The development of anxiety: The role of control in the early environment - Chorpita, Barlow (1998) - Artikel


Inleiding

Vroege ervaringen kunnen het gevoel van controle verminderen, hierdoor is er een risico voor een angst (of depressie)stoornis. Dit is waar dit artikel over gaat. Naast de invloed van controle wordt er ook gekeken naar andere mogelijke verklaringen voor angststoornissen.

Angst

Angst wordt gedefinieerd als een staat van het centrale zenuwstelsel gekarakteriseerd door activiteit van het BIS-systeem (Behavrioural inhibion system). De uitkomsten van het BIS-systeem zijn angstige emoties. Het BIS-systeem veroorzaakt de angst, hierin zijn vier stappen te onderscheiden:

  • de geobserveerde huidige situatie in de omgeving

  • de volgende geplande stap, motorisch gezien

  • bekende waarschijnlijkheden in de wereld (bijv. als ik dit doe, gebeurt er dit…)

  • bekende waarschijnlijkheden over de gedragsuitkomsten (bijv. de vorige keer werden ze boos)

Bij het BIS-systeem draait het vooral om opgeslagen situaties, bijvoorbeeld als ik iemand sla is het waarschijnlijk dat hij boos wordt, dat deed hij de vorige keer ook. De opgeslagen situaties worden aangeleerd door klassieke of instrumentele conditionering.

Angst geldt in dit artikel als iets anders dan bangheid of paniek. Angst is namelijk gerelateerd aan herkenning of voorbereiding op gevaar. Bangheid is meer een automatische reactie, vaak gekenmerkt door vermijding of defensieve agressie. Wanneer angst op deze manier beschreven wordt is het niet alleen een kenmerk van een angststoornis, maar ook van depressie.

Angst speelt een centrale rol in negatieve emoties, ook daarom worden angst en depressiviteit aan elkaar gekoppeld. Negatieve emoties spelen dus in angst- en depressiestoornis een belangrijke rol. Uit andere onderzoeken blijkt dat angst een belangrijke factor is in de emotiestoornissen.

Angststoornissen

Er zijn verschillende theorieën over het ontstaan van angststoornissen. Zo is er het cognitieve model. Er zou een causaal verband zijn tussen alle emotiestoornissen, de stoornissen verschillen in de mate waarin de persoon het gevoel heeft controle te hebben. Wanneer een persoon het gevoel heeft geen invloed (controle) te hebben over de uitkomst dan neemt de angst toe. Wanneer dit gebrek aan controle toeneemt, verergert de angststoornis of komt er lichte depressie. Wanneer dit gevoel nog meer toeneemt wordt de persoon depressief. Dit wordt wel het model van hulpeloos-hopeloos genoemd. Dit cognitieve model verklaart de overeenkomsten tussen angststoornissen en depressie.

Angststoornissen worden opgevolgd door depressie, deze conclusie wordt getrokken uit het feit dat angststoornissen zonder depressie vaak voorkomt, maar dat depressie zonder angststoornis maar weinig voorkomt.

Aangeleerde hulpeloosheid is ook een belangrijk thema binnen de angststoornissen. Het bekende voorbeeld is van de hond. De hond wordt herhaaldelijk blootgesteld aan een niet te vermijden stroomstoot, na een paar pogingen het te vermijden gaat de hond stil in een hoekje zitten. Wanneer hij dan de kans krijgt te ontsnappen, neemt hij deze kans niet. Dit is het principe van aangeleerde hulpeloosheid, mogelijk speelt dit ook een rol in de mate het gevoel controle te hebben. Dit gevoel kan pas ontstaan in het midden van de kindertijd, eerder kunnen kinderen het besef hier nog niet over hebben.

Gebrek aan controle is een van de risicofactoren voor een angststoornis. Wanneer iemand minder controle over een situatie heeft, verwacht hij er meer gevaar van. Als iemand over maar weinig dingen controle heeft, is hij over veel dingen angstig en is het waarschijnlijker een angststoornis te ontwikkelen. Vroege ervaringen met gebrek aan controle zorgen ervoor dat iemand dit gevoel vaker heeft. Tijdens de ontwikkeling worden gebeurtenissen opgeslagen in de hersenen, reacties op situaties uit het heden worden gemaakt op basis van deze herinneringen. Vroege herinneringen spelen hier een belangrijkere rol in dan herinneringen uit adolescentie/volwassenheid.

Bij gevoelens van angst en stress speelt vooral het glucocorticoïds hormoon, cortisol een grote rol. Bij veel en langdurige stress/angst kan het voorkomen dat er permanent teveel aan cortisol is, wat zorgt voor permanente angstgevoelens.

