HR 27 november 2009, LJN BH2162 - Arrest

HR 27 november 2009, LJN BH2162; JOR 2010/43 m.nt. K. Frielink   

Beroep in cassatie van Hof Amsterdam 3 mei 2007 en vervolg op Rb. Amsterdam 17 december 2003 

In cassatie komen hoofdzakelijk een achttal (A t/m H) onderwerpen aan de orde. De Hoge Raad overweegt met betrekking tot de volgende onderwerpen (onder meer) als volgt    :

A.        Ontvankelijkheid van de Stichting; cessie en lastgeving     

Het hof heeft geoordeeld dat de Stichting in haar vorderingen niet-ontvankelijk is. De Hoge Raad concludeert dat de niet-ontvankelijkverklaring van de Stichting in haar vorderingen jegens World Online (hierna: WOL) en de banken in stand blijft. Hierna zal daarom bij de verdere beoordeling van de middelen de Stichting niet langer worden vermeld.

B.        Collectieve actie als bedoeld in artikel 3:305a BW  

Het hof heeft geoordeeld dat VEB een volledig rechtsbevoegde vereniging is die blijkens haar statuten tot doel heeft de belangen van beleggers te behartigen, zodat zij, gelet op de door haar ingestelde rechtsvordering, in zoverre aan het door artikel 3:305a BW gestelde vereiste voldoet. Er is een voldoende gelijksoortig belang om VEB in een collectieve actie op de voet van artikel 3:305a BW te kunnen ontvangen. De collectieve actie van VEB strekt ertoe een verklaring voor recht te verkrijgen dat WOL en de banken onrechtmatig hebben gehandeld door in de periode rond de beursintroductie van WOL onjuiste en/of onvolledige informatie te geven of anderszins misleidend te handelen. Volgens de vaststelling van het hof komt VEB in deze procedure op voor de belangen van de beleggers die in de periode van 17 maart tot en met 3 april 2000 aandelen WOL hebben verworven.

Hoewel het antwoord op de vraag of en in hoeverre iedere belegger afzonderlijk daadwerkelijk door de gestelde onrechtmatige daad is misleid, mede afhankelijk is van de omstandigheden waarin die belegger ten tijde van zijn beleggingsbeslissing verkeerde, leent een vordering als de onderhavige zich bij uitstek voor bundeling van aanspraken van individuele beleggers in de vorm van een collectieve actie. Bij deze collectieve actie staat immers uitsluitend ter beoordeling of het gedrag van WOL en de banken bij de beursintroductie onrechtmatig is geweest. Bij de beantwoording van die vraag kan geabstraheerd worden van de bijzondere omstandigheden aan de zijde van de beleggers. Die omstandigheden zijn pas relevant bij vragen omtrent bijvoorbeeld schade(omvang), causaal verband en eigen schuld.        

Voor zover de onrechtmatigheid van de gedragingen van WOL en de banken gegrond wordt op het openbaar maken van misleidende mededelingen, gaat het dus niet om de vraag of en in hoeverre (bepaalde) beleggers daadwerkelijk zijn misleid, maar om de vraag of WOL en de banken zich vanwege het misleidende karakter van de mededelingen hadden moeten onthouden van het openbaar maken daarvan. Een andere opvatting zou toepassing van artikel 3:305a BW onaanvaardbaar beperken. 

C.        Algemene uitgangspunten voor prospectusaansprakelijkheid bij beursintroductie

Bij de beantwoording van de vraag of een prospectus misleidend is in de zin van artikel 6:194 (oud) BW, moet worden uitgegaan van de vermoedelijke verwachting van een gemiddeld geïnformeerde, omzichtige en oplettende gewone belegger tot wie de mededeling zich richt of die zij bereikt. Van deze ‘maatman-belegger’ mag verwacht worden dat hij bereid is zich in de aangeboden informatie te verdiepen, maar niet dat hij beschikt over specialistische of bijzondere kennis en ervaring. Van misleiding zal met name sprake kunnen zijn indien de mededeling onjuist of onvolledig is. De feitelijke vaststelling dat sprake is van een onjuiste of onvolledige mededeling brengt echter nog niet mee dat deze ook misleidend is. Daartoe is nodig dat de mededeling de beleggers ‘misleidt of kan misleiden en door haar misleidende karakter hun economische gedrag kan beïnvloeden’. Voor de kwalificatie van de mededeling als misleidend en derhalve als onrechtmatig, is niet vereist dat de belegger daadwerkelijk heeft kennisgenomen van of daadwerkelijk is beïnvloed door de mededeling, maar slechts dat de onjuistheid of onvolledigheid van de mededeling van voldoende materieel belang is om de ‘maatman-belegger’ te kunnen misleiden.      

