Social consequences of the Internet for adolescents - Valkenburg & Peter - Artikel

Social consequences of the Internet for adolescents - Valkenburg & Peter - 2009

Toen in 1990 online communicatie populair werd, dachten meerdere onderzoekers dat deze technologieën de sociale verbindingen en het welzijn zouden verminderen. Ze dachten dat (a) het internet adolescenten zou motiveren om oppervlakkige online relaties te vormen met vreemden die minder gunstig zouden zijn dan relaties in de echte wereld en (b) dat de tijd die doorgebracht wordt met deze vreemden ten koste gaat van de tijd die met echte vrienden wordt doorgebracht, zodat (c) er een vermindering paatsvindt van de sociale verbondenheid en welzijn.

Deze effecten zijn in veel onderzoeken aangetoond, maar er waren op zijn minst twee veranderingen in internetgebruik waardoor er tegenwoordig minder sprake is van deze effecten. Allereerst was het moeilijk om in de eerste helft van 1990 om het sociale netwerk op internet te behouden, omdat het grootste deel van de mensen nog niet online waren. Tegenwoordig heeft de meerderheid van de adolescenten internet en zou hierdoor minder sprake zijn van sociale verbondenheid, omdat adolescenten meer mogelijkheden hebben om hun sociale netwerken te behouden door dit medium. Ten tweede waren de communicatiemogelijkheden in de vroegere jaren vooral gericht op contact met vreemden (zoals chatboxen). Tegenwoordig wordt het meer gebruikt om contact te houden met al bestaande vrienden.

Tegenwoordig wordt dus meer gedacht dat internet juist de sociale verbondenheid en het welzijn stimuleert in plaats van vermindert. Echter zijn deze resultaten alleen gevonden door adolescenten die het internet vooral gebruiken om contact te houden met reeds bestaande vrienden. Als zij internet vooral gebruiken om contact te zoeken met vreemden, is er geen sprake van deze positieve effecten.

Maar wat is nou precies de link tussen internetgebruik en sociale verbondenheid en welzijn? Op basis van meerdere studies is een hypothese opgesteld. Deze stelt dat de positieve effecten van internet op sociale verbondenheid en welzijn verklaard kunnen worden door verbeterde online zelf-openbaring. Dit houdt in dat er sprake is van online communicatie over persoonlijke onderwerpen die normaal niet snel aangesneden worden.

De hypothese kent drie assumpties. De eerste assumptie is dat online communicatie online zelf-openbaring stimuleert. De tweede assumptie is dat door deze zelf-openbaring de kwaliteit van de relaties toeneemt. Zelf-openbaring werkt hier als mediator werkt tussen internetgebruik en de kwaliteit van de relatie. De derde assumptie is dat zelf-openbaring indirect zorgt voor verbetering van het welzijn, door toename van de kwaliteit van de relatie. Een relatie van hoge kwaliteit kan namelijk werken als buffer tegen stressoren en ook blijken adolescenten met relaties van goede kwaliteit vaker vrolijker te zijn dan adolescenten met slechte relaties. De kwaliteit van de relatie medieert de relatie tussen de online communicatie met bestaande vrienden en welzijn: online communicatie stimuleert de kwaliteit van de relatie, en verbetert via deze route het welzijn.

De effecten van het internet hangen af van meerdere factoren, waaronder het type technologie, de adolescent die de technologie gebruikt en zijn/haar sociale omgeving. Wat betreft het type technologie is er alleen sprake van de positieve effecten wanneer (a) adolescenten vooral praten met al bestaande vrienden of (b) wanneer zij IM gebruiken. IM is een tekst-gebaseerde technologie die vooral gebruikt wordt om te praten met al bestaande vrienden. Hierdoor betekent zelf-openbaring via IM zelf-openbaring naar bestaande vrienden toe.

Communicatie met vreemden heeft geen of zelfs negatieve gevolgen op sociale verbondenheid en welzijn. Wat betreft geslacht blijken jongens meer profijt te hebben van online communicatie met bestaande vrienden dan meisjes. Dit komt doordat jongens beter zijn in zelf-openbaring via internet dan in het dagelijks leven. Bij meisjes is dit verschil kleiner.

Wat betreft sociale angst zijn er twee hypotheses over online communicatie. De eerste hypothese is de sociale compensatie hypothese, die stelt dat het vooral sociaal angstige adolescenten zijn die online conversaties aangaan. De verminderde audiovisuele kenmerken van internetcommunicatie kunnen deze adolescenten helpen om over hun teruggetrokkenheid in real-life gespreken te komen. De tegenovergestelde hypothese – de rijk-wordt-rijker hypothese – stelt dat het vooral sociaal competente adolescenten zijn die internet gebruiken voor online communicatie. Deze adolescenten hebben al sterke sociale vaardigheden en kunnen het internet zien als een andere manier om in contact te komen met hun peers. Voor deze hypothese is het meeste bewijs. Wel geven deze adolescenten vaker de voorkeur aan offline zelf-openbaring. De sociaal angstige adolescenten geven daarentegen vaker de voorkeur aan online zelf-openbaring. Deze voorkeur komt doordat online communicatie een meer beschermde omgeving biedt, er minder audiovisuele kenmerken zijn en ze na kunnen denken over hun antwoorden, wat controle geeft.

Het is dus aannemelijk dat online zelf-openbaring zorgt voor de positieve relatie tussen online communicatie en sociale verbondenheid.

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.