Nimox/Van den End q.q. - Arrest

Nimox/Van den End q.q. (HR 08-11-1991, NJ 1992, 174)

Kern

Een faillissementscurator is bevoegd voor de belangen van de schuldeisers op te komen bij benadeling van die schuldeisers en kan ook een actie ex artikel 6:162 instellen tegen een derde die bij die benadeling betrokken is geweest. Hierop bestaat geen uitzondering indien slechts de crediteuren worden benadeeld wier vorderingen na de handeling van de derde zijn ontstaan. De curator heeft dan dus geen bijzondere volmacht nodig van die crediteuren. Indien een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders niet is aangetast op grond van art. 2:11 BW, volgt hieruit niet dat uitvoering van het besluit of het door uitoefening van het stemrecht bewerkstelligen van het besluit tegenover derden zoals schuldeisers niet onrechtmatig kan zijn.

De in de Faillissementswet met betrekking tot de verificatie getroffen voorzieningen staat niet in de weg aan een buiten die voorzieningen om gevoerd geding tussen de curator en een derde die een vordering op de gefailleerde pretendeert, waarbij inzet van het geding is of de vordering geverifieerd kan worden.

Casus

Nimox was enig aandeelhouder van Auditrade BV. Op 20 december 1983 besloot Nimox als enig aandeelhouder op de algemene vergadering van aandeelhouders van Auditrade zichzelf een dividend toe te kennen van ƒ 1.124.000,-. Een dag later verkocht Nimox 49% van de aandelen aan de directeur van Auditrade en 2% aan een derde. Op dezelfde dag verklaarden Nimox en Auditrade de dividendvordering om te zetten in een geldlening, onder o.a.de voorwaarde dat Nomix de tweede fiduciaire eigendom zou krijgen op de voorraden en debiteuren van Auditrade. Juni 1984 verkocht Nimox de vordering voor ƒ1.500.000,- aan NMB-Heller en stelde daarvoor een bankgarantie. NMB-Heller had de eerste fiduciaire eigendom van de voorraden en debiteuren van Auditrade. Op 7 augustus 1984 ging Auditrade failliet. De curator startte een actie uit onrechtmatige daad tegen Nimox.

Rechtbank en hof

De rechtbank wees de vordering van de curator toe op de volgende gronden. Nimox had onrechtmatig gehandeld jegens de schuldeisers door te stemmen voor het dividendbesluit, aangezien dit een ernstige aantasting van het eigen vermogen van Auditrade betekende; dit terwijl Auditrade op het punt stond zich te storten op een risicovol project (welk project zou mislukken waarna Auditrades faillissement volgde).

Nimox had zich de belangen van de overige schuldeisers onvoldoende aangetrokken; zij had het risico voor het mislukken van het project op zich moeten nemen en haar eigen vordering achter moeten stellen bij die van de andere schuldeisers. De schade bestaat hieruit, dat Nimox een concurrente in plaats van een achtergestelde vordering heeft. Die schade wordt goed gemaakt door de vordering van Nimox niet te verifiëren in het faillissement. De overdracht aan NMB-Heller was ook onrechtmatig, aangezien het NMB-Heller ingevolge art. 54 Faillissementswet niet vrijstond de van Nimox overgenomen vordering op Auditrade te verhalen op de haar door Auditrade verstrekte zekerheden indien NMB-Heller wist dat het faillissement van Auditrade te verwachten was. De meest passende vorm van schadevergoeding aan de schuldeisers is betaling van een bedrag door Nimox gelijk aan het bedrag dat NMB-Heller tot verhaal van de door haar van Nimox gekochte vordering ten laste van de zekerheden heeft gebracht.

Het Hof bekrachtigde dit vonnis en Nimox ging in cassatie.

Hoge Raad

Nimox had in een cassatiemiddel betoogd dat alle crediteuren van voor de gewraakte handeling van 20 december 1983 voor faillissementsdatum betaald waren en dat, nu de vordering van de curator slechts strekte tot vergoeding van de schade van crediteuren wiens vordering na 20 december 1983 waren ontstaan, de curator niet bevoegd zou zijn namens laatstgenoemde crediteuren een vordering in te stellen zonder volmacht van die crediteuren. Met die opvatting is de Hoge Raad het niet eens: een faillissementscurator is ook bevoegd voor de belangen van de schuldeisers op te komen en een actie ex art. 6:162 instellen tegen een derde die bij die benadeling betrokken is geweest. Er is geen grond hierop een uitzondering te maken voor het geval dat de vorderingen, die ten tijde van de benadelingsdatum reeds bestonden, voor het faillissement zijn voldaan, zodat benadeling alleen de schuldeisers raakt, wier vorderingen pas na die handeling zijn ontstaan.

Nimox betoogde eveneens dat het besluit tot dividenduitkering niet is aangevochten ex art. 2:11 en dus rechtsgeldig is en daarom niet onrechtmatig kan zijn. Ook deze opvatting wordt door de Hoge Raad verworpen: ook indien het besluit geldig is omdat het niet is aangevochten ex art. 2:11, volgt hieruit niet dat de uitvoering van het besluit tegenover derden (zoals schuldeisers) niet onrechtmatig kan zijn, noch dat het door uitoefening van het stemrecht bewerkstelligen van het besluit tegenover derden niet onrechtmatig kan zijn.

Ook de meer algemene stelling van Nimox dat het stemmen in de algemene vergadering van aandeelhouders een handeling van de vennootschap is en dus niet als een handeling van een aandeelhouder moet worden beschouwd is onjuist.

Volgens Nimox had het Hof eveneens moeten onderzoeken of de handeling van Nimox als onrechtmatige daad van Auditrade was aan te merken. Volgens de Hoge Raad doet dit er niet toe: het gewraakte besluit was geen puur "intern-vennootschappelijke rechtshandeling", maar tevens een "externe rechtshandeling", hetgeen een onrechtmatige daad kan opleveren. Indien het besluit geen aan Auditrade toe te rekenen onrechtmatige daad zou zijn, sluit dat niet uit dat het tot stand brengen van het besluit door de enige aandeelhouder onrechtmatig was jegens de schuldeisers van Auditrade.

Met betrekking tot de klacht dat de rechtbank en het Hof buiten de regeling van de Faillissementswet om hadden bepaald, dat de vordering niet voor verificatie in aanmerking kwam, overweegt de Hoge Raad, dat de in de Faillissementswet met betrekking tot de verificatie getroffen voorzieningen strekken tot een doelmatige afwikkeling van geschillen omtrent bestaan, omvang en eventuele preferentie van vorderingen op de gefailleerde. Met die strekking is niet onverenigbaar dat in een buiten de in die wet geregelde procesgang gevoerd geding tussen de curator en een derde wordt beoordeeld of de vordering van die derde van dien aard is dat zij niet geverifieerd behoort te worden. Volgt verwerping van het beroep.
 

 

Nimox/Van den End q.q. (HR 08-11-1991, NJ 1992, 174)

Kern

Een faillissementscurator is bevoegd voor de belangen van de schuldeisers op te komen bij benadeling van die schuldeisers en kan ook een actie ex artikel 6:162 instellen tegen een derde die bij die benadeling betrokken is geweest. Hierop bestaat geen uitzondering indien slechts de crediteuren worden benadeeld wier vorderingen na de handeling van de derde zijn ontstaan. De curator heeft dan dus geen bijzondere volmacht nodig van die crediteuren. Indien een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders niet is aangetast op grond van art. 2:11 BW, volgt hieruit niet dat uitvoering van het besluit of het door uitoefening van het stemrecht bewerkstelligen van het besluit tegenover derden zoals schuldeisers niet onrechtmatig kan zijn.

De in de Faillissementswet met betrekking tot de verificatie getroffen voorzieningen staat niet in de weg aan een buiten die voorzieningen om gevoerd geding tussen de curator en een derde die een vordering op de gefailleerde pretendeert, waarbij inzet van het geding is of de vordering geverifieerd kan worden.

Casus

Nimox was enig aandeelhouder van Auditrade BV. Op 20 december 1983 besloot Nimox als enig aandeelhouder op de algemene vergadering van aandeelhouders van Auditrade zichzelf een dividend toe te kennen van ƒ 1.124.000,-. Een dag later verkocht Nimox 49% van de aandelen aan de directeur van Auditrade en 2% aan een derde. Op dezelfde dag verklaarden Nimox en Auditrade de dividendvordering om te zetten in een geldlening, onder o.a.de voorwaarde dat Nomix de tweede fiduciaire eigendom zou krijgen op de voorraden en debiteuren van Auditrade. Juni 1984 verkocht Nimox de vordering voor ƒ1.500.000,- aan NMB-Heller en stelde daarvoor een bankgarantie. NMB-Heller had de eerste fiduciaire eigendom van de voorraden en debiteuren van Auditrade. Op 7 augustus 1984 ging Auditrade failliet. De curator startte een actie uit onrechtmatige daad tegen Nimox.

Rechtbank en hof

De rechtbank wees de vordering van de curator toe op de volgende gronden. Nimox had onrechtmatig gehandeld jegens de schuldeisers door te stemmen voor het dividendbesluit, aangezien dit een ernstige aantasting van het eigen vermogen van Auditrade betekende; dit terwijl Auditrade op het punt stond zich te storten op een risicovol project (welk project zou mislukken waarna Auditrades faillissement volgde).

Nimox had zich de belangen van de overige schuldeisers onvoldoende aangetrokken; zij had het risico voor het mislukken van het project op zich moeten nemen en haar eigen vordering achter moeten stellen bij die van de andere schuldeisers. De schade bestaat hieruit, dat Nimox een concurrente in plaats van een achtergestelde vordering heeft. Die schade wordt goed gemaakt door de vordering van Nimox niet te verifiëren in het faillissement. De overdracht aan NMB-Heller was ook onrechtmatig, aangezien het NMB-Heller ingevolge art. 54 Faillissementswet niet vrijstond de van Nimox overgenomen vordering op Auditrade te verhalen op de haar door Auditrade verstrekte zekerheden indien NMB-Heller wist dat het faillissement van Auditrade te verwachten was. De meest passende vorm van schadevergoeding aan de schuldeisers is betaling van een bedrag door Nimox gelijk aan het bedrag dat NMB-Heller tot verhaal van de door haar van Nimox gekochte vordering ten laste van de zekerheden heeft gebracht.

Het Hof bekrachtigde dit vonnis en Nimox ging in cassatie.

Hoge Raad

Nimox had in een cassatiemiddel betoogd dat alle crediteuren van voor de gewraakte handeling van 20 december 1983 voor faillissementsdatum betaald waren en dat, nu de vordering van de curator slechts strekte tot vergoeding van de schade van crediteuren wiens vordering na 20 december 1983 waren ontstaan, de curator niet bevoegd zou zijn namens laatstgenoemde crediteuren een vordering in te stellen zonder volmacht van die crediteuren. Met die opvatting is de Hoge Raad het niet eens: een faillissementscurator is ook bevoegd voor de belangen van de schuldeisers op te komen en een actie ex art. 6:162 instellen tegen een derde die bij die benadeling betrokken is geweest. Er is geen grond hierop een uitzondering te maken voor het geval dat de vorderingen, die ten tijde van de benadelingsdatum reeds bestonden, voor het faillissement zijn voldaan, zodat benadeling alleen de schuldeisers raakt, wier vorderingen pas na die handeling zijn ontstaan.

Nimox betoogde eveneens dat het besluit tot dividenduitkering niet is aangevochten ex art. 2:11 en dus rechtsgeldig is en daarom niet onrechtmatig kan zijn. Ook deze opvatting wordt door de Hoge Raad verworpen: ook indien het besluit geldig is omdat het niet is aangevochten ex art. 2:11, volgt hieruit niet dat de uitvoering van het besluit tegenover derden (zoals schuldeisers) niet onrechtmatig kan zijn, noch dat het door uitoefening van het stemrecht bewerkstelligen van het besluit tegenover derden niet onrechtmatig kan zijn.

Ook de meer algemene stelling van Nimox dat het stemmen in de algemene vergadering van aandeelhouders een handeling van de vennootschap is en dus niet als een handeling van een aandeelhouder moet worden beschouwd is onjuist.

Volgens Nimox had het Hof eveneens moeten onderzoeken of de handeling van Nimox als onrechtmatige daad van Auditrade was aan te merken. Volgens de Hoge Raad doet dit er niet toe: het gewraakte besluit was geen puur "intern-vennootschappelijke rechtshandeling", maar tevens een "externe rechtshandeling", hetgeen een onrechtmatige daad kan opleveren. Indien het besluit geen aan Auditrade toe te rekenen onrechtmatige daad zou zijn, sluit dat niet uit dat het tot stand brengen van het besluit door de enige aandeelhouder onrechtmatig was jegens de schuldeisers van Auditrade.

Met betrekking tot de klacht dat de rechtbank en het Hof buiten de regeling van de Faillissementswet om hadden bepaald, dat de vordering niet voor verificatie in aanmerking kwam, overweegt de Hoge Raad, dat de in de Faillissementswet met betrekking tot de verificatie getroffen voorzieningen strekken tot een doelmatige afwikkeling van geschillen omtrent bestaan, omvang en eventuele preferentie van vorderingen op de gefailleerde. Met die strekking is niet onverenigbaar dat in een buiten de in die wet geregelde procesgang gevoerd geding tussen de curator en een derde wordt beoordeeld of de vordering van die derde van dien aard is dat zij niet geverifieerd behoort te worden. Volgt verwerping van het beroep.
 

 

Check page access:
Public
This content is related to:
Arresten en jurisprudentie: uittreksels en studiehulp - WorldSupporter Start
Check more or recent content:

Insolventierecht & Faillissement: Uitgelichte arrestsamenvattingen - Bundel

ABN AMRO/Berzona - Arrest

ABN AMRO/Berzona - Arrest

ABN Amro/Berzona (HR 07-07-2014, ECLI:NL:2014:1681, NJ 2014, 407)

Casus

In deze procedure verzoekt de bank om Berzona in staat van faillissement te verklaren. Aan haar verzoek heeft de Bank ten grondslag gelegd dat zij opeisbare vorderingen op Berzona heeft tot een bedrag van in totaal ruim € 11,8 miljoen, met de voldoening waarvan Berzona in gebreke is, en dat Berzona ook andere schuldeisers onbetaald laat. Als steunvorderingen heeft de Bank zich mede beroepen op de vorderingen van de huurders van door Berzona verhuurde flats om het huurgenot daarvan te verschaffen en om onderhoud aan die flats te verrichten. Berzona betwist dat de Bank een opeisbare vordering op haar heeft. Ook heeft zij de door de Bank gestelde steunvorderingen betwist. Zij heeft aangevoerd dat de vorderingen tot het verschaffen van huurgenot en tot het eventueel verrichten van onderhoud, niet als steunvorderingen kunnen dienen.

De rechtbank heeft het verzoek afgewezen op de grond dat niet of onvoldoende is gebleken van steunvorderingen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Ook het hof heeft geoordeeld dat niet of onvoldoende is gebleken van steunvorderingen. Daartoe heeft het hof onder meer overwogen dat de verplichting huurgenot te verschaffen of eventuele toekomstige onderhoudsverplichtingen betreffende onroerende zaken die eigendom van Berzona zijn, niet zijn aan te merken als steunvorderingen, en dat niet is gesteld of gebleken dat Berzona ter zake van haar verplichtingen als verhuurster in gebreke is.

Het middel bestrijdt alleen het oordeel van het hof dat de vorderingen van de huurders van Berzona tot het verschaffen van huurgenot en tot het verrichten van onderhoud, niet kunnen gelden als een steunvordering bij een faillissementsaanvraag.

Hoge Raad

Wat betreft de door de bank ingeroepen vordering van de huurders van Berzona tot het verschaffen van huurgenot moet, uitgangspunt zijn dat die huurders ten tijde van de faillissementsaanvraag van de Bank in het genot waren van het gehuurde.

De Hoge Raad geeft aan dat faillissement geen invloed heeft op bestaande wederkerige overeenkomsten. Het leidt dan ook niet tot wijziging van de daaruit voortvloeiende verbintenissen. De Hoge Raad geeft ook aan dat het uitspreken van het faillissement niet tot gevolg heeft dat de curator ook (‘actief’) een bevoegdheid of vordering toekomt die de wet of de overeenkomst niet toekent, zoals tot ontruiming of opeising van het gehuurde als de huurovereenkomst nog loopt. Dit zou namelijk in strijd komen met het beginsel dat het faillissement geen invloed heeft op bestaande wederkerige overeenkomsten.

Voorts haalt de Hoge Raad het Nebula arrest aan. Dat arrest heeft alleen betrekking op de vraag of de curator gebonden is aan een huurovereenkomst die na het faillissement van de juridische eigenaar van de verhuurde zaak is aangegaan door de economisch eigenaar daarvan op grond van een hem daartoe door de juridische eigenaar verleende contractuele bevoegdheid. Die vraag is in dat arrest ontkennend beantwoord. Het Nebula-arrest beperkt zich tot niet-gebondenheid curator van juridisch eigenaar aan na faillissement aangegane huurverplichting door economisch eigenaar.

De conclusie is dat, ingeval de huurder ten tijde van de faillissementsaanvraag in

.....read more
Access: 
Public
ABN Amro/Marell - Arrest

ABN Amro/Marell - Arrest

ABN Amro/Marell (HR 18-12-2015, ECLI:NL:HR:2015:3619)

Onderwerp

De bevoegdheid van een pandhouder tot uitwinning van zekerheden die verbonden zijn aan de vordering van de pandgever op derden. Uitleg van het verbod op herverpanding.

Relevante wetsartikelen

Artikel 3:342 BW.

Casus

Marell-oud heeft alle vorderingen op haar debiteuren verpand aan Pegas op 4 juli 2012. Pegas had op 7 maart 2012 haar huidige en toekomstige vorderingen verpand aan ABN Amro. Pegas is op 9 juli 2013 failliet verklaard.

Hoge Raad

Door de verpanding van de vordering van Pegas op Marell-oud aan ABN Amro, is laatstgenoemde bevoegd geworden om die vordering na medededeling aan Marell-oud te innen. De vordering van Pegas op Marell-oud was ook verzekerd door een pandrecht op vorderingen van Marell-oud op derden. De bevoegdheid van ABN Amro om de vordering van Pegas op Marell-oud te innen omvat ook de bevoegdheid om de aan die vordering verbonden zekerheidsrechten uit te winnen. ABN Amro is derhalve inningsbevoegd ten aanzien van de vorderingen van Marell-oud op derden.

Het verbod van herpanding heeft betrekking op een andere situatie dan hier aan de orde, namelijk die waarbij de pandhouder ter zake van het goed dat hij in pand heeft een beschikkingshandeling verrricht, bestaande in het verpanden van dat goed aan een derde.

 

Access: 
Public
Aerts q.q./ABN AMRO - Arrest

Aerts q.q./ABN AMRO - Arrest

Aerts q.q./ABN AMRO (HR 26-06-1998, NJ 1998, 745)

Wanneer het voorrecht van de fiscus rust op stil verpande zaken en de fiscus op grond van art. 21 Invorderingswet dit pandrecht dus niet hoeft te eerbiedigen, mag hij deze zaken niet uitwinnen, wanneer hij op de overige goederen van de schuldenaar kan uitwinnen. De pandhouder kan deze goederen aan de fiscus aanwijzen. Dus wanneer een beslag is gelegd op zowel goederen waar geen pandrecht op rust als op goederen waar wel een pandrecht op rust, moet er zoveel mogelijk worden voldaan uit de niet belaste goederen. Ook de curator dient deze regel in acht te nemen.

De Hoge Raad heeft bepaald dat belastingschulden rechtstreeks uit de wet voortvloeien. Het voorrecht is dan ook vanaf de aanvang aan de belastingschuld verbonden. Het voorrecht kan ook worden ingeroepen wanneer de aanslag wordt opgelegd nadat de bodemgoederen zijn verkocht en dus alleen nog de verdeling aan de orde is.

 

Access: 
Public
Aukema q.q./Uni-Invest - Arrest

Aukema q.q./Uni-Invest - Arrest

Aukema q.q./Uni-Invest (HR 14-01-2011, LJN BO3534, NJ 2011/114)

In het onderhavige geval heeft de curator de huurovereenkomst op de grond van artikel 39 Fw beëindigd door opzegging. Aan een dergelijke wijze van beëindiging is voor de verhuurder het voordeel verbonden dat de huurschuld vanaf de faillissementsdatum boedelschuld is. De opzegging op de grond van artikel 39 Fw is een regelmatige wijze van beëindiging van de huurovereenkomst, die niet tot schadevergoeding verplicht en niet kan worden doorbroken door het bedingen van een recht op schadevergoeding ter zake van de huur die verschuldigd zou zijn geworden indien de huurovereenkomst niet tussentijds op de voet van artikel 39 Fw zou zijn beëindigd.           
             
Wat schadevergoedingsbedingen betreft, dient dus onderscheid gemaakt te worden tussen enerzijds de gevallen van opzegging op de voet van artikel 39 Fw waarin de wettelijke regeling een beding tot het vooraf bepalen van de schadevergoeding in geval van opzegging bij faillissement niet toelaat en anderzijds gevallen waarin de wettelijke regeling (ook artikel 39 Fw) zich niet verzet tegen een contractuele regeling betreffende de vergoeding van schade bij tussentijdse ontbinding. Bij dit laatste gaat het om gevallen waarin krachtens wettelijke of contractuele regels tussentijdse ontbinding van de huurovereenkomst mogelijk is en waarin de vordering op grond van het schadevergoedingsbeding overeenkomstig artikel 37a Fw voor verificatie in aanmerking komt.

