Boeksamenvatting bij Brain and Cognition - Kalat - Custom Edition UU - 1e druk


Wat houdt cognitieve psychologie in? - Chapter 1

Wat zijn definities van 'geest'?

Cognitieve psychologie is de tak van de psychologie die zich bezig houdt met het wetenschappelijk bestuderen van ‘De Geest’ (the Mind). Er worden twee definities van de geest genoemd:

  1. De geest creëert en controleert mentale functies zoals perceptie, aandacht, geheugen, emoties, taal, beslissen, denken en redeneren. Deze definitie omvat de verschillende typen van cognitie.

  2. De geest is een systeem die representaties maakt van de wereld zodat we daarin kunnen handelen om onze doelen te bereiken. Deze laatste definitie laat zien dat de geest bepaalde representaties maakt die een functie hebben. Deze representaties stellen ons in staat om te handelen en doelen te bereiken.

Vroege cognitieve psychologie

In 1868 werden de eerste cognitieve psychologische experimenten uitgevoerd door de Nederlandse psycholoog Fransiscus Donders. Hij was geïnteresseerd in hoe lang het duurt om een beslissing te maken.

Hij deed onderzoek naar reactietijd, hoe lang het duurt om te reageren op een stimulus. Er werd onderscheid gemaakt tussen twee typen reactietijd:

  • Simpele reactietijd: Zo snel mogelijk op een knop drukken als je het lichtje aan ziet gaan.

  • Keuze-reactietijd: Twee lichten, keuze voor het ene knop maken als het linkerlichtje ging branden, en andere knop als het rechterlicht ging branden

Bij de keuze-reactietijd moest ook nog een keuze gemaakt worden en daarom verwachtte Donders dat deze reactie langer zou duren dan bij de simpele reactietijd. De conclusie van het keuze-reactietijd experiment was dat wanneer er een knop ingedrukt moet worden om een keuze te maken, dit langer duurt. Uit het experiment is gebleken dat mentale processen niet direct kunnen worden gemeten maar moeten worden geïnterpreteerd uit gedrag. Dit principe wordt bij de gehele cognitieve psychologie gehandhaafd.

Ebbinghaus’ geheugen experiment

Ebbinghaus was geïnteresseerd in het bepalen van de aard van het geheugen, voornamelijk hoe informatie die geleerd is vergeten wordt na verloop van tijd. Hij meette dit aan de hand van de volgende methode:

  1. Initialen bekijken -> Ebbinghaus bekeek een lijst met ‘onzin-lettergrepen’ (GEW, RTU, XPQ) voor de eerste keer.

  2. Hij leerde de lijst – hij ging er een aantal keer doorheen tot hij de komende lettergreep kon voorspellen aan de hand van de vorige lettergreep. Hij noteerde het aantal repetities dat nodig was om de genoteerde lijst te leren.

  3. Na een tijd leerde hij de lijst opnieuw. Het aantal nodige repetities werd genoteerd.

  4. Deze methode genereerde de ‘’Savings method’’. Hij kwam er achter dat het aantal opgeslagen lettergrepen groter was gedurende een kort tijdsinterval dan een lang tijdsinterval.

  5. Conclusie was dat het geheugen snel daalt gedurende de eerste 2 dagen na het initiële leren en dan stagneert. De eerste twee dagen wordt een groot deel vergeten, wat daarna nog in het geheugen zit blijft redelijk stabiel en wordt in het lange termijn geheugen opgeslagen.

Wilhelm Wundt

Wundt bouwde het eerste psychologische laboratorium rond 1870. Hij was aanhanger van het structuralisme, wat er van uitgaat dat algehele ervaring wordt bepaald door basale elementen van de ervaring die structuralisten sensaties noemden.

Hij probeerde een ‘periodieke tabel van de geest’ te creëren door middel van introspectie, een techniek waarin hij getrainde participanten hun ervaringen en gedachteprocessen liet opschrijven in respons op stimuli. Introspectie staat voor intro-naar binnen en spectie-kijken. Hij slaagde er niet in om gedrag uit te leggen in termen van sensaties.

William James

De observaties van William James waren niet gebaseerd op experimenten, maar op introspecties over de werking van zijn eigen geest. Deze resultaten waren bijna onmogelijk te generaliseren naar alle mensen. Introspectie bleef een te subjectieve methode.

Nieuwe invalshoek

John Watson had problemen met de huidige aanpak omdat (1) het extreem variërende resultaten betrof van persoon tot persoon en (2) omdat deze resultaten hierom zeer moeilijk te interpreteren waren omdat ze geïnterpreteerd werden als zijnde onzichtbare mentale processen. Hij introduceerde het behaviorisme. Hij ging alleen uit van meetbaar observeerbaar gedrag, niet onmeetbare processen zoals emoties, redeneren en denken. Behaviorisme omvat ook klassieke conditionering van Pavlov en operante conditionering van Skinner.

Terugkeer van De Geest in de psychologie

Uit een experiment van Tolman bleek dat een rat een cognitief schema (cognitive map) creëert; hij onthoudt dat hij in het doolhof rechtsaf moet om de kaas te pakken. Hij heeft een concept gecreëerd in zijn cognitie. Als hij eerst steeds rechtsaf moet om de kaas te pakken en hij wordt na een aantal keren op een andere plek in het doolhof geplaatst, werd verwacht dat hij uit aangeleerd gedrag weer rechtsaf zou gaan. Dit gebeurde echter niet. Hij ging naar links, in de goede richting van de kaas. De rat had een cognitief schema van het doolhof gecreëerd en zocht op basis daarvan de kaas. Dit was een nieuwe ontdekking.

Chomsky

Chomsky ging er vanuit dat taalontwikkeling niet wordt bepaald door imitatie of bevestiging, maar door een aangeboren ingebouwd biologisch programma dat in alle culturen bestaat. Taal is niet alleen belangrijk bij leren, maar bij vele processen van de mens.

1950: Cognitieve revolutie

In 1950 kwam er een nieuwe aanpak die de informatieverwerkingsbenadering werd genoemd. Deze aanpak was mede geïnspireerd door de uitvinding van de computer. De geest werd nu gezien als informatieverwerkende computer.

Selectieve aandacht

Broadbent ontwikkelde een filtermodel van aandacht dat er zo uitzag:

Input → selectieve filter → setector → geheugen

Dit model illustreert dat verschillende stukken sensorische informatie binnenkomen in het sensorisch geheugen. Aan de hand van een filter wordt het stukje informatie uitgekozen om de aandacht op te richten. Deze filter bepaalt welke informatie op dat moment het belangrijkst is. Daarna slaat de “detector” de informatie op die door de filter heen is gekomen. Deze opgeslagen informatie komt vervolgens in het geheugen terecht.

Kunstmatige intelligentie

Kunstmatige intelligentie wordt op de volgende manier gedefinieerd: “Een machine zich laten gedragen op manieren die intelligent genoemd zouden worden als een mens die gedragingen zou laten zien.” (McCarthy, 1955). De uitvinding van de kunstmatige intelligentie betekende uiteindelijk een revolutie van het behaviorisme naar de cognitieve psychologie.

Modern cognitief onderzoek

Onderzoek in de cognitieve psychologie begint met wat bekend is over een probleem. Vanuit dat startpunt stellen onderzoekers vragen op, zetten ze experimenten op en verzamelen en interpreteren ze resultaten. Het is een soort ketting waarin de ene vraag op de andere volgt. De grootste uitdaging is niet om de experimenten uit te voeren maar om de juiste experimenten te ontwerpen.

Modellen van de Geest

Modellen zijn representaties die helpen om cognitieve structuren of processen te visualiseren en verklaren. Er kan grofweg onderscheid gemaakt worden tussen twee soorten modellen: structurele modellen, die hersenstructuren in kaart brengen die betrokken zijn bij specifieke cognitieve functies, en procesmodellen, die laten zien hoe een cognitief proces werkt. Structurele modellen zijn representaties van een fysieke structuur. Het zijn vereenvoudigde modellen van de werkelijkheid. Procesmodellen laten meestal een stappenproces van cognitieve mechanismen zien.

Welke stappen zitten er tussen sensatie en perceptie? - Chapter 5.1

De meeste mensen hebben het idee dat ze de wereld waarnemen zoals die werkelijk is. Tussen sensatie en perceptie vinden echter diverse stappen van informatieverwerking plaats, waardoor de wereld vaak anders wordt waargenomen. Een voorbeeld hiervan is de Munker-illusie, waarbij verschillende kleuren op de achtergrond de waarneming van een bepaalde stimulus kunnen veranderen. Er is dus een verschil tussen sensatie en perceptie. Sensatie houdt in dat stimuli uit de omgeving of in het lichaam gedetecteerd worden. Perceptie betekent dat sensorische informatie geïnterpreteerd wordt.

Het sensorische proces

Sensatie begint bij de interactie tussen een fysieke stimulus en het biologische sensorische systeem. Sensorische informatie komt binnen via de zintuigen. Vervolgens wordt het vertaald in een neuraal signaal. Deze vertaling wordt transductie genoemd.

Het perceptuele proces

De volgende stap na transductie is het perceptuele proces. Perceptie maakt het organiseren, herkennen en gebruiken van sensorische informatie mogelijk. Een belangrijk onderdeel van het perceptuele proces is aandacht. Aandacht voor bepaalde stimuli heeft invloed op gedachten en gedrag. Specifieke soorten stimuli trekken gemakkelijk de aandacht: onbekende, veranderende een intense stimuli bijvoorbeeld. Voor een onveranderde stimulus neemt de aandacht in de loop van de tijd af. Dit wordt sensorische adaptatie genoemd. Een situatie waarin slechts aan één stimulus aandacht wordt besteed, is onrealistisch. In het dagelijks leven moet de aandacht voortdurend verdeeld worden tussen verschillende stimuli. Daarom beschikken mensen over selectieve aandacht: de capaciteit om de aandacht op een deel van de inkomende informatie te richten en de rest af te sluiten. Wanneer informatie binnenkomt en van sensorische informatie tot perceptie wordt gevormd, spreek je van bottom-up verwerking. Het is echter ook mogelijk om beschikbare kennis te gebruiken om binnenkomende informatie te verwerken. Dit wordt top-down verwerking genoemd. Er zijn geen vaste patronen te ontdekken in de situaties waarin bottom-up of top-down verwerking gebruikt wordt. Mogelijk wordt uitsluitend bottom-up verwerking gebruikt wanneer het om simpele stimuli gaat, en wordt top-down verwerking ingezet wanneer de stimuli toenemen in complexiteit.

Het meten van perceptuele processen

Fechner (1801-1887) ontwikkelde methoden om de relatie tussen stimuli en perceptie te meten: psychofysica. Met psychofysica kunnen de grenzen van het bewustzijn nauwkeurig bestudeerd worden. In deze methodiek wordt de kleinst mogelijke stimulus die kan worden waargenomen gedefinieerd als de absolute drempelwaarde. Het kleinste verschil tussen twee stimuli dat kan worden waargenomen is de verschildrempelwaarde.

Signaaldetectie

Perceptie gaat vaak gepaard met onzekerheid, bijvoorbeeld als je moet inschatten of je voldoende afstand en tijd hebt om een auto in te halen voordat er een tegenligger langskomt. Het besluitvormingsproces kan in zo’n situatie belangrijke implicaties hebben. Wanneer het cognitieve besluitvormingsproces wordt toegevoegd aan het sensorische proces, wordt gesproken van signaaldetectie. Signaaldetectie bestaat uit twee stappen:

  1. De intensiteit van de stimulus

  2. Het criterium van de individuele observator

In onderzoek naar signaaldetectie wordt gebruik gemaakt van vage stimuli. In sommige trials wordt deze vage stimulus gepresenteerd, in andere trials wordt geen stimulus gepresenteerd. De participant moet bij iedere trial aangegeven worden of de stimulus aanwezig is. Op deze manier kan de grens van de individuele waarnemer worden vastgesteld. Deze grens wordt bepaald op basis van de verhouding van hits, misses, false alarms en correct rejections.

Wat is de betekenis van perceptie in de cognitieve psychologie? - Chapter 3

Wat is perceptie?

Perceptie wordt gedefinieerd als: ervaringen die voortkomen uit stimulatie van de zintuigen. Percepties kunnen veranderen als gevolg van nieuwe informatie en perceptie kan een proces inhouden wat ook wordt gebruikt bij probleemoplossing en redeneren. Als we bijvoorbeeld in de verte een grote donkere prop zien liggen op de hoek van een straat, zijn we meteen geneigd te denken dat het een vuilniszak is. Als we dichterbij komen zien we echter dat het een grote zwarte hond is die netjes op zijn baasje aan het wachten is. We bepaalden dus al wat het was voordat we het object echt hadden gezien omdat we een voorgeprogrammeerde representatie hadden. De processen die voorkomen bij perceptie zijn van belang omdat perceptie belangrijk is bij kennis vergaren, kennis opslaan en later weer kennis ophalen om cognitieve taken te volbrengen. Taken zoals herinneren, probleemoplossing, iemand herkennen die je vorige week ontmoet hebt, communiceren en tentamens maken. Dit zijn taken die uniek zijn bij menselijke informatieverwerking. Het is daarom moeilijk om een computer te programmeren zodat die objecten kan herkennen. Beperkingen van computers zijn bijvoorbeeld dat stimuli ambigu kunnen zijn, verborgen kunnen zijn in de context of er vanuit verschillende perspectieven uitzien.

Bottom-up verwerking

Bottom-up verwerking omvat alle informatieverwerking die begint met stimulatie van de receptoren. Al onze sensorische ervaringen vallen onder bottom-up verwerking. Bottom-up verwerking kan vanuit fysiologisch en gedragsmatig oogpunt uitgelegd worden. Het fysiologische standpunt van bottom-up verwerking heeft alles te maken met hoe in het vorige hoofdstuk werd uitgelegd hoe de perceptie van een boom plaatsvindt, namelijk aan de hand van eigenschaps-detectoren die de eigenschappen van de boom (dikke verticale stam, verticale takken) vertalen. Er zijn verschillende hersengebieden voor verantwoordelijk naast de neuronen in de visuele cortex.

Wat is er nog meer nodig voor perceptie?

Top-down verwerking is een manier van verwerken die begint met het beroep doen op iemands voorkennis of verwachtingen. Het hangt van de context af of we geonen interpreteren als een schoen of een auto. Iets met deze vorm kan klein en dichtbij aan iemands voeten een schoen betekenen, maar ver weg met (zonder perspectief meerekenend) dezelfde grootte op de weg is het een auto. Het feit dat er meer komt kijken bij perceptie dan alleen bottom-up verwerking wordt ook duidelijk als we naar het fysiologische oogpunt terug gaan. Als we een perceptie maken van inkomende sensorische informatie die samen een “boom” wordt, komt dat ook omdat we contextuele informatie meenemen zoals het feit dat de boom op het gras staat en daarboven een blauwe lucht te zien is. Deze signalen die voortkomen uit hogere cognitiegebieden en inkomende signalen beïnvloeden worden ook wel ‘’Feedback Signals’’ genoemd.

Vanuit fysiologisch oogpunt is perceptie gebaseerd op:

  • representaties van het object

  • representaties van andere aspecten van de omgeving

  • feedback signalen die voorkennis of verwachtingen representeren.

Grootte

Voor de perceptie van grootte moet ook gekeken worden naar de afstand(diepte) van een object. Een groot aantal onderzoeken heeft aangetoond dat wanneer twee objecten ontvangen worden op de retina met dezelfde grootte maar met een andere afstand, het verste object als groter wordt beschouwd.

Buiten diepte, wordt de grootte van een object ook ‘gemeten’ door te kijken hoe groot het object relatief is aan andere objecten in de omgeving.

Reuk

Bij de perceptie van reuk komt ook top-down verwerking kijken. In een klassiek experiment moesten deelnemers aan iets ruiken en bepalen hoe sterk de geur was op een schaal van 1 tot 10.In de ene conditie moesten ze zwak snuiven en in de andere moesten ze een heel hard snuiven. Ondanks dat bij de tweede conditie meer geurmoleculen naar binnen kwamen werden in beide condities de geuren als even sterk beoordeeld. Volgens de experimentator namen de deelnemers de sterkte van hun snuiven mee in de beoordeling, niet alleen de pure sensorische informatie. Dit is nog een voorbeeld van top-down processing.

Het gebruiken van kennis bij perceptie

Als we een gesprek horen in een compleet onbekende taal (bijvoorbeeld Spaans), lijkt het een onafgebroken brei van wartaal. We hebben niet door wanneer het ene woord ophoudt en het volgende begint. Als we meer kennis van Spaans krijgen kunnen we opeens wel onderscheid maken tussen woorden. Dit wordt spraaksegmentatie genoemd. Dit is nog een voorbeeld van top-down verwerking omdat buiten de sensorische informatie die binnenkomt, voorkennis van de taal nodig is om de perceptie te krijgen van individuele woorden.

Helmholtz’ Theorie

Het idee dat perceptie voortkomt uit kennis is al eens bedacht door Hermann von Helmholtz. Hij ontwikkelde een principe dat hij de “theorie van de onbewuste inferentie” noemde. Deze theorie ging er vanuit dat sommige van onze percepties voortkomen uit onbewuste aannames die we maken over de omgeving. Het likelihood principle (waarschijnlijkheidsprincipe) leert ons dat we het object ontvangen die het meest waarschijnlijk het patroon van stimuli heeft veroorzaakt. We passen bestaande schema’s toe als we nieuwe situaties moeten interpreteren. We zien het voorste vlak en denken automatisch dat het andere vlak er achter staat en dezelfde vorm heeft omdat dat het meest logische is voor ons brein.

Wetten van perceptuele organisatie

Gestaltpsychologen waren geïnteresseerd in hoe elementen samengevoegd worden door het brein en samen grotere objecten vormen. Ze wilden weten hoe de wereld ontvangen wordt door ons brein. De Gestaltpsychologen stelden een aantal wetten van perceptuele organisatie op die een indicatie moesten geven van hoe elementen uit de omgeving georganiseerd worden en samen worden gevoegd. Hier onder volgt een opsomming van deze wetten:

1. De wet van goede continuatie

Punten die, wanneer ze met elkaar verbonden worden, resulteren in rechte of subtiel kronkelende lijnen worden gezien als bij elkaar horend. Ook objecten die overlapt worden door andere objecten worden gezien als doorlopend achter het overlappende object. Voorbeelden die deze wet illustreren zijn bijvoorbeeld een opgerold stuk touw, welke als een stuk wordt gezien omdat de punten door lijken te lopen in subtiele lijnen.

2. De wet van ‘pragnanz’/simpliciteit

Elke stimuluspatroon wordt op een manier gezien dat de resulterende structuur zo simpel als mogelijk is. We zien het symbool van de Olympische spelen als 5 cirkels, niet als 9 stukjes.

3. De wet van gelijkheid

Gelijk uitziende objecten worden bij elkaar geplaatst. Dit dient als hulpmiddel om objecten in de omgeving te definiëren. De Gestaltpsychologen noemden bovenstaande principes ‘wetten’ maar deze kunnen ook leiden tot foute percepties. Het kunnen dus eigenlijk geen wetten genoemd worden. Daarom staan deze wetten nu bekend als heuristieken. Heuristieken zijn vuistregels die voor de best mogelijke oplossing zorgen voor een perceptueel probleem. Tegenovergesteld aan heuristieken zijn algoritmes¸ wat procedures zijn die gegarandeerd voor de juiste oplossing zorgen van een probleem.

Heuristieken hoeven niet altijd voor de juiste oplossing te zorgen maar zijn vaak wel effectiever. Als je bijvoorbeeld je sleutel kwijt bent in huis, kun je via een algoritme elke kamer systematisch door gaan zoeken tot je uiteindelijk de sleutel vindt. Als je een heuristiek gebruikt bedenk je je eerst waar je als laatst geweest bent en waar de sleutel het meest waarschijnlijk zou kunnen liggen. Als je succes hebt bij de heuristiek ben je uiteindelijk veel sneller dan als je het algoritme had gebruikt.

Dat is ook de reden dat het brein gebruikt maakt van heuristieken: het zijn de snelste oplossingen die meestal werken.

Bayesiaanse inferentie

Bayesiaanse inferentie houdt in dat er een algoritmische procedure wordt gebruikt bij het waarnemen. Hierbij wordt rekening gehouden met vooraf bestaande overtuigingen over een perceptueel resultaat en de waarschijnlijkheid (likelihood) dat dit resultaat daadwerkelijk optreedt op basis van aanvullend bewijs.

Regelmatigheden bij perceptie

Tegenwoordig wordt er door perceptueel psychologen uitgegaan van een principe dat perceptie gebaseerd is op onze kennis over regelmatigheden in de omgeving. Blauw wordt bijvoorbeeld geassocieerd met een open lucht, verticale vormen worden vaak geassocieerd met gebouwen.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen regelmatigheden, namelijk fysieke regelmatigheden en semantische regelmatigheden.

  1. Fysieke regelmatigheden zijn vormen die regelmatig voorkomen in de omgeving, zowel stedelijke als natuurlijke omgevingen. Horizontale en verticale vormen komen vaker voor dan gehoekte vormen en worden daardoor sneller gezien. Het oblique-effect verwijst hier naar. Ook worden in de omgeving objecten vaker belicht van boven, waardoor we dit sneller zien. De aanname dat licht van boven komt wordt de light-from-above assumption genoemd.

  2. Semantische regelmatigheden. Semantisch refereert in taal naar de betekenis van woorden of zinnen. In de perceptie van situaties refereert semantisch naar de betekenis van een situatie. Als gedacht wordt aan een keuken, wordt gedacht aan het klaar maken van eten, een kok, eten. Semantische regelmatigheden zijn karakteristieken die geassocieerd worden met functies die worden uitgevoerd in verschillende soorten situaties en omgevingen. Als je een ‘leeuw’ visualiseert zie je waarschijnlijk meteen een savanne op de achtergrond, en geen sportschool.

Neurale activiteit en perceptie

Bepaalde neuronen in de hersenen reageren het best op stimuli die regelmatig voorkomen (zoals horizontale en verticale stimuli). De hersenen zijn hier gevoeliger voor. Het brein is mogelijk evolutionair gevormd door de blootstelling aan de omgeving zodat het de omgeving ook effectiever kan ontvangen. Het mechanisme waardoor de hersenen veranderd worden door ervaring wordt experience-dependent plasticity (ervaringsafhankelijke plasticiteit) genoemd.

Interactie tussen perceptie en actie

Beweging helpt ons objecten in de omgeving meer accuraat weer te geven en voegt extra informatie toe over ze (de ware vorm bijvoorbeeld). Beweging is ook belangrijk voor de constante coördinatie die plaatsvindt tussen de perceptie van stimuli en actie nemen naar deze stimuli toe. We coördineren tussen het zien en herkennen van ons koffiekopje, het grijpen naar het koffiekopje en het oppakken er van. Er vindt hier dus een coördinatie plaats tussen perceptie en actie. Achter schijnbaar simpele automatische acties zoals het oppakken van een koffiekopje zitten een aantal complexe onderliggende systemen. Deze systemen zijn ontdekt door vroegere experimenten waarbij gedeelten van hersenen bij dieren werden verwijderd (hersenablatie) en door de neuropsychologie.

Door middel van hersenablatie-experimenten op apen zijn wetenschappers er achter gekomen dat bij verwijdering van de temporaalkwab moeilijk onderscheid gemaakt kan worden tussen verschillende objecten met verschillende vormen. Daarom noemden de onderzoekers het pad vanaf de striate cortex (in de frontaalkwab) naar de temporaalkwab de ‘what-pathway’. Bij andere apen werden de pariëtaalkwabben verwijderd, wat als resultaat had dat de apen de afstand en locatie van objecten niet meer konden bepalen. Daarom noemden ze het pad van de striate cortex naar de pariëtaalkwab de ‘where-pathway’. Deze pathways zijn ook verantwoordelijk voor het herkennen en oppakken van ons koffiekopje.

In de neuropsychologie wordt gedrag van mensen met hersenbeschadigingen bestudeerd. Een van de centrale procedures hier in zijn het bepalen van dissociaties. Dissociaties zijn situaties waarbij één functie absent is terwijl de andere present is. Er zijn twee vormen van dissociaties: Enkele dissociaties en dubbele dissociaties. Een vrouw met hersenbeschadiging aan de temporaalkwab kreeg een object te zien. Ze kon niet op de naam van het object komen maar kon wel de locatie bepalen door er naar te grijpen. Dit is een voorbeeld van een enkele dissociatie. Aan de hand van deze methodes wordt geïllustreerd dat verschillende hersengebieden verschillende functies hebben. In deze methodes is sprake van de perceptie-pathway welke overeenkomt met de what-pathway en is er sprake van de action-pathway, welke overeenkomt met de where-pathway.

Wat is de betekenis van aandacht in de cognitieve psychologie? - Chapter 4

Aandacht is het vermogen te focussen op specifieke stimuli of locaties. Deze benadering van focussen wordt meestal geassocieerd met selectieve aandacht. Selectieve aandacht is het richten van de aandacht op één specifieke stimulus. Verdeelde aandacht verwijst naar het richten van de aandacht op twee of meer dingen. Afleiding wordt gevormd door stimuli die het verwerken van andere stimuli verstoren. Visueel scannen is ook een aspect van aandacht, wat verwijst naar oogbewegingen van bepaalde locaties of objecten naar andere.

Aandacht als informatieverwerking

Vroege experimenten naar aandacht bevatten het idee van aandacht als ‘filter’ voor inkomende informatie. De vroege experimenten maakten vooral gebruik van auditieve stimuli, waarbij bijvoorbeeld gedacht kan worden aan het dichotisch luisterexperiment. Bij dit experiment worden twee verschillende berichten tegelijkertijd in een verschillend oor verteld. Participanten krijgen de opdracht om de aandacht de richten op slechts één van de twee boodschappen en deze zo luid mogelijk te herhalen (dit heet ‘schaduwen’). De andere boodschap moest worden genegeerd. Dit herhalen ging goed, maar als participanten gevraagd werd wat de andere boodschap was konden ze alleen vertellen of ze een vrouwelijke of mannelijke stem hadden gehoord. Broadbents vroege selectiemodel van aandacht stelde dat informatie door de volgende stadia gaat:

  1. Het sensorisch geheugen houdt alle inkomende informatie een fractie van een seconde vast en transporteert deze informatie naar het volgende stadium.

  2. Het filter identificeert de informatie op basis van zijn fysieke kenmerken – zoals de toon van de stem van de spreker, snelheid, accent – en laat alleen dit bericht door de detector en filtert alle overige berichten.

  3. De detector verwerkt informatie om karakteristieken te bepalen op een hoger niveau, zoals de betekenis. Omdat alleen de belangrijke, bedoelde informatie door de filter is gelaten wordt bij de detector alle informatie verwerkt die daar binnen komt.

  4. Het kortetermijngeheugen ontvangt de output van de detector en houdt informatie 10-15 seconden vast en transporteert ook informatie naar het langetermijngeheugen.

Dit model wordt ook wel een bottleneck model of filtermodel genoemd, omdat de filter beperkingen stelt aan de informatie die doorstroomt naar ieder stadium. Het ‘’cocktail party-effect’’ houdt in dat wanneer de aandacht selectief gericht wordt op het luisteren naar één bericht tussen vele anderen (bijvoorbeeld bij het luisteren naar één gesprek tijdens een cocktailparty) alsnog andere berichten kunnen worden opgevangen. Als je bijvoorbeeld tijdens het luisteren naar iemand opeens je naam hoort vallen bij een gesprek van anderen of iemand ‘Help, vuur!’ hoort roepen is sprake van het cocktail party-effect. Dit effect spreekt het model van Broadbent tegen. Dit effect is ook een voorbeeld van top-down verwerking.

In 1964 introduceerde Anne Treisman een aanpassing op het model van Broadbent. Dit wordt de attenuatietheorie van aandacht genoemd. Ze liet het ‘filter’ vervangen door een ‘attenuator’, een ‘verzwakker’.

De attenuator analyseert de inkomende berichten op:

  1. fysieke eigenschappen (zoals toonhoogte, spreeksnelheid), op

  2. taal (hoe het bericht groepeert in lettergrepen of woorden) en op

  3. de betekenis (hoe opeenvolgingen van woorden betekenisvolle zinnen creëren).

De attenuatietheorie van aandacht lijkt op de theorie van Broadbent, maar in deze theorie kunnen taal en betekenis ook gebruikt worden om de berichten te scheiden. Het model van Treisman wordt ook wel het ‘lekkende filtermodel’ genoemd omdat sommige onbedoelde informatie toch door de attenuator komen.

De laatste output in het model van Treisman is het dictionary unit. Deze bevat opgeslagen woorden, die allemaal een drempel hebben om geactiveerd te worden. Woorden die vaak gebruikt worden of belangrijk zijn (zoals de naam van de luisteraar) hebben een lage drempel en worden dus sneller geactiveerd bij de luisteraar. Hierdoor hoort de luisteraar deze woorden sneller dan woorden die minder belangrijk of veelvoorkomend zijn, zelfs wanneer het heel zacht wordt uitgesproken. Latere onderzoeken kwamen tot late selectiemodellen¸ waarin verondersteld wordt dat het merendeel van de binnenkomende informatie verwerkt wordt naar betekenis, voordat de te verwerken informatie geselecteerd wordt. Als bij woorden met meerdere betekenissen geprimed wordt naar één van de twee betekenissen zal de gehoorde zin ook naar die geprimede betekenis geïnterpreteerd worden.

Cognitieve bronnen en cognitieve lading

Er zijn verschillende factoren die aandacht controleren, waaronder cognitieve bronnen en cognitieve lading. Cognitieve bronnen (processing capacity) verwijzen naar het idee dat een persoon een bepaalde cognitieve capaciteit heeft, welke gebruikt kan worden voor het uitvoeren van verschillende taken. Cognitieve lading (perceptual load) is de hoeveelheid van iemands cognitieve bronnen die nodig zijn om een specifieke taak uit te voeren. Sommige makkelijke, goed geoefende taken hebben lage cognitieve ladingen, lage-ladingstaken (low-load tasks). Sommige moeilijke, weinig geoefende taken zijn hoge-ladingstaken (high-load tasks). Lavie (1995) veronderstelde in de load theory of attention dat de hoeveelheid cognitieve bronnen die overblijven als iemand een primaire taak uitvoert, bepaalt hoe goed die persoon taakirrelevante stimuli kan negeren. Als iemand zich intens moet concentreren op zijn huiswerk en dit alle aandacht van iemand eist (alle cognitieve bronnen) wordt het gesprek van twee mensen aan een andere tafel vrijwel niet meer opgemerkt. De taak eist alle aandacht op. Als een taak minder aandacht opeist worden andere stimuli in de omgeving meer opgemerkt.

Bij een Flanker compatibality task moeten participanten een taak uitvoeren die van hen vereist dat ze hun aandacht richten op een specifieke stimulus en andere stimuli moeten negeren. Taakirrelevante stimuli zijn moeilijker te negeren als deze heel krachtig zijn. Dit wordt geïllustreerd door het Stroop-effect, wat optreedt als je kleuren van woorden moet uitspreken met een tegengestelde kleurnaam. (Je ziet bijvoorbeeld het woord “blauw” in het rood gekleurd, het is moeilijk om de kleur op te noemen in plaats van het woord.) Dit komt omdat het voorlezen van het woord automatisch gebeurt en het dus moeilijk is om het niet te doen.

