Artikelsamenvatting bij Moral Identity van Hardy & Carlo - 2011


Socrates en Plato waren van mening dat wanneer men het goede kent, ook het goede doet. Kohlberg sluit zich hierbij aan met zijn cognitieve ontwikkelingstheorie, waarbij hij ervan uitgaat dat moreel redeneren mensen aanspoort tot morele acties. Meerdere factoren hebben echter geleid tot meer interesse om verder te kijken dan moreel redeneren. Allereerst omdat moreel redeneren slechts een kleine voorspeller is voor moreel handelen. Ten tweede is het niet per definitie zo dat mensen die veel morele daden tonen, ook daadwerkelijk goed moreel kunnen redeneren. Er zijn dus meerdere factoren die van invloed zijn op de relatie tussen moreel redeneren en moreel handelen. Morele identiteit is de waarde die iemand hecht aan moreel handelen. Er bestaan verschillende perspectieven wat betreft de structuur, mechanismes en dynamiek van morele identiteit.

Wat is morele identiteit?

Blasi’s Zelf-Model

Een moreel oordeel leidt niet direct tot morele daden, maar hangt meer samen met de mate waarin iemand zich verantwoordelijk voelt om de daad te verrichten. Dit oordeel hangt weer af van de identiteit van de persoon en zijn zelfbeeld.

Morele identiteit als een eenheid van moraliteit en zelf

Colby en Damon zagen morele identiteit als de eenheid van moraliteit en zelf-systemen. Mensen die erg moreel zijn, ervaren meer eenheid tussen hun gevoel van moraliteit en hun persoonlijke doelen. Wat mensen het liefst willen, zien zij dus als moreel goed.

De rol van schema’s

Schema’s zijn mentale structuren die meerdere aspecten van onszelf, onze relaties en onze ervaringen conceptualiseren. Morele identiteit bevat volgens dit perspectief moreel relevante schema’s die toegankelijk zijn voor het verwerken van sociale informatie. De morele ideëen en karakteristieken die een persoon belangrijk vindt, zijn het meest toegankelijk in deze schema’s. Dit soort schema’s verschillen niet alleen per persoon, maar ook per situatie.

Kenmerken en staat morele identiteit

Ondanks dat het belang van moraliteit erg stabiel is voor de individu van een persoon, kan het gevoel van morele identiteit ook in een bepaalde mate van moment op moment geconstructueerd worden, en zo in bepaalde situaties in meer of mindere mate geactiveerd worden.

Bewuste en automatische aspecten van morele identiteit

Morele identiteit wordt in het algemeen beschreven als bewust, hoewel het nog onzeker is of deze bewuste processen de primaire mechanismen zijn die zorgen voor morele identiteit.

Ontwikkeling morele identiteit

Moraliteit en identiteit zijn twee facetten van hetzelfde ontwikkelingssysteem. De ontwikkelingspaden van beiden zijn zo congruent, dat morele identiteit ook wel gezien wordt als het doel van zowel de morele- als de identiteitsontwikkeling. Ondanks dat de groei van moreel begrip op zichzelf erg belangrijk is, kan integratie met identiteit zorgen voor een grotere motivatie. Hoewel identiteit geaard kan zijn in meerdere dingen, zou het ideaal zijn als het gebaseerd zou zijn op moraliteit.

Er is bewijs voor de aanwezigheid van vroege voorlopers van morele identiteit in de kindertijd. Zo nemen kinderen regels van ouders over en gaan zichzelf zo als goede kinderen zien. Kinderen met deze morele beoordeling over zichzelf voelen zich slecht als zij dingen doen die niet mogen, verontschuldigen zich, proberen het goed te maken en zijn bezorgd om de foute dingen die anderen doen. Verder wordt ook de affectieve basis van morele identiteit al vroeg in het leven waargenomen (waaronder schaamte, empathie, schuld). De integratie van deze affectieve basis met morele ideeën, en met het gevoel dat iemand over zichzelf heeft, zijn fundamenteel voor de formatie van de morele identiteit.

Naarmate kinderen ouder worden, vindt er steeds meer integratie plaats tussen moraliteit en identiteit. Moreel begrip wordt meer interpersoonlijk. Hierdoor zijn adolescenten meer sensitief dan kinderen voor de verwachtingen, gedragingen en behoeftes van anderen. Ontwikkeling van de identiteit betekent het begrijpen van het zelf in een context van sociale interacties en ideologieën. Veel facetten van sociale interactie die hieraan bijdragen zijn moreel relevant. Hierbij bevatten ideologieën ook vaak morele idealen.

De integratie tussen moraliteit en het zelf tijdens de adolescentie en volwassenheid wordt versterkt doordat mensen steeds attenter worden op verantwoordelijkheden. In de kindertijd is deze verantwoordelijkheid er veel minder, waardoor moraliteit en het zelf meer uit elkaar liggen. Kinderen hebben minder het gevoel dat hun gedachten, emoties en gedragingen echt van zichzelf zijn. Ze zijn zich daardoor ook minder bewust van de mogelijkheid positieve gedragingen een centraal onderdeel van hun karakter te maken, en zich af te zetten tegen negatieve gedragingen. Hierdoor voelen ze zich minder in controle over hun eigen acties en identiteit. Kinderen worden meer gedreven door externe factoren, zoals de perceptie van anderen of door de dreiging van straffen, in plaats van interne morele standaards zoals bij adolescenten.