 

Access: 
Public
BabyXL - Arrest

BabyXL - Arrest

BabyXL (HR 13-05-2005 NJ 2005, 406)

Casus

In de zaak BabyXL is sprake van een huurovereenkomst. Zodra de huurder gesurseëerd wordt, ontbindt verhuurder de huurovereenkomst met onmiddellijke ingang. De verhuurder doet dit op grond van een bepaling in de overeenkomst die uitmaakt dat hij hierop recht heeft indien o.a. de huurder surseance aanvraagt. De huurder stelt dat een dergelijke bevoegdheid in strijd is met de wet en wel met artikel 238 Fw. In faillissement is wel een bevoegdheid tot onmiddellijke beëindiging gegeven (art. 39 Fw) aan de verhuurder, maar bij surseance uitdrukkelijk niet, mede in het licht van de verschillende doelen van beide rechtsfiguren. Het doel van surseance is immers niet vereffening.

Rechtsvraag

In het geding gaat het om de vraag of een dergelijke bepaling, op grond waarvan de verhuurder de huur kan beëindigen in geval van surseance, in strijd is met het systeem van de wet.

Hoge Raad

Het beroep van huurder slaagt niet. Het beding is niet in strijd met het systeem van de wet  en hiervoor geeft de HR de volgende argumenten:

  • Zowel algemeen faillissement als surseance zijn op zichzelf niet van invloed op bestaande wederkerige overeenkomsten van de schuldenaar (de huurder) Dit maakt de huurovereenkomst en dus het beding geldig. Het staat verhuurder dus vrij een dergelijk beding op te nemen en in te roepen, ook al biedt de faillissementswet andere mogelijkheden.

De HR merkt tot slot nog op dat een dergelijk beding kan worden tegengegaan door een beroep te doen op art. 6:248 lid 2 BW. Met name indien doorbetaling van de huur tijdens de surseance verzekerd lijkt te zijn. Hiermee opent de HR de deur naar de redelijk en billijkheid in dergelijke gevallen.

 

Access: 
Public
Blue Tomato - Arrest

Blue Tomato - Arrest

Blue Tomato (HR 30-11-2007, NJ 2008, 91)

Casus

Dit geschil betreft de verhaalsvordering van de curator op de voet van artikel 2:248 BW tegen eiser als enig bestuurder van de gefailleerde besloten vennootschap Blue Tomato. Bij de toewijzing van deze vordering zijn rechtbank en hof ervan uitgegaan dat de jaarrekeningen van deze vennootschap niet tijdig waren gepubliceerd, zodat als onweerlegbaar vermoeden heeft te gelden dat de taakvervulling door eiser als bestuurder over de gehele linie onbehoorlijk is geweest. In cassatie wordt andermaal aan de orde gesteld of deze onbehoorlijke taakvervulling ook een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, zoals ingevolge artikel 2:248 lid 2 BW wordt vermoed. Eiser heeft betoogd dat niet zijn onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder maar de brand en de daarop gevolgde weigering van brandverzekeraar UAP de schade te vergoeden de oorzaak van het faillissement zijn geweest. Het hof heeft dit verweer verworpen op grond van zijn oordeel dat eiser als bestuurder van Blue Tomato BV erin heeft berust dat UAP dekking heeft geweigerd en dat hij daarmee niet heeft gezorgd voor een adequate verzekering, hetgeen hem als bestuurder als een nalaten dient te worden toegerekend, zodat het feit dat UAP geen uitkering heeft gedaan niet als een van buiten komende oorzaak voor het faillissement kan worden beschouwd.

Hoge Raad

Een redelijke uitleg van artikel 2:248 lid 2 BW brengt mee dat voor het ontzenuwen van het daarin neergelegde vermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak, zoals in dit geval de weigering van de brandverzekeraar de schade van het bedrijf als gevolg van brand te vergoeden, en wordt de bestuurder door de curator verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder (tevens) feiten en omstandigheden moeten stellen en zonodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van het eerste lid van artikel 2:248 BW aannemelijk te maken dat nochtans de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.

Het hof is niet ingegaan op de feiten en omstandigheden die eiser heeft gesteld ten betoge dat zijn nalaten om voor een adequate brandverzekering te zorgen geen onbehoorlijke vervulling van zijn taak als bestuurder van Blue Tomato BV oplevert.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing.

Access: 
Public
Bodam Jachtservice - Arrest

Bodam Jachtservice - Arrest

Bodam Jachtservice (HR 28-06-1996, NJ 1997, 58)

Casus

Bodam Jachtservice BV gaat failliet, en niet alle schuldeisers kunnen voldaan worden. Vaststaat dat het bestuur van de BV niet aan haar boekhoud- en publicatieverplichtingen heeft voldaan (art. 10 resp. 394).

Daarmee staat op grond van art. 2:248 lid 2 tevens vast dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Bestuurder Br. stond weliswaar de laatste twee jaar in het Handelsregister als bestuurder ingeschreven, maar de AVA heeft hem reeds na enkele weken eervol ontslag gegeven. Hij is toen tot commissaris benoemd, speciaal belast met toezicht op de financiële administratie. Een zekere B. is gedelegeerd commissaris, dat wil zeggen: een commissaris die de RvC mag vertegenwoordigen. De curator spreekt beiden ex art. 2:259 aan voor de voldoening van de schulden van de BV, voor zover die niet uit de baten van de boedel voldaan kunnen worden.

Relevante artikelen

Artikelen 2:248 en 2:259 BW.

Hoge Raad

Commissarissen zijn niet zelf gehouden zijn de in artikel 2:248 lid 2 BW bedoelde verplichtingen tot boekhouden en openbaar maken van de jaarrekening na te leven, ook niet als het bestuur in de nakoming daarvan tekortschiet. Het is wel hun taak op de nakoming door het bestuur van die verplichtingen toezicht te houden. Daartoe zullen zij zich door het bestuur moeten laten inlichten en het bestuur met betrekking tot de nakoming van deze verplichtingen moeten adviseren, en zo nodig moeten ingrijpen, bijvoorbeeld door een bestuurder te schorsen of zijn ontslag te bevorderen.

Weliswaar is het aan de curator om te stellen en te bewijzen dat een commissaris zijn toezichthoudende taak onbehoorlijk heeft vervuld, maar indien het bestuur niet aan zijn verplichtingen tot boekhouden en openbaar maken van de jaarrekening heeft voldaan, mag van de commissaris worden verlangd dat hij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de stellingen van de curator, teneinde deze aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. 

 

Access: 
Public
Bosselaar/Interniber - Arrest

Bosselaar/Interniber - Arrest

Bosselaar / Interniber (HR 22-05-1992, NJ 1992/526)

Casus

Verweerster in cassatie Interniber handelt in caravans; op 12 nov. 1984 heeft zij Montana Caravan BV opgericht welke BV ten doel had caravans te bouwen; Interniber was enig aandeelhouder van Montana en ook enig afnemer van de door Montana gebouwde caravans. Montana heeft een krediet bij de Rabobank te Scheveningen gekregen ad f 200 000, voor welk bedrag Interniber zich borg had gesteld. De produktie door Montana verliep echter veel minder voorspoedig dan was "geprognotiseerd"; er ontstonden hoge schulden en op 6 nov. 1985 is Montana op eigen aanvraag failliet verklaard. In de periode van 40 dagen voorafgaand aan het faillissement heeft Montana 16 stacaravans aan Interniber geleverd voor een bedrag van f 214 640,60. Interniber heeft de koopsom voldaan door storting op de rekening van Montana bij de Rabobank, welke rekening kort daarvoor nog een negatief saldo van f 214.753,21 had aangewezen.

De curator in het faillissement van Montana, heeft de nietigheid van deze levering ingeroepen en van Interniber gevorderd een bedrag gelijk aan genoemde koopprijs, stellend dat de leveranties handelingen waren als bedoeld in art. 42 en 43 (oud) Fw; dat met de betaling van de caravans niet alleen de schuld van Montana aan de bank bijna geheel was afgelost, maar dat daarmee tevens de verplichting uit borgtocht die Interniber jegens de bank had voor de schuld van Montana, voor het bedrag van de betaalde koopprijs was verminderd; en dat aldus Interniber zich heeft bevoordeeld ten nadele van de andere schuldeisers van Montana. Interniber heeft, voor zover thans van belang, aangevoerd dat het beroep op de Pauliana niet kon slagen omdat aan twee van de vereisten voor die actie niet was voldaan: in de eerste plaats zou de levering niet onverplicht zijn geweest, en voorts zou er geen sprake zijn van benadeling van de crediteuren, omdat door de betaling van de koopprijs de vordering van de bank - een van de schuldeisers - dienovereenkomstig is verminderd.

Hoge Raad

Van benadeling in de zin van art. 42 Fw is sprake wanneer de schuldeisers zijn benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden. Daarvan kan ook sprake zijn wanneer voor geleverde zaken een redelijke prijs is betaald, zodat het vermogen van de nadien gefailleerde per saldo niet is verminderd. Dit geval doet zich hier voor. Het vermogen van gefailleerde is per saldo niet verminderd, dit neemt echter niet weg dat zonder de door de curator gewraakte transactie de opbrengst van de geleverde zaken beschikbaar zou zijn geweest voor de gezamenlijke schuldeisers. Een en ander geldt zowel naar het huidige recht als onder art. 42 in verbinding met het voor de inwerkingtreding van de wet van 6 mei 1986, Stb. 275 geldende art. 43 Fw.

 

Access: 
Public
Coral/Stalt - Arrest

Coral/Stalt - Arrest

Coral/Stalt (HR 12-06-1998/ NJ 1998, 727)

Casus

Coral spreekt moedermaatschappij Stalt aan uit onrechtmatige daad voor de schade die zij stelt te hebben geleden omdat dochtervennootschap Forsythe haar verplichtingen uit overeenkomst jegens haar (Coral) niet kon nakomen nadat Forsythe al haar bedrijfsactiviteiten had beëindigd en in dat kader haar aandelenpakket in een van de groepsmaatschappijen aan Stalt had overgedaan. Coral heeft onder meer aan haar vordering ten grondslag gelegd dat

  1. de opbrengst van door Forsythe overgedragen aandelen niet (uitsluitend) had mogen worden aangewend ter voldoening van een intercompany-vordering;

  2. Forsythe Coral als crediteur bewust, en op basis van subjectieve criteria, bij andere crediteuren ten achter heeft gesteld;

  3. Stalt zich intensief heeft bemoeid met de gang van zaken bij Forsythe en de hand heeft gehad in de beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van Forsythe;

  4. Stalt heeft bewerkstelligd, althans heeft toegestaan, dat met uitzondering van Coral alle handelscrediteuren van Forsythe volledig zijn voldaan;

  5. de activa van Forsythe, die overbleven nadat die handelscrediteuren waren voldaan, zijn aangewend om vorderingen van zustermaatschappijen zoveel mogelijk te voldoen en

  6. de directie van Forsythe bij het voldoen van die handelscrediteuren en zustermaatschappijen wist, althans behoorde te weten, dat niets zou resteren voor betaling van Corals vorderingen.

Hoge Raad

Komt de juistheid van de met a) tot en met f) aangeduide stellingen van Coral vast te staan, dan kan dit slechts tot de slotsom leiden dat Forsythe door het achterstellen van de vordering van Coral onrechtmatig jegens Coral heeft gehandeld, en dat Stalt op haar beurt onrechtmatig jegens Coral heeft gehandeld door de handelwijze van Forsythe in de hand te werken of toe te staan.

Met betrekking tot een vennootschap die, zoals Forsythe, tot een groep van vennootschappen behoort, kan niet de regel worden aanvaard dat deze vennootschap, wanneer zij heeft besloten haar activiteiten te beëindigen en niet over voldoende middelen beschikt om al haar schuldeisers te voldoen, in beginsel de vrijheid zou hebben om de tot haar groep behorende crediteuren – anders dan op grond van door de wet erkende redenen van voorrang – te voldoen met voorrang boven niet tot haar groep behorende crediteuren. Die vennootschap handelt slechts dan niet in strijd met hetgeen haar naar ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, indien de voorkeursbehandeling van tot de groep behorende crediteuren op grond van bijzondere, door de vennootschap te stellen, en bij betwisting te bewijzen, omstandigheden kan worden gerechtvaardigd.

Bewijst Coral de juistheid van stelling c), dan moeten Stalt en Forsythe geacht worden op het (de) tijdstip(pen) waarop Forsythe uit de opbrengst van het aandelenpakket betalingen in mindering op schulden aan groepsmaatschappijen verrichtte, over dezelfde gegevens te beschikken en gelijkelijk in staat te zijn aan de hand daarvan te beoordelen of al dan niet ernstig rekening moest worden gehouden met de mogelijkheid dat Coral onvoldaan zou blijven.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing.

 

Access: 
Public
Curatoren Air Holland I BV/Stichting Garantiefonds - Arrest

Curatoren Air Holland I BV/Stichting Garantiefonds - Arrest

Curatoren Air Holland I BV/Stichting Garantiefonds (HR 03-12-2010, NJ 2010, 651)

Casus

I.c. gaat het om een geschil tussen de werkgever Air Holland I B.V. en zijn werknemers (de piloten) verenigd in de Vereniging van Nederlandse Vliegers (VNV). Air Holland heeft vanaf mid 2002 geen salaris meer betaald aan haar piloten. Verder heeft het ook niet de premies aan de pensioenverzekeraars betaald waardoor deze verzekeringen door de verzekeraars zijn geroyeerd. VNV heeft Air Holland meermalen gesommeerd o.a. de achterstallige salarissen, en premies te betalen. Air Holland heeft dit niet gedaan. In december 2003 zijn Air Holland en Holland Exel een samenwerkingsovereenkomst aangegaan waardoor Air Holland per 1 januari 2004 aan Exel is overgedragen. Air Holland heeft de piloten geïnformeerd dat zij bij Exel in dienst zouden zijn en dat Air Holland zou zorgen voor de ‘normale eindafrekening’ van het dienstverband. Dit zou inhouden de betaling van achterstallig salaris, vakantiedagen, pensioenpremies etc. Hierna is VNV een procedure gestart om Air Holland te dwingen de toegezegde betaling van de eindafrekening te bewerkstelligen. Ook heeft VNV ten laste van Air Holland derdenbeslag doen leggen onder D-Reizen. Ook heeft VNV een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer gestart. Ter beëindiging van deze enquêteprocedure hebben Air Holland, Exel en VNV een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin zij een regeling hebben getroffen over de voldoening van de achterstallige betalingen aan de piloten. Deze regeling hield in dat Exel en VNV gezamenlijk de Stichting Garantiefonds Vliegers Air Holland op zouden richten. Het doel van de Stichting was de betaling van de schulden van Air Holland aan de piloten en VNV. Ook zou de Stichting regres nemen op Air Holland of derden ter zake van de betaalde schulden, in het kader waarvan de piloten de Stichting zouden subrogeren in hun rechten.

Na de oprichting hebben de piloten een vordering van circa € 1.600.000 bij de Stichting ingediend. Een dag na de oprichting van de Stichting is surseance van betaling aan Air Holland verleend, waarna het faillissement van Air Holland is uitgesproken. De curatoren van Air Holland waren van oordeel dat het sluiten van de vaststellingsovereenkomst door Air Holland als paulianeus was aan te merken omdat dit een onverplichte rechtshandeling zou zijn geweest en overigens aan de vereisten van art. 42 Fw was voldaan. Zij hebben de vernietiging van de betaling van Air Holland aan de Stichting en de aan deze betaling ten grondslag liggende vaststellingsovereenkomst op grond van de pauliana van art. 42 Fw ingeroepen.

Volgens het Hof kon de vaststellingsovereenkomst niet door de curatoren worden vernietigd op grond van art. 42 Fw, omdat geen sprake is van het aangaan van een onverplichte rechtshandeling.

Hoge Raad

De Hoge Raad constateert dat de rechtbank oordeelde dat het aangaan van de vaststellingsovereenkomst een onverplichte rechtshandeling was en dat de grief in appèl tegen dit oordeel was gericht. De Hoge Raad oordeelt vervolgens dat het hof had moeten oordelen over de vraag of er een rechtsplicht bestond om de vaststellingsovereenkomst aan te gaan. Volgens de Hoge Raad was dit niet het geval.

De

.....read more
Access: 
Public
De Bont/Bannenberg q.q. - Arrest

De Bont/Bannenberg q.q. - Arrest

De Bont/Bannenberg q.q. (HR 16-09-2005, LJN AT7797; NJ 2006/311) 

Casus

In deze zaak spreekt de curator in het faillissement van een b.v. de voormalige bestuurder ervan aan wegens onrechtmatige benadeling van een bepaalde groep schuldeisers. Het betreft schuldeisers wier vordering is ontstaan na 31 juli 1998, het moment dat de bestuurder wist of behoorde te weten dat de vorderingen niet zouden worden voldaan en de vennootschap geen verhaal zou bieden. In cassatie gaat het om de – door het hof bevestigend beantwoorde – vraag of de curator bevoegd is aldus voor de belangen van een bepaalde groep schuldeisers op te komen.         

Hoge Raad

Een faillissementscurator is bevoegd in geval van benadeling van schuldeisers door de gefailleerde voor de belangen van de gezamenlijke schuldeisers op te komen, waarbij, zoals de Hoge Raad voor het eerst in Peeters q.q./Gatzen heeft beslist, onder omstandigheden ook plaats kan zijn voor het geldend maken van een vordering tot schadevergoeding tegen een derde die bij die benadeling betrokken was, ook al kwam een dergelijke vordering uiteraard niet aan de gefailleerde zelf toe. De opbrengst van een zodanige door de curator in het belang van de gezamenlijke schuldeisers geldend gemaakte vordering valt, evenals de opbrengst van een vordering tot vernietiging op de voet van de artikel 42 e.v. Fw, in de boedel en komt derhalve de gezamenlijke schuldeisers ten goede in de vorm van een toename van het overeenkomstig de uitdelingslijst te verdelen boedelactief. Zijn bevoegdheid tot het geldend maken van dergelijke vorderingen ontleent de curator aan de hem in artikel 68 lid 1 Fw gegeven opdracht tot beheer en vereffening van de failliete boedel.

De onderhavige (primaire) vordering van de curator is evenwel niet ingesteld voor de gezamenlijke schuldeisers, maar voor de schuldeisers wier vorderingen zijn ontstaan na 31 juli 1998. Dienovereenkomstig is de curator niet van plan de opbrengst van de vordering bij het boedelactief te voegen, maar wil hij die, na aftrek van kosten, ten goede doen komen aan deze schuldeisers. Een zodanige behartiging van de belangen van deze individuele schuldeisers, die aan het feit dat hun vorderingen na 31 juli 1998 zijn ontstaan geen bijzondere door de curator in acht te nemen positie in het faillissement van de b.v. ontlenen, valt buiten de grenzen van de in artikel 68 lid 1 Fw aan de curator gegeven opdracht terwijl ook overigens in de Faillissementswet daarvoor geen grondslag valt te vinden.         

De door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de overige faillissementsschuldeisers baat hebben bij toewijzing van de onderhavige vordering omdat dan een aanzienlijk bedrag aan (preferente) vorderingen zal wegvallen en ook een groter bedrag zal resteren ter verdeling onder de gezamenlijke schuldeisers maakt dit niet anders. Hierbij kan nog worden opgemerkt dat de omvang van de door een individuele faillissementsschuldeiser geleden schade wegens (gehele of gedeeltelijke) onverhaalbaarheid van zijn vordering eerst kan worden bepaald als duidelijk is hoeveel hij uit het faillissement zal ontvangen. Hij zal dan ook voor het volle bedrag van zijn vordering in het faillissement moeten opkomen terwijl

.....read more
Access: 
Public
De Lage Landen/Van Logtestijn q.q. - Arrest

De Lage Landen/Van Logtestijn q.q. - Arrest

De Lage Landen/Van Logtestijn q.q. (HR 16-10-2015, ECLI:NL:HR:2015:3023, JOR 2016/20)

Onderwerp

Prejudiciële vraag aan de Hoge Raad met betrekking tot het overwaarde-arrangement, ook wel genoemd wederzijdse zekerhedenregeling.

Relevante wetsartikelen

Artikel 438e Rv, art. 132 lid 2 Fw.

Casus

De Lage Landen, haar zustervennootschappen en de Rabobank zijn een wederzijdse zekerhedenregeling overeengekomen, waarbij meerdere financiërs die zekerheden hebben gesteld overeenkomen dat bij uitwinning van deze zekerheden een eventuele overwaarde kan worden gebruikt als dekking van een tekort van de ander en andersom. De financiërs stellen zich jegens elkaar borg tot zekerheid voor de betaling van een eventuele overwaarde die ontstaat na uitwinning van zekerheden. Mocht de financiër die de overwaarde dient te betalen in verzuim raken, ontstaat een regresvordering van de financiër die recht heeft op deze overwaarde, op de debiteur.

De debiteur is op 28 december 2012 in staat van faillissement verklaard. De Lage Landen en de Rabobank hebben hun zekerheden uitgewonnen, waarbij De Lage Landen Factoring een overwaarde overhield en De Lage Landen Financial Services een tekort.