E.        Aansprakelijkheid van WOL voor mededelingen buiten het prospectus    

De artikel 6:194 e.v. (oud) BW hebben ook betrekking op (schriftelijke of mondelinge) mededelingen van de uitgevende instelling die buiten het prospectus, maar wel in verband met het aanbieden van de effecten zijn gedaan. Voor al deze mededelingen geldt evenzeer als voor het prospectus dat zij ingevolge artikel 6:194 (oud) BW niet misleidend mogen zijn voor de ‘maatman-belegger’. Indien bij het publiek waarop het prospectus zich richt, hoewel de daarin opgenomen informatie juist en volledig is, desondanks een onjuist beeld dan wel verwarring of onduidelijkheid heerst omtrent een onderwerp dat voor de beleggingsbeslissing van belang is, rust op de uitgevende instelling in beginsel niet de verplichting om zulks te corrigeren. Deze regel lijdt evenwel uitzondering indien het onjuiste beeld, dan wel de verwarring of onduidelijkheid, een voor potentiële beleggers relevante kwestie betreft en in het leven is geroepen door mededelingen van of namens de uitgevende instelling zelf of die aan haar kunnen worden toegerekend.

F.         Aansprakelijkheid van de banken voor mededelingen buiten het prospectus       

In verband met de door WOL gedane, dan wel aan haar toerekenbare, uitlatingen buiten het prospectus, heeft het hof geoordeeld dat niet alleen door WOL onrechtmatig is gehandeld maar ook door de banken. Met betrekking tot uitlatingen die door of namens de uitgevende instelling, dan wel aan haar toerekenbaar, buiten het prospectus zijn gedaan, kan een eventuele aansprakelijkheid van een bank die de emissie begeleidt slechts gegrond worden op onrechtmatige daad en niet op artikel 6:194 e.v. (oud) BW, nu de begeleidende bank die uitlatingen niet zelf heeft gedaan.          

Voor de invulling van de bijzondere zorgplicht van de bank bij een emissie zal in beginsel – op dezelfde voet als bij de verplichtingen van de bank met betrekking tot de inhoud van het prospectus – uitgegaan moeten worden van de ‘maatman-belegger’. 

H.        Aansprakelijkheid van de banken voor koersmanipulatie? 

VEB heeft haar vordering jegens de banken mede gegrond op de stelling dat ABN AMRO onrechtmatig heeft gehandeld doordat zij zich op 17 maart 2000 (de dag van de beursintroductie van WOL) in strijd met artikel 32 NR 1999 op grote schaal aandelen WOL heeft gekocht waardoor een misleidende openingskoers van € 50,20 werd gecreëerd, terwijl Goldman Sachs onrechtmatig heeft gehandeld door nadien een schikking met ABN AMRO te treffen en een deel van de transacties van ABN AMRO voor rekening en risico van het syndicaat te laten komen en aldus mee te werken aan de misleidende openingskoers. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat grief 15 in het hoger beroep van VEB tegen de banken (aankoop door ABN AMRO op 17 maart 2000 van een groot aantal aandelen WOL tegen een openingskoers van € 50,20 was misleidend en derhalve onrechtmatig) gegrond is. De op het voorgaande gerichte verklaring voor recht kan derhalve toegewezen worden.            

Page access
Public
Arresten en jurisprudentie: uittreksels en studiehulp - WorldSupporter Start
This content is related to:
Arresten en jurisprudentie: uittreksels en studiehulp - WorldSupporter Start
Join World Supporter
Join World Supporter
Follow the author: Law Supporter
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.