de toekomst strategieën aan kan passen om succesvoller te worden.

De informatieverwerkingsbenaderingen

Volgens aanhangers van de informatieverwerkingsbenaderingen ontstaan de cognitieve veranderingen in de midden kindertijd door processen als een vergrote geheugencapaciteit, aandacht, snellere en efficiëntere mentale operaties en verschillende mentale strategieën.

De rol van het geheugen. Er zijn drie factoren verantwoordelijk voor de veranderingen op het gebied van geheugen in de midden kindertijd:

  • Een vergrote snelheid en capaciteit van het werkgeheugen. Hoe ouder kinderen worden, hoe meer dingen ze in hun werkgeheugen kunnen vasthouden. Daarnaast kunnen kinderen informatie steeds sneller bewerken of manipuleren (de taak van het werkgeheugen). De capaciteit van het werkgeheugen kan worden gemeten met de geheugenspanne, dit is het aantal items informatie die kinderen kunnen reproduceren nadat ze zijn opgenoemd. Vier- tot vijfjarigen hebben een geheugenspanne van ongeveer vier items, kinderen van negen en tien kunnen zo’n zes items onthouden en volwassenen zeven.

  • Een vergrote kennis over dingen die het kind zich wil herinneren. Oudere kinderen hebben meer ervaringen dan jongere kinderen, waardoor hun kennis groter is. Hierdoor kunnen oudere kinderen makkelijker meer nieuwe informatie opslaan en herinneren.

  • Het hebben van effectievere herinneringsstrategieën. Kinderen maken steeds meer gebruik van geheugenstrategieën (het met opzet gebruiken van acties om iets beter te kunnen herinneren) wanneer ze ouder worden. Het spontaan gebruiken van geheugenstrategieën neemt duidelijk toe wanneer een kind in de midden kindertijd komt. Er zijn drie belangrijke geheugenstrategieën: herhaling (het repeteren van de informatie die moet worden opgeslagen), organisatiestrategieën (het mentaal groeperen van informatie in betekenisvolle clusters) en elaboratie (kinderen identificeren of bedenken relaties tussen meerdere dingen die ze zich moeten herinneren).

Gedachten over het geheugen. Kinderen van een jaar of zeven of acht hebben niet alleen een beter geheugen dan jongere kinderen, ze kunnen ook nadenken over het geheugen. Dit heet het metageheugen en is een onderdeel van de metacognitie. Kinderen in de voorgenoemde leeftijdscategorie hebben bijvoorbeeld een beter begrip over de grenzen aan hun geheugen dan vijfjarigen.

Er is ook een connectie tussen het metageheugen van kinderen en het gebruik van geheugenstrategieën. Onderzoek wijst uit dat kinderen metageheugenkennis nodig hebben om bruikbare strategieën te ontwikkelen.

Vergrote aandachtscontrole. In de midden kindertijd kunnen kinderen hun aandacht(sfocus) beter reguleren.

Executief functioneren. Eén van de belangrijkste onderdelen van de cognitieve ontwikkeling in de midden kindertijd is het beter kunnen controleren en monitoren van de eigen gedachten om te plannen, om problemen op te lossen en om doelen te bereiken. De hogere niveau cognitieve processen die hiervoor nodig zijn worden executieve functies genoemd. Deze executieve functies heb je nodig om lager niveau processen, zoals aandacht en geheugen, te kunnen controleren. Executief functioneren en zelfregulatie zijn belangrijk voor schoolsucces.

De rol van sociale en culturele contexten

Is het verkrijgen van conservatie universeel? Volgens Piaget is conservatie iets dat wereldwijd bij mensen voorkomt, ongeacht de cultuur. De enige variatie die er volgens Piaget zou kunnen zijn, is dat kinderen in sommige culturen eerder conservatie leren dan kinderen in andere culturen. Onderzoek wijst echter uit dat kinderen in traditionele en niet-industriële samenlevingen die niet naar school gaan, meer dan een jaar achterlopen op de normen voor conservatie zoals gesteld door Piaget. Soms komt het zelfs voor dat deze kinderen, ook in de volwassenheid, conservatie nooit aanleren. Hieruit zou kunnen blijken dat niet iedereen het concrete operationele stadium bereikt, maar deze aanname wordt door veel wetenschappers weerlegd. Ook blijkt dat school niet de enige plek is waar conservatie kan worden aangeleerd.

Uiteindelijk heeft onderzoek aangetoond dat, wanneer de procedures die Piaget heeft opgesteld goed worden uitgevoerd en wanneer er herkenbare objecten worden gebruikt, conservatie als universeel kan worden beschouwd. Er zijn echter wel grote cultuurspecifieke variaties.

Cultuurspecifieke variaties in het gebruik van geheugenstrategieën. Iets kunnen herinneren is universeel, maar de strategieën die worden gebruikt om iets te herinneren zijn dat zeker niet. Veel strategieën hangen samen met formele scholing.

Cultuurspecifieke variaties in plannen. Er zijn culturele verschillen in plannen die te maken hebben met snelheid en accuratesse. Sommige culturen zijn sneller in hun planning dan andere, wanneer ze bijvoorbeeld door een doolhof moeten. Dit leidt echter tot meer fouten dan culturen die eerst zorgvuldig (en langzaam!) plannen.

Individuele verschillen in de cognitieve ontwikkeling

Intelligentie is diepgeworteld in elke cultuur en de culturele verschillen zijn groot: het verschilt immers per cultuur welke vaardigheden belangrijk zijn. Het is lastig, misschien zelfs onmogelijk, om een universele definitie van intelligentie te formuleren, waardoor intelligentie net zo makkelijk kan worden gemeten als gewicht of lengtegroei.

Omdat kinderen in geïndustrialiseerde landen vaak een gestandaardiseerde intelligentietest ondergaan, is het belangrijk het onderliggende concept van die testen te begrijpen.

Het meten van intelligentie. Begin twintigste eeuw wilde de Franse regering een maat om ‘normale’ en ‘zwakbegaafde’ kinderen van elkaar te kunnen scheiden. Hiervoor ontwierp Binet een test. Dit is het begin van de intelligentietesten. Binet ontwikkelde de mentale leeftijd (mental age = MA). Wanneer iemand op een test net zo goed presteerde als een gemiddelde zevenjarige, had een MA van zeven (ongeacht de ‘echte’ leeftijd). Er kwam echter vraag om een verduidelijking van de scores: iemand van achttien met een MA van zestien loopt bijvoorbeeld relatief gezien minder achter dan iemand van vijf met een MA van drie. Hieruit ontstond het intelligentiequotiënt of het IQ: ( MA / CA ) x 100. CA staat voor de chronologische leeftijd (chronological age), dit is de werkelijke leeftijd van het kind. Met deze berekening is honderd het gemiddelde: kinderen waarbij geldt MA = CA hebben een IQ van 100. Er is een normaalverdeling of bell curve van toepassing (zie ook figuur 11.21, pagina 420). Ook al zijn er veel revisies geweest, de logica achter het berekenen van het IQ van Binet wordt nog steeds als de standaard gezien in IQ testen.

Aanhoudende vragen over intelligentie

Er worden drie belangrijke vragen besproken:

  • Is de oorsprong van intelligentie algemeen of specifiek?

Binet en Simon zagen intelligentie als een basiskarakteristiek. Anderen volgden deze gedachten. Spearman dacht (hierop gebaseerd) dat er een algemene (general) intelligentie bestaat. Tegenwoordig vinden veel wetenschappers het idee van een algemene intelligentie achterhaald. Er wordt gedacht dat intelligentie bestaat uit verschillende aparte vaardigheden.

Gardner kwam met de multipele intelligentie theorie: elke subvorm van intelligentie vormt zijn eigen weg door het leven van een persoon. De ene vorm kan bijvoorbeeld eerder ontstaan dan de andere vorm en ook de pieken kunnen verschillen. Of een subvorm van intelligentie tot uiting komt, hangt af van de volgende factoren: aangeboren biologische hersenstructuren, in hoeverre de vorm van intelligentie gewenst is in de cultuur en in hoeverre een kind de instructies en activiteiten die bij de subvorm horen aangeboden krijgt.

Sternberg bedacht de triarchic intelligentietheorie: er zijn drie vormen van intelligentie: analytische, creatieve en praktische intelligentie. De scores van een individu kunnen fluctueren op een IQ test, afhankelijk van hoe intelligent je bent op de subfactor die wordt gemeten.

  • Waardoor zijn er populatieverschillen?

Ook op dit punt zijn wetenschappers het niet eens. De verschillen tussen groepen en individuen op intelligentietesten worden door de ene wetenschapper als veel groter beschouwd dan door de andere wetenschapper.

Volgens de hypothese van aangeboren intelligentie worden sommige mensen slimmer geboren dan andere mensen. Training of omgevingsvariaties kunnen hier niets aan veranderen.

De hypothese van de omgevingsintelligentie zegt dat intelligentie specifiek is en dat intelligentie sterk afhangt van ervaringen. Een belangrijke ondersteunende factor voor deze hypothese is dat er een universele trend te zien is van een stijging in IQ punten ten opzichte van een eeuw geleden. Dit wordt ook het Flynn effect genoemd. Het algemene resultaat van onderzoek is dat iedere generatie tien tot twintig IQ punten stijgt. Dat dit door de omgeving wordt veroorzaakt blijkt uit het feit dat de leefomgeving de laatste eeuw drastisch is veranderd, terwijl onze genetische oorsprong geen grote veranderingen heeft ondergaan.

  • Hebben IQ testen een culturele bias?

Niemand gelooft meer dat je intelligentie voor honderd procent door genen of voor honderd procent door de omgeving wordt bepaald: er is sprake van een mix. Het is heel lastig om precies te bepalen in hoeverre de invloed van de omgeving reikt en in hoeverre de genetische invloed, omdat intelligentie door meerdere genen wordt bepaald. Er kan weinig worden gezegd over welke genen op welke manier met de omgeving interacteren op het gebied van intelligentie. Daarnaast is er sprake van een genen-omgeving relatie die door het individu zelf wordt beïnvloed (door zowel genetische als omgevingsfactoren), wat het extra lastig maakt om onderscheid te maken.

Omdat IQ testen doorgaans worden ontwikkeld en getest op betrouwbaarheid en validiteit in (ver) ontwikkelde landen, zullen testen moeten worden aangepast wanneer ze gebruikt worden in minder ver ontwikkelde landen en/of culturen. Deze aanpassingen lijken op het eerste gezicht mee te vallen, maar wanneer je beter kijkt naar de andere levenswijzen, blijkt dat er voor andere culturen andere dingen van veel groter belang zijn dan voor onze cultuur, waardoor grote aanpassingen nodig zijn.

Er zijn verschillende pogingen gedaan om cultuurvrije IQ testen te maken, maar tot op heden is dit niet gelukt. Voor het meten van het IQ is het belangrijk dat je teruggrijpt op de achtergrond van wat het individu heeft geleerd, en die achtergrond is zeer cultuurspecifiek.

 

Oefenvragen Hoofdstuk 11: De fysieke en cognitieve ontwikkeling in de midden kindertijd?

1. Hoe wordt obesitas gemeten?

2. Welke factoren dragen bij aan overgewicht en obesitas? (6 C’s)

3. Is het waar dat jongens verder kunnen springen, sneller rennen en verder gooien dan meisjes?

4. Welke voordelen hebben kinderen die sporten?

5. Hoe ontwikkelt de coherentie van de hersenactiviteit?

6. Heeft een kind in het concreet operationele stadium conservatie van getal en inhoud?

7. Welke drie dingen moet je kunnen om te plannen?

8. Wat is metacognitie?

9. Welke 3 factoren zijn verantwoordelijk voor de veranderingen op het gebied van geheugen in de midden kindertijd?

10. Welke 3 belangrijke geheugenstrategieën zijn er?

11. Wat zijn executieve functies?

12. Is het verkrijgen van conservatie universeel?

13. Op welke manier werd aan het begin van de 20ste eeuw IQ gemeten?

14. Uit welke componenten bestaat de triarchic intelligentietheorie van Sternberg?

15. Wat is het Flynn effect?

16. Zijn er cultuurvrije IQ tests?

 

School als ontwikkelingscontext (12)

 

Leren

Naar school gaan vebetert de levensomstandigheden van individuen. Daarnaast draagt schoolgaan bij aan de gezondheid en het welzijn van de gehele maatschappij. Schoolgaan kan derdewereld maatschappijen wapenen tegen aids en armoede.

Daarnaast draagt de kwaliteit van scholen bij: scholen in achterstandswijken blijven bijna altijd achter in kwaliteit in vergelijking met scholen in vooraanstaande wijken. In achterstandswijken wonen echter wel de mensen die kwaliteitsscholing het meest nodig hebben: voornamelijk de etnische minderheden. Onderzoek toont aan dat, wanneer deze gezinnen in een vooraanstaande wijk worden geplaatst (zowel wonen als scholing), er een grote verbetering in academische prestaties te zien is.

De achtergrond van leren

Kinderen leren het materiaal en de symbolen van hun cultuur op drie manieren:

  • sociale verbeteringen

  • imitatie

  • expliciete instructie

De meest gestructureerde vorm van expliciete instructie is het formeel leren. Hierin instrueren volwassenen kinderen in de gespecialiseerde kennis en vaardigheden die bij hun cultuur horen. Wanneer is in een bepaalde gemeenschap een bepaalde mate van complexiteit en specialisatie is ontstaan in wat verschillende mensen doen, wordt er meestal gebruik gemaakt van leerlingschap (apprenticeship). Hierbij is er sprake van wederkerig leren door een wisselwerking tussen deelname aan het gezins- en gemeenschapsleven en expliciete instructie. De verschillen tussen formele instructie en leerlingschap zijn de volgende:

  • Motivatie. Bij leerlingschap zie je wat je doet van het begin tot het eind, al vanaf het begin. Bij formele instructie leren kinderen in een schoolsetting vaardigheden die niet nuttig lijken, om pas aan het eind van de schoolloopbaan het resultaat te zien.

  • Sociale relaties. Leraren van leerlingen in het leerlingschap zijn, in tegenstelling van leraren in het formeel leren, vaak familie gerelateerd.

  • Sociale organisatie. Leerlingen in het leerlingschap werken vaak in een werksetting met mensen met verschillende vaardigheidsniveaus en van verschillende leeftijden, terwijl leerlingen in het formeel leren juist anderen om zich heen hebben van dezelfde leeftijd en met hetzelfde vaardigheidsniveau. In het leerlingschap heb je meerdere leermeesters, doordat je je ook kunt wenden tot iemand met een hoger vaardigheidsniveau voor vragen. In het formeel leren is dit niet mogelijk.

  • Het instructiemedium. In het leerlingschap is er meestal mondelinge instructie in de productieomgeving. Ook in de formele leeromgeving is mondelinge instructie belangrijk, maar veel nauwer verweven met geschreven symbolen.

Een belangrijk nadeel van het formeel leren is dat er vaak problemen moeten worden opgelost die lastig te vertalen zijn naar andere leercontexten of het dagelijks leven. Zo zijn schoolse problemen vaak duidelijk omschreven, terwijl dit in het dagelijks leven meestal niet zo is. Ook heeft schools leren de neiging naar analytische intelligentie, terwijl in het dagelijks leven praktische intelligentie van een veel groter belang is.

Schoolrijpheid

Wanneer kinderen op school beginnen, hebben ze al enige kennis over lezen en rekenen. Ontluikende geletterdheid en ontluikende gecijferdheid omvatten kennis, vaardigheden en houdingen waardoor kinderen kunnen leren lezen, schrijven en rekenen.

Voorlopers van lezen en schrijven. De eerste belangrijke stap is dat kinderen moeten beseffen dat er een correspondentie bestaat tussen de symbolen die zijn geprint en de gesproken taal. Ze moeten begrijpen dat elk woord een representatie heeft in een serie grafische tekens. Daarnaast is het van belang dat kinderen leren dat elk grafisch teken een relatie heeft tot een bepaald specifiek geluid.

Eén van de basisvaardigheden wat betreft lezen is decoderen. Dit is het vertalen van geprinte units (ook: grafemen) naar geluidsunits (ook: fonemen). Hiervoor moeten kinderen onderscheid kunnen maken tussen letters en ze moeten fonemen kunnen herkennen en manipuleren.

Voorlopers van rekenkundige vaardigheden. Ook het leren rekenen doorloopt een vertalingsproces. Kinderen moeten de woorden voor een getal en symbolen omzetten in het begrip van specifieke hoeveelheden. Hele jonge baby’s kunnen verschillende hoeveelheden van elkaar onderscheiden (wanneer het verschil groot is), maar het besef van de relatie tussen symbolen en hoeveelheden begint pas in het tweede tot derde levensjaar. Hoe ouder kinderen worden, hoe specifieker ze getalswoorden aan de bijbehorende hoeveelheden kunnen koppelen. Door het verkrijgen van mathematische vaardigheden leren kinderen getallen mentaal te representeren op een getallenlijn.

De rol van het gezin. Het gezin is van groot belang bij de ontluikende geletterdheid en gecijferdheid van kinderen. Ouders kunnen hun kinderen bijvoorbeeld op weg helpen door het voorzien in bepaald speelgoed en het oefenen. De socio-economische status (SES) en de culturele achtergrond zijn hierin van belang.

Een belangrijke bijdrage die ouders kunnen leveren aan de ontluikende geletterdheid, is voorlezen. Uit onderzoek is gebleken dat er een directe relatie is tussen het worden voorgelezen met veertien maanden en het taalbegrip, de grootte van de vocabulaire en het cognitief functioneren op het tweede levensjaar. Daarnaast is er sprake van een cirkelwerking: vroeg voorlezen vergroot de woordenschat, waardoor de dagelijkse leeservaringen weer vergroten enzovoorts.

Voorschool. De voorschool is vroeg in de twintigste eeuw ontstaan. De bedoeling was dat de voorschool een beschermende omgeving zou zijn waarin het ontwikkelingsniveau van het kind centraal staat en waarin het kind wordt aangespoord zich te verbeteren (op een kindvriendelijke manier).

Een belangrijk project om de armoede te bestrijden in de jaren zestig in Amerika was Project Head Start. In dit project werd geïntervenieerd in het leven van jonge kinderen door leerervaringen te bieden die ze anders zouden missen. Het project ving aanvankelijk alleen aan in de zomer, maar al snel werd het project uitgebreid waardoor enorm veel kinderen in de voorschoolse leeftijd werden geholpen. Inmiddels hebben ruim 27 miljoen kinderen deelgenomen aan het programma, maar toch wordt maar de helft van de kinderen die mee zou moeten doen, bereikt. Wanneer de kwaliteit van het voorschoolse onderwijs goed is, zijn er veel voordelen die programma’s zoals het Project Head Start bereiken. De kinderen die echter de meeste baat hebben bij zo’n voorschools programma, zijn helaas ook de kinderen die het minst vaak participeren.

In de klas

De sociale organisatie van de klas en het instructiedesign. Vanaf het ontstaan van scholen is er al discussie over hoe de instructie aan leerlingen het beste kan worden vormgegeven. De meningen zijn verdeeld tussen twee benaderingen. De bottom-up verwerkingsbenadering zegt dat instructie simpel moet beginnen en langzaamaan steeds complexer zou moeten worden.

Leerlingen leren eerst de basisvaardigheden en de moeilijkheidsgraad van de taken wordt hierna steeds verder opgevoerd. In de top-down verwerkingsbenadering wordt gedacht dat je het grotere doel uit het oog verliest wanneer je van simpel naar complex gaat. Deze benadering focust zich op het aanleren van vaardigheden waardoor je betekenisvolle taken kunt doen.

In het standaard klaslokaal zit de leraar vooraan en kijken alle leerlingen in rijen zijn of haar kant op. Dit benadrukt dat de leraar een autoriteitsfiguur is. Hierdoor is er plaats voor de (niet-natuurlijke) instructionele toespraak. Dit is een manier van spreken naar kinderen die in een natuurlijke omgeving, bijvoorbeeld thuis, eigenlijk niet of zelden voorkomt. Een veelvoorkomende vorm van de instructionele toespraak is het stellen van een vraag waar de leraar al een antwoord op weet. Met dit soort vragen controleert de leraar hoe ver het leerproces is van de betreffende leerling.

Er zijn steeds meer mensen die het standaard klaslokaal zoals hierboven beschreven geen goede manier vinden om les te geven. Leerlingen worden hierdoor namelijk in een passieve rol gedrukt. Ze leren dus niet goed zelf problemen te formuleren en op te lossen en daarnaast doen ze weinig praktijkervaring op. Een alternatief voor het standaard klaslokaal is het wederkerig lesgeven. Hierin worden de bottom-up en top-down verwerkingsbenaderingen samengenomen. Dit is geschikt voor kinderen die een basiskennis hebben van lezen, maar moeite hebben te begrijpen wat er eigenlijk staat. De leraar en de kinderen lezen voor zichzelf stukjes tekst en leiden beurtelings de discussie over de betekenis van wat er zojuist is gelezen. Er zijn verschillende elementen die in de discussie aan bod komen: vragen stellen, samenvatten, verduidelijken en voorspellen van het vervolg. Het wederkerig leren kan worden geschaard onder de zone van de nabije ontwikkeling van Vygotsky. Uit onderzoek blijkt dat deze vorm van leesonderwijs een stuk effectiever is dan het standaard leesonderwijs.

In het realistisch rekenonderwijs wordt de omslag gemaakt van rekeninstructie voor basisvaardigheden, procedures en herinneringen naar de relatie tussen rekenkundige problemen en de echte wereld. Het realistisch rekenonderwijs zou het volgende moeten doen:

  • Betekenisvolle activiteiten gebruiken.

  • Ondersteunen van de basisvaardigheden.

  • Modellen gebruiken voor onderwijsactiviteiten.

Na een tijdje kunnen kinderen de rekenkundige bewerkingen maken zonder de hulp van realistische voorbeelden te gebruiken. Kinderen moeten leren niet alleen een antwoord te fabriceren, maar dit antwoord ook te verklaren. Voor zowel het realistisch rekenen als voor het traditionele rekenonderwijs is wat het zeggen. Kinderen in het traditionele rekenonderwijs hadden na een jaar een betere kennis van voorgeschreven rekenkundige procedures en kinderen in het realistisch rekenonderwijs deden het na een jaar beter op verhaaltjessommen en bij sommen waarin een nieuw probleem aan de orde werd gesteld.

Speeloefenen (playworld practice) gaat over discussiëren over, inleiden op en het maken van kunst over thema’s in de kinderliteratuur. Alleen in Zweden en Finland is dit al enkele jaren populair, in andere landen staat dit nog in de kinderschoenen. Er is dus nog weinig onderzoek naar gedaan. Het onderzoek dat er is laat zien dat in vergelijking met het standaardonderwijs, kinderen die speeloefenen betere taalvaardigheid hebben, vooral wat betreft het vertellen en begrijpen van verhalen.

Hindernissen voor schoolsucces. Specifieke leerstoornissen beschrijven academische moeilijkheden van kinderen met een normale intelligentie. Er moet sprake zijn van een disharmonisch intelligentieprofiel: een kind moet op bepaalde taken duidelijk slechter scoren dan op andere taken, terwijl de IQ score normaal is. Daarnaast moet het verschil op de IQ test ook te zien zijn in de academische prestaties. Wanneer iemand moeite heeft met lezen, maar niet met rekenen, heeft iemand dyslexie. Dit is de meest voorkomende specifieke leerstoornis. Kinderen met dyscalculie hebben omgekeerde problemen: ze kunnen prima lezen, maar hebben veel moeite met rekenkundige bewerkingen. Kinderen met dysgrafie hebben moeite met leren schrijven.

De focus van de rest van deze paragraaf ligt op dyslexie. Het begrijpen van fonemen is van groot belang voor de fonologische verwerking. Om een tekst te kunnen decoderen, moet je grafemen aan fonemen kunnen koppelen. Vertragingen op dit gebied zijn een indicator voor dyslexie. Een belangrijke test om het fonologisch verwerken te kunnen meten, is pseudowoorden. Dit zijn onzinwoorden die gelezen kunnen volgens de reguliere regels. Omdat het onzinwoorden zijn, speelt de betekenis geen rol en moeten kinderen dus vertrouwen op de fonologische verwerking. Uit onderzoek blijkt dat dyslectische lezers van veertien jaar, hetzelfde niveau hebben als normale lezers van zeven jaar op de pseudowoordentest. Zelfs wanneer dyslectische lezers worden gekoppeld aan normale lezers van hetzelfde niveau (die beduidend jonger waren), deden ze het slechter dan de normale lezers.

Een andere belangrijke hindernis voor schoolsucces is de motivatie om te leren. De academische motivatie, de wil om hard te oefenen en door te zetten in schoolse taken, ook wanneer deze moeilijk zijn, kan bij kinderen laag zijn. Er zijn echter ook veel kinderen waarbij de academische motivatie hoog is. Het verschil wordt veroorzaakt door de twee manieren waarop kinderen schoolse taken kunnen benaderen: meesterschapsoriëntatie, waarin kinderen gemotiveerd zijn te leren, te oefenen en te verbeteren, en prestatie oriëntatie, waarin kinderen worden gemotiveerd door de mate van prestatie, mogelijkheden en prikkels om te presteren. De eerste vorm van oriëntatie heeft meer succes op de lange termijn, terwijl kinderen met de prestatie oriëntatie veel sneller en vaker opgeven.

Vanaf een jaar of twaalf hebben kinderen een idee over intelligentie. Sommige kinderen hangen het totaalmodel van intelligentie aan: intelligentie is kwantitatief vaststaand in een individu. Andere kinderen hangen het toenemend intelligentiemodel aan: intelligentie kan groeien doordat je leert en nieuwe ervaringen hebt. Kinderen van het totaalmodel denken dat moeite doen hun intelligentie niet verandert, terwijl kinderen van het toenemende model dit juist wel denken. Kinderen die geloven in het totaalmodel vormen hierdoor vaker een prestatie oriëntatie, terwijl kinderen die in het toenemende model geloven vaker een meesterschapsoriëntatie vormen.

Schoolbetrokkenheid kan ook een hindernis voor schoolsucces opleveren. Schoolbetrokkenheid refereert aan de gedachten, het gedrag en de emoties van kinderen over school en leren. Een kind dat school leuk vindt, heeft een grotere schoolbetrokkenheid dan een kind dat school niet leuk vindt. Uit onderzoek blijkt dat de schoolbetrokkenheid een redelijk constante factor is over de tijd. Daarnaast leidt een hogere schoolbetrokkenheid tot betere academische prestaties.

De cognitieve consequenties van school

Er zijn verschillende manieren om onderzoek te doen naar de cognitieve gevolgen van formele educatie:

  • De schoolse ‘cutoff’ strategie. Er wordt een vergelijking gemaakt tussen zesjarigen die scholing hebben gehad en zesjarigen die nog geen scholing hebben gehad. Dit is relatief eenvoudig te onderzoeken, aangezien de leeftijd waarop de formele scholing begint en in landen verplicht wordt gesteld, varieert tussen landen. Met de schoolse cutoff strategie kun je zo de impact van school op kinderen vergelijken terwijl je de leeftijd constant houdt. Uit onderzoek blijkt dat na het eerste schooljaar op sommige cognitieve gebieden wel, maar op andere cognitieve gebieden geen verbetering te zien is. Er zijn hier duidelijke verschillen te zien tussen kinderen die scholing hebben gehad en kinderen die dat nog niet hebben gehad. De aspecten van de cognitieve ontwikkeling die niet door scholing worden beïnvloed, hangen sterk samen met de leeftijd van het kind (en dus niet met de scholing).

  • Een vergelijking tussen schoolkinderen en niet-schoolkinderen. De eerste onderzoeksmethode heeft een belangrijke limitatie: alleen het eerste jaar van scholing kan zo worden onderzocht. Daarom wordt er ook onderzoek gedaan in maatschappijen waar scholing niet beschikbaar is voor de totale populatie. Uit onderzoek blijkt dat het logisch redeneren meer samenhangt met leeftijd dan met scholing. Dit geldt niet voor het geheugen; hier speelt scholing wel een belangrijke (maar geen uitsluitende!) rol. School vergroot bijvoorbeeld de geheugencapaciteit van kinderen. Ook de ontwikkeling van de metacognitieve vaardigheden wordt beïnvloed door scholing.

  • Een beoordeling van de tweede-generatie impact van school. Uit onderzoek blijkt dat kinderen waarvan de moeder een bepaalde vorm van scholing heeft gehad, drie belangrijke voordelen hebben: minder kans op kindersterfte, een betere gezondheid in de kindertijd en betere academische prestaties.

Uit al het hierboven besproken onderzoek blijkt dat scholing de cognitieve prestaties op drie manieren verbeteren:

  • het vergroten van de basiskennis

  • het leren van informatieverwerkingstechnieken

  • het veranderen van de algemene levenssituatie en –houding

De grootste bijdrage van school ligt waarschijnlijk niet in het cognitieve: scholing leidt tot een betere gezondheid, voeding, economische kracht en sociale status.

Huidige uitdagingen in een algemene wereld

De cultuur van school. De culturele stijl is een dominante manier van denken over de wereld die ontstaat door de gemeenschappelijke ervaringen van een groep mensen. Een belangrijke dimensie hierbij is die van onafhankelijkheid en interdependentie. De onafhankelijke individualistische culturele stijl richt zich op het individu en zijn of haar doelen en keuzes. De interdependente collectivistische culturele stijl richt zich op de groep(sharmonie) waarbij individuele prestaties van ondergeschikt belang zijn.

Uit onderzoek blijkt dat er verschillen zijn tussen de cultuur die een kind thuis heeft en de cultuur van de school. Dit kan problemen opleveren. Zo is een Amerikaanse school meer individualistisch ingesteld, terwijl er ook kinderen rondlopen die uit een meer collectivistische cultuur komen. Hier kunnen schoolprestaties door worden beïnvloed. Voor goede prestaties op een individualistische school, is de betrokkenheid van ouders van groot belang.

De taal van school. Zelfs wanneer mensen dezelfde taal spreken, hoeven ze taal niet op dezelfde manier te gebruiken. Het taalpatroon dat thuis wordt gebruikt, kan afwijken van het taalpatroon dat op school wordt toegepast. Dit is van invloed op het schoolsucces van kinderen.

Cultureel responsieve klasstrategieën. Steeds meer scholen zien het belang van de wisselwerking tussen de cultuur van de school en de culturele achtergrond van de leerlingen. Er worden steeds meer programma’s en lessen opgezet voor leerlingen waarbij er grote verschillen zijn tussen de cultuur thuis en op school. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat er niet een enkele goede manier is om de instructie in de klas aan te laten sluiten op de thuiscultuur: er leiden meerdere wegen naar Rome.

 

Oefenvragen Hoofdstuk 12: School als ontwikkelingscontext

1. Op welke gebieden verschillen formeel leren en leerlingschap?

2. Wat is decoderen?

3. Wat is belangrijk voor ontluikende gecijferdheid?

4. Op welke manieren heeft het gezin invloed op ontluikende geletterdheid?

5. Hoe was Project Head Start opgebouwd?

6. Wat is het verschil tussen een bottum-up verwerkingsbenadering van instructiedesign en een top-down verwerkingsbenadering van instructiedesign?

7. Wat is wederkerig lesgeven?

8. Wat zijn de verschillen tussen traditioneel onderwijs en realistisch rekenonderwijs?

9. Wat is speeloefenen?

10. Wat is een disharmonisch intelligentieprofiel?

11. Wat is het verschil tussen een meesterschapsoriëntatie en een prestatie oriëntatie?

12. Wat is het verschil tussen een totaalmodel van intelligentie en een toenemend intelligentiemodel?

13. Wat wordt bedoeld met schoolbetrokkenheid?

14. Wat is de schoolse cutoff strategie?

15. Wat is de culturele stijl van een school?

 

 

De sociale en emotionele ontwikkeling in de midden kindertijd (13)

 

de midden kindertijd

Slechts enkele kinderen komen de midden kindertijd door zonder afwijzingen van leeftijdsgenootjes te voelen. Hoe ouder kinderen worden, hoe meer tijd kinderen gaan doorbrengen met leeftijdgenoten. Dit gaat ten koste van de tijd die kinderen doorbrengen met hun ouders. Doordat kinderen meer met leeftijdsgenoten op gaan trekken, wordt ook de invloed van die leeftijdsgenoten op het gedrag en de ontwikkeling van het kind groter.

Er ontstaan nieuwe vormen van sociale controle: het organiseren van gedrag in relatie tot groepsgevoel en de gemeenschap. Ook kunnen ouders niet zomaar meer totale gehoorzaamheid van hun kinderen verwachten of eisen. Ook is het beschermen van kinderen steeds lastiger naarmate ze ouder worden. Ouders moeten meer en meer vertrouwen op de zelfredzaamheid van hun kinderen. Hierdoor verandert de manier waarop ouders met hun kind omgaan. Ouders leggen dingen meer uit en gaan meer in discussie om invloed te kunnen uitoefenen op het gedrag van hun kind. Een veranderende relatie met anderen leidt ook tot een veranderende zelfperceptie bij kinderen in de midden kindertijd. Hoe meer kinderen omgaan met leeftijdsgenoten, hoe minder verbonden kinderen zich voelen in de tot dan toe aangenomen rol in de familie (bijvoorbeeld ‘grote broer’).

Een nieuwe zelfperceptie

De belangrijkste uitdaging voor kinderen in de midden kindertijd is die van industrie versus inferioriteit (Erikson). Kinderen die het gevoel van industrie hebben, vinden zichzelf competent en effectief wat betreft activiteiten waaraan door ouders en leeftijdsgenoten waarde wordt gehecht. Kinderen die het gevoel van inferioriteit hebben, hebben het idee niet te kunnen voldoen aan verwachtingen die anderen van hen hebben.

Veranderend zelfconcept. De veranderingen in het zelfconcept van kinderen lopen parallel met de veranderingen in cognitieve en sociale processen. Wanneer kinderen in verschillende leeftijden wordt gevraagd zichzelf te beschrijven, benoemen ze allen hun uiterlijke verschijning, hun activiteiten, hun relaties met anderen en hun psychologische karakteristieken. De waarde die kinderen aan de verschillende onderwerpen hechten, verschilt echter per leeftijd. Ook de complexheid van het zelfconcept hangt samen met de leeftijd van het kind.

Het zelfconcept van kinderen is in het begin meer algemeen en is gebaseerd op minimale en concrete karakteristieken. Hoe ouder het kind wordt, hoe meer abstract het zelfconcept is en hoe meer het zelfconcept wordt gebaseerd op sociale vergelijkingen. Dit betekent dat het kind het zelfconcept baseert op de relaties met leeftijdgenoten die het kind heeft. Pas in de midden kindertijd beginnen sociale vergelijkingen een rol te spelen. Dit komt doordat kinderen dan steeds meer met andere kinderen omgaan waardoor ze zichzelf dingen over zichzelf beginnen af te vragen. Deze vragen zijn abstract: ‘ben ik een goede vriend(in)?’, ‘vinden de andere kinderen me leuk?’. De sociale vergelijkingen worden over tijd meer complex en subtiel. Dit komt doordat in het begin de sociale vergelijkingen negatieve reacties uit kunnen lokken (bijvoorbeeld bij een vergelijking als ‘ik ben beter in wiskunde dan hem’). Kinderen leren trucjes om zichzelf nog steeds te vergelijken met anderen, maar dan op een meer subtiele manier (bijvoorbeeld door te vragen ‘wat was jouw cijfer voor wiskunde?’). Maar let wel: niet alle sociale vergelijkingen zijn competitief van aard.

Een andere manier van zelfconceptie is dat kinderen rond het zevende of achtste levensjaar meer stabiele psychologische trekken bij zichzelf gaan benoemen. In plaats van te vertellen dat ze een bal ver kunnen gooien, vertellen ze dat ze goed zijn in sport. Dit is een aanwijzing dat een kind het besef heeft ontwikkeld dat iedereen min of meer vaste stabiele trekken heeft.

Zelfwaardering. De zelfwaardering (self-esteem), de evaluatie van je eigen groei, ontwikkelt in de midden kindertijd. Je zelfwaardering is belangrijk bij het meten van je mentale gezondheid. Kinderen beginnen een ideaal zelfbeeld te vormen, wat ze vergelijken met het huidige zelf. De verschillen tussen het ideale en het huidige zelfbeeld kunnen zorgen voor zowel motivatie als stress (dit hangt af van de ervaren mate van verschil). Niet alle verschillen tussen het ideale zelfbeeld en het huidige zelfbeeld zijn even belangrijk voor een kind, afhankelijk van hoeveel waarde het kind aan de bepaalde vaardigheid hecht.

Een hoge zelfwaardering in de midden kindertijd wordt volgens Coopersmith veroorzaakt door drie ouderkarakteristieken:

  • De acceptatie van het kind.

  • Het stellen van duidelijke regels en grenzen.

  • Het respect voor individualiteit

Let op: de Europees-Amerikaanse cultuur stelt hoge verwachtingen aan de zelfwaardering. In andere culturen is de zelfwaardering van ondergeschikt belang.

Morele ontwikkeling

Het redeneren en het gedrag van kinderen in de midden kindertijd wordt steeds meer afhankelijk van een eigen, persoonlijk gevoel van goed en slecht (in plaats van beloningen en straffen van anderen). Volgens de psychodynamische theorie van Freud ontstaat deze overgang door de ontwikkeling van het superego. Ook is deze verandering terug te vinden in de cognitieve ontwikkelingskijk op de morele ontwikkeling van Piaget.

De theorie van Piaget over de morele ontwikkeling. Volgens Piaget is er een verandering in de heteronome moraliteit naar de autonome moraliteit. Er is dus sprake van een verandering van een goed/slecht idee gebaseerd op straffen en belonen naar een goed/slecht idee op meer eigen ideeën over goed en slecht. Volgens Piaget ontstaat deze verandering door activiteiten met leeftijdsgenoten. Vanaf het vierde of vijfde levensjaar spelen kinderen fantasie rollenspellen. Vanaf het zevende of achtste levensjaar ontstaat er spel gebaseerd op regels. Hiervoor kunnen kinderen ook regels toepassen in hun spel, maar deze regels veranderen continu. Wanneer er echt ‘regelspel’ ontstaat, wordt iemand die, zonder overeenstemming van de anderen, de regels verandert, beschouwd als valsspeler. Kinderen tussen de zes en acht jaar hebben volgens Piaget een geloof in de regels: zij denken dat regels eeuwig en onveranderbaar zijn. Oudere kinderen beschouwen regels meer rationeel.

Volgens Piaget staat ‘regelspel’ model voor de samenleving:

  • Dit soort spellen blijven generaties lang hetzelfde in de basis. De regels geven dus aan hoe je je in bepaald soort situaties zou moeten gedragen.

  • Dit soort spellen kunnen alleen bestaan als er kinderen zijn die erin geloven en eraan meedoen. Dit staat bijvoorbeeld model voor godsdiensten, deze kunnen immers alleen bestaan als mensen erin geloven en zich aan de regels houden.

De theorie van Kohlberg over de morele ontwikkeling. Dit is de meest invloedrijke poging om voort te bouwen op het gedachtegoed over de morele ontwikkeling van Piaget. Volgens Kohlberg zijn er niet twee stadia, maar zes, ondergebracht in de niveaus preconventioneel (heteronome moraliteit en instrumentele moraliteit), conventioneel (goed-kind moraliteit en rechtsorde moraliteit) en postconventioneel (sociaal-contract redeneren en universele ethische principes). In het preconventionele stadium wordt goed en slecht gezien als externe consequentie doordat het individu de regels niet opvolgt. In het conventionele stadium wordt minder gekeken naar externe consequenties en meer naar de regels van de maatschappij. Het postconventionele stadium wordt niet verder besproken. Voor een precieze uitleg van de stadia kun je kijken naar tabel 13.4 op pagina 476.

Prosociaal moreel redeneren. Prosociaal gedrag is delen met, helpen van of zorgen voor anderen, ook wanneer dit henzelf alleen maar iets kost en niets oplevert. Prosociaal moreel redeneren gaat over de gedachten die betrokken zijn waarbij iemand beslist wel of geen prosociaal gedrag te laten zien. Nancy Eisenberg zegt dat het prosociaal moreel redeneren eenzelfde ontwikkeling heeft als het moreel redeneren zoals gezien door Kohlberg. Ze vond in onderzoek ook dat hogere niveaus van redeneren samengaan met hogere niveaus van prosociaal gedrag. Er is echter geen garantie dat mensen die voldoende intellect hebben, ook altijd prosociaal gedrag laten zien.

De Sociale Domein Theorie. Eerder dan werd aangenomen, namelijk al vanaf het vijfde of zesde levensjaar, kunnen kinderen de moraliteit van een handeling boven een autoriteitsfiguur verkiezen. Vergelijkbare onderzoeksresultaten worden ook gevonden in culturen waar een autoriteitsfiguur veel macht wordt toegekend. Dit suggereert dat denkprocessen van kinderen wat betreft morele kwesties anders zijn dan denkprocessen wat betreft sociale conventies. In het ene geval van goed en slecht kunnen kinderen dus het ene denkproces volgen, terwijl ze in een ander geval juist het andere denkproces kunnen volgen, afhankelijk van de kwestie die het kind voorgelegd krijgt. In beide denkprocessen verloopt het redeneerproces met de ontwikkeling van concreet naar abstract.

Moreel redeneren en de theory of mind. Je kunt moreel redeneren ook beschouwen in het licht van de ontwikkeling op andere gebieden. Kinderen van een jaar of vier à vijf ontwikkelen de theory of mind. Dit is het kunnen denken over de mentale staat van mensen. Onderzoek toont aan dat de manier waarop kinderen moreel gedrag beoordelen afhangt van de mate van ontwikkeling van de theory of mind. Jonge kinderen hebben een objectieve kijk op verantwoordelijkheid, zij baseren verantwoordelijkheid alleen op objectieve consequenties. Meer oudere kinderen hebben een subjectieve kijk op verantwoordelijkheid, zij snappen dat verantwoordelijkheid afhangt van zowel de intenties als de consequenties.

Relaties met leeftijdsgenoten

Het maakt niet uit hoe gevoelig en geraffineerd je bent in sociale situaties, dit is geen garantie dat je geaccepteerd zult worden door leeftijdsgenoten. Alle kinderen moeten leren omgaan met sociale status en conflicten. Daarnaast moeten ze leren begrijpen dat niet iedereen hen aardig vindt.

Relaties met leeftijdsgenoten en de sociale status. Een sociale structuur ontstaat wanneer een groep kinderen een langere tijd bestaat. Dit betekent dat de organisatie van relaties tussen individuen complex wordt. Je kunt hiervoor op twee verschillende structuren focussen:

  • Dominantie

Een dominantie hiërarchie draagt bij aan het functioneren van menselijke groepen. Vaak wordt zo’n hiërarchie verkregen door herhaaldelijke gevechten en ruzies en het vervolgens weer goed maken. Kinderen die goed zijn in het conflict-goed maken patroon, staan hoog in de hiërarchie. Dominante kinderen controleren onder andere het speelgoed, de speelplaatsen en ze beslissen welke activiteiten de groep gaat doen.

Op verschillende momenten in de ontwikkeling werken kinderen een stapje harder voor hun dominante positie, bijvoorbeeld in de overgang tussen de basis- en middelbare school. Wanneer kinderen wat harder werken voor hun dominantie, wordt er meer gepest.

  • Populariteit

Het belang van populair zijn onder leeftijdsgenoten neemt toe in de midden kindertijd. Kinderen kunnen in verschillende categorieën vallen: populaire kinderen, afgewezen kinderen, verwaarloosde kinderen en controversiële kinderen. Populaire kinderen lijken meer vaardig te zijn in het starten en onderhouden van nieuwe relaties. Daarnaast zijn ze vaak fysiek wat aantrekkelijker dan kinderen in de andere categorieën. Populaire kinderen zijn goed in het doen van compromissen en onderhandelen.

De afgewezen kinderen worden op een actieve manier niet leuk gevonden door leeftijdsgenoten. Dit kan bijvoorbeeld veroorzaakt worden doordat deze kinderen verlegen en teruggetrokken kunnen zijn. Vaak weten afgewezen kinderen dat ze afgewezen zijn, waardoor ze eenzamer worden en meer stress hebben over hun sociale relaties. Een veelvoorkomende oorzaak voor afwijzing is agressief gedrag, kinderen willen immers niet met iemand zijn die hen pijn doet. Agressieve kinderen in deze categorie onderschatten vaak de mate van afwijzing en ze misinterpreteren onschuldig gedrag van anderen. Zelfs wanneer het gedrag van afgewezen kinderen verandert, komen ze niet zomaar een groep binnen, omdat negatieve interpretaties over een kind als algemeen worden beschouwd in de groep. Dit soort interpretaties kunnen een kind ook een label opplakken dat niet klopt; zo kan een kind dat zich niet agressief gedraagt toch het label ‘agressief’ krijgen. Hierdoor kan een kind een groep moeilijk binnenkomen en dit kan zelfs leiden tot het gedrag waar het kind voorheen (foutief) van werd ‘beschuldigd’. Kinderen in de afgewezen categorie hebben niet alleen problemen in hun leeftijdsgroep. Ze laten ook vaker delinquentie, middelenmisbruik en psychische problemen zien dan leeftijdsgenootjes in een andere categorie.

De verwaarloosde kinderen worden meer genegeerd door anderen dan niet leuk gevonden. Deze kinderen zijn, net als de afgewezen kinderen, minder sociaal vaardig dan leeftijdsgenoten, maar ze zijn meestal niet verlegen, teruggetrokken of agressief. Daarnaast lijken de verwaarloosde kinderen zich minder druk te maken over hun sociale status. Ze kunnen hun sociale status makkelijker veranderen dan de afgewezen kinderen. De verwaarloosde kinderen zijn daarnaast ook beter op school en worden leuker gevonden dan de leraren dan de afgewezen kinderen.

De controversiële kinderen hangen tussen de verschillende categorieën in. Ze worden aardig gevonden door sommige kinderen, terwijl dit niet geldt voor andere kinderen. Deze kinderen kunnen zelfs agressiever zijn dan de afgewezen kinderen, maar ze kunnen hiervoor compenseren door er bijvoorbeeld grappen over te maken. Ze lijken niet heel erg te zitten met het gebrek aan sociale status.

Competitie en samenwerking onder leeftijdsgenoten. Het doorbrengen van veel tijd met leeftijdsgenoten schept mogelijkheden voor zowel competitie als voor samenwerking. De mate waarin kinderen competitie of samenwerking laten zien en de effecten daarvan op hun sociale relaties, is afhankelijk van de context en de cultuur.

Relaties tussen jongens en meisjes. Kinderen rond de zes jaar kiezen in bijna zeventig procent van de gevallen voor een beste vriend van hetzelfde geslacht. Rond het twaalfde levensjaar ligt dit percentage al op negentig procent. Dit wordt verklaard doordat er geslachtsverschillen zijn in de activiteiten die kinderen leuk vinden. Jongens doen vaak activiteiten waarbij er veel fysieke activiteit wordt gevraagd, terwijl meisjes meer activiteiten doen die prosociaal en coöperatief spel omvatten. Hoe meer kinderen met hetzelfde geslacht spelen, hoe groter de activiteitsverschillen worden. Er zijn wel verschillen tussen culturen; in de ene cultuur zijn de geslachtsverschillen in activiteiten groter dan in de andere cultuur.

Vriendschap: een speciale relatievorm. Een belangrijk element in de midden kindertijd om je sociale vaardigheden en competenties te kunnen ontwikkelen zijn sterke één op één relaties. Er zijn verschillende ontwikkelingsgerichte functies van vriendschap:

  • Basis sociale vaardigheden zoals communicatie, samenwerking en het leren probleemoplossen.

  • Informatie over jezelf, anderen en de wereld.

  • Kameraadschap en vrolijkheid van relaties leiden tot een vermindering van de dagelijkse stress.

  • Modellen van intieme relaties gebaseerd op helpen, zorgen en vertrouwen.

Kinderen kiezen vaak vrienden die gelijkwaardig (leeftijd, etniciteit, sekse, sociaal economische status, vaardigheidsniveau) zijn. Ook hun gedachten zijn vaak op hetzelfde niveau en van dezelfde orde, net als hun interesses. Maar wat bepaald nu precies dat je vrienden wordt? Uit onderzoek zijn vijf criteria gebleken:

  • Het snel kunnen beslissen over een gemeenschappelijke activiteit.

  • Duidelijke communicatie tussen de kinderen.

  • Het uitwisselen van informatie.

  • Het snel kunnen oplossen van conflicten.

  • Wederkerigheid.

Gedurende de midden kindertijd blijft ongeveer de helft van de één op één vriendschappen stabiel over tijd. Een belangrijke component in de vraag hoe lang een vriendschap duurt, is de mate van overeenkomst tussen de twee nieuwe vrienden. Overeenkomsten leiden tot gelijkheid, positieve bekrachtiging en coöperatie in de vriendschapsrelatie. Dit geldt voor zowel ‘goede’ als ‘slechte’ eigenschappen.

Kinderen leren vriendschappen steeds beter te begrijpen. Dit komt doordat oudere kinderen steeds hogere niveaus van perspectief nemen en steeds lagere niveaus van egocentrisme hebben. Volgens Selman zijn er drie belangrijke aspecten van vriendschap die worden beïnvloed door de ontwikkeling van het perspectief nemen:

  • Vriendschapsbegrip. Kinderen weten steeds meer over het concept ‘vriendschap’. Door een steeds groter wordend interpersoonlijk begrip en een steeds kleiner wordend egocentrisme worden vriendschappen uiteindelijk gedefinieerd als een balans tussen verschillende perspectieven waardoor zowel de persoonlijke autonomie als de intimiteit gewaarborgd wordt.

  • Vriendschapsvaardigheden. Kinderen gebruiken verschillende strategieën om hun vriendschappen te ontwikkelen. Deze vaardigheden worden steeds beter naarmate het kind ouder wordt.

  • Vriendschapswaarde. Een kind leert om zich te binden in een relatie en er emotioneel in te investeren. Daarnaast wordt het kind gemotiveerd om de vriendschap te onderhouden. De ontwikkeling van vriendschapswaarde vindt parallel plaats met de ontwikkeling van het nemen van verantwoording voor je eigen handelingen.

In de midden kindertijd leren kinderen het sociale reparatie mechanisme: zelfs wanneer belangrijke verschillen vrienden tijdelijk uit elkaar drijven, blijft de vriendschap bestaan.

De invloed van ouders

Verandering in verwachtingen. Eén van de veranderingen waar de ouder-kind relatie mee te maken krijgt wanneer het kind ouder wordt, is dat ouders minder open affectie tonen. Ouders zien hun kind niet meer als ‘schattig’, maar verwachten dat ze zich netjes gedragen. Daarnaast gaan kinderen zich schamen voor open affectie van hun ouders. Kinderen gebruiken steeds minder dwanggedrag zoals zeuren en schreeuwen. In plaats hiervan gaan ze met hun ouders in discussie.

Hoe ouder kinderen worden, hoe kritische ouders naar hun kinderen, en de fouten die ze maken, zijn. Dit komt doordat ouders een bepaalde mate van verantwoordelijkheid verwachten. Daarnaast veranderen de strategieën die ouders gebruiken om hun kinderen te sturen in het gedrag doordat de competentie van kinderen verandert.

Er zijn cultuurverschillen wat betreft het verwachten van goed gedrag. Niet in elke cultuur wordt bepaald gedrag op dezelfde leeftijd verwacht. Wel wordt verwacht dat kinderen de vaardigheden ergens in de midden kindertijd leren beheersen.

In landen die economisch ver ontwikkeld zijn, spelen scholing en schoolprestatie een belangrijke rol. Dit brengt voor ouders andere vragen en zorgen met zich mee dan in landen die economisch minder goed zijn ontwikkeld (waar bijvoorbeeld het familie-overleven van groot belang is).

De controle over het leven van het kind ligt steeds minder enkel in de handen van de ouders en wordt steeds meer gedeeld. Dit heet coregulatie. Het belangrijkste hierbij is dat de ouders en kinderen samenwerken.

Ouders en leeftijdsgenoten. Zelfs wanneer de wereld van ouders en die van leeftijdsgenoten van het kind heel ver uit elkaar lijken te liggen, hebben ouders nog een zekere mate van controle over de leeftijdsgenoten waar het kind mee omgaat. Zo beslissen de ouders bijvoorbeeld waar het gezin woont, waarmee wordt bepaald in welke buurt het kind vrienden kan maken. Daarnaast zijn er meer indirecte manieren waarop ouders de omgang tussen hun kind en leeftijdsgenoten beïnvloeden. Ouders staan immers rolmodel voor de sociale interacties die hun kind heeft. Ook de sociale status van het gezin en mishandelingen van het kind hebben hun weerslag op de relaties tussen het kind en leeftijdsgenoten. Zo leidt mishandeling vaker tot afwijzing door leeftijdsgenoten.

Scheiding. Veertig tot vijftig procent van de huwelijken in Amerika mondt uit in een scheiding, waardoor ruim één miljoen kinderen jaarlijks wordt beïnvloed. In andere landen ligt het scheidingspercentage lager, maar er is een stijgende trend te zien. Kinderen van gescheiden ouders hebben een grotere kans om problemen te hebben op school, om depressief of ongelukkig te zijn, op een lagere zelfwaardering en om minder sociaal vaardig te zijn. Dit kan komen doordat een scheiding vaak leidt tot een lagere sociaal economische status en doordat ouders ineens alleen moeten doen wat ze voorheen samen deden (dit geldt vooral voor scheidingen met eenhoofdig ouderlijk gezag). Er zijn echter ook andere verklaringen, bijvoorbeeld dat er een genetische component meespeelt en dat er sprake is van selectie: ouders die al (psychologische) problemen hebben, hebben een grotere kans op een scheiding.

 

Oefenvragen Hoofdstuk 13: De sociale en emotionele ontwikkeling in de moderne kindertijd

1. Welke belangrijke ontwikkeling wordt in de midden kindertijd doorgemaakt m.b.t. sociale controle?

2. Voor welke uitdaging staan kinderen in de midden kindertijd?

3. Waar wordt het zelfconcept steeds meer op gebaseerd naarmate een kind ouder wordt?

4. Wat is zelfwaardering?

5. Welke 3 ouderkarakteristieken zijn van invloed op een hoge zelfwaardering in de midden kindertijd?

6. Wat is autonome moraliteit?

7. Welke niveaus heeft de theorie van Kohlberg over morele ontwikkeling?

8. Wat is prosociaal moreel redeneren?

9. Wat is het verschil tussen een objectieve en een subjectieve kijk op verantwoordelijkheid?

10. Op basis van welke twee aspecten kun je een sociale structuur bekijken?

11. Wat wordt bedoeld met afgewezen kinderen?

12. Wat wordt bedoeld met verwaarloosde kinderen?

13. Wat wordt bedoeld met controversiële kinderen?

14. Hebben kinderen een voorkeur voor een beste vriend van het eigen geslacht of van het ander geslacht?

15. Wat is vriendschapsbegrip?

16. Wat zijn vriendschapsvaardigheden?

17. Wat is vriendschapswaarde?

19. Wat is het sociale reparatie mechanisme?

20. Wat is coregulatie?

De fysieke en cognitieve ontwikkeling in de adolescentie (14)

 

 

De complexe ontwikkelingen gedurende de puberteit hangen samen met de grote veranderingen in de manier waarop adolescenten denken. Door nieuwe cognitieve mogelijkheden moeten adolescenten complexe problemen oplossen, abstract kunnen denken en beslissingen kunnen nemen die alles en iedereen om hem heen kunnen beïnvloeden. Tegelijkertijd staan adolescenten bekend als het hebben van een slecht beoordelingsvermogen, als het nemen van grote (levensbedreigende) risico’s en als het spelen met hun gezondheid.

Adolescenten en de maatschappij

De relatie tussen adolescenten en de maatschappij is net zo complex als de ontwikkeling van adolescenten zelf. Dit komt doordat adolescenten zich bevinden in een soort grijs gebied tussen het kind zijn en de volwassenheid. De maatschappij maakt het er niet makkelijker op, aan de ene kant worden adolescenten verantwoordelijkheden opgelegd die bij de volwassenheid horen, aan de andere kant mogen adolescenten bepaald volwassen gedrag, zoals seksualiteit, nog niet tonen.

Adolescenten in de moderne maatschappij. Door de industrialisatie aan het einde van de achttiende eeuw, kwamen veel adolescenten naar de steden om te werken. Er kwam daarnaast steeds meer vraag naar werknemers die wat hoger waren opgeleid, waardoor ook scholing steeds belangrijker werd in de maatschappij. Omdat adolescenten langer op school bleven, moest ook het schoolsysteem worden aangepast. Docenten moesten nieuwe lesmethoden ontwikkelen om ook adolescenten les te kunnen geven. Doordat adolescenten langer werden onderwezen, schoof de leeftijd dat ze een gezin gingen beginnen op. Dit had invloed op bijvoorbeeld het gezin waar de adolescent in opgroeide; de adolescent bleef hier immers langer wonen. Tegenwoordig is dit een heel normaal verschijnsel: adolescenten worden wat later volwassen aangezien ze wat later op eigen benen gaan staan: de verlengde adolescentie. Hierdoor wordt er bediscussieerd of er geen nieuw ontwikkelingsstadium is ontstaan: de opkomende volwassenheid. Dit stadium bereiken adolescenten tussen het achttiende en 25e levensjaar in technisch vergevorderde maatschappijen.

Biologische theorieën over de ontwikkeling van adolescenten

G. Stanley Hall. G. Stanley Hall was de eerste directeur van de American Psychological Association (APA) en was een belangrijk figuur in de ontwikkelingspsychologie. Nog steeds worden twee aspecten van zijn gedachtengoed in stand gehouden:

  • De adolescentie is een tijd waarin emoties hoog oplopen en van tegenstrijdigheden. De adolescentie is een tijd van storm en stress en rondrazende hormonen.

  • Het stadium van de adolescentie is een resultaat van de evolutie. Hall zag adolescenten als de toekomst van het menselijk ras.

Sigmund Freud. Freud zag de adolescentie als een apart stadium omdat een individu in deze levensfase de biologische imperatief van het voortbrengen van nakomelingen bereikt. Geslachtsgemeenschap wordt een belangrijke motivator van gedrag. Freud zag de adolescentie dan ook als het begin van het genitale stadium. Volgens Freud wordt de emotionaliteit gedurende de adolescentie veroorzaakt door een strijd tussen het id, het ego en het superego. Eén van de belangrijkste taken in de adolescentie is dan ook het zorgen voor een balans tussen deze drie onderdelen van je persoonlijkheid op een meer volwassen manier.

Moderne theorieën over de biologische ontwikkeling. De groeispurt is een snelle verandering in lichaamslengte en –gewicht wat de start van de puberteit aangeeft. De groeispurt van meisjes start meestal rond 7½ jaar, die van jongens rond 10½ jaar. Gek genoeg lijkt de mens het enige primaat die zo’n groeispurt op dit moment in de ontwikkeling doorloopt. Wat wel opvalt, is dat de groei van mensen tot aan de puberteit, ruim achter blijft op die van primaten.

Puberteit

De puberteit beschrijft een serie van biologische ontwikkelingen waardoor een mens van fysieke onvolwassenheid biologisch volwassen wordt en waardoor een mens zich kan gaan voortplanten. Het duurt ongeveer drie tot vier jaar om de puberteit te voltooien. De puberteit start met een chemische reactie die wordt afgegeven door de hypothalamus in de hersenen, waardoor je meer groeihormonen gaat produceren. Ook de groei van geslachtsorganen wordt hierdoor gestimuleerd.

De groeispurt duurt ongeveer twee tot drie jaar en gedurende deze tijd vindt 45 procent van de skeletgroei plaats. Bijna veertig procent van de totale bottenmassa wordt in deze periode gevormd. Een jongen wordt zo’n negen inch (23 centimeter) en een meisje zo’n zes tot zeven inch (vijftien tot achttien centimeter) langer. Aan het einde van de groeispurt is 98 procent van de uiteindelijke lichaamslengte bereikt. De groeispurt verschilt voor de verschillende lichaamsdelen. Zo groeit de bovenste helft van een jongenslichaam ongeveer een jaar langer door dan de benen. Dit kan leiden tot een slungelig uiterlijk en een onhandige motoriek. Jongens krijgen bredere schouders en meer spierontwikkeling. Bij meisjes worden de heupen breder en beginnen de borsten te groeien.

Voor de puberteit zijn jongens en meisjes ongeveer even sterk. Na de puberteit lijken jongens niet alleen sterker, ze zijn het ook. Jongens kunnen ook langer sporten doordat ze een groter hart en grotere longen ontwikkelen. Daar staat tegenover dat meisjes gemiddeld gezonder zijn, langer leven en beter tegen chronische stress kunnen.

De seksuele ontwikkeling kan worden opgedeeld in twee onderdelen:

  • Het rijpen van de primaire seksuele karakteristieken, dit zijn de voortplantingsorganen of de gonaden.

Niet alleen worden er eitjes en sperma geproduceerd, er worden ook hormonen afgegeven, voornamelijk oestrogeen en testosteron. Beiden zijn aanwezig in zowel mannen als vrouwen, maar vrouwen produceren meer oestrogeen en mannen meer testosteron. Gedurende de puberteit worden de testosteronlevels bij jongens ongeveer achttien keer hoger dan in de midden kindertijd.

De eerste ejaculatie, semenarche genoemd, gebeurt vaak spontaan tijdens de slaap (natte droom). Tot een jaar na de eerste ejaculatie is de sperma minder vruchtbaar dan later in de adolescentie en in de vroege volwassenheid.

Bij meisjes verachtvoudigd de oestrogeenproductie tijdens de puberteit ten opzichte van de midden kindertijd. Samen met het hormoon progesteron worden de eierstokken gestimuleerd eicellen te produceren. De eerste menstruatie, menarche genoemd, begint relatief gezien pas laat in de puberteit, ongeveer achttien maanden nadat de groeispurt zijn piek heeft bereikt. Ongeveer één tot anderhalf jaar na de eerste menstruatie wordt de menstruatie regelmatig. Een belangrijke ontwikkeling is die van het geboortekanaal. Omdat deze pas is uitontwikkeld rond het achttiende levensjaar, is het voor tienermeisjes lastiger en gevaarlijker om een kind te krijgen.

  • Het ontstaan van de secundaire seksuele karakteristieken, dit zijn de zichtbare trekken, zoals borsten en baardgroei, waardoor je mannen en vrouwen van elkaar kunt onderscheiden.

De secundaire seksuele karakteristieken zijn belangrijk omdat ze vruchtbaarheid aangeven en omdat ze seksuele responsen in anderen triggeren. In tabel 14.1 op pagina 516 kun je zien welke karakteristiek op welk moment ontstaat of groeit.

De hersenontwikkeling. Nieuwe technologieën hebben aangetoond dat de hersenontwikkeling doorgaat in de puberteit en de vroege volwassenheid. Rond het vijfde levensjaar heeft het brein al negentig procent van zijn uiteindelijke gewicht behaald. In de adolescentie worden de hersenen dus niet veel groter. Wel zijn er in deze periode grote veranderingen in de organisatie en het functioneren:

  • Veranderingen in de cerebrale cortex. De cerebrale cortex blijft groeien tot in de vroege volwassenheid. Neuropsychologisch onderzoek in de adolescentie focust zich voornamelijk op de frontale gebieden, waar vergevorderde processen zoals geheugen en redeneren plaatsvinden. Direct achter je voorhoofd ligt de prefrontale cortex. Hier zetelen de mogelijkheden om je gedachten, gevoelens en je gedrag te controleren en te reguleren: het executief functioneren. Er zijn twee soorten veranderingen in de prefrontale cortex: de hoeveelheid witte stof (myeline) neemt toe en de hoeveelheid grijze stof (cellichamen met dendrieten en axonen) neemt eerst toe en vervolgens af.

  • Veranderingen in het limbisch systeem. Het limbisch systeem bestaat uit de amygdala, de hippocampus, de basale ganglia en de hypothalamus. Het limbisch systeem wordt vaak het emotionele brein genoemd omdat deze structuren zich meer met emoties dan met redeneren bezighouden. Dit in tegenstelling tot de cerebrale cortex, wat ook wel eens het redenerende brein wordt genoemd. Let wel: beide onderdelen van de hersenen delen of werken samen met een aantal functies, waardoor je geen exact onderscheid kunt maken.

  • Hersenen en gedrag. Er lijkt een sterke relatie te zijn tussen de hersenontwikkeling en het gedrag in de adolescentie, voornamelijk wat betreft risicovol gedrag. Dit komt onder andere doordat de cortex, verantwoordelijk voor impulscontrole, het nemen van beslissingen en redeneren, pas uitontwikkeld is in de vroege volwassenheid.

Puberale hormonen hebben een groot effect op de organisatie van de hersenen. Ze zorgen voor grote structurele hersenveranderingen. Er lijken ook effecten te zijn op de synaptogenese, het synaptisch prunen en de myelinisatie.

 

Het neuro-hormonale systeem. De puberteit leidt tot de activatie van de HPG-as. HPG staat voor hypothalamic pituitary gonadal. De HPG-as is verantwoordelijk voor lichaamsgroei en –functies. De hypothalamus stuurt de HPG-as aan en is verantwoordelijk voor de regulatie van bijvoorbeeld honger en dorst en voor de connectie tussen het zenuwstelsel en het endocrine systeem (een hormonaal netwerk dat verantwoordelijk is voor je stemming, metabolisme en groei).

De HPG-as zorgt voor de start van de puberteit. Tot kort geleden werd gedacht dat het hormoon leptine hier verantwoordelijk voor was. Naarmate het lichaamsvet toeneemt, produceer je meer leptine, wat van invloed is op je eetlust en metabolisme. Deze aanname lijkt te kloppen, omdat in minder ver ontwikkelde landen de puberteit later inzet dan in ontwikkelde landen. Toch is gebleken dat iets anders, namelijk het eiwit kisspeptine verantwoordelijk is voor het starten van de puberteit. De productie van kisspeptine wordt beïnvloed door zowel leptine als door de sekshormonen oestrogenen en androgenen.

De timing van de puberteit. Het moment waarop de puberteit begint verschilt tussen culturen, maar zelfs binnen culturen zijn er duidelijke verschillen. Je spreekt van vroege maturatie wanneer puberale gebeurtenissen plaatsvinden voor het 3e percentiel van de normale range. Je spreekt van late maturatie wanneer puberale gebeurtenissen plaatsvinden na het 97e percentiel van de normale range. Aan zowel vroege als late maturatie kunnen langdurige sociale en psychische consequenties hangen.

De timing van de puberteit wordt voor een belangrijk deel bepaald door genetische factoren. De leeftijd waarop de ouders begonnen aan hun puberteit is de beste voorspeller voor de timing van de puberteit van het kind. Variatie in timing wordt ook veroorzaakt door geslacht en etniciteit. De timing kan daarnaast worden beïnvloed door psychische en emotionele stressoren.

Vroegrijpe puberteit is een belangrijke stoornis waarbij de HPG-as wordt geactiveerd voor het achtste (meisjes) of negende (jongens) levensjaar. Vroegrijpe puberteit leidt tot een verhoogd risico op ziekten zoals kanker, diabetes en overgewicht. De prevalentie ligt rond de 1:5 000 en 1:10 000 en meisjes hebben een vijf tot tien keer zo hoge kans dan jongens.

Meisjes die te maken krijgen met vroege maturatie hebben vaak negatieve consequenties (zoals aandacht van veel oudere jongens, te hoge verwachtingen, angsten en delinquentie), terwijl jongens die te maken krijgen met vroege maturatie vaak als stoer worden gezien. Toch zijn er ook voor jongens met vroege maturatie een aantal negatieve aspecten (zoals delinquentie en academische problemen).

De gemiddelde leeftijd van seksuele rijpheid hangt samen met de gezondheid van de algemene populatie. Er zijn historische veranderingen waar te nemen in de startleeftijd van de puberteit, dit wordt de secular trend genoemd: de gemiddelde startleeftijd van de puberteit is afgenomen in zowel de ontwikkelde als in de minder ontwikkelde landen.

De puberteit en gezondheid. Wereldwijd wordt de adolescentie gezien als een periode van goede gezondheid. Adolescenten hebben minder infecties, chronische ziekten en levensbedreigende ziekten dan kinderen en ouderen. Toch is er ruimte voor verbetering:

  • Voeding. Tijdens de adolescentie heb je meer voeding nodig dan tijdens welke andere periode in je leven dan ook. Rond de piek van de groeispurt heeft het lichaam twee keer zoveel voeding nodig dan op een ander punt in de adolescentie. Goede voeding tijdens de adolescentie is ook van belang voor het latere leven als preventie voor bijvoorbeeld hartziekten en kanker. Helaas bestaat de gemiddelde voeding van adolescenten steeds minder uit vitaminen en mineralen en steeds meer uit vet en suiker.

  • Slaap. Veel adolescenten slapen te weinig. Ze hebben de neiging langer op te blijven en langer uit te slapen. In weekenden is deze verschuiving niet zo problematisch, maar doordeweeks is het lastiger als adolescenten laat naar bed gaan en vroeg op moeten vanwege schoolse verplichtingen. Doordat dit leidt tot vermoeidheid, gaan veel adolescenten stimulantia (zoals sigaretten en cafeïne) gebruiken. Doordat adolescenten veel te laat naar bed gaan in vergelijking met de tijd waarop ze moeten opstaan, ontstaat er chronische slaapdeprivatie. Dit heeft grote effecten op de schoolprestaties. Naast slaapdeprivatie is er in de adolescentie nog een belangrijke verandering in het slaappatroon: adolescenten hebben meer REM (rapid eye movement) slaap en minder non-REM (diepe) slaap.

  • Fysieke activiteiten. Naast goed eten en veel slapen, is ook beweging van groot belang. Het welzijn van adolescenten die veel bewegen is hoger dan het welzijn van adolescenten die weinig bewegen. Veel bewegen zorgt voor minder depressie, minder drugsgebruik, een betere relatie met de ouders en betere academische prestaties.

De cognitieve ontwikkeling

Piagets theorie van de formele operaties. De manier waarop adolescenten denken over zichzelf, de persoonlijke relaties van adolescenten en de basis van hun samenleving komen samen in de formele operaties. Een operatie is een mentale handeling die in een logisch systeem past. In het formeel operationele stadium heeft de adolescent de kennis om systematisch over alle logische relaties in een probleem na te denken. Er is interesse in abstracte ideeën en in het denkproces zelf.

Een belangrijk onderdeel van wetenschappelijk denken is het hypothetisch-deductief redeneren. Hierdoor kun je een argument beoordelen enkel op zijn logische vorm, ongeacht of het argument waar is. Adolescenten van een jaar of elf tot twaalf die het formeel operationele stadium hebben bereikt, kunnen dit, terwijl kinderen in de midden kindertijd die in het concreet-operationele stadium zitten, dit nog niet kunnen.

Wanneer een nieuw stukje informatie een bestaand stukje informatie verstoort, ontstaat er volgens Piaget een cognitief conflict of een cognitieve onbalans. Door het conflict op te lossen, ontstaat er een beter niveau van begrip. Op deze manier leiden cognitieve conflicten tot intellectuele ontwikkeling. Cognitieve conflicten ontstaan vaak door sociale interactie, dus sociale interactie leidt indirect tot intellectuele ontwikkeling, dit heet het sociocognitieve conflict.

Het formeel operationele stadium blijkt geen universeel stadium te zijn en kan alleen worden bereikt tot veel scholing en zelfs dan bereikt lang niet iedereen dit stadium. Daarnaast gebruiken veel mensen wel formeel operationele strategieën, maar passen ze deze niet toe in alle situaties.

De epistemische ontwikkeling gaat over de verandering in hoe mensen redeneren over de oorsprong van hun kennis. Hoe weet je dat iets waar is, dat je het kunt geloven, is hierbij een belangrijke vraag. Een objectivistische kennistheorie betekent dat kennis bestaat uit een opeenstapeling van objectieve feiten en definitieve antwoorden. De subjectivistische kennistheorie houdt in dar er geen absolute waarheid is, aangezien deze kan veranderen op basis van je eigen perspectief. De evaluativistische kennistheorie houdt in dat, hoewel de waarheid kan veranderen, er altijd een bepaalde standaard aan onderliggend is. In de epistemische ontwikkeling redeneer je eerst volgens de objectivistische kennistheorie, vervolgens leer je de subjectivistische theorie om uiteindelijk de evaluativistische kennistheorie aan te nemen. Er kunnen hierin culturele verschillen optreden.

Informatieverwerkingsbenaderingen. In de informatieverwerkingsbenaderingen wordt de nadruk gelegd op de manier waarop het systematisch kunnen denken in de adolescentie ontstaat uit de vergrote capaciteit van het werkgeheugen en het kunnen toepassen van betere probleemoplossende strategieën. Het is van groot belang een beter begrip te krijgen van de manier waarop adolescenten denken, bijvoorbeeld voor docenten en in verband met problemen met de wet (moet een adolescent worden berecht als een jongere of als een volwassene?). Het is ook van belang te weten hoe een adolescent beslissingen neemt omdat je hieraan kunt afleiden of de adolescent wel informed consent kan geven. Uit onderzoek blijkt echter dat het lastig is om een grens te leggen tussen op welke leeftijd een adolescent wel een goede beslissing kan nemen en op welke leeftijd een adolescent dit nog niet kan.

Morele ontwikkeling

In de adolescentie is moreel gedrag van groot belang. De manier waarop wordt nagedacht over vragen als ‘wat is goed’, ‘wat is fout’ en ‘hoe moet ik het gedrag van anderen beoordelen’ ondergaat tussen het twaalfde en negentiende levensjaar een grote verandering.

Kohlbergs theorie van morele ontwikkeling. Moreel redeneren ontstaat in drie niveaus, welke alle drie zijn opgedeeld in twee stadia (tabel 14.7 op pagina 540). Volgens Kohlberg bevindt het moreel redeneren zich in de adolescentie op het conventionele niveau in het vierde stadium (wettelijke moraliteit), maar blijft het derde niveau (de goede-kind moraliteit) dominant tot ongeveer het 25e levensjaar. De overgang naar het vijfde stadium (sociaal contract redeneren) wordt pas bereikt in de vroege volwassenheid en maar door heel weinig mensen. Mensen die uiteindelijk in het zesde stadium terecht komen, zijn helemaal zeldzaam, maar er zijn wel enkelen bekend.

Gilligans theorie van morele ontwikkeling. Een belangrijk punt van kritiek op de hiervoor genoemde theorie van Kohlberg is dat hij een te smalle kijk heeft op de oorsprong van moraliteit. Gilligan noemde Kohlbergs idee over moraliteit de moraliteit van gerechtigheid, het gaat dan om de moraliteit van goedheid, eerlijkheid en gelijkheid. Volgens Gilligan wordt hiermee een andere vorm van moraliteit verwaarloosd: de moraliteit van zorg. Hier gaat het om de moraliteit van relaties, mededogen en sociale verplichtingen.

De bijdragen van ouders en leeftijdsgenoten aan de morele ontwikkeling. Kohlberg dacht dat ouders een kleine rol spelen in de morele ontwikkeling van hun kinderen en dat de morele groei vooral wordt gevoed door de omgang met leeftijdsgenoten. Andere onderzoekers spreken tegen dat ouders weinig invloed uitoefenen. Zo heeft de ouderschapsstijl invloed op de mate van rijpheid van de moraliteit.

Culturele variaties in moreel redeneren. Mensen die in kleine, niet ver-ontwikkelde dorpen wonen en geen scholing krijgen, komen vaak niet verder dan het derde stadium van de theorie van Kohlberg. Ze blijven vaak steken op het eerste niveau, op het eerste of tweede stadium. Volgens Kohlbergs theorie zouden deze mensen minder moraliteit moeten hebben dan mensen die een hoger niveau hebben van moreel redeneren. Toch ontkende Kohlberg dit.

Onderzoek heeft aangetoond dat er een universele basis is voor moreel redeneren wat recht en goed en slecht betreft. Er zijn wel culturele verschillen in moraliteit wat betreft bijvoorbeeld sociale conventies en persoonlijke keuzes.

De relatie tussen moreel redeneren en moreel handelen. Onderzoek laat sterke correlaties zien tussen perspectief nemende vaardigheden, sympathie en prosociaal redeneren.

 

Oefenvragen Hoofdstuk 14: De fysieke en cognitieve ontwikkeling in de adolescentie

1. Welke tweestrijd in adolescenten wordt veroorzaakt door de maatschappij?

2. Wat wordt bedoeld met de opkomende volwassenheid?

3. Welke twee aspecten van het denkgoed van Hall worden nog steeds in stand gehouden?

4. Hoe zag Freud de adolescentie?

5. Waarmee start de puberteit?

6. Waardoor wordt de groeispurt gestart?

7. Wat zijn de primaire seksuele karakteristieken van jongens en meisjes?

8. Wat zijn de secundaire seksuele karakterstieken van jongens en meisjes?

9. Wat is de semenarche?

10. Wat is de menarche?

11. Waar zorgen de ontwikkelingen in de prefrontale cortex voor?

12. Waar zorgen de ontwikkelingen in het limbisch systeem voor?

13. Waar zorgt de HPG-as voor?

14. Wat is kisspeptine?

15. Wat is vroegrijpe puberteit?

16. Hebben adolescenten meer REM of meer non-REM slaap?

17. Wat zijn formele operaties?

18. Wat is hypothetisch-deductief redeneren?

19. Wat is het sociocognitieve conflict?

20. Welke drie kennistheorieën worden in het hoofdstuk genoemd?

21. Wat was de kritiek van Gilligan op de theorie van Kohlberg?

 

 

De sociale en emotionele ontwikkeling in de adolescentie (15)

 

De emotionele ontwikkeling in de adolescentie

De adolescentie wordt vaak gezien als een periode vol emotionele hoogte- en dieptepunten en als een periode met impulsgestuurd gedrag.

Het ervaren van emoties. Het is lastig te onderzoeken of de adolescentie echt zo’n emotionele achtbaan is als wordt beweerd. Een manier om de emotionele ontwikkeling in de adolescentie te onderzoeken is met de experience sampling method (ESM), waarbij proefpersonen elektronische piepers dragen die random aangeven wanneer ze een korte vragenlijst over hun gevoelens in moeten vullen. Uit dit soort onderzoek is gebleken dat de emotionele staat in type en in intensiteit verandert door de adolescentie heen. Wat opvallend was, was dat adolescenten in ongeveer zeventig procent van de tijd positieve emoties rapporteerden. Gemiddeld werden dagelijkse emoties wel wat minder positief naarmate de adolescentie vorderde. Dit kwam voornamelijk door een vermeerdering van de negatieve emoties. Meisjes hebben in de adolescentie wel meer positieve emoties dan jongens. Er zijn geen aanwijzingen dat adolescenten periodes hadden waarin ze extra gevoelig waren voor stress of bepaalde levensgebeurtenissen. Naar mate de adolescentie vordert, worden emoties minder intens en is er minder fluctuatie te zien.

Emotieregulatie. Een belangrijke verklarende factor voor het minder intens en stabieler worden van emoties later in de adolescentie is het beter kunnen controleren en reguleren van de emoties. Impulscontrole, inhibitie en vasthoudendheid zijn belangrijke onderdelen van emotieregulatie. Adolescenten die moeite hebben met emotieregulatie hebben vaker depressies, angst en verschillende sociale en gedragsproblemen.

Het reguleren van emoties wordt gedaan door een complexe wisselwerking tussen biologische en socioculturele processen. Er zijn twee belangrijke biologische processen:

  • Een overvloed aan puberale hormonen in de vroege adolescentie.

  • Een groeispurt in de hersenen, veroorzaakt door hormonen in de vroege adolescentie, die pas in de late adolescentie is afgelopen.

Verschillende onderzoeken suggereren van puberale hormonen worden geassocieerd met de intensiteit van emoties en verantwoordelijk zijn voor het sensatie zoeken (het verlangen deel te nemen aan opwindende activiteiten).

De manier waarop adolescenten hun emoties reguleren hangt sterk af van de sociale en culturele context waarin de adolescent opgroeit. Gezinnen spelen hier bijvoorbeeld een belangrijke rol in. Ook het geslacht speelt een belangrijke rol in de emotieregulatie: vrouwen worden meer emotioneel beschouwd dan mannen. De kloof tussen jongens en meisjes wordt steeds groter in de adolescentie, waarin meisjes aanzienlijk vaker huilen dan jongens. Er lijkt wel sprake te zijn van cultuurverschil: in culturen of gezinnen waar het meer geaccepteerd is dat jongens huilen, zal dit ook vaker gebeuren. Op een onderzoek naar schaamte was er maar één item waar jongens bijvoorbeeld hoger op scoorden dan meisjes: ‘ik schaam me als ik huil’.

De relatie met leeftijdsgenoten

Aan het begin van de adolescentie verandert de interactie met leeftijdsgenoten enorm. Ten eerste verandert de tijd die adolescenten doorbrengen met leeftijdsgenoten: ze brengen veel meer tijd met leeftijdsgenoten door dan met hun ouders. Ten tweede zijn de activiteiten van adolescenten meestal niet meer onder toezicht. Vriendengroepen vergroten en worden meer divers en de intensiviteit van vriendschappen neemt enorm toe.

Vriendschappen. Een vriendschap refereert aan een nabije relatie tussen twee individuen. Vriendschappen tussen adolescenten zijn wederkerig (zowel emotioneel als in activiteiten), betrokken (loyaliteit, trouw) en gebaseerd op gelijkheid.

De vriendschappen van adolescenten hebben twee belangrijke ontwikkelingsfuncties:

  • Intimiteit, het bevredigen van de band tussen twee individuen door een combinatie van gedeelde gevoelens, gedachten en activiteiten.

  • Autonomie, jezelf in de hand kunnen houden en aandacht hebben voor je eigen behoeften.

Een vriendschap met een goede balans tussen intimiteit en autonomie heeft een positieve invloed op de sociale en persoonlijkheidsontwikkeling van adolescenten.

Vriendschap is zowel voor jongens als voor meisjes in de adolescentie erg belangrijk. Toch zijn er verschillen tussen jongens- en meisjesvriendschappen. Zo zijn meisjesvriendschappen intenser en meer intiem. Er zijn verschillende verklaringen bedacht door wetenschappers. Eén daarvan is die van homofobie: angst voor homoseksualiteit.

Een ander verschil tussen jongens- en meisjesvriendschappen ligt in de competitie; jongensvriendschappen hebben meer vriendschappelijke competitie dan meisjesvriendschappen. De genderverschillen in vriendschappen wijzen op verschillende doeloriëntaties. Meisjes hebben een meer gemeenschappelijk doel, terwijl het doel van jongens meer ligt in dominantie en zelfinteresse.

Kliekjes en crowds. Een vriendschap is de kleinste vorm van interactie met leeftijdsgenoten. In de adolescentie komen er twee soorten interacties bij: die van kliekjes en die van crowds. Dit zijn sociale groepen adolescenten, bijvoorbeeld gebaseerd op leeftijd of onderwijs. Kliekjes zijn klein en intiem en hebben de functie te zorgen voor de behoeften op het gebied van emoties en veiligheid. Een kliekje heeft ongeveer vijf tot zeven leden die relatief goede vrienden zijn. Er is een interne structuur met een leider die wat volwassener is en meer sociale banden heeft met de rest van de leden. In de vroege adolescentie zijn leden van kliekjes vaak van hetzelfde geslacht, in de loop van de adolescentie zijn kliekjes vaker gemixt. De meeste adolescenten horen bij verschillende kliekjes.

Een crowd is een grotere vriendengroep en voorziet in mogelijkheden om nieuwe mensen te ontmoeten en je sociale identiteit te onderzoeken. Een voorbeeld hiervan is een groot feest. Crowds hebben meestal een eigen doel, eigen normen en eigen waarden. Daarnaast kan een crowd worden gelabeld, bijvoorbeeld als een etnische groep of bijvoorbeeld als ‘nerds’ of ‘populair’. Het onderdeel uitmaken van een bepaalde crowd kan van zowel positieve als negatieve invloed zijn op iemands sociale status.

Druk van leeftijdsgenoten en conformiteit. Conformiteit of de mate waarin vrienden gelijk aan elkaar zijn, wordt ook wel homofilie genoemd. Vooral middelbare schoolleerlingen zoeken vrienden waarmee ze veel overeenkomsten hebben. Er is zowel sprake van selectie als van socialisatie. Selectie in vrienden die gelijk aan je zijn, socialisatie bekrachtigd de gelijkenis doordat je dit soort activiteiten samen onderneemt.

Afwijkend gedrag kan worden versterkt door relaties met leeftijdsgenoten. Deviantie training vindt plaats wanneer een adolescent reageert op een gesprek over regel brekend gedrag of afwijkend gedrag van vrienden door te lachen of door op een andere positieve manier te reageren. Deviantie training heeft een voorspellende waarde voor een verhoging van gewelddadig gedrag en voor een vermeerdering van middelenmisbruik. Deviantietraining suggereert ook dat groepstherapie over afwijkend gedrag meer kwaad dan goed kan doen aangezien tieners delinquent gedrag van elkaar positief bekrachtigen.

Romantische relaties. In veel culturen is een belangrijke taak van de leeftijdsgroep te voorzien in een romantische relatie. Het proces van romantische relaties doorloopt een aantal stadia: de kliekjes van dezelfde sekse maken ruimte voor gemixte kliekjes in de midden adolescentie. In deze tijd rapporteert de helft van de adolescenten intense romantische relaties. Er zijn wel belangrijke historische en culturele verschillen in romantische relaties onder adolescenten. In de meeste landen veranderd het kliekje niet meer in een groepje adolescentenkoppels die zich klaar maken om te gaan trouwen, zoals in de jaren vijftig van de vorige eeuw het geval was. Daarnaast vinden romantische relaties zich in het huidige tijdsbeeld plaats naast andere relaties met leeftijdsgenoten. Culturen laten grote variaties zien in de mate waarin ze voorzien in romantische relaties en deze ondersteunen.

Seksuele relaties

In de ogen van een adolescentenjongen bepaalt je maagdelijkheid of je als jongen of als man wordt gezien. Jongens in deze leeftijd zien seks als een soort competitie: de eerste die ‘het’ gedaan heeft, wint. Voor vrouwen is het een stuk lastiger; enerzijds wordt een vrouw met veel seksuele relaties gezien als slet, terwijl anderzijds een vrouw zonder seksuele relatie wordt gezien als preuts.

In veel culturen wordt er niet openlijk over seksualiteit gesproken. Als er over gesproken wordt, wordt er veelal in een waarschuwende vorm over seks gesproken, bijvoorbeeld in het geval van seksueel overdraagbare aandoeningen (Soa’s). Dit zijn infecties die kunnen ontstaan door seksueel contact.

Leren over seks. Adolescenten kunnen leren over seksualiteit van verschillende bronnen: ouders, leeftijdsgenoten, de media, speciale onderwijsprogramma’s enzovoorts. Daarnaast kunnen adolescenten leren over seksualiteit door middel van verschillende sociale processen. Er zijn grote verschillen in gezinnen, etniciteiten en culturen in hoeverre er over seksualiteit wordt gesproken. Maatschappijen waar seksualiteit onder adolescenten geaccepteerd is, hebben meestal lagere niveaus van tienerzwangerschap en Soa’s onder de jeugd dan maatschappijen waar seksualiteit onder jongeren minder geaccepteerd is.

De eerste keer. Er zijn wereldwijd verschillen in de gemiddelde leeftijd waarop adolescenten voor het eerst gemeenschap hebben. Ook zijn er genderverschillen: in Amerika en in veel West Europese landen zijn jongens wat eerder dan meisjes, terwijl het in veel andere landen juist omgekeerd is.

Onderzoek in Amerika wijst uit dat jongens vaak positiever zijn over ‘de eerste keer’ dan meisjes.

Relatie met ouders

Tussen het einde van de basisschool en halverwege de middelbare school vermindert de tijd die adolescenten met hun ouders doorbrengen met vijftig procent. Adolescenten vragen leeftijdsgenoten steeds vaker om advies en steun dan hun ouders. Daarnaast verandert het leven van ouders ook: ze hebben meer verantwoordelijkheden op het werk, ze zijn misschien mantelzorger voor hun ouders en ze worden fysiek wat minder sterk. Doordat zowel adolescenten als ouders stress ervaren, is het ook niet zo gek dat er in deze periode conflicten ontstaan.

Conflicten tussen adolescenten en hun ouders. Tieners zitten gevangen tussen twee werelden; die van kindertijd afhankelijkheid en die van volwassen verantwoordelijkheid. De frequentie en de intensiteit van conflicten tussen adolescenten en hun ouders verandert over tijd. Er is een piek te zien in de vroege adolescentie die daarna afneemt. Conflicten gaan meestal over hele simpele kwesties. Veel conflicten hangen samen met verschillende ideeën over wat bij je persoonlijkheid hoort. Een ouder kan vinden dat het een regel is dat dochter of zoon zich netjes kleedt, terwijl dochter of zoon vindt dat het een persoonlijke afweging is welke kleding je aantrekt.

Invloed van ouders buiten het gezin. De soms heftige conflicten tussen ouders en adolescenten leiden zelden tot een opbreking van de relatie. Ouders hebben vaak een blijvende invloed op het leven van hun kinderen, bijvoorbeeld wat betreft het bieden van onderdak, eten en advies. Adolescenten waarbij de ouders zich meer bezighouden met gedragsmonitoring, keren vaker naar hun ouders voor advies dan naar leeftijdsgenoten. Voor adolescenten waarbij ouders het gedrag niet monitoren, is dit andersom.

Identiteitsontwikkeling

De identiteitsontwikkeling is een proces waardoor individuen een idee krijgen over wie ze zijn, welke morele en politieke voorkeuren ze hebben en welke relatie ze hebben met de maatschappij en hun cultuur.

Het ‘ik’ en het ‘mij’. Het ‘mij-zelf’ is het objectieve zelf, waar sociale rollen en relaties onder vallen. Het ‘ik-zelf’ is het subjectieve zelf waaronder de volgende dingen vallen:

  • zelfbewustzijn

  • zelfagentschap (zelf je gedachten en acties kunnen bepalen)

  • zelfcontinuïteit (je blijft dezelfde persoon over tijd)

  • zelfcoherentie (je bent een enkele volledige en gebonden entiteit)

Volgens Gergen heeft de moderne maatschappij geleidt tot een verzadigde zelf: een zelf vol van meerdere ‘mij’s’ die zijn ontstaan doordat je je in verschillende groepen naar verschillende rollen moet conformeren. Hieruit ontstaat de vraag ‘wie is de echte mij?’.

Het verkrijgen van een volwassen identiteit. Volgens Erikson is er een crisis in de adolescentie: identiteit versus rolverwarring. Hij noemde twee factoren die leiden tot een volwassen identiteit:

  • Exploratie. Het proces waarbij adolescenten actief hun mogelijke toekomstige rollen en levenswegen onderzoeken, nadenken over de keuzes die hun ouders gemaakt hebben en zoeken naar alternatieven die ze persoonlijk bevredigend vinden.

  • Toewijding. De persoonlijke betrokkenheid tot en de toewijding tot de doelen, de waarden, het geloof en het toekomstige onderdak dat de adolescent zoekt voor zichzelf.

Hieruit ontstaan vier factoren:

 

 

Wel toewijding

Geen toewijding

Wel exploratie

Identiteit bereikt

Uitstel

Geen exploratie

Identiteitsdiffusie

Uitsluiting

 

 

 

 

Het vormen van een etnische identiteit. De etnische identiteit refereert aan een idee over jezelf als een lid van een bepaalde etnische groep, inclusief de gevoelens en houding die je hebt tegenover de andere leden van die groep. Er zijn verschillende stadia die leiden tot je etnische identiteit:

  1. De niet-onderzochte etnische identiteit. Kinderen accepteren en hebben een voorkeur voor de meerderheidscultuur. Dit kan betekenen dat het kind een negatieve houding heeft tegenover de eigen cultuur.

  2. De etnische identiteitszoektocht. Vaak wordt de overgang naar dit stadium gemaakt omdat de jongere is afgewezen vanwege zijn of haar etnische achtergrond. De overgang kan ook gemaakt worden doordat de jongere ziet dat de waarden van de meerderheidsgroep niet goed zijn voor de etnische minderheidsgroep waar de jongere toe behoort. Vaak gaat de jongere actief op zoek naar informatie over de etnische groep.

  3. Het bereiken van de etnische identiteit. Adolescenten in dit stadium hebben een veilige zekerheid in hun etniciteit en een positief zelfconcept. De ontwikkeling van de etnische identiteit kan op veel manieren worden beïnvloed, bijvoorbeeld door de maatschappij, de ouders en de leeftijdsgenoten van de adolescent.

Het vormen van een seksuele identiteit. De seksuele identiteit refereert aan het zien van jezelf als heteroseksueel, homoseksueel of biseksueel. Het ontwikkelen van een seksuele identiteit kan voor de seksuele minderheidsjeugd lastig zijn. Deze jongeren ontwikkelen een seksuele identiteit die niet heteroseksueel is (homoseksueel, biseksueel of transgender). Ook hier zijn verschillende stadia te onderscheiden:

  1. Het gevoel van anders-zijn

  2. Zelfherkenning en identiteitsverwarring

  3. Identiteitsaanname

  4. Toewijding en identiteitsintegratie

Identiteit en cultuur. De perceptie dat je hoort bij een bepaalde seksuele minderheid of een bepaalde etnische groep beïnvloedt je gevoel van identiteit. Mensen met een onafhankelijk gevoel van zelf (individualistisch) zijn georiënteerd op het uniek-zijn, op het verspreiden van hun individuele doelen en op het uitdrukken van hun eigen gedachten en meningen. Mensen met een interdependent gevoel van zelf (collectivistisch) proberen in een groep te passen, verspreiden de doelen van de groep en proberen de gedachten van anderen te lezen zodat ze kunnen inspelen op hun gevoelens en behoeften.

Veel onderzoekers geloven dat de identiteitsontwikkeling zeek complex is omdat het zo dicht verbonden is met de maatschappij en de cultuur van het individu. Er zijn dus enorm veel verschillende systemen die een invloed uitoefenen op de identiteitsontwikkeling.

Gezondheid en welzijn in de adolescentie

Emotionele gezondheid. Ontwikkelingsonderzoekers maken onderscheid tussen twee soorten emotionele problemen: internaliserende problemen (verstoringen in emoties en stemming, komt meer voor bij meisjes) en externaliserende problemen (sociale en gedragsproblemen, komt meer voor bij jongens).

Verschillende studies hebben onderzoek gedaan naar de emotionele toon, het gevoel van welzijn afgezet tegen depressie en angst, bij adolescenten. Meisjes rond het vijftiende levensjaar hebben een twee keer zo grote kans als jongens op een serieuze depressie. Depressie is één van de meest voorkomende psychologische problemen in de adolescentie en wordt gekarakteriseerd door een combinatie van droefheid, apathie, hopeloosheid, een lage zelfwaardering en moeite om plezier te vinden in leuke activiteiten. Zo ongeveer alle adolescenten maken periodes van droefheid of een depressieve stemming mee. Ongeveer een kwart van de tieners voelt zich regelmatig droef. Ongeveer zestien procent van de adolescent meisjes en acht procent van de jongens voldoet aan de criteria voor een depressie.

De meest effectieve behandeling voor jongeren met een depressie of angststoornis is cognitieve gedragstherapie. Hierin worden negatieve gedachten en slecht coping gedrag omgezet in positieve gedachten en effectief coping gedrag. De adolescent leert adaptieve communicatie, probleemoplossende vaardigheden, het monitoren en reguleren van veranderende emoties en om tijd in te plannen om te relaxen en leuke dingen te doen.

In de puberteit krijgen adolescenten te maken met een vermeerdering van gewicht. Bij jongens komt dit voornamelijk door de toenemende spiermassa, bij meisjes is dit een ander verhaal; bij het neemt het lichaamsvet toe. Op basis van hun cultuur kan dit voor zowel jongens als meisjes problemen opleveren. Er bestaan verschillende eetstoornissen: anorexia nervosa, waarbij je jezelf bewust uithongert, boulimia nervosa, waarbij je veel eet gevolgd door braken en een derde stoornis, eetstoornissen die niet anders zijn omschreven, voor mensen die nog niet geheel voldoen aan de criteria voor anorexia of boulimia. In het bijzonder voor anorexia, maar eigenlijk voor alle eetstoornissen geldt dat de weg naar herstel lastig is en gepaard gaat met veel terugval.

Delinquent gedrag is een vorm van externaliserende gedragsproblemen. Er lijkt een trend te zijn waarbij steeds meer jongeren delinquent gedrag laten zien en dat ook de intensiteit bij enkele individuen versterkt wordt.

Seksuele gezondheid. Ongeveer een kwart van de jongeren in de Verenigde Staten tussen de veertien en negentien jaar heeft minstens één SOA. Ongeveer de helft van alle jaarlijks nieuw opgelopen Soa’s wordt opgelopen door jongeren. Voorbeelden van Soa’s zijn:

  • Chlamydia. Dit is de meest voorkomende gerapporteerde SOA in Amerika. Vaak wordt chlamydia niet opgemerkt, waardoor vrouwen bijvoorbeeld onvruchtbaar kunnen worden. Complicaties bij mannen zijn zeldzaam.

  • Humaan papillomavirus. Er zijn meer dan veertig verschillende vormen. Deze infecteren de huid, spiermembranen en de genitale gebieden. Bijna de helft van alle mensen krijgt dit virus eens in het leven. Het is de meest voorkomende SOA, maar zeker niet de meest voorkomende gerapporteerde SOA, omdat de symptomen vaak niet worden opgemerkt. Het virus kan in twee vormen optreden: laag en hoog risico. De meeste infecties vallen onder het lage risico, maar infecties van het hoge risico kunnen bijvoorbeeld kanker veroorzaken.

  • HIV en aids. HIV veroorzaakt aids, een dodelijke ziekte die het immuunsysteem aanvalt, waardoor het immuunsysteem geen infecties meer kan bestrijden. HIV kan worden doorgegeven door anale, orale of vaginale seks, maar ook bij het delen van naalden, prenataal of bij de geboorte of door bijvoorbeeld borstvoeding.

Positieve jongeren ontwikkeling. Het grootste gedeelte van onderzoek naar adolescenten heeft een focus op ziekten, terwijl adolescenten in het algemeen vaak juist gezonder zijn dan elke andere leeftijdsgroep. Recent wordt er steeds meer onderzoek gedaan naar de positieve jongeren ontwikkeling, waarbij er aandacht is voor de kracht en positieve eigenschappen van jongeren die bijdragen aan hun psychische gezondheid en het welzijn van hun maatschappij.

Oefenvragen Hoofdstuk 15: De sociale en emotionele ontwikkeling in de adolescentie

1. Wat is de experience sampling method en op welke manier is dit gebruikt in onderzoek bij adolescenten?

2. Welke twee processen zijn in de adolescentie betrokken bij het reguleren van emoties?

3. Wat is sensatie zoeken?

4. Welke twee ontwikkelingsfuncties hebben vriendschappen voor adolescenten?

5. Wat is homofobie?

6. Wat zijn kliekjes en crowds?

7. Wat is deviante training?

8. Op welke manier wordt in de meeste culturen gesproken over seks tegen adolescenten?

9. Op welke manier verandert de relatie tussen ouders en adolescent?

10. Uit welke dingen bestaat het ik-zelf?

11. Welke twee factoren leiden volgens Erikson tot een volwassen identiteit?

12. Welke soorten etnische identiteit zijn er?

13. Welke stadia zijn er in de ontwikkeling van seksuele identiteit?

14. Wat is een interdependent gevoel van zelf?

 

The Development of Children van Lightfoot - BulletPoints

 

 

Hoofdstuk 1: Het bestuderen van ontwikkeling

  • Er zijn 5 perioden tussen conceptie en volwassenheid: prenatale periode, babytijd, vroege kindertijd, late kindertijd en adolescentie. In elke fase worden fysieke, cognitieve, emotionele en sociale veranderingen doorgemaakt. Onderzoek naar de ontwikkeling van deze fasen (ontwikkelingswetenschap) vindt plaats in de ontwikkelingscontext.

  • In de Middeleeuwen werden kinderen gezien als kleine volwassenen (performationisme). Tijdens de industriële revolutie veranderde de visie op kinderen, dit kwam doordat kinderen niet meer op het land werkten, de gezinsgrootte afnam en de kindersterfte afnam. Ook Charles Darwin droeg bij aan de moderne visie van het kind door het menselijk gedrag in een evolutionaire context te plaatsen.

  • William Pleyer wilde gedrag wetenschappelijk gaan bestuderen. Hij wees op het belang van goede observaties en rapportage en zei dat kinderen voor aanvang van de observatie niet getraind mochten worden. Alles moest geobserveerd en gerapporteerd worden, ook al leek het irrelevant.

  • Centrale kwesties in deze tak van onderzoek waar veel discussie over bestaat is het nature nurture debat, plasticiteit, continuïteit versus discontinuïteit en individuele verschillen.

  • Er zijn verschillende theorieën over ontwikkeling. Er is een grove indeling te maken in vier perspectieven: psychodynamisch, behavioristisch, constructivistisch en socio-culturele visies. Moderne theorieën zijn evolutionaire theorieën, sociale leertheorieën, informatie-verwerkingstheorieën en systeemtheorieën.

  • Er zijn verschillende manieren om ontwikkeling te bestuderen. Data moet in ieder geval objectief, betrouwbaar, repliceerbaar en valide zijn. Datacollectie kan met naturalistische observatie, klinische interviews of een experiment. Daarbij wordt een longitudinaal, cross-sectioneel of cohort volgend ontwerp gebruikt. Belangrijk is om rekening te houden met ethiek: participanten moeten toestemming geven, anoniem blijven en vrij blijven van schade.

 

Hoofdstuk 2: De biologische en culturele oorsprong

  • Mensen onderscheiden zich van dieren in de mate waarin ze gereedschappen en technologie gebruiken om hun gedrag te organiseren en met de omgeving te interacteren. Mensen gebruiken materieel en symbolisch gereedschap. Kinderen nemen cultuur over door sociale versterking, imitatie en expliciete instructie. Kinderen hebben invloed op cultuur: culturen veranderen over de tijd. Dit is de cumulatieve culturele evolutie.

  • Evolutie is gebaseerd op erfelijkheid. Genen bevatten instructies die leiden tot de formatie van individuele trekken voor het genotype en het fenotype. Natuurlijke selectie is het proces waarbij fenotypes zich aanpassen aan hun omgeving, zo is bijvoorbeeld de duur van de zwangerschap evolutionair ontwikkeld.

  • Chromosomen bestaat uit DNA. Geslachtscellen worden gevormd door het proces van meiose en bevatten elk 23 chromosomen, de combinatie zorgt voor een nieuw mens met 46 chromosomen. Mitose is de vorming van somatische cellen.

  • Er zijn dominante en recessieve allelen en je kunt voor een bepaald allel homozygoot of heterozygoot zijn. De meeste trekken zijn het resultaat van polygenetische erfelijkheid. Mutaties zijn een bron van variatie in erfelijkheid, een voorbeeld is het downsyndroom. Er zijn ook mutaties die zich voordoen op het X en het Y chromosoom.

  • Onderzoek naar erfelijkheid wordt gedaan met verwantschapsstudies, familiestudies, tweelingstudies en adoptiestudies.

  • Een niche constructie verwijst naar de wijze waarop gedrag, activiteiten en keuzes van individuen actief bijdragen aan de verandering van hun omgeving. Dit is een sociaal proces. Ecologische erfelijkheid is de manier waarop deze niche constructie de omgeving vormt en daarmee van invloed is op de ontwikkeling van het nageslacht, waarbij je kunt denken aan selectie van leefomgeving. Co-evolutie is een wetenschap die zich bezighoudt met de interactie tussen cultuur en biologie.

 

Hoofdstuk 3: De prenatale ontwikkeling

  • Een bevruchte eicel na de conceptie is een zygote. In de prenatale ontwikkeling zijn 3 perioden: de germinale periode die duurt tot het organisme is ingenesteld in de baarmoederwand, de embryonale periode die duurt tot de 8e week van de zwangerschap en de foetale periode die duurt vanaf de 9e week tot het einde van de zwangerschap.

  • Tijdens de embryonale periode ontwikkelt het ectoderm, endoderm en mesoderm. De ontwikkeling verloopt via het cephalocaudale en proximodistale patroon. Vanaf de 7de maand is het kind levensvatbaar. Foetusen kunnen beweging detecteren vanaf de 5de maand, zien vanaf de 26ste week en horen vanaf de 5e of 6e maand.

  • Er zijn omgevingsinvloeden op de prenatale ontwikkeling. Door stress, voeding en gezondheid wordt het kind beïnvloed. Een negatieve houding van de moeder tegenover de zwangerschap kan negatieve gevolgen hebbn voor het kind. Teratogenen zijn alle omgevingsfactoren die een bedreiging voor het prenatale organisme vormen, waarvoor zes algemene principes gelden. Voorbeelden van teratogenen zijn drugs en bepaalde infectieziekten.

  • Een bevalling kent drie fasen: de ontsluitingsweeën, de geboorte van de baby en de geboorte van de placenta. Er zijn verschillende soorten pijnstilling mogelijk tijdens de bevalling. Na de bevalling wordt de baby beoordeeld op de Apgar schaal.

  • Als een kind voor de 37e week wordt geboren, is het een vroeggeboorte. Als het kind minder dan 2.5 kilo weegt heet het een laag geboortegewicht. Dit zijn serieuze implicaties voor de verdere ontwikkeling.

 

Hoofdstuk 4: De eerste drie levensmaanden

  • De schedel van een baby bestaat uit fontanellen, dit zijn zachte plekken waar nog geen botweefsel zit. Het hoofd van een baby is hierdoor extra kwetsbaar. Het maakt het wel makkelijker om het hoofd naar buiten te krijgen tijdens de bevalling.

  • Hersenveranderingen zijn belangrijk voor ontwikkelingsveranderingen. De hersenen bestaan uit neuronen, die weer zijn opgebouwd uit een axon en verschillende dendrieten. Neuronen communiceren met elkaar via ruimtes die synapsen heten en waarin neurotransmitters worden afgegeven. Een deel van de hersengroei wordt veroorzaakt door grijze stof (toename van neuronen) en een ander deel door witte stof (myelanisatie). Het centrale zenuwstelsel is verbonden met de hersenen en bestaat uit het ruggenmerg en de hersenstam. De hersenen bestaan uit vier kwabben, die elk betrokken zijn bij bepaalde functies. In de hersenontwikkeling is sprake van ervarings-verwachte en ervaringsafhankelijke processen.

  • Bij baby’s wordt op verschillende manieren onderzoek gedaan om te kijken of ze reageren op zintuiglijke prikkels. Baby’s kunnen de stem van hun moeder en hun moedertaal onderscheiden van andere geluiden. Ze geven de voorkeur aan hoge, langzame en goed gearticuleerde spraak. Baby’s zijn in staat om hele kleine klankeenheden te onderscheiden, dit vermogen neemt af als het niet meer nodig is. Het zicht van pasgeboren baby’s is ongeveer 30 centimeter. Met 7 maanden is hun visuele scherpheid hetzelfde als dat van volwassenen. Baby’s hebben een voorkeur voor objecten met patronen en geven een voorkeur aan gezichten. Ze zijn beter in het herkennen van bewegende beelden dan in foto’s. Zoete smaken hebben een kalmerend effect op baby’s, bitter eten roept een reactie op die te vergelijken is met het uitspugen van voedsel. Baby’s kunnen onderscheid maken tussen verschillende geuren.

  • Intermodale perceptie verwijst naar het gelijktijdig verwerken van zintuiglijke kenmerken van een object of gebeurtenis, waarbij deze kenmerken worden waargenomen als aan elkaar gerelateerd. Dit vermogen is aangeboren.

  • Reflexen zijn belangrijk voor de ontwikkeling van gecoördineerd gedrag. Baby’s worden geboren met verschillende reflexen die ze na een poosje kwijtraken. Piaget noemde als eerste stadium van het sensomotorische stadium het oefenen met reflexschema’s. Het resultaat is dat kinderen de reflexmatige neigingen leren beheersen en datzelfde gedrag laten zien met een bepaald doel.

  • Baby’s verschillen in temperament wat betreft bewuste controle, negatief affect en extraversie. Dit temperament is ook deels cultureel bepaald.

 

Hoofdstuk 5: De fysieke en cognitieve ontwikkeling van baby's

  • Het hoofd van baby’s is verhoudingsgewijs groter dan dat van volwassenen, dit geeft evenwichtsproblemen waardoor lopen lastig is. Ook de botten van baby’s moeten harder worden voordat ze kunnen gaan lopen. Meisjes ontwikkelen sneller dan jongens.

  • Tussen de 3 en 24 maanden is er een enorme ontwikkeling qua motoriek. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen fijne motoriek en grove motoriek.

  • Tussen 4 en 8 maanden begint de aandacht te richten op de externe wereld en ontdekken kinderen dat ze veranderingen kunnen aanbrengen. Tussen 8 en 12 maanden wordt dit gedrag doelmatig/intentioneel. Er ontstaat een besef van objectpermanentie. Tussen 12 en 18 maanden gaan kinderen dingen ontdekken en tussen 18 en 24 maanden ontstaan mentale representaties.

  • Kinderen van 4 maanden hebben al enig begrip van aantallen. Ze kunnen de hoeveelheden 1 tot 3 in een oogopslag van elkaar onderscheiden. Ze hebben begrip van causaliteit en enig vermogen tot categoriseren.

  • Aandacht verloopt in 4 fasen. Het geheugen van baby’s neemt sterk toe gedurende het eerste levensjaar. Het impliciet geheugen ontwikkelt anders dan het expliciet geheugen.

 

Hoofdstuk 6: De sociale en emotionele ontwikkeling van baby's

  • Emoties hebben een fysiologisch aspect, een communicatieve functie, een cognitief aspect en een actie aspect. Emotieregulatie zijn strategieën die worden ingezet om met de eigen emoties en die van anderen om te gaan. Basale emoties worden in alle culturen hetzelfde uitgedrukt.

  • De theorie van graduele differentiatie en de differentiële emotie theorie hebben allebei een andere kijk op hoe emoties ontwikkelen. Primaire intersubjectiviteit is het gegeven dat moeder en kind in staat zijn tot het herkennen en delen van de emotionele staat van de ander.

  • Spiegelneuronen zijn hersencellen die vuren wanneer je iemand een bepaalde handeling uit ziet voeren en spelen dus een belangrijke rol bij leren door imiteren.

  • Hechting is de band tussen verzorger en kind. Er zijn verschillende theorieën over, maar die van Bowlby is het meest belangrijk. Hij noemde vier fasen waarin hechting vorm krijgt en vier typen hechting. Hechting wordt onderzocht met de Vreemde Situatie Procedure. Verschillen in hechting ontstaan door verschillende factoren. Onveilige hechting en gedesorganiseerde hechting heeft duidelijk invloed op de verdere ontwikkeling van het kind.

  • Er zijn verschillende manieren van communiceren die baby’s gebruiken, zoals social referencing en het volgen van een blik of wijsvinger.

  • Als kinderen 6 maanden oud zijn hebben ze zoveel gecommuniceerd met anderen dat ze zich bewust worden van zichzelf. Hierbij horen ook nieuwe emoties. Er zijn een aantal met elkaar samenhangende fenomenen die leiden tot zelfbewustzijn.

 

Hoofdstuk 7: Taalontwikkeling

  • Om taal te kunnen verwerven moet je de biologische vereisten hebben om taal te gebruiken en deelnemen aan een gemeenschap waarin taal wordt gebruikt. De linker hersenhelft speelt een dominante rol in taalvaardigheid. Broca’s gebied en Wernicke’s gebied spelen belangrijke rollen bij taal. Door deel uit te maken van een gemeenschap waarin taal wordt gebruikt, leren kinderen over hoe taal wordt begrepen en ingezet en worden ze gemotiveerd hun taal te perfectioneren.

  • Dove kinderen die geboren worden in een gezin met dove ouders ontwikkelen net zo snel taal als kinderen die kunnen horen. Ook wanneer ze geen gebarentaal krijgen aangeboden, gaan ze thuisgebaren gebruiken. Dove kinderen gaan brabbelen met hun handen.

  • Fonologische ontwikkeling, semantische ontwikkeling, grammaticale ontwikkeling en pragmatische ontwikkeling zijn basiskenmerken van taal. Morfemen zijn belangrijke klankeenheden die verwijzen naar betekenis. De eerste woordjes uit de moedertaal worden meestal rond de eerste verjaardag gesproken. Het receptieve vocabulaire is het aantal woorden dat een kind kan begrijpen t.o.v. produceren. De eerste 100 woorden zijn grotendeels zelfstandig naamwoorden die worden gebruikt om voorwerpen in de directe omgeving te duiden. Taalfouten die kinderen vaak maken zijn overextensie en onderextensie. Fast mapping is een manier van leren.

  • Vanaf 2 jaar zijn kinderen in staat de syntax te begrijpen. Syntactic bootstrapping is wanneer je de betekenis van een woord ontleent aan de grammatica van de zin. Grammaticale mofemen zijn morfemen die betekenis geven aan een zin doordat zij in relatie staan met de andere elementen van de zin. Kinderen gebruiken eerst tegenwoordige tijd, daarna woorden voor hoeveelheid en bezit.

  • Conversationele acties worden gebruikt om taal doelmatig in te zetten. Dit kan met protoimperatieven en protodeclaratieven.

  • In het vertellen van verhalen houden kinderen vaak de chronologische structuur aan. Dit ontwikkelt later naar wat gebruikelijk is binnen de eigen cultuur.

  • Er zijn verschillende theorieën over taalverwerving. Lang werd gedacht dat kinderen met een LAD werden geboren, maar binnen de nurture stroming wordt meer belang gehecht aan formats en het LASS. Het tegen jezelf praten ziet Piaget als egocentrimse en Vygotsky als voorloper van interne spraak.

 

Hoofdstuk 8: De fysieke en cognitieve ontwikkeling in de midden kindertijd

  • Het proces van verkalking zorgt bij jonge kinderen voor verlenging van botten. Als gevolg daarvan gaat de motorische ontwikkeling vooruit. De eetlust neemt een beetje af in de vroege kindertijd als gevolg van een stagnatie in de groei. De fysieke activiteit neemt echter toe. Het is belangrijk dat ze goed te eten krijgen, maar ook bij jonge kinderen is obesitas een probleem. Slechte voeding kan veroorzaakt worden door voedselonzekerheid.

  • In de hersenen zijn veel belangrijke ontwikkelingen, ook al neemt de groei niet heel erg toe. Myelinatie, synaptogenese en pruning zijn belangrijk. Nog niet alle hersengebieden zijn met elkaar verbonden, wat kan leiden tot inschattingsfouten.

  • Volgens Piaget is er sprake van het preoperationele stadium, waarin nog veel fouten worden gemaakt in mentale operaties. Bij centratie maken ze nog vouten als egocentrisme, verwarren van de verschijning met de realiteit en precausaal redeneren. De informatie-verwerkingsbenadering zegt dat dit soort fouten worden veroorzaakt in beperkingen van geheugen, kennis, aandacht, snelheid en strategieën. De domein-specifieke psychologische processen theorie verklaart de fouten doordat kinderen nog geen voldoende kennis hebben wat betreft fysica, psychologie en biologie. Dit zijn drie domeinen die belangrijk zijn voor overleving en die dus evolutionair bepaald zijn. De modulariteitstheorie, de theorie theorie en de culturele benadering proberen te verklaren waarom het juist die drie domeinen zijn.

 

Hoofdstuk 9: De sociale en emotionele ontwikkeling bij jonge kinderen

  • Er zijn twee ontwikkelingspaden: socialisatie en persoonlijkheidsformatie. In de vroege kindertijd krijgen kinderen te maken met de uitdaging initiatief versus schuld. Identificatie is belangrijk voor de socialisatie. Genderidentiteit is met name belangrijk voor jonge kinderen. Volgens Freud ontwikkelt dit tijdens de fallische fase, waarbij het Oedipus of Electra complex ontstaat. De sociale leertheorie verklaart identificatie vanuit modelleergedrag, beïnvloed door differentiële bekrachtiging. Volgens Kohlberg is de genderrol-ontwikkeling op te delen in 3 fasen: identiteit, stabiliteit en constantie.

  • Gender schema’s zijn ideeën over wat typisch vrouwelijk gedrag is en wat typisch mannelijk gedrag is. De etnische identiteit wordt beïnvloedt door de etnische socialisatie. De persoonlijke identiteit kent twee delen: het ik-zelf en het mij-zelf.

  • De morele ontwikkeling van jonge kinderen gaan over wat goed en kwaad is. Freud associeert daar het id, ego en superego mee. Volgens de cognitieve ontwikkelingstheorie hebben jonge kinderen heteronome moraliteit die later overgaat in autonome moraliteit. De sociale domein theorie onderscheid verschillende soorten goed en kwaad.

  • Zelfregulatie is het voldoen aan eisen en verwachtingen van de omgeving, zonder dat het kind dat zelf wil. Bewuste controle is het inhiberen of onderbreken van gedrag. In sociodramatisch spel is zelfregulatie heel belangrijk. In de vroege kindertijd leren kinderen hun emoties te maskeren en te reguleren. De mate waarin ze dat doen is afhankelijk van cultuur.

  • Er zijn verschillende soorten agressie als gevolg van agressieregulatie: gewelddadige agressie, instrumentele agressie en relationele agressie. Er zijn verschillende verklaringen mogelijk voor agressief gedrag. Het kan adaptief zijn, het kan voortkomen uit cultuur, het kan het product zijn van sociale situaties of gevolg zijn van negatief affect.

  • Prosociaal gedrag bestaat uit empathie en sympathie.

 

Hoofdstuk 10: Ontwikkelingscontext

  • De familiestructuur kan een kerngezin of een uitgebreide familie zijn. Dit is vaak cultureel bepaald. Wanneer niet alleen de ouders maar ook andere leden van de familie de zorg en bescherming van de kinderen verzorgen, wordt gesproken van allocaregiving.

  • Er zijn die doelstellingen in het grootbrengen van kinderen: het overlevingsdoel, het economisch doel en het culturele doel. Welke doelstelling het meest belangrijk is, is afhankelijk van de context waar het kind in opgroeit.

  • Baumrind onderscheid drie opvoedpatronen: het autoritatieve opvoedpatroon, het autoritaire opvoedpatroon en het permissieve opvoedpatroon. Deze opvoedpatronen zijn heel duidelijk westers en dus niet breed cultureel toepasbaar.

  • Broers en zussen hebben een belangrijke rol in de socialisering van het kind. Het emotionele klimaat in een gezin is bepalend voor de kwaliteit van de relatie tussen broers en zussen.

  • Benadeelde families staan voor sociale, economische of psychologische uitdagingen. Deze zijn van invloed op de ontwikkeling van het kind en het opvoedpatroon dat wordt gehanteerd. Het is belangrijk om te kijken naar risicofactoren die aanwezig zijn in een gezin die kunnen wijzen op kindermishandeling.

  • Niet-ouderlijke zorg is zorg aan huis, gastouderschap of opvang in een kinderdagverblijf. De effecten daarvan zijn grotendeels afhankelijk van de kwaliteit van de zorg. Ook de buurt en gemeenschap zijn van invloed op het kind net als media.

 

Hoofdstuk 11: De fysieke en cognitieve ontwikkeling in de midden kindertijd

  • Kinderen worden steeds geduldiger naarmate ze ouder worden. Daarnaast groeien ze veel. De groeipatronen zijn afhankelijk van genen en omgeving. Obesitas is wel een steeds groter probleem bij kinderen. Dit wordt veroorzaakt door verschillende karakteristieken. Jongens zijn sneller in hun fysieke vaardigheden. Dit is deels cultureel bepaalt.

  • De hersenontwikkeling wordt tijdens de midden kindertijd gekenmerkt door myelinisatie en pruning. Daarnaast verandert de hersenactiviteit en worden gebieden beter op elkaar afgestemd.

  • Kinderen in de midden kindertijd zijn gevoelig voor centratie. De fysieke wereld wordt steeds meer voorspelbaar waardoor kinderen betere probleemoplossingsstrategieën gaan gebruiken. Er vindt ontwikkeling plaats van conservatie van getal en van inhoud. Ook classificatie en plannen gaan steeds beter. Metacognitie ontwikkelt. Het geheugen verbetert door een vergrote snelheid en capaciteit van het werkgeheugen, een vergrote kennis over dingen die het kind zich wil herinneren en het hebben van effectievere herinneringsstrategieën. Dit hangt samen met het metageheugen. Kinderen kunnen meer controle uitoefenen over hun aandacht en executieve functies gaan ontwikkelen.

  • Er zijn culturele verschillen in conservatie, geheugenstrategieën en plannen. Ook zijn er individuele verschillen in de cognitieve intelligentie. Hier wordt vaak naar verwezen met de term intelligentie. er is discussie mogelijk over de vraag of de oorsprong van intelligentie algemeen of specifiek is en over de vraag waar populatieverschillen door worden veroorzaakt. IQ-test hebben een culturele bias. Het is heel lastig om cultuurvrije IQ-tests te ontwikkelen.

 

Hoofdstuk 12: School als ontwikkelingscontext

  • Naar school gaan zorgt voor betere leefomstandigheden. De kwaliteit van een school is belangrijk voor de schoolse prestatie van de leerlingen. Er is een onderscheid tussen formeel leren en leerlingschap. Deze verschillen wat betreft motivatie, sociale relaties, sociale organisatie en het instructiemedium.

  • Als kinderen naar school gaan hebben ze ontluikende geletterdheid en ontluikende gecijferdheid. Daarna doorlopen ze verschillende basisvaardigheden voor rekenen en lezen en schrijven. Ouders hebben een grote invloed op de mate van ontluikende geletterdheid en gecijferdheid, bijvoorbeeld door voor te lezen.

  • Er is veel discussie over wat goed onderwijs is. Bottom-up of top-down? Instructionele toespraak of wederkerig lesgeven? Realistisch rekenonderwijs of traditioneel rekenonderwijs? Speeloefenen?

  • Kinderen kunnen specifieke leerstoornissen hebben, waarbij ze een normale intelligentie hebben maar toch achterblijven op een bepaald gebied. Dyslexie is een voorbeeld van een specifieke leerstoornis. Ook de motivatie om te leren speelt een belangrijke rol bij schoolsucces. Er kan sprake zijn van een meesterschapsoriëntatie of van een prestatie oriëntatie. Schoolbetrokkenheid is ook van invloed.

  • De culturele stijl van een school is belangrijk voor de manier van denken over de wereld. Er zijn vaak verschillen tussen de schoolcultuur en de thuis cultuur. Deze twee culturen beïnvloeden elkaar en hebben effect op de schoolprestaties van het kind.

 

Hoofdstuk 13: De sociale en emotionele ontwikkeling in de midden kindertijd

  • Volgens Erikson maken kinderen in de midden kindertijd de ontwikkeling door op het gebied van industrie versus inferioriteit. Het zelfconcept verandert langzaam. Hoe ouder het kind wordt, hoe meer het zelfconcept is gebaseerd op sociale vergelijkingen. In de Europees-Amerikaanse cultuur is zelfwaardering ook heel belangrijk. De ouders hebben hier een grote invloed op.

  • Volgens Piaget ontwikkelen kinderen in de midden kindertijd een autonome moraliteit die meer gericht is op de eigen ideeën over wat goed en slecht is i.p.v. heteronome moraliteit waarbij het onderscheid tussen goed en slecht wordt gemaakt op basis van straffen en belonen. Deze verandering ontstaat door interactie met leeftijdsgenoten waarbij men zich aan regels dient te houden. Over moreel redeneren bestaan ook nog andere theorieën, zoals de sociaal domein theorie en het verschil tussen de objectieve en subjectieve kijk op verantwoordelijkheid.

  • In groepen kinderen die langere tijd met elkaar omgaan ontstaat een sociale cultuur, die je kunt bekijken op basis van dominantie of op basis van populariteit. Qua populariteit heb je populaire kinderen, afgewezen kinderen, verwaarloosde kinderen en controversiële kinderen.

  • Het doorbrengen van tijd met leeftijdsgenoten zorgt voor competitie en samenwerking. Kinderen kiezen in de meeste gevallen een beste vriend van hetzelfde geslacht. Vriendschappen zijn belangrijk om sociale vaardigheden en competenties te ontwikkelen. Naarmate kinderen ouder worden, leren ze vriendschappen beter begrijpen. Selman maakte een onderscheid tussen vriendschapsbegrip, vriendschapsvaardigheden en vriendschapswaarde.

  • De relatie tussen kind en ouder verandert: de ouder krijgt meer verwachtingen, kinderen gaan meer dwanggedrag gebruiken. Ouders hebben controle over de vriendjes van hun kind door de wijk waarin ze wonen maar ook door de manier waarop ze hun kind hebben opgevoed.

 

Hoofdstuk 14: De fysieke en cognitieve ontwikkeling in de adolescentie

  • De relatie tussen adolescenten en maatschappij is complex: aan de ene kant krijgen adolescenten meer verantwoordelijkheden, maar er zijn ook nog steeds dingen die ze niet mogen.

  • Hall zag de adolescentie als een tijd van storm. stress en rondrazende emotie. Ook zag hij het als resultaat van de evolutie. Freud zag de emotionaliteit van de adolescentie als een strijd tussen het id, ego en superego.

  • De puberteit gaat over biologische veranderingen die leiden tot de mogelijkheid van voortplanting. Het start met een toename van groeihormoon, waardoor de groeispurt begint. De seksuele ontwikkeling kent primaire seksuele karakteristieken en secundaire seksuele karakteristieken.

  • De hersenontwikkeling gaat door in de puberteit en vroege volwassenheid. De cerebrale cortex, betrokken bij geheugen en redeneren, groeit lang door. Ook het limbisch systeem dat betrokken is bij emoties ontwikkelt verder. De hersenontwikkeling heeft invloed op het gedrag.

  • De HPG-as wordt gezien als de start van de puberteit doordat het invloed heeft op het eiwit kisspeptine. Bij vroegrijpe puberteit is er sprake van een stoornis aan de HPG-as.

  • Adolescenten hebben meer voeding nodig. Ze slapen te weinig, waardoor vermoeidheid optreedt en chronische slaapdeprivatie kan ontstaan. Het is belangrijk om te bewegen.

  • De morele ontwikkeling vindt volgens Kohlberg plaats in de adolescentie. Hij houdt echter alleen rekening met de moraliteit van gerechtigheid en niet met de moraliteit van zorg.

 

Hoofdstuk 15: De sociale en emotionele ontwikkeling in de adolescentie

  • Het grootste gedeelte van de tijd ervaren adolescenten positieve emoties. Het reguleren van emoties wordt beïnvloed door en overvloed aan puberale hormonen in de vroege adolescentie en een groeispurt in de hersenen die duurt tot de late adolescentie. Het gezinsklimaat maar ook geslacht speelt een rol in emotieregulatie.

  • Adolescenten spenderen veel meer tijd met leeftijdsgenoten dan met hun ouders. Er ontstaan conflicten tussen adolescenten en ouders. Er ontstaan vriendschappen met leeftijdsgenoten die als doel intimiteit en autonomie hebben. Meisjes hebben doorgaans intensere vriendschappen dan jongens en jongens ervaren meer vriendschappelijke competitie. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen kliekjes (kleine vriendengroepen) en crowds (groepen adolescenten met dezelfde interesses). Vriendschappen worden beïnvloedt door socialisatie. Vriendschappen kunnen invloed hebben op deviant gedrag.

  • In de adolescentie vindt de start van seksuele relaties plaats. Als er over seks wordt gesproken, gaat het vaak over SOA’s als chlamydia, HIV en humaan papillomavirus.

  • Tijdens de adolescentie vindt identiteitsontwikkeling plaats. Exploratie en toewijding leiden volgens Erikson tot een volwassen identiteit. Ook ontstaat een etnische en een seksuele identiteit.

  • Adolescenten krijgen te maken met een vermeerdering van gewicht, dit kan leiden tot eetstoornissen als boulimia en anorexia. Sommige adolescenten krijgen te maken met depressie.

 

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
Image

Op zoek naar een uitdagende job die past bij je studie? Word studentmanager bij JoHo !

Werkzaamheden: o.a.

  • Het werven, aansturen en contact onderhouden met auteurs, studie-assistenten en het lokale studentennetwerk.
  • Het helpen bij samenstellen van de studiematerialen
  • PR & communicatie werkzaamheden

Interesse? Reageer of informeer