De rechtbank Midden-Nederland stelt prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, die aan de orde stellen of, en zo ja, onder welke voorwaarden, een wederzijdse zekerhedenregeling waaruit een wettelijk en daarmee toekomstig regresrecht voortvloeit, faillissementsbestendig is.

Hoge Raad

Een pandhouder kan zich in faillissement verhalen op de verpande goederen. Dit geldt niet alleen voor vorderingen die bij het uitspreken van het faillissement al bestaan, maar ook voor vorderingen die op dat moment nog toekomstig zijn, maar voortvloeien uit een op dat moment reeds bestaande rechtsverhouding met de gefailleerde. Dit geldt ook voor regresvorderingen van pandhouders/borgen in een wederzijdse zekerhedenregeling.

De enkele rechtsverhouding tussen de hoofdschuldenaar en de bor, is niet een rechtsverhouding die voortvloeit uit een op de dag van faillietverklaring reeds bestaande rechtsverhouding met de gefailleerde, tenzij de hoofdschuldenaar partij is bij, of als partij toetreedt tot het overwaarde-arrangement.

 

Access: 
Public
De Ranitz q.q./Ontvanger - Arrest

De Ranitz q.q./Ontvanger - Arrest

Ladder en Trappenfabriek Centrum Beheer BV of: De Ranitz q.q./Ontvanger (HR 28-09-1990, NJ 1991, 30)

Wanneer het actief van de boedel niet toereikend is om alle boedelschulden te voldoen – en er dus sprake is van een ‘faillissement in het faillissement’ – dan vindt ‘in beginsel’ een verdeling onder de boedelschuldeisers plaats overeenkomstig de normale burgerlijkrechtelijke regels (vgl. artikel 3:277 BW).    

Dat wil zeggen: de boedelschuldeisers hebben onderling een gelijk recht om, na voldoening van de kosten van executie en vereffening, uit de (aldus verkregen) netto-opbrengst van de activa naar evenredigheid van ieders vordering te worden voldaan, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang.       

Tot de kosten van executie en vereffening behoren ‘in elk geval’ het salaris en de voorschotten van de curator.

Relevant & Related:

 

Access: 
Public
Eringa q.q./ABN-AMRO - Arrest

Eringa q.q./ABN-AMRO - Arrest

Eringa q.q./ABN-AMRO (HR 21-06-2013, RvdW 2013, 823)

De Hoge Raad doet uitspraak naar aanleiding van een vraag van de rechtbank over art. 2:11 BW. De vraag die gesteld wordt is of art. 2:11 BW van toepassing is als een Nederlandse rechtpersoon bestuurd wordt door een buitenlandse rechtpersoon. Rust de aansprakelijkheid van de buitenlandse rechtspersoon die bestuurt ook hoofdelijk op hen, die tijdens het ontstaan van de aansprakelijkheid van de besturende rechtpersoon bestuurder van de rechtpersoon zijn?

Art. 2:11 BW handelt over aansprakelijkheid van een rechtspersoon als bestuurder van een andere rechtpersoon. Op basis van art. 2:11 BW kan er een hele keten van aansprakelijke bestuurders gevormd worden. Als op basis van art. 2:11 BW een bestuurder aansprakelijk is die ook een rechtpersoon is, kunnen de bestuurders van deze rechtspersoon ook weer aansprakelijk gehouden worden en zo verder.

De vraag van de rechtbank moet naar Nederlands internationaal privaatrecht beantwoord worden, wat inhoudt dat de vraag beantwoord wordt door het op de corportaie toepasselijke recht. Dit leidt ertoe dat de aansprakelijkheid via 2:11 BW alleen geldt als het een Nederlandse rechtpersoon betreft.

 

Access: 
Public
Feenstra/ING - Arrest

Feenstra/ING - Arrest

Feenstra q.q./ING (HR 14-02-2014, ECLI:NL:HR:2014:319; NJ 2014, 264)

Casus

Deze zaak betreft de onderhandse uitverkoop van een aan de bank verpande winkelinventaris door de winkelier, gevolgd door betaling of storting van de daarmee gemoeide koopsommen op de bij de bank aangehouden rekening van de winkelier. In cassatie gaat het om de vraag of het hof op goede gronden heeft aangenomen dat sprake is van een executoriale verkoop in de zin van artikel 3:251 lid 2 BW en dat daarmee de toepasselijkheid van artikel 54 Fw is uitgesloten.

Hoge Raad

Een pandhouder is uit hoofde van artikel 3:248 lid 1 BW bevoegd het verpande goed te verkopen en op de opbrengst daarvan het hem verschuldigde te verhalen, als de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor het pand tot zekerheid dient. Deze verkoop geschiedt ingevolge artikel 3:250 BW in het openbaar, maar op grond van artikel 3:251 BW is ook onderhandse verkoop mogelijk. In al deze gevallen oefent de pandhouder het recht van parate executie uit als bedoeld in artikel 3:248 lid 1 BW. Daaronder valt mitsdien ook het geval dat de pandhouder en de pandgever op de voet van artikel 3:251 lid 2 BW onderhandse verkoop zijn overeengekomen. Er is geen grond om hierop een uitzondering aan te nemen als de pandhouder en de pandgever van deze hun in de wet verleende vrijheid gebruik hebben gemaakt door overeen te komen dat deze onderhandse verkoop door de pandgever zal geschieden. Ook in dat geval geschiedt de verkoop van het verpande immers ten behoeve van de pandhouder en kan deze zich als separatist verhalen op de opbrengst daarvan.

Het oordeel van het hof dat de pandgever en de bank een afwijkende wijze van verkoop als bedoeld in artikel 3:251 lid 2 BW zijn overeengekomen, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft de daarbij in acht te nemen Haviltex-maatstaf niet miskend en zijn oordeel in het licht van de stellingen van partijen voldoende gemotiveerd.

Een verkoop die plaatsvindt op een op de voet van artikel 3:251 lid 2 BW overeengekomen wijze heeft een executoriaal karakter. Dat geldt derhalve in het onderhavige geval ook voor de verkoop door de pandgever van zijn verpande winkelvoorraad ten behoeve van de bank als pandhouder. Door middel van deze (wijze van) executoriale verkoop oefent de bank haar recht uit zich met voorrang op de executieopbrengst van de winkelvoorraad te verhalen. Bij deze executie mag de bank, ingevolge artikel 3:253 lid 1 BW, als pandhouder het door de pandgever verschuldigde bedrag waarvoor het pandrecht geldt, van de netto executieopbrengst afhouden; pas daarmee komt – in voorkomend geval, na uitkering van een eventueel overschot aan de pandgever – de executie tot een einde.

In het onderhavige geval heeft de bank (een gedeelte van) de schuld van de pandgever uit de kredietovereenkomst waarvoor het pandrecht was gevestigd, van de executieopbrengst afgehouden door het negatieve saldo van de rekening waarop het krediet werd geadministreerd te ‘verrekenen’ met het (positieve) saldo van de bankrekening waarop

.....read more
Access: 
Public
Gispen q.q./IFN - Arrest

Gispen q.q./IFN - Arrest

Gispen q.q./IFN (HR 24-03-1995, NJ 1995, 628)   

Casus

IFN was ingevolge een op 3 juni 1992 in werking getreden overeenkomst factor van L & V Rotterdam BV (hierna: de Vennootschap). IFN verstrekte als zodanig aan de Vennootschap krediet op vorderingen van de Vennootschap op haar afnemers. Tot zekerheid van dat krediet had de Vennootschap deze vorderingen verpand aan IFN.

Op grond van voormelde overeenkomst was de Vennootschap gehouden op al haar facturen van deze verpanding melding te maken en voorts op die facturen geen andere bankrelatie en rekeningnummers te vermelden dan die van IFN. Onder de verpande vorderingen bevond zich een vordering op IBM, groot ƒ 717.951,21 gefactureerd op 30 september 1992. In strijd met haar verplichting om op die factuur de rekening van IFN bij ABN AMRO Bank te vermelden, heeft de Vennootschap daarop, met de bedoeling de betaling aan haarzelf te doen toevloeien, een door haar bij RABO Bank aangehouden rekening vermeld. IBM heeft deze factuur na aftrek van een korting van 2% voldaan op laatstgenoemde rekening.

Zodra IFN dit ontdekte, heeft zij samen met vertegenwoordigers van de aan haar gelieerde ABN AMRO Bank, die de Vennootschap eveneens krediet had verleend, in een bespreking op 11 november 1992 met de heren Lems en Reuchlin - eerstgenoemde tot 1 november 1992, en laatstgenoemde vanaf die datum, enig directeur van de Vennootschap - onder bedreiging onder meer met opzegging van het krediet en met een strafklacht ter zake van frauduleuze inning van de hiervoor vermelde factuur, de Vennootschap gesommeerd onmiddellijk het op dat moment nog op de rekening van de Vennootschap bij de RABO Bank aanwezige bedrag van ƒ530.000,- uit te betalen aan IFN. De Vennootschap is voor deze druk gezwicht en heeft nog op dezelfde dag de ƒ 530.000,- in de vorm van toonderchèques aan IFN afgedragen. Bij deze langdurige bespreking is de hachelijke financiële situatie van de Vennootschap uitvoerig aan de orde geweest, waarbij onder meer het mislukte aanbod aan een aantal crediteuren, het voornemen van de fiscus om bodembeslag te leggen en de reeds in gang gezette sterfhuisconstructie aan de orde zijn gesteld. Na afdracht van de ƒ 530.000,- hebben IFN en ABN AMRO Bank hun medewerking verleend aan de sterfhuisconstructie, die voortzetting van het bedrijf mogelijk maakte in een nieuwe vennootschap, die het merendeel van de activa en de werknemers van de Vennootschap overnam.

Op 22 december 1992 is de Vennootschap in staat van faillissement verklaard. In dit kort geding vordert de Curator terugbetaling van het bedrag van ƒ 530.000,-. Hij beroept zich daartoe op het bepaalde in art. 47 F., inhoudende, voor zover in het onderhavige geval van belang, dat de voldoening door de schuldenaar aan een opeisbare schuld kan worden vernietigd, wanneer wordt aangetoond dat de betaling het gevolg was van overleg tussen de schuldenaar en de schuldeiser, dat ten doel had laatstgenoemde door die betaling boven andere schuldeisers te begunstigen.

Hoge Raad

Een redelijke, ook met de huidige eisen van zekerheid van het betalingsverkeer strokende, uitleg van art. 47 brengt

.....read more
Access: 
Public
Hamm q.q./ABN AMRO - Arrest

Hamm q.q./ABN AMRO - Arrest

Hamm q.q./ABN AMRO (HR 30 oktober 2009, LJN BJ0861; NJ 2010/96 m.nt. F.M.J. Verstijlen)       

De curator is in het belang van de boedel bevoegd voldoening van door de gefailleerde stil verpande vorderingen te eisen en betalingen van die vorderingen in ontvangst te nemen, zolang de stille pandhouder aan de betrokken debiteuren niet de in artikel 3:246 lid 1, tweede volzin BW bedoelde mededeling heeft gedaan.

Echter, omdat de curator niet de vrijheid heeft de bevoegdheid van de stille pandhouder tot het doen van de genoemde mededeling te frustreren door zijnerzijds aanstonds aan die debiteuren mede te delen dat zij de stil verpande vorderingen op de rekening van de boedel moeten voldoen in plaats van op die van de stille pandhouder, heeft de Hoge Raad reeds eerder beslist dat de curator een redelijke termijn – die aanvangt daags na de faillietverklaring en ten aanzien van een professionele stille pandhouder als een bank in het algemeen is te stellen op veertien dagen – in acht neemt alvorens een dergelijke (op incasso van de verpande vorderingen gerichte) mededeling aan de debiteuren te doen, teneinde de stille pandhouder in de gelegenheid te stellen de bevoegdheid tot inning op zich te doen overgaan door de bedoelde mededeling aan de debiteuren te doen. Voldoende is dat de curator gedurende genoemde termijn zich onthoudt van op inning van de verpande vorderingen gerichte activiteiten; hij is dus niet verplicht de stille pandhouder een redelijke termijn te stellen om jegens de debiteuren van de verpande vorderingen over te gaan tot uitoefening van zijn rechten overeenkomstig artikel 57 Fw.

Zodra de stille pandhouder de curator heeft meegedeeld dat hij overeenkomstig artikel 57 Fw wenst over te gaan tot het uitoefenen van zijn rechten, dient de curator elke verdere activiteit achterwege te laten welke is gericht op inning ten behoeve van de boedel van de verpande vorderingen. Dit geldt niet alleen wanneer deze mededeling wordt gedaan binnen de hiervoor genoemde termijn, maar ook wanneer zij daarna plaatsvindt. Door het verstrijken van de genoemde termijn verliest de stille pandhouder immers niet zijn aan het pandrecht ontleende rechten. 

Van de curator kan enerzijds niet worden verlangd dat hij initiatieven ontplooit teneinde de stille pandhouder in staat te stellen zijn uit artikel 57 Fw jo. 3:246 lid 1 BW voortvloeiende rechten uit te oefenen, maar anderzijds mag de curator die uitoefening niet frustreren, net zo min als de pandgever dat buiten faillissement mag. Dit betekent dat de curator, zoals buiten faillissement de pandgever, de pandhouder op diens verlangen alle informatie verstrekt aangaande (de debiteuren van) de verpande vorderingen waarover hij de beschikking heeft en die de pandhouder nodig heeft teneinde de in artikel 3:246 lid 1, tweede volzin, BW genoemde mededeling te doen en de inning van de betrokken vorderingen ter hand te nemen. Zou deze verplichting niet worden aangenomen, dan zou de uitoefening van die bevoegdheden grotendeels ‘illusoir’ worden, met als gevolg dat de mogelijkheid om overeenkomstig artikel 3:239 BW stil pandrecht te vestigen in de kern zou worden aangetast.

De

.....read more
Access: 
Public
Immun’Âge/Neo-River - Arrest

Immun’Âge/Neo-River - Arrest

Immun’Âge/Neo-River  (HR 21-02-2014, ECLI:NL:HR:2014:415)

Casus

Neo-River fabriceert sinds 1993 het voedingssupplement FPP, dat in Europa wordt verkocht onder de naam “Immun’Âge”. Neo-River is in een distributieovereenkomst met Osata overeengekomen dat Osata het exclusieve recht van distributie van FPP toekomt. Op 1 maart 2003 heeft Osata een ‘subdistributieovereenkomst’ gesloten met Immum’Âge Europe ltd (IAE) voor het hele gebied waarvoor zij zelf tot distributeur was benoemd.

Neo-River heeft de distributieovereenkomst met Osata voortijdig beëindigd wegens wanprestatie van Osata. Osata heeft die beëindiging betwist en Neo-River aansprakelijk gesteld voor de schade die zou voortvloeien uit de niet-nakoming van de overeenkomst. Door de beëindiging kon Osata haar verplichtingen onder de overeenkomst met IAE namelijk niet nakomen. Osata heeft daarom, ter verzekering van de vordering die IAE op haar had, een stil pandrecht aan IAE verleend op de vordering die Osata op Neo-River had wegens haar vermeende wanprestatie. In 2010 is van de verpanding mededeling gedaan aan Neo-River.

Osata, IAE en Neo-River hebben over en weer schadevergoeding gevorderd wegens wanprestatie. De rechtbank heeft de vorderingen van Osata en IAE afgewezen en die van Neo-River (deels) toegewezen. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd met de overweging dat er geen sprake was van wanprestatie van Neo-River ten opzichte van IAE, omdat er tussen hen geen contractuele relatie bestond.

In cassatie stelt IAE dat door de mededeling van het pandrecht aan de schuldenaar de pandgever onbevoegd wordt om afstand van de verpande vordering te doen. Het pandrecht heeft een absoluut karakter, waardoor latere beschikkingshandelingen van de pandgever volgens IAE niet aan de pandhouder kunnen worden tegengeworpen, ook niet door derden.

Hoge Raad

Het pandrecht is een beperkt recht dat in beginsel teniet gaat door het tenietgaan van het recht waaruit het is afgeleid (bijv. door afstand, art. 6:160 BW). Volgens de Hoge Raad gaan de schuldeisersbevoegdheden die verbonden zijn aan vordering door het vestigen van een beperkt recht op die vordering niet zonder meer over op de beperkt gerechtigde. Of dat het geval is, hangt af van de wettelijke regeling van het betreffende beperkte recht. Art. 3:246 BW houdt in dat de pandhouder nakoming van de vordering kan eisen wanneer het pandrecht is medegedeeld aan de schuldenaar. Ook is de pandhouder in dat geval bevoegd tot opzegging als de vordering niet opeisbaar is, maar door opzegging opeisbaar is gemaakt. De Hoge Raad stelt dat andere schuldeisersbevoegdheden bij de pandgever blijven rusten, zoals het verlenen van kwijtschelding of het treffen van een afbetalingsregeling. Ook blijft de pandgever bevoegd tot ontbinding en beëindiging van de overeenkomst waaruit de vordering voortspruit. De bevoegdheden moeten bij de pandgever blijven nu deze zijn rechten en belangen diepgaand treffen en de pandhouder alleen in het verpande is geïnteresseerd, voor zover zijn vordering daardoor wordt gewaarborgd. De pandgever kan immers groot belang hebben bij het uitoefenen van zijn bevoegdheden in zijn verhouding tot zijn schuldenaar, zonder daarbij afhankelijk te zijn van de toestemming van de pandhouder. De pandhouder is volgens de wetgever voldoende beschermd tegen benadeling in het belang dat

.....read more
Access: 
Public
ING/Gunning q.q. - Arrest

ING/Gunning q.q. - Arrest

ING/Gunning q.q. (HR 19-11-2004, LJN AR3137; NJ 2005/199 m.nt. P. van Schilgaarde)

De regels uit het arrest Mulder q.q./CLBN gelden niet voor het geval waarin de bank als hypotheekhouder heeft ingestemd met een onderhandse verkoop van de verhypothekeerde onroerende zaak en de opbrengst daarvan op de bij de bank aangehouden rekening van de hypotheekgever worden bijgeschreven. Door afstand te hebben gedaan van het hypotheekrecht, is ook het daaraan verbonden recht van voorrang komen te vervallen en is de bank verworden tot een concurrente schuldeiser.           

 

 

Access: 
Public
ING/Hielkema q.q. - Arrest

ING/Hielkema q.q. - Arrest

ING/Hielkema q.q. (HR 25 februari 2011, NJ 2012, 74)

Casus

Bij vonnis van 1 december 2009 heeft de rechtbank A. B.V. in staat van faillissement verklaard. Tussen de curator Hielkema en de bank is overeenstemming bereikt over de verkoop van de aan de bank verpande roerende zaken van A. B.V. De R-C heeft daartoe toestemming verleend.

Nadat tussen de curator en de bank discussie was ontstaan over het antwoord op de vraag of ter zake van de verkoop aan de afnemer omzetbelasting in rekening moest worden gebracht, heeft de belastingdienst de curator geadviseerd de zogenoemde verleggingsregeling toe te passen, zoals bedoeld in art. 12 lid 4, van de Wet op de omzetbelasting 1968 in samenhang met art. 24ba lid 1, aanhef en onder d, van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968. De bank heeft zich op de voet van art. 69 F. tot de rechter-commissaris gewend met het verzoek de curator te gelasten de verleggingsregeling niet toe te passen. De rechter-commissaris heeft dit verzoek afgewezen omdat het verzoek zich niet leent voor toepassing van art. 69 F.

Rechtsvraag

In de zaak die volgt moet de Hoge Raad kijken naar de bevoegdheid van de pandhouder tot executoriale verkoop.

Hoge Raad

De Hoge Raad stelt: “Een pandhouder is uit hoofde van art. 3:248 lid 1 BW bevoegd het verpande goed te verkopen en op de opbrengst daarvan het hem verschuldigde te verhalen, als de schuldenaar in verzuim is met de voldoening van hetgeen waarvoor het pand tot zekerheid dient. Deze verkoop geschiedt ingevolge art. 3:250 BW in het openbaar, maar op grond van art. 3:251 BW is ook onderhandse verkoop mogelijk. In al deze gevallen oefent de pandhouder het recht van parate executie uit als bedoeld in art. 3:248 lid 1 BW. Daaronder valt mitsdien ook het geval dat de pandhouder en de pandgever op de voet van art. 3:251 lid 2 BW onderhandse verkoop zijn overeengekomen. Er is geen grond hierop een uitzondering aan te nemen als de pandhouder en de pandgever van deze hun in de wet verleende vrijheid gebruik hebben gemaakt door overeen te komen dat deze onderhandse verkoop door de pandgever zal geschieden. Ook in dat geval geschiedt de verkoop van het verpande immers ten behoeve van de pandhouder en kan deze zich als separatist verhalen op de opbrengst daarvan.”

De Hoge Raad oordeelt dat ook een verkoop door de eigenaar/pandgever een onderhandse executoriale verkoop als bedoeld in art. 3:251 lid 2 BW kan zijn. Een verkoop die plaatsvindt op een op de voet van art. 3:251 lid 2 BW overeengekomen wijze, heeft een executoriaal karakter.

In deze zaak wordt uitdrukkelijk overwogen dat een executoriale verkoop ook door de pandgever kan geschieden.