Locus of control

Het idee dat iemand geen controle over de situatie heeft zorgt voor meer stress dan de situatie zelf. De mate waarin iemand zelf het gevoel heeft controle te hebben over de situatie noem je de ´locus of control´. Verder is het inzicht van kinderen zelf belangrijk. Wat denken ze als er iets fout gaat? Sommigen denken als iets fout gaat meteen dat het hun eigen schuld is, dit heeft ook invloed op de locus of control. Kinderen die een doel zien als iets om van te leren, behalen hun doelen gemakkelijker en hebben een betere locus of control. Het zelfvertrouwen of de attributional style, is niet stabiel over tijd, maar kan veranderen. Zo is bijvoorbeeld gebleken dat de attributional style verandert wanneer de gevoelens van depressiviteit veranderen. Naast attributional style hebben ook negatieve levenservaringen invloed op de vorming van depressie.

Ontwikkeling van angststoornissen

Hoe de oorzaken van angst- en depressiestoornis precies invloed hebben op elkaar is niet bekent. Er wordt nu gedacht dat er een mediator effect is in de vroege kindertijd en een moderator effect in de late kindertijd tot adolescentie. Omgeving helpt om een cognitief plaatje te maken met oncontroleerbare ervaringen wat leidt tot cognitieve kwetsbaarheid (mediator effect). Later in de ontwikkeling, zorgt deze kwetsbaarheid ervoor dat het situaties aantrekt (moderator effect).

Ook de familie heeft invloed op de ontwikkeling van het kind. Zo zorgen de familiekarakteristieken voor bepaalde ontwikkeling van cognities en de ontwikkeling van angst(stoornissen). Er zijn 2 dimensies in ouderlijke opvoeding: sensitiviteit (sensitiviteit en consequentie) en controle (stimuleren van autonomie).

Familiekarakteristieken die invloed op een kind kunnen uitoefenen, zijn bijvoorbeeld de grote van het gezin. Wanneer een kind onverdeelde aandacht van zijn ouders krijgt, heeft het eerder het gevoel controle over de situatie te hebben. Ook de plaats van het kind in het gezin heeft invloed, wanneer het de oudste is heeft dit een positief effect op de locus of control. Naarmate het kind meer oudere brusjes heeft, heeft het minder gevoel van controle.

Naast de grote van het gezin speelt ook de responsiviteit van ouders een rol. Wanneer ouders responsief zijn zullen zij betere beloningen/straffen kunnen geven. Ook is het voor de ontwikkeling van het kind belangrijk dat het van zijn ouders de kans krijgt fouten te maken. De mate van controle en bescherming zijn daarom ook belangrijk. Dit soort familiekarakteristieken krijgen een plaats in de herinneringen waarvandaan de BIS werkt.

De hechtingstheorie van Bowlby krijgt ook een plaats binnen de belangrijke familiekarakteristieken. De cognitieve stijl wordt namelijk beïnvloed door de, al dan niet, veilige hechting. Belangrijk voor de goede hechting is een veilige en voorspelbare band met de verzorgers. Wanneer een kind gescheiden is van zijn verzorgers wordt het angstig en protesteert. Het kind en de verzorger zijn langdurig gescheiden en het kind wordt steeds angstiger, wanneer dit nog lang doorgaat reageert het kind minder responsief, trekt zich terug en uiteindelijk identificeert het zich met deze depressieve emoties.

Wanneer ouders overbezorgd zijn proberen ze het kind zo min mogelijk negatieve situaties mee te laten maken. Het heeft helaas het tegenovergestelde effect, wanneer ouders hun kind er tegen beschermen leren de kinderen niet met negatieve situaties om te gaan, hierdoor heeft een negatieve situatie meer invloed op het kind. Er treedt negatief effect op, wanneer beide dimensies van de ouderlijke opvoedingsstijl niet goed gecontroleerd worden. Vader en moeder hebben invloed op de ontwikkeling van angst/depressie bij hun kind. Hoewel er veel bewijzen zijn voor de invloed van ouderlijke opvoedingsstijl op de ontwikkeling van angst/depressie worden deze resultaten niet meegenomen in het maken van de cognitieve theorie.

Conclusies

Er kan dus geconcludeerd worden dat de omgeving een grote invloed heeft op de ontwikkeling van angst bij een kind. De lange termijn en precieze effecten op angststoornis zijn niet helemaal duidelijk. Niet alle risicofactoren zorgen per definitie voor een angststoornis. Er zijn namelijk ook nog beschermingsfactoren. Responsiviteit van ouders, intelligentie van het kind, sociaal cognitieve vaardigheden en zelfwaardering zijn hier een paar voorbeelden van. Ook blijkt het in een mindere mate aan een stresssituatie blootstellen een beschermingsfactor te zijn. Kinderen worden dan als het ware ‘immuun’ voor die stresssituatie. Uiteraard kan te veel van die stresssituatie juist weer angst opleveren. Alleen wanneer angst onverwacht en oncontroleerbaar komt dat het zorgt voor een beperking. Er zijn al een aantal dingen bekend over het ontwikkelen van een angststoornis of de kwetsbaarheid hiervoor. Deze staan in de bijlage weergegeven. Er zijn veel theorieën over de ontwikkeling van angststoornissen, maar er moet nog meer onderzoek gedaan worden om deze theorieën te bewijzen.

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.