Voorspellers van de integratie tussen moraliteit en zelf

Morele identiteitsformatie wordt geassocieerd met bepaalde individuele karakteristieken, ontwikkelingscontexten en mogelijkheden tot morele daden. Wat betreft individuele karakteristieken blijken academische prestaties, prosociaal redeneren en empathie positieve voorspellers voor morele identiteit. Internaliserende problemen blijken een negatieve voorspeller te zijn.

Wat betreft ontwikkelingscontexten zijn religieuze betrokkenheid en effectief ouderschap voorspellend voor morele identiteit. Bij effectief ouderschap gaat het om ouderlijke betrokkenheid, gezinssupport en eisen van de ouders. Het gebruik van inductieve discipline door ouders, waardoor kinderen beter inzicht krijgen in de consequenties van hun gedrag voor zowel zichzelf als voor anderen, zorgt voor internalisering van morele waarden. Dit geldt ook voor ouderlijke warmte.

De integratie van moraliteit en identiteit wordt daarnaast ook beïnvloed door de kansen die iemand krijgt om morele daden te verrichten. Kinderen leren zo dat zij een verschil kunnen maken in de wereld en dit zorgt voor een betere ontwikkeling van de morele identiteit.

Morele identiteitsformatie in termen van morele schema’s

Als morele schema’s een belangrijke rol spelen bij morele identiteit, zou de formatie van de morele identiteit het bouwen van rijke netwerken van morele schema’s moeten bevatten. Morele schema’s bevatten prototypes, zoals iemands mentale beeld van wat het betekent om een moreel persoon te zijn, en informatie over hoe een persoon dient te handelen. In vergelijking tot volwassenen hebben kinderen minder morele schema’s, en de schema’s die ze hebben zijn minder toegankelijk. Daardoor zijn kinderen minder in staat om snel en gepast te reageren op morele situaties. De ontwikkeling van moraliteit hangt dus af van ervaring. In elke fase van ontwikkeling hangt het mentale beeld van wat het betekent om een moreel persoon te zijn af van cognitieve ontwikkeling en sociaal leren.

Is morele identiteit gelinkt aan morele daden?

Er wordt gesuggereerd dat morele identiteit de beste voorspeller is van morele daden. De integratie van het zelf en morele doelen die volwassenen ervaren, zorgt ervoor dat volwassenen hun zelfconcept meer in morele termen beschrijven dan dat kinderen doen. Morele identiteit wordt geassocieerd met morele daden, morele emoties en bezorgdheid om personen van de out-groep. Hoe de link tussen morele identiteit en morele daden precies verklaard kan worden is nog onduidelijk. Het zou kunnen dat morele identiteit motiveert voor morele daden, of dat beiden betrokken zijn in een dynamisch proces.

Discussie

De meeste kritiek over morele identiteit komt van theoretici uit het sociale domein, die de discrepantie tussen moreel oordeel en moreel handelen niet belangrijk achten. Zij stellen dat zich in een situatie meerdere oordelen afspelen, namelijk morele oordelen, conventionele oordelen, voorzorg oordelen en persoonlijke oordelen. Omdat de meeste mensen het juiste willen doen, heeft de coördinatie van de verschillende oordelen het grootste effect. Vooral de morele oordelen zijn belangrijk. Veel minder belangrijk zijn de persoonlijke variabelen.

De theoretici van het sociale domein bieden echter geen verklaring voor de individuele verschillen bij het moreel beoordelen van bepaalde acties. Verder is het ook onduidelijk waarom individuen een moreel oordeel belangrijker vinden dan andere soorten oordelen.

Toekomstig onderzoek

Er is nog veel werk nodig om de theoretische modellen van morele identiteit goed te kunnen uitleggen en kritisch te kunnen evalueren. Ook is er verbetering nodig wat betreft de methodologie van onderzoek naar morele identiteit. De metingen van morele identiteit zijn beperkt en degene die bestaan zijn correlationeel of cross-sectioneel. Hierdoor wordt de mogelijkheid om ontwikkelingsprocessen te onderzoeken beperkt en kunnen er geen causale uitspraken gedaan worden. Als laatste zouden de verschillende perspectieven die er zijn over morele identiteit geïntegreerd moeten worden, of in ieder geval met elkaar worden vergeleken.

Check page access:
Public
Check more or recent content:

Artikelsamenvattingen bij het vak Adolescent Development - UU

Artikelsamenvatting bij In search of explanations for early pubertal timing effects on developmental psychopathology van Ge & Natsuaki - 2009

Artikelsamenvatting bij In search of explanations for early pubertal timing effects on developmental psychopathology van Ge & Natsuaki - 2009


Uit onderzoek blijkt dat een vroege puberteit een risicofactor is voor de ontwikkeling van psychopathologie. Er is echter nog geen consensus over de verklaring voor dit effect van de puberale timing. Hierop volgend zullen vier mogelijke verklaringen worden beschreven van de invloed van puberale timing op internaliserend en externaliserend probleemgedrag. De focus ligt op de puberale timing in plaats van op de puberteit op zich.