 

Access: 
Public
ING/Manning q.q. - Arrest

ING/Manning q.q. - Arrest

ING/Manning q.q. (HR 23-03-2012, NJ 2012, 421)

Casus

In dit arrest gaat het om een zaak tussen de ING Bank N.V. en mr. Manning, in zijn hoedanigheid van curator van de besloten vennootschap Balkbrugse Transport Onderneming B.V.

Op de dag van zijn faillietverklaring geeft de rekeninghouder aan zijn bank, de ING, enkele betalingsopdrachten. De ING, die nog niet weet van het faillissement van Balkbrugse Transport Onderneming B.V. heeft de betalingsopdracht aanvaard en ten laste van de rekening-courant uitgevoerd. Het faillissement is pas drie kwartier ná de betalingsinstructie uitgesproken. Artikel 23 Fw geeft het faillissement terugwerkende kracht tot 0:00 uur van de dag van faillietverklaring. De curator beroept zich op art. 23 Fw om een overgeboekt bedrag terug te vorderen van de bank. De betalingsopdracht is gegeven op de dag van de faillietverklaring en de (gefailleerde) opdrachtgever was op grond van art. 23 Fw niet meer bevoegd om over het tegoed op de bankrekening te beschikken. Derhalve was de bank  niet gerechtigd de betalingsopdrachten uit te voeren en het bedrag in mindering te brengen op het rekening-courantsaldo.

De ING voert echter aan dat zij bevrijdend heeft betaald en dat zij op grond van art. 52 Fw niet is gehouden het gevorderde bedrag terug te betalen. Het argument van de ING is dat, nu tussen de bank en de rekeninghouder vóór de faillietverklaring al een rekening-courantverhouding bestond met een creditsaldo ten gunste van de rekeninghouder, dat creditsaldo “op ieder tijdstip” door de bank “verschuldigd” was aan de rekeninghouder. Volgens de ING bestond de verbintenis jegens de gefailleerde die vóór de faillietverklaring was ontstaan in de zin van art. 52 Fw, zodat de bank tegenover de boedel bevrijd is.

Hoge Raad

De Hoge Raad herhaalt zijn oordeel uit Huijzer q.q./Rabobank, en geeft een nadere onderbouwing. De rekeninghouder kan op allerlei manieren over het creditsaldo beschikken en kan in theorie alle mogelijke door het creditsaldo toegelaten bedragen opnemen of laten overboeken en op elk gewenst tijdstip. Daarmee is de “verbintenis” van de bank vóór de betalingsinstructie onvoldoende bepaald en dus niet bestaand: “Het verschuldigd zijn van het creditsaldo houdt slechts in dat de bank dat saldo ter beschikking van de rekeninghouder dient te houden, zodat deze daarover desgewenst en op een door hem te bepalen wijze en tijdstip kan beschikken. Een verbintenis tot uitbetaling van het saldo (of een deel daarvan) bestaat echter nog niet. Deze “verbintenis” is immers onvoldoende bepaald, omdat het beschikken over het creditsaldo op velerlei wijzen kan geschieden. Het is immers aan de rekeninghouder om te bepalen welke bedragen op welk moment aan welke derden of aan hemzelf ten laste van het saldo van de rekening-courant moeten worden uitbetaald. Daarom ontstaat [...] eerst op het moment dat de rekeninghouder een door de bank aanvaarde concrete betalingsopdracht verstrekt, een verbintenis om overeenkomstig die instructie een betalingsopdracht ten laste van het saldo van de rekening-courant uit te voeren.”

Omdat het beschikken over het creditsaldo nog op vele manieren kan geschieden, heeft de Hoge Raad beslist dat er nog geen

.....read more
Access: 
Public
ING/Verdonk q.q. - Arrest

ING/Verdonk q.q. - Arrest

ING/Verdonk q.q. (HR 22-06-2007, LJN BA2511; NJ 2007/520 m.nt. P. van Schilfgaarde; JOR 2007/222 m.nt. J.J. van Hees)         

Zo lang de stille pandhouder aan de betrokken debiteuren niet de in artikel 3:246 lid 1, tweede volzin, BW bedoelde mededeling heeft gedaan, is de curator bevoegd in het belang van de boedel tot inning van de betrokken vorderingen over te gaan, waarna de pandhouder op het door de curator geïnde verhaal kan zoeken overeenkomstig de aan zijn pandrecht verbonden voorrang. Omdat dit verhaal dan plaats heeft in het kader van het faillissement, zal de pandhouder daarbij bij dienen te dragen in de algemene faillissementskosten.

De stille pandhouder kan de bevoegdheid tot inning op zich doen overgaan door de bedoelde mededeling aan de debiteuren te doen. Zo lang die mededeling niet is gedaan, en de curator dus nog bevoegd is tot inning ten behoeve van de boedel van de stil verpande vorderingen, is er voor de curator geen reden de stille pandhouder in het belang van de boedel op de voet van artikel 58 lid 1 Fw een (redelijke) termijn te stellen om tot uitoefening van de in artikel 57 Fw bedoelde rechten over te gaan, waartoe de curator ingevolge dat artikellid wel bevoegd, maar niet verplicht is.       
             
Het voorgaande betekent niet dat het de curator vrijstaat de bevoegdheid van de stille pandhouder tot het doen van de mededeling aan de betrokken debiteuren te frustreren door zijnerzijds aanstonds aan die debiteuren mede te delen dat zij de stil verpande vorderingen op de rekening van de boedel moeten voldoen in plaats van op die van de stille pandhouder.

In het algemeen zal bij een professionele stille pandhouder als een bank voldoende zijn dat de curator een redelijk te achten termijn in acht neemt van veertien dagen alvorens een dergelijke mededeling aan de debiteuren te doen. Een verplichting tot het actief vooraf dienaangaande informeren van zo'n stille pandhouder kan niet worden gebaseerd op overeenkomstige toepassing van artikel 58 Fw en ook naar ongeschreven recht bestaat een dergelijke verplichting niet. Dit neemt niet weg dat het, mede ter voorkoming van onnodige onrust bij debiteuren, wenselijk is dat de stille pandhouder en de curator overleg voeren over het te volgen incassobeleid, waartoe de stille pandhouder zo nodig zelf het initiatief kan nemen.

 

Access: 
Public
Koot/Tideman qq - Arrest

Koot/Tideman qq - Arrest

Koot Beheer/Tideman q.q. (HR 19-04-2013, NJ 2013, 291)

Casus

I.c. gaat het om de partijen Koot Beheer en curator mr. Tideman. Koot Beheer verhuurde een bedrijfsruimte aan Brand & Van Wijk Logistiek, die op 26 oktober 2010 door de rechtbank Den Haag failliet is verklaard. De curator gaat over tot opzegging van de huur op de voet van art. 39 Fw, waardoor deze op 31 januari 2011 eindigde. Per die datum heeft de curator het gehuurde ontruimd en leeg opgeleverd.

Volgens Koot Beheer is er opleveringsschade veroorzaakt die moet worden vergoed op grond van art. 7:224 BW en de algemene bepalingen van de huurovereenkomst met betrekking tot de oplevering. De in die bepalingen geregelde verplichting tot correcte oplevering van het gehuurde is in dit geval een boedelschuld, omdat deze verplichting is ontstaan door toedoen van de curator, namelijk door de opzegging van de huurovereenkomst. Koot Beheer vordert in deze procedure betaling van de curator van dit bedrag van € 24.000,-- als boedelschuld.

De curator bestreed dat en heeft aangevoerd dat de verplichting tot herstel van het pand reeds tijdens de looptijd van de huur is ontstaan en niet pas vanwege de opzegging. De kantonrechter volgde de curator hierin en wees de vordering van Koot Beheer af. Door Koot Beheer is toen sprongcassatie ingesteld.

Hoge Raad

De Hoge Raad geeft aan dat in geval van een wederkerige overeenkomst, die ten tijde van de faillietverklaring over en weer nog niet geheel is nagekomen (inclusief lopende duurovereenkomsten) de Faillissementswet bepaalt dat door het faillissement zelf de uit deze overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen niet worden gewijzigd. Het is aan de curator om  conform artikel 37 lid 1 Fw te kiezen of hij de overeenkomst al dan niet zal nakomen.

Wanneer de curator besluit om de overeenkomst niet na te komen, dan levert dit voor de wederpartij steeds een ter verificatie in te dienen concurrente vordering op, behoudens door de wet erkende redenen van voorrang.

Ook geeft de Hoge Raad aan dat artikel 39 en 40 Fw. een uitzondering geeft voor huur- en arbeidsovereenkomsten. Zo zijn huur, loon en premieschulden vanaf de dag van het faillissement boedelschulden. De curator moet deze overeenkomsten dan ook opzeggen zodat deze boedelschulden niet verder oplopen.

De Hoge Raad heeft nu expliciet uitgesproken dat het in het licht van het bestaande wettelijke stelsel niet past dat als een curator in het belang van de boedel een huurovereenkomst beëindigt, de ontruimingsverplichting (en bij niet nakoming daarvan, de verplichting tot vervangende schadevergoeding) die daardoor ontstaat als een boedelschuld zou kwalificeren. Alle verplichtingen die kunnen ontstaan als gevolg van zo’n opzegging zijn dus niet (langer) een boedelschuld, maar slechts een verifieerbare, concurrente vordering.

Kern

Bij niet-nakoming van een wederkerige overeenkomst door een curator kan de wedepartij zijn daardoor ontstane vordering als concurrente vordering indienen.

Voor huurovereenkomsten en arbeidsovereenkomsten stelt de wet expliciet dat de vanaf de datum van het faillissement nog opkomende huur-, loon en premieschulden boedelschulden zijn. De curator zal deze overeenkomsten dan ook moeten beëindigen. M.a.w. de met een beëindiging

.....read more
Access: 
Public
Loeffen q.q./BMH I - Arrest

Loeffen q.q./BMH I - Arrest

Loeffen q.q./BMH I (HR 08-07-1987, LJN AC0457; NJ 1988/104)     

Casus

APO BV heeft een door haar aan Meerhuys verschuldigd bedrag van ƒ 750.000 aan deze betaald door overmaking van dat bedrag op de rekening-courant van Meerhuys bij de bank. De creditering vindt plaats op 12 maart 1982. Voor deze creditering vertoonde deze rekening een debetsaldo van ƒ 856.326,31 hetwelk opeisbaar was. Bij vonnis van 17 maart 1982 is Meerhuys in staat van faillissement verklaard. Vaststaat dat de bank op 12 maart 1982 wist dat het faillissement van Meerhuys reeds was aangevraagd.

Rechtsvraag

Valt deze creditering onder ‘voldoening door de schuldenaar aan een opeisbare schuld’ als bedoeld in artikel 47 Fw?          

Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad moet deze vraag bevestigend worden beantwoord. Niet goed valt in te zien waarom een dergelijke vermindering van het debetsaldo wanneer zij het gevolg is van storting door de schuldenaar zelf wel, maar wanneer zij het gevolg is van storting door diens debiteur niet onder de werking van artikel 47 Fw zou vallen. Daarbij is in het bijzonder van belang dat tegenwoordig girale betaling als een normale wijze van betaling moet worden beschouwd. Zou het uit een dergelijke creditering resulterende tenietgaan of verminderen van de schuld van de schuldenaar aan zijn bank niet worden aangemerkt als voldoening in de zin van artikel 47 Fw, dan zou daarvan immers niet, als aan de overige vereisten van deze bepaling is voldaan, de nietigheid kunnen worden ingeroepen en dat zou meebrengen dat banken zich mede zouden mogen verhalen op vermogensbestanddelen van de schuldenaar welke zij aldus hebben ontvangen, terwijl zij wisten dat zijn faillissement reeds was aangevraagd. Voor een dergelijke uitzonderingspositie bestaat geen grond.

 

Access: 
Public
Lunderstädt/De Kok c.s. - Arrest

Lunderstädt/De Kok c.s. - Arrest

Lunderstädt/De Kok c.s. (HR 21-12-2001, LJN AD2684; NJ 2005/95)

De regel uit Peeters q.q./Gatzen heeft geleid tot uitvoerig debat in de literatuur. Dit richtte zich in belangrijke mate op de vraag of in de gevallen waarin (de gezamenlijke) schuldeisers uitsluitend benadeeld zijn in hun verhaalsmogelijkheden doordat baten aan de boedel zijn onttrokken slechts aan de curator een vordering uit hoofde van artikel 6:162 BW jegens de onrechtmatig handelende derde toekomt of dat een zodanige vordering ook rechtstreeks door de onrechtmatig benadeelde schuldeiser zelf kan worden ingesteld. Het antwoord op deze vraag moet in laatstvermelde zin luiden; van een exclusieve bevoegdheid van de curator om deze vordering(en) geldend te maken is geen sprake.     

In een geval als het onderhavige, waar het gaat om een aanspraak tot schadevergoeding van een benadeelde schuldeiser jegens een derde, kan verstoring van de in het faillissement te handhaven ‘paritas creditorum’ zich niet kan voordoen. De sinds 1983 in de rechtspraak aangenomen bevoegdheid van de curator om ten behoeve van door de gefailleerde benadeelde schuldeisers een vordering uit onrechtmatige daad in te stellen tegen een bij die benadeling betrokken derde staat, ongeacht of de curator van deze bevoegdheid gebruik maakt of niet, niet eraan in de weg dat die schuldeisers de aan hen toekomende vordering zelf in rechte geldend maken. Voor een andersluidend oordeel zou, mede in verband met het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, een wettelijke grondslag vereist zijn. Deze kan echter, anders dan in verband met het bepaalde in artikel 49 Fw het geval zou zijn bij een op artikel 3:45 BW gebaseerde vordering, noch in de Faillissementswet, noch in enige andere wettelijke bepaling worden gevonden; ook niet in artikel 2:248 BW, welk artikel slechts in het geval van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur aan de curator van een gefailleerde besloten vennootschap de mogelijkheid biedt de bestuurders van die vennootschap aan te spreken voor het tekort in het faillissement.    

Het belang van een behoorlijke afwikkeling van het faillissement kan meebrengen dat indien ook de curator, op grond van hetzelfde feitencomplex, uit hoofde van zijn bevoegdheid een vordering uit onrechtmatige daad geldend maakt jegens de derde, eerst op deze vordering en vervolgens op die van de individuele schuldeiser wordt beslist.

 

Access: 
Public
Maclou/Curatoren Van Schuppen - Arrest

Maclou/Curatoren Van Schuppen - Arrest

Maclou/Curatoren Van Schuppen (HR 19-04-1996, LJN ZC2047; NJ 1996/727)

Welke maatstaf dient te worden gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of een faillissementscurator persoonlijk aansprakelijk (anders dan aansprakelijkheid q.q.) is jegens derden die nadeel hebben ondervonden van de wijze waarop de curator bij het beheren en vereffenen van de failliete boedel te werk is gegaan?

Onjuist is de stelling dat de aan een faillissementscurator te stellen zorgvuldigheidsnorm in beginsel gelijk is aan die welke geldt voor advocaten en vergelijkbare beroepsbeoefenaren. Zij miskent vooreerst dat een curator, ook al beoefent hij het beroep van advocaat of een daarmee vergelijkbaar beroep, bij het vervullen van zijn taak als curator niet optreedt als beoefenaar van dat beroep. Voorts miskent die stelling dat de curator, anders dan de beoefenaar van een beroep als dat van advocaat, niet in een contractuele betrekking staat tot degenen wier belangen aan hem in zijn hoedanigheid zijn toevertrouwd, alsmede dat hij bij de uitoefening van zijn taak uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen moet behartigen en bij het nemen van zijn beslissingen die vaak geen uitstel kunnen lijden óók rekening behoort te houden met belangen van maatschappelijke aard.

De bijzondere kenmerken van de taak van de curator brengen mee dat zijn eventuele persoonlijke aansprakelijkheid dient te worden getoetst aan een zorgvuldigheidsnorm die daarop is afgestemd. Deze norm komt hierop neer dat een curator behoort te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht.

 

Access: 
Public
Megapool - Arrest

Megapool - Arrest

Megapool (HR 12-04-2013, NJ 2013, 224)

Casus

Megapool B.V. was een retail-keten, gericht op de verkoop van witgoed en huishoudelijk apparatuur. Laser en Megapool hebben op 23 september 1999 een retail-overeenkomst gesloten. Deze  overeenkomst hield in dat Laser aan de klanten van Megapool de mogelijkheid bood om de aankopen die deze klanten deden te financieren. Als hiervan gebruik werd gemaakt door de consumenten, dan waren zij in principe gehouden om de door Laser gefinancierde koopsom binnen een half jaar te voldoen. Als zij dat niet deden, dan werd de koopsom omgezet in een lening waarbij Laser dan een zogenaamde uitloopprovisie moest voldoen aan Megapool.

Tevens was in de overeenkomst in relatie tot deze uitloopprovisie een beding opgenomen, dat het recht op de uitloopprovisie van Megapool deed vervallen als Megapool failliet zou worden verklaard. Megapool is op 8 april 2004 failliet verklaard. Enige dagen voordat Megapool in staat van faillissement is verklaard, heeft Laser de overeenkomst beëindigd. Deze beëindiging is gebaseerd op art. 10.2 van de overeenkomst, dat diverse beëindigingsgronden vermeldt, zoals het geval dat de andere partij in staat van faillissement wordt verklaard.

De curatoren hebben zich op het standpunt gesteld dat de beëindiging van de overeenkomst door Laser niet tot gevolg heeft gehad dat het recht van Megapool op de uitloopprovisie is komen te vervallen. Zij stellen dat het genoemde beding nietig is wegens strijd met de openbare orde of de goede zeden omdat dat beding de schuldeisers bij een faillissement onevenredig benadeelt. Voorts menen de curatoren om dezelfde reden dat het beroep van Laser op genoemd beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

De vraag die centraal staat is, of Laser zich mocht beroepen op de in de overeenkomst opgenomen clausule of dat deze clausule nietig was. M.a.w. doet een beding een vorderingsrecht van de schuldeiser op de schuldenaar vervallen, wanneer de schuldeiser failleert?

Hoge Raad

De Hoge Raad moet zich buigen over de vraag, of het hof heeft miskend dat het faillissement op de voet van art. 20 Fw niet alleen omvat het gehele vermogen van Megapool ten tijde van de faillietverklaring, maar ook hetgeen zij gedurende het faillissement verwerft.

De kern van het standpunt van de curatoren is dat door het beding het faillissement van Megapool tot gevolg heeft dat Laser niet langer de uitloopprovisie is verschuldigd, terwijl het hier een doorlopende afdrachtverplichting van Laser betreft, waarvoor Megapool de tegenprestatie al heeft verricht (het aanbrengen van een consument die een kredietovereenkomst aangaat).

De Hoge Raad verwerpt het beroep van de curatoren.

Hoge Raad komt tot het oordeel dat het in de overeenkomst opgenomen beding toegestaan is. Laser mocht de overeenkomst dus ontbinden met als gevolg dat het vorderingsrecht van Megapool kwam te vervallen. Dit omdat de uitloopprovisie een tegenprestatie (vergoeding) vormde voor de reeds verrichtte prestaties en ook een vergoeding voor de voordelen die zijn weggevallen door het faillissement van Megapool.

 

Access: 
Public
Mobell/Interplan - Arrest

Mobell/Interplan - Arrest

Mobell/Interplan (HR 19-12-2003, NJ 2004, 293)

Casus

Op 25 juni 1997 werd Mobell BV failliet verklaard. In haar voorraad lagen zaken van Interplan, die Interplan onder eigendomsvoorbehoud had geleverd. De facturen waren nog niet voldaan. Op dezelfde datum is een afkoelingsperiode van een maand ingegaan teneinde de mogelijkheid te onderzoeken van een doorstart van het bedrijf.

Op 15 juli 1997 hebben de curatoren in het faillissement van Mobell goederen uit de in de boedel aanwezige voorraden aan een derde verkocht, onder de voorwaarde dat het op die goederen rustende eigendomsvoorbehoud van Interplan wordt gerespecteerd. Dat laatste is niet gebeurd en in dit geding spreekt Interplan de curatoren in hun hoedanigheid aan tot schadevergoeding.

Procesverloop

De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Het hof wees de vordering toe, oordelende dat de curatoren onzorgvuldig hebben gehandeld doordat zij de belangen van Interplan als separatist hebben tekort gedaan door de aan haar toebehorende zaken in de feitelijke macht van de derde te brengen zonder zich tevoren ervan te vergewissen of zij daarmee instemde.

Hoge Raad

Een doelmatige afwikkeling van het faillissement behoort in zijn algemeenheid niet tot de zwaarwegende belangen van maatschappelijke aard (als bedoeld in het Maclou-arrest), waaraan de curator onder omstandigheden de voorrang mag geven boven belangen van individuele schuldeisers, waaronder separatisten.

De Maclou-norm moet worden gelezen tegen de achtergrond van de eveneens in het Maclou-arrest gegeven karakterisering van de taak van de curator. Tot die karakterisering behoort de vaststelling dat de curator uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen moet behartigen en ook rekening moet houden met belangen van maatschappelijke aard.

Commentaar

Deze casus lijkt op die in het Maclou-arrest. In beide arresten is sprake van een curator die, bij de verkoop en overdracht van goederen van de gefailleerde, ook goederen waarop een eigendomsvoorbehoud rust, in handen van de koper stelt. In beide gevallen wist de curator van het eigendomsvoorbehoud en had hij in de overeenkomst met de verkrijger een beding opgenomen dat de rechten van de derde-eigenaar moest beschermen. In beide gevallen had de curator weliswaar de derde-eigenaar op de hoogte gesteld van de afgifte maar van deze geen toestemming gevraagd. Intussen zijn er ook belangrijke verschillen:

  • Het eerste verschil is dat in Maclou de vordering van de derde-eigenaar zich richtte tegen de curator in privé, terwijl het hier gaat om een vordering tegen de curator q.q., dus tegen de boedel.

  • Een tweede verschil is dat in Maclou sprake was van verkoop en overdracht van de activa van een bedrijf met de bedoeling dat het bedrijf door de koper zou worden voortgezet, terwijl het hier gaat om verkoop en overdracht van de gehele voorraad van de gefailleerde, zonder dat er sprake was van voortzetting van het bedrijf.

  • Met dit tweede verschil hangt een derde samen. Dit derde verschil is dat in Maclou een beroep is gedaan op het belang dat de werkgelegenheid zou worden behouden, dat volgens de curator de gang van zaken kon rechtvaardigen. De feitelijke rechter accepteerde dit verweer en de

.....read more
Access: 
Public
MTW/FNV en Vermaat c.s. - Arrest

MTW/FNV en Vermaat c.s. - Arrest

MTW/FNV en Vermaat c.s. (HR 29-06-2001, LJN AB2388)

Het hof heeft geoordeeld dat MTW haar bevoegdheid tot het doen van aangifte tot faillietverklaring heeft uitgeoefend voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend, namelijk om door deze aangifte af te komen van haar verplichtingen tegenover haar werknemers. Aldus heeft MTW deze bevoegdheid misbruikt. Anders dan waarvan de klacht van MTW uitgaat, komt bij beoordeling van de vraag of een bevoegdheid is misbruikt doordat zij is uitgeoefend voor een ander doel dan waarvoor zij is verleend, naar volgt uit artikel 3:13 lid 2 BW, een belangenafweging niet aan de orde. De klacht faalt derhalve.

 

Access: 
Public
Mulder q.q./CLBN - Arrest

Mulder q.q./CLBN - Arrest

Mulder q.q./CLBN (HR 17-02-1995, NJ 1996, 471)

Casus

De casus van dit arrest betreft de rechtspositie van de stille pandhouder ten opzichte van de curator in faillissement. Rocco Mulder is in dit arrest de eisende partij en curator in faillissement van Connection Technology BV tegen de Credit Lyonnais Bank Nederland NV (CLBN).

Het probleem dat zich voordoet, is dat het failliete Connection Technology BV stil vorderingen heeft verpand aan CLBN, terwijl er hiervan geen mededeling is gedaan aan de schuldenaar.

Hoge Raad

Zolang geen mededeling van de verpanding aan de schuldenaar van de verpande vorderingen is gedaan, ontleent een pandgever – en in diens faillissement, de curator – aan artikel 3:246 lid 1 BW de bevoegdheid om ten behoeve van zichzelf de nakoming van stil verpande vorderingen te eisen en betaling daarvan in ontvangst te nemen. De pandhouder heeft geen aanspraak op afdracht van hetgeen de pandgever (curator) in ontvangst neemt. De pandhouder ontleent ook aan artikel 57 lid 1 Fw niet de bevoegdheid zich buiten de afwikkeling van het faillissement om te verhalen op hetgeen de curator op de voet van artikel 3:246 lid 1 BW heeft geïnd.

Door betaling van een stil verpande vordering aan degene die bevoegd is de betaling in ontvangst te nemen, gaat de vordering teniet en daarmee ook het op de vordering rustende pandrecht. Het pandrecht komt niet te rusten op het geïnde.

Weliswaar kan een pandhouder zijn rechten uitoefenen alsof er geen faillissement was en staat het hem op grond van artikel 57 lid 1 Fw vrij de verpanding mee te delen aan de schuldenaar van de verpande vordering met als gevolg dat de bevoegdheid tot inning op de pandhouder overgaat, maar genoemde bepaling verleent hem geen aanspraak op afdracht van hetgeen de curator op de voet van artikel 3:246 lid 1 BW heeft geïnd. Een dergelijke aanspraak komt de pandhouder immers ook buiten faillissement van de pandgever niet toe.

Wanneer de curator een stil verpande vordering heeft geïnd, waardoor de verpande vordering en daarmee het pandrecht is tenietgegaan, behoudt de pandhouder zijn voorrang op het geïnde. Hij moet weliswaar wachten tot de uitdelingslijst verbindend is geworden en hij draagt op de voet van artikel 182 lid 1 Fw bij in de algemene faillissementskosten, maar hij heeft er aanspraak op bij de uitdeling overeenkomstig zijn aan het pandrecht ontleende voorrang te worden voldaan.

Wat de mogelijkheden tot verrekening door de bank betreft, de Hoge Raad overweegt dat in zijn rechtspraak weliswaar is aanvaard dat bankinstellingen zich ter zake van op een rekening van hun debiteur gedane girale betalingen niet op verrekening kunnen beroepen, indien deze betalingen zijn ontvangen op een tijdstip (i) waarop de bankinstelling wist dat diens faillissement was te verwachten dan wel (ii) ná diens faillietverklaring, maar er bestaat geen goede grond deze strenge regels mede van toepassing te oordelen op de mogelijkheid van verrekening door een bankinstelling van girale betalingen die op tijdstippen (i) en (ii) zijn gedaan ter voldoening van aan haar stil verpande vorderingen ter zake waarvan

.....read more
Access: 
Public
Nebula - Arrest

Nebula - Arrest

Nebula (HR 03-11-2006, Nj 2007, 155)

Casus

Nebula B.V. had een bedrijfsruimte met twee bovenwoningen in de Goudbloemstraat 91 in eigendom. Bij onderhandse akte verkocht Nebula de economische eigendom van het pand op 24 december 1991 aan Donkelaar Supermarkt B.V.

Donkelaar verkocht daarna (met toestemming van Nebula) enkele dagen later de economische eigendom weer door aan een ander bedrijf, te weten Walton B.V.

Nebula ging op 24 maart 1999 failliet en tijdens het faillissement, verhuurde op 1 juli 2000 Walton de bovenwoning.

Gedurende de afwikkeling van het faillissement komen de curatoren er in 2001 achter dat de bovenwoning tot de boedel behoort. Daarom richten de curatoren zich tot Walton en verzoeken om de huurovereenkomst te kunnen inzien. De curatoren eisen dan dat de huurpenningen die vanaf 24 maart 1999 zijn ontvangen worden gestort op de faillissementsrekening. Daarnaast vorderen zij ontruiming van de bovenwoning omdat zij stellen dat de huidige huurders niet over een geldige titel voor de bewoning beschikken.

De rechtbank Amsterdam gaat mee met de argumentatie van de curatoren en oordeelt dat de huurders de bovenwoning moeten verlaten. Tijdens het hoger beroep stelt het Hof echter dat de onderhandse overeenkomst tot economische eigendomsoverdracht door het faillissement van Nebula niet wordt geraakt. Walton mocht de woning dus verhuren. Het Hof oordeelde dat er wel een geldige titel van bewoning was en Walton mocht de inkomsten uit huur houden.

Hoge Raad

Tijdens het hoger beroep oordeelt de Hoge Raad dat het gegeven dat het beginsel dat het bestaan van een wederkerige overeenkomst door het faillissement niet wordt beïnvloed, niet betekend dat de schuldeiser van een duurovereenkomst wiens wederpartij failliet gaat, de rechten uit die overeenkomst kan blijven uitoefenen alsof er geen faillissement is. De Hoge Raad overweegt dat hierdoor het beginsel van de gelijkheid van schuldeisers (“paritas creditorum”) op onaanvaardbare wijze doorbroken zou worden. Dat een schuldenaar niet een actieve prestatie hoefde te verrichten (slechts passief het gebruik van zijn eigendom moest dulden) maakte dit niet anders. In zijn uitspraak stelt de Hoge Raad dat als de wederpartij van de gefailleerde van de curator zou kunnen eisen dat deze het voortgezet gebruik van de betreffende zaak duldt, zou deze wederpartij dan feitelijk bevoegd zijn het faillissement te negeren. Dit is alleen in uitzonderlijke gevallen toegestaan. Daarnaast zou door aanvaarding van zo’n regel een goed beheer ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van de tot de boedel behorende zaken ten aanzien waarvan langlopende overeenkomsten bestaan, heel erg moeilijk maken.

Het faillissement van Nebula (de juridische eigenaar) bracht met zich mee dat de economische eigenaar niet langer meer het gebruiksrecht kon tegenwerpen aan de curator van Nebula, en dat dit ook gold voor de huurder die zijn rechten aan de economisch eigenaar ontleende.

Met andere woorden, de curator (juridische eigenaar) van onroerend goed is niet gebonden aan na faillissementsdatum gemaakte afspraak gemaakt door economisch eigenaar inzake gebruik van onroerende zaak door derde.

 

Access: 
Public
Nimox/Van den End q.q. - Arrest

Nimox/Van den End q.q. - Arrest

Nimox/Van den End q.q. (HR 08-11-1991, NJ 1992, 174)

Kern

Een faillissementscurator is bevoegd voor de belangen van de schuldeisers op te komen bij benadeling van die schuldeisers en kan ook een actie ex artikel 6:162 instellen tegen een derde die bij die benadeling betrokken is geweest. Hierop bestaat geen uitzondering indien slechts de crediteuren worden benadeeld wier vorderingen na de handeling van de derde zijn ontstaan. De curator heeft dan dus geen bijzondere volmacht nodig van die crediteuren. Indien een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders niet is aangetast op grond van art. 2:11 BW, volgt hieruit niet dat uitvoering van het besluit of het door uitoefening van het stemrecht bewerkstelligen van het besluit tegenover derden zoals schuldeisers niet onrechtmatig kan zijn.

De in de Faillissementswet met betrekking tot de verificatie getroffen voorzieningen staat niet in de weg aan een buiten die voorzieningen om gevoerd geding tussen de curator en een derde die een vordering op de gefailleerde pretendeert, waarbij inzet van het geding is of de vordering geverifieerd kan worden.

Casus

Nimox was enig aandeelhouder van Auditrade BV. Op 20 december 1983 besloot Nimox als enig aandeelhouder op de algemene vergadering van aandeelhouders van Auditrade zichzelf een dividend toe te kennen van ƒ 1.124.000,-. Een dag later verkocht Nimox 49% van de aandelen aan de directeur van Auditrade en 2% aan een derde. Op dezelfde dag verklaarden Nimox en Auditrade de dividendvordering om te zetten in een geldlening, onder o.a.de voorwaarde dat Nomix de tweede fiduciaire eigendom zou krijgen op de voorraden en debiteuren van Auditrade. Juni 1984 verkocht Nimox de vordering voor ƒ1.500.000,- aan NMB-Heller en stelde daarvoor een bankgarantie. NMB-Heller had de eerste fiduciaire eigendom van de voorraden en debiteuren van Auditrade. Op 7 augustus 1984 ging Auditrade failliet. De curator startte een actie uit onrechtmatige daad tegen Nimox.

Rechtbank en hof

De rechtbank wees de vordering van de curator toe op de volgende gronden. Nimox had onrechtmatig gehandeld jegens de schuldeisers door te stemmen voor het dividendbesluit, aangezien dit een ernstige aantasting van het eigen vermogen van Auditrade betekende; dit terwijl Auditrade op het punt stond zich te storten op een risicovol project (welk project zou mislukken waarna Auditrades faillissement volgde).

Nimox had zich de belangen van de overige schuldeisers onvoldoende aangetrokken; zij had het risico voor het mislukken van het project op zich moeten nemen en haar eigen vordering achter moeten stellen bij die van de andere schuldeisers. De schade bestaat hieruit, dat Nimox een concurrente in plaats van een achtergestelde vordering heeft. Die schade wordt goed gemaakt door de vordering van Nimox niet te verifiëren in het faillissement. De overdracht aan NMB-Heller was ook onrechtmatig, aangezien het NMB-Heller ingevolge art. 54 Faillissementswet niet vrijstond de van Nimox overgenomen vordering op Auditrade te verhalen op de haar door Auditrade verstrekte zekerheden indien NMB-Heller wist dat het faillissement van Auditrade te verwachten was. De meest passende vorm van schadevergoeding aan de schuldeisers is betaling van een bedrag door Nimox gelijk aan het

.....read more
Access: 
Public
Ontvanger/Hamm q.q. - Arrest

Ontvanger/Hamm q.q. - Arrest

Ontvanger/Hamm q.q. (HR 05-09-1997, NJ 1998, 437)

Rechtsregel

Wanneer de curator wordt geconfronteerd met een vordering uit hoofde van een ná de faillietverklaring ‘zonder rechtsgrond’ gedane betaling, die slechts het gevolg is van een ‘onmiskenbare vergissing’, handelt hij in overeenstemming met hetgeen in het maatschappelijk verkeer als betamelijk wordt beschouwd, indien hij meewerkt aan het ongedaan maken van die vergissing.     

De curator is in zo’n geval dan ook verplicht om, nadat hij het onverschuldigd betaalde heeft ontvangen en heeft geconstateerd dat sprake is van een vergissing, uit de beschikbare middelen van de boedel een bedrag gelijk aan dat waarmee de boedel is verrijkt te voldoen aan degene die onverschuldigd heeft betaald.          

De aard van deze verplichting brengt mee dat de curator haar zo spoedig mogelijk behoort na te komen, zonder de afwikkeling van de boedel af te wachten en met voorbijgaan van aanspraken van andere boedelcrediteuren.     

Ook brengt de aard van die verplichting mee dat de curator te dier zake geen bijdrage in de algemene faillissementskosten mag verlangen en slechts de redelijke kosten in mindering mag brengen die als gevolg van de vergissing en het nakomen van bedoelde verplichting mochten zijn veroorzaakt.   

N.B. Van deze situatie moet worden onderscheiden enerzijds de situatie dat aan de schuldenaar vóór diens faillietverklaring zonder rechtsgrond, al dan niet als gevolg van een vergissing, een geldsom is betaald en de schuldenaar de daaruit voortvloeiende verplichting tot teruggave van een gelijk bedrag niet vóór zijn faillietverklaring is nagekomen en anderzijds de situatie waarin een aan de schuldenaar na diens faillietverklaring gedane betaling – ten gevolge van het met terugwerkende kracht tot een vóór de faillietverklaring gelegen tijdstip vervallen van de rechtsgrond – achteraf onverschuldigd bleek te zijn.

 

Access: 
Public
Pannekeet/De Witt Wijnen q.q. - Arrest

Pannekeet/De Witt Wijnen q.q. - Arrest

Pannekeet/De Witt Wijnen q.q (HR 20-02-2004, NJ 2004, 252)

Op basis van art. 2:248 BW is de bestuurder gehouden het tekort dat overblijft na het faillisement te betalen. Wordt de bestuurder hierdoor ook een crediteur van de boedel?

In casu wilde de bestuurder een claim van de Ontvanger verlaagd krijgen. Dit probeerde hij toe doen door middel van art. 69 Fw. de curator te dwingen tot actie. Deze actie staat alleen open voor schuldeisers van de gefailleerde vennootschap. De vraag is dus of een bestuurder doordat hij op basis van art. 2:48 BW aan de boedel betaalt ook een schuldeiser van de boedel wordt.

De Hoge Raad beslist alsvolgt: Als een bestuurder op basis van art. 2:248 BW tekorten van het faillissement betaalt, krijgt deze geen regresrecht en wordt daardoor ook geen schuldeiser van de boedel. Regresrecht toekennen aan een bestuurder die op basis van art. 2:248 BW betaald heeft is niet te rijmen met de verplichting de tekorten te betalen en de aansprakelijkheid van de bestuurder op grond van art. 2;248 BW.

 

Access: 
Public
Peeters q.q./Gatzen - Arrest

Peeters q.q./Gatzen - Arrest

Peeters q.q./Gatzen (HR 14-01-1983, LJN AG4521; NJ 1983/597)

Van Rooij, buiten gemeenschap van goederen gehuwd met Gatzen, verkoopt en levert vóór zijn faillietverklaring de echtelijke woning, die aan hem toebehoorde, via een tussenpersoon voor een veel te lage prijs aan zijn echtgenote. In het faillissement van Van Rooij vordert de curator een verklaring voor recht dat Gatzen jegens de gezamenlijke schuldeisers van Van Rooij onrechtmatig heef gehandeld, alsmede veroordeling van Gatzen tot betaling van het verschil tussen de waarde van het huis en het door Gatzen betaalde bedrag. Gatzen had vóór het faillissement een schuld van Van Rooij betaald en wil dit bedrag verrekenen met het door haar verschuldigde.    

De Hoge Raad overweegt dat een faillissementscurator bevoegd is een vordering op grond van onrechtmatige daad in te stellen tegen een derde die bij benadeling van de
– gezamenlijke (!) – schuldeisers betrokken is, ook al kwam een dergelijke vordering uiteraard niet aan de gefailleerde zelf toe.  
Nu Gatzen schuldeiser van de gefailleerde en schuldenaar van de gezamenlijke schuldeisers is, wordt niet voldaan aan de door artikel 53 Fw voor verrekening gestelde wederkerigheidseis.

 

Access: 
Public
Rabobank en De Lage Landen/ Deterink q.q. - Arrest

Rabobank en De Lage Landen/ Deterink q.q. - Arrest

Rabobank en De Lage Landen/ Deterink q.q. (HR 13-12-2013, ECLI:NL:HR:2013:1910)

Casus

Het gaat in deze zaak om de uitleg van artikel 241c lid 2 Fw.

Art. 241c lid e FW stelt: een bodembeslag (van de ontvanger) dat tijdens de afkoelingsperiode wordt gelegd op een zaak, die zich op de bodem van de schuldenaar bevindt en die niet aan hem toebehoort, kan niet wordt tegengeworpen aan de eigenaar van de zaak of, als daarop een pandrecht van een ander rust, aan die ander.

Rechtsvraag

De prejudiciële vraag die in cassatie moet worden beantwoord, luidt als volgt: “Dient artikel 241c lid 2 Fw zodanig ruim te worden uitgelegd dat een opeising van bezitloos verpande bodemzaken door de pandhouder bij exploot, tijdens een afkoelingsperiode in surseance van betaling, ertoe leidt dat het bodemvoorrecht van de fiscus niet aan de bezitloze pandhouder kan worden tegengeworpen, en zo ja, geldt die bescherming van de pandhouder alleen indien tijdens de afkoelingsperiode bodembeslag op die bodemzaken is gelegd of ook indien geen bodembeslag is gelegd maar het uitspreken van het faillissement verhindert dat de pandhouder het bezitloos pandrecht alsnog omzet in een vuistpand?”

Met andere woorden: geldt art. 241c lid 2 Fw mede ten behoeve van houder van stil pandrecht op aan een schuldenaar toebehorende zaak?

Hoge Raad

De Hoge Raad stelt: “Naar de bedoeling van de wetgever ziet art. 241c Fw uitsluitend op het geval van opeising van een aan een ander dan de belastingschuldige toebehorende zaak en dus niet mede op het geval dat de houder van een stil pandrecht op een aan de belastingschuldige toebehorende zaak, deze op de voet van art. 3:237 lid 3 BW opeist. Dat staat ook letterlijk in de tekst van deze bepaling: "Een beslag als bedoeld in art. 22, derde lid, van de Invorderingswet 1990 dat tijdens de afkoelingsperiode wordt gelegd op een zaak die zich op de bodem van de gefailleerde (schuldenaar) bevindt en die niet aan hem toebehoort".”

Gelet op de bedoeling van de wetgever, het wezenlijke verschil met het geval van arrest Singulus/Memox en het gegeven dat de in art. 241c lid 2 Fw aan derde-rechthebbenden geboden bescherming door het nieuwe art. 22bis Iw aanzienlijk is ingeperkt, stelt de Hoge Raad in deze prejudiciële vraag dat de in art. 241c lid 2 Fw neergelegde regel niet geldt ten behoeve van de houder van een stil pandrecht op een zaak van de belastingschuldige.

 

Access: 
Public
Rabobank/Reuser - Arrest

Rabobank/Reuser - Arrest

Rabobank/Reuser (HR 03-06-2016, ECLI:NL:HR:2016:1046, NJ 2016/290)

Casus

Een kwekerij had een teeltsysteem aangeschaft voor €600.000. De verkoop van dit teeltsysteem vond plaats onder eigendomsvoorbehoud; hetgeen inhoudt dat de leverancier eigenaar blijft totdat de gehele koopsom betaald is. De kwekerij werd echter failliet verklaard op het moment dat €480.000 afbetaald was. De bank betaalde vervolgens de resterende €120.000, zodat de kwekerij na het faillissement als nog eigenaar van het teeltsysteem werd. De bank had in de financieringsovereenkomst een pandrecht bedongen op de inventaris van de kwekerij, zodat de bank zich kon verhalen op de volledige opbrengst. De curator maakte echter aanspraak op de overwaarde van het teeltsysteem, omdat het pandrecht van de bank volgens hem ongeldig was.

Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat een koper van onder eigendomsvoorbehoud geleverde zaken een eigendomsrecht onder opschortende voorwaarde verkrijgt. Dit voorwaardelijke eigendomsrecht kan overgedragen of bezwaard worden met een beperkt recht, zoals het pandrecht. Dit pandrecht wordt niet geraakt door het faillissement, omdat bij betaling van het resterende bedrag de zaak (het teeltsysteem) van rechtswege in de boedel valt. Hierdoor verkrijgt de bank een pandrecht op het volledige eigendomsrecht: de bank heeft een geldig pandrecht en de curator wordt in het ongelijk gesteld. Met deze overweging heeft de Hoge Raad de positie van financiële dienstverleners aanzienlijk versterkt.

 

Access: 
Public
Roeffen/Jaya - Arrest

Roeffen/Jaya - Arrest

Roeffen/Jaya (HR 29-11-2011, NJ 2014, 9)

Casus

I.c. gaat het om een zaak tussen mr. Roeffen, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van betrokkene 1, tegen JAYA B.V. Op 4 augustus 2008 heeft betrokkene 1 met Jaya een overeenkomst van geldlening gesloten, op grond waarvan Jaya aan hem € 525.000,-- leende tegen een rente van 6,5% op jaarbasis. Jaya heeft hiervoor een hypotheekrecht op een onroerende zaak van de betrokkene 1 bedongen. Op 10 maart 2009 is deze persoon in staat van faillissement verklaard. Waarna de curator Roeffen de overeenkomst vervolgens op grond van de faillissementspauliana buitengerechtelijk heeft vernietigd op grond van art. 42 Fw. Jaya vordert dan een verklaring voor recht dat de overeenkomst rechtsgeldig is, en niet kan worden vernietigd met een beroep op art. 42 en/of 47 Fw.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen en het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en de gevorderde verklaring voor recht toegewezen. Volgens het hof moet de overeenkomst worden gezien als een onverplichte rechtshandeling. Ingevolge art. 43 lid 1 Fw wordt vermoed dat beide contractspartijen wetenschap van benadeling hebben als binnen een jaar voor faillissement onverplicht zekerheid is gesteld voor een niet-opeisbare schuld. I.c. is aan die vereisten voldaan. Het gaat hier echter om een nieuw krediet zonder dat eerdere kredietverstrekking tussen dezelfde partijen heeft plaatsgevonden. Bij het verstrekken van een zekerheidsrecht voor een nieuwe kredietrelatie is er volgens het hof onvoldoende rechtvaardiging voor het aannemen van het wettelijke vermoeden van benadeling.

Hoge Raad

In cassatie wordt het beroep door de Hoge Raad verworpen. Volgens de Hoge Raad is het bewijsvermoeden van art. 43 Fw een uitzondering op de regel dat stelplicht en bewijslast van wetenschap van benadeling op de curator rust. Het bewijsvermoeden van art. 43 lid 1, aanhef en onder 2°, Fw is een uitzondering op de stelplicht en bewijslast op grond van art. 42 Fw en mag niet ruim worden uitgelegd. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van art. 43 Fw, blijkt dat het bewijsvermoeden zijn rechtvaardiging vindt in het verdachte karakter van de rechtshandeling. Dit verdachte karakter berust erop dat de handelingen waarop het bewijsvermoeden betrekking heeft, gewoonlijk zullen worden verricht in het volle bewustzijn dat de schuldeisers erdoor benadeeld worden. Zo’n karakter kan niet op voorhand worden toegeschreven aan de rechtshandeling waarin bij het aangaan van een nieuwe kredietrelatie zekerheid wordt bedongen voor de verschaffing van krediet(ruimte), zoals in deze zaak het geval is. 

Het is van belang dat de curator (voor zover mogelijk) feiten vaststelt waaruit blijkt dat de kredietverstrekker kennis had van de slechte financiële positie van zijn contractspartij.

De Hoge Raad veroordeelt de curator in de kosten van het geding in cassatie.

Kern

Het vermoeden pauliana geldt niet bij zekerheid voor nieuw krediet.

 

Access: 
Public
Simoca/Van den End q.q. - Arrest

Simoca/Van den End q.q. - Arrest

Simoca/Van den End q.q (HR 18-09-2009, NJ 2009, 438)

Casus

De curator heeft in het faillissement van de Simoca Groep een vordering ingesteld op grond van art. 2:248 BW. Het vorderde o.a. de bestuurder te veroordelen tot betaling van het bedrag van de schulden van de boedel. De voor het tekort aansprakelijk gestelde bestuurder beriep zich echter op verrekening op grond van artikel 53 Fw. De rechtbank heeft de vordering toegewezen en het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. Het hof vond de verrekening immers niet gerechtvaardigd en verwierp het beroep. Met betrekking tot het door de eiseres gedane beroep op verrekening van de vordering van de curator met een vordering die zij stelt op de Simoca Groep te hebben, overwoog het hof: "Het beroep van [eiseres] op verrekening wordt verworpen nu de door haar gepretendeerde vordering een vordering op de Simoca groep betreft, terwijl het bij de door de curator tegen haar ingestelde vordering om een vordering van de gezamenlijke crediteuren van de Simoca groep gaat en niet om een vordering van de Simoca groep, zodat ingevolge artikel 53 Fw verrekening is uitgesloten (HR 14 januari 1983 NJ'83;597)."

Volgens het hof was de vordering van de bestuurder een vordering op de vennootschap, terwijl het in i.c. niet aan de orde was. In de vordering van de curator tegen de bestuurder ging het om een vordering van de gezamenlijke crediteuren en niet om een vordering van de vennootschap. Het hof oordeelde daarom dat er niet werd voldaan aan de eis van wederkerigheid zoals neergelegd in artikel 53 Fw.

Hoge Raad

In cassatie richt het middel zicht tegen dit oordeel van het hof. Het betoogt dat een vordering als bedoeld in art. 2:248 toekomt aan de vennootschap (respectievelijk de failliete boedel) en niet aan de schuldeisers, zodat de ingeroepen verrekening niet kan worden uitgesloten wegens het ontbreken van de vereiste wederkerigheid. Voorts dat de verwijzing van het hof naar het arrest van 14 januari 1983 onjuist, althans niet begrijpelijk is, nu art. 2:248 niet een lex specialis is van art. 6:162 BW, maar een nadere invulling inhoudt van art. 2:9 BW.

De Hoge Raad sluit zich aan bij de uitspraak van het hof en benadrukt nogmaals dat het bij de gebruikte formulering in artikel 2:248 BW om een aansprakelijkheid jegens de boedel gaat en niet jegens de gefailleerde vennootschap. Aangezien 's hofs oordeel dat de door eiseres gepretendeerde vordering op de gefailleerde vennootschappen door haar niet in verrekening gebracht kan worden met de door de curator tegen haar ingestelde vordering, juist is. De aansprakelijkheid van bestuurders ingevolge de art. 2:138 en 2:248 BW is geen aansprakelijkheid jegens de gefailleerde vennootschap maar een aansprakelijkheid jegens de boedel. De aansprakelijke bestuurder is geen schuldenaar van de gefailleerde, terwijl zijn schuld bovendien niet vóór de faillietverklaring is ontstaan of voortvloeit uit handelingen door hem vóór de faillietverklaring met de vennootschap verricht, zodat niet is voldaan aan de door art. 53 F. voor verrekening gestelde voorwaarden.

Met andere woorden, de Hoge Raad maakt duidelijk

.....read more
Access: 
Public
Tiethoff q.q./NMB - Arrest

Tiethoff q.q./NMB - Arrest

Tiethoff q.q./NMB (HR 22-12-1989, LJN AD0995; NJ 1990/661 m.nt. P. van Schilfgaarde)

Casus

Sinds 1980 heeft Het Residentieslachthuis BV aan NMB een kantoorpand verhuurd, voor een prijs van ƒ 14.762,49 per kwartaal, bij vooruitbetaling te voldoen. Bij vonnis van de rechtbank op 17 juli 1985 is Het Residentieslachthuis in staat van faillissement verklaard. De curator vordert in deze procedure, stellende dat NMB de huur over het vierde kwartaal van 1985 en over de vier kwartalen van 1986 niet heeft betaald, de veroordeling van NMB tot betaling ƒ 73.812,45 en per 1 januari 1987 ƒ 14.762,49 per kwartaal, zolang NMB het genot van het gehuurde heeft. NMB heeft die vordering bestreden, stellende dat zij de gefailleerde vennootschap kredieten – tot op de dag van faillietverklaring ƒ 4.746.344,18 – heeft verleend en dat zij zich op grond van artikel 53 Fw op verrekening kan beroepen.

De curator heeft bestreden dat aan NMB een beroep op verrekening toekomt.   

Hoge Raad

Een redelijke uitleg van artikel 53 Fw brengt mee dat een uitzondering moet worden aanvaard voor het geval van een na de faillietverklaring ontstane schuld die voortvloeit uit een daarvoor met de gefailleerde gesloten, na de faillietverklaring nog voortdurende overeenkomst, krachtens welke die schuld de tegenprestatie betreft voor een prestatie die van de faillietverklaring af ten laste van de boedel moet worden verricht. Deze uitzondering geldt met name wanneer de curator, zoals bij de onderhavige huurovereenkomst, ondanks het faillissement gehouden is die prestatie te blijven verrichten en de wederpartij compensatie verlangt met een vordering die met deze overeenkomst geen verband houdt. Een andere opvatting zou ertoe leiden dat het aan de Faillissementswet mede ten grondslag liggende beginsel van de gelijkheid van de schuldeisers op onaanvaardbare wijze zou worden doorbroken, doordat de betreffende schuldeiser hier niet alleen ter verkrijging van voldoening van zijn vordering gebruik zou kunnen maken van de bijzondere regel van artikel 53 Fw, maar bovendien aldus veelal zonder reële tegenprestatie aanspraak zou kunnen blijven maken op hetgeen jegens hem door de curator ten laste van de boedel moet worden verricht. Aldus zou bovendien een goed beheer ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers van de tot de boedel behorende goederen ten aanzien waarvan lang lopende overeenkomsten als de onderhavige bestaan, in ernstige mate worden bemoeilijkt.                                                                                                          

 

Access: 
Public
Unitco - Arrest

Unitco - Arrest

Unitco (HR 17-01-2014, NJ 2014/61)

Casus

Unitco heeft het faillissement aangevraagd van haar schuldenaar. Deze schuldenaar is door de rechtbank in staat van faillissement verklaard. Volgens de rechtbank was de vordering van Unitco aannemelijk, waren er steunvorderingen en verkeerde de schuldenaar in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen. De schuldenaar gaat in hoger beroep tegen de faillietverklaring. De schuldenaar stelt namelijk dat alle steunvorderingen inmiddels zijn voldaan respectievelijk zijn kwijtgescholden. Volgens de schuldenaar bestaat alleen nog de schuld aan Unitco.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Volgens het hof moet in een eenmaal uitgesproken faillissement worden uitgegaan van het bestaan van (nog onbekende) steunvorderingen, tenzij het tegendeel aannemelijk is gemaakt. Volgens het hof is selectieve betaling van steunvorderingen daarvoor niet voldoende. Dit vormt een ontoelaatbare doorbreking van de paritas creditorum. Het doorbreken van de paritas creditorum is ontoelaatbaar en een schending van de rechten van de schuldeisers wier vorderingen onbetaald blijven.

In cassatie wordt duidelijk dat vaststaat dat Unitco een vordering heeft op de schuldenaar en dat voor faillietverklaring is vereist dat de schuldenaar meer dan één schuldeiser heeft en dat het bestaan van de vorderingen summierlijk is gebleken. Als de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, moet de rechter in hoger beroep opnieuw  onderzoeken of aan de vereisten voor faillietverklaring is voldaan. Bij zijn beslissing daarover dient hij uit te gaan van de toestand ten tijde van zijn uitspraak en moet hij dus de op dat moment bestaande omstandigheden in aanmerking nemen.

Hoge Raad

De Hoge Raad stelt het volgende. Indien de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, moet het hof opnieuw onderzoeken of nog aan de vereisten voor faillietverklaring wordt voldaan. Het hof moet dan ook beoordelen of ten tijde van de uitspraak in appel is voldaan aan het vereiste van pluraliteit van schuldeisers. Voor het in hoger beroep handhaven van een faillissement is (evenals voor het uitspreken van een faillissement) vereist dat het bestaan van steunvorderingen summierlijk is gebleken. Het hof had dus naar aanleiding van de stellingen van de schuldenaar moeten onderzoeken of (nog) daadwerkelijk aan dit vereiste was voldaan.

In het algemeen is het niet ontoelaatbaar om tijdens het hoger beroep steunvorderingen te laten voldoen. Dit levert geen doorbreking van de paritas creditorum op. De paritas creditorum geeft schuldeisers namelijk slechts recht op gelijke behandeling bij de voldoening van hun vorderingen uit (de opbrengst van) de goederen van de schuldenaar (art. 3:277 BW).

Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het niet kan uitsluiten dat de schuldenaar met derden leningen is aangegaan om de steunvorderingen te betalen, geeft het oordeel ook blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof had immers moeten onderzoeken of summierlijk van zodanige leningen is gebleken.

 

Access: 
Public
Van Dooren q.q./ABN AMRO I - Arrest

Van Dooren q.q./ABN AMRO I - Arrest

Van Dooren q.q./ABN AMRO I (HR 16-06-2000, NJ 2000, 578 ) 

Casus

ABN Amro Bank verhoogt de kredietfaciliteit van in liquiditeitsproblemen verkerende groep ondernemingen. In verband daarmee heeft de bank hypothecaire zekerheid bedongen, niet alleen voor het extra verleende krediet van f 1 000 000, maar ook voor het reeds gebruikte krediet van f 8 000 000. Twee dagen na de inschrijving van de hypotheken in de openbare registers is voorlopige surseance van betaling gevraagd en verkregen. Vijf dagen daarna werd het faillissement uitgesproken. De curator vordert vernietiging van de vestiging van de hypotheken, stellende (1) dat wetenschap van ophanden zijn van aanvraag surseance is gelijk te stellen aan wetenschap van aanvraag van faillissement als bedoeld in art. 47 Fw., (2) dat de bank door de aanvaarding van de hypotheken de concursus tussen de schuldeisers doorbrak en aldus onrechtmatig handelde, en (3) dat de toezegging tot zekerheidstelling een onverplichte rechtshandeling is als bedoeld in art. 43, lid 1, sub 2 Fw.

Rechtsvraag

In deze zaak gaat het vooral om twee vragen:

  1. Is er aanleiding - althans in het geval van zekerheidstelling kort voor het faillissement - voor de toepassing van art. 47 lid 1 F een vergelijkbare maatstaf te hanteren als die geldt bij de toepassing van artikel 54 F?

  2. In hoeverre is er plaats voor een vordering uit onrechtmatige daad tegen de wederpartij van de schuldenaar als vaststaat dat de rechtshandeling niet vernietigbaar is op grond van de artikelen 42 en 47 F?

Hoge Raad

De wetgever heeft - in het kader van de regeling van de faillissementspauliana - op de regel "geen nietigheid van verplichte handelingen" in art. 47 Fw twee nauwkeurig geformuleerde uitzonderingen toegelaten (wetenschap aanvraag faillissement en "overleg"); er is geen grond om voldoening aan een opeisbare verbintenis tot het verstrekken van hypotheek buiten de aan art. 47 ontleende gronden nietig te verklaren op de in art. 54 Fw vervatte grond dat de hypotheekhouder niet te goeder trouw heeft gehandeld. Hof heeft geen blijk gegeven van onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat slechts bijzondere omstandigheden de hypotheekvestiging onrechtmatig zouden kunnen doen zijn ingeval geen sprake is van vernietigbaarheid o.g.v. art. 47 en 42 Fw.

 

Access: 
Public
Van Dooren q.q./ABN AMRO II - Arrest

Van Dooren q.q./ABN AMRO II - Arrest

Van Dooren q.q./ABN AMRO II (HR 08-07-2005, LJN AT1089; NJ 2005/457)

Een schuldenaar die ten laste van een hem verleend bankkrediet een van zijn schuldeisers voldoet, bewerkstelligt een verhoging van zijn schuld aan de bank ten bedrage van de aan die schuldeiser betaalde geldsom. Indien de bank het kredietplafond verhoogt tegen aanvullende zekerheidstelling en de schuldenaar vervolgens de vrijgekomen kredietruimte gebruikt voor de voldoening van een deel van zijn schuldeisers, brengt dat dan ook in diens totale schuldenlast geen wijziging. De bank heeft evenwel op de opbrengst van de in aanvullende zekerheid verbonden zaken voorrang verkregen boven de resterende schuldeisers, terwijl de voldane schuldeisers slechts concurrent waren. De resterende schuldeisers krijgen derhalve in plaats van met concurrente medeschuldeisers, te maken met de bank als preferent medeschuldeiser. Een dergelijke verschuiving in verhaalspositie zal, behoudens het geval dat de bank de aanvullende zekerheid niet behoeft aan te spreken tot verhaal van haar vordering, ‘benadeling’ (artikel 42 Fw) van de resterende schuldeisers meebrengen, ongeacht voor welk bedrag er schuldeisers dankzij de verhoging van het kredietplafond zijn voldaan.      

 

Access: 
Public
Van Dooren q.q./ ABN Amro III - Arrest

Van Dooren q.q./ ABN Amro III - Arrest

Van Dooren q.q./ ABN Amro III (HR 22-12-2009, NJ 2010, 273)

Dit arrest borduurt voort op de vorige twee arresten van Van Dooren q.q./ABN Amro. Voor de feiten, zie deze arresten. Het gaat om een geding na tweede verwijzing.

De maatstaf ‘weten of behoren te weten’ in de zin van art. 42 F houdt in wetenschap van benadeling in de zin van art. 42 F. Hiervan is sprake wanneer ten tijde van handeling het faillissement en een tekort daarin met een redelijke mate van waarschijnlijkheid waren te voorzien voor zowel de schuldenaar als degene met of jegens wie hij de rechtshandeling verrichtte. De faillissementscurator die zich beroept op art. 42 F. draagt bewijslast van deze wetenschap. Doen zich de in art. 43 lid 1, aanhef en onder 2, F. bedoelde omstandigheden voor dan wordt, behoudens tegenbewijs, deze wetenschap bij schuldenaar en wederpartij aangenomen. De bank die op verzoek van in financiële problemen verkerende onderneming overweegt tegen zekerheid (aanvullend) krediet te verlenen, dient de beschikbare financiële gegevens te analyseren met het oog op de vraag of een faillissementen een tekort daarin, en derhalve benadeling van schuldeisers, met een redelijke mate van waarschijnlijkheid zijn te voorzien. In casu is hiervan onvoldoende gesteld om rechtsvermoeden van art. 43 lid 1, aanhef en onder 2, F. te weerleggen.

 

Access: 
Public
Van Leuveren q.q./ING - Arrest

Van Leuveren q.q./ING - Arrest

Van Leuveren q.q./ING (HR 01-02-2013, NJ 2013/156)

Casus

De feiten in dit geschil komen in hoofdlijnen overeen met die van het Dix q.q./ING-arrest. Het betreft namelijk de situatie dat een kredietnemer tot zekerheid van al hetgeen hij aan een bank schuldig is en zal worden, zich door middel van een stampandakte verbindt zijn toekomstige vorderingen op derden aan deze bank te verpanden en de bank een onherroepelijke volmacht bedingt om de vorderingen daadwerkelijk aan zichzelf te verpanden.

Hoge Raad

De Hoge Raad heeft voorop gesteld dat een volmachtverlening die uitsluitend ertoe strekt verpandingen tot stand te brengen, beschouwd moet worden als uitvoering van de in die stampandakte neergelegde verplichting tot verpanding. De volmachtverlening kan dan ook niet worden aangemerkt als een onverplichte rechtshandeling in de zin van artikel 42 Fw. Voorts heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de enkele wetenschap bij partijen van het feit dat de andere schuldeisers worden benadeeld nog geen samenspanning in de zin van artikel 47 Fw oplevert.

De belangrijkste overweging uit dit arrest is echter het volgende. In het arrest Dix q.q./ING bleef een los eindje hangen. In een verzamelpandakte worden de vorderingen en de pandgevers niet gespecificeerd. Zij worden generiek omschreven. Mede in verband met de mogelijkheid van antedatering is, wil een verpandingsconstructie als het onderhavige rechtsgevolg hebben, nodig dat de eerdere datering vaststaat van zowel de akte waarin de titel voor de verpanding ligt besloten als de akte waarin de volmacht is verleend. In het arrest Dix q.q./ING werd aan deze voorwaarde voldaan door zowel de stampandachte als de volmachtakte in te schrijven. De vraag die bleef hangen was of dit ook vereist was. De Hoge Raad heeft in dit arrest deze vraag ontkennend beantwoord. In dit arrest heeft de Hoge Raad vastgesteld dat uit het Dix q.q./ING-arrest niet volgt dat alleen op grond van registratie kan worden aangenomen dat de datering van de akten vaststaat. Indien die datering wordt betwist, ligt het in beginsel op de weg van de partij die zich op de akte beroept om de juistheid van die datering te bewijzen.

 

Access: 
Public
X/Gips - Arrest

X/Gips - Arrest

X/Gips (HR 16-12-2011, NJ 2012, 515)

Casus

In X/Gips draait het, net als bij Maclou/Curatoren Van Schuppen, om de aansprakelijkheid van de curator in zijn persoon. Oftewel de aansprakelijkheid van de curator pro se.

Gips is in staat van faillissement gesteld en X wordt aangewezen als curator. De curator organiseert een veiling waarbij de panden en de inventaris worden verkocht. Er wordt geen bodemprijs gehanteerd en bij de opheffing van het faillissement blijft er een restschuld over. Gips is het niet eens met de gang van zaken en stapt naar de rechter. Hij vordert een schadevergoeding en stelt dat de curator zijn taak niet goed heeft uitgevoerd en de zorgvuldigheidsnorm heeft overtreden door een bod van een makelaarskantoor, die alle schulden had kunnen afbetalen, af te slaan en geen bodemprijs in de veiling te hanteren. Daarnaast was er een taxatierapport waarin de inventaris veel hoger is getaxateerd dan wat er nu voor betaald is.

Het hof heeft de vorderingen toegewezen. De curator is het niet eens met de uitspraak van het hof en gaat in hoger beroep. De curator beroept zich hierbij onder andere op de Maclou-norm; ‘een curator hoort te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht’. (Maclou/curatoren Van Schuppen r.o. 3.6)

Hoge Raad

De Hoge Raad bevestigt dat een curator persoonlijk aansprakelijk gesteld kan worden als hij zijn taak niet naar behoren vervuld. Hij kan aansprakelijk zijn tegenover degenen wiens belangen hij behartigt, de gezamenlijke schuldeiser, maar ook door derden met wiens belangen hij rekening dient te houden, zoals de gefailleerde. De curator komt een grote mate van vrijheid toe. Hij moet het belang van de boedel behartigen, maar mag dit naar eigen inzicht doen. Dit geldt ook voor het te gelde maken van het actief.

De Hoge Raad geeft aan dat bij het toepassen van de Maclou-norm, in verband met persoonlijke aansprakelijkheid van de curator, terughoudendheid geboden is. Voor persoonlijke aansprakelijkheid is een persoonlijk verwijt nodig. De curator moet het niet correcte van zijn handelen ingezien hebben, of de curator behoorde dit in te zien. Het Hof heeft geen recht gedaan aan de positie van de curator en onvoldoende terughoudendheid in de toepassing van de Maclou-norm toegepast.

Oftewel: Voor aansprakelijkheid van de curator in de hoedanigheid van zijn persoon moet er sprake zijn van persoonlijk verwijt. Het is moeilijk tot aansprakelijkheid van de curator te komen. De curator heeft veel beleidsvrijheid, zover hij niet gebonden is aan regels, in de uitoefening van zijn taken.

Bij vraagstukken omtrent aansprakelijkheid van curatoren is het van belang in gedachten te houden dat of iemand aansprakelijk is of niet altijd gebaseerd is op casuistiek. Omdat de Hoge Raad niet in gaat op de feiten van een zaak, kan er ook bijna niet een algemene maatstaf omtrent aansprakelijkheid gegeven worden. In het Maclou-arrest is er bij uitzondering wel een maatstaf gegeven. In het Mobell/Interplan-arrest, wat aansprakelijkheid van de curator q.q. behandeld, wordt ook

.....read more
Access: 
Public
Insolventierecht & Faillissement: Uitgelichte samenvattingen en studiehulp - Bundel

Ondernemingsrecht & Rechtspersonenrecht: Uitgelichte arrestsamenvattingen - Bundel

ABN AMRO Holding - Arrest

ABN AMRO Holding - Arrest

ABN AMRO Holding (HR 13-07-2007, NJ 2007, 434)

Casus

Het gaat in deze zaak – een enquêteprocedure naar het beleid en de gang van zaken van ABN AMRO – met name om de vraag welk orgaan de bevoegdheid toekomt om de strategie van de vennootschap te bepalen, meer bepaald de reikwijdte van artikel 2:107a BW.

Hoge Raad

Het bepalen van de strategie van een vennootschap en de daaraan verbonden onderneming is in beginsel een aangelegenheid van het bestuur van de vennootschap. De RvC houdt daarop toezicht en de AVA kan haar opvattingen ter zake tot uitdrukking brengen door uitoefening van de haar in wet en statuten toegekende rechten. In het algemeen betekent dit laatste dat het bestuur van een vennootschap aan de AVA verantwoording heeft af te leggen van zijn beleid maar dat het, behoudens afwijkende wettelijke of statutaire regelingen, niet verplicht is de algemene vergadering vooraf in zijn besluitvorming te betrekken als het gaat om handelingen waartoe het bestuur bevoegd is.

In artikel 2:107a BW is omschreven welke besluiten van het bestuur, in afwijking van deze vermelde hoofdregel, zijn onderworpen aan de goedkeuring van de AVA. Het besluit tot afsplitsing en verkoop van een van de belangrijkste bankactiviteiten van ABN AMRO kan niet worden aangemerkt als een besluit omtrent een ‘belangrijke verandering van de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming’. Bij de totstandkoming van artikel 2:107a BW kwam weliswaar aan de orde dat een rol voor de AVA ook is weggelegd bij besluiten die onder meer betrekking hebben op het beschikken over delen van de met de vennootschap verbonden onderneming, maar daaraan is toegevoegd dat dit alleen geldt in gevallen waarin die besluiten zo ingrijpend zijn dat zij de aard van het aandeelhouderschap veranderen en wel zo, dat de aandeelhouder daardoor als het ware kapitaal gaat verschaffen aan – en een belang gaat houden in – een wezenlijk andere onderneming. Daarvan is in dit geval geen sprake, ook al gaat het om een op zichzelf zeer omvangrijke (een zgn. ‘majeure’) transactie.

Ook is geen van de in artikel 2:107a lid 1, onder a, b en c BW genoemde gevallen aan de orde. Ofschoon dit artikel geen limitatieve opsomming bevat, is wel beoogd met de aldaar specifiek genoemde gevallen een duidelijke indicatie te geven wanneer deze bepaling behoort te worden toegepast. De wetgever heeft onderkend dat het niet goed mogelijk is in alle denkbare situaties te voorzien en heeft een in beginsel open norm gegeven, die echter in verband met de vereiste rechtszekerheid in zoverre een duidelijke beperking inhoudt dat aan de AVA een goedkeuringsrecht uitsluitend toekomt wanneer een bestuursbesluit zodanig ingrijpend is dat daardoor de identiteit of het karakter van de vennootschap of de onderneming en de aard van het aandeelhouderschap veranderen in vorenbedoelde zin. Voor een ruimere toepassing van deze bepaling dan binnen voormelde strekking ervan past, is dus geen plaats.

Dit artikel kan daarom ook geen analoge toepassing vinden als het gaat om een aangelegenheid die zozeer ‘raakt aan’ gevallen die

.....read more
Access: 
Public
Ajax / Reule - Arrest

Ajax / Reule - Arrest

Ajax / Reule (HR 26-02-1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2861)

Casus

Ajax c.s. hebben onder Reule conservatoir beslag gelegd op een partij caps, sjaals en mutsen, die waren voorzien van het Ajax logo en het woordmerk Ajax, maar niet van licentiestickers. In het door Ajax aangespannen kort geding vordert Reule c.s. in reconventie opheffing van het beslag.

Rechtsvraag

Kan de eis in de hoofdzaak worden ingesteld in kort geding?

Hoge Raad

Conservatoir beslag wordt executoir beslag, zie art. 704 RV. In verband hiermee is aanvaard dat het instellen van de eis in de hoofdzaak, nu in kort geding een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling tot voldoening van de vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd kan worden verkregen.

 

Access: 
Public
Albada Jelgersma/Inza - Arrest

Albada Jelgersma/Inza - Arrest

Albada Jelgersma/Inza (HR 19 februari 1988, NJ 1988, 487)

Casus

Het gaat in deze zaak om (de zogenaamde doorbraak van) aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad van moedermaatschappij Albada Jelgersma Holding BV (hierna: AJ) voor schulden van dochtermaatschappij Wijnalda Kuntz BV (hierna: WK).

Hoge Raad

De overwegingen die het hof hebben geleid tot het oordeel dat AJ jegens Inza aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad kunnen als volgt worden samengevat. Toen AJ eind augustus/begin september 1980 de aandelen-WK overnam was de financiële positie van WK zorgelijk; zij genoot geen of onvoldoende leverancierskrediet. Na de overname heeft AJ zich intensief en indringend met WK bemoeid. Zij had zeggenschap over de bedrijfsvoering van WK, met name ook op het terrein van de inkopen. In aanmerking genomen dat AJ op grote schaal ruchtbaarheid aan de overname heeft gegeven, waarna bij leveranciers van WK de verwachting bestond dat AJ geleidelijk aan erin zou slagen WK weer gezond te maken, was AJ gehouden maatregelen te nemen, toen zij voorzag of behoorde te voorzien dat Inza bij voortzetting van haar omvangrijke leveranties van melkprodukten – die snel en met winst door WK doorverkocht werden – benadeeld zou worden door gebrek aan verhaal. AJ had hetzij zelf voor voldoening van Inza moeten zorgen, hetzij erop moeten toezien dat WK geen goederen meer inkocht. AJ had die maatregelen moeten nemen terstond na Kerstmis 1980, nadat haar interne register-accountant op 23 december 1980 had gerapporteerd dat de door de verkopers van de aandelen gegarandeerde balans omvangrijke omissies, ter grootte van ƒ 3.277.312,- vertoonde, een bevinding die ‘het einde’ voor WK betekende. AJ heeft zowel het een als het ander nagelaten en WK laten begaan, zodat deze op grote schaal goederen van Inza bleef betrekken. Uitgaande van hetgeen het hof feitelijk heeft vastgesteld heeft het geen rechtsregel geschonden door te oordelen dat AJ, door na te laten erop toe te zien dat WK geen goederen meer van Inza inkocht en evenmin zelf voor betaling van de voortgezette leveranties te zorgen, zich onrechtmatig jegens Inza heeft gedragen.

Access: 
Public
ASM International - Arrest

ASM International - Arrest

ASM International (HR 09-07-2010, LJN BM0976; NJ 2010/544)    

Het bestuur van een vennootschap behoort bij de vervulling van zijn bij wet of statuten opgedragen taken het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming voorop te stellen en de belangen van alle betrokkenen, waaronder die van de aandeelhouders, bij zijn besluitvorming in aanmerking te nemen. De te volgen strategie is in beginsel een aangelegenheid van het bestuur en het is aan het bestuur, onder toezicht van de RvC, te beoordelen of en in hoeverre, het wenselijk is daarover in overleg te treden met externe aandeelhouders. Het bestuur van een vennootschap heeft weliswaar aan de AVA verantwoording af te leggen van zijn beleid maar is, behoudens afwijkende wettelijke of statutaire regelingen, niet verplicht de AVA vooraf in zijn besluitvorming te betrekken als het gaat om handelingen waartoe het bestuur bevoegd is. 

De RvC is belast met het toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en staat het bestuur met raad en daad terzijde (zie artikel 2:140 lid 2 BW). Deze wettelijke taakopdracht brengt niet mee dat de RvC de verplichting heeft een bemiddelende rol te vervullen bij conflicten tussen bestuur en aandeelhouders. De RvC is dienaangaande aan de aandeelhouders ook geen verantwoording verschuldigd. Best Practice bepaling III.1.6(f) Code Tabaksblat 2008 die inhoudt dat het toezicht van de RvC op het bestuur onder meer de verhouding tussen bestuur en aandeelhouders omvat en de uit artikel 2:8 lid 1 BW voortvloeiende, door de vennootschap met betrekking tot de belangen van al haar aandeelhouders te betrachten zorgvuldigheid, geven geen aanleiding tot een ander oordeel.    

De RvC kan door de aandeelhouders wel worden benaderd met verzoeken om bemiddeling of anderszins en zal dan adequaat vanuit zijn eigen taakopdracht moeten handelen. Een verplichting tot actieve bemiddeling door de RvC zou daarentegen op gespannen voet komen te staan met de beleidsvrijheid van de RvC bij de uitoefening van die taak. De RvC moet immers, gelet op zijn verantwoordelijkheid jegens de vennootschap en de met haar verbonden onderneming, de vrijheid hebben om van geval tot geval een afweging te maken of rechtstreeks contact met de aandeelhouders en/of bemiddeling tussen aandeelhouders en bestuur wenselijk is in het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.

Uit de taak van de RvC en het bestuur vloeit voort dat deze organen van de vennootschap in het algemeen vrij zijn om personen tot (strategisch) adviseur te benoemen. Niet in te zien valt dat door de benoeming van voornoemde adviseurs het de AVA onmogelijk is gemaakt om de haar in de wet en de statuten toegekende rechten en bevoegdheden ter zake van onder meer de strategie en het beleid van de onderneming uit te oefenen, ook niet wanneer met de OK moet worden aangenomen dat de aangestelde adviseurs een cruciale rol bij die strategie en dat beleid (zullen) spelen. De AVA kan immers de keuze van een adviseur of de wijze

.....read more
Access: 
Public
Astense dierenartspraktijk - Arrest

Astense dierenartspraktijk - Arrest

Astense dierenartspraktijk (HR 02-09-2011, JOR 2011/361)

Relevante artikelen

7A:1655 BW

Onderwerp

Kwalificatie samenwerkingsverband als maatschap

Casus

P.F. van den Eijnde drijft vanaf 1977 een dierenartspraktijk in de vorm van een BV. Hij heeft drie werknemers: F. Gehem, Van den Eijnde (zoon van) en Fuchs. In 1987 wordt deze BV omgedoopt in P.F. van den Eijnde Beheer BV. Deze BV houdt de aandelen in de nieuw opgerichte PF BV, in welke de dierenartspraktijk wordt voortgezet. De zojuist genoemde werknemers blijven met PF BV samenwerken als dierenartsen, maar niet meer in loondienst. Zij krijgen allen periodiek geld uitgekeerd door PF BV. In deze tijd treedt Vink als dierenarts in loondienst bij PF BV en ook hij gaat deel uitmaken van het samenwerkingsverband. In 1993 treedt DOP BV toe tot het samenwerkingsverband. DOP BV ontvangt daarmee ook periodiek een bedrag van PF BV. In 1994 gaat P.F. van den Eijnde met pensioen en draagt hij zijn aandelen in PF BV over aan zijn zoon, Van den Eijnde. Uiteindelijk raken de verhoudingen ernstig verstoord en Gehem, Fuchs, Vink en DOP BV vorderen ontbinding van de maatschap en afrekening op basis van gelijkwaardigheid vanaf 1987 tot 1995. Van den Eijnde moet voor de kosten opdraaien.

Rechtbank en hof

Wegens de flink verslechterde verhoudingen ziet de rechtbank zich genoodzaakt om de maatschap te ontbinden ingevolge art. 7A:1684 BW. Daarbij overweegt de rechtbank dat er vanaf 1987 sprake was van een maatschap in de zin van art. 7A:1655 BW waarvan het vermogen van PF BV als het maatschapsvermogen moet gelden. Van den Eijnde is het hiermee niet eens en voert in hoger beroep aan dat er geen sprake was van een samenwerkingsovereenkomst die tot het ontstaan van een maatschap heeft geleid. Het hof stelt voorop dat niet is gebleken van expliciete afspraken waaruit blijkt dat de partijen hebben beoogd om een maatschapsovereenkomst te sluiten. Vervolgens overweegt het hof dat een overeenkomst van maatschap vormvrij is en dus niet schriftelijk hoeft te worden aangegaan. Het hof onderscheidt de volgende elementen van een maatschap: overeenkomst, samenwerking, gelijkwaardigheid, verdeling van voordeel, inbreng en gerichtheid op voordeel voor alle deelnemers. Volgens het hof blijkt uit de feitelijke situatie tussen de samenwerkende dierenartsen dat al deze elementen aanwezig waren en er dus sprake was van een maatschap.

Hoge Raad

Van den Eijnde voert aan tegen het oordeel van het hof dat het hof had moeten onderzoeken of tussen partijen een overeenkomst van maatschap tot stand was gekomen. Volgens hem moet er sprake zijn van een contractuele relatie tussen alle betrokkenen. De Hoge Raad overweegt dat Van den Eijnde eraan voorbijgaat dat een overeenkomst ook tot stand kan komen door een tussen partijen bestaande feitelijke situatie, niet louter via een schriftelijke overeenkomst. Aldus kon het hof concluderen dat de partijen zich stilzwijgend hadden verbonden om als vennoten een maatschap te vormen. Alle middelen die Van den Eijnde aanvoert ketsen af op dit uitgangspunt. De Hoge Raad oordeelt dat het hof, bij ontbreken van een schriftelijke overeenkomst, terecht alle materiële kenmerken van

.....read more
Access: 
Public
Bato's erf - Arrest

Bato's erf - Arrest

Bato’s Erf (HR 16 juni 1995)

Casus

Het ging in dit geval om een bedrijfsterrein. Op dit terrein was tot 1982 een steenfabriek gevestigd en het terrein werd in 1998 verkocht. De nieuwe eigenaar kwam erachter dat er sprake was van bodemverontreiniging. De Nederlandse Staat zocht verhaal op de veroorzaker van de verontreiniging. De Staat heeft immers saneringskosten moeten maken. Bato’s Erf Beheer Nijmegen was de moedermaatschappij en had een nauwe verwevenheid met de eigenaar van de steenfabriek. De vraag was dus of ze met Bato’s erf vereenzelvigd konden worden. Deze vraag is van belang, omdat alleen Bato’s Erf aansprakelijk gesteld kon worden voor de bodemverontreiniging tot het jaar 1982. Men kon Bato’s erf aansprakelijk stellen op grond van de onrechtmatige daad. De aansprakelijkstelling voor bodemverontreiniging is immers alleen mogelijk voor een handelen of nalaten na 1 januari 1975. Bato’s beheer, de moedermaatschappij, had de fabriek al op 30 september 1974 overgedragen aan de steenfabriek. Bato’s Erf was opgericht door Bato’s Beheer. Bato’s Beheer bezat 100% van de aandelen van Bato’s Erf. In principe hadden beide rechtspersonen dezelfde bestuurder. Bato’s Beheer is zelfs bestuur gaan voeren over Bato’s Erf.

Het hof

Het hof oordeelde dat de maatschappelijke en economische verwevenheid, dus door het bezit van alle aandelen en door het gezamenlijk bestuur, zo was, dat Bato’s Beheer volledig bij Bato’s Erf betrokken was. Doordat men volledig betrokken was gebleven, viel de exploitatie ook onder de verantwoordelijkheid van Bato’s Beheer.

Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelde dat het feit dat een moedermaatschappij en de dochtermaatschappij dezelfde bestuurder en aandeelhouder hebben er nog niet voor zorgt dat de bedrijfsactiviteiten van de dochtermaatschappij bedrijfsactiviteiten van de moedermaatschappij worden. Het feit dat het bestuur en de aandeelhouder hetzelfde zijn, heeft dus nog niet tot gevolg dat de moedermaatschappij voor alle onrechtmatige activiteiten aansprakelijk is.

Kern

Het feit dat er sprake is van hetzelfde bestuur en dezelfde aandeelhouder leidt niet automatisch tot aansprakelijkheid van de moedermaatschappij. Dit kan wel het geval zijn wanneer de rechtspersoonlijkheid is gebruik om onder deze aansprakelijkheid uit te komen. 

 

Access: 
Public
Beklamel - Arrest

Beklamel - Arrest

Beklamel (HR 6 oktober 1989, NJ 1999, 286)

Casus

Een bestuurder van een vennootschap koopt in die hoedanigheid goederen die door de vennootschap niet worden betaald, waarna de vennootschap failleert. De verkoper stelt de bestuurder persoonlijk aansprakelijk op grond van onrechtmatige daad.

Hoge Raad

Beslissend is of de bestuurder bij het aangaan van een overeenkomst namens de vennootschap wist, althans redelijkerwijze behoorde te begrijpen, dat de vennootschap niet of niet binnen een redelijke termijn aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden voor de ingevolge die wanprestatie door de wederpartij te lijden schade.

Access: 
Public
Bepro (HR 06-02-2015) - Arrest

Bepro (HR 06-02-2015) - Arrest

Bepro van 6 februari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:251)

Feiten

Eiser tot cassatie is (mede)vennoot van de vof VDV Totaalbouw. Bepro (verweerster in cassatie) heeft bij de Rechtbank het faillissement aangevraagd van onder meer VDV Totaalbouw en haar (mede)vennoot (eiser).

Eiser heeft echter de toepassing van de schuldsaneringsregeling verzocht (wsnp-verzoek).

Tijdens de mondelinge behandeling trok hij zijn eerste wsnp verzoek in, omdat de vereiste stukken ontbraken. Ook het tweede verzoek was onvoldoende met stukken onderbouwd.

Tot een beslissing op dit verzoek is het niet gekomen, omdat inmiddels het faillissement van de vof werd uitgesproken, waarbij de eiser naast VDV ook failliet is verklaard. Eiser heeft toen hoger beroep ingesteld. Het hof oordeelde dat de rechtbank gelet op art. 3a Fw nog geen beslissing over het verzoek tot faillietverklaring van eiser had mogen nemen. Volgens het hof was het tweede wsnp-verzoek van eiser op dat moment namelijk nog aanhangig. Het hof oordeelde anderzijds dat het vonnis tot faillietverklaring van VDV onherroepelijk was geworden, en dat het faillissement van VDV meebrengt dat ook eiser in staat van faillissement verkeert. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

In cassatie moet dan worden gekeken naar het oordeel over art. 3a Fw en de gevolgen die het faillissement van een vof heeft voor de vennoten daarvan. Ook moet worden gekeken of het oordeel van de rechtbank onjuist is, dat de schuldsaneringsregeling wel op een vennoot van toepassing verklaard kan worden (en gehandhaafd kan worden) als de schuldsanering van toepassing wordt verklaard voordat het faillissement van de vof wordt uitgesproken, maar de schuldsaneringsregeling niet op een vennoot van toepassing verklaard kan worden nadat het faillissement van de vof is uitgesproken.

Hoge Raad

Er is geen duidelijke regeling over de verhouding tussen het faillissement van een vof en de toelating van een of meer vennoten van die vof tot de schuldsanering. Sinds 1927 is vaste rechtspraak dat het faillissement van een vof ook het faillissement van elk van de vennoten van die vof meebrengt. Het is echter niet noodzakelijk dat het faillissement van de vennoten steeds en zonder meer intreedt als een gevolg van het faillissement van de vof.

Zo kan een vennoot, in tegenstelling tot de vof zelf, voldoende (privé)vermogen hebben om zowel de schuldeisers van de vof als zijn privéschuldeisers te voldoen. Ook als hij bepaalde vorderingen niet voldoet, wil dat niet meteen zeggen dat hij heeft opgehouden te betalen. Ook is het mogelijk dat een vennoot een hem persoonlijk toekomend verweermiddel (bijv. een tegenvordering) kan aanvoeren tegen de vordering van de aanvrager van het faillissement of van andere schuldeisers.

Ook de invoering van de schuldsaneringsregeling voor natuurlijke personen in 1998 heeft tot gevolg dat de zojuist bedoelde regel niet langer op zijn plaats is. Dat brengt mee dat vennoten (natuurlijke personen) die een wsnp-verzoek hebben ingediend, niet zonder meer failliet verklaard moeten worden indien het faillissement van de vof wordt uitgesproken.

De Hoge Raad oordeelt nu dus dat het faillissement van de vof niet steeds en noodzakelijkerwijs ook het faillissement van de vennoten

.....read more
Access: 
Public
Bibolini - Arrest

Bibolini - Arrest

HR 17 december 1982, NJ 1983, 480 (Bibolini)

Relevante artikelen

2:45, 130, 240, 292 (derde lid) BW

Onderwerp

Redelijkheid en billijkheid

Casus

Directeur van het Curaçaose Antillian Mechanical Works NV verkoopt machines aan Reinaldo Bibolini. De NV weigert afgifte van de machines. De NV zegt niet gebonden te zijn aan de koop, omdat haar directeur niet bevoegd was om de NV bij de verkoop te vertegenwoordigen. Die onbevoegdheid vloeit voort uit een besluit van de AVA. Volgens dat besluit had de directeur toestemming nodig van de AVA. Bibolini was als gemachtigde van aandeelhouders betrokken bij de totstandkoming van dat besluit. Op grond van in Curaçao geldende wetgeving is de NV desondanks aan de koop gebonden. Volgens die wetgeving is het bestuur bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen, behoudens beperkingen gesteld bij de akte van oprichting. Het besluit van de AVA is niet zo'n beperking en heeft dus slechts interne werking. Deze wetgeving is vergelijkbaar met het Nederlandse artikel 2:130 lid 3 BW.

Rechtsvraag

Corrigerende werking van redelijkheid en billijkheid op wettelijke regel vertegenwoordigingsbevoegdheid bestuur rechtspersoon. Het raakt derden in beginsel niet wanneer bestuurders louter intern werkende bepalingen -interne instructies- niet opvolgen. De Hoge Raad bepaalde echter dat het bij uitzondering mogelijk is dat de vennootschap, om aan gebondenheid te ontsnappen, wel tegenover de wederpartij met succes aanvoert dat haar bestuurder intern werkende instructies niet heeft opgevolgd. 'Het kan zich voordoen dat in de omstandigheden van het gegeven geval degene die met de NV handelde zich in strijd met de goede trouw zou gedragen door de NV aan de met deze gesloten overeenkomst te houden, indien hij ondanks de hem bekende bevoegdheidsbeperking toch deze overeenkomst aanging, waarbij mede van belang kan zijn dat hijzelf bij de totstandkoming van het besluit van de aandeelhoudersvergadering waarbij deze bevoegdheidsbeperking werd opgelegd, betrokken is geweest'.

Hoge Raad

1. De NV kan zich niet jegens derden beroepen op de bevoegdheidsbeperking zoals neergelegd in het AVA-besluit.

2. Daarbij maakt het in beginsel geen verschil of degene die met de NV handelde van deze bevoegdheidsbeperking op de hoogte was.

3. Wel kan het zich voordoen dat in de omstandigheden van het gegeven geval degene die met de NV handelde zich in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou gedragen door de NV aan de met hem gesloten overeenkomst te houden, indien hij ondanks de hem bekende bevoegdheidsbeperking toch deze overeenkomst aanging, waarbij mede van belang kan zijn dat hijzelf betrokken is geweest bij de totstandkoming van het AVA-besluit.

Leerstuk

I. De HR bewandelt hier de weg van de redelijkheid en billijkheid (vroeger: goede trouw); vergelijk ook de rechtspraak inzake een beroep mogen doen op exoneratiebedingen HBU/Saladin en Van der Laan-Top. Een alternatieve route is die van de onrechtmatigheid, bestaande uit het welbewust profiteren van wanprestatie. Volgens die laatste route had Bibolini onrechtmatig gehandeld door de directeur aan de koop te houden. De directeur zou daardoor wanprestatie jegens de NV moeten plegen; hiervan was Bibolini op de hoogte.

II. Andere omstandigheden die tot strijd met redelijkheid en billijkheid cq tot onrechtmatige

.....read more
Access: 
Public
Biek Holding/ X c.s. - Arrest

Biek Holding/ X c.s. - Arrest

Biek Holding/X c.s. (HR 15 maart 2013, NJ 2013, 290)

Feiten

In de periode van medio 1994 tot medio 2004 heeft verweerder 1 als advocaat werkzaamheden verricht in opdracht van Bouw- en Exploitatiemaatschappij Roham B.V. (eiseres tot cassatie) en de enig aandeelhouder van laatstgenoemde, Wide Alley Properties B.V. Verweerders 1, 2 en 3 zijn persoonlijk geen lid geweest van de maatschap.

Verweerder 1 (de advocaat) en verweerder 3 hebben sinds 1991 door middel van hun praktijkvennootschap deelgenomen in de maatschap. Verweerster 2 sinds 2000 door middel van haar praktijkvennootschap. Verweerder 5 is persoonlijk toegetreden tot de maatschap per 1 januari 2000. Zijn praktijkvennootschap is sedert begin 2003 in zijn plaats lid van de maatschap. Verweerder 4 is persoonlijk toegetreden tot de maatschap per 1 januari 1994. Zijn praktijkvennootschap is in zijn plaats lid van de maatschap sinds medio 2002.

Roham heeft verweerder 1 (de advocaat) opdracht gegevens een procedure te voeren. Roham en WAP verwijten later dat een aantal beroepsfouten zijn gemaakt.
Roham, eiseres tot cassatie, vordert in deze procedure verschillende bedragen van de verweerders wegens drie beroepsfouten van de advocaat. Het hof heeft de vorderingen afgewezen en stelt hiervoor dat Roham niet de juiste personen heeft gedagvaard.

Hoge Raad

De Hoge Raad moet kijken of de eiseres tot cassatie Roham de juiste personen heeft gedagvaard. Anders dan het hof heeft overwogen, volgt uit het feit dat met de maatschap is gecontracteerd, volgens de Hoge Raad niet dat de maatschap in rechte moet worden betrokken. Roham kon ook ervoor kiezen (mede) de individuele maten te dagvaarden en eventueel ook om de individuele maten (niet alleen als maat persoonlijk aan te spreken) aan te spreken op grond van persoonlijke aansprakelijkheid uit anderen hoofde dan hun lidmaatschap van de maatschap.
Degene die maat is op het tijdstip dat de in artikel 7:407 lid 2 BW bedoelde opdracht is aanvaard, is in beginsel op grond van die bepaling voor het geheel aansprakelijk ter zake van een tekortkoming in de nakoming daarvan. Degene die maat is op het tijdstip dat de betrokken schuld van de maatschap ontstaat, is daarvoor voor een gelijk deel aansprakelijk op grond van artikel 7A:1679-1681 BW. Anders dan het hof tot uitgangspunt heeft genomen, vallen geen nadere eisen te stellen voor persoonlijke aansprakelijkheid van de maten.

De door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de advocaat zijn beroep uitoefent door middel van een praktijkvennootschap en het die vennootschap is die maat is van de maatschap, sluit niet uit dat de opdracht met het oog op zijn persoon is verleend, noch dat hij op grond daarvan persoonlijk aansprakelijk is voor tekortkomingen in de uitvoering van de opdracht.

De Hoge Raad komt tot de vernietiging van het arrest van het hof en verwijst de zaak ter verdere behandeling en beslissing naar het hof Den Haag. 

Access: 
Public
Blue Tomato - Arrest

Blue Tomato - Arrest

Blue Tomato (HR 30-11-2007, NJ 2008, 91)

Casus

Dit geschil betreft de verhaalsvordering van de curator op de voet van artikel 2:248 BW tegen eiser als enig bestuurder van de gefailleerde besloten vennootschap Blue Tomato. Bij de toewijzing van deze vordering zijn rechtbank en hof ervan uitgegaan dat de jaarrekeningen van deze vennootschap niet tijdig waren gepubliceerd, zodat als onweerlegbaar vermoeden heeft te gelden dat de taakvervulling door eiser als bestuurder over de gehele linie onbehoorlijk is geweest. In cassatie wordt andermaal aan de orde gesteld of deze onbehoorlijke taakvervulling ook een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest, zoals ingevolge artikel 2:248 lid 2 BW wordt vermoed. Eiser heeft betoogd dat niet zijn onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder maar de brand en de daarop gevolgde weigering van brandverzekeraar UAP de schade te vergoeden de oorzaak van het faillissement zijn geweest. Het hof heeft dit verweer verworpen op grond van zijn oordeel dat eiser als bestuurder van Blue Tomato BV erin heeft berust dat UAP dekking heeft geweigerd en dat hij daarmee niet heeft gezorgd voor een adequate verzekering, hetgeen hem als bestuurder als een nalaten dient te worden toegerekend, zodat het feit dat UAP geen uitkering heeft gedaan niet als een van buiten komende oorzaak voor het faillissement kan worden beschouwd.

Hoge Raad

Een redelijke uitleg van artikel 2:248 lid 2 BW brengt mee dat voor het ontzenuwen van het daarin neergelegde vermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten of omstandigheden dan zijn onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest. Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak, zoals in dit geval de weigering van de brandverzekeraar de schade van het bedrijf als gevolg van brand te vergoeden, en wordt de bestuurder door de curator verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder (tevens) feiten en omstandigheden moeten stellen en zonodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert. Als hij daarin slaagt, ligt het op de weg van de curator op de voet van het eerste lid van artikel 2:248 BW aannemelijk te maken dat nochtans de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling mede een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest.

Het hof is niet ingegaan op de feiten en omstandigheden die eiser heeft gesteld ten betoge dat zijn nalaten om voor een adequate brandverzekering te zorgen geen onbehoorlijke vervulling van zijn taak als bestuurder van Blue Tomato BV oplevert.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing.

Access: 
Public
Bolckmans / Van de Broek - Arrest

Bolckmans / Van de Broek - Arrest

Bolckmans/Van de Broek (HR 25 juni 1999)

Casus

We zien dat Van Willigen Vuren en VOF Van den Broek een aannemingsovereenkomst zijn aangegaan. Deze aannemingsovereenkomst besloeg een bedrag van 1.1 miljoen gulden. De directeur van Van Willigen Vuren en Van den Broek hebben de aannemingsovereenkomst ondertekend. Van den Broek was een van de vennoten van VOF Van den Broek. De andere vennoten zijn het hier niet mee eens en geven aan dat er geen overeenkomst tot stand is gekomen. Voor een rechtshandeling boven de vijftigduizend gulden was een handtekening van twee vennoten vereist. Deze beperking had VOF Van den Broek op laten nemen in het Handelsregister. Van Willigen Vuren heeft de werkzaamheden uitbesteed, omdat het gaat om een hogere aanneemsom. Ze vinden dat VOF Van den Broek aansprakelijk is voor die schade. Van Willigen Vuren voert aan dat Van den Broek een aannemingsovereenkomst heeft gesloten namens de VOF. Hij dient daarom in te staan voor de vertegenwoordigingsbevoegdheid, omdat deze achteraf bleek te ontbreken. Van den Broek stelt dat hij een van de twee handtekeningen heeft gezet. Uit het Handelsregister bleek de beperking bovendien.

Het hof

Het hof overweegt dat het vermoeden is gewekt dat Van den Broek heeft gehandeld als ware hij bevoegd om namens de vennootschap op te treden. Bij het ondertekenen heeft Van den Broek immers geen voorbehoud gemaakt.

Hoge Raad

De Hoge Raad is het met de redenering van het hof eens. De inschrijving in het Handelsregister zorgt er volgens de HR voor dat de vennootschap niet is gebonden. De inschrijving zorgt er echter niet voor dat Van den Broek zich op de beperking kan beroepen. Een vennoot die de indruk wekt dat hij volledig bevoegd is om de vennootschap te vertegenwoordigen, kan zich er niet op beroepen dat de beperking was ingeschreven in het Handelsregister. Als de vennoot zich bij het aangaan van de rechtshandeling niet bewust was van de beperking moet hij toch de gevolgen dragen en dus aansprakelijk zijn.

Kern

De inschrijving in het Handelsregister zorgt ervoor dat de vennootschap niet is gebonden. Het zorgt er niet voor dat de vennoot zich op deze beperking kan beroepen.

Access: 
Public
Carlande Dienstverlening - Arrest

Carlande Dienstverlening - Arrest

Carlande Dienstverlening (HR 13-03-2015, NJ 2015, 241)

Casus

Op 2 februari 2010 is de commanditaire vennootschap met één beherend vennoot Carlande Dienstverlening C.V. opgericht. De bedrijfsomschrijving luidde: “het detacheren van chauffeurs binnen het beroepsgoederenvervoer over de weg”.

Op 17 augustus 2010 is de eiser tot cassatie beherend vennoot van de CV geworden.

De CV is op 15 september 2010 bij het Pensioenfonds aangemeld. Carlande heeft geen gehoor gegeven aan de verzoeken van het Pensioenfonds om opgave van haar bedrijfsgegevens om zo te kunnen vaststellen of zij wettelijk verplicht was tot aansluiting bij het Pensioenfonds en, nadat het Pensioenfonds zelf had vastgesteld dat Carlande onder de werkingssfeer van de verplichte bedrijfstakpensioenregeling viel, van (loon)gegevens van de bij haar werkzame werknemers.

Het Pensioenfonds heeft toen ambtshalve aanslagen voor de pensioenregeling opgelegd over de maanden februari 2010 t/m januari 2011 (€ 4000,– p.m.). De CV is op 12 januari 2011 opgeheven en de eiser tot cassatie is tot de opheffing beherend vennoot gebleven.

Op vordering van het Pensioenfonds heeft de kantonrechter eiser veroordeeld tot betaling van € 40.000,–. In hoger beroep stelde eiser dat hij niet aansprakelijk kon worden gehouden voor de schulden die waren ontstaan voor zijn aantreden als beherend vennoot.

HvJ

Is een toetredend beherend vennoot van een commanditaire vennootschap ook aansprakelijk voor schulden die zijn ontstaan voor zijn toetreden? De Hoge Raad beantwoordt die vraag bevestigend.

De Hoge Raad wijst er eerst op dat de vorderingen van het Pensioenfonds op de CV van rechtswege ontstonden op het moment waarop zij voldeed aan de voorwaarden voor verplichte deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds. Eiser wordt in dit geding dan ook mede aangesproken voor schulden die zijn ontstaan voor zijn aantreden als beherend vennoot van de CV.

Uitgangspunt is dat de CV bij de toetreding van eiser is voortgezet. Beherende vennoten van een CV zijn hoofdelijk verbonden (art.19 lid 1 WvK). Artikel 18 WvK  (juncto art. 19 lid 2) bepaalt dat elk der vennoten hoofdelijk verbonden is “wegens verbindtenissen der vennootschap”. Volgens de Hoge Raad valt daarin geen beperking te lezen tot verbintenissen die zijn ontstaan nadat een vennoot is toegetreden. Verder brengt de strekking van de art. 18 en 19 lid 1 WvK volgens de Hoge Raad mee dat de hoofdelijke verbondenheid van de vennoten alle schulden betreft die ten tijde van hun toetreding tot de vennootschap bestaan, of nadien ontstaan.

Voor zover het gaat om een commanditaire vennootschap strookt deze wetsuitleg volgens de Hoge Raad met de aansprakelijkheid van stille vennoten die in strijd met art. 20 lid 2 WvK daden van beheer verrichten of werkzaam zijn in de zaken van de vennootschap (het beheersverbod). De hoofdelijke aansprakelijkheid die dan ontstaat geldt ook voor schulden die zijn ontstaan voordat de vennoot in strijd met het beheersverbod handelde .

Een toetredend vennoot moet zelf maar onderzoek doen, en daarnaast kan hij garanties van andere vennoten bedingen.

Kern

Hoofdelijke verbondenheid van een beherend vennoot van een CV is niet beperkt tot verbintenissen van de vennootschap die zijn ontstaan nadat hij als vennoot

.....read more
Access: 
Public
Coface/Intergamma - Arrest

Coface/Intergamma - Arrest

Coface Finanz/Intergamme (HR 21-03-2014, ECLI:NL:HR:2014:682)

Casus

Deze zaak betreft in cassatie de vraag of een in algemene inkoopvoorwaarden opgenomen cessieverbod moet worden uitgelegd als een onoverdraagbaarheidsbeding (met goederenrechtelijke werking) in de zin van artikel 3:83 lid 2 BW.

Hoge Raad

In zijn arrest van 17 januari 2003, NJ 2004, 281 (Oryx/Van Eesteren) heeft de Hoge Raad geoordeeld (kort gezegd) dat een verpandingsverbod zoals in die zaak aan de orde, ingevolge artikel 3:83 lid 2 BW niet leidt tot beschikkingsonbevoegdheid van de gerechtigde tot de vordering, maar tot niet-overdraagbaarheid van de vordering zelf. Een handeling in strijd met zo’n beding levert niet slechts wanprestatie van de schuldeiser tegenover zijn schuldenaar op, maar kan bovendien niet leiden tot een geldige overdracht of verpanding van die vordering. Noch het feit dat de cessionaris dan wel de pandnemer niet op de hoogte was van dat verbod, noch het bepaalde in artikel 3:36 BW, doet eraan af dat het verbod in de weg staat aan een rechtsgeldige overdracht respectievelijk verpanding. Dit oordeel komt erop neer dat partijen goederenrechtelijke werking kunnen geven aan een contractueel overdraagbaarheids- of verpandingsverbod. De Hoge Raad ziet onvoldoende aanleiding tot heroverweging van zijn rechtspraak.

Een uitlegregel die ertoe strekt dat een contractueel verbod tot overdracht of verpanding, bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, zo moet worden uitgelegd dat daarmee goederenrechtelijke werking is beoogd, is niet aanvaard in genoemd arrest en is bovendien onjuist.

Een beding inzake een verbod tot overdracht of verpanding dat naar zijn aard mede is bestemd om de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen niet kennen, en dat ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen, dient te worden uitgelegd naar objectieve maatstaven, met inachtneming van de Haviltexmaatstaf (zie HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 (DSM/Fox)). Als uitgangspunt bij de uitleg van bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht uitsluiten, moet worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de –naar objectieve maatstaven uit te leggen– formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in artikel 3:83 lid 2 BW is beoogd.

De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst het geding ter verdere behandeling en beslissing.

Access: 
Public
Damen/Geho (Café 't Brouwertje) - Arrest

Damen/Geho (Café 't Brouwertje) - Arrest

Damen/Geho (Café 't Brouwertje) (HR 3 februari 1984, NJ 1984, 386)

Feiten

Groothandel Geho BV ontving op 14 februari 1980 namens Café ’t Brouwertje een bestelling voor een hoeveelheid glaswerk. Later leverde Geho de bestelling door dit mee te geven aan twee personen die zeiden namens het café het glaswerk te komen afhalen. De betaling van de factuur ƒ1.750 bleef echter uit. Geho BV raadpleegde daarom het Handelsregister voor meer informatie. Volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel was de heer Damen eigenaar van Café ’t Brouwertje sinds 1971 en daarmee hoofdelijk verbonden voor de betaling van de factuur.

Geho dagvaardde Damen. Damen gaf toen aan dat hij het café in oktober 1979 had verkocht aan mw. Nieuwenhuizen. Damen was dus geen eigenaar meer van het café, hij had het verkocht, maar was zich vergeten uit te schrijven. Hij had deze wijziging pas veel later, in augustus 1980, aan het Handelsregister doorgegeven. Damen ontkende ooit glaswerk bij Geho gekocht te hebben en de handtekening op de orderbevestiging was ook niet van hem. Volgens Damen kon Geho geen beroep doen op het Handelsregister omdat Geho ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst het Handelsregister (artikel 31 Handelsregisterwet) niet had geraadpleegd. Geho stelde dat het tