Comparison of DSM-5 criteria for persistent complex bereavement disorder and ICD11 criteria for prolonged grief disorder in help-seeking bereaved children - Boelen et al. - 2019 - Artikel


Waar gaat dit artikel over?

Het verliezen van een geliefde is een zeer stressvolle gebeurtenis, zeker voor kinderen. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor het kind, vooral wanneer het verlies traumatisch was en wanneer het om een ouder ging. De meeste kinderen die dit meemaken ontwikkelen geen psychopathologische stoornis, maar een kleine groep heeft wel te maken met symptomen van depressie, posttraumatische stress, of een verstoord rouwproces.

Een verstoord rouwproces is een symptoom van de Aanhoudende complexe sterfgeval stoornis (Persistent complex bereavement disorder; PCBD) en de Verlengde rouw stoornis (Prolonged Grief Disorder; PGD). De PCBD is een diagnose volgens de DSM-5 en de PGD is een diagnose volgens de ICD-11. PCBD refereert naar wanneer een kind bijvoorbeeld symptomen heeft zoals scheidingsangst, woede en moeite met het vertrouwen van anderen, minimaal zes maanden na het verlies. PGD houdt in dat een kind scheidingsangst heeft, en tien andere symptomen die zijn of haar functioneren beperken, minimaal zes maanden na het verlies van een geliefde. Er zijn overeenkomsten tussen deze diagnoses: beiden hebben scheidingsangst als symptoom, kijken zes maanden na het verlies en introduceren het concept van verstoorde rouw. Er zijn ook verschillen, zoals het aantal symptomen dat benodigd is om gediagnosticeerd te worden met één van de twee diagnoses. Daarnaast zijn de symptomen ook verschillend, zo is in PCBD een symptoom dat het kind “wil overlijden om met de geliefde te zijn”, en bij PGD is dit niet het geval.

Tot nog toe is er geen studie geweest die de PCBD en de PGD met elkaar hebben vergeleken in nabestaande kinderen, en hebben gekeken naar de prevalentie, de factor structuur, en de validiteit van deze twee diagnoses. Dit zou wel moeten, want er is nog niet veel informatie over hoe veel nabestaande kinderen te maken hebben met verstoorde rouw. Daarom is dit huidige onderzoek opgezet. In dit onderzoek wordt dus gekeken naar de prevalentie en de psychometrische kwaliteiten van de PCBD en de PGD.

Wat is de gebruikte methode in deze studie?

Participanten en procedure

Er waren 332 kinderen en adolescenten, van 8 tot 18 jaar.

Demografische en verlies-gerelateerde variabelen

Er werd informatie verzameld over de leeftijd, geslacht, de relatie met de overleden persoon, de oorzaak van de dood, of het een onverwachte dood was en hoe lang het geleden is dat de persoon is overleden.

De Inventory of prolonged grief for children (IPG-C) en de Inventory of prolonged grief for adolescents (IPG-A)

Verstoorde rouw werd gemeten door middel van de IPG-C en de IPG-A. Dit zijn vragenlijsten die beiden 30 vragen bevatten. De participanten wordt gevraagd hoe vaak zij symptomen ervaren en zij kunnen antwoorden op een 3-puntsschaal (1 = bijna nooit, 2 = soms, 3 = altijd).

De Child PTSD symptom scale (CPSS)

De Child PTSD symptom scale wordt gebruikt om PTSS te meten in kinderen. Het is een vragenlijst die 17 items bevat, namelijk symptomen. Deze symptomen worden gemeten op een 4-puntsschaal (0 = totaal niet/1 keer per week tot 3 = bijna altijd/vijf keer per week).

De Children’s depression inventory (CDI)

De Children’s depression inventory is een vragenlijst die 27 items bevat met depressieve symptomen. Elk item in de vragenlijst bevat drie stellingen die gerelateerd zijn aan depressieve symptomen. De participanten wordt gevraagd om de stelling te kiezen die het meest past bij hun in de afgelopen week. Dit wordt gescoord op een 3-puntsschaal (van 0 = niet aanwezig, 2 = altijd aanwezig).

De Child Behavior Checklist/6-18 (CBCL)

De Child Behavior Checklist (CBCL) wordt gebruikt om probleemgedrag te meten bij kinderen. De verzorgers van de kinderen wordt gevraagd om dit in te vullen. Het bevat 118 items, die worden beoordeeld op een 3-puntsschaal (0 = niet waar, 1 = soms, 2 = vaak). Het liefst zou dit door beide ouders ingevuld worden. Als één ouder overleden is, vult de levende ouder het in. Als beide ouders leven, vullen zij het beide in, maar wordt er willekeurig gekozen welke van de twee wordt gebruikt. De CBCL meet internaliserende problemen, externaliserende problemen, en algehele problemen in gedrag.

Wat zijn de conclusies uit dit onderzoek?

Uit een confirmatorische factor analyse is gebleken dat de items van de PCBD op één dimensie laden. Dus, er zijn geen verschillende dimensies zoals ‘scheidingsangst’ en ‘woede’. De PCBD zoals beschreven in de DSM-5 is dus niet naar voren gekomen in dit onderzoek. Voor de PGD is hetzelfde gevonden: alle items laden op één dimensie.

De onderzoekers hebben ook gekeken naar de prevalentie van PCBD en PGD. Er zijn meer kinderen die voldoen aan PGD (12.4%) dan aan PCBD (3.4%). Daarnaast is er gekeken naar de concurrente validiteit van de PCBD en de PGD. Hieruit is gebleken dat zo wel de PCBD en de PGD beiden in staat zijn om kinderen met verhoogde stress, te identificeren. Er is dus redelijke validiteit.

Deze studie voegt dus kennis toe over PCBD en de PGD. Deze stoornissen lijken erg op elkaar. Beide stoornissen kunnen dus gebruikt worden om nabestaande kinderen te helpen door middel van behandelingen. Echter moet er nog meer onderzoek komen die de DSM-5 diagnose PCBD en de ICD-11 diagnose PGD met elkaar vergelijkt.

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.