A cognitive-motivational analysis of anxiety - Mogg & Bradley (1998) - Artikel


Inleiding

Evolutionair gezien zijn emoties van groot belang en de cognitieve analyse van emoties neemt dit gegeven dan ook in ogenschouw. Wat angst betreft, is er een systeem dat ervoor zorgt dat er aandacht wordt besteed aan bedreigende omgevings- en interoceptieve stimuli die relevant zijn voor de motivationele toestand van de persoon. Zo kan er snel en effectief worden gereageerd op bedreigende stimuli. Er kan dan bij angst ook een bias ontstaan in selectieve aandacht voor bedreigende informatie.

Een kenmerk van recente cognitieve theorieën is de nadruk op de rol van aandachtsprocessen in de etiologie en handhaving van angst. Op al deze theorieën valt wel wat aan te merken en daarom wordt vervolgens vanuit een cognitief-motivationeel oogpunt verklaard wat de specifieke mechanismen zijn die verantwoordelijk zijn voor een aandachtsbias bij angst.

Cognitieve theorieën

Recente cognitieve theorieën zeggen dat biases in de processen van informatieverwerking een belangrijke rol spelen in de etiologie en instandhouding van emotionele stoornissen zoals angst en depressie. Beck ontwikkelde een schemamodel waarbij relevante schema’s disfunctioneel zijn geworden en Bower stelde een semantische netwerk theorie van emoties voor waarbij elke emotie een knooppunt in een associatief netwerk voorstelt.

Beide theorieën zeggen dat angst en depressie geassocieerd worden met een emotiecongruente bias in alle aspecten van de informatieverwerking. Dit blijkt echter niet helemaal te kloppen, want angst wordt vooral in verband gebracht met een bias in selectieve aandacht en depressie met een bias in selectief geheugen.

Hierop ontwikkelde Williams (1988) een gereviseerde cognitieve theorie over angst en depressie. Enkele kenmerken van deze theorie zijn:

Verschillende emotionele stoornissen worden geassocieerd met verschillende patronen van cognitieve bias

Mensen die een permanente neiging hebben tot preattentieve automatische gevoeligheid voor dreiging, zijn meer geneigd tot de ontwikkeling van een angststoornis als ze onder stress staan.

Trait-angst (angstig zijn als karaktereigenschap) beïnvloedt de richting van preattentieve bias en aandachtsbias ten opzichte van bedreigende stimuli. Mensen met een hoge trait-angst oriënteren hun aandacht richting de dreiging en mensen met een lage trait-angst richten hun aandacht daar juist vanaf. Dit is de interactiehypothese.

Cognitieve gedragstherapie is effectief omdat deze biases worden gecorrigeerd.

    Williams zegt vervolgens dat twee mechanismen verantwoordelijk zijn voor de preattentieve en aandachtsbias ten opzichte van bedreigingen. Dit is het Affective Decision Mechanism (ADM) en het Resource Allocation Mechanism (RAM). Het ADM beoordeelt de mate van dreiging van stimuli. De output hangt af van de stimulus, maar ook van de mate van angst die de persoon op dat moment heeft (state anxiety). De output dient als input voor het RAM en die bepaalt de toewijzing van middelen van de processen.

    De werking van RAM hangt af van de mate van trait-angst van de persoon. Als de output van de ADM toeneemt, wordt het verschil tussen mensen met een hoge en een lage trait-angst (interactiehypothese) duidelijk.

    Later is het model van Williams aangepast met behulp van connectionistische termen (1997). De interactiehypothese blijft echter een belangrijk kernpunt in het model. Verschillende andere theorieën zijn een aanvulling op dit model. Centraal staat vooral de aanname dat preattentieve processen een rol spelen bij angst. Deze processen zijn van belang bij de waardering van stimuli en het geven van richting aan de focus van de selectieve aandacht en de respons die dientengevolge gegeven wordt. Gezegd wordt dat deze processen kwetsbaar zijn voor de ontwikkeling van klinische angst.

    Er zijn echter een aantal opmerkingen over deze cognitieve theorieën te maken:

    De interactiehypothese zegt dat mensen met een lage trait-angst zich afwenden van een bedreigende stimulus. Dit is echter niet slim als het gaat om echt bedreigende stimuli en zou betekenen dat het threat detection systeem niet functioneel is.

    Verschillende studies hebben een bias in preattentieve processen gevonden bij angststoornissen, maar niet bij depressie. Dit is raar, want depressieve mensen hebben ook een hoger niveau van angst

    De theorieën maken weinig gebruik van recente neurobiologische systemen die een rol spelen bij angst.

      Hieronder worden twee biologische formuleringen van angst gegeven:

      Gray zegt dat een kwetsbaarheid voor angst geassocieerd is met individuele verschillen in activiteit van het Behavioral Inhibition System (BIS). Dit systeem vergelijkt actuele met verwachte stimuli en komt in actie als ze niet overeenkomen of als er sprake is van aversieve stimuli. BIS zorgt voor inhibitie van het huidige gedrag, dat de arousal toeneemt en voor een grotere aandacht voor de stimuli. Angstige mensen hebben een overactieve BIS.

      LeDoux is bekend vanwege zijn opvatting dat de amygdala een grote rol speelt bij emoties en dat deze wordt geactiveerd bij een bedreigende stimulus. In zijn model spelen aandachtsprocessen een minder grote rol.

        Cognitief-motivationeel standpunt

        Volgens dit standpunt zijn er twee motivatiegerelateerde systemen die in combinatie met elkaar een sleutelrol spelen in het mediëren van angst. Dit zijn het Valentie Evaluatie Systeem en het Goal Engagement Systeem. Ze kunnen elk op een as in een tweedimensionaal netwerk gezet worden.

        Een motivationele analyse van deze factoren zegt dat een bias in preattentieve processen en initiële oriëntatie met betrekking tot emotionele stimuli afhangt van het gecombineerd functioneren van valentie evaluatie en goal engagement. Volgens het cognitief-motivationeel standpunt zorgt het Valentie Evaluatie Systeem voor het bepalen van de waarde van een bedreigende stimulus. Dit hangt af van de stimulus zelf, maar ook van de context, de mate van angst op dat moment (state anxiety), eerdere ervaringen en mate van arousal.

        Daarnaast is het Valentie Evaluatie Systeem gevoeliger voor mensen met een hoge trait-angst. Trait-angst wordt dan gezien als toegenomen output van het Valentie Evaluatie Systeem wat een bias reflecteert in de waardering van bedreigingen. De output van het Valentie Evaluatie Systeem dient als input voor het Goal Engagement Systeem dat verantwoordelijk is voor het mediëren van preattentieve en aandachtsresponsen. Bij weinig dreiging wordt er niks aan gedaan. Bij een hoge dreiging wordt hier meteen op georiënteerd en worden andere processen stopgezet.

        Er bestaat volgens deze opvatting geen lineaire relatie tussen de waardering van bedreigende stimuli en aandachtsbias. Bij geen dreiging, wordt er geen aandacht aan de stimulus geschonken. Bij een beetje dreiging gaat de aandacht juist weg van de stimulus. Bij gemiddelde tot hoge dreiging is er een toegenomen mate van aandacht die gegeven wordt aan de stimulus die uiteindelijk op een bepaald (hoog) niveau blijft steken.

        Enkele voordelen van dit systeem zijn:

        Het cognitief-motivationeel standpunt zegt dat een aandachtsbias of preattentieve bias geen causale rol speelt in de etiologie van een angststoornis. Een dergelijke bias is namelijk ook te vinden bij mensen met een lage trait-angst wanneer de stimuli een hoge dreiging hebben.

        De aanwezigheid van zulke bias voor mild bedreigende stimuli kan wel een teken zijn voor een gevoeligheid voor angst, maar dit hoeft geen bepalende factor te zijn. De primaire factor die deze gevoeligheid bepaalt is volgens het cognitief motivationele standpunt een bias in het Valentie Evaluatie Systeem. De aandachtsprocessen kunnen mogelijk wel van belang zijn bij de instandhouding van angst.

          Onderzoek naar aandachtsbias bij angst

          Studies die onderzoek doen naar een bias in selectieve aandacht voor emotionele stimuli maken gebruik van de (emotionele) Stroop-test, probe detectietaak en kleur perceptietaak, deze laatste is een variant op de probe detectietaak, waarbij een woordpaar wordt gerepresenteerd waarvan een woord neutraal en het ander emotioneel. Daarna verschijnen tegelijkertijd twee gekleurde velden in de plaats van de woorden, maar angstige mensen denken dat het gekleurde veld dat het emotionele woord vervangt eerder verschijnt. De Stroop taak baseert de conclusies op interferentie, maar deze zijn complex en soms moeilijk te interpreteren vanwege confounds en ‘strategic override’. Dit laatste komt naar voren als fobici getest worden in de nabijheid van de gevreesde stimuli. Op dat moment verdwijnt het interferentie effect. De probe detectietaak is minder gevoelig hiervoor.

          Het probleem met al deze taken is dat het maar een gedeelte van de aandachtsbias blootlegt, want de taken zijn afhankelijk van de tijd dat de stimulus gepresenteerd wordt. Al deze testen hebben bewijzen geleverd voor aandachtsbias, maar zijn uitgevoerd met stimuli waar de proefpersoon bewust de aandacht op kon richten.

          Studies die onderzocht hebben of er ook een bias bestaat voor selectieve aandacht voor bedreigende informatie die buiten bewustzijn wordt aangeboden (preattentieve bias), hebben gebruik gemaakt van dichotische luistertaken en visuele masking paradigma’s. Deze laatste zijn een beter middel om bewustzijn tegen te gaan en zijn uitgevoerd met de Stroop-test en de dot probe taak. Om na te gaan of de proefpersonen zich echt niet bewust waren van de stimuli, werd er een bewustzijn-check uitgevoerd op twee manieren: proefpersonen werd gevraagd of ze wel of geen woord zagen in de gemaskeerde fase en ook werd gevraagd of de letters die werden getoond wel of geen woord vormden. Hieruit bleek wel dat de drempels van bewustzijn voor verschillende stimuli anders zijn. Iemand kan zich bewust zijn van een stimuli, maar niet van de inhoud ervan. Met beide proefopzetten is uiteindelijk wel aangetoond dat er ook een preattentieve bias bestaat bij mensen met een angststoornis. Dit suggereert dat de bias al speelt in een vroeg stadium van het verwerken van informatie.

          Ook is aangetoond dat de preattentieve bias voor bedreigende stimuli een cognitieve kwetsbaarheidfactor voor emotionele stoornissen kan zijn. Dit houdt in dat mensen die een permanente neiging hebben om automatisch selectief de aandacht op bedreigende stimuli te richten, eerder geneigd zijn een angststoornis te ontwikkelen wanneer ze zich in stressvolle situaties bevinden.

          De invloed van state en trait variabelen op preattentieve en aandachtsbias

          Bewijs voor de relatieve invloed van trait en state variabelen op aandachtsbias bevat drie gebieden, namelijk correlaties tussen bias en zelfgerapporteerde angst, het effect van korte en lange termijn stressoren op preattentieve en aandachtsbias en het effect van het reduceren van state-angst door middel van behandeling. De laatste twee worden besproken.

          Het effect van stressoren

          De interactiehypothese bevat twee componenten die belangrijk zijn voor de mechanismen die ten grondslag liggen aan aandachtsbias. Het eerste is dat er geen verschil is tussen mensen met een hoge en lage trait-angst als er geen sprake is van stress. Als de state-angst toeneemt, wordt er wel een verschil duidelijk en worden de mensen met een hoge trait-angst gevoelig voor bedreigende stimuli. Deze gevoeligheid blijkt dus een latente en geen manifeste kwetsbaarheidfactor voor angst te zijn.

          De tweede component gaat over de responsen met betrekking tot de aandacht van mensen met een lage trait-angst. Deze mensen neigen hun aandacht van een bedreigende stimulus af te wenden.

          Het eerste deel van de hypothese is in verschillende studies bevestigd, hoewel korte termijn stressoren ook een aandachtsbias uitlokten bij mensen met een lage trait-angst, lokten lange termijn stressoren alleen een aandachtsbias uit bij mensen met een hoge trait-angst. Als ook een bewijs voor het tweede component gevonden zou worden, houdt dit in dat de cognitieve sleutelfactor die ten grondslag ligt aan de kwetsbaarheid voor angst gemedieerd wordt door het mechanisme dat de richting van de aandachtsbias bepaalt.

          Voor het tweede onderdeel van de hypothese is geen significant bewijs gevonden, waardoor de relatieve effecten van state en trait-angst op preattentieve en aandachtsbias onzeker blijft. Het is wel zo dat er geen onderscheid is gemaakt tussen verschillende opties zoals.

          Een drempeleffect waarbij de effecten van state en trait variabelen additief zijn zodat kwetsbaarheid voor bedreigende woorden vooral wordt getoond door mensen met een hoge trait-angst die onder stress staan

          Een curvilineaire relatie tussen de bedreigende waarde van de stimulus en de aandachtsresponsen ten opzichte van de dreiging.

          Verschillende patronen van bias bij mensen met een hoge of een lage trait-angst, die duidelijk worden onder toenemende state-angst. Er is niet voldoende bewijs dat bij toenemende dreiging mensen met een lage trait-angst zich afwenden van de stimulus.

            Het effect van anti-angst behandeling

            Beredeneerd werd dat als de aandachtsbias voor dreiging een langdurige cognitieve kwetsbaarheidfactor voor angst is, die nog steeds aanwezig is na behandeling. Studies tonen echter aan dat deze bias wel verdwijnt na de therapie (bij mensen met een gegeneraliseerde angststoornis). De vraag was of er een verandering plaats had gevonden in gecontroleerde strategieën of in de automatische onbewuste processen. Dit laatste bleek het geval te zijn.

            Aandachtsbias voor geïllustreerde stimuli

            De studies die hierboven beschreven zijn, zijn alleen uitgevoerd met behulp van woordstimuli en deze hebben een beperkte reikwijdte wat betreft bedreigende waarde. Geïllustreerde stimuli zoals emotionele gezichten of scènes hebben een wat grotere reikwijdte.

            Er zijn een aantal taken die gebruikt kunnen worden om een aandachtsbias voor emotionele gezichten te onderzoeken, waaronder de dot-probe detectietaak, popout taken en oogbeweging. De meeste van de studies onthulden emotiecongruente effecten, hoewel er wel een variabiliteit was in de resultaten met betrekking tot de primaire invloed op aandachtsbias. Sommige beweerden dat dit state-angst was, andere trait-angst of negatieve emotionele valentie in het algemeen. Er zijn verschillen gevonden met betrekking tot studies die woordparen hebben gebruikt. Bij geïllustreerde stimuli is het bijvoorbeeld niet nodig dat er een bepaalde stressor aanwezig is om de bias voor bedreigende gezichten uit te lokken. Bij woordstimuli is dit wel zo. De hypothese dat een aandachtsbias voor bedreigende stimuli een kenmerk is voor alleen personen met een hoge trait-angst gaat dus alleen op als het gaat om relatief zwak bedreigende stimuli zoals woorden.

            De interactiehypothese zegt dat hoe bedreigender de stimulus is, mensen met een hoge trait-angst hun aandacht richten op de stimulus en mensen met een lage trait-angst hun aandacht hier meer vanaf wenden. Het cognitief-motivationeel standpunt zegt juist dat een toenemende bedreigende stimulus ook in mensen met een lage trait-angst een bias veroorzaakt. Als dit niet zou gebeuren, zou het Valentie Evaluatie Systeem niet werken.

            Uit onderzoek met neutrale en emotionele scènes is inderdaad gevonden dat er een algemene grotere kwetsbaarheid is voor hoog bedreigende scènes in vergelijking met mild bedreigende. Daarnaast toonde de laag angstige groep vermijding voor mild bedreigende scènes en deze vermijding nam af als de stimulus bedreigender werd. Ook vertoonde de mensen met een hoge trait-angst een grotere kwetsbaarheid voor bedreigende scènes dan mensen met een lage trait-angst. Deze resultaten spreken dus tegen de interactiehypothese en voor de cognitief motivationele opvatting.

            Tijdsverloop van aandachtsbias

            Er is dus voldoende bewijs voor een bias in preattentieve aandacht en aandachtsprocessen, maar het onderzoek dat zover beschreven is, was vooral gericht op initiële oriëntatie naar de bedreigende stimulus. De vraag is nu wat er daarna gebeurt. De hypothese is dat mensen met een hoge trait-angst of klinische angst eerst hun aandacht richten naar de stimulus en vervolgens proberen te vermijden dat er gedetailleerde verwerking plaatsvindt om zo niet al te angstig te worden. Dit kan ervoor zorgen dat de angst in stand wordt gehouden.

            Preattentieve en aandachtsbias bij depressie

            De vraag is of depressie geassocieerd wordt met een aandachtsbias voor negatieve stimulidie vergelijkbaar is met de bias bij angst. Uit studies is gebleken dat depressieve mensen geen preattentieve bias hebben voor negatieve informatie, dus hier niet automatisch hun aandacht op richten. Wanneer de stimulus langer wordt aangeboden en de informatie wel onder de aandacht is gekomen, hebben ze een grotere moeite om zich hiervan los te maken. Depressieve mensen vertonen dus wel een bias ten opzichte van latere processen zoals volgehouden aandacht. Dit is consistent met de voorspellingen van het cognitief motivationeel standpunt, dat zegt dat de manifestatie van een bias voor aversieve stimuli in preattentieve en oriëntatieprocessen van twee dingen afhangt: goal engagement en valentie.

            Check page access:
            Public
            Work for WorldSupporter

            Image

            JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

            Working for JoHo as a student in Leyden

            Parttime werken voor JoHo

            How to use more summaries?


            Online access to all summaries, study notes en practice exams

            Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

            There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

            1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
            2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
            3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
            4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
            5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

            Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

            Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

            Field of study

            Access level of this page
            • Public
            • WorldSupporters only
            • JoHo members
            • Private
            Statistics
            320
            Comments, Compliments & Kudos:

            Add new contribution

            CAPTCHA
            This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
            Image CAPTCHA
            Enter the characters shown in the image.