The hormonal influence hypothesis

Sommige onderzoekers beweren dat de toename van bepaalde hormonen tijdens de puberteit het risico op de ontwikkeling van psychopathologie verhoogt. De adrenarche vindt plaats tussen de leeftijd van zes en negen jaar, en verwijst naar de rijping van de hypothalamus-hypofyse-bijnieras (HPA-as). In deze periode begint de toename van de adrenale androgenen. Er is enig bewijs dat deze androgenen gerelateerd zijn aan dominantie, depressie en antisociaal gedrag.

De gonadarche begint tussen de negen en elf jaar, en verwijst naar de rijping van de hypothalamus-hypofyse- gonadale as (HPG-as). Tijdens de overgang naar de puberteit is er sprake van een sterke toename van de hormonen van de HPG-as, de gonadotrope hormonen en de geslachtshormonen. Individuele verschillen in testosteron en oestradiol zijn gerelateerd aan negatieve gevoelens, gedragsproblemen en agressief gedrag.

De manier waarop hormonen in de puberteit invloed hebben op psychopathologie is erg ingewikkeld. Er zijn een aantal mogelijke mechanismen voorgesteld:

  • In de puberteit organiseren de hormonen de neurale circuits in het brein van de adolescent, wat leidt tot gedragsveranderingen.

  • Hormonen zorgen voor veranderingen in de gevoeligheid voor stress, wat psychopathologie tot gevolg kan hebben.

  • Sociale en omgevingsfactoren mediëren de invloed van hormonen op gedrag. Hormonen zorgen voor fysieke veranderingen in de puberteit, wat bepaalde sociale reacties tot gevolg heeft, wat vervolgens kan leiden tot psychopathologie.

Het is onduidelijk welke invloed een vroege aanvang van de puberteit en de hormonale toenames op gedrag heeft. Mogelijk neemt de gevoeligheid van het brein voor puberale hormonen met de tijd af. Een andere mogelijkheid is dat een vroege puberteit niet alleen gepaard gaat met een vroegere uitscheiding van puberale hormonen, maar dat deze ook na de puberteit in grotere hoeveelheden worden uitgescheiden. Voor beide mogelijkheden is enig bewijs. Er is verder onderzoek nodig om de vraag te beantwoorden of en hoe vroege toenames in puberale hormonen een negatieve invloed hebben op de mentale gezondheid van adolescenten.

Voor deze hypothese is geen sterk en consistent bewijs gevonden. In onderzoek is het van belang om rekening te houden met verstorende variabelen, zoals leeftijd.

The maturation disparity hypothesis

De ‘maturation disparity’ hypothese is

.....read more
Access: 
JoHo members
Artikelsamenvatting bij Less guilty by reason of adolescence van Steinberg & Scott - 2003

Artikelsamenvatting bij Less guilty by reason of adolescence van Steinberg & Scott - 2003


In sommige landen kunnen jeugdige criminelen ter dood veroordeeld worden. De doodstraf voor jeugdigen is een belangrijke kwestie, maar niet de enige focus van dit artikel. Hier staat de vraag centraal of jeugdigen in dezelfde mate gestraft zouden moeten worden als volwassenen die vergelijkbare misdaden hebben gepleegd. Onderzoek naar, en theorieën over de adolescente ontwikkeling worden beschreven om de criminele schuld van jeugdigen te onderzoeken. Volgens de auteurs biedt kennis over de cognitieve, psychosociale en neurobiologische ontwikkeling in de adolescentie ondersteuning voor het idee dat jeugdigen niet dezelfde criminele verantwoordelijkheid zouden moeten hebben als volwassenen, en niet in dezelfde mate gestraft zouden moeten worden.

Excuse and mitigation in the criminal law

Het principe van strafevenredigheid (penal proportionality) stelt dat een eerlijke criminele straf wordt gebaseerd op zowel de hoeveelheid veroorzaakte schade, als op de schuldigheid van de dader. In welke mate is de onvolwassenheid van adolescente misdadigers relevant voor hun schuldigheid en het bepalen van een passende straf voor de gepleegde misdaad?

Allereerst is het van belang om onderscheid te maken tussen schulduitsluitingsgrond (excuse) en matiging (mitigation). Bij schulduitsluitingsgrond wordt besloten dat de aangeklaagde geen verantwoordelijkheid voor de misdaad draagt en daarom geen straf ontvangt. Hierbij is een aangeklaagde dus schuldig of onschuldig. Bij matiging wordt de schuldigheid van een aangeklaagde op een continuüm geplaatst. Daarmee is er ook sprake van een continuüm van straf. De aangeklaagde wordt dus wel schuldig bevonden, maar krijgt een minder ernstige straf dan gewoonlijk in verband met de beperkte capaciteit van de dader, of doordat er sprake was van dwang op het moment van de misdaad.

De auteurs stellen dat de onvolwassenheid van adolescenten reden is tot matiging van schuldigheid en tot rechtvaardiging van een minder ernstige straf, maar dat het over het algemeen geen reden is tot schulduitsluitingsgrond, behalve in het geval van preadolescenten. Jeugdigen zouden in verband met hun onvolwassenheid dus beschouwd moeten worden als minder schuldig dan een volwassene, maar niet als volledig onverantwoordelijk voor de misdaad.

Factoren die criminele schuldigheid verminderen kunnen in drie categorieën worden ingedeeld:

  • Endogene beschadigen of tekorten in het vermogen tot beslissen, die invloed hebben op de keuze tot crimineel gedrag. Het gaat hierbij om beschadigingen of tekorten in het lichaam (bijvoorbeeld in het brein), zoals mentale stoornissen.

  • Er is sprake van dwang die dusdanig groot is dat de gemiddelde persoon onder de druk bezwijkt. Een voorbeeld hiervan is de dreiging zelf letsel op te lopen.

  • Bewijs dat de misdaad niet bij de aangeklaagde lijkt te passen (out of character) en dat

.....read more
Access: 
JoHo members
Artikelsamenvatting bij Moral Identity van Hardy & Carlo - 2011

Artikelsamenvatting bij Moral Identity van Hardy & Carlo - 2011


Socrates en Plato waren van mening dat wanneer men het goede kent, ook het goede doet. Kohlberg sluit zich hierbij aan met zijn cognitieve ontwikkelingstheorie, waarbij hij ervan uitgaat dat moreel redeneren mensen aanspoort tot morele acties. Meerdere factoren hebben echter geleid tot meer interesse om verder te kijken dan moreel redeneren. Allereerst omdat moreel redeneren slechts een kleine voorspeller is voor moreel handelen. Ten tweede is het niet per definitie zo dat mensen die veel morele daden tonen, ook daadwerkelijk goed moreel kunnen redeneren. Er zijn dus meerdere factoren die van invloed zijn op de relatie tussen moreel redeneren en moreel handelen. Morele identiteit is de waarde die iemand hecht aan moreel handelen. Er bestaan verschillende perspectieven wat betreft de structuur, mechanismes en dynamiek van morele identiteit.

Wat is morele identiteit?

Blasi’s Zelf-Model

Een moreel oordeel leidt niet direct tot morele daden, maar hangt meer samen met de mate waarin iemand zich verantwoordelijk voelt om de daad te verrichten. Dit oordeel hangt weer af van de identiteit van de persoon en zijn zelfbeeld.

Morele identiteit als een eenheid van moraliteit en zelf

Colby en Damon zagen morele identiteit als de eenheid van moraliteit en zelf-systemen. Mensen die erg moreel zijn, ervaren meer eenheid tussen hun gevoel van moraliteit en hun persoonlijke doelen. Wat mensen het liefst willen, zien zij dus als moreel goed.

De rol van schema’s

Schema’s zijn mentale structuren die meerdere aspecten van onszelf, onze relaties en onze ervaringen conceptualiseren. Morele identiteit bevat volgens dit perspectief moreel relevante schema’s die toegankelijk zijn voor het verwerken van sociale informatie. De morele ideëen en karakteristieken die een persoon belangrijk vindt, zijn het meest toegankelijk in deze schema’s. Dit soort schema’s verschillen niet alleen per persoon, maar ook per situatie.

Kenmerken en staat morele identiteit

Ondanks dat het belang van moraliteit erg stabiel is voor de individu van een persoon, kan het gevoel van morele identiteit ook in een bepaalde mate van moment op moment geconstructueerd worden, en zo in bepaalde situaties in meer of mindere mate geactiveerd worden.

Bewuste en automatische aspecten van morele identiteit

Morele identiteit wordt in het algemeen beschreven als bewust, hoewel het nog onzeker is of deze bewuste processen de primaire mechanismen zijn die zorgen voor morele identiteit.

Ontwikkeling morele identiteit

Moraliteit en identiteit zijn twee facetten van hetzelfde ontwikkelingssysteem. De ontwikkelingspaden van beiden zijn zo congruent, dat morele identiteit ook wel gezien wordt als het doel van zowel de morele- als de identiteitsontwikkeling. Ondanks dat de

.....read more
Access: 
Public
Microaggressions and depressive symptoms in sexual minority youth - Kaufman et al. - Universiteit Utrecht

Microaggressions and depressive symptoms in sexual minority youth - Kaufman et al. - Universiteit Utrecht

Microaggressions and depressive symptoms in sexual minority youth 

Kaufman, Baams, Dubas 

Abstract  

Verschillen in mentale gezondheid tussen seksuele minderheidsjongeren en heteroseksuele jongeren worden vaak verklaard door discriminatie en ervaren afwijzing. Hoewel veel studies zich richten op expliciete discriminatie, zijn de gevolgen van subtiele, dagelijkse discriminatie (“microaggressie”) van seksuele minderheidsjongeren onbekend. In een online studie onder 267 Nederlandse seksuele minderheidsjongeren (16-22 jaar oud) onderzochten wij de samenhang tussen seksuele microagressie en depressieve symptomen via emotie-regulatie (piekeren) en of deze gebufferd kon worden door sociale steun gericht op seksualiteit. Ervaringen met microaggressie waren indirect gerelateerd aan depressieve symptomen, via piekeren. Daarnaast vonden wij dat sociale steun deze verbanden niet bufferde. De bevindingen vragen om bewustwording van de mogelijk negatieve impact van subtiele discriminerende ervaringen, naast expliciete discriminatie, en de mogelijke negatieve gevolgen voor de mentale gezondheid die ontstaan als gevolg van emotionele dysregulatie zoals piekeren. 

Intro  

Sexual minority or lesbian, gay and bisexual youth report more depression, self-harm and suicidality compared to heterosexual youth. Mental health disparities are often explained using the minority stress framework: result of chronic exposure to stigma-related stressors, such as prejudice. But what about subtle everyday discriminations? > this study wants to find out! This study also investigates the role of sexuality-specific support. 

Minority stress and depressive symptoms 

Minority stress framework: members of sexual minority groups are chronically exposed to stigma-related stressors related to one's sexual minority group. Social stress theory: stigma-related prejudice evokes stress that leads to adverse mental health outcomes, such as depression. 

Microaggression experiences and psychological well-being 

Microaggressions: ‘brief and commonplace daily verbal, behavioral, and environmental indignities, whether intentional and unintentional, that communicate hostile, derogatory, or negative LGBT slights and assaults to the target group or person.’ Microaggressions may be especially stressful because their subtle character makes them socially legitimized. In addition, microaggressions may lack the intensity of blatant prejudice, but have a repetitive, day-to-day nature.  

Studies suggest that microaggression experiences can have a negative impact on youth's mental health (emotional distress, depression, frustration).  It is currently unknown whether microaggression experiences are also related to more severe psychological disturbances, such as depressive symptoms. 

Microaggressions, rumination and depressive symptoms 

Brooding: a type of ruminative emotion regulation, which is characterized by a focus on stress symptoms and its possible causes and consequences, as opposed to possible solutions to the problem. People who are stigmatized are thought to manage their devalued social identity and the required effort may diminish the resources they need to adaptively regulate their emotions. 

Explicit forms of victimization is linked to rumination among sexual minority young and older adults. Moreover, research has shown that rumination explains the relation between explicit discrimination and psychological distress in sexual minority youth. 

Potential buffers of the relation between microaggression experiences and depressive  symptoms 

Although social support can, in general, facilitate youth's adjustment, it has been suggested that social support functions best when it addresses the specific problems at hand. Previous research has shown that support directed at youth's sexual orientation can protect them from the negative impact of explicit prejudice. In addition, the impact of victimization on sexual minority adolescents’ distress has been shown to be buffered by having sexual minority friends. Further, feeling connected to the LGB community is linked to better mental

.....read more
Access: 
Public
Sexting within adolescents’ romantic relationships - Van Ouytsel et al. - Universiteit Utrecht

Sexting within adolescents’ romantic relationships - Van Ouytsel et al. - Universiteit Utrecht

Van Ouytsel; Sexting within adolescents’ romantic relationships 

Van Ouytsel 

Introduction 

Sexting: the sending of self-made sexually explicit pictures. Adolescent sexting mostly takes place within the context of establishing or maintaining romantic relationships. Mixed studies: some studies have found a positive association between engagement in sexting and perceived relationship quality, other researchers have found no or only limited evidence that sexting is related to higher relationship satisfaction among adults. Adults who engaged in the sending of sexually explicit text messages and images reported higher sexual satisfaction compared to those that did not engage in sexting.  

Intimacy: feelings of closeness, connectedness, and boundedness within the romantic relationship. Passion refers to the motivations that romantic partners experience to be physically close to, physically attracted to, and sexually involved with their partner. Commitment refers to the commitment to love the romantic partner and to stay in the relationship for a longer period of time. 

Research question: how adolescent sexting relates to perceptions of intimacy, passion, and commitment.  

Results 

Adolescents' perceptions of passion and higher levels of perceived verbal aggression were significantly related with their engagement in sexting. This means that youth who perceive their relationship as more passionate or perceived more verbal conflict within their romantic relationship, were more likely to engage in sexting. Having sexual intercourse was significantly related with sending sexually explicit photographs to the romantic partner, which indicates that youth who have engaged in prior sexual intercourse were more likely to have engaged in sexting. The relation between relationship length and having engaged in sexting was marginally significant. 

Discussion 

Using the theoretical constructs of the triangular theory of love, the results showed that higher feelings of sexual attraction, passion and sexual arousal towards a partner are found to be related to their engagement in sexting. The findings also echo recent research among an adult sample, which found that sexting was associated with a higher self-reported sexual satisfaction compared to non-sexters. This finding, coupled with a significant relationship between having had sexual intercourse and having sent a self-made sexually-explicit photograph is also in line with previous studies that found that sending self-made sexually explicit images is associated with adolescents' offline sexual behaviors.  

There are no significant associations between perceptions of emotional intimacy or commitment and engagement in sexting behavior. Adolescents might rather engage in sexting out of the motivation to fulfill their needs for sexual intimacy than to sustain emotional connectedness with their partner.  

Access: 
Public
Summary with Chapter 6: Adolescents by Valkenburg - 2017

Summary with Chapter 6: Adolescents by Valkenburg - 2017

Valkenburg Chapter 6 Adolescents 

Generation digital 

The time that adolescents spend using social media (more than three hours a day) has now surpassed the amount of time they spend on entertainment media or playing electronic games. They spend the least amount of time reading books or comic books. Adolescents aren't an homogenous group > divide: early adolescence (age 12-15) and late adolescence (age 16-19). Puberty is thought to begin at approximately eleven years of age and to conclude around fifteen.  

Early adolescence 

Characterized by intense physical changes that, in turn, affect adolescents’ emotions and cognition. Hypothalamus > sending signals to pituitary gland > start of puberty: first menstruation/ejaculation + intense state of sexual arousal.  

Besides the noticeable physical changes that puberty brings, there are other, less obvious changes that have major consequences for the way teens think and behave. These changes take place in different regions of the brain and in different ways. Gray matter is responsible for information processing. White matter consists of the pathways that connect neurons to one another. During childhood, the volume of gray matter increases significantly in many regions of the brain. Around the start of puberty, gray matter starts to decline in volume: pruning > brain is beginning to function more efficiently. White matter increases in volume throughout late childhood and adolescence > faster and more efficient communication between the different regions of the brain. The maturity of the adolescent prefrontal cortex appears to depend on their motivation to keep their appointments, to structure their thoughts, and plan their activities. 

Abstract thought and metacognition: formal-operational stage of Piaget. This thinking refers to thinking that is both logical and abstract. Moreover, early adolescents can reason hypothetically and think about what could happen in specific situations > engage in systematic problem solving. In addition to adolescents’ increasingly abstract thinking and problem-solving skills, their metacognitive skills improve significantly during this period. Once early adolescents have acquired metacognition, the ability to evaluate one’s own thoughts, they are better able to summarize what they have learned or what another person’s train of thought might have been. They can not only indicate what they know, but also say why they know it. As a result of these metacognitive skills, they are capable of introspection (that is, the ability to reflect on their own thoughts and emotions). Not surprisingly, while their metacognitive skills are increasing, their social cognition—their ability to interpret and anticipate others’ desires, emotions, and motives—is also improving. 

Moderate discrepancy hypothesis: children and teens are most interested in media content that departs moderately from their level of cognitive and social-emotional development. Entertainment programs should not diverge too much in content or structure from their cognitive skills. Their advancing brain development means that speed and variety are the norm in this age group. It is not clear whether this new, fast-paced media entertainment environment is changing teens’ preferences for fast-paced entertainment or whether this entertainment environment is just catering to what today's teens gravitate toward. This influence is probably reciprocal. Compared to their younger peers, early adolescents prefer increasingly complex content but

.....read more
Access: 
JoHo members
Artikelsamenvatting bij lustering of health-compromising behavior and delinquency in adolescents and adults in the Dutch population van van Nieuwenhuijzen e.a. - 2010

Artikelsamenvatting bij lustering of health-compromising behavior and delinquency in adolescents and adults in the Dutch population van van Nieuwenhuijzen e.a. - 2010


Wat was er vooraf bekend? 

Gezondheid wordt sterk beïnvloed door het gedrag, denk bijvoorbeeld aan roken en ongezonde voeding. Het is daarom belangrijk om de negatieve effecten van bepaald gedrag op de gezondheid te onderscheiden. Interventies gericht op gedrag dat een negatief effect heeft op de gezondheid betreffen vaak dezelfde doelgroepen, omdat dergelijk gedrag voorkomt bij zowel adolescenten als volwassenen. Onderzoek richt zich echter vaak op een enkele soort van risicovol gedrag, en niet op het geheel van deze gedragingen. Wanneer er wordt gekeken naar een onderlinge relatie van risicovol gedrag, kunnen de onderliggende causale mechanismen beter onderscheiden worden. 

Hoe is onderzoek uitgevoerd? 

De studie is uitgevoerd binnen Nederland en de steekproef is random geselecteerd na stratificatie door leeftijd, geslacht en opleiding van het hoofd van het huishouden. Twee groepen zijn oversampled, namelijk etnische minderheden en mensen met een achterstand achtergrond. De studie is uitgevoerd met een geanonimiseerde methode om selectieve non-respons te voorkomen. De data is verzameld middels vragenlijsten en face to face interviews. De analyse is uitgevoerd per leeftijdsgroep. 

Wat waren de resultaten? 

Er is een passend model gevonden, bestaand uit drie factoren:

  1. Alcoholconsumptie bij volwassenen.
  2. Delinquentie bij volwassenen.
  3. Gezondheid van de volwassenen.

Deze factoren waren passend voor alle drie de leeftijdsgroepen (19-24, 24-40 en 19-40). Er zijn geen sekseverschillen gevonden. 
Voor oudere adolescenten (16-18) golden ook de factoren alcohol gebruik, delinquentie en gezondheid. Daar werden wel sekseverschillen gevonden. Vrouwen scoorden lager op de factoren alcohol en delinquentie, en ze scoren hoger op de factor gezondheid. Vrouwen laten dus minder risicogedrag zien op het gebied van gezondheid. In de adolescenten groep is een sterke relatie tussen de clusters alcohol en delinquentie. Met gezondheid en alcohol was er een zwakke relatie. Tussen gezondheid en delinquentie was geen correlatie.

Voor de jonge adolescenten geldt dit model niet. Voor hen was er sprake van een twee factoren model, namelijk alcohol en delinquentie. Ook hier waren sekseverschillen, waarbij vrouwen lager scoorden op delinquentie dan mannen. Er was wel sprake van een correlatie tussen de twee factoren. 


Wat betekenen de uitkomsten van het onderzoek? 

Het doel van de studie was om te kijken of gedrag dat een risico vormt voor de gezondheid en delinquent gedrag samengevoegd kan worden onder een bredere factor als risicovol gedrag, en of er verschillen per leeftijd zijn. De

.....read more
Access: 
JoHo members
Artikelsamenvatting bij Growth in adolescent delinquency and alcohol use in relation to young adult crime, alcohol use disorders, and risky sex: a comparison of youth from low- versus middle-income backgrounds van Mason et al. - 2010

Artikelsamenvatting bij Growth in adolescent delinquency and alcohol use in relation to young adult crime, alcohol use disorders, and risky sex: a comparison of youth from low- versus middle-income backgrounds van Mason et al. - 2010


Wat is er vooraf bekend over delinquentie en alcoholgebruik? 

Delinquentie en alcoholgebruik komt bij adolescenten veel voor en gaat ook vaak samen. Delinquentie en alcoholgebruik zijn wel aan elkaar gerelateerd, maar hebben verschillende ontwikkelingspaden en voorspellende factoren. Beiden zijn gerelateerd aan problemen in de vroege volwassenheid, ze vergroten bijvoorbeeld het risico op criminaliteit en middelenmisbruik. 

Het is belangrijk dat er een beter begrip komt van de specifieke patronen en de voorspellende waarde van delinquentie en alcoholgebruik in de adolescentie op criminaliteit en middelenmisbruik in de volwassenheid. Risicovol seksueel gedrag lijkt toe te nemen in de vroege volwassenheid, doordat het toezicht van ouders afneemt. Dit gedrag wordt geassocieerd met risico voor de gezondheid en emotionele risico’s. 

Wat zijn de consequenties van risicovol gedrag? 

De consequenties van delinquentie in de adolescentie zijn onder een toename van het risico op criminaliteit, middelenmisbruik en risicovol seksueel gedrag op latere leeftijd. Alcoholgebruik in de adolescentie vergroot het risico op middelenmisbruik in de volwassenheid. Of alcoholgebruik in de adolescentie ook gerelateerd is aan andere gedragingen op latere leeftijd is nog niet duidelijk.

Wat is het doel van deze studie? 

Deze studie kijkt naar het gebruik van alcohol en delinquentie in de adolescentie en de relatie met problemen in de volwassenheid, zoals criminaliteit, middelonafhankelijkheid en riskante seksuele gedragingen. Daarbij wordt ook gekeken naar de socio-economische achtergrond en de invloed daarvan op de ontwikkeling.

Hoe is het onderzoek uitgevoerd? 

Er is data gebruikt van de Seattle Social Development Project. Er is een longitudinale studie gebruikt van studenten. De steekproef is gelijk verdeeld met betrekking tot de sekse en het is een etnisch diverse steekproef. De data is verzameld op de leeftijd van 10 jaar, in de adolescentie (14, 15, 16 en 18 jaar) en in de vroege volwassenheid (21 en 24 jaar).

Wat betekenen de resultaten? 

Aan de hand van de longitudinale studie die is uitgevoerd van de late kindertijd tot de vroege volwassenheid, laten de analyses drie

.....read more
Access: 
JoHo members
Artikelsamenvatting bij Incidence, clinical management, and mortality risk following self harm among children and adolescents: Cohort study in primary care van Morgan e.a. - 2017

Artikelsamenvatting bij Incidence, clinical management, and mortality risk following self harm among children and adolescents: Cohort study in primary care van Morgan e.a. - 2017


Introductie

Zelfbeschadiging is een groot volksgezondheidsprobleem. Het is de sterkste risicofactor voor zelfmoord. Zelfmoord is wereldwijd de tweede meest voorkomende doodsoorzaak in de leeftijdsgroep van 10 tot 24. De laatste jaren zijn de zelfmoordcijfers bij kinderen en adolescenten gestegen. Ook mentale gezondheidsproblemen komen afgelopen jaren meer voor. Om dit te verminderen moet eerst goed in kaart gebracht worden wat de frequentie is van zelfbeschadiging en hoe dit verloopt. Dit is echter lastig, naar schatting meldt slechts een vierde van deze populatie zich bij gezondheidszorginstellingen.

In deze studie wordt onderzoek gedaan naar bewijs voor temporele trends die gerelateerd zijn aan zelfbeschadiging onder kinderen en adolescenten, naar verwijzingen naar specialistische zorg en het voorschrijven van medicatie, en naar de risico’s en oorzaken van sterfte onder kinderen en adolescenten vanwege zelfbeschadiging in vergelijking tot gezonde leeftijdsgenoten van dezelfde sekse.

Methoden

De Clinical Practice Research Datalink (CPRD) is een enorme database met geanonimiseerde patiëntgegevens van het Verenigd Koninkrijk. Hieraan gelinkt zijn gegevens uit het Office for National Statistics, sterftecijfers, hospital episode statistics en de multiple deprivatie-index. Individuen in de leeftijd van 10-19 jaar en met een zelfbeschadigingsrapport tussen 2001 en 2014 werden ook meegenomen.

In de eerste fase van analyse werd de jaarlijkse incidentie van zelfbeschadiging berekend. In de tweede fase van analyse werd klinisch management gemeten. Onder klinisch management worden doorverwijzingen naar de geestelijke gezondheidszorg en het voorschrijven van psychotropische medicatie in het eerste jaar na het eerste incident gerekend. In de derde analytische fase werd oorzaak-specifiek sterfterisico gemeten. Tot elk zelfbeschadigend individu stonden tot twintig individuen zonder geschiedenis van zelfbeschadiging ter vergelijking.

Resultaten

Resultaten fase 1:

  • 12398 meisjes en 4514 jongens zijn geïdentificeerd met ten minste één episode van zelfbeschadiging. Bij het grote merendeel was sprake van een overdosis. Er was sprake van een hoge prevalentie van depressie en angststoornissen.
  • Herhaalde zelfbeschadiging kwam meer voor onder meisjes (37,4 per 10.000) dan onder jongens (12,3 per 10.000).
  • De incidentie van zelfbeschadiging was hoger in armere gebieden.
  • De incidentie van zelfbeschadiging bij meisjes in de leeftijd van 13-16 jaar is sterk gestegen in 2011-2014. Dit was niet het geval bij de andere leeftijdscategorieën of bij jongens.

Resultaten fase 2:

  • Ruim de helft van de kinderen en adolescenten waarbij zelfbeschadiging is vastgesteld werd niet doorverwezen naar mentale gezondheidszorginstellingen. Slechts 17,7% werd binnen 12 maanden doorverwezen, waaronder meer meisjes dan jongens. Kinderen en adolescenten uit armere gebieden werden minder vaak binnen 12 maanden doorverwezen dan individuen uit rijkere gebieden.
  • Meer dan een vijfde van de kinderen en adolescenten kreeg antidepressiva voorgeschreven.

Resultaten fase 3:

  • Kinderen en adolescenten met zelfbeschadiging sterven ongeveer negen keer zo
.....read more
Access: 
JoHo members
The new life stage of emerging adulthood at ages 18-29 years: implications for mental health - Arnett et al. - Universiteit Utrecht

The new life stage of emerging adulthood at ages 18-29 years: implications for mental health - Arnett et al. - Universiteit Utrecht

The new life stage of emerging adulthood at ages 18-29 years: implications for mental health 

Arnett, Zukauskiene, Sugimura 

Introduction 

Conceptions of the transition to adulthood have shifted from a focus on events such as leaving home to the gradual attainment of psychological markers such as accepting responsibility for one's self and making independent decisions. Transition to adulthood has become longer, and in developed countries happens later in life than previously, as measured by the timing of traditional markers such as the entry to stable work, marriage and parenthood > new life stage between adolescence and young adulthood: emerging adulthood. Cross-national indicator of changes in the demographic patterns of the transition to adulthood is mother's age of first birth.  

USA: five features of emerging adulthood 

Identity explorations entail trying out various possibilities for what kind of person to be and what kind of life to live. Traditionally, identity explorations have been associated with adolescence. However, today identity explorations occur mainly during the period of emerging adulthood. Emerging adulthood is the most unstable period of the lifespan. It is the time when changes in love relationships and work are most frequent. This instability is derived partly from their identity explorations. The instability can be troubling, especially when changes are involuntary > anxiety, feeling depressed.  

Emerging adulthood is a self-focused time of life, in the sense that it is the time when people have the fewest daily social roles and obligations to others. Emerging adults in the USA often thrive on their self-focused independence. However, being self-focused might be accompanied by low social support and consequent depression.  

Emerging adults tend to view themselves as being neither adolescents nor adults but somewhere in-between. This feeling might elicit feelings of depression and anxiety, especially for those who believe they should feel more adult at their current age than they actually are.  

Although emerging adulthood is often a time of struggle and mixed emotions, nearly all emerging adults in the USA believe their future is bright > possibilities and optimism. 

Europe: struggle amidst prosperity 

Currently, Europe is one of the most affluent and healthy societies in human history. Difficulties have increased in the aftermath of the 2007-08 global economic recession > youth unemployment. Unemployment is especially high in young people who have little education. Even for people with tertiary education, the entry into the workforce presents some issues. Thus, young workers are susceptible to employment instability even when they are able to find a job. 

In both Europe and the USA, unemployment has been associated with increased risk of depression, especially for emerging adults who do not have strong parental support.  

Japan: movement towards individualism 

Similar to other high-income countries, Japan has had demographic changes that suggest the rise of a new life stage of emerging adulthood, especially with respect to the length of education, and the timing of marriage and parenthood. Arnett has proposed four cultural beliefs that underlie the period of emerging adulthood in high-income countries: 1) the value of attaining independence and self-sufficiency before making adult commitments; 2) the goal of finding a so-called soul mate in marriage who will complement one's own identity; 3) the search for work that

.....read more
Access: 
Public
Adolescent Development: Samenvattingen, uittreksels, aantekeningen en oefenvragen - UU
Check more of the skill?
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

Check supporting content:
Psychology and behavorial sciences: summaries and study assistance - WorldSupporter Start
How to use more summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
1065 2
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.