Overte aandacht

Overte aandacht is het richten van de ogen naar de bron waar een stimulus vandaan komt. Deze verschuift met behulp van oogbewegingen. Oogbewegingen worden gemeten met behulp van een apparaat, een eye tracker. Deze laat fixaties zien, plekken waar de blik even op blijft hangen. Hij laat ook lijnen zien, die saccadische oogbewegingen indiceren: oogbewegingen van de ene naar de andere fixatie. Er zijn twee factoren die bepalen hoe mensen hun visuele aandacht laten verschuiven.

  1. Bottom-up, welke voornamelijk gebaseerd is op visuele kenmerken van de stimulus. De aandacht wordt beïnvloed door saliëntie (opvallendheid) van de stimulus, zoals kleur, contrast of beweging. Wanneer de aandacht onwillekeurig getrokken wordt op basis van saliëntie, wordt dit een attentional capture genoemd. Bottom-up verwerking is hier van toepassing omdat de betekenis onbelangrijk is.

  2. Top-down, welke gebaseerd is op de hoeveelheid kennis over de stimulus en de relatie tussen de observant en de stimulus. Dit wordt geassocieerd met scène-schema’s, de kennis van een observant over wat voor stimuli typische scènes bevatten. Mensen kijken langer en vaak als eerst naar stimuli die ‘niet in het plaatje passen’. Vervolgens ligt het ook erg aan de interesse van de observant waar de aandacht op wordt gericht. Als er een scene is met een voetbalwedstrijd en op de achtergrond prachtige gebouwen ligt het aan de interesse voor voetbal of architectuur waar de aandacht op wordt gericht.

  3. Dit gebeurt ook in het dagelijks leven, waar gebruikt wordt gemaakt van een “just in time-strategie”, waarbij de oogbewegingen plaatsvinden vlak voor we de informatie nodig hebben die deze verstrekken.

Aandacht meten zonder oogbewegingen

Coverte aandacht

Dit is aandacht die niet geassocieerd wordt met oogbewegingen en kan bestudeerd worden aan de hand van een procedure die precueing heet, waarbij een participant een “cue” krijgt gepresenteerd die indiceert waar een stimulus hoogstwaarschijnlijk zal gaan verschijnen. Deze procedure is gebruikt om locatiegebaseerde aandacht te onderzoeken, hoe aandacht op een specifieke locatie is gericht. Uit deze experimenten is onder andere gebleken dat informatieverwerking effectiever is waar de aandacht op gericht is. Het idee was ontstaan dat aandacht als een soort ‘spotlight’ werkt,die de verwerking verbetert wanneer gericht op een specifieke locatie. Precueing wordt ook gebruikt om objectgebaseerde aandacht te onderzoeken, aandacht die gericht is op een specifiek object. Uit deze experimenten is gebleken dat wanneer de aandacht gericht is op één punt van een object, het versterkende effect van deze aandacht over het hele object verspreidt. Observanten zien een verandering op een ander punt dan waar de aandacht op gericht is in het zelfde object sneller dan verandering in een naastliggend object. Dit effect wordt het same-object advantage (zelfde object voordeel) genoemd.

Verdeelde aandacht

Verdeelde aandacht kan verbeteren door middel van oefening. Bij veel oefening wordt het verwerkingsproces na een tijd automatisch. Automatische verwerking treedt op zonder inspanning en vraagt om maar een klein deel van cognitieve bronnen. Een voorbeeld uit het dagelijks leven is als iemand onderweg naar zijn werk is en opeens bang is dat hij zijn telefoon thuis heeft laten liggen. Hij voelt in zijn jaszak en merkt dat de telefoon er gewoon in zit. Dit komt omdat het een automatisme is geworden om de telefoon in zijn jaszak te stoppen als hij uit huis gaat en het dus niet meer bewust verwerkt wordt. Bij bewuste verwerking moet altijd inspanning geleverd worden bij verwerking, omdat de regels van verwerking telkens veranderen. Wanneer een taak dus te moeilijk is wordt het ook moeilijker om iets automatisch te verwerken.

Aandacht bij autorijden

Uit naturalistisch onderzoek is gebleken dat in 80 procent van de auto-ongelukken sprake was van verslechterde aandacht in de 3 seconden vlak voor het ongeluk. In laboratorium-experimenten waarbij participanten in een simulatie auto moesten rijden, kwam naar voren dat telefoneren tijdens het rijden zorgt dat er minder snel op de rem wordt getrapt wanneer dat nodig is. Ook worden er meer rode stoplichten gemist. Het heeft dus vaak niet te maken of de bestuurder zijn telefoon in zijn hand heeft of dat het bellen gebeurd door de telefoon handsfree te gebruiken. Met een passagier praten tijdens het rijden heeft minder negatieve effecten omdat diegene zich ook bewust is van het verkeer waarin de bestuurder zich bevindt, deze zou bijvoorbeeld stoppen met praten als hij ziet dat er mogelijke gevaarlijke situaties aankomen.

Visuele aandacht

Inattentional blindness treedt op wanneer we onze visuele aandacht op een stimulus richten en daardoor een bijkomende of naaste stimulus niet kunnen zien. Als observanten op één specifieke activiteit moeten letten, kan het zijn dat ze een andere activiteit compleet missen, zelfs als het recht voor hun neus gebeurt.

Change blindness houdt in dat veranderingen in de omgeving niet opgemerkt worden. Dit fenomeen is vooral onderzocht aan de hand van ‘zoek-de-verschillen plaatjes’. Het is erg lastig voor mensen om subtiele veranderingen te zien als ze niet weten waar ze moeten kijken. Als eenmaal de aandacht gericht wordt op het stukje dat anders is, is het vanaf dat moment overduidelijk te zien bij beide plaatjes en blijf je het ook zien. Ook bij filmpjes waarbij stiekem tussendoor iets veranderd word, is duidelijk geworden dat dit de meeste mensen niet opvalt omdat ze hun aandacht niet daar op hebben gericht (bijv. De blauwe vaas is opeens geel).

In het dagelijks leven is deze blindheid niet zo’n groot probleem, omdat het niet nodig is om alle details (zoals nummerplaten van auto’s) te zien om te kunnen voorspellen wat er gaat gebeuren. Bij potentieel gevaarlijke situaties komen vaak stimuli kijken die bewegingen of geluid produceren, waardoor we direct ons aandacht daar op richten. Een voorbeeld is een kind dat voor de auto langs rent, waardoor je opeens moet stoppen. Wanneer aandacht automatisch getrokken wordt door een plotselinge auditieve of visuele stimulus heet dit exogenous attention (exogeen = van buiten af). Het tegenovergestelde hiervan is endogenous attention (endogeen= van binnen uit). Hierbij wordt bewust besloten de omgeving te scannen, de aandacht ergens op te richten om bijvoorbeeld een specifieke stimulus te vinden.

Overte aandacht

Overte aandacht is het richten van de ogen naar de bron waar een stimulus vandaan komt. Deze verschuift met behulp van oogbewegingen. Oogbewegingen worden gemeten met behulp van een apparaat, een eye tracker. Deze laat fixaties zien, plekken waar de blik even op blijft hangen. Hij laat ook lijnen zien, welke saccadische oogbewegingen indiceren, oogbewegingen van de ene naar de andere fixatie. Er zijn twee factoren die bepalen hoe mensen hun visuele aandacht laten verschuiven. (1) bottom-up, welke voornamelijk gebaseerd is op visuele kenmerken van de stimulus. De aandacht wordt beïnvloed door stimulus salientie, zoals kleur, contrast of beweging. Bottom-up verwerking is hier van toepassing omdat de betekenis onbelangrijk is. (2) Top-down, welke gebaseerd is op de hoeveelheid kennis over de stimulus en de relatie tussen de observant en de stimulus. Dit wordt geassocieerd met scène-schema’s, de kennis van een observant over wat voor stimuli typische scènes bevatten. Mensen kijken langer en vaak als eerst naar stimuli die ‘niet in het plaatje passen’. Vervolgens ligt het ook erg aan de interesse van de observant waar de aandacht op wordt gericht. Als er een scene is met een voetbalwedstrijd en op de achtergrond prachtige gebouwen ligt het aan de interesse voor voetbal of architectuur waar de aandacht op wordt gericht. Dit gebeurt ook in het dagelijks leven, waar gebruikt wordt gemaakt van een “just in time-strategie”, waarbij de oogbewegingen plaatsvinden vlak voor we de informatie nodig hebben die deze verstrekken.

Aandacht meten zonder oogbewegingen

Coverte aandacht

Dit is aandacht die niet geassocieerd wordt met oogbewegingen en wordt bestudeerd aan de hand van een procedure die precueing heet, waarbij een participant een “cue” krijgt gepresenteerd die indiceert waar een stimulus hoogstwaarschijnlijk zal gaan verschijnen. Deze procedure is gebruikt om locatiegebaseerde aandacht te onderzoeken, hoe aandacht op een specifieke locatie is gericht. Uit deze experimenten is onder andere gebleken dat informatieverwerking effectiever is waar de aandacht op gericht is. Het idee was ontstaan dat aandacht als een soort ‘spotlight’ werkt,die de verwerking verbetert wanneer gericht op een specifieke locatie. Ook is precueing gebruikt om objectgebaseerde aandacht te onderzoeken, aandacht die gericht is op een specifiek object. Uit deze experimenten is gebleken dat wanneer de aandacht gericht is op één punt van een object, het versterkende effect van deze aandacht over het hele object verspreidt. Observanten zien een verandering op een ander punt dan waar de aandacht op gericht is in het zelfde object sneller dan verandering in een naastliggend object. Dit effect wordt het same-object advantage (zelfde object voordeel) genoemd.

De Feature Integration Theorie

Deze theorie van Anne Treisman geeft een verklaring voor hoe we gescheiden eigenschappen als een geheel kunnen zien. Met gescheiden eigenschappen wordt bedoeld dat we beweging, vorm, kleur en diepte met verschillende hersengebieden waarnemen, maar toch zien dat het een rollende rode bal is. De feature integration theory bestaat uit twee fasen. De eerste fase is de preattentive stage (preattentieve fase), waarbij objecten geanalyseerd worden in gescheiden eigenschappen. We zijn ons niet bewust van dit proces omdat het gebeurt voordat we ons bewust zijn van het object. Dat dit proces daadwerkelijk bestaat is bewezen aan de hand van experimenten naar illusoire conjunctie. Hierbij zagen participanten voor 1/5 seconde een beeld voorbij flitsen met in het midden vier figuren en aan de linkerkant een cijfer en aan de rechterkant een cijfer. Wanneer de participanten op moesten letten welk cijfer ze zagen ontstond bij de figuren illusoire conjunctie. Een grote gele cirkel en een kleine rode driehoek werden samengevoegd tot een kleine rode cirkel. De tweede fase is de focused attention fase (gerichte aandachtsfase), waar de individuele eigenschappen worden samengevoegd tot een geheel. Hierbij speelt de aandacht een belangrijke rol, wat ook weer geïllustreerd werd in het experiment naar illusoire conjunctie. Als de participanten de opdracht kregen de cijfers te negeren en zich puur te focussen op de vier figuren konden ze daarna vrij eenvoudig alle juiste vormen met bijbehorende kleuren opnoemen. Het richten van de aandacht elimineert dus de illusoire conjunctie. Het syndroom van Balint is een aandoening die optreedt bij schade aan de pariëtaalkwab. Hierbij kunnen de patiënten hun aandacht niet meer focussen op individuele objecten. Als deze zelfs tien seconden naar twee figuren mogen kijken treedt alsnog illusoire conjunctie op. Dit bevestigt de juistheid van de theorie van Treisman.

Hoe leert de adapterende geest? - Chapter 8

De basis van gedrag

Gedrag van zowel mensen als dieren is een reactie op de omgeving. Gedrag kan de vorm aannemen in extern observeerbare acties of interne processen zoals emoties en gedachten. Het kan ingedeeld worden in drie brede categorieën:

  1. Reflexen

  2. Instincten

  3. Aangeleerd gedrag

Reflexen zijn onvrijwillige en onvermijdelijke responsen op stimuli. Aangeleerde reacties die automatisch zijn geworden, vallen hier niet onder. Reflexen lopen via een neuraal circuit in de ruggenmerg en de hersenstam. De hersenen zijn er dus niet bij betrokken voordat de reactie plaatsvindt.

Instincten zijn aangeboren vaste actiepatronen. Net als reflexen zijn instincten onafhankelijk van ervaring, maar het verschil is dat de reacties die eruit voortkomen complexer zijn. Voorbeelden die bij de meeste diersoorten voorkomen zijn paargedrag en verzorging van nakomelingen.

Aangeleerd gedrag wordt gedefinieerd als een relatief permanente verandering in gedrag die afhankelijk is van ervaring. Het belangrijkste deel van de definitie is de verandering in gedrag. Veranderingen in gedrag die optreden als gevolg van rijping van de hersenen, vallen hier echter niet onder. In de vroege psychologische theorieën van William James, maar ook in moderne cognitieve psychologie, wordt gesteld dat menselijk gedrag gestuurd wordt door een aangeboren leerinstinct. Mensen zouden over meer instincten beschikken dan andere diersoorten, hoewel het gedrag dat voortkomt uit deze instincten vaak lijkt op bewust aangeleerd gedrag. Volgens James lijkt dit zo omdat mensen moeten kiezen tussen verschillende instincten. Aan de andere kant kan aangeleerd gedrag dat automatisch is geworden lijkt op instinctief gedrag.

Drie vormen van leren

Leerprocessen kunnen grofweg verdeeld worden in drie categorieën:

  1. Associatief leren

  2. Non-associatief leren

  3. Observationeel leren

Associatief leren houdt in dat verbindingen tussen verschillende stimuli of gedragingen worden gevormd. Deze verbindingen kunnen op meerdere manieren ontstaan. Ten eerste kunnen associaties gevormd worden doordat twee stimuli herhaaldelijk achtereenvolgens voorkomen: klassieke conditionering. Ten tweede kunnen associaties gevormd worden tussen gedrag en de consequenties die vervolgens optreden: operante conditionering. Non-associatief leren verwijst naar veranderingen in de grootte van de respons op een specifieke stimulus. Hieronder vallen opnieuw twee vormen van leren: habituatie en sensitisatie. Habituatie houdt in dat de reactie op herhaalde stimulus vermindert, zoals het wennen aan het geluid van de trein in de nacht. Sensitisatie is het tegenovergestelde: de reactie op een specifiek soort stimuli wordt sterker na blootstelling aan een intense stimulus, zoals een hard geluid. Observationeel leren, tot slot, vindt plaats wanneer het ene individu leert door het gedrag van een ander individu waar te nemen. Dit wordt ook wel sociaal leren of modelling genoemd.

Klassieke conditionering

De grondlegger van klassieke conditioneringstheorie is Pavlov. Hij demonstreerde klassieke conditioneringsprocessen in experimenten met honden, die een speekselrespons aanleerden door specifieke signalen aan voedsel te koppelen. In klassieke conditioneringstheorie wordt gesproken van een geconditioneerde stimulus (CS) wanneer de respons op deze stimulus aangeleerd is. Een ongeconditioneerde stimulus (UCS) veroorzaakt een automatische, aangeboren respons. Naar de aangeleerde respons wordt verwezen met de term geconditioneerde respons (CR), terwijl de automatische respons de ongeconditioneerde respons (UCR) genoemd wordt. Het ontwikkelen van een CR wordt acquisitie genoemd. Tijdens het acquisitieproces is contiguïteit vereist, dat wil zeggen dat de CS en de UCS dicht bij elkaar in de tijd moeten plaatsvinden. Daarnaast moeten de stimuli contingent zijn, wat betekent dat de CS en UCS consistent achtereenvolgens moeten worden gepresenteerd. Extinctie vindt plaats wanneer de associatie tussen de CS en UCS verdwijnt. Volgens Pavlov staat extinctie niet gelijk aan vergeten, maar overschrijft een nieuw leerproces de oude associatie. Bewijs voor deze stelling is spontaan herstel, waarbij de oude CR snel opnieuw aangeleerd wordt met minder training dan tijdens de eerste acquisitieperiode. Klassieke conditionering kan niet alleen tot excitatoire reacties leiden, maar ook tot inhibitie. Bij inhibitie leert een organisme om een UCR niet uit te voeren doordat een CS voorafgaat aan het uitblijven van een UCS.

Na succesvolle acquisitie hebben geconditioneerde organismen vaak de neiging om op dezelfde manier te reageren op soortgelijke stimuli. Dit wordt generalisatie genoemd. Wanneer het onderscheid tussen geconditioneerde en soortgelijke, niet-geconditioneerde stimuli wordt aangeleerd, wordt gesproken van discriminatie. Een geconditioneerde respons kan ook breder getrokken worden door te reageren met de CR op stimuli die de CS voorspellen. Dit is hogere orde-conditionering. Het is moeilijker om associaties aan te leren op basis van stimuli als CS die al bekend zijn dan op basis van nieuwe stimuli als CS. Dit fenomeen wordt latente inhibitie genoemd. Met technologische ontwikkelingen is het mogelijk om conditioneringsprocessen te onderzoeken met behulp van neuroimaging. Daardoor heeft recent onderzoek zich gericht op biologische en cognitieve processen bij conditionering. Vroege behavioristen zouden geen termen als ‘verwachting’ en ‘voorspelling’ gebruiken, omdat deze naar interne en niet-observeerbare processen verwijzen. Met neuroimaging-technieken is dit echter wel mogelijk.

Klassieke conditionering kan toegepast worden om angst te verminderen, bijvoorbeeld door middel van extinctie. Bij de behandeling van angststoornissen wordt gebruik gemaakt van conditionering in methoden als flooding, aversietherapie en systematische desensitisatie. Ook bij verslavingen verklaart conditionering de cravings en terugvallen, maar in de behandeling wordt geen gebruik gemaakt van extinctietechnieken. Klassieke conditionering wordt daarnaast toegepast om attitudes te vormen en veranderen, bijvoorbeeld in advertenties.

Operante conditionering

Operante conditioneringstheorie vindt zijn oorsprong in de experimenten van Thorndike en Skinner. Thorndike liet zien dat katten leerden te ontsnappen uit ‘puzzelboxen’ door gewenst gedrag te herhalen en ongewenst gedrag te inhiberen. Hij noemde dit de law of effect. Skinner bouwde verder op de bevindingen van Thorndike met experimenten bij dieren die leerden voedsel te krijgen door op een hendel te drukken. Skinner verdeelde consequenties in vier categorieën: positieve bekrachtiging, negatieve bekrachtiging, positieve straf en negatieve straf. Bekrachtiging is altijd bedoeld om het gewenste gedrag te doen toenemen, terwijl straf altijd bedoeld is om ongewenst gedrag te verminderen. Positief verwijst altijd naar het introduceren van een stimulus, terwijl negatief altijd verwijst naar het wegnemen van een stimulus. Positieve bekrachtiging is dus het introduceren van een belonende stimulus, terwijl negatieve bekrachtiging inhoudt dat een onprettige stimulus weggenomen wordt. Positieve straf is het introduceren van een onprettige stimulus, en negatieve straf is het wegnemen van een belonende stimulus.

Effectieve bekrachtigers identificeren voor een individu kan gedaan worden aan de hand van het premack-principe, wat inhoudt dat een individu veel tijd besteedt aan gedrag waar diegene belang aan hecht. Daarnaast kan gebruik gemaakt worden van primaire bekrachtigers, die in het algemeen waardevol geacht worden vanwege hun overlevingswaarde. Tot slot kan gebruik gemaakt worden van geconditioneerde bekrachtigers, ook wel secundaire bekrachtigers, die hun waarde verkrijgen doordat ze geassocieerd worden met primaire bekrachtigers.

Volgens Thorndike en Skinner is bekrachtiging effectiever dan straffen. Eén van de verklaringen hiervoor is dat het lastig kan zijn om straf effectief toe te passen in het dagelijks leven. Straffen is effectief wanneer aan drie voorwaarden is voldaan: significantie, onmiddellijkheid en consistentie. Dat wil zeggen dat de consequenties van belang moeten zijn door het individu dat gestraft wordt, dat ze direct na het ongewenste gedrag toegepast moeten worden en iedere keer dat het gedrag vertoond wordt toegepast moeten worden. Bekrachtiging kan op verschillende manieren toegepast worden. Wanneer een bekrachtiger iedere keer wordt toegepast bij gewenst gedrag, vindt continue bekrachtiging plaats. Wanneer de bekrachtiger wisselend wel en niet wordt toegepast, gaat het om partiële bekrachtiging. Partiële bekrachtiging kan toegepast worden op basis van verschillende schema’s. De eerste is het fixed ratio schedule (FR): de bekrachtiging vindt plaats na een vastgesteld aantal gewenste gedragingen. De tweede is het variable ratio schedule (VR): het aantal keren dat het gewenste gedrag vertoond moet worden voordat een bekrachtiger wordt gegeven, varieert. Een derde mogelijkheid is het fixed interval schedule (FI): in plaats van een aantal keer gewenst gedrag, vindt bekrachtiging plaats na een vast tijdsinterval. Tot slot kan een variable interval (VI) schedule ingezet worden: ook hier is bekrachtiging afhankelijk van tijd, maar het tijdsinterval varieert.

Shaping of de method of successive approximations is een specifieke vorm van operante conditionering. Hierbij wordt gedrag dat steeds dichter bij het gewenste gedrag in de buurt komt bekrachtigd, zodat een individu als het ware richting het gewenste gedrag gestuurd wordt. Operante conditionering wordt toegepast in token economies, waarbij punten verdiend kunnen worden voor gewenst gedrag om in te wisselen voor bekrachtigers. Daarnaast is een belangrijke toepassing gedragstherapie.

Observationeel leren

Sociale soorten zoals de mens profiteren veel van hun capaciteit om te leren door gedrag bij anderen waar te nemen. Observationeel leren kan echter tot zowel positief als negatief gedrag leiden. Volgens Bandura spelen vier cognitieve processen een rol bij observationeel leren: aandacht, vasthouden, reproductie en motivatie. Bandura stelde dat blootstelling aan geweld in de media leidde tot imitatie: het kopiëren van gedrag van anderen dat niet spontaan optreedt. Bandura toonde aan dat agressief gedrag aangeleerd kan worden door observatie met experimenten met een Bobo-pop. De ene groep kinderen zag vooraf dat volwassenen beloond werden als ze agressief omgingen met de pop, terwijl de andere groep zag dat de volwassenen hierop aangesproken werden. Kinderen uit de tweede groep lieten iets minder agressief gedrag zien wanneer ze vervolgens zelf met de pop mochten spelen. Imitatie vindt niet alleen plaats bij agressie, maar bij allerlei soorten gedrag. Waarschijnlijk spelen spiegelneuronen hierbij een rol. Deze neuronen worden actief wanneer het individu specifiek gedrag vertoont, en ook wanneer dit gedrag bij ander geobserveerd wordt.

Wat zijn de theorieën over het kortetermijngeheugen en werkgeheugen? - Chapter 5

Geheugen wordt gedefinieerd als: de processen die betrokken zijn bij het vasthouden, terughalen en gebruiken van informatie over stimuli, beelden, gebeurtenissen en vaardigheden, nadat de originele informatie niet langer aanwezig is. Een tweede definitie beschrijft het geheugen als een proces dat actief is wanneer een ervaring uit het verleden invloed heeft op gedachten en gedrag in het nu of de toekomst. Het geheugen bestaat uit verschillende onderdelen. Het eerste onderdeel waar informatie binnenkomt is het sensorisch geheugen, waarin de informatie heel kort vastgehouden wordt om perceptie mogelijk te maken. Het volgende onderdeel is het kortetermijngeheugen of werkgeheugen, waarin een beperkte hoeveelheid informatie ongeveer 10-15 seconden kan worden vastgehouden. Daarna kan informatie worden opgeslagen in het langetermijngeheugen, dat op zijn beurt verdeeld kan worden in drie componenten: het episodisch geheugen, het semantisch geheugen en het procedureel geheugen. Het episodisch geheugen is verantwoordelijk voor het opslaan van persoonlijke ervaringen, terwijl in het semantisch geheugen algemene feitenkennis opgeslagen wordt. In het procedureel geheugen wordt informatie over automatische processen opgeslagen, die onbewust kan worden teruggehaald.

Het modale geheugenmodel

Het modale geheugenmodel is in 1968 ontwikkeld door Atkinson en Shiffrin. Dit model heet zo omdat het vele onderdelen van daarvoor voorgestelde geheugenmodellen bevatte. De fases binnen dit model worden de structurele onderdelen genoemd. De drie hoofdonderdelen zijn:

  1. Sensorisch geheugen, de fase die alle binnenkomende informatie voor seconden of fracties van seconden vasthoudt.

  2. Kortetermijn geheugen/Short-term memory(STM) houdt 5-7 items vast voor 15-30 seconden.

  3. Langetermijn geheugen/Long-term memory(LTM) kan een grote hoeveelheid informatie voor jaren of zelfs decennia vasthouden.

Volgens Atkinson en Shiffrin bestaat het geheugen ook uit controleprocessen, welke actieve processen zijn die gecontroleerd worden door de persoon en kunnen verschillen bij de ene taak en de andere. Controleprocessen zijn bijvoorbeeld het herhalen van telefoonnummers in het hoofd om het te onthouden. Andere controleprocessen zijn strategieën die je kunt gebruiken om een stimulus beter te kunnen onthouden. Het proces van telefoonnummers opslaan in het LTM wordt encoding (codering) genoemd. Het terughalen van een telefoonnummer na een paar dagen wordt retrieval (ophalen) genoemd. Voordat we informatie uit het LTM bewust kunnen terughalen moet die eerst weer naar het STM verplaatst worden.

Het sensorische geheugen

Het sensorische geheugen is de instandhouding, voor korte perioden van de effecten van sensorische stimulatie. Dit kan bijvoorbeeld gevisualiseerd worden door te denken aan een vuurwerksterretje. Als je deze snel kronkelbewegingen laat gaan zie je een spoor van licht omdat de voorgaande beelden nog even in het sensorisch geheugen blijven hangen. Deze instandhouding van de perceptie van licht wordt persistentie van visie genoemd. Dit effect treedt ook op wanneer we een film bekijken, we zien vloeiende bewegingen in plaats van snel wisselende plaatjes.

Het experiment van Sperling

Sperling wilde weten hoeveel informatie mensen kunnen opnemen uit kort gepresenteerde stimuli. Hij liet een plaatje met letters voorbij flitsen en vroeg zijn participanten zoveel mogelijk letters te onthouden. Hij maakte gebruik van de whole report method. Dit houdt in dat de participanten zoveel mogelijk letters moesten rapporteren als mogelijk vanuit de hele matrix. Mensen onthielden gemiddeld 4.5 van de 12 letters. Daarna maakte Sperling gebruik van het partial report method om te bepalen of deze letters onthouden waren omdat ze maar 4.5 letters hadden kunnen zien in deze korte periode of dat ze maar 4.5 letters hadden kunnen onthouden nadat ze de matrix zo kort hadden gezien. Bij deze partial report model-techniek liet hij het plaatje met de letters weer voorbij flitsen, maar deze keer liet hij direct daarna een lage, middelhoge of hoge toon horen. Deze toon bepaalde of de observanten de bovenste rij letters, de middelste of de onderste rij letters moesten onthouden. In dit geval, waar er 4 letters in een rij stonden, onthielden de participanten gemiddeld 3.3 letters van de 4. Hieruit concludeerde Sperling dat de participanten direct nadat het plaatje was getoond 82% van het plaatje hadden gezien, maar niet alle letters konden rapporteren omdat deze letters snel vervaagden als de initiële letters werden benoemd. Toen hij nog een extra experiment deed met de letters en de tonen gebruikte hij de delayed partial report method: de tonen werden pas een seconde na het zien van het plaatje gepresenteerd aan de participanten. Bij deze conditie onthielden participanten nauwelijks meer dan 1 letter uit het bedoelde rijtje. Resultaten uit deze experimenten hebben aangetoond dat alle binnenkomende sensorische informatie geregistreerd wordt, maar wordt vergeten binnen een seconde. Dit korte sensorische geheugen voor visuele stimuli wordt het iconisch geheugen of visuele icoon genoemd. Ander onderzoek heeft aangetoond dat er ook een aanhoudendheid is voor geluid in de geest. Dit wordt het echoïsch geheugen genoemd.

Het kortetermijngeheugen

Het kortetermijngeheugen (STM) is het systeem dat betrokken is bij kleine hoeveelheden informatie opslaan voor korte tijdsperiodes. Het kortetermijngeheugen wordt vooral getest aan de hand van de recall-methode, waarbij participanten een aantal woorden moeten onthouden en later weer opnoemen. Als 3 van de 10 woorden worden onthouden is er een recall van 30%. Deze experimenten dienen om de duur van het STM te meten.

Proactieve interferentie is interferentie die optreedt als geleerde informatie in de weg staat van nieuw te leren informatie. Wanneer je een rij van 10 woorden hebt geleerd, zul je daarna minder goed nog een rijtje van 10 woorden kunnen leren omdat het vorige rijtje daarbij stoort. Als het nieuwe rijtje ook nog eens heel erg op het vorige rijtje lijkt wordt het nog moeilijker het te onthouden. Het STM kan, zonder oefening, 15-20 seconden informatie vast houden voordat het vervaagt of naar het LTM verplaatst. Er is buiten een tijdslimiet ook nog een limiet voor de hoeveelheid informatie die het STM kan opslaan. Het aantal items dat in het STM kan worden opgeslagen varieert van 4 tot 9. De capaciteit van het STM wordt gemeten aan de hand van onder andere de digit span. Dit is het aantal cijfers dat iemand kan onthouden. De meeste mensen kunnen 5 tot 8 cijfers onthouden.

Chunking

Meer dan 9 items onthouden gebeurt redelijk vaak, als gekeken wordt naar bijvoorbeeld het aantal woorden in zinnen. Iemand kan een zin met meer dan 9 woorden vaak redelijk gemakkelijk herhalen. Dit gebeurt aan de hand van chunking. Een aantal losstaande woorden kunnen samengevoegd worden door er een zin van te maken, waardoor alle woorden makkelijker worden onthouden. Een chunk wordt gedefinieerd als een verzameling elementen die sterk geassocieerd worden met elkaar maar zwak zijn geassocieerd met elementen in andere chunks. Op deze manier kunnen wel 20 losstaande chunks (die geassocieerd/verbonden worden door een zin) onthouden worden, in plaats van 5 tot 8 als deze geen associatie zouden vormen.

Informatie coderen in het STM Coderen verwijst naar hoe informatie wordt gerepresenteerd.

De fysiologische benadering van coderen heeft te maken met het bepalen van hoe een stimulus gerepresenteerd wordt door het vuren van neuronen. De mentale benadering richt zich op het vragen van hoe een stimulus of ervaring gerepresenteerd is in de geest. Verschillende soorten van coderen zijn auditief coderen, visueel coderen en semantisch coderen.

  • Auditief coderen heeft betrekking op representaties maken van items in het STM aan de hand van geluid. Conrad concludeerde dat de code voor het STM vooral auditief is (gebaseerd op het geluid van de stimulus) in plaats van visueel. Als we bijvoorbeeld een telefoonnummer zien onthouden we het door de klanken er van te herhalen in ons hoofd.

  • Visueel coderen heeft betrekking op het visueel representeren van items, wat bijvoorbeeld gebeurt als we gebruik maken van ons cognitieve kaart, wanneer we de route bepalen die we moeten lopen als we naar het winkelcentrum willen lopen.

  • Semantisch coderen betekent het representeren van items op basis van hun betekenis. Woorden in categorieën plaatsen gebeurt aan de hand van hun betekenis, wat dus gebeurt aan de hand van semantische codering.

Het werkgeheugen

Als we onze pincode willen onthouden moeten we deze opnemen in ons STM en verplaatsen naar het LTM. Als we deze pincode weer op moeten halen als we willen pinnen moeten we deze weer van het LTM naar het STM verplaatsen. De rol van het STM gaat dus verder dan alleen zorgen voor het opslaan van informatie. Het omvat ook het heen en weer transporteren van informatie. Dit is ook nodig voor actieve processen zoals het voeren en begrijpen van gesprekken en het oplossen van wiskundeproblemen. Baddeley en Hitch ontwikkelden een nieuw drie-componentenmodel voor het STM dat ook de dynamiek hiervan uitbeeldde. Het STM wordt in dit model het werkgeheugen genoemd. Werkgeheugen wordt gedefinieerd als een systeem met gelimiteerde capaciteit voor tijdelijke opslag en manipulatie van informatie, voor complexe taken zoals inzicht, leren en redeneren. Het verschil tussen het werkgeheugen en het STM:

  • STM houdt zich alleen bezig met het opslaan van informatie voor een korte tijd, het werkgeheugen houdt zich bezig met het manipuleren van informatie tijdens complexe cognitie.

  • STM bestaat uit een enkele component, het werkgeheugen bestaat uit meerdere componenten.

Het werkgeheugen manipuleert informatie aan de hand van:

  1. De fonologische lus

  2. Het visuospatiële schetsblok

  3. De centrale executieve

De fonologische lus bestaat uit twee componenten, namelijk de fonologische opslag en het articulatieve herhalingsproces, en verwerkt verbale en auditieve informatie. De fonologische opslag heeft een beperkte capaciteit en houdt informatie voor slechts een paar seconden vast. Het articulatieve herhalingsproces is verantwoordelijk voor herhaling die voorkomt dat items in de fonologische opslag vervagen. Het visuospatiële schetsblok verwerkt visuele en ruimtelijke(spatiële) informatie. Dit gebruik je als je in je hoofd een beeld maakt van de route die je moet afleggen of als je een puzzel probeert op te lossen. Het visuospatiële schetsblok en de fonologische lus zijn beide verbonden aan de central executive. Dit is waar het grootste deel van het werk van het werkgeheugen plaats vindt. Deze trekt informatie uit het LTM en coördineert de activiteit van de fonologische lus en het visuospatiële schetsblok, door te focussen op specifieke delen van een taak en de aandacht te wisselen tussen taken. De central executive bepaalt hoe aandacht wordt verdeeld tussen taken en combineert de verschillende bronnen van informatie om taken te doen.

De fonologische lus

Drie fenomenen die het idee steunen van een gespecialiseerd taalsysteem:

  1. Fonologisch gelijkheids-effect is de verwarring tussen letters die bijna hetzelfde klinken, zoals “F” en “S”. Dit gebeurt als woorden worden verwerkt in de fonologische opslag.

  2. Het woordlengte-effect treedt op wanneer het geheugen voor lijsten van woorden beter is voor korte woorden dan voor lange woorden. ‘Tas, hond, bloem, kaart, been, oog, ster, huis’ is makkelijker te onthouden dan ‘specialisatie, gelijkenis, erfenis, eigendommen, olifant, vuilniszak’ omdat deze woorden korter zijn. Dit effect treedt op omdat het meer tijd kost om lange woorden te herhalen door het articulatieve herhalingsproces.

  3. Articulatieve onderdrukking vindt plaats wanneer iemand irrelevante geluiden herhaalt zoals “de, de, de...”. Deze herhaling staat in de weg van het geheugen omdat het spreken in de weg staat van het herhalen (in de fonologische lus).

Het visuospatiële schetsblok

Dit systeem verwerkt visuele en ruimtelijke informatie en is daarom betrokken bij visuele inbeelding, wat het inbeelden is van visuele beelden terwijl de fysieke visuele stimulus niet aanwezig is. Dit wordt kan geïllustreerd aan de hand van experimenten, waarbij plaatjes vanuit verschillende hoeken worden geïllustreerd en moeten worden vergeleken om dezelfde te vinden. Om deze plaatjes te vergelijken moeten ze geroteerd worden in het hoofd. Dit heet mentale rotatie.

Central executive

Het central executive zorgt er voor dat het werkgeheugen ‘werkt’ omdat het, het controle punt is van het werkgeheugensysteem. Het werd door Baddeley beschreven als de aandachtsbepaler. Het central executive is onder andere bestudeerd aan de hand van patienten met hersenschade aan de frontaalkwab, welke een centrale rol speelt in het werkgeheugen. Een voorbeeld van gedrag van deze patienten is perseveratie, herhaaldelijk hetzelfde gedrag tonen, zelfs als dit niet het gewenste doel bereikt. Dit komt omdat er een defect is aan hetcentral executive, waardoor de aandacht niet meer kan worden gecontroleerd.

De episodische buffer

Baddeley’s driecomponentensysteem kon veel verklaren, maar niet alles. Een voorbeeld hiervan is dat het werkgeheugen meer onthoudt dan verwacht wordt. De capaciteit van het werkgeheugen kan worden vergroot aan de hand van chunking. Baddeley vond het nodig om deze component toe te voegen aan zijn model. Deze component noemde hij de episodische buffer, welke informatie kan opslaan (en zo voor extra capaciteit zorgt) en verbonden is met het LTM (waardoor uitwisseling tussen het werkgeheugen en LTM mogelijk is). Buiten het model van Baddeley, is er ook nog het model van Nelson Cowan. Dit model is gericht op hoe het werkgeheugen gerelateerd is aan aandacht en beweert dat het werkgeheugen en aandacht in feite hetzelfde mechanisme zijn. Dit wordt gesteund door het feit dat bepaalde dezelfde hersengebieden actief worden bij aandachts- en werkgeheugentaken.

De hersenen en het werkgeheugen

Hieronder worden een aantal (hiervoor genoemde) methoden opgesomd om de connectie tussen cognitief functioneren en het brein te bepalen:

  1. Analyse van gedrag na hersenschade, bij dieren (hersenablatie) & Bij mensen (neuropsychologie)

  2. Opnames van enkele neuronen bij dieren (recording from a neuron)

  3. Opnames van elektrische signalen bij het mensenbrein (event-related potential)

  4. Hersenactiviteit meten in het mensenbrein (brain imaging)

Deze methoden worden ook gebruikt om het werkgeheugen te bestuderen. Volgende onderzoeken zijn ontwikkeld om te bepalen waar informatie opgeslagen zit in het brein, aan de hand van uitstellen of wachten.

Hersenschade: hoe schade aan, of verwijdering van de prefrontale cortex effect heeft op het vermogen om voor korte tijdsperiodes te herinneren. Apen, waarbij de prefrontale cortex werd verwijderd konden zich niet meer herinneren onder welke van de twee bekertjes het eten verstopt zat als er even kort een scherm voor werd geplaatst. Zo een taak wordt een uitgestelde responstaak genoemd.

Neuronen: Dat de prefrontale cortex belangrijk is voor het werkgeheugen wordt ondersteund door onderzoek dat aantoont dat sommige neuronen in de prefrontale cortex informatie behouden zelfs nadat de originele stimulus niet meer getoond wordt.. Neuronen blijven nog voor een korte periode vuren als deze gestimuleerd worden. Neuronen van het werkgeheugen zitten verspreid over de gehele cortex, niet alleen de prefrontale. Onderzoek naar neurale activiteit van het werkgeheugen heeft aangetoond dat probleem oplossen, woorden en cijfers, object bepalen en ruimtelijke taken door de hele cortex verwerkt worden.

Hersenactiviteit: Gebieden in het brein die actief zijn bij werkgeheugentaken, en hoe de hersenen van mensen met een goed en slecht werkgeheugen presteren bij werkgeheugentaken. Dit is veelal onderzocht aan de hand van fMRI-scans en PET-scans. Deze onderzoeken hebben aangetoond dat hersenactiviteit die betrokken is bij het werkgeheugen naast de prefrontale cortex, ook plaatsvindt in andere gebieden van de frontaalkwab zoals gebieden van de pariëtaal kwab en het cerebellum.

Hoe werkt het langetermijngeheugen? - Chapter 6

Wat is het Langetermijngeheugen?

Het langetermijngeheugen (LTM) is het systeem dat informatie opslaat voor lange perioden. Het LTM heeft betrekking op herinneringen vanaf 30 seconden geleden tot de allereerste herinneringen. Recente herinneringen zijn het meest gedetailleerd, deze details vervagen als de tijd vordert en vaak verdwijnen de specifieke herinneringen uiteindelijk helemaal. Net als het werkgeheugen is het LTM een dynamisch systeem. Het LTM biedt een archief dat we als referentie kunnen gebruiken als we ons verleden herinneringen willen ophalen. Het biedt een enorme hoeveelheid aan achtergrondinformatie die we constant gebruiken als we ons werkgeheugen gebruiken om te bepalen wat er precies gebeurt op een moment. Dit komt voort uit interactie tussen het STM/Werkgeheugen en het LTM.

De grenzen tussen het STM en LTM werden in 1962 onderzocht door B.B. Murdoch aan de hand van de serial position-methode. Hierbij werd een lijst van woorden rustig opgenoemd en aan het einde moest de proefpersoon alle woorden opschrijven die hij zich nog kon herinneren. Hierbij ontdekte hij een functie, de serial position curve.De serial position curve toonde aan dat het geheugen de woorden aan het begin en aan het einde van de lijst beter vasthoudt dan woorden die verder in de lijst stonden. Het feit dat stimuli die aan het begin wordt getoond beter wordt onthouden dan latere stimuli wordt het primacy-effect genoemd. Een verklaring voor het primacy-effect is dat participanten de woorden die aan het begin gehoord worden kunnen herhalen in hun hoofd en ze zo in het LTM kunnen plaatsen. Hoe meer woorden gehoord worden, hoe meer de aandacht moet worden verspreid en hoe moeilijker het dus wordt om ze te onthouden. Er bestaat ook een beter geheugen voor stimuli die aan het einde worden getoond. Dit heet het recency-effect. Een mogelijke uitleg hiervoor is dat de laatste woorden in het rijtje worden beter onthouden omdat er deze nog vers in het STM liggen. Dit is op de volgende manier getest: De participanten mochten deze keer pas na 30 seconden na het horen van het rijtje met woorden de onthouden woorden opnoemen. Deze keer was er geen sprake van het recency-effect.

Verwerking naar het Langetermijngeheugen

Informatie wordt in het LTM op een andere manier gecodeerd dan in het STM. Visueel, auditief en semantisch coderen gebeurt ook in het LTM. Visuele codering gebeurt hier als je iemand herkent aan zijn uiterlijk, auditieve codering als je een zanger herkent aan zijn stem en semantische codering gebeurt wanneer je de context begrijpt van iets dat gebeurd is in het verleden. Semantische codering is predominant in het LTM, wat geïllustreerd kan worden aan de hand van fouten die mensen maken bij LTM-taken. Een woord als ‘pantalon’ verkeerd herinneren als ‘broek’ bewijst dat vooral de betekenis van het woord is onthouden in plaats van zijn visuele of auditieve eigenschappen.

Locatie van het LTM

Aan de hand van de methode van het bepalen van dissociaties zijn in geheugenonderzoek scheidingen tussen het STM en LTM onderzocht. Hierbij is gevonden dat deze twee systemen aan de hand van verschillende mechanismen werken. Een beroemd geval van een werkend STM maar een absent LTM is het geval van een man waarbij de hippocampus aan beide kanten van de hersenen was verwijderd (in 1953) om zijn epileptische aanvallen te elimineren. De epilepsie was verdwenen maar ook zijn vermogen om nieuwe lange-termijnherinneringen te vormen. Het gevolg was anterograde en retrograde amnesie.

Een andere casus is die van Clive Wearing. Door een virale encephalitis (hersenontsteking) werden delen van zijn mediale temporaalkwab beschadigd. Hier bevinden zich diverse structuren die betrokken zijn bij het geheugen, zoals de hippocampus en amygdala. Clive Wearing was door de beschadiging niet meer in staat om nieuwe informatie op te slaan; hij kan maar 1 of 2 minuten lang informatie vasthouden. Dit demonstreert het onderscheid tussen STM en LTM. De casus van K. F. laat het tegenovergestelde effect zien: hij heeft een normaal LTM, maar zijn STM is aangedaan. K. F. had schade in de pariëtaalkwab na een motorongeluk. Zijn digit span was drastisch verlaagd, terwijl hij nog wel in staat was om nieuwe herinneringen te vormen en op te slaan in het LTM. Het bijzondere aan deze casussen is dat ze exact tegenovergestelde problemen laten zien. Dit wordt een dubbele dissociatie genoemd.

Recent onderzoek met neuroimaging-technieken laat zien dat de hippocampus en mediale temporaalkwab inderdaad betrokken zijn bij LTM-processen, maar ook voor een deel betrokken zijn bij het STM. Hoewel er sterk bewijs is voor het onderscheid tussen STM en LTM, is er dus ook bewijs dat ze niet zo sterk apart van elkaar staan als voorheen werd verondersteld.

Verschillende vormen van LTM

Er zijn verschillende onderdelen van het LTM, maar er zijn twee hoofdvormen van LTM: expliciet en impliciet geheugen. Het expliciete geheugen bestaat uit het episodisch geheugen, voor persoonlijke gebeurtenissen en het semantisch geheugen, voor kennis en feiten. Dit geheugen is expliciet omdat de inhoud ervan beschreven of gerapporteerd kan worden. Het expliciete geheugen wordt ook wel het bewuste geheugen of declaratieve geheugen genoemd. Het impliciete geheugen bestaat uit herinneringen die gebruikt worden zonder dat we ons er bewust van zijn. De inhoud hiervan is onbewust dus kan niet beschreven of gerapporteerd worden. Een voorbeeld van impliciet geheugen is ‘priming’. Het impliciete geheugen wordt ook wel het onbewuste geheugen of non-declaratieve geheugen genoemd.

Het expliciete geheugen

Deze bestaat uit het episodisch en semantisch geheugen. Het onderscheid dat hier tussen wordt gemaakt is gebaseerd op de verschillende typen informatie en op de verschillende typen ervaring. Het episodisch geheugen heeft te maken met mentaal tijdreizen, wat de ervaring is van in het hoofd terug reizen in de tijd en zo een herinnering aan een ervaring ophalen, bijvoorbeeld het bezoeken van de Eiffeltoren in 2004. Endel Tulving (1985) beschreef dit mentale tijdreizen als herinneren of zelfkennis. Deze herinneringen hoeven niet per se accuraat te zijn! Het semantisch geheugen zorgt voor de toegang tot kennis van de wereld die niet gelinkt hoeft te zijn met persoonlijke ervaringen/gebeurtenissen. Deze kennis refereert naar dingen die we weten en waar we bekend mee zijn. Tulving beschreef dit als ‘het kennen’.

Neuropsychologisch onderzoek heeft uitgewezen dat het semantische en episodische geheugen aan de hand van verschillende mechanismes werken. Er zijn patiënten waarbij het episodisch geheugen aangetast is en het semantische intact is, wat bewijst dat het twee losstaande systemen zijn. Dit wordt ook wel dubbele dissociatie genoemd. Deze mensen kunnen zich wel nog herinneren waar het keukengerei ligt, maar niet meer waar hun kinderen zijn geboren en wat voor emoties zij hierbij hadden ervaren.

Als mensen schade hebben aan het semantisch geheugen kunnen ze bijvoorbeeld moeilijk boodschappen doen omdat ze de woorden op het boodschappenlijstje niet meer herkennen. Ze kunnen zich nog wel belangrijke gebeurtenissen in hun leven herinneren.

Er is nog meer bewijs gevonden aan de hand van brain imaging. Participanten moesten eigen semantische herinneringen en episodische herinneringen inspreken in een voice-recorder. Deze moesten ze later terugluisteren terwijl ze aan een MRI-scanner zaten. Als ze de semantische en episodische herinneringen terugluisterden lichtten er verschillende gebieden in de hersenen op, wat bewijs is dat het episodische en semantische geheugen losstaande systemen zijn. Er is ook wel sprake van overlap tussen semantisch en episodisch geheugen. Soms worden semantische herinneringen gecreëerd door ervaring, waarbij later de episodische herinnering verdwijnt. Als we afstuderen zullen we ons dat nog een lange tijd herinneren, maar de persoonlijke ervaring daarvan verdwijnt na verloop van tijd en dan herinneren we ons alleen nog maar de feiten van die ervaring, zoals het jaartal, waarin we afgestudeerd zijn en op welke universiteit we zijn afgestudeerd. Dit wordt de semantisatie van oude herinneringen genoemd. Er is ook een andere overlap waarbij semantische herinneringen beter onthouden worden als ze relevant zijn door persoonlijke ervaring. Iemand die zelf jaren lang gebasketbald heeft en naar een basketbalwedstrijd kijkt kan zich veel meer feiten herinneren van de wedstrijd dan iemand die niet zo veel met basketbal ervaren heeft.

Het impliciete geheugen: Priming

Eén type van impliciet geheugen is priming, een verandering in respons als gevolg van onbewuste beïnvloeding door voorafgaande blootstelling aan een zelfde of gelijke stimulus. Er kan zowel sprake zijn van positieve priming (wat zorgt voor een snellere/meer accurate respons) als negatieve priming, maar het meeste onderzoek is naar positieve priming geweest. Repetition priming treedt op als de teststimulus het zelfde is of lijkt op de geprimede stimulus. het woord dat eerder is getoond wordt sneller herkend dan een nieuw woord. Zelfs als de geprimede stimulus onbewust is gezien. Conceptuele priming treedt op als de geprimede stimulus gebaseerd is op dezelfde betekenis als de teststimulus. Het woord ‘roofdier’ zien zorgt ervoor dat woorden die later getoond worden die gerelateerd zijn aan roofdier (leeuw) sneller worden herkend dan woorden die hier niet aan gerelateerd zijn (ijsblok). Het Propaganda-effect houdt in dat mensen statements die ze eerder gelezen of gehoord hebben eerder als waar bestempelen, puur omdat ze deze eerder hebben gezien. Een soortgelijk effect treedt op wanneer mensen advertenties moeten beoordelen en ze deze de week er voor onbewust hebben gezien (de experimentator zei niet dat ze bij het lezen van het tijdschrift op de advertenties moesten letten). De advertenties die zij de week ervoor hebben gezien worden positiever beoordeeld, ook al kunnen zij zich niet herinneren de advertentie gezien te hebben. Een ander type van impliciet geheugen is procedureel geheugen/ vaardigheidsgeheugen, wat het geheugen is voor dingen doen. De vaardigheid om blind te typen is hier een voorbeeld van. Mensen kunnen heel veel dingen doen zonder er bewust over na te denken. Sommige dingen worden zelfs moeilijker als men er weer over na moet denken. Klassiek conditioneren is ook een vorm van impliciet geheugen, omdat er onbewust verbindingen worden gelegd tussen twee neutrale stimuli. Als iemand een keer gebeten is door een Duitse herder en hij de week daarna een hond ziet wordt hij weer bang. Dit komt door klassieke conditionering. De reden dat dit bij impliciet geheugen hoort is omdat deze respons kan blijven optreden zelfs als er geen bewuste link meer is tussen twee stimuli. Op deze manier kunnen ook fobieën ontstaan.

Hoe wordt informatie opgeslagen en opgehaald? - Chapter 7

Coderen (encoding) betekent het vergaren en opslaan van informatie in het LTM. Informatie vanuit het LTM transporteren naar het Werkgeheugen wordt ophalen/herroepen (retrieval) genoemd.

Coderen

Er zijn verschillende methoden om informatie op te slaan in het geheugen. Een eerste methode is herhaling. Maintenance rehearsal (instandhoudings-herhaling) is herhaling die gebruikt wordt om informatie in het STM/Werkgeheugen te houden. Met deze methode wordt niet nagedacht over de betekenis of context waardoor het snel weer vergeten wordt. Dit doe je bijvoorbeeld als iemand je een postcode geeft en je deze moet onthouden tot je een papiertje hebt gevonden om het op te schrijven. Daarna vergeet je de postcode vrij snel. Elaborative rehearsal (bewerkende herhaling) is effectiever bij het opslaan van informatie in het LTM, omdat hierbij actief betekenis wordt verleend aan de nieuwe informatie en je het zo relevant voor jezelf maakt. Ook het koppelen van nieuwe informatie aan bestaande kennis is een manier van elaborative rehearsal. Een theorie die bevestigt dat dit goed werkt om LTM’s te maken is de Levels-of-Processing Theory.

Niveaus van verwerking

De Levels-of-processing Theory (LOP) is ontwikkeld in 1972 door Craik en Lockhart. Deze theorie zegt dat ‘diepgaande’ verwerking van informatie zorgt voor een betere codering en ophalen (dus geheugen) dan ‘oppervlakkige’ verwerking. Shallow processing (oppervlakkige verwerking) heeft betrekking tot weinig aandacht. De aandacht wordt alleen gericht op uiterlijke eigenschappen, zoals de lengte van een woord. Tijdens maintenance rehearsal wordt deze manier gebruikt. Deep processing (diepe verwerking) heeft betrekking tot grondige aandacht, focussen op de betekenis van een item en het relativeren aan iets anders. Je kunt bedenken waar het item handig voor is, er een beeld of verhaal rond creëren. Dit gebeurt tijdens elaborative rehearsal. Tegenwoordig is deze theorie minder belangrijk omdat wetenschappers er achter zijn gekomen dat het heel moeilijk is om te bepalen wat precies diepte van verwerking (depth of processing) inhoudt.

Hoe beïnvloedt coderen het ophalen uit het geheugen?

Deze vraag is onderzocht aan de hand van experimenten naar de volgende manieren van coderen:

  • Te onthouden woorden in complexe zinnen plaatsen. Woorden in zinnen plaatsen werkt omdat complexe zinnen zorgen voor meer verbindingen aan het woord en cues die helpen bij het ophalen.

  • Visuele beelden maken die op de woorden gebaseerd zijn. Visuele beelden maken op basis van de woorden helpt. Dit is bewezen aan de hand van het gepaarde associatie-leren, waarbij de ene helft van de participanten woordparen moesten onthouden aan de hand van herhaling van de woorden. De andere helft moest de twee woorden aan elkaar koppelen door er plaatjes van in het hoofd te maken. De tweede groep onthield twee keer zoveel woorden als de eerste.

  • Relaties vormen tussen woorden en persoonlijke eigenschappen. Relaties vormen tussen woorden en jezelf helpt door het zelfreferentie-effect: Het geheugen werkt beter als je een woord aan jezelf moet koppelen. Een mogelijke verklaring is dat personen iets koppelen aan iets dat ze al goed kennen, namelijk zichzelf.

  • Informatie genereren. Informatie genereren verwijst naar het generatie-effect, wat inhoudt dat informatie beter het hoofd in gaat door het actief bewerkstelligen van informatie, bijvoorbeeld door het op te schrijven in een samenvatting.

  • Informatie organiseren. Informatie organiseren: Het geheugen gebruikt organisatie om makkelijkere toegang tot informatie te krijgen. Dit gebeurt bijvoorbeeld als je het volgende rijtje ziet: ‘paard, varken, hond, schoen, rok, tas’

  • Als je de woorden die in een bepaalde categorie passen bij elkaar voegt ben je al bezig met organiseren. Deze categorieën kunnen dienen als retrieval cue.

  • Informatie organiseren in ‘bomen’ met vertakkingen helpt heel goed bij het onthouden ervan. Ook bij studeren is dit erg handig. Ook plaatjes maken van onsamenhangende verhalen zorgt ervoor dat dit beter onthouden wordt. Het verhaal wordt zo georganiseerd van de ene zin naar de volgende.

  • Toetsen. Toetsen van stof is effectiever bij studeren dan herlezen. Als je getest wordt op de kennis door bijvoorbeeld oefenvragen of als je na het lezen zoveel mogelijk opschrijft dat je hebt onthouden, is dat effectiever dan het steeds opnieuw lezen.

  • Dit effect treedt niet direct op, maar na een week is door de groep die zoveel mogelijk op heeft geschreven veel minder vergeten! Dit heet ook wel het testing-effect.

Ophalen van herinneringen

De meeste fouten die we maken bij het geheugen komt door het verkeerd ophalen van informatie. Dit is dus een heel belangrijk onderdeel van het geheugen.

Retrieval Cues

Retrieval cues kunnen woorden of andere stimuli zijn (geluid of een geur) die helpen bij het herinneren van informatie die in het geheugen zijn opgeslagen. Dit is het meest effectief als je zelf de cues hebt bedacht. Locatie kan ook een retrieval cue zijn, als je je bedenkt waar je iets had bedacht en je je zo weer herinnert dat je eigenlijk een postpakketje mee had moeten nemen vanuit huis. Ook een oude foto zien en je zo weer herinneren dat toen net de verkering was uitgegaan met je eerste vriendje is een retrieval cue. Het ophalen kan bevorderd worden door de condities bij het ophalen te matchen aan de condities die bestonden bij het coderen.

Matchen kan op de volgende manieren:

  1. Encoding specificity: het matchen van de context gedurende het coderen/ophalen

  2. State-dependent learning: het matchen van de gemoedstoestand gedurende het coderen/ophalen

  3. Transfer-appropriate processing: het matchen van de taak betrokken bij het coderen/ophalen

Encoding specificity

Door als volwassene terug te keren naar het huis waar je bent opgegroeid, zul je vele herinneringen van toen kunnen ophalen. Dit komt omdat het coderen en het ophalen van de herinneringen in dezelfde context gebeuren. Als je studeert in een stille omgeving zul je tijdens het tentamen ook beter scoren als het stil is. Als je gestudeerd had in een rumoerige omgeving zul je beter scoren tijdens een rumoerig tentamen en minder goed scoren bij stilte.

State-dependent learning

Als je tijdens het studeren in een verdrietige gemoedstoestand bent en dat tijdens het tentamen ook bent, zul je beter scoren dan als je tijdens het tentamen vrolijk bent. Een gematchte gemoedstoestand bij het coderen en ophalen is dus ook effectief voor herinneren.

Transfer-appropriate processing

Als je woorden matchen leert aan de hand van hun betekenis en die later ook weer op moet halen aan de hand van de betekenis, gaat dat beter dan als je ze op moet halen aan de hand van rijmende klanken van de woorden.

Hoe kun je effectief studeren?

Ondanks dat iedereen op zijn eigen manier studeert, zijn er zes manieren die helpen bij het verbeteren van de effectiviteit van studeren, namelijk:

  1. Uitwerken

  2. Genereren en toetsen

  3. Organiseren

  4. Pauzes nemen

  5. ‘Match’-leren en condities toetsen

  6. “Illusies van leren” vermijden

1. Uitwerken

Het uitwerken en actief verwerken van informatie helpt bij het onthouden ervan. Dit kan door het betekenis te geven door het te koppelen aan bestaande kennis. Het kan ook door associaties te creëren. Associaties zijn bijvoorbeeld ezelsbruggetjes die je zelf bedenkt, het bedenken van beelden of de informatie in een verhaallijn te plaatsen.

2. Genereren en toetsen

Het actief genereren van materiaal helpt goed bij het onthouden van informatie. Als je een uiteenlopend of lang verhaal verandert in een duidelijk schema komt het beter in het geheugen. Ook het hardop uitspreken is een manier van actief bezig zijn met de informatie en het genereren op je eigen manier.

Toetsen is een vorm van genereren omdat daar ook actieve betrokkenheid van informatie bij nodig is. Je kunt oefenvragen uit een studieboek maken. Als je een tekst leest met het idee dat je er bijvoorbeeld later zelf tentamenvragen bij moet bedenken, zorgt dat ervoor dat je de informatie op een meer effectieve manier opneemt. Het zelftoetsen zorgt er voor dat je een idee krijgt van wat je al weet en bevordert het beter herinneren van de geleerde informatie.

3. Organiseren

Organiseren zorgt voor minder chaos en meer overzicht. De informatie kun je zowel organiseren in ‘mappen’ als in je hoofd. Er is minder druk op het geheugen doordat informatie een betekenis en ‘plek’ heeft gekregen. Chunking is een vorm van organiseren.

4. Pauzes nemen

Met pauzes nemen wordt bedoeld dat het beter is om het leren op te delen in meerdere sessies. Alles in één keer in het hoofd proberen te stampen is minder effectief, zelfs als uiteindelijk de hoeveelheid tijd die besteed is aan het leren niet verschilt. Dit voordeel wordt het spacing-effect genoemd. Een andere invalshoek is dat slapen na het leren goed is voor het geheugen. Dutjes doen tijdens het studeren kan dus ook effectief zijn voor het onthouden.

5. Match-leren en condities toetsen

Zoals eerder vermeld, is het effectief als het coderen en het ophalen van informatie in gelijke condities gebeurt. Wat ook bewezen is, is dat studiemateriaal beter onthouden wordt als er steeds op een andere plek wordt gestudeerd. Dus niet elke keer op dezelfde locatie zitten helpt bij het onthouden van de stof! Dit voorkomt namelijk dat het leren geassocieerd wordt met slechts één plek.

6. Illusies van leren vermijden

Illusies van leren treden op wanneer je denkt dat bepaalde studeer technieken helpen, maar in werkelijkheid zijn zij dat niet. Een voorbeeld hiervan is dat jij denkt dat de stof in jouw geheugen zit als je het steeds opnieuw leest. De stof lijkt zo steeds makkelijker opgenomen te worden omdat het lezen steeds vloeiender gaat. Dit helpt helaas niet bij het opslaan in het LTM. Ook treedt bij het herlezen van stof een ‘’illusie van herkenning’’ op. Als je stof steeds opnieuw leest wordt het steeds bekender. Een stuk tekst herkennen helpt echter niet bij het onthouden van de tekst. Deze manier van leren gebeurt vaak op een automatische manier in plaats van een aandachtige, actieve manier.

Geheugen en het brein

Volgens Hebb (1948) ontstaan herinneringen tijdens fysiologische veranderingen bij de synapsen, waar neurotransmitters van de ene neuron naar de andere reizen. Als activiteit tussen twee bepaalde neuronen (vaker) voorkomt verandert de structuur van de synaps: er ontstaan meer verbindingen tussen de twee neuronen. Hebb’s idee was dat de synaptische veranderingen een ‘opname’ maken van de ervaringen die deze veranderingen heeft veroorzaakt. Later onderzoek dat gebaseerd is op het idee van Hebb heeft bepaald dat activiteit bij de synaps een serie van chemische reacties veroorzaakt. Deze chemische reacties hebben als gevolg synthese van nieuwe proteïnen, die structurele veranderingen veroorzaken van de synaps. Deze veranderingen in de synapsen veroorzaken Long-term Potentiation(LTP), wat betekent dat herhaalde stimulatie zorgt voor structurele veranderingen en frequenter vuren tussen neurale verbindingen. Dit is te vergelijken met het lopen door een grasveld. Als je meerdere keren over dezelfde route het veld oversteekt ontstaat een zelfgemaakt paadje door het hoge gras, waardoor je het veld steeds makkelijker oversteekt. Deze ‘graspaden’ ontstaan ook in de hersenen als dezelfde gebieden vaker gestimuleerd worden. Er zijn verschillende hersengebieden betrokken bij herinneringen. Zoals eerder vermeld is de frontale cortex erg belangrijk bij het werkgeheugen. Dit is het gedeelte van het brein waar het hogere denken plaatsvindt. Maar ook andere gebieden spelen hier een rol.

Het Lange-termijngeheugen zit voornamelijk gestationeerd in de Mediale Temporaalkwab(MTL). De MTL bestaat uit:

  • Perirhinale cortex

  • Parahippocampale cortex

  • Entorhinale cortex

  • Hippocampus

De hippocampus is cruciaal voor het vormen van nieuwe lange-termijnherinneringen, verwijdering hiervan zorgt voor anterograde en retrograde amnesie. De hippocampus is belangrijk voor het onthouden van de context waarin objecten verschijnen. De Perirhinale cortex is bestudeerd door Lila Davachi aan de hand van een experiment waarbij participanten onder een hersenscanner werden gelegd. Zij kregen 200 woorden te horen en moesten daarbij een beeld in hun hoofd bedenken om het woord te onthouden. Als ze bijvoorbeeld het woord ‘vermoeid’ hoorden konden ze een beeld van een bed met een slapend iemand inbeelden. Na 20 uur moesten de participanten terugkomen om nog eens 200 woorden te bekijken(niet onder scanner) en bepalen of ze deze woorden onder de scanner ook al hadden gehoord.

Ze hadden gemiddeld 54% onthouden. Toen bepaalde Davachi of er een verschil in hersenactiviteit geweest was tijdens het scannen bij de woorden die onthouden waren en die niet onthouden waren. Conclusie: De hersenactiviteit in de perirhinale cortex was groter bij de onthouden woorden.(bij de Hippocampus is er geen verschil.) De woorden die dus meer activiteit veroorzaakten werden beter onthouden, wat ook weer bevestigt dat wanneer er gedragsmatig meer aandacht wordt besteed aan stimuli, deze beter in het geheugen blijven hangen. De parahippocampale cortex is belangrijk voor het onthouden van spatiële informatie en reageert op plaatjes, gebouwen en ruimtes. De entorhinale cortex is betrokken bij herkenningsgeheugen (net als de perirhinale cortex).

Geheugenconsolidatie

Consolidatie is het proces waarbij nieuw gevormde herinneringen van een fragiele staat naar een meer permanente staat getransformeerd worden. In de fragiele staat kunnen ze verstoord en onderbroken worden, in de permanente staat zijn ze hier immuun voor. Retrograde amnesie is vaak minder nadelig voor het bovenhalen van remote memories (verre herinneringen), die lang geleden gebeurd zijn. Dat is zo omdat nieuw gevormde herinneringen fragieler zijn dan oude herinneringen. Dit wordt Gegradeerde amnesie genoemd. Consolidatie betrekt reorganisatie in het zenuwstelsel. Dit gebeurt op twee niveaus. Synaptische consolidatie vindt plaats bij de synapsen en gebeurd binnen enkele minuten.. Systeemconsolidatie betrekt de geleidelijke reorganisatie van routes in hersengebieden en gebeurt over een langere tijd( weken, maanden of jaren).

Het Standaardmodel van Consolidatie

Volgens dit model is de Hippocampus erg actief bij het vormen van herinneringen, maar wordt minder actief als herinneringen geconsolideerd worden, tot alleen corticale activiteit nodig is om de herinnering op te halen. Bij een herinnering spelen veel verschillende hersengebieden een rol, de herinnering bevat vaak emotie, beelden, geuren etc. In het begin van het consolidatieproces, is de hippocampus een soort replayknop die dezelfde hersengebieden stimuleert als bij de gebeurtenis. Dit is het belangrijkste mechanisme van consolidatie en heet reactivatie. Reactivatie vindt plaats tijdens het slapen, tijdens periodes van relaxen en kan ook bereikt worden door actief de herinnering te herhalen. Na een tijd is de herinnering geconsolideerd omdat de verbindingen sterk genoeg zijn en is de hippocampus hier niet meer bij nodig.

De Multiple Trace Hypothese

Er is onenigheid over of de hippocampus alleen belangrijk is bij het begin van de consolidatie. Volgens deze hypothese is de hippocampus ook betrokken bij het ophalen van remote memories, voornamelijk episodische herinneringen. Omdat ook hier bewijs voor is gevonden is er veel discussie ontstaan. Ander onderzoek naar consolidatie heeft bewezen dat herinneringen kwetsbaar voor verstoring kunnen worden wanneer ze opnieuw geactiveerd worden door het ophalen van de herinnering. Na deze reactivatie moeten deze gereconsolideerd worden. Dit zou een mechanisme kunnen zijn voor het verfijnen en updaten van herinneringen. Reconsolidatie-therapie kan handig zijn bij mensen met ziektebeelden als Posttraumatisch Stresssyndroom. Door bij het reactiveren van de herinnering de stof Propanolol toe te dienen, wordt de productie van stresshormonen in de amygdala tegen gegaan.

Welke rol speelt het dagelijks geheugen in de cognitieve psychologie? - Chapter 9

Het autobiografisch geheugen (AM) wordt gedefinieerd als een verzameling gebeurtenissen die tot iemands verleden behoren. Dit ervaren we als we doormiddel van mentaal tijdreizen, terug gaan naar specifieke situaties. Het AM bestaat niet alleen uit episodische herinneringen. Het bestaat ook uit semantische herinneringen over feiten over ons leven. De relatieve hoeveelheid semantische en episodische herinneringen worden bepaald door hoe lang geleden de gebeurtenis heeft plaatsgevonden.

Recente herinneringen die veel detail en emotie bevatten worden gedomineerd door het episodisch geheugen. Verre herinneringen worden meer semantisch (zoals eerder uitgelegd bijvoorbeeld de herinnering van het afstuderen). Het autobiografisch geheugen wordt beschreven als multidimensionaal. Het bestaat namelijk uit spatiële, emotionele en sensorische componenten. Patiënten met hersenschade met verlies van het visuele geheugen kunnen alledaagse objecten niet meer herkennen of visualiseren. Ook zijn veel herinneringen (en niet alleen visuele) verdwenen uit het AM. Foto’s die zelf gemaakt zijn zorgen voor meer activiteit in de hippocampus dan foto’s die niet zelf zijn gemaakt, zelfs als die foto’s bijna precies hetzelfde zijn. Ook dit is bewijs voor de multidimensionaliteit van het AM.

Herinneringen aan het leven

De meeste levensherinneringen zijn herinneringen over gebeurtenissen die bepalend zijn geweest voor iemands leven, persoonlijke mijlpalen en zeer emotionele gebeurtenissen. Overgangspunten in het leven zijn ook erg gedenkwaardig gebleken, zoals de overgang van de basisschool naar middelbaar onderwijs. Als de meeste mensen van rond de 40 jaar gevraagd wordt welke gebeurtenissen zij zich herinneren uit het leven, dateren de meeste herinneringen die ze hebben uit de adolescentie tot jongvolwassenheid, van ongeveer 10 tot 30 jaar. Dit wordt de reminiscentiebult genoemd. Er zijn 3 hypothesen die de reminiscentiebult verklaren:

  1. De self-image hypothese stelt dat het geheugen verder ontwikkeld is voor gebeurtenissen die invloed hebben gehad op het vormen van iemands zelfbeeld of levensidentiteit. (Rathbone, 2008) Deze gebeurtenissen komen voor het grootste deel voor in de periode van de adolescentie en jongvolwassenheid.

  2. De cognitieve hypothese stelt dat periodes van snelle veranderingen, die gevolgd worden door stabiliteit sterkere codering van herinneringen veroorzaken. Dit zou de reminiscentiebult verklaren omdat gedurende de adolescentie snelle veranderingen plaatsvinden die gevolgd worden door het relatieve stabiele volwassen leven.

  3. Schrauf en Rubin (1998) onderzochten dit en bevestigden deze hypothese omdat zij keken naar de reminiscentiebult van mensen die op vroege leeftijd (20-24 jaar) geëmigreerd waren en naar die van mensen die op latere leeftijd (34-35) geëmigreerd waren. De reminiscentiebulten van de laatste groep lag rond de leeftijd dat ze gemigreerd zijn.

  4. De cultural life script hypothese verklaart dat veel belangrijke gebeurtenissen in iemands leven niet uitsluitend voor die specifieke persoon gelden. Mensen die dezelfde culturele gebeurtenissen meemaken tonen veel overeenkomsten in levensherinneringen.

  5. Een voorbeeld is dat als er een oorlog voorbij is mensen massaal kinderen maken en er een babyboom ontstaat.

Geheugen en emotie

Emotioneel beladen gebeurtenissen worden makkelijker en levendiger onthouden dan niet-emotionele gebeurtenissen. Emotioneel beladen stimuli worden ook aandachtiger bestudeerd en beter onthouden. Fysiologisch is de amygdala vooral betrokken bij emotionele herinneringen. Emotie triggert mogelijk mechanismen in de amygdala die ons helpen gebeurtenissen te onthouden die geassocieerd worden met bepaalde emotie. Zeer plotselinge, emotioneel beladen gebeurtenissen zoals het instorten van de Twin Towers in 2001 staan bij mensen nog vele jaren zeer gedetailleerd in het geheugen gegrift. Mensen weten nog wat ze toen dachten, deden en wat anderen er over zeiden. Dit soort fotografische herinneringen hebben geleid tot de term flashbulb memory (flitslichtherinnering). Flashbulb memories refereren naar de herinnering aan de omstandigheden rondom het horen over de shockerende gebeurtenis, niet naar de herinnering van de gebeurtenis zelf. Brown en Kulik (1977) onderzochten dit en beweerden dat er iets bijzonders is aan het mechanisme van de flashbulb memory, ze ontstaan onder zeer emotionele omstandigheden en blijven voor een lange periode zo helder en gedetailleerd als een foto. Het schortte echter aan bewijs, want er kon niet bewezen worden dat wat mensen vertelden zich te herinneren echt waar was.

De techniek voor het vergelijken van latere herinneringen met herinneringen die meteen na de gebeurtenis voorkomen is repeated recall (herhaald terughalen). Deze methode heeft bewezen dat flashbulb memories niet als foto’s zijn. De herinneringen worden vaak als levendig gerapporteerd, maar worden gedurende de tijd minder accuraat en details kloppen minder. Er is bewijs gevonden dat flashbulb-herinneringen niet echt bestaan en niet verschillen met normale herinneringen volgens experimenten na aanleiding van 9-11. Wat wel verschilt, is dat mensen na verloop van tijd zelf geloven dat deze herinneringen accuraat zijn in vergelijking tot herinneringen aan normale gebeurtenissen. Flashbulb-herinneringen houden ook langer aan dan normale herinneringen. De meeste mensen weten nog wel details rond het horen over 9-11, maar niet meer wat ze die dag verder hadden gedaan. Twee redenen hiervoor zijn dat deze herinneringen emotioneel beladen zijn en dat er vaak herhaling van de herinnering is geweest. Ulric Neisser(1996) beweerde daarom dat er geen speciaal mechanisme is waardoor we dit soort intense gebeurtenissen onthouden, maar dat de vele herhaling zorgt voor de blijvende herinnering. Mensen blijven er over praten, het wordt nog regelmatig op televisie getoond, er worden monumenten gebouwd, er worden stukken in de krant gezet, etc. Dit idee wordt de narrative rehearsal hypothese (verhaal-herhalingshypothese) genoemd.

De constructieve karakter van geheugen

Het geheugen heeft een constructief karakter. Wat mensen rapporteren als herinneringen zijn constructen van wat er echt gebeurd is met bijgevoegde componenten, zoals persoonlijke kennis, ervaringen en verwachtingen. Op deze manier construeert de geest herinneringen die gebaseerd zijn op een aantal informatiebronnen.

Het “War of the Ghosts” experiment van Bartlett (1932)

Participanten moesten een Indiaans volksverhaal lezen, waarna ze het verhaal zo precies mogelijk moesten herhalen. Hij gebruikte daarna de herhaalde reproductietechniek, waarbij de participanten nog een aantal keer moesten terug komen en steeds de herinnering aan het verhaal moesten herhalen. De meeste participanten vervormden het verhaal naar meer relevant aan de eigen cultuur. ‘Kano’s’ werden veranderd in ‘boten’ en vervormden details van het verhaal naar details van andere verhalen uit hun eigen (Engelse) cultuur.

Source Monitoring

Dit is een fenomeen dat betrekking heeft op dat herinneringen beïnvloed kunnen worden door de bronnen van informatie. De definitie van source monitoring is het proces van het bepalen van de bronnen van onze herinneringen, kennis of geloof (Johnson, 1993). Een voorbeeld van een source monitoring error is dat je gisteren gehoord hebt dat er een overval was gepleegd op de bloemenkraam van Henk. Of toch Kees? Je dacht dat het Henk was, maar het was toch Kees. Deze fouten worden ook wel bron-misattributies genoemd, omdat de herinnering geattribueerd is aan de verkeerde bron.

Source monitoring is een belangrijk bewijs voor het constructieve karakter van het geheugen, omdat eerst bepaald wordt wat de herinnering is en dan waar vandaan de herinnering komt. Source monitoring errors komen vaak voor, vaak zonder het door te hebben. Een ernstige vorm is cryptomnesie, onbewust plagiaat van het werk van anderen. Voorbeeld is een componist die een nummer uitbrengt, waarna blijkt dat het deuntje tien jaar geleden ook al bij een ander nummer is gebruikt, zonder dat de componist zich hier bewust van was.

Het “Becoming famous overnight” experiment

Participanten kregen een lijst met verzonnen onbekende namen. Daarna zagen ze een lijst met (in die tijd) beroemde namen. Ze moesten bepalen welke namen, namen van beroemde mensen waren. Nadat ze deze namen net hadden gezien gaven ze voor het grootste gedeelte het juiste antwoord. Echter, na 24 uur zagen ze nogmaals alle namen en moesten bepalen welke namen van beroemde mensen waren en welke niet. 24 uur eerder bepaalden ze correct dat Gijsbert Jansen geen bekende was, maar nu gaven een aantal participanten toch aan dat deze naam bij een bekende hoorde. Dit is een source monitoring-probleem, omdat ze niet meer wisten of de namen bekend waren omdat ze 24 uur eerder gezien waren of dat de naam echt bij een beroemd persoon hoorde.

Gender Stereotypering en Source Monitoring

Gender stereotypes kunnen invloed hebben op source monitoring-taken. Uit een experiment is gebleken dat uitspraken die als typisch mannelijk worden gezien, zoals ‘Ik ga het dak repareren’ later vaker geattribueerd worden aan dat een man het gezegd zou hebben, zelfs als een vrouw het heeft gezegd. Andersom geldt dit ook.

Hoe beïnvloedt kennis over de wereld het geheugen?

Herinneringen kunnen worden beïnvloed door conclusies die mensen trekken op basis van hun kennis en ervaring. Een voorbeeld is dat een uitspraak als “De sneeuwpop verdween toen de temperatuur steeg”, wordt herinnerd als “De sneeuwpop smolt toen de temperatuur steeg”. Kennis over context en eigenschappen van items zorgen voor een vervormde herinnering. Er worden vaak zelfbedachte connecties gemaakt en zaken toegevoegd of weggelaten omdat wij gewend zijn dat dat zo hoort.

Schema’s zijn onderdeel van deze eigen kennis en ervaring. Een schema is de kennis van een persoon over een bepaald aspect van de omgeving. De informatie uit de schema’s voorzien ons van een gids voor het bepalen van wat we ons herinneren. Deze inferentie kan ook fout zijn. Een script is onze opvatting over de serie van acties die gewoonlijk voorkomen bij een specifieke ervaring. Een script kun je hebben over iets kopen in een winkel bijvoorbeeld. Je loopt de winkel in, pakt wat je nodig hebt, gaat in de rij van de kassa staan, rekent af, etc. Deze scripts kunnen onze herinneringen beïnvloeden door verwachtingen te creëren over wat er gewoonlijk gebeurt in die situatie. Zo worden er vaak details toegevoegd aan verhalen die er oorspronkelijk niet in zaten. Deze constructieve processen kunnen fouten creëren in het geheugen.

Voor- en nadelen van constructie

Doordat het geheugen op een creatieve manier constructies maakt zijn we in staat om taal te begrijpen, problemen op te lossen en beslissingen te maken. We kunnen door deze constructie verder denken dan wat staat geschreven dankzij de door ons opgedane kennis en ervaring. Deze creativiteit is zeer nuttig, maar zorgt soms voor fouten in geheugen. Mensen met een uitzonderlijk goed geheugen hebben niet noodzakelijk een voordeel op mensen met een normaal geheugen. Een aantal bekende gevallen met een superieur geheugen kwamen tekort op het vlak van constructieve processen. Deze zijn belangrijk voor het geheugen maar ook voor creatief denken. Letterlijk alles opslaan in het geheugen is ook geen efficiënte manier om te functioneren, omdat het ‘systeem overspoeld raakt. Het geheugen is daarom juist ingericht om dat te onthouden dat persoonlijk relevant is of relevant voor de omgeving, zodat het adaptief kan functioneren. Het feit dat er af en toe een fout optreedt wordt gecompenseerd doordat het meestal zeer nuttig is om snel en efficiënt te functioneren en te denken.

Suggestiviteit

Het geheugen kan veranderd of zelfs gecreëerd worden door suggestie. Mensen zijn zeer gevoelig voor suggestie. Reclame beïnvloedt koopgedrag, argumenten van vrienden beïnvloeden meningen, etc. Het misinformation-effect houdt in dat misleidende informatie die gepresenteerd wordt nadat iemand getuige is van een gebeurtenis, kan veranderen hoe deze persoon de gebeurtenis later beschrijft. Deze misleidende informatie wordt misleading postevent information (MPI) genoemd. Een voorbeeld is dat in een experiment participanten een aantal slides te zien kregen met een rijdende auto. De rode auto kwam bijvoorbeeld langs een stopbord en een andere auto reed voorbij. De experimentele groep kreeg later de vraag “Kwam er een andere auto voorbij rijden toen de rode Opel langs het voorrangsbord reed?” Door deze suggestieve vraag zeiden deze participanten nu dat ze het voorrangsbord gezien hadden en dat de andere auto doorreed. In werkelijkheid hadden ze dit dus nooit gezien. Volgens de memory trace replacement hypothese van Loftus vervangt of vervaagt de MPI de herinneringen die eerst gevormd waren bij de oorspronkelijke gebeurtenis. Het feit dat mensen na het zien van het stopbord de MPI kregen dat het een voorrangsbord was, zorgde voor reconsolidatie van de herinnering.

Een andere verklaring is dat de originele informatie vergeten wordt als gevolg van retroactieve interferentie, wat voorkomt wanneer het meest recente leren (de MPI in dit geval) de herinneringen verstoort van wat er eerder is gebeurd (de oorspronkelijke gebeurtenis). Deze verklaring lijkt op de memory trace replacement hypothese, alleen verdwijnt de oude informatie hier niet, maar staat de nieuwe informatie de oude alleen in de weg. Een andere verklaring voor het misinformation-effect is gebaseerd op het idee over source monitoring, waarbij uitgelegd wordt dat er onterecht gedacht wordt dat de bron van het zien van het voorrangsteken van de slides komt, terwijl deze eigenlijk van de suggestieve vraag achteraf kwam.

Creëren van valse herinneringen

Het misinformation-effect kan zo ver gaan dat suggestie van onderzoekers de participanten kan doen geloven dat ze dingen hebben meegemaakt die nooit zijn gebeurd. Participanten, waarvan veel studenten, deden mee aan een experiment waarbij de onderzoekers aan hun ouders hadden gevraagd om gebeurtenissen van vroeger uit het leven van hun kind te beschrijven. De onderzoekers voegden zelf wat verzonnen gebeurtenissen toe (zoals een verjaardag met een clown) en vertelden hier over tegen de participanten. Zij gaven de participanten opdracht om op al deze, echte en verzonnen door elkaar, informatie te verwerken. Het resultaat was dat bij ondervraging door de onderzoekers twee dagen later, de participanten 20% van de valse gebeurtenissen konden ‘ophalen’ uit het geheugen en het zelfs in detail konden beschrijven. De eerste keer kon iemand zich een verzonnen ‘bruiloft toen je 6 was’ niet herinneren toen de experimentator er naar vroeg, na twee dagen wel. Dit kan verklaard worden door herkenning (familiarity), zoals ook bij het “becoming famous overnight” experiment was gebeurd.

Fouten in ooggetuigenverklaringen

Het geheugen is te saboteren, maar dit is nergens meer duidelijk en significant gebleken dan in ooggetuigenverklaringen. Dit is een getuigenis door een ooggetuige van een misdaad over wat hij of zij zag toen deze plaatsvond. Dit is één van de meest overtuigende typen bewijs voor een jury, maar heeft er voor gezorgd dat er veel onschuldige mensen in gevangenschap zitten. De fouten in identificatie door getuigen hebben een aantal redenen. Sommige komen door moeilijkheden in gezichtsherkenning of een inaccuraat geheugen van wat wordt herkend.

Fouten in ooggetuigenidentificatie

Er zijn mensen geweest die dertig jaar gevangen hebben gezeten, onterecht, op basis van ‘herkenning’ door ooggetuigen. Er zijn waarschijnlijk ook op dit moment veel onschuldige mensen die een tijd moeten uitzitten. Deze fouten zijn veroorzaakt door de aannames van rechters en juristen dat mensen gebeurtenissen accuraat waarnemen en rapporteren. Veel mensen die werkzaam zijn in het rechtssysteem hebben het foute idee aangenomen dat het geheugen als een camera werkt. Experimenten tonen aan dat zelfs na het bekijken van videofragmenten van de misdaad, het identificeren van de dader een moeilijke taak is.

De ‘crime scene’ en daarna

Onder perfecte omstandigheden is het al moeilijk om een gezicht te identificeren, maar er zijn factoren die het zelfs nog moeilijker kunnen maken. Emoties spelen een grote rol tijdens een misdaad, Dit kan een groot effect hebben op de aandachtverdeling van een persoon en de herinnering later. Een voorbeeld hier van is het wapen-focus effect. Dit is vernauwde aandacht met de neiging om de blik te richten op het wapen tijdens de misdaad, waardoor belangrijkste details zoals het gezicht van de dader gemist wordt.

Dit effect zou ook kunnen komen doordat ongewone objecten (zoals een pistool) aandacht trekken. Fouten die geassocieerd worden met bekendheid komen voor als omstanders van de misdaad ten onrechte geïdentificeerd worden als dader. Als slachtoffers het gezicht niet duidelijk gezien hebben zijn ze geneigd om een gezicht aan te wijzen dat ze eerder hebben gezien, zoals iemand die toevallig dagelijks in dezelfde trein zit en daarom herkend wordt. Fouten door suggestie komen voor bij ondervragingen door de politie. Suggestieve vragen als “Zag u de blauwe bus?” kunnen de latere getuigenis van de getuigen beïnvloeden. Ook meer subtiele suggestie kan een getuige al erg beïnvloeden. Als een agent vraagt: “Welk van deze mannen heeft het gedaan?” suggereert deze al dat de dader in ieder geval een van deze mannen is. Dit vergroot de kans dat er een dader uit die rij mannen wordt gekozen, terwijl de dader er mogelijk niet eens tussen staat.

Als iemand met enige twijfel een dader heeft uitgekozen en deze daarop bevestigende feedback ontvangt, zorgt dat er voor dat deze later zekerder is van zijn keuze. Dit hoeft alleen al een “Oké” te zijn. Deze toename in zelfverzekerdheid na bevestigende feedback bij identificatie van een dader wordt het ‘’post-identificatie feedback effect’’ genoemd. Dit effect is een ernstig probleem in het rechtssysteem. Dit omdat juristen en rechters zo sterk beïnvloed worden door ooggetuigen, die tijdens de rechtszaak dankzij dit effect zullen zeggen dat zij “absoluut zeker de goede persoon hebben aangewezen.” Het ‘’reverse testing’’ effect houdt in dat als er een geheugentest gedaan wordt net na het zien van bijvoorbeeld een tv-programma, de gevoeligheid van deze personen voor misinformatie groter wordt dan bij mensen die dit niet hebben gedaan. Eén mogelijke reden hier voor is het reconsolidatie-effect, wat inhoudt dat het reactiveren van een herinnering deze gevoelig maakt voor eliminatie of aanpassing.

Wat wordt er gedaan tegen al deze fouten?

Suggesties die cognitief psychologen hebben gedaan:

  • Wanneer gevraagd wordt aan een getuige om een dader uit te kiezen uit een ‘line-up’, geef dan ook aan dat de dader ook niet in die specifieke rij zou kunnen staan.

  • Wanneer er een ‘line-up’ wordt gevormd, zorg dan dat deze ‘gevuld’ worden met mensen die lijken op de dader. Dit verkleint de kans dat een onschuldig persoon als dader wordt aangewezen.

  • Wanneer een line-up gepresenteerd wordt, laat verdachten dan één voor één zien in plaats van allemaal tegelijk (zoals je vaak in films ziet). Het probleem met deze manier van opstellen is dat er een relatief oordeel gemaakt wordt. “welke van deze mensen lijkt het meest op de dader?”. Als verdachten individueel getoond worden vergelijkt de getuige deze met de herinnering in plaats van met de andere mensen uit de rij.

  • Zorg voor een ‘blinde’ line-up administrator en zorg voor een onmiddellijke confidence-rating van de getuige. De administrator moet niet weten wie de echte verdachte is en de getuige moet meteen beschrijven hoe zeker zij/hij is van de keuze.

  • Verbeter interviewtechnieken. Cognitief psychologen hebben een cognitief interview ontwikkeld die vrij van suggestie is en gebaseerd is op wat bekend over het ophalen van herinneringen. In dit interview praat de getuige zo vrijuit mogelijk met een minimum aan interrupties. Ook worden technieken gebruikt om de getuige de misdaad te laten herbeleven en te reconstrueren. Deze techniek levert 25-60% meer informatie op dan een routine politie-interview.

Wat is de rol van kennis in de cognitieve psychologie? - Chapter 9

Conceptuele kennis

Om in staat te zijn objecten in de omgeving te herkennen en begrijpen is conceptuele kennis nodig. Op basis van conceptuele kennis kunnen inferenties gemaakt worden over deze gebeurtenissen en objecten. Een concept wordt gedefinieerd als een mentale representatie van objecten, gebeurtenissen en abstractie ideeën. Concepten worden gebruikt voor een groot scala aan cognitieve functies, waaronder geheugen, redeneren en het gebruik en begrip van taal.

Categorisatie

De meest bestudeerde functie van concepten is categorisatie, wat het proces is dat dingen in groepen plaatst. Categorisatie is essentieel voor het begrijpen van de wereld.

Er zijn een aantal functies van categorieën:

  • Het helpt ons individuele gevallen begrijpen die we nog nooit gezien hebben, omdat we basiseigenschappen al in een categorie hebben geplaatst, zoals ‘katten’, ‘auto’s’. We hoeven ons daardoor alleen te richten op individuele karakteristieken en niet alles dat we zien elke keer opnieuw helemaal te analyseren.

  • Het helpt ons ongewoon gedrag te begrijpen dat we anders heel vreemd zouden vinden. Als wij bijvoorbeeld een man verkleed als knakworst dronken over straat zouden zien lopen zouden we dat heel vreemd vinden, tenzij we weten dat hij bij de groep carnavalsvierders hoort.

De benadering met definities

Het definiëren van categorieën werkt over het algemeen niet, omdat de meeste natuurlijke objecten en door mensen gemaakte objecten onderling veel verschillen. Vogels bijvoorbeeld horen bij een categorie, maar hebben onderling duizenden verschillende eigenschappen. Een definitie opstellen voor een ‘vogel’ zou dus geen zin hebben. Dit is ook bij mensen het geval, of stoelen. Ludwig Wittgenstein(1953) kwam daarom met het idee van ‘’familiegelijkenis’’ om met het probleem van definities om te gaan. Familiegelijkenis is het idee dat dingen in een specifieke categorie gelijkenissen hebben met elkaar op een aantal manieren. Dus in plaats van absolute criteria te stellen die leden van een categorie moeten hebben, stelt de familiegelijkenis-benadering dat er wat variatie mag zijn binnen een categorie. Deze benadering leidde bij psychologen tot het idee dat ‘Categorisatie gebaseerd is op hoe gelijk een object is aan een standaardrepresentatie van een categorie’. Deze gelijkenis wordt gebaseerd op een prototype.

De prototype-benadering

Deze benadering gaat er vanuit dat lidmaatschap van een categorie bepaald wordt door het vergelijken van het object met het prototype dat de categorie representeert.

Een prototype is een ‘typisch’ lid van de groep, een ‘gemiddelde’ representatie van een categorie.

  • Hoge prototypiciteit houdt in dat een categorielid veel gelijkenissen toont met het prototype.

  • Lage prototypiciteit houdt in dat een categorielid niet veel gelijkenissen toont.

  • Mensen vinden bijvoorbeeld ‘pinguïn’ minder representatief voor ‘vogel’ dan ‘specht’.

Prototypische objecten hebben een hoge familiegelijkenis. Er zijn ook connecties bepaald tussen prototypiciteit en gedrag. Als mensen iets prototypisch vinden voor een bepaalde categorie tonen ze snellere reacties. Dit is aangetoond door een procedure die de sentence verification technique heet. Bij deze simpele techniek moesten participanten ‘ja’ of ‘nee’ beantwoorden op stellingen als:

  • “Een hond is een zoogdier”.

  • “Een dolfijn is een zoogdier”.

Participanten reageerden sneller met ja bij de eerste zin. De vaardigheid om hoog prototypische objecten sneller te beoordelen is het typiciteitseffect. Als mensen gevraagd wordt zoveel mogelijk objecten van een categorie op te sommen, beginnen ze altijd eerst met de meest prototypische leden. Prototypische leden van een categorie zijn gevoeliger voor priming.

De exemplars-benadering

Deze benadering heeft net als de prototype-benadering betrekking tot het bepalen of een object gelijkenis heeft met de standaard. Het verschil is echter dat de standaard bij de exemplars-benadering niet slechts één ‘gemiddeld’ lid bevat van een categorie, maar dat er meerdere voorbeelden zijn van de standaard. Voorbeelden zijn werkelijke leden van een categorie waar een persoon mee in aanraking is geweest in het verleden. Deze benadering verklaart het typiciteitseffect door te stellen dat objecten die meer op het voorbeeld lijken sneller gecategoriseerd worden. Een hond heeft gelijkenis met veel exemplaren, terwijl een dolfijn veel minder gelijkenis heeft, waardoor de hond sneller wordt geclassificeerd als zoogdier. Vroeg in het leerproces zouden we veel moeite hebben met uitzonderingen op de standaard, maar als we meer leren over de betreffende categorieën kunnen we uitzonderlijke voorbeelden beter in de bijbehorende categorie plaatsen. Hiërarchische organisatie is categorisatie waarin grotere, meer algemene categorieën opgedeeld worden in kleinere, meer specifieke categorieën, wat een aantal niveaus binnen categorieën creëert. Er is onderzoek gedaan naar de vraag of er binnen deze manier van organiseren een ‘basisniveau’ bestaat die psychologisch belangrijker is of meer voorkeur geniet. Het is gebleken dat er een basisniveau is, maar dat deze niet voor iedereen het zelfde hoeft te zijn.

Er zijn drie niveaus:

  • Het superordinate niveau/globale niveau, bijvoorbeeld “meubel”.

  • Gemiddeld 3 algemene eigenschappen

  • Het basisniveau, bijvoorbeeld “tafel”.

  • Gemiddeld 9 algemene eigenschappen

  • Het subordinate niveau/specifieke niveau, bijvoorbeeld “salontafel”.

  • Gemiddeld 10.3 algemene eigenschappen

Volgens Rosch (1976) is het basisniveau psychologisch het belangrijkst omdat er ‘boven’ gaan resulteert in een groot verlies van informatie en er ‘onder’ gaan slechts een heel klein beetje informatie toevoegt. De hoeveelheid kennis over een categorie speelt ook een belangrijke rol in wel niveau de voorkeur geniet. Iemand die veel kennis heeft over planten zal bij benoeming eerder zeggen dat het een “eikenboom” is in plaats van een “boom”. Deze kennis verschilt van persoon tot persoon.

Semantische netwerken

De semantische netwerk-benadering stelt dat concepten georganiseerd zijn in netwerken.

Collins en Quillans hiërarchische model

Dit model uit 1969 is een hiërarchisch model omdat het bestaat uit steeds specifieker wordende niveaus. De meeste specifieke niveaus staan beneden aan en het meest globale boven aan. Gedeelde eigenschappen (bijvoorbeeld “heeft vleugels” voor vogels) worden op een hoger niveau slechts één keer opgeslagen, dit heet cognitieve economie. Cognitieve economie is efficiënt, maar zorgt wel voor problemen omdat bijvoorbeeld niet alle vogels kunnen vliegen. Wat al eerder beschreven is, is dat het brein niet noodzakelijk werkt volgens deze modellen. Het is wel onderzocht dat de reactietijd sneller is bij “Een kanarie is een vogel” dan bij “Een kanarie is een dier”. Een ander onderdeel van deze theorie is de gespreide activatie, wat activiteit is die zich verspreid over elke koppeling die verbonden is met een geactiveerde ‘draad’ in het model. Dus de ‘kanarie-naar-vogel’-draad activeren zorgt voor activatie van andere soorten vogels en dieren. Dit wordt dus ‘geprimed’ en daardoor makkelijker opgehaald uit het geheugen. De invloed van gespreide activatie op priming is in 1971 onderzocht door David Meyer en Roger Schvaneveldt, aan de hand van de lexical decision task. Participanten lezen hierbij stimuli, waarvan sommige woorden en sommige geen woorden. Ze moeten zo snel mogelijk beslissen of een stimulus een woord is of geen woord. De goede antwoorden zijn bijvoorbeeld voor horfalp “nee” en voor waterval “ja”. De hoofdvariabele in dit experiment was de associatie tussen paren van echte woorden. In sommige trials waren de woorden sterk geassocieerd ( zoals ‘groente’ en ‘broccoli’) en in andere zwak (zoals ‘hemel’ en ‘magnetron’). De reactietijd was sneller wanneer de woorden sterker geassocieerd waren. Kritiek op het Collins en Quillan model was dat het geen verklaring kon geven voor het typiciteitseffect, waarbij de reactietijd bij een uitspraak over een object sneller is voor typische leden van een categorie dan voor minder typische leden. Ook was er kritiek op de cognitieve economie, omdat er bewijs was dat mensen wel juist bij specifieke concepten basiseigenschappen plaatsten en niet bij het meer algemene overlappende niveau.

De connectionistische benadering

Kritiek op semantische netwerken en nieuwe kennis over hoe informatie gerepresenteerd is in het brein leidde tot de connectionistische benadering. Deze benadering is (1) gebaseerd op hoe informatie gerepresenteerd wordt in het brein en (2) kan een aantal bevindingen uitleggen, onder andere hoe concepten geleerd worden en hoe hersenschade kennis over concepten beïnvloedt. Connectionisme is een benadering om computermodellen te creëren voor het representeren van concepten en hun bereik, gebaseerd op karakteristieken van het brein. Deze modellen worden ook Parallel Distributed Processing (PDP) modellen genoemd, ze stellen namelijk dat concepten gerepresenteerd worden door activiteit die verdeeld is over een netwerk. In een simpel connectionistisch netwerk hebben de cirkels zijn units, geïnspireerd op neuronen die gevonden zijn in het brein. De lijnen zijn verbindingen die informatie uitwisselen tussen units, net als axonen in het brein. Sommige units worden geactiveerd door stimuli uit de omgeving: input units. Deze verzendt informatie naar de hidden units. De hidden units verzenden informatie naar de output units. Nog een eigenschap van het connectionistische netwerk is connection weights (verbindingsgewichten). Deze bepaalt hoe signalen van de ene naar de andere unit de activiteit van de volgende unit versterken of verzwakken. Deze gewichten corresponderen met wat er gebeurt bij een synaps die signalen van de ene naar de andere neuron verzendt. Sommige neuronen vuren erg vaak en sommigen minder. Activatie van een unit hangt af van:

  1. Het signaal dat ontstaat in de input unit.

  2. De connection weights door het hele netwerk heen.

Verschillen in netwerkverbindingen tussen verschillende netwerken en het patroon van activiteit creëren en illustreren een basisprincipe van connectionisme:

“Een stimulus gepresenteerd aan de input units, wordt gerepresenteerd door het patroon van activiteit die verdeeld is over de andere netwerken.” Back propagation is het proces waarbij error signalen (foute signalen) teruggestuurd worden naar de hidden units en representation units om informatie te verschaffen over hoe verbindingen zouden moeten worden veranderd, zodat de correcte property units worden geactiveerd (zie complex connectionistisch model). Dit is te vergelijken met een jong kind dat elk harig beest een ‘hond’ noemt. Door lessen van ouders etc. leren zij geleidelijk aan de verschillen kennen tussen ‘honden’ en ‘katten’ en ‘teddyberen’, tot dat aan elk dier de goede eigenschappen worden toegekend. Resultaten die het connectionisme ondersteunen:

  • De werking van connectionistische netwerken is niet helemaal verstoord door schade, omdat informatie verdeeld is over vele units.

  • Verstoring van prestatie treedt alleen geleidelijk op als delen van het systeem beschadigd zijn. Dit heet graceful degradation.

  • Connectionistische netwerken kunnen generalisatie van leren verklaren.

  • Gelijke concepten hebben gelijke eigenschappen, waardoor een systeem trainen om eigenschappen van één concept te herkennen ook helpt bij het herkennen van andere gerelateerde concepten.

Categorieën en het brein

Er zijn vier theorieën over de manier waarop concepten gerepresenteerd zijn in de hersenen. De eerste theorie is de sensory-functional hypothesis. Deze theorie is gebaseerd op de observatie van Warrington en Shallice dat patiënten met hersenschade selectieve stoornissen hadden in het herkennen van levende en niet-levende objecten. Volgens deze hypothese is de capaciteit om levende en niet-levende objecten te onderscheiden afhankelijk van een semantisch geheugensysteem, waarin sensorische attributen gerepresenteerd zijn, en een systeem dat functie representeerd. Een tweede theorie is de semantische categorieën-benadering, waarin gesteld wordt dat er specifieke neurale circuits zijn voor specifieke categorieën. Dit idee is gebaseerd op onderzoek dat uitwijst dat er specifieke hersengebieden zijn die reageren op specifieke stimuli. Twee gebieden in het brein voor specifieke categorieën zijn de fusiform face area (FFA) en de parahippocampal place area (PPA). De ene reageert sterk op gezichten en de andere op huizen, kamers en plekken. Representaties in het brein zijn echter verdeeld, dus zelfs één specifieke stimulus veroorzaakt activatie in een veel verschillende hersengebieden. Deze verdeling van activiteit is onder andere veroorzaakt door veel verschillende eigenschappen van objecten, zoals kleur, afstand, welke emoties het losmaakt, hoe het beweegt, welke gedragseigenschappen het heeft. De derde theorie is de multiple-factor approach. Ook hierin staat het idee van verdeelde representatie centraal, maar in plaats van verklaringen te zoeken in hersengebieden of –netwerken wordt hierin gezocht naar meerdere factoren die bepalen hoe concepten in categorieën ingedeeld worden. Een vierde en laatste theorie is de embodied approach. Deze stelt dat conceptuele kennis gebaseerd is op sensorische en motorische processen die geactiveerd worden wanneer geinteracteerd wordt met een object. Deze benadering komt overeen met de manier waarop actie en perceptie interacteren.

Wat is de betekenis van taal in de cognitieve psychologie? - Chapter 11

Defintie van taal

De definitie van taal is: ‘Een systeem van communicatie die gebruik maakt van geluiden of symbolen die ons in staat stellen onze gevoelens, gedachten, ideeën en ervaringen te uiten.’ Deze definitie wordt uitgebreid door een aantal eigenschappen die de menselijke taal uniek maken.

  • Taal voorziet ons van een manier om een serie van signalen te ordenen, waaronder geluiden voor gesproken taal, letters en geschreven woorden voor geschreven taal, en fysieke signalen voor gebarentaal.

  • Taal maakt het mogelijke nieuwe unieke zinnen te creëren omdat het een hiërarchische structuur heeft en wordt geleid door regels.

  • De hiërarchische structuur betekent dat kleinere componenten gecombineerd kunnen worden tot grotere eenheden. Woorden worden zinnen, zinnen worden verhalen.

Taal is universeel en komt voort uit de krachtige behoefte van mensen om met elkaar te communiceren. Iedereen met normale capaciteiten ontwikkelt een taal en volgt de regels van die taal. Er is geen enkele cultuur zonder taal en taalontwikkeling is gelijk bij alle culturen. Alle talen kunnen beschreven worden als “uniek maar gelijk”. Uniek in klanken en woorden, maar gelijk in functie. Alle taalsystemen bevatten een manier om dingen negatief te maken, vragen te stellen en te verwijzen naar verleden en toekomst. De wetenschappelijke studie van taal dateert al vanaf de 19e eeuw, toen Paul Broca en Carl Wernicke ontdekten dat bepaalde gebieden in de frontaalkwabben en temporaalkwabben betrokken zijn bij het begrijpen en produceren van taal. Onderzoek naar cognitieve aspecten van taal vinden echter pas vanaf de Cognitieve Revolutie(jaren ’50) plaats op grote schaal.

Na het behavioristische boek ‘’Verbal Behavior’’ van Skinner, kwam Chomsky met het boek ‘’Syntactic Structures’’, welke stelde dat er een genetische aanleg is bij alle mensen voor het leren van taal. Taal zou zijn ‘voorgeprogrammeerd’ in de genen van mensen. Hij had veel kritiek op de Behavioristische benadering, wat een belangrijk punt was in de cognitieve revolutie. Dit leidde tot verandering van de focus van jongere psycholinguïsten die zich bezig hielden met de psychologische bestudering van taal. De psycholinguïsten hielden zich bezig met vier primaire gebieden van taal:

  1. Begrip. Hoe begrijpen mensen gesproken en geschreven taal?

  2. Spraakproductie. Hoe produceren mensen taal?

  3. Representatie. Hoe is taal gerepresenteerd in de geest en het brein?

  4. Acquisitie. Hoe leren mensen taal?

Waarneming van woorden, fonemen en letters

Volwassenen begrijpen meer dan 50.000 woorden. De kennis over woorden is opgeslagen in het lexicon. Het lexicon is iemands kennis over wat woorden betekenen, hoe ze klinken en hoe ze gebruikt worden in relatie tot andere woorden.

Woordcomponenten

De twee kleinste taaleenheden zijn fonemen en morfemen. Fonemen refereren naar klanken. Morfemen refereren naar betekenis. Een foneem is het kleinste segment van spraak dat indien veranderd, de betekenis van een woord verandert. Fonemen verwijzen naar klanken, niet letters. Letters kunnen namelijk verschillende klanken hebben, zoals de e in ‘pet’ en ‘klaver’. Het aantal fonemen verschilt per taal. Een morfeem is de kleinste eenheid van taal die een bepalende betekenis of grammaticale functie hebben. ‘Boom’ bestaat uit meerdere fonemen maar slechts één morfeem. Morfemen verwijzen niet naar lettergrepen. Var-ken kan niet gescheiden worden omdat het dan geen betekenis meer heeft. Varken-s bestaat wel uit twee morfemen omdat de s meervoud aangeeft en dus de betekenis verandert.

Gesproken fonemen en woorden, geschreven letters

Een van de kerneigenschappen van taal is dat verschillende onderdelen ervan worden beïnvloedt door de context waar in ze worden geplaatst. Het woord ‘rot’ heeft bijvoorbeeld een andere betekenis in de zin “De appel is rot” dan in de zin “Rot op”. Onze perceptie stelt ons in staat woorden en delen van woorden als individuele onderdelen te herkennen.

Spraak

Het waarnemen van fonemen: Warren onderzocht de invloed van context op de perceptie van spraak. Hij kwam op een effect, dat hij het fonemisch restauratie-effect noemde, welke uitlegt dat een foneem die deel van een zin is zelfs gehoord wordt als het geluid wordt overheerst door een harder geluid. Mensen “vullen de fonemen zelf in”, gebaseerd op de context van de zin en de eigenschappen van het woord die wel gepresenteerd waren. Dit is Top-down processing.

Het waarnemen van woorden: Onze kennis van de betekenis van woorden helpt bij het waarnemen van woorden. Mensen spreken dezelfde woorden uit op een andere manier, met een andere toon, snelheid en spreken hun natuurlijke taal vaak ‘relaxed’ uit, niet volledig gearticuleerd. Een voorbeeld is: “Kebbechgeen zin vandaag.” Deze manier van uitspreken van woorden zou de helft van die woorden betekenisloos maken indien ze uit de context van een zin werden gehaald. Dit is bewezen in 1964, toen participanten in een gesprek geluidsfragmenten moesten beluisteren van hun eigen stem in een gesprek. Ze wisten de helft van de tijd niet eens wat ze zelf zeiden, omdat ze de hele zin niet hoorden. We nemen waar dat woorden in gesprekken gescheiden zijn van elkaar door pauzes en scheidingen, terwijl dit in werkelijkheid niet zo is. Het proces waarbij individuele woorden in de constante stroom van spraaksignalen heet spraaksegmentatie. Bij een vreemde taal is dit vrijwel onmogelijk. Spraaksegmentatie wordt ondersteund door de kennis van de woorden en het begrijpen van de context waarin deze woorden verschijnen. Segmentatie wordt ook geleerd doordat bepaalde woorden waarschijnlijker volgen op het ene woord dan op het andere woord. Ka-mer is waarschijnlijker dan ka­-smok.

Lezen

Waarnemen van letters

Het effect van context is waargenomen bij gesproken taal, maar speelt ook een rol bij het waarnemen van geschreven letters. Het woordsuperioriteits-effect heeft te maken met de bevinding dat letters makkelijker te herkennen zijn wanneer ze in woorden geplaatst zijn dan wanneer ze alleen of in een non-woord(niet bestaand woord) staan. De letters in woorden worden niet een voor een verwerkt maar worden beïnvloedt door ‘omgeving’.

Begrip van woorden

Woordfrequentie verwijst naar het relatieve gebruik van een woord in een specifieke taal. Het woordfrequentie-effect verwijst naar het feit dat we sneller reageren op hoge frequentie-woorden zoals ‘boom’ dan op lage frequentie-woorden zoals ‘bast’. Aan de hand van de lexical decision task is het woordfrequentie-effect gemeten. Hierbij moeten participanten stimuli lezen en bepalen of het woorden of geen woorden zijn. Bijvoorbeeld: ‘gordakten’ is geen woord, ‘flamboyant’ is wel een woord. Hier is uit voortgekomen dat hoge frequentie-woorden sneller gelezen worden dan lage frequentie-woorden. Aan de hand van eye-movement onderzoek is het woordfrequentie-effect ook gemeten. Daar uit is gebleken dat lage frequentie-woorden langere fixatie van het oog ontvangen. Het woordfrequentie-effect illustreert hoe onze vaardigheid om de betekenis van woorden te benaderen wordt beïnvloedt door onze ervaring met deze woorden.

Lexicale ambiguïteit verwijst naar het feit dat woorden vaak meerdere betekenissen kunnen hebben. Meestal gebruiken we de context van de zin om te bepalen welke betekenis relevant is, wat vaak zo snel gebeurt dat we ons niet eens bewust zijn van dat het gebeurd. Een ambigue woord is bijvoorbeeld ‘bol’. Lexicale priming is priming dat betrokken is bij het benamen van woorden. Lexicale priming heeft betrekking tot de betekenis van woorden, waardoor priming-effecten op kunnen treden wanneer een woord gevolgd wordt door een woord met een soortgelijke betekenis. Als voor het woord ‘bol’ snel het woord ‘brood’ verschijnt wordt de bol sneller geïnterpreteerd als een broodbolletje. Als het woord ‘waarzegster’ verschijnt kan de bol weer anders geïnterpreteerd worden.

Begrip van zinnen

Zinnen hebben twee eigenschappen die de zinbetekenis bepalen, namelijk de syntax en de semantiek. Semantiek is de betekenis van woorden en zinnen. Syntax specificeert de regels voor het combineren van woorden in zinnen(grammatica). Semantiek en syntax worden met verschillende hersengebieden geassocieerd. Het groeperen van woorden in zinnen wordt parsing (ontleding) genoemd, wat een centraal proces is bij het bepalen van de betekenis van een zin. Dit wordt onderzocht door psychologen aan de hand van tijdelijke ambiguïteit, waarbij de aanvankelijke woorden van een zin tot meerdere betekenissen kunnen leiden. Meestal bepalen mensen al voor de zin ‘af’ is, hoe die gaat eindigen. Als ze het fout hebben herzien ze hun mening gewoon. Een voorbeeld is: “Wat zijn zij wilde Pieter vragen.” Eerst denk je een uitspraak te lezen over dat iemand hen wild vindt, maar later zie je dat het de Pieter wilde vragen wat zij zijn. Bovenstaande zin is een voorbeeld van een garden path-zin, die zo heet omdat het de lezer op het verkeerde pad brengt. De Engelse uitdrukking “down the garden path” betekent langs een pad gaan dat goed lijkt, maar verkeerd blijkt te zijn.

De syntax-eerst benadering van ontleding legt de focus op hoe ontleding bepaalt wordt door de syntax, oftewel de grammaticale structuur van een zin. Deze benadering stelt dat het ontledingsmechanisme zinnen samen groepeert op basis van structurele principes. Een van deze principes is late closure (late afsluiting), wat betekent dat als een persoon een nieuw woord tegen komt, dat zijn/haar ontledingsmechanisme aanneemt dat dit woord deel is van de huidige zin, zodat elk nieuw woord aan de huidige zin wordt toegevoegd voor zo lang als mogelijk. Bijvoorbeeld: “De zanger zong elke dag het nieuwe lied dat hij van zijn manager moest zingen.” Bepaal na het lezen van deze hele zin waar de eerste frase eindigt (De zanger zong elke dag), bepaal dan welke woorden aan de eerste frase zijn toegevoegd tijdens het aanvankelijke lezen. Aan de hand van late closure kun je zien dat de syntax(structuur) dingen controleert, daarna, indien nodig springt de semantiek(betekenis) in om de ontleding aan te passen.

De interactionele benadering van ontleding stelt dat alle informatie, zowel syntactisch als semantisch betrokken wordt bij het lezen of luisteren naar een zin, zodat alle correcties die gemaakt worden plaatsvinden tijdens het ontvouwen van de zin. Het verschil tussen de interactionele benadering en syntax-eerst benadering zit hem dus in wanneer (en niet óf) de semantiek betrokken wordt. De interactionistische benadering wordt ondersteund omdat bevonden is dat semantiek een belangrijke rol speelt bij ontleding aan het begin van de zin. “De man zag de vrouw met de verrekijker” kan twee dingen betekenen. “De hond zag de vrouw met de verrekijker” kan maar één ding betekenen.

Begrip van tekst en verhalen

Om een goed samenhangend verhaal te maken, moeten inferenties gemaakt worden. Dit houdt in: het bepalen van wat de tekst betekent door onze kennis te gebruiken om verder te gaan dan de informatie die de tekst verschaft. Inferentie is een creatief proces. Inferentie speelt ook een rol bij (eerder besproken) waarneming van een omgeving, waar we ook onze voorkennis bij gebruiken, en bij geheugen. Eén van de functies van inferentie is het creëren van verbindingen tussen delen van een verhaal. Een belangrijke eigenschap van narratieve teksten is coherentie. Coherentie is de representatie van een tekst in het hoofd van een persoon, zodat deze informatie uit het ene deel van de tekst kan koppelen aan informatie uit het andere deel. Er zijn verschillende soorten inferentie die coherentie veroorzaken.

Soorten inferentie

Anaforische inferenties zijn inferenties die een object of persoon in een zin verbinden aan een object of persoon in een andere zin. Bijvoorbeeld. “Marieke liep naar de manke hond toe. Ze was altijd erg betrokken als het dierenleed betrof.” Ze verwijst naar Marieke, wat we begrijpen door de anaforische inferentie die we hebben gemaakt.

Instrumentele inferenties zijn inferenties over gereedschappen of methoden. Bijvoorbeeld: “Kees sloeg de spijker in de muur.” Hierbij trekken we al automatisch de conclusie dat Kees een hamer gebruikte(en geen baksteen) door de kennis die we hebben over hoe een spijker meestal in de muur wordt geslagen.

Causale inferenties zijn inferenties dat de gebeurtenissen uit de ene zin veroorzaakt worden door gebeurtenissen uit een vorige zin. Bijvoorbeeld: “Boudewijn liep door de uitgestrekte woestijn. Hij had het snikheet.” We nemen hierbij aan dat Boudewijn het heet heeft omdat hij in een woestijn loopt. Het kunnen maken van inferenties is essentieel voor het creëren van samenhang (coherentie) in een verhaal en vereist soms wat creativiteit.

Situatiemodellen

Een andere aanpak voor het begrijpen van hoe mensen teksten begrijpen, is door de aard van mentale representaties mee te nemen die mensen vormen tijdens het lezen. Een Situatiemodel is een mentale representatie van waar een tekst over gaat. Deze aanpak stelt dat mensen teksten niet begrijpen door informatie uit frases, zinnen of paragrafen. Ze begrijpen het door een representatie maken van de situatie, met de betrokken personen, locaties en objecten die worden beschreven in het verhaal. Dit model betrekt ook het idee dat een lezer of luisteraar motorische eigenschappen simuleert van objecten in een verhaal. Als je een verhaal leest over het racen in een F1-auto neem je niet alleen waar hoe deze auto er uit ziet, maar ook hoe deze beweegt, wat de snelheid is en hoe deze bestuurd wordt. Deze simulaties worden gereflecteerd door hersenactiviteit, wat betekent dat het lezen van “likken” dezelfde hersengebieden stimuleert als wanneer er daadwerkelijk gelikt wordt. De activiteit is wel iets minder extensief, maar betreft dus dezelfde gebieden. Het lezen van een verhaal activeert veel gebieden in de cortex, ook veroorzaken specifieke acties in verhalen verschillende hersengebieden(met wat overlap).

Gesprekken voeren

Ook bij de productie van taal, als twee of meer mensen een gesprek voeren, komt een creatief proces kijken. In een conversatie moet rekening gehouden worden met wat anderen gezegd worden. We weten bijna nooit wat iemand gaat zeggen, maar toch kunnen we vrijwel direct na dat iemand wat gezegd heeft reageren. Dit kunnen mensen aan de hand van coördinatie van de gesprekken op zowel semantisch als syntactisch niveau.

Semantische coördinatie

Wanneer mensen hun gedeelde kennis gebruiken in een gesprek over een bepaald onderwerp loopt dit gesprek vloeiender. Als er een nieuwe oorlog is uitgebroken in Irak, helpt het dat twee mensen die hier over praten allebei het nieuws hebben gevolgd over de oorlog. Wat helpt bij een gesprek is dat sprekers stappen nemen om hun luisteraars door het gesprek heen te leiden, wat kan aan de hand van given-new contract. Deze stelt dat de spreker zinnen zo dient op te bouwen dat deze twee typen informatie bevatten: namelijk de (1)gegeven informatie, informatie die de luisteraar al kent en de (2)nieuwe informatie, informatie die de luisteraar voor de eerste keer hoort.

Syntactische coördinatie

Wanneer mensen in een gesprek uitspraken uitwisselen, gebruiken ze gewoonlijk dezelfde grammaticale constructies. Mensen ‘kopiëren’ de vorm van de zinnen bij gesprekken van elkaar. Dit kopiëren van de vorm heeft te maken met een verschijnsel, namelijk syntactische priming. Syntactische priming betekent dat het horen van een uitspraak met een specifieke syntactische opbouw, de kans verhoogt dat een zin wordt geproduceerd met dezelfde syntactische structuur. Syntactische priming maakt het spreken makkelijker omdat de vorm van spreken makkelijk overgenomen kan worden en er niet steeds opnieuw een vorm bedacht moet worden. Dit zorgt dat er ruimte overblijft voor het afwisselen tussen het begrijpen van taal en produceren van taal, zodat er een succesvol gesprek kan worden gevoerd. De Sapir-Whorf Hypothese stelt dat de aard van de taal van een cultuur invloed kan hebben op de manier waarop mensen denken. In het Russisch bestaan er twee compleet verschillende woorden voor lichte kleuren blauw en donkere tinten blauw, waardoor zij geleerd hebben dit als compleet andere kleuren te zien. In Nederland zijn al deze kleuren in principe ‘blauw’, waardoor verschillende tinten blauw nog steeds als blauw worden gezien. Hier door zien Russen verschillen in donkere en lichtere tinten veel sneller dan Nederlanders. Taal kan dus invloed hebben op cognitie.

Hoe worden problemen opgelost? - Chapter 12

De definitie van een probleem is: Een probleem treedt op wanneer er een obstakel is tussen een huidige staat en een doel en het niet meteen vanzelfsprekend is hoe dit obstakel omzeild kan worden. Goed gedefinieerde problemen hebben vaak een correcte oplossing, waarbij bepaalde procedures tot een oplossing leiden, indien goed uitgevoerd. Slecht gedefinieerde problemen komen vaak voor in het dagelijks leven en hebben niet direct een ‘correcte’ oplossing en hebben vaak een onduidelijke route die tot de juiste oplossing leidt. Psychologisch onderzoek is hoofdzakelijk gericht op goed gedefinieerde problemen.

De invalshoek van de Gestaltpsychologie

Volgens de Gestaltpsychologen ging probleem oplossen over (1) hoe mensen een probleem in hun hoofd representeren en (2) hoe reorganisatie en herstructurering betrokken is bij deze representatie.

Een probleem representeren in het hoofd

Wat bedoeld wordt met hoe een probleem ‘gerepresenteerd’ wordt in het hoofd, is hoe het gepresenteerd wordt. Een van de centrale stellingen was dat succes in probleem-oplossen bepaald wordt door hoe het probleem gerepresenteerd is in iemands hoofd. Een object wordt eerst waargenomen en daarna wordt hij anders gerepresenteerd in het hoofd, waardoor de oplossingen op problemen komen. Het proces van het veranderen van de representatie van een probleem noemden de Gestaltpsychologen restructurering(herstructurering). De Gestaltpsychologen stelden eveneens dat restructurering geassocieerd is met inzicht, de plotselinge realisatie van de oplossing op een probleem. Ze stelden dat mensen die problemen oplosten inzicht ervoeren omdat de oplossingen plotseling leken te komen. Probleem oplossen is dan een soort “Eureka!”momentje. Een gebrek aan bewijs zorgden voor extra onderzoek. In 1978 werd aan de hand van een experiment bepaald wat verschillen waren tussen inzicht problemen en niet-inzicht problemen. De hypothese was dat participanten bij inzichtvragen minder goed konden voorspellen hoe dicht ze bij de oplossing zaten(vanwege het plotselinge eureka-moment), dan bij niet-inzichtvragen. Deze hypothese bleek te kloppen.

Obstakels bij probleem-oplossen

Eén van de grootste obstakels is volgens de Gestaltpsychologen fixatie, wat de neiging is van mensen om zich blind te staren op één karakteristiek van het probleem, waardoor ze niet tot een oplossing komen. Functionele standvastigheid is het beperken van het gebruik van een object tot zijn oorspronkelijke bekende functies. Dit is geïllustreerd aan de hand van het ‘’kaarsprobleem’’ (Duncker, 1945). Een voorbeeld is dat een baksteen gebruikt wordt als straatbetegeling, waarbij niet verder gedacht wordt dat deze ook goed zou kunnen functioneren als geïmproviseerde hamer. Het ‘’two-string probleem’’ (Maier, 1931) is nog een demonstratie van functionele standvastigheid. Participanten hadden de taak om twee draadjes aan elkaar te knopen die aan het plafond hingen, wat moeilijk was omdat ze zo ver uit elkaar hingen dat de ene draad niet gepakt kon worden terwijl de andere nog vastgehouden werd. De oplossing kwam pas toen de participanten hun representatie van hoe de oplossing te bereiken was herstructureerden. Preconcepties over het gebruik van bepaalde objecten hebben is een voorbeeld van een mentale set, wat een vooropgezette stelling is over hoe een probleem benaderd moet worden, welke bepaald is door de kennis van mensen over het gewoonlijke gebruik van objecten. Een mental set staat creatieve en snelle oplossingen soms in de weg omdat er niet out of the box wordt gedacht.

Modern onderzoek naar Probleem-oplossen: Informatieverwerking

Bij deze nieuwe aanpak beschreven Newell en Simon probleemoplossen als een zoektocht van het stellen van de vraag naar de oplossing. Deze beschrijving is terug te vinden in de hedendaagse taal, waarbij problemen worden omschreven als “obstakels omzeilen”, “op een dood einde stuiten”, “het probleem vanuit een andere hoek benaderen”.

De aanpak van Newell en Simon (1972)

Zij zagen problemen in de volgende termen:

  • Een aanvankelijke staat omvat de condities aan het begin van het probleem.

  • Een doelstaat is de oplossing van een probleem.

  • Operators zijn acties die het probleem van de ene staat naar de andere staat brengen, welke meestal bepaald worden door regels. Een voorbeeld is: “de blauwe bal mag nooit naast de rode bal liggen”.

Newell en Simon zagen het probleem-oplossen als een proces met een opeenvolging van stappen richting de oplossing. De tussenposes van deze stappen noemden zij een intermediate staat. De aanvankelijke staat, de doelstaat en alle mogelijke intermediate staten van een probleem vormen samen de problem space(probleemruimte). Dit zijn dus alle mogelijke staten van een vraag bij elkaar. Om een probleem op te lossen moeten we de gehele problem space doorzoeken. Om deze zoektocht richting te geven kan gebruik gemaakt worden van een strategie. Eén van de strategieën die zij voorstelden, is de mean-end analyse, waarbij het primaire doel is om verschillen te reduceren tussen de aanvankelijke staten en doelstaten. Dit wordt bereikt door het opstellen van subdoelen. Dit zijn intermediate staten die dichter bij het doel staan. Soms moeten er eerst stappen genomen worden die verder weg van het doel staan om dichterbij te komen.

Moeilijkheid van een probleem beïnvloedt door probleemstelling

Dit wordt geïllustreerd aan de hand van het acrobatenprobleem en het omgekeerde acrobatenprobleem. Bij deze problemen moesten 3 acrobaten op een andere paal terecht komen door op elkaar schouders te springen en zo naar de volgende paal moesten. Er was één verschil tussen de twee problemen: Regel 4 van het acrobatenprobleem: een zwaardere acrobaat mag niet op de schouders van een lichtere acrobaat staan. Regel 4 van het omgekeerde acrobatenprobleem: een lichtere acrobaat mag niet op de schouders van een zwaardere acrobaat staan. In principe zijn dezelfde stappen nodig bij de twee acrobatenproblemen, maar bij het omgekeerde acrobatenprobleem duurde het ongeveer 4 minuten langer om tot de oplossing te komen. Een mogelijke reden hier voor is dat het idee van een 200 kilo zware acrobaat op de schouders van een 50 kilo zware acrobaat niet consistent is met onze kennis over de wereld, waardoor het ook nog eens moeilijker te visualiseren is. Hierdoor wordt het probleem moeilijker op te lossen. Bij het mutilated checker probleem wordt nogmaals duidelijk waarom de manier van vraagstelling de moeilijkheid beïnvloedt. Dit probleem gaat over een schaakbord, waar 32 dominostenen op passen. Als er aan twee tegenoverstaande diagonale hoeken een blokje weg wordt gehaald, passen er dan nog 31 stenen op? De oplossing was hetzelfde bij de 4 condities, maar de manier waarop het schaakbord gepresenteerd werd bepaalde hoe lang het duurde om het op te lossen. Om een beter begrip van gedachteprocessen te krijgen bij participanten bij het probleem-oplossen, ontwierpen zij het think-aloud protocol (hardop denken protocol), waarbij participanten hard op moesten uitspreken wat zij dachten tijdens het probleem oplossen.

Analogieën

Een analogie is het proces van het opmerken van overeenkomsten tussen soortgelijke problemen en de oplossing op het ene probleem dus ook toepassen op soortgelijke problemen. De methode die gebruikt is bij een probleem kan ook werken als leidraad bij bepaalde andere problemen. Dit wordt analogische probleemoplossing genoemd. Onderzoek naar analogische probleemoplossing moest eerst uitwijzen hoe goed mensen hun ervaring bij het ene probleem kunnen overbrengen naar een ander soortgelijk probleem. Dit overbrengen wordt analogische transfer genoemd. Dit werd bestudeerd door een doelprobleem te presenteren aan de participanten, met daarbij een bronprobleem/ bronverhaal. In het bronprobleem konden de participanten eigenlijk in een andere context de oplossing vinden voor het doelprobleem. Gick en Holyoak kwamen na experimenten met betrekking tot analoge probleemoplossing tot de volgende conclusie. Analoog probleem-oplossen bevat de volgende drie stappen:

  • Opmerken dat er een analoog verband is tussen het bronverhaal en het doelprobleem. Bij de meeste mensen lukt dit pas als ze de hint krijgen dat ze het bronverhaal moeten raadplegen om het doelprobleem op te lossen, ze komen er niet zelf op. Het opmerken is de moeilijkste stap.

  • In kaart brengen wat de correspondentie is tussen het bronverhaal en doelprobleem.

  • Toepassen van de correspondentie om een parallelle oplossing te genereren voor het doelprobleem.

Wat het moeilijk maakt voor veel mensen om zelf (zonder hints) tot analoge probleemoplossingen te komen is het feit dat ze vaak focussen op oppervlakte-eigenschappen. Dit zijn specifieke elementen van het probleem. Oppervlakte-eigenschappen van bronverhalen en doelproblemen kunnen erg verschillen van elkaar. Wanneer deze eigenschappen meer overeenkomstig gemaakt worden, kan dat helpen bij het opmerken van de relatie tussen bronverhalen en doelproblemen. Als een bronverhaal bijvoorbeeld ‘marcherende soldaten’ en een ‘fort’ bevatten, en het doelprobleem ‘radiatiestralen’ en een ‘tumor’, is de link niet zo makkelijk te leggen. Als een bronverhaal ‘radiatiestralen’ en een ‘tumor’ bevatten, en het doelprobleem ‘laserstralen’ en een ‘lamp’ bevatten, is de link makkelijker te leggen omdat radiatiestraling en laserstralen meer gelijke oppervlakte-eigenschappen hebben. Wat ook invloed heeft op probleem-oplossen zijn de structurele eigenschappen van het probleem. Dit zijn de onderliggende principes die leiden naar de oplossing. Als de structurele eigenschappen van twee problemen verschillen, kwamen participanten veel minder snel tot de oplossing van het doelprobleem. Het opmerken van structurele overeenkomsten kan bevorderd worden door een trainingprocedure, de Analoge coderingstechniek. Hierbij moeten participanten twee cases vergelijken die een principe illustreren. Het idee hierachter is dat als de trainees cases leren te vergelijken, ze vaardiger worden in het zien van de onderliggende structuur. Het vergelijken van bronverhalen is een effectieve manier om mensen aandacht te laten besteden aan structurele eigenschappen. Dit verbeterd hun vaardigheid om andere problemen op te lossen.

Analogie in de echte wereld

Veel voorbeelden uit de echte wereld van analoge probleemoplossing hebben geleid tot de volgende analoge paradox:

‘Participanten in psychologische experimenten neigen zich te focussen op oppervlakte-eigenschappen in analogieproblemen, waarbij mensen in de echte wereld regelmatig diepere meer structurele eigenschappen gebruiken.’ (Dunbar, 2001). Dunbar kwam tot deze conclusie aan de hand van in vivo-onderzoek, waarbij geobserveerd wordt om te bepalen hoe mensen in ‘real-world situations’ problemen oplossen. In het echte leven worden heel vaak analogieën gebruikt om tot oplossingen te komen.

Experts in probleem-oplossen

Experts zijn mensen die, door een grote hoeveelheid tijd te besteden aan het leren over een gebied en het oefenen en toepassen van dat leren, erkend zijn als extreem slim of vaardig op dat specifieke gebied. Door bijvoorbeeld 10.000 tot 20.000 uur te hebben besteed aan het spelen en bestuderen van schaken, hebben sommige spelers de titel bereikt van grootmeester. Experts lossen problemen meestal sneller op en hebben vaker succes bij het oplossen dan beginners. Het verschil in prestatie en methodes tussen experts en beginners is gemeten door cognitief psychologen, waarbij zij tot de volgende conclusies zijn gekomen:

  • Experts bezitten meer kennis over hun gebied.

  • Niet alleen bezitten ze veel kennis, deze kennis is ook zo georganiseerd dat ze er snel toegang tot hebben wanneer ze een probleem op moeten lossen.

  • Experts hebben anders georganiseerde kennis dan beginners.

  • Beginners sorteren problemen op oppervlakte-eigenschappen(hoe ze er uit zien) en experts op structurele eigenschappen(de diepere onderliggende betrokken principes).

  • Experts besteden meer tijd aan het analyseren van problemen.

  • Experts besteden meer tijd aan het proberen te begrijpen van het probleem, in plaats van het probleem meteen op proberen te lossen.

Experts hebben alleen het voordeel van hun expertise bij problemen in hun specifieke gebied. Buiten hun gebied presteren zij niet beter dan de rest. Expert zijn kan ook een nadeel zijn, omdat al deze verkregen feiten en theorieën binnen een gebied deze mensen minder ontvankelijk maakt voor nieuwe invalshoeken op problemen.

Creatief probleem-oplossen

Creativiteit betrekt innovatief denken, nieuwe ideeën opstellen of nieuwe verbanden leggen tussen bestaande ideeën om iets nieuws te creëren. Creativiteit wordt vaak geassocieerd met divergent denken: Denken dat vrij is, met veel potentiële ‘oplossingen’ en zonder ‘correct’ antwoord. Het tegenovergestelde is convergent denken, wat naar een oplossing toe werken is van een specifiek probleem waar op meestal een correct antwoord is. Fixatie is wat het meest in de weg staat van creativiteit. Ronald Finke ontwikkelde een techniek die hij creatieve cognitie noemde, om mensen te trainen om creatief te denken. Hierbij moesten participanten met hun ogen gesloten drie objectvormen kiezen en binnen één minuut een nieuw object bedenken uit deze drie vormen. Ze moesten opletten dat ze niet de objectvormen koppelden aan bekende voorwerpen (een halve cirkel als ‘soepkom’ zien bijvoorbeeld). Als er iets in hun hoofd opkwam, moesten ze dit tekenen. De uitvinding van de objectvormen als ‘nieuwe’ objecten noemde hij preinventieve vormen, omdat dit ideeën zijn die de uiteindelijke creatie van een creatief product voorspellen.

Werkgeheugen

Een groot werkgeheugen hebben is een voordeel bij probleem-oplossen , maar alleen als er onder lage druk gewerkt wordt. Onder hoge druk is er geen verschil in prestatie. Dit komt omdat mensen met een hoog werkgeheugen vaak de voorkeur hebben voor complexe strategieën om problemen op te lossen. Onder hoge druk stappen ze over naar snellere, maar minder accurate strategieën om het probleem aan te pakken. Hierdoor verdwijnt hun voordeel bij hoge druk. De reden dat ze andere strategieën gebruiken onder hoge druk is omdat de aandacht in het werkgeheugen nu verdeeld moet worden. Enerzijds is er het probleem en anderzijds is er bijvoorbeeld de tijdsdruk, waardoor stress wordt ervaren. Door deze verdeling van aandacht kan het werkgeheugen zich niet meer alleen maar op het probleem richten.

Hoe worden beslissingen genomen? - Chapter 13

‘Beslissingen’ wordt gedefinieerd als het maken van keuzes tussen alternatieven. ‘Redeneren’ wordt gedefinieerd als het proces van conclusies trekken. Een andere definitie is ‘de cognitieve processen waarbij mensen beginnen met informatie en tot conclusies komen die voorbij die informatie gaan.’ Redeneren gaat vaak vooraf aan het maken van beslissingen. Er worden twee typen van redeneren onderscheiden door cognitief psychologen, namelijk deductief redeneren en inductief redeneren. Deductief redeneren bevatten opeenvolgingen van verklaringen die syllogismen genoemd worden. Een voorbeeld is dat als we weten dat het minimaal 3 jaar duurt voordat een Bachelorsdiploma kan worden gehaald en Barrie heeft zijn bachelorsdiploma, weten we ook dat Barrie al minstens 3 jaar studeert. Bij Inductief redeneren komen we tot conclusies over wat waarschijnlijk waar is, gebaseerd op bewijs. Een voorbeeld is dat als we weten dat Beatrix 4 jaar les heeft gehad in origami en nu voorzitster is van de landelijke origamiclub, we zouden kunnen concluderen dat Beatrix haar origami-diploma heeft behaald. We kunnen niet zeggen dat ze zeker haar origami-diploma heeft, want misschien is de moeder van Beatrix wel voorzitster van de Europese origami-organisatie en heeft zij Beatrix benoemd tot voorzitster in Nederland, terwijl Beatrix nooit haar diploma heeft behaald. Bij deductief redeneren kunnen dus zekere conclusies getrokken worden. Bij inductief redeneren kunnen waarschijnlijke conclusies getrokken worden.

Deductief redeneren: Syllogismen en logica

De basisvorm van deductief redeneren is geïntroduceerd door Aristoteles. Deze vorm wordt het syllogisme genoemd. Een syllogisme bestaat uit twee uitspraken die premises worden genoemd, gevolgd door een derde uitspraak, namelijk de conclusie.

Categorische syllogismen

Categorische syllogismen bestaan uit premises en een conclusie die de relatie tussen twee categorieën beschrijft aan de hand van uitspraken die allemaal beginnen met alle, geen, of bepaalde.

De notaties zijn A en B.

Een voorbeeld van een categorisch syllogisme:

Premise 1: Alle honden zijn dieren.

Premise 2: Alle dieren planten zich voort.

Conclusie: Daarom, planten alle honden zich voort.

Of een syllogisme een voorbeeld is van goede beredenering, hangt af van het overwegen van het verschil tussen validiteit en waarheid in syllogismen. Validiteit in syllogismen betekent dat een syllogisme valide is wanneer de conclusie logischerwijs uit de twee premises volgt.

Een syllogisme is dus ook valide als:

Premise 1: Alle bananen zijn vruchten. (Alle A zijn B)

Premise 2: Alle vruchten zijn zuur. (Alle B zijn C)

Conclusie: Daarom, alle bananen zijn zuur. (Alle A zijn C)

Waarheid en validiteit zijn dus twee verschillende dingen! Mensen gebruik vaak syllogismen in de academische wereld om hun punt te wijzen, maar meer dan eens kloppen deze niet omdat hun redeneringen niet valide zijn. Conclusies die goed klinken hoeven niet noodzakelijk juist te zijn.

Conditionele syllogismen

Conditionele syllogismen bestaan ook uit twee premises en een conclusie. Het verschil is dat de eerste premise de vorm heeft van ‘Als... dan...’. Deze syllogismen komen vaak voor in het dagelijks leven. Een voorbeeld is:

Premise 1: Als ik te laat zou komen, dan zou ik het college niet meer mogen volgen.

Premise 2: Ik ben te laat.

Conclusie: Ik mag het college niet meer volgen.

De notaties bij categorische syllogismen zijn niet A en B, maar p(voor “als” term) en q(voor de “dan”).

De p wordt de antecedent genoemd, de q wordt de consequent genoemd.

Er zijn vier hoofdtypen van conditionele syllogismen:

  1. Syllogisme 1 –Valide, 97% beoordeelt dit juist.

  2. Bevestigen van de antecedent.

  3. Premise 1: Als ik werk, krijg ik complimenten.

  4. Premise 2: Ik heb gewerkt.

  5. Conclusie: Dus, ik zal complimenten krijgen.

  6. Syllogisme 2 –Valide, 60% beoordeelt dit juist.

  7. Ontkennen van de consequent.

  8. Premise 1: Als ik werk, krijg ik complimenten.

  9. Premise 2: Ik heb geen complimenten gekregen.

  10. Conclusie: Dus, ik heb niet gewerkt.

  11. Syllogisme 3 –Niet valide, 40% beoordeelt dit juist.

  12. Bevestigen van de consequent.

  13. Premise 1: Als ik werk, krijg ik complimenten.

  14. Premise 2: Ik heb complimenten gekregen.

  15. Conclusie: Dus, ik heb gewerkt.

  16. Syllogisme 4 –Niet valide, 40% beoordeelt dit juist.

  17. Ontkennen van de antecedent.

  18. Premise 1: Als ik werk, krijg ik complimenten.

  19. Premise 2: Ik heb niet gewerkt.

  20. Conclusie: Daarom heb ik geen complimenten gekregen.

Het Wason four-card probleem

Bij conditionele syllogismen is het voor mensen makkelijker te bepalen of iets valide is met realistische voorbeelden dan wanneer het in abstracte termen (zoals p en q) geformuleerd wordt. Er is veel onderzoek geweest naar waarom dat zo is, waarbij veel onderzoekers gebruik hebben gemaakt van het Wason four-card probleem. Hierbij worden 4 kaarten getoond. Elke kaart heeft aan één kant een nummer en aan de andere kant een letter. De taak is om te bepalen welke kaarten je zou moeten omdraaien om de volgende regel te toetsen: Als er een klinker aan één kant te zien is, is er aan de andere kant een even getal te zien.

Om dit te toetsen moeten 2 kaarten worden omgedraaid. 46% zei dat eerst de “E” moest worden omgedraaid. Daarna moet de 4 worden omgedraaid. Er is nu echter een probleem, namelijk dat een klinker aan de andere kant een even getal moet hebben. MAAR een even getal hoeft aan de andere kant geen klinker te hebben. Dit is iets waar heel veel mensen geen rekening mee hielden. Daarom moet als tweede kaart de 7 omgedraaid worden, om te kijken of de regel te falsificeren is. Als er namelijk een klinker aan de andere kant van de 7 staat, zou dit de regel ontwrichten. Maar 4% van de participanten kwam tot het goede antwoord. De sleutel tot het oplossen van dit probleem is bewust zijn van het falsificatieprincipe: Om een regel te toetsen, is het noodzakelijk naar situaties te zoeken die de regel zouden falsificeren. Bij replicatie van de Wason-taak met realistische termen zoals drank en leeftijden, in plaats van abstracte tekens, kwamen 73% van de participanten met het goede antwoord.

De rol van permissies in de Wason-taak ging nog een stap verder. Hier bij werd het concept van pragmatische redeneringsschema’s geïntroduceerd, wat een manier van denken is over oorzaak en gevolg in de wereld, welke geleerd is aan de hand van ervaringen in het dagelijks leven. Een voorbeeld is het toestemmingsschema, welke stelt dat als iemand voldoet aan conditie A(zoals de legale leeftijd voor alcoholconsumptie bereikt hebben), deze persoon conditie B(Zuipen) uit mag voeren. Door deze schema’s is het makkelijker voor mensen om de realistische Wason-taak goed uit te voeren dan de abstracte taak, omdat de meeste participanten hadden geleerd in het echte leven hoe het werkt en zij deze ervaring konden gebruiken. Zij hadden een toestemmingsschema voor het gebruik van alcohol.

Een evolutionaire invalshoek bij het Four-card probleem

Er werd door Leda Cosmides en John Tooby (1992) een alternatief voorgesteld op het toestemmingsschema bij dit probleem, namelijk dat prestatie op de Wason-taak bepaald wordt door een ingebouwd cognitief programma voor het detecteren van bedrog. Dit is een idee dat valt onder een evolutionaire kijk op cognitie. Deze stelt dat we veel eigenschappen van onze geest terug kunnen koppelen aan de evolutionaire principes van natuurlijke selectie. De hoog adaptieve aard van de geest is gerelateerd aan de sociale uitwisselingstheorie, welke stelt dat een belangrijk aspect van menselijk gedrag de vaardigheid is dat twee mensen zich op zo een manier kunnen gedragen dat deze voor beiden winstgevend is. Zo lang beiden even veel geven en nemen hebben beiden hier voordeel aan, maar als één van de twee de ander bedriegt, is dit niet voorspoedig voor de ander. Daardoor hebben mensen die bedrog kunnen detecteren betere overlevingskansen. Omdat mensen bekend zijn met bepaalde toestemmingsschema’s stelden Cosmides en Tooby een nieuwe variant voor op de Wason-taak, om te bepalen of de prestatie niet bepaald wordt doordat ze bekend zijn met bepaalde regels (zoals niet drinken voor je 18e). Ze maakten gebruik van een verzonnen cultuur met verzonnen regels (je mag alleen cassave wortels eten als je een tattoo op je gezicht hebt). Uit dit experiment kwam dat participanten alsnog goed presteerden, ook al waren ze niet bekend met de regels. Er blijft tegenspraak bestaan tussen een groep die denkt dat toestemming belangrijk is en tussen een groep die de focus legt op bedrog. De belangrijkste conclusie van het Wason-experiment is dat de context waarin het conditioneel redeneren gebeurt een groot verschil maakt.

Inductief redeneren: Conclusies trekken uit bewijs

Bij inductief redeneren worden conclusies gesuggereerd, maar volgen niet zeker uit de premises. Een voorbeeld is:

Observatie: Hier in Siberië, heeft het elke dag gesneeuwd.

Conclusie: Het gaat morgen sneeuwen in Siberië.

Bij het beoordelen van inductieve argumenten kijken we niet naar de validiteit van het argument, maar bepalen we hoe sterk het argument is. Er zijn een aantal factoren die een inductief argument sterk maken, waaronder:

  • Representativiteit van de observaties: hoe goed representeren de observaties binnen een bepaalde categorie alle leden van die categorie?

  • Aantal observaties: Hoe meer observaties, hoe sterker het argument.

  • Kwaliteit van de evidentie: Sterker bewijs resulteert in sterkere conclusies. Ook ‘wetenschappelijke metingen’ versterken het bewijs nog meer.

In het dagelijks leven gebruiken we elke keer inductief redeneren als we een voorspelling maken van wat er zal gebeuren op basis van wat in het verleden is gebeurd. Wanneer mensen voorspellingen maken op basis van eerdere ervaringen maken zij vaak gebruik van shortcuts om snelle conclusies te trekken. Deze nemen de vorm aan van heuristieken, wat vuistregels zijn die hoogstwaarschijnlijk tot het goede antwoord leiden van een probleem, maar welke niet feilloos zijn. De beschikbaarheidsheuristiek stelt dat gebeurtenissen die mensen makkelijker onthouden worden beoordeeld als meer waarschijnlijk dan gebeurtenissen die minder makkelijk onthouden worden. Mensen zien vaak correlaties tussen gebeurtenissen, zoals dat je weet dat het waarschijnlijker is dat je baas je verzoeken inwilligt als hij in een goede bui is. We creëren soms ook illusoire correlaties, welke kunnen optreden als er een schijnbare correlatie lijkt te bestaan tussen twee gebeurtenissen, terwijl deze in werkelijkheid niet bestaat of veel zwakker is dan wij ons inbeelden. Illusoire correlaties komen voor wanneer we al verwachten dat er een verband is. Deze verwachtingen kunnen de vorm aannemen van stereotypen, waarbij we oppervlakkige generalisaties maken over een groep of slag mensen die zich vaak richt op het negatieve. Door selectieve aandacht voor stereotype gedrag zien we alleen nog maar dit gedrag, waardoor dit gedrag meer “beschikbaar” wordt.

De representativiteitsheuristiek heeft te maken met het idee dat mensen vaak oordelen trekken op basis van hoeveel de ene gebeurtenis overeenkomt met de andere gebeurtenis. Deze stelt dat de waarschijnlijkheid dat A lid is van klasse B is, bepaald kan worden door hoe goed de eigenschappen van A overeenkomen met de eigenschappen die we gewoonlijk associëren met klasse B. Mensen maken fouten door het schenden van de conjunctieregel, welke stelt dat de kans op een conjunctie van twee gebeurtenissen nooit hoger kan zijn dan de kans op een enkele gebeurtenis. De kans dat iemand én dierenactivist is én democraat is, is altijd kleiner dan de kans dat iemand alleen dierenactivist is. Mensen maken ook fouten door het negeren van de steekproefgrootte waarop conclusies zijn gebaseerd. Kleine steekproeven zijn minder representatief voor de populatie, wat mensen vaak lijken te vergeten. De confirmation bias is de neiging om selectief te zoeken naar informatie die ons hypothese bevestigt en informatie die onze hypothese tegenspreekt te negeren.

Beslissingen nemen: Kiezen tussen alternatieven

De nadruk wordt hier gelegd op hoe mensen oordelen aan de hand van keuzes tussen verschillende manieren van handelen. Beslissingen omvatten zowel kosten als baten. Vroege theorieën over beslissingen maken waren veelal gebaseerd op de verwachte resultaat-theorie. Deze theorie is gebaseerd op de aanname dat mensen in principe rationeel zijn, dus als ze alle relevante informatie hebben, eerder keuzes zullen maken die resulteren in het hoogst verwachte resultaat. Resultaat verwijst naar uitkomsten die iemands doel bereiken. Mensen worden echter beïnvloed in hun keuzes door meer factoren dan hun kennis over kansen. In het dagelijks leven bijvoorbeeld, is het algemeen bekend dat er relatief veel meer ongelukken gebeuren in het autoverkeer dan dat er vliegtuigongelukken gebeuren. Toch prefereren heel veel mensen de auto over het vliegtuig. In de Verenigde staten is er een afname in luchtreizen en toename in met de auto reizen ontstaan na de terroristische aanslag op het WTC.

Emoties

Emoties beïnvloeden het maken van beslissingen. Verwachte emoties zijn emoties die mensen voorspellen te zullen ervaren bij een specifieke uitkomst. Mensen maken bijvoorbeeld bij ‘deal-no-deal’ minder rationele beslissingen omdat ze rekening houden met hoe ze zich zullen voelen wanneer ze dat enorme geldbedrag binnenslepen, waardoor ze minder rekening houden met het feit dat de kans op dat enorme geldbedrag steeds kleiner wordt. Onmiddellijke emoties zijn emoties die worden ervaren tijdens het beslissen. Integrale onmiddellijke emoties zijn emoties die worden geassocieerd met de uitvoering van het maken van een beslissing. Incidentele onmiddellijke emoties zijn emoties die niet gerelateerd zijn aan de beslissing, welke gerelateerd kunnen zijn aan iemands natuurlijke gemoedstoestand,of iets dat eerder die dag gebeurd is, of aan de omgeving(zoals het horen van blije achtergrondmuziek). Risico-aversie is de neiging om risico’s te vermijden. Mensen zijn slecht in het voorspellen van emotionele gevolgen van beslissingen, wat kan leiden tot foute beslissingen.

Incidentele emoties beïnvloeden beslissingen

Neerslachtigheid zorgt dat mensen behoefte krijgen aan verandering. Daarbij zullen ze eerder geneigd zijn te settelen bij een lagere standaard, als er maar verandering optreedt. Walging wordt geassocieerd met de behoefte om dingen te verdrijven. Als mensen walging voelen zullen ze ook eerder geneigd zijn genoegen te nemen met een lagere standaard, zolang de walging maar verdwijnt.

Beslissingen kunnen afhangen van hoe keuzes worden gepresenteerd

Mensen zijn minder snel geneigd zich te wijden aan een keuze als dit actieve stappen betreft. 90% van de bevolking is bijvoorbeeld voor het worden van orgaandonor, maar 28% van de mensen heeft zich daadwerkelijk opgegeven voor orgaandonor. Dit opgeven is een opt-in procedure, omdat het actieve stappen vereist van mensen. In andere landen is er een opt-out procedure, waarbij mensen al automatisch donor zijn, tenzij ze zelf aangeven dit echt niet te willen. Een voorbeeld van een risico-aversie strategie is dat het aantrekkelijker is om zeker 200 mensenlevens te redden dan het risico te lopen dat er niemand wordt gered. Een voorbeeld van een risico-nemen strategie is dat het minder acceptabel is om te kiezen voor de zekere dood van 400 mensen dan een 2/3 kans dat 600 mensen zullen sterven. Dit zijn voorbeelden van het framing-effect, welke stelt dat beslissingen beïnvloed worden door hoe een keuze wordt gepresenteerd of omlijst.

Het rechtvaardigen van beslissingen

Mensen hebben de behoefte om hun beslissingen te rechtvaardigen. Als mensen een beslissing hebben gemaakt zijn ze daarna ook zekerder van hun beslissing en zoeken naar manieren om te bevestigen dat hun keuze de juist was.

Het brein en denken

De prefrontale cortex (PFC) speelt een centrale rol bij complexe gedragingen die betrokken zijn bij denken. Schade aan de PFC wordt in verband gebracht met het verstoren van de vaardigheid om flexibel te denken en handelen, wat een belangrijke vaardigheid is bij probleem-oplossen. Mensen tonen dan een soort gedrag dat peserveratie wordt genoemd, waarbij mensen moeite hebben met het switchen tussen patronen van gedrag. Ook kunnen mensen met schade aan de PFC minder goed verhalen begrijpen, waarbij ze de volgorde van gebeurtenissen niet kunnen volgen die verschillende delen van het verhaal verbinden. Ook kunnen deze mensen minder goed redeneren.

Wat is de geschiedenis van neuropsychologie? - Chapter 1

Neuropsychologie is een subdiscipline van de psychologische wetenschap die gericht is op het bestuderen van de relatie tussen complexe eigenschappen van de hersenen en gedrag. Neuropsychologie is dus een manier om de hersenen te onderzoeken door gedrag te bestuderen. Neuropsychologie is sterk gegroeid sinds de jaren ’70. Tegenwoordig speelt neuropsychologie een belangrijke rol in het begrijpen van gedrag, maar dit is niet altijd zo geweest. Voorheen waren ideeën over hoe de hersenen functioneren meestal niet gebaseerd op wetenschappelijk bewijs. Grofweg waren er twee doctrines: vitalisme en materialisme. Vitalisme houdt in dat gedrag, waaronder denkprocessen, slechts gedeeltelijk door mechanische krachten wordt gestuurd en ook voor een deel zelfstandig bepaald wordt, los van chemische en fysische factoren. Extreme aanhangers van vitalisme stellen dat geesten of psychische fenomenen het observeerbare gedrag voor een groot deel verklaren. Materialisme wil zeggen dat logische krachten, zoals beweging en materie, relaties tussen hersenen en gedrag bepalen.

Vroege perspectieven

Het vroegste bewijs van neuropsychologische handelingen stamt uit de prehistorie. Er zijn archeologische bewijzen voor trephinatie, een chirurgische ingreep waarbij de schedel doorboord wordt om druk in de hersenen te verminderen. Oude Griekse wetenschappers vormden theorieën over de hersenen en gedrag. Heraclitus beschreef de menselijke geest als een enorme ruimte met onbereikbare uiteinden. Diverse wetenschappers, waaronder Pythagoras, onderschreven de breinhypothese, waarin gesteld wordt dat de hersenen de bron zijn van al het gedrag. Hippocrates leverde een belangrijke bijdrage aan de theorie over de hersenen. Hij stelde dat de hersenen de emoties, zintuigen en motoriek besturen. Volgens Plato bestond de geest uit drie delen eetlust, rede en temperament. Rede, het rationele deel, zou zich in de hersenen bevinden. Aristoteles stelde, in tegenstelling tot bovenstaande Griekse wetenschappers, dat het hart in plaats van de hersenen de basis was van emoties – dit wordt de cardiac hypothesis genoemd.

Volgens de celdoctrine, die herleid kan worden tot het oude Egypte, ligt de basis van mentale capaciteiten en beweging in de ventrikelen. Dit wordt ook wel de ventriculaire lokalisatiehypothese genoemd. Een andere theorie was die van Galenus, die stelde dat fysieke functies, waaronder die in de hersenen, door de balans tussen lichamelijke sappen bepaald worden. Pas in de 16e eeuw werd deze theorie ontkracht door het werk van Vesalius, die met gecontroleerd anatomisch onderzoek aantoonde dat het perspectief van Galenus onjuist was. Hij was de eerste wetenschapper die de menselijke anatomie gedetailleerd in kaart bracht.

In de 17e eeuw werd gezocht naar een specifieke locatie in de hersenen die mentale processen stuurde. Het bekendste voorbeeld is de theorie van Descartes, die stelde dat de pijnappelklier de zetel van mentale capaciteiten was. Descartes heeft daarnaast belangrijke invloed gehad op het denken over de hersenen met zijn theorie over dualisme – de scheiding tussen lichaam en geest. Bovenstaande theorieën zijn voornamelijk afkomstig uit de Westerse wereld. In de Mediterrane en Afrikaanse wereld geloofde men sterk in goddelijke krachten als oorzaak van ziekten en mentale stoornissen. De Egyptenaren geloofden, in lijn met Aristoteles, dat de hersenen los staan van de menselijke geest. Ook in India prevaleerde dit idee, met name op basis van de Atharva Veda, een invloedrijk medisch naslagwerk, waarin gesteld werd dat de ziel non-materieel en onsterfelijk is.

Lokalisatietheorieën en equipotentialiteit

Volgens Gall bestonden de hersenen uit losse organen, aparte gebiedjes die ieder een specifieke functie bestuurden. Dit wordt frenologie genoemd. Hoewel dit idee inmiddels volledig verworpen is, vormde het de basis van lokalisatietheorie. In moderne theorieën worden specifieke functies nog altijd gekoppeld aan specifieke hersengebieden, hoewel duidelijk is dat het complexer is. In de negentiende eeuw bloeide het onderzoek naar functielokalisatie in de hersenen op. Er werden belangrijke bevindingen gedaan op het gebied van taal. Broca identificeerde een hersengebied in de linker posterieure frontaalkwab dat geassocieerd wordt met afasie van de spraakproductie. Wernicke ontdekte een gebied in de linker superieure temporaalkwab dat essentieel is voor taalbegrip. Deze gebieden zijn naar hen genoemd: het gebied van Broca voor taalproductie, en het gebied van Wernicke voor taalbegrip. Tegelijkertijd ontstond er kritiek op lokalisatietheorieën. Volgens Freud, die niet alleen psychoanalytische theorie opstelde maar ook neurologisch onderzoek deed, waren de afasieën van Broca en Wernicke niet zozeer gekoppeld aan de specifieke locatie in de hersenen maar aan een netwerk waar de gebieden van Broca en Wernicke deel van uitmaakten. Freud identificeerde ook een stoornis waarbij objectherkenning intact is, maar benoeming gestoord is: agnosie. Flourens leverde eveneens kritiek op de lokalisatietheorie. Door middel van hersenablatie bij vogels kwam hij tot de conclusie dat functiestoornissen afhankelijk waren van de ernst van de schade in plaats van de locatie. Met andere woorden: alle hersenweefsel is equipotentieel. Dit houdt in dat corticaal weefsel de functies van beschadigd weefsel kan overnemen.

Equipotentialiteit

Meerdere wetenschappers deden bevindingen die het idee van equipotentialiteit ondersteunden. Munk vond dat laesies in gebieden die niet direct met visuele functies te maken hadden, toch tot visuele stoornissen konden leiden. Een andere invloedrijke neuropsycholoog en voorstander van equipotentialiteit was Lashley, die onderzoek deed naar de effecten van hersenchirurgie. Hij ontwikkelde het principe van massawerking, wat inhoudt dat de mate van gedragsstoornissen afhankelijk is van de massa van verwijderd hersenweefsel.

Integratie van lokalisatie en equipotentialiteit

Diverse theorieën werden ontwikkeld waarin lokalisatie- en equipotentialiteitstheorieën geïntegreerd werden. Een van deze geïntegreerde theorieën is de theorie van Hughlings Jackson. Hij suggereerde dat de hogere mentale functies geen unitaire capaciteiten zijn, maar dat basisvaardigheden samen complexere hogere functies vormen. Hij stelde op basis hiervan dat gedrag het resultaat is van interacties tussen alle hersengebieden. Een andere geïntegreerde theorie is het functionele model van Luria. Deze Russische neuropsycholoog zocht naar een theorie die niet alleen stellingen van zowel lokalisatie- als equipotentialiteitstheorieën kon verklaren, maar die ook de inconsistenties kon verklaren. Hij kwam tot de benadering dat ieder gebied in het centraal zenuwstelsel betrokken is bij één van de drie basisfuncties, die hij units noemde:

  1. Arousal (de hersenstam)

  2. Perceptie (de posterieure gebieden)

  3. Planning en controle (de (pre)frontale gebieden)

Luria stelde dat gedrag gebaseerd is op de interactie tussen de drie basisfuncties. Gedrag is dus een resultaat van het functioneren van het gehele brein.

Moderne neuropsychologische theorieën

Klinische neuropsychologie vindt zijn oorsprong in de medische wereld. Penfield was één van de bekendste neurochirurgen die belangrijke bijdragen heeft geleverd aan inzicht in de functionele anatomie van de hersenen. Hij gebruikte directe elektrische stimulatie tijdens wakkere hersenoperaties om uit te zoeken tot wat voor soort uitval dit leidde. Het eerste neuropsychologische laboratorium werd opgericht in 1935 door Halstead. Hij werkte met patiënten die neurochirurgie hadden ondergaan en ontwikkelde diagnostische instrumenten om hun gedrag te testen: de Halstead-Reitan Neuropsychological Battery. Van neuropsychologie als wetenschap wordt gesproken sinds deze door Teuber is gebruikt in een presentatie voor de APA. Vanaf de tweede helft van de 20e eeuw heeft de neuropsychologie een snelle groei doorgemaakt. Enkele belangrijke neuropsychologen zijn Hecaen en Benton, die onderzoek deden naar de rol van de rechter hemisfeer. Zangwill introduceerde neuropsychologie in Groot-Brittannië. Hij werkte met patiënten met hersenschade in de Tweede Wereldoorlog. Een andere belangrijke neuropsycholoog is Geschwind, de grondlegger van gedragsneurologie. Op het gebied van diagnostiek heeft Lezak een grote pioniersrol gespeeld.

Nieuwe ontwikkelingen

Tegenwoordig wordt neuropsychologie toegepast in de forensische psychologie, sportpsychologie en criminologie. Zo ontstaan er steeds meer toepassingsgebieden.

Hoe wordt neuropsychologisch onderzoek verricht? - Chapter 3

Klinisch neuropsychologen gebruiken diverse methoden om hersenstoornissen te diagnosticeren en behandelen. Klinische neuropsychologie is daarom een breed veld, variërend van diagnostiek tot revalidatie tot wetenschappelijk onderzoek. In de klinische praktijk worden neuropsychologische werkzaamheden veelal gecombineerd met klinisch psychologische werkzaamheden. In de medische wereld is de mate waarin wetenschappelijk onderzoek uitgevoerd wordt het grootst. Hoewel er verschillen in nadruk op de werkzaamheden van een neuropsycholoog zijn in de diverse werkvelden, speelt neuropsychologisch testonderzoek in ieder veld een belangrijke rol.

Het neuropsychologisch onderzoek

Het neuropsychologisch onderzoek (NPO) is een objectieve, volledige evaluatie van een breed gebied aan cognitieve en gedragsmatige functies. Het is een methode om de functies van de hersenen te onderzoeken door middel van het gedragsmatige product ervan. Het NPO wordt over het algemeen geïntegreerd met intelligentie- en persoonlijkheidsonderzoek en in de context van neurobeeldvormend onderzoek geïnterpreteerd. Herhaalde testmomenten kunnen het beloop van de mentale status in kaart brengen. Een NPO heeft een aantal voordelen ten opzichte van andere neurodiagnostische intstrumenten. Het is non-invasief en biedt beschrijvende informatie over een individu.

De verwijsvraag

Voordat het NPO wordt opgesteld, is het van belang de vraagstelling te specificeren. Vaak sturen verwijzers een vraag die niet specifiek genoeg is. Daarom is het nodig om verwijzers te vragen de vraag te verduidelijken. Een duidelijke verwijsvraag bevat exacte informatie over de vragen of problemen, wat de verwijzer te weten wil komen op basis van het NPO en het doel waarvoor de verwijzer deze informatie nodig heeft.

Psychometrische kwaliteiten

Bij het opstellen van een NPO moet rekening gehouden worden met de kwaliteit van het testmateriaal. Hierbij moet met name gelet worden op de betrouwbaarheid en de validiteit van de tests. Betrouwbaarheid is de stabiliteit van een test bij herhaalde testmomenten bij eenzelfde individu. Het interpreteren van een onbetrouwbare test is lastig, omdat de testscores dan kunnen variëren per moment en dus geen duidelijke uitspraak gedaan kan worden over de oorzaak van met name afwijkende testscores. Validiteit is de betekenis van specifieke conclusies die uit een test worden getrokken: meet de test wat deze beoogt te meten? Er zijn diverse vormen van validiteit. Constructvaliditeit houdt in dat de onderliggende (psychologische) eigenschap daadwerkelijk gemeten wordt. Inhoudsvaliditeit verwijst naar de conceptuele representativiteit van de test of testitems. Criteriumvaliditeit heeft betrekking op de voorspellende waarde van een test. Een vals-positieve uitkomst (type I-fout) is de situatie waarin een stoornis wordt gediagnosticeerd wanneer deze niet daadwerkelijk aanwezig is. Een vals-negatieve uitkomst is het tegenovergestelde: er wordt geen stoornis gediagnosticeerd terwijl deze wel aanwezig is. De kans op vals-positieven en vals-negatieve kan beïnvloed worden door het bepalen van een cut-off score. In medische context wordt gaat de voorkeur uit naar een cut-off score waarbij het aantal vals-negatieven minimaal is. Bij het stellen van de diagnose moet ook rekening gehouden worden met de base rate, de frequentie waarmee een stoornis in de populatie voorkomt.

Typen tests

Neuropsychologische tests kunnen verdeeld worden in verschillende typen:

  1. Achievement tests zijn bedoeld om te meten hoe goed een individu presteert op basis van aangeleerde kennis en vaardigheden.

  2. Gedrags-adaptatietests zijn bedoeld om te onderzoeken van een individu uit gewoonte doet, niet wat de capaciteit van het individu is

  3. Intelligentietests zijn complexe samengestelde metingen van verbale en performale capaciteiten die zowel afhankelijk zijn van aptitude als aangeleerde kennis en vaardigheden

  4. Neuropsychologische tests worden gedefinieerd als tests van cognitieve functies op basis van gedrag

  5. Persoonlijkheidstests meten emotionele, interpersoonlijke en motivationele eigenschappen

  6. Beroepstests zijn gericht op het meten van attitudes en interesses die een indicatie vormen voor beroepskeuze

Tests voor de cognitieve domeinen

Het NPO wordt veelal ingedeeld naar cognitieve functie. Oriëntatie is het domein dat het basale bewustzijn van het zelf en de wereld beschrijft. Oriëntatie wordt getest in persoon, tijd en plaats. Voorbeelden van testitems zijn vragen als ‘Wat is uw volledige naam?’ en ‘Op welke verdieping bevindt u zich op dit moment?’. Sensatie is het elementaire proces dat uitgelokt wordt wanneer een stimulus neuronale activiteit veroorzaakt. Perceptie is het bewust waarnemen van zintuiglijke informatie. Het perceptuele proces begint met arousal, de tweede stap is sensatie, en de laatste stap is perceptie. Voor het testen van sensatie en perceptie wordt gekeken naar visuele, auditieve en tactiele fucnties. Voorbeelden zijn het testen van de visuele velden en objectherkenning via aanraking. Aandacht en concentratie zijn cruciaal voor het leervermogen. Het is daarom een belangrijk domein in het NPO. Aandacht wordt verdeeld in de subdomeinen volgehouden aandacht, verdeelde aandacht, selectieve aandacht. Voorbeelden zijn het invullen van zoveel mogelijk symbolen bij corresponderende cijfers (Symbol Digit Modalities Test; SDMT) of het wegstrepen van specifieke stimuli tussen afleiders (d2).

Motoriek behoort eveneens tot de cognitieve functies. Motorische tests kennen een opbouw in complexiteit. Er kan gekeken worden naar grove motoriek, fijne motoriek, motorische snelheid en motorische inhibitie. Daarnaast zijn er specifieke tests voor apraxie, een stoornis waarbij het uitvoeren van motorische sequenties aangedaan is bij intacte spierfuncties.

Taal kan getest worden op het niveau van spraak en schrift. Taalproductie kan getest worden door het naspreken van woorden, benoemen en woordvloeiendheid. Taalbegrip kan getest worden door gecontroleerd opdrachten te laten uitvoeren.

Visuospatiële organisatie omvat diverse aspecten, zoals het vinden van routes, ruimtelijke integratie en gezichtsherkenning. Voorbeelden van tests zijn het tekenen van een route op een plattegrond of het natekenen van een abstracte figuur (Rey-Osterrieth Complex Figure).

Geheugen bestaat uit de subdomeinen onmiddellijk en uitgesteld geheugen, herkenning en actief opdiepen, expliciet en impliciet geheugen. Voorbeelden van tests zijn het aanleren van woordenlijsten of korte verhalen.

Probleemoplossing is de capaciteit om abstract te redeneren. Dit kan getest worden door te onderzoeken of een individu kan generaliseren tussen verschillende situaties.

Brain and Cognition (custom edition UU) - Kalat, Goldstein, Cacioppo, Zillmer et al - BulletPoints

Inhoud

Deze custom edition is samengesteld uit de volgende boeken:

  • CP: Cognitive Psychology: connecting mind, research & everyday experience van Goldstein

  • DP: Discovering Psychology van Cacioppo & Freberg

  • BP: Biological Psychology van Kalat

  • NP: Principles of Neuropsychology, Zillmer et al

Wat houdt cognitieve psychologie in? Ch.1 (CP)

  • Cognitieve psychologie is het onderzoeksveld dat gericht is op de menselijke geest.

  • De geest kan op twee manieren gedefinieerd worden: 1) de geest creëert en coördineert mentale capaciteiten, en 2) de geest creëert representaties van de wereld.

  • Het werk van de Nederlandse psycholoog Donders en de Duitse psycholoog Ebbinghaus zijn voorbeelden van vroeg cognitief experimenteel onderzoek.

  • Éen van de basisprincipes van cognitieve psychologie is dat mentale activiteit niet direct geobserveerd kan worden, en dus afgeleid moet worden uit andere variabelen zoals gedrag en fysiologische reacties.

  • Het eerste psychologische laboratorium werd opgezet door Wundt. Hier werd onderzoek gedaan volgens het structuralisme, en de methode die hiervoor gebruikt werd was analytische introspectie.

  • William James gebruikte observaties van zijn eigen geest als onderzoeksmethode.

  • Behaviorisme is gericht op het onderzoeken van observeerbaar gedrag. Watson en Skinner zijn belangrijke grondleggers van behavioristische principes, zoals conditionering.

  • In de jaren ’50 vond de cognitieve revolutie plaats, doordat er een verschuiving plaatsvond van het behaviorisme naar de informatieverwerkingsbenadering.

  • Modern cognitief psychologisch onderzoek wordt gebaseerd op bestaande kennis, waaruit steeds nieuwe vragen ontstaan.

  • In de cognitieve psychologie worden modellen gebruikt om cognitieve structuren en processen in kaart te brengen.

Welke stappen zitten er tussen sensatie en perceptie? Ch.5.1 (DP)

  • Er is een verschil tussen sensatie en perceptie. Sensatie houdt in dat stimuli uit de omgeving of in het lichaam gedetecteerd worden. Perceptie betekent dat sensorische informatie geïnterpreteerd wordt.

  • Transductie is de omzetting van sensorische informatie naar een neuraal signaal.

  • Aandacht heeft invloed op het perceptuele proces, doordat selectieve aandacht bepaalt welke stimuli het bewustzijn binnenkomen.

  • Informatie kan verwerkt worden via een bottom-upproces of een top-downproces.

  • Met psychofysica kunnen de grenzen van sensatie en perceptie gemeten worden, door de absolute drempelwaarde en verschildrempelwaarde te bepalen.

  • Signaaldetectie verwijst naar de combinatie van het sensorische proces en het cognitieve besluitvormingsproces.

Wat is de betekenis van perceptie in de cognitieve psychologie? Ch.3 (CP)

  • Perceptie begint bij bottom-upverwerking, waarbij receptoren gestimuleerd worden en elektrische signalen naar de hersenen gestuurd worden.

  • Wanneer bestaande kennis wordt gebruikt om informatie sneller te verwerken, vindt top-downverwerking plaats.

  • Volgens de theorie van onbewuste inferentie van Helmholtz komt perceptie voort uit onbewuste aannames.

  • Volgens de Gestaltpsychologie zijn er wetmatigheden in perceptuele processen, zoals het principe van continuïteit, het principe van gelijkheid en het principe van simpliciteit. De Gestaltpsychologie gaat voornamelijk uit van bottom-upverwerking, hoewel er ook een verband is tussen Gestaltprincipes en ervaring in het verleden.

  • Regelmatigheden in de omgeving zijn stimuli die vaak voorkomen. Er kan onderscheid gemaakt worden tussen fysieke regelmatigheden en semantische regelmatigheden.

  • Bayesiaanse inferentie is een algoritmische procedure om te bepalen wat waargenomen wordt.

  • Experience-dependent plasticity houdt in dat neuronen gevoelig worden voor specifieke prikkels uit de omgeving.

  • Perceptie en actie houden verband met elkaar, omdat beweging ten opzichte van een object (actie) invloed heeft op de perceptie van het object. In de andere richting wordt beweging gecoördineerd door perceptuele processen.

  • De wat-route is betrokken bij het waarnemen van objecten, terwijl de waar-route betrokken is bij het sturen van object-gerichte handelingen. De combinatie van de wat- en waar-route is belangrijk voor het coördineren van perceptie en actie.

Wat is de betekenis van aandacht in de cognitieve psychologie? Ch.4 (CP)

  • Selectieve aandacht is het vermogen om de aandacht op een specifieke stimulus te richten en andere stimuli te negeren.

  • Vroege selectiemodellen zoals het filtermodel van Broadbent laten zien hoe binnenkomende informatie gefilterd wordt. Informatie waar geen aandacht aan is besteed in vroege stadia kan volgens het attenuatiemodel van Treisman verwerkt worden door de dictionary unit.

  • Late selectiemodellen stellen daarentegen dat informatie in latere stadia wordt gefilterd, wanneer de betekenis eraan gekoppeld is.

  • Het vermogen om afleidende stimuli te negeren kan volgens Lavie verklaard worden door de verhouding tussen cognitieve bronnen en cognitieve lading. Bij low-load taken vindt afleiding sneller plaats.

  • Het Stroop-effect laat zien dat sterke, afleidende stimuli de verwerking van relevante stimuli verstoren.

  • Overte aandacht is het verschuiven van de aandacht via oogbewegingen. Bij bottom-up verwerking speelt saliëntie een belangrijke rol, terwijl top-down verwerking beïnvloed wordt door scèneschema’s en taakinspanning.

  • Coverte aandacht betekent dat aandacht verschoven wordt zonder dat hierbij oogbewegingen worden gemaakt. Dit kan onderzocht worden met het precueing experiment.

  • Verdeelde aandacht is mogelijk wanneer automatische verwerking plaatsvindt. Bij bewuste verwerking is verdeelde aandacht niet mogelijk.

  • Inattentional blindness en change blindness laten zien dat waarneming van goed zichtbare stimuli niet plaatsvindt als de aandacht er niet op gericht is.

  • Volgens de feature integration theory worden verschillende elementen van een object waargenomen als een coherent geheel. Het waarnemen van een coherent geheel wordt gevormd in twee stappen: de preattentive stage en de focused attention stage.

Hoe leert de adapterende geest? Ch.8 (DP)

  • Gedrag kan verdeeld worden in drie vormen: reflexen, instincten en aangeleerd gedrag.

  • Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten leerprocessen: associatief leren, non-associatief leren en observationeel leren.

  • Associatief leren verwijst naar conditioneringsprocessen: klassieke en operante conditionering.

  • Bij klassieke conditionering kan na de acquisitie extinctie plaatsvinden, en vervolgens spontaan herstel. Andere processen die onder klassieke conditionering vallen zijn hogere orde-conditionering, latente inhibitie, generalisatie en discriminatie.

  • In behandelingstechnieken voor angststoornissen worden klassieke conditioneringsprincipes toegepast. Ook helpt de theorie om het ontstaan en instandhouden van verslavingen te verklaren.

  • Bij operante conditionering kunnen vier soorten consequenties toegepast worden: positieve bekrachtiging, negatieve bekrachtiging, positieve straf en negatieve straf.

  • Partiële bekrachtiging kan toegepast worden volgens vier schema’s: fixed ratio, variable ratio, fixed interval en variable interval.

  • Shaping is een specifieke vorm van operante conditionering waarbij gedrag dat het gewenste gedrag benaderd bekrachtigd wordt.

  • Observationeel leren vereist volgens Bandura vier cognitieve processen: aandacht, vasthouden, reproductie en motivatie.

Wat zijn de theorieën over het kortetermijngeheugen en werkgeheugen? Ch.5 (CP)

  • Geheugen is het cognitieve proces dat betrokken is bij het vasthouden, terughalen en gebruiken van informatie nadat die niet meer op hetzelfde moment in de tijd aanwezig is.

  • Er zijn vijf onderdelen van het geheugen: sensorisch, kortetermijn, episodisch, semantisch en procedureel.

  • Het modale geheugenmodel van Atkinson en Shiffrin bestaat uit drie onderdelen: sensorisch geheugen, kortetermijngeheugen en langetermijngeheugen.

  • Sperling gebruikte twee methoden om het iconisch en echoïsch geheugen te onderzoeken: whole report method en partial report method.

  • Het kortetermijngeheugen kan gemeten worden door middel van de digit span. Er kan een beperkte hoeveelheid informatie worden vastgehouden in het kortetermijngeheugen. Deze hoeveelheid kan vergroot worden door chunking.

  • Baddeley en Hitch stelden een werkgeheugenmodel voor als vervanging voor het modale geheugenmodel. Het werkgeheugen in dit model bestaat uit drie componenten: de fonologische lus, het visuospatiële schetsblok en de central executive.

  • Uit onderzoek naar de fonologische lus komen drie belangrijke effecten naar voren: het phonological similarity effect, het word-length effect en articulatory suppression.

  • Mentale rotatie is een functie van het visuospatiële schetsblok.

  • Twee werkgeheugentaken kunnen tegelijkertijd worden uitgevoerd als ze ieder een beroep doen op een andere component.

  • De central executive coördineert het informatiegebruik in de verschillende componenten van het werkgeheugen en aandacht.

  • Een vierde component die later aan het werkgeheugenmodel is toegevoegd, is de episodische buffer. Deze koppelt informatie uit het langetermijngeheugen aan het werkgeheugen.

  • Hersenschade in de prefrontale cortex kan werkgeheugenprocessen verstoren.

  • Brain imaging laat zien dat de prefrontale cortex het belangrijkste gebied is voor het werkgeheugen, maar dat er ook andere gebieden betrokken zijn.

Hoe werkt het langetermijngeheugen? Ch.6 (CP)

  • Het langetermijngeheugen bestaat uit diverse componenten. Er is allereerst onderscheid tussen expliciet en impliciet geheugen. Het expliciet geheugen kan verdeeld worden in episodisch en semantisch geheugen. Bij het impliciet geheugen horen processen als priming, procedureel geheugen en conditionering.

  • De verschillende onderdelen van het langetermijngeheugen kunnen los van elkaar functioneren, maar kunnen ook met elkaar interacteren.

  • Wanneer informatie serieel aangeleerd wordt, ontstaan het primacy en recency effect.

  • Coderen van informatie vindt plaats in zowel STM als LTM en in verschillende vormen: visueel, auditief en semantisch. Auditief coderen is de belangrijkste vorm van coderen in het STM, terwijl semantisch coderen de belangrijkste vorm in het LTM is.

  • Dubbele dissociaties op basis van casusbeschrijvingen laten zien dat STM en LTM aparte processen zijn. Neuroimaging-onderzoek laat echter zien dat er ook enige mate van overlap tussen STM en LTM is.

  • De hippocampus en mediale temporaalkwab zijn de belangrijkste hersenstructuren voor het LTM.

  • Het onderscheid tussen episodisch en semantisch geheugen is aangetoond door middel van dubbele dissociaties en brain imaging.

  • Interacties tussen episodisch en semantisch geheugen worden duidelijk doordat semantische kennis invloed kan hebben op het vormen van episodische herinneringen, en doordat autobiografische kennis uit zowel episodische als semantische kennis bestaat.

  • Er is een link tussen de capaciteit om het verleden te herinneren en de toekomst voor te stellen. Waarschijnlijk is het episodisch geheugen nodig om na te denken over de toekomst.

  • Priming is onderdeel van het impliciet geheugen. Dit is aangetoond doordat zowel gezonde als amnestische personen gevoelig zijn voor priming. Er zijn verschillende vormen van priming: repetition priming en conceptual priming.

Hoe wordt informatie opgeslagen en opgehaald? Ch.7 (CP)

  • Encoderen is het proces waarbij informatie overgebracht wordt naar het LTM. Retrieval is het proces waarbij informatie wordt teruggehaald uit het LTM.

  • Herhaling is een methode om te encoderen. Maintenance rehearsal werkt minder goed dat elaborative rehearsal.

  • Volgens levels of processing theory is deep processing effectiever dan shallow processing.

  • Encoderen heeft invloed op retrieval, bijvoorbeeld door het vormen van visuele beelden, het zelfreferentie-effect, het generatie-effect, en het testing-effect.

  • Retrieval cues kunnen helpen bij het terughalen van informatie.

  • Matching kan eveneens helpen bij het terughalen van informatie. Er zijn verschillende vormen van matching: encoding specificity, state-dependent learning en transfer-appropriate processing.

  • Consolidatie houdt in dat nieuwe herinneringen permanent vastgelegd worden.

  • Synaptische consolidatie houdt in dat er structurele veranderingen in de hersenen plaatsvinden bij het vastleggen van herinneringen.

  • Volgens Hebb wordt synaptische verandering geassocieerd met toegenomen activiteit in deze veranderde gebieden, waardoor long-term potentiation ontstaat.

  • Volgens het multiple trace model is de hippocampus betrokken bij zowel het vormen als terughalen van episodische herinneringen. Volgens het oudere standaardmodel is de hippocampus alleen betrokken bij het vormen van herinneringen en in het begin bij het terughalen, maar na consolidatie niet meer.

  • Consolidatie wordt verbeterd tijdens slaap.

  • Herinneringen kunnen veranderen wanneer ze na retrieval opnieuw worden opgeslagen.

Welke rol speelt het dagelijks geheugen in de cognitieve psychologie? Ch.9 (CP)

  • Autobiografisch geheugen is multidimensioneel en bestaat uit zowel episodische en semantische informatie. Bewijs voor de multidimensionaliteit komt uit onderzoek naar hersenschade en hersenactiviteit bij het bekijken van foto’s die zelf of door een ander genomen zijn.

  • De reminiscence bump kan verklaard worden door de self-image hypothese, de cognitieve hypothese en de cultural life script hypothese.

  • Emotie versterkt het vormen van herinneringen. Wanneer emoties een rol spelen, is de amygdala betrokken bij consolidatie. In sommige situaties kan emotie juist leiden tot beperkt geheugenfunctioneren.

  • Een flashbulb memory is de herinnering aan de omstandigheden bij een shockerende gebeurtenis. Voorheen werd gedacht dat flashbulb memories als foto’s waren, maar recent onderzoek toont aan dat flashbulb memories vaak fouten bevatten.

  • Volgens de narrative rehearsal hypothesis worden significante gebeurtenissen beter herinnerd doordat er vaak over gepraat wordt met anderen en in de media.

  • Volgens de constructive approach is informatie in het geheugen geen volledig accurate reflectie van de werkelijkheid, omdat het wordt beïnvloed door persoonlijke kennis en ervaring in de vorm van schema’s en scripts.

  • Source monitoring is het bepalen van de origine van informatie uit het geheugen.

  • Misleiding van het geheugen vindt gemakkelijk plaats omdat mensen gevoelig zijn voor suggestiviteit. Misleading postevent information kan leiden tot fouten in de herinnering. Verklaringen hiervoor zijn fouten in source monitoring en retroactieve interferentie.

Wat is de rol van kennis in de cognitieve psychologie? Ch.9 (CP)

  • Conceptuele kennis is georganiseerd in categorieën. Er zijn verschillende benaderingen van categorisatie: de benadering met definities, de prototype-benadering en de exemplar-benadering.

  • Wanneer algemene categorieën verdeeld worden in kleinere, specifiekere categorieën wordt gesproken van een hiërarchisch model. Volgens Rosch zijn er drie niveaus van categorisatie: superordinaat/globaal, basis en subordinaat/specifiek.

  • Volgens de semantische netwerken-benadering worden concepten met elkaar verbonden als ‘nodes’ via ‘links’. Hierop wordt het concept van cognitieve economie toegepast. Volgens Collins en Quillin vindt spreading of activation (gespreide activering) plaats in dit soort netwerken.

  • Connectionisme is een benadering om computermodellen op te stellen als representatie van netwerken in de hersenen. Deze netwerken kunnen concepten leren in een geleidelijk proces van activatie en back propagation.

  • Er zijn vier theoriën over de manier waarop concepten gerepresenteerd zijn in de hersenen: de sensory-functional hypothesis, semantische categorieën-benadering, multiple factor-approach en embodied approach.

Wat is de betekenis van taal in de cognitieve psychologie? Ch.11 (CP)

  • Taal is een uniek menselijk communicatiesysteem waarin symbolen en klanken gebruikt worden om ideeën te uiten. Menselijke taal is uniek omdat het creatief, hiërarchische gestructureerd en universeel is.

  • Tijdens de cognitieve revolutie leverde Chomsky kritiek op de behavioristische benadering van taal.

  • Het lexicon is de woordenschat van een individu. Kleine eenheden in de taal zijn fonemen en morfemen.

  • Het fonemische restauratie-effect treedt op wanneer betekenis invloed heeft op de perceptie van fonemen.

  • Het word superiority effect treedt op wanneer letters makkelijker te herkennen zijn in woorden.

  • Het word frequency effect treedt op wanneer het begrijpen van een zin beïnvloed wordt door de bekendheid met een woord.

  • Semantische en syntactische fouten kunnen in kaart gebracht worden met neuroimaging.

  • Ontleden heeft invloed op de interpretatie van een zin. Garden path sentences illustreren dit. Het ontledingsproces kan verklaard worden door de syntax-first hypothesis of de interactionistische benadering.

  • Coherentie is van belang bij taalbegrip. Dit wordt bepaald door verschillende typen inferenties: anaforische, instrumentele en causale.

  • Volgens het situatiemodel is taalbegrip afhankelijk van de manier waarop objecten en gebeurtenissen in een verhaal geconstrueerd worden in de perceptie.

  • Interactie tussen taal en cultuur kan invloed hebben op cognitie.

Hoe worden problemen opgelost? Ch.12 (CP)

  • Volgens de Gestaltpsychologie worden problemen geherstructureerd tijdens het oplossingsproces. Reorganisatie wordt geassocieerd met inzicht.

  • Functional fixedness verhindert succesvolle probleemoplossing. Dit wordt geïllustreerd door het candle problem.

  • Volgens de informatieverwerkingsbenadering zijn subdoelen nodig om van de initiële situatie naar de doelsituatie te komen. Dit wordt geïllustreerd door de Tower of Hanoi.

  • Analogisch problemen oplossen vereist drie stappen: het opmerken, in kaart brengen en toepassen van een analogie.

  • Experts zijn beter in probleemoplossing dan novices in expertisegebieden. Hun kennis is beter georganiseerd en ze kunnen dieper op problemen ingaan.

  • Creatieve probleemoplossing wordt geassocieerd met divergent denken. Daarnaast kan het beschreven worden als een stappenproces van het genereren van ideeën tot het implementeren van de oplossing.

Hoe worden beslissingen genomen? Ch.13 (CP)

  • Inductief redeneren houdt in dat conclusies worden getrokken op basis van bewijs. Hoe sterk de argumenten zijn, is afhankelijk van de representativiteit, het aantal en de kwaliteit van de observaties waarop de conclusie gebaseerd wordt.

  • De beschikbaarheidsheuristiek vindt plaats als gebeurtenissen die makkelijker herinnerd worden gezien worden als waarschijnlijker.

  • Illusory correlation en stereotypen kunnen ontstaan als gevolg van de beschikbaarheidsheuristiek.

  • De representativiteitsheuristiek houdt in dat oordelen gebaseerd worden op de mate waarin een gebeurtenis op een andere gebeurtenis lijkt.

  • De myside bias houdt in dat bewijs gegenereerd en geëvalueerd wordt in lijn met eigen attitudes.

  • De confirmation bias is de neiging om selectief bewijs te verzamelen die de verwachtingen ondersteunt.

  • De utility approach stelt dat mensen in de basis rationeel zijn en conclusies zullen trekken met de beste uitwerking. Mensen vertonen echter irrationeel gedrag, zoals gokken, dat niet in lijn is met deze benadering.

  • Emoties hebben invloed op beslissingen. Verwachtingen van emoties zijn niet altijd accuraat.

  • Beslissingen worden beïnvloed door de manier waarop keuzemogelijkheden gepresenteerd worden.

  • Redeneren is een cognitief proces waarbij de conclusie verder getrokken wordt dat de beschikbare informatie. Deductieve redenering en syllogismes zijn hier voorbeelden van.

Wat is de geschiedenis van neuropsychologie? Ch.1 (NP)

  • Neuropsychologie is een subdiscipline van de psychologische wetenschap die gericht is op het bestuderen van de relatie tussen complexe eigenschappen van de hersenen en gedrag.

  • Niet-wetenschappelijke ideeën over het functioneren van de hersenen waren vitalisme en materialisme. Vitalisme houdt in dat gedrag, waaronder denkprocessen, slechts gedeeltelijk door mechanische krachten wordt gestuurd en ook voor een deel zelfstandig bepaald wordt, los van chemische en fysische factoren. Materialisme wil zeggen dat logische krachten, zoals beweging en materie, relaties tussen hersenen en gedrag bepalen.

  • De Oude Grieken hadden al theorieën over de relatie tussen hersenen en gedrag. Hippocrates en Plato waren bijvoorbeeld grondleggers van de breinhypothese. Aristoteles dacht daarentegen dat het hart bepalend was voor gedrag.

  • Latere theorieën stelden dat mentale funties gezeteld waren in de ventrikelen (celdoctrine) of afhankelijk waren van de balans tussen lichaamssappen (theorie van Galenus.

  • Descartes stelde dat de pijnappelklier de locatie voor mentale functies was. Hij conceptualiseerde ook de scheiding tussen lichaam en geest: dualisme.

  • Lokalisatietheorieën houden in dat specifieke hersenfuncties gekoppeld zijn aan specifieke locaties in de hersenen.

  • Equipotentialiteitstheorieën stellen dat al het hersenweefsel geschikt is voor alle hersenfuncties.

  • Geïntegreerde theorieën, waarin lokalisatie- en equipotentialiteitstheorieën gecombineerd worden, zijn bijvoorbeeld de theorie van Hughlings Jackson en het functionele model van Luria.

Hoe wordt neuropsychologisch onderzoek verricht? Ch.3 (NP)

  • In neuropsychologisch onderzoek worden cognitieve functies onderzocht op basis van gedrag.

  • Om een goed NPO op te stellen, is een duidelijke verwijsvraag nodig.

  • Typen tests zijn achievement tests, gedrags-adaptatietests, neurpsychologische tests, intelligentietests, persoonlijkheidstests en beroepstests.

  • Bij de keuze van neurpsychologische tests moet rekening gehouden worden met psychometrische kwaliteit, met name betrouwbaarheid en validiteit.

  • Bij het kiezen van een cut-off score moet een afweging gemaakt worden tussen de kans op fout-positieven en fout-negatieven.

  • Bij de interpretatie moet rekening gehouden worden met de base rate en de sensitiviteit en specificiteit.

  • Een volledig NPO omvat alle cognitieve domeinen: oriëntatie, sensatie en perceptie, aandacht en concentratie, motoriek, taal, geheugen, visuospatiële organisatie en probleemoplossing.

  • De resultaten van een NPO worden geïntegreerd met persoonlijkheidsonderzoek, intelligentieonderzoek en neurobeeldvormend onderzoek om tot een diagnose te komen.

Hoe wordt er waargenomen? Ch.6 (BP)

  • Licht komt het oog binnen via een opening in het midden van de iris; de pupil. Deze wordt gefocust door de lens en het hoornvlies en geprojecteerd op de retina. De cortex zendt veel axonen terug naar de thalamus waardoor veel informatie heen en weer gestuurd wordt.

  • De trichromatische theorie is gebaseerd op de suggestie dat wij kleur waarnemen door de reacties van een aantal receptoren (elke gevoelig voor een ander bereik van golflengtes) met elkaar vergelijken. De opponent-process theory gaat ervan uit dat we kleur in termen van tegenovergestelden waarnemen op continuüms van kleur.

  • De primaire visuele cortex (V1) zendt informatie naar de secundaire visuele cortex (V2), welke de informatie verder verwerkt en het overbrengt naar overige gebieden Blindsight is een fenomeen waarbij schade aan het V1-gebied is ontstaan, waardoor mensen in beperkte mate kunnen reageren op visuele informatie zonder het bewust waar te nemen.

  • De ventrale stroom wordt ook wel het ‘wat’-pad genoemd; het is gespecialiseerd in het herkennen van objecten. De dorsale stroom wordt ook wel het ‘waar’-pad genoemd en is gespecialiseerd in het lokaliseren van objecten.

Waarom en hoe hebben mensen lichaams- en chemische sensaties? Ch.7 (BP)

  • Elke hersenhelft van het voorbrein krijgt de meeste input van het oor aan de andere kant van het hoofd. De informatie komt terecht bij de primaire auditieve cortex, A1, gelegen in de superieure temporele cortex.

  • Mechanische zintuigen reageren op druk, buigen of andere verdraaiingen van een receptor. Het somatosensorische systeem is de sensatie van het lichaam en zijn bewegingen en bevat vele bronnen van informatie.

  • De waarneming van pijn begint bij een zenuwuiteinde. Vanuit het ruggenmerg lopen twee paden: 1. naar de thalamus en de somatosensorische cortex; en 2. van de medulla naar de thalamus en verschillende delen van het limbische systeem.

  • Smaakreceptoren laten neurotransmitters vrij om aangrenzende neuronen te stimuleren. Deze brengen informatie over naar het brein.

  • Olfactoire cellen zijn de neuronen die verantwoordelijk zijn voor geur. Wanneer een olfactoire receptor gestimuleerd wordt, draagt de axon de impuls over naar de olfactory bulb. Deze zendt axonen naar de cerebrale cortex.

  • Synesthesie is de ervaring die sommige mensen hebben waarin stimulatie van één zintuig een waarneming teweegbrengt van dat zintuig, maar ook van een ander.

Hoe werkt het geheugen en de leerprocessen? Ch.13 (BP)

  • Het grootste verschil tussen klassiek en operant conditioneren is dat in operante conditionering de respons van een individu de uitkomst bepaalt, terwijl de CS en de UCS zich voordoen op bepaalde tijden, ongeacht het gedrag van het individu.

  • Het korte termijngeheugen bestaat voor dingen die net zijn gebeurd en het lange termijngeheugen is voor opgeslagen gebeurtenissen. Het werkgeheugen slaat informatie alleen op wanneer iemand deze informatie gebruikt.

  • De hippocampus is belangrijk voor het declaratief geheugen (de mogelijkheid om een herinnering in woorden aan te geven) voor ruimtelijke herinneringen en voor het onthouden van details en de context van een gebeurtenis.

  • Amnesie is geheugenverlies. Er bestaan twee soorten amnesie: anterograde amnesie en retrograde amnesie. Twee mogelijke oorzaken van amnesie zijn het Syndroom van Korsakoff (door een te lang thiaminetekort) en de Ziekte van Alzheimer.

  • Bij lange termijnpotentiatie (LTP) ‘bombarderen’ een of meerdere axonen aangesloten op een dendriet het met een korte maar snelle serie van impulsen. LTP heeft drie kenmerken die het een aantrekkelijke kandidaat maken voor een cellulaire basis van leren en geheugen: specificiteit, coöperativiteit en associativiteit.

Wat zijn de cognitieve functies? Ch.15 (BP)

  • Het corpus callosum is een bundel axonen die de twee hersenhelften met elkaar verbindt. Lateralisatie is de verdeling van functies tussen de twee hemisferen; de verschillen in specialisatie tussen de beide hersenhelften. Het corpus callosum werd soms doorgesneden als behandeling voor ernstige epilepsie. Zulke mensen worden split-brain patiënten genoemd.

  • De rechterhersenhelft is dominant voor de emotionele ‘vervoegingen’ van spraak en voor het interpreteren van de emotionele expressie van andere mensen, in spraak of expressie van gezichten. De linkerhersenhelft is belangrijk voor spraak en besteedt meer aandacht aan details met betrekking tot visie.

  • De meeste theorieën die verklaren waarom mensen taal ontwikkeld hebben vallen uiteen in twee categorieën: 1: we hebben taal ontwikkeld als bijproduct van algemene hersenontwikkeling, en 2: we hebben taal ontwikkeld als een hersenspecialisatie.

  • Afasie is een taalstoornis. Mensen met afasie van Broca kunnen zich niet goed en alleen langzaam uitdrukken met betrekking tot alle soorten expressie, zoals praten, schrijven en gebaren maken. Kenmerken van afasie van Wernicke zijn: gearticuleerde spraak, anomie en een slecht taalbegrip.

  • Met het mind-body probleem vragen we ons af wat de relatie is tussen geest en brein. Bij dit probleem zijn twee denkwijzen ontstaan: het dualisme (de geest en het lichaam zijn verschillende soorten stof die zelfstandig bestaan) en het monisme (de overtuiging dat het universum slechts uit één stof bestaat).

Brain and Cognition (custom edition UU) - Kalat, Goldstein, Cacioppo, Zillmer et al - Oefenen

Inhoud

Dit zijn meerkeuzevragen per hoofdstuk bij het boek Brain & Cognition (custom edition, UU), bij alle verplichte hoofdstukken uit de boeken Cognitive Psychology (Goldstein), Discovering Psychology (Cacioppo & Freberg), Principles of Neuropsychology (Zillmer) en Biological Psychology (Kalat).

Oefenvragen hoofdstuk 1: Een inleiding in cognitieve psychologie (CP)

  1. Wie van onderstaande onderzoekers deed onderzoek naar reactietijd?

    1. Ebbinghaus

    2. Donders

    3. Wundt

  2. In welke stroming horen klassieke en operante conditionering thuis?

    1. Behaviorisme

    2. Structuralisme

    3. Informatieverwerkingsbenadering

  3. Welke van onderstaande is een voorbeeld van een structureel model?

    1. De verdeling van het geheugen in een episodische, semantische en procedurele component

    2. De pijnmatrix

    3. Het geheugen model van Atkinson en Shiffrin

Oefenvragen hoofdstuk 5.1: Van sensatie tot perceptie (DP)

  1. Wanneer wordt bottom-upverwerking gebruikt en wanneer top-downverwerking?

    1. Bottom-upverwerking bij nieuwe informatie, top-downverwerking bij informatie waar je al veel kennis over hebt

    2. Bottom-upverwerking bij automatische processen, top-downverwerking bij bewuste processen

    3. Daar zijn geen vaste richtlijnen voor

  2. Een onderzoeker wil weten of mensen het verschil tussen de dikte van verschillende staafjes kunnen voelen op hun hand. Welke psychofysiche maat gebruikt hij?

    1. De absolute drempelwaarde

    2. De relatieve drempelwaarde

    3. De verschildrempelwaarde

  3. Welke twee condities kun je het beste met elkaar vergelijken in een signaaldetectie-experiment?

    1. Een conditie met een vage stimulus en een conditie zonder stimulus

    2. Een conditie met een vage stimulus en een conditie met een intense stimulus

    3. Een conditie met een intense stimulus en een conditie zonder stimulus

Oefenvragen hoofdstuk 3: Perceptie (CP)

  1. Wat is het gelijkheidsprincipe van de Gestaltpsychologie?

    1. Elk stimuluspatroon wordt waargenomen op een zo eenvoudig mogelijke manier

    2. Stimuli die op elkaar lijken worden gegroepeerd

    3. Punten en onderbroken objecten worden ingevuld zodat ze een geheel vormen

  2. Waardoor wordt het oblique-effect veroorzaakt?

    1. Fysieke regelmatigheden

    2. Semantische regelmatigheden

    3. Mentale regelmatigheden

  3. Met welk hersengebied wordt de where-pathway geassocieerd?

    1. Frontaalkwab

    2. Temporaalkwab

    3. Pariëtaalkwab

Oefenvragen hoofdstuk 4: Aandacht (CP)

  1. Welk type aandacht wordt onderzocht door middel van de precueing method?

    1. Coverte aandacht

    2. Selectieve aandacht

    3. Verdeelde aandacht

  2. In welke fase van de feature integration theory wordt informatie onbewust verwerkt?

    1. Preattentive stage

    2. Focused attention stage

    3. Postattentive stage

  3. Wat is de oorzaak van het Stroop-effect?

    1. Stimuli worden pas laat in het verwerkingsproces gefilterd

    2. Taakirrelevante stimuli zijn moeilijk te negeren als ze krachtig zijn

    3. Aandacht kan alleen verdeeld worden als er geen afleiding uit de omgeving is

Oefenvragen hoofdstuk 8: Leren (DP)

  1. Onder welke vorm van leren vallen habituatie en sensitisatie?

    1. Associatief leren

    2. Non-associatief leren

    3. Observationeel leren

  2. Als je vaak pizza eet, en je wordt op een keer ziek na het eten van een pizza, is het onwaarschijnlijk dat je een associatie legt tussen pizza en ziek worden. Als je echter voor het eerst zeevruchten eet en direct ziek wordt, is de kans groot dat je zeevruchten associeert met ziek worden. Hoe wordt dit proces genoemd in klassieke conditioneringstheorie?

    1. Hogere orde-conditionering

    2. Discriminatie

    3. Latente inhibitie

  3. In welke van onderstaande situaties wordt gebruik gemaakt van een secundaire bekrachtiger?

    1. Bij een gedichtenwedstrijd op school krijgt het winnende kind een medaille

    2. De oppas geeft de kinderen snoepjes als ze hun speelgoed netjes opruimen

    3. Een leraar op de basisschool beloont de klas met een middag knutselen als ze goed gewerkt hebben, wat de meeste kinderen erg leuk vinden om te doen

Oefenvragen hoofdstuk 5: Kortetermijngeheugen en werkgeheugen (CP)

  1. Tot welke component van het geheugen behoren het iconisch en echoïsch geheugen?

    1. Kortetermijngeheugen

    2. Sensorisch geheugen

    3. Werkgeheugen

  2. Wat is het articulatory suppression effect?

    1. Verwarring tussen letters die een soortgelijke klank hebben

    2. Het geheugen voor lijsten van korte woorden is beter dan het geheugen voor lange woorden

    3. Het functioneren van het geheugen neemt af wanneer klanken hardop herhaald moeten worden

  3. Aan welke cognitieve functie is het werkgeheugen gekoppeld volgens de theorie van Cowan?

    1. Executieve functies

    2. Aandacht

    3. Taal

Oefenvragen hoofdstuk 6: Structuur van het langetermijngeheugen (CP)

  1. Welk hersengebied wordt niet geassocieerd met het langetermijngeheugen?

    1. De pariëtaalkwab

    2. De mediale temporaalkwab

    3. De hippocampus

  2. Wat gebeurt er bij het proces van semantisatie van oude herinneringen?

    1. Semantische kennis wordt omgezet in procedurele kennis

    2. Procedurele kennis wordt omgezet in episodische kennis

    3. Episodische kennis wordt omgezet in semantische kennis

  3. Een onderzoeker laat het woord ‘Afrika’ een fractie van een seconde zien en presenteert daarna verschillende woorden. Participanten blijken sneller te reageren op woorden die geassocieerd worden met Afrika (‘giraf’) dan niet-gerelateerde woorden (‘narcis’). Hoe wordt dit effect genoemd?

    1. Conceptuele priming

    2. Repetition priming

    3. Procedurele priming

Oefenvragen hoofdstuk 7: Informatie opslaan en ophalen (CP)

  1. Welke vorm van verwerking wordt gebruikt bij maintenance rehearsal volgens de levels of processing theory?

    1. Shallow processing

    2. Deep processing

    3. Intermediate processing

  2. Het maken van deze oefenvragen heeft op de lange termijn effect op hoeveel geleerde informatie je kunt terughalen. Hoe wordt dit effect genoemd?

    1. Zelfreferentie-effect

    2. Generatie-effect

    3. Testing-effect

  3. Een onderzoeker liet duikers informatie aanleren onder water en boven water. De ene groep moest de informatie boven water ophalen, de andere groep onder water. Groepen die informatie boven water zowel aanleerden als ophaalden, of dit beide onder water moesten doen, presteerden beter dan groepen die onder water moesten aanleren en boven water moesten ophalen of andersom. Welke vorm van matching werd hier toegepast?

    1. Encoding specificity

    2. State-dependent learing

    3. Transfer-appropriate processing

Oefenvragen hoofdstuk 8: Het dagelijks geheugen (CP)

  1. Het autobiografisch geheugen is multidimensionaal. Uit welke componenten bestaat het autobiografisch geheugen?

    1. Spatieel, emotioneel en sensorisch

    2. Spatieel, fonologisch en episodisch

    3. Auditief, visueel en episodisch

  2. De reminiscence bump kan verklaard worden doordat perioden van snelle veranderingen beter opgeslagen worden. Welke hypothese is dit?

    1. De self-image hypothese

    2. De cognitieve hypothese

    3. De cultural life script hypothese

  3. Voor welk fenomeen wordt de repeated recall methode gebruikt?

    1. Flashbulb memories

    2. Autobiografisch geheugen

    3. De reminiscence bump

Oefenvragen hoofdstuk 9: Kennis (CP)

  1. Tot welke benadering behoort het hiërarchische model van Collins en Quillin?

    1. Prototypische benadering

    2. Exemplars-benadering

    3. Semantische netwerken-benadering

  2. Hoe kan een connectionistisch model getraind worden?

    1. Met back propagation

    2. Met hidden units

    3. Met mirror neurons

  3. Op welke observatie is de sensory-functional hypothesis gebaseerd?

    1. De dissociatie tussen taalbegrip en taalproductie

    2. De dissociatie tussen levend en niet-levende objecten

    3. De dissociatie tussen lange- en kortetermijngeheugen

Oefenvragen hoofdstuk 11: Taal (CP)

  1. Wat voor soort verwerking speelt een rol bij het phoneme restauration effect?

    1. Bottom-up

    2. Top-down

    3. Zowel bottom-up als top-down

  2. Late closure is een principe uit…

    1. De syntactische benadering

    2. De interactionistische benadering

    3. De pragmatische benadering

  3. ‘Paul en Dennis laten de hond uit. Onderweg praten ze over de afgelopen vakantie.’ In deze zin interpreteer je ‘ze’ als verwijzing naar Paul en Dennis, niet naar de honden. Wat voor soort inferentie is dit?

    1. Anaforische inferentie

    2. Instrumentele inferentie

    3. Causale inferentie

Oefenvragen hoofdstuk 12: Probleemoplossing (CP)

  1. Met welke test kun je functional fixedness aantonen?

    1. Lexical decision task

    2. Candle problem

    3. Tower of Hanoi

  2. Wat is volgens Gick & Holyoak’s onderzoek de moeilijkste stap in het proces van analogisch problemen oplossen?

    1. Opmerken

    2. In kaart brengen

    3. Toepassen

  3. Uit welke stappen bestaat fase II van het creatieve probleemoplossingsproces volgens Basadur?

    1. Evaluatie en planning

    2. Probleem en feiten in kaart brengen

    3. Definitie en ideeën genereren

Oefenvragen hoofdstuk 13: Beslissen en redeneren (CP)

  1. Door welke heuristiek kunnen stereotypen ontstaan?

    1. Availability heuristic

    2. Representativeness heuristic

    3. Confirmation heuristic

  2. ‘Als ik studeer, krijg ik een goed cijfer. Ik heb gestudeerd. Daarom krijg ik een goed cijfer.’ Wat voor soort syllogisme is dit?

    1. Categorisch syllogisme

    2. Deductief syllogisme

    3. Conditioneel syllogisme

Oefenvragen hoofdstuk 1: De geschiedenis van neuropsychologie (NP)

  1. Welke wetenschapper stelde dat het hart de basis van emoties?

    1. Hippocrates

    2. Plato

    3. Aristoteles

  2. Wat voor soort theorie is het functionele model van Luria?

    1. Lokalisatietheorie

    2. Equipotentialiteitstheorie

    3. Geïntegreerde theorie

Oefenvragen hoofdstuk 3: Neuropsychologische diagnostiek (NP)

  1. Wat is inhoudsvaliditeit?

    1. Dit houdt in dat de onderliggende eigenschap daadwerkelijk gemeten wordt

    2. Het verwijst naar de conceptuele representativiteit van de test of testitems

    3. Het heeft betrekking op de voorspellende waarde van een test

  2. Met wat voor soort test wordt gemeten wat het gewoontegedrag van een individu is?

    1. Achievement test

    2. Gedragsadaptatie-test

    3. Neuropsychologische test

  3. Een patiënt heeft moeite met het natekenen van een complexe figuur. Welke functie is waarschijnlijk aangedaan?

    1. Visuospatiële organisatie

    2. Aandacht

    3. Probleemoplossing

Oefenvragen hoofdstuk 6: Visie (BP)

1. Patiënten die moeite hebben met het zien van beweging (lijden aan ‘motion blindness’) hebben waarschijnlijk schade in:

a. de gyrus fusiformis

b. de mediaal temporale cortex

c. de rechter pariëtale cortex.

2. Welke van onderstaande uitspraken over staafjes (‘rods’) in de retina van het oog is waar?

a. Staafjes reageren vooral bij fel licht.


b. Staafjes geven vooral input aan parvocellulaire neuronen.


c. Relatief veel staafjes sturen hun input naar een postsynaptische cel.

3. Blindsight wordt veroorzaakt door schade aan:

a. gebied V1

b. gebied V2

c. gebied V5

4. Welke van de onderstaande stellingen is NIET waar?

a. De ventrale stroom loopt door de temporale cortex

b. De ventrale stroom wordt ook wel het waar-pad genoemd

c. De ventrale stroom helpt in het identificeren van objecten

5. Hoe wordt de stoornis in het herkennen van gezichten ook wel genoemd?

a. visuele agnosie

b. strabisme

c. prosopagnosie

6. Welke cellen bevinden zich in zowel gebied V1 als V2

a. Simpele cellen en complexe cellen

b. Simpele cellen en end-stopped cellen

c. end-stopped cellen en complexe cellen

7. Welke van onderstaande uitspraken is NIET waar?

a. Informatie van de binnenste helft (nasale helft) van de retina van het rechter oog wordt

verwerkt in de visuele cortex van de linker hemisfeer.

b. Informatie van de buitenste helft (temporale hemiretina) van het rechter oog wordt verwerkt in de visuele cortex van de rechter hemisfeer.

c. Informatie van de gehele retina van het rechter oog wordt verwerkt in de visuele cortex van de linker hemisfeer.

Oefenvragen hoofdstuk 7: Horen, lichaams- en chemische sensaties (BP)

1. De route van auditieve informatieverwerking loopt via de …, de … en de … naar de primaire auditieve cortex.

a. superior olive; superior colliculus; lateral geniculate

b. superior olive; inferior colliculus; medial geniculate

c. inferior olive; inferior colliculus; lateral geniculate

2. Welke van de onderstaande stellingen is juist?

a. Volgens de plaats theorie vertoont het basilaire membraan overeenkomsten met de snaren van een piano; elk gebied van het membraan is afgestemd op een specifieke frequentie.

b. Volgens de frequentie theorie activeert iedere frequentie de haarcellen op slechts één locatie op het membraan en maakt het zenuwstelsel op basis van welke neuronen reageren onderscheid tussen frequenties.

c. Volgens de toonhoogte (pitch) theorie Vibreert het basilaire membraan synchroon met een geluid, waardoor auditieve zenuwaxonen actiepotentialen op dezelfde frequentie produceren.

3. Hoe wordt het membraan van het binnenoor ook wel genoemd?

a. tympanisch membraan

b. ovaal venster

c. basilaire membraan

4. Welke van de onderstaande stellingen is waar:

a. Opiaten verminderen jeuk door gevoelens van pijn te blokkeren.

b. Opiaten verergeren jeuk door gevoelens van pijn te blokkeren.

c. Opiaten blokkeren gevoelens van pijn, maar hebben geen invloed op jeukgevoelens.

5. In een systeem wat op het … principe berust, zou iedere receptor reageren op een beperkt stimulibereik. In een systeem wat berust op het … principe, zou iedere receptor reageren op een groter stimulibereik.

a. labeled-line; across-fiber pattern

b. labeled-line; medium-pitched pattern

b. across-fiber pattern; labeled-line

6. Hoe wordt de ervaring waarin stimulatie van het ene zintuig een waarneming van een ander zintuig oproept, waardoor weer een ander zintuig wordt waargenomen, etc. ook wel genoemd?

a. adaptatie

b. de poort theorie (gate theory)

c. synesthesie

7. Conductie doofheid (of middenoor doofheid) wordt veroorzaakt

a. Doordat de botjes in het middenoor de geluidsgolven niet goed doorgeven aan de cochlea.

b. Door schade aan de cochlea, de haarcellen of de gehoorzenuw.

c. Door schade aan het trommelvlies.

Oefenvragen hoofdstuk 13: Het geheugen en leerprocessen (BP)

1. Wat is een engram?


a. Alle golven die een EEG vormt


b. Een representatie van wat er geleerd is 


c. Een representatie van het geheugen

2. Wat is sensitisatie?


a. Het gevoeliger worden van een vaak gestimuleerde plek


b. Intense stimulatie op een andere plek dan de plek van habituatie


c. Het gevoeliger worden voor een stof als gevolg van prenatale blootstelling aan die stof

3. Het engram van klassieke conditionering is te vinden in de cortex/niet in de cortex en door het hele brein heen/gelokaliseerd


a. niet in de cortex; gelokaliseerd

b. in de cortex; gelokaliseerd


c. niet in de cortex; door het hele brein

4. Anterograde amnesie kan ontstaan als gevolg van beschadiging aan de:


a. Hippocampus


b. Amygdala


c. Cortex

5. Bij het syndroom van Korsakov is er sprake van een:


a. Vitamine A tekort


b. Thiamine tekort


c. Eiwit tekort

6. Wat is geen eigenschap van ‘long-term potentiation’ (LTP)? 


a. Specifiek karakter


b. Associatief 


c. Zelfstandig

7. Wat is een retrograde neurotransmitter?


a. Een transmitter die het effect van andere transmitters in de synaps doet verminderen.

b. Een transmitter die bij overmatige stimulatie van het postsynaptische neuron terugkeert naar het presynaptische neuron om het te veranderen.

c. Een transmitter die in geval van overbodigheid terugkeert naar het presynaptische neuron.

8. Wat is geen overeenkomst tussen de AMPA receptor en de NMDA receptor?


a. Ze zijn allebei gevoelig voor natrium


b. Ze reageren allebei op de neurotansmitter glutamaat


c. Ze zijn allebei ionotroop

Oefenvragen hoofdstuk 14: Cognitieve functies; lateralisatie, evolutie en fysiologie, bewustzijn en aandacht (BP)

1. Een object in het rechter visuele veld komt op de linker/recht kant van elke retina terecht en komt vervolgens terecht in de linker/rechter hemisfeer


a. rechter; rechter


b. rechter; linker


c. linker; rechter

2. Wat is geen functie die asymmetrische gelateraliseerd is?


a. Taal


b. Emotie


c. Motoriek

3. Hemi-spatiële neglect bij de rechter hemisfeer vaak erger dan bij de linker. Hoe komt dit?


a. De rechter hemisfeer is zwakker dan de linker, waardoor eerder spatiële neglect optreedt.

b. De rechter hemisfeer is dominant als het gaat om de verwerking van ruimtelijke informatie.

c. De rechter hemisfeer is verantwoordelijk voor veel meer functies dan de linker hemisfeer.

4. Welke term hoort bij beschadiging aan het gebied van Broca?


a. Nonfluent aphasia


b. Fluent aphasia


c. Anomia

5. Bij een doorgesneden corpus callosum zal iemand niet meer in staat zijn:


a. Een object in het rechter visuele veld met de rechterhand aan te wijzen.

b. Een object in het linker visuele veld te tekenen.

c. Een object in het linker visuele veld te benoemen.

6. Hoe komt het dat jonge kinderen soms problemen hebben met het vergelijken van informatie van de linkerhand en de rechterhand?


a. De beide hersenhelften zijn nog niet volgroeid.

b. De verbindingen naar de handen zijn nog niet compleet.

c. Het corpus callosum is nog niet volledig volgroeid.

7. Wat is niet waar over dyslexie?


a. Kinderen met dyslexie vertonen bij het lezen minder arousal.

b. Dyslexie komt in alle talen even vaak voor.

c. Dyslexie komt vaker voor bij jongens dan bij meisjes.

8. Bewust zijn van een stimulus is bijna hetzelfde als er aandacht voor hebben


a. Niet waar


b. Waar


Antwoordindicatie

Antwoorden bij Cognitive Psychology

  1. B

  2. A

  3. B

  4. C

  5. C

  6. A

  7. B

  8. A

  9. C

  10. A

  11. A

  12. B

  13. B

  14. C

  15. A

  16. B

  17. C

  18. B

  19. A

  20. C

  21. A

  22. A

  23. C

  24. A

  25. A

  26. B

  27. A

  28. C

  29. A

  30. B

  31. B

  32. A

  33. A

  34. B

  35. A

  36. C

  37. A

  38. C

Antwoorden bij Principles of Neuropsychology

Hoofdstuk 1: De geschiedenis van neuropsychologie (NP)

  1. C

  2. C

Hoofdstuk 3: Neuropsychologische diagnostiek (NP)

  1. B

  2. B

  3. A

Antwoorden bij Biological Psychology

Hoofdstuk 6: Visie

  1. B

  2. C

  3. A

  4. C

  5. C

  6. C

  7. C

Hoofdstuk 7: Horen, lichaams- en chemische sensaties

  1. B

  2. A

  3. B

  4. B

  5. A

  6. C

  7. A

Hoofdstuk 13: Het geheugen en leerprocessen

  1. B

  2. B

  3. A

  4. A

  5. B

  6. C

  7. B

  8. A

Hoofdstuk 14: Cognitieve functies

  1. C

  2. C

  3. B

  4. A

  5. C

  6. C

  7. B

  8. B

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
special isis de wereld in

Waag jij binnenkort de sprong naar het buitenland? Verzeker jezelf van een goede ervaring met de JoHo Special ISIS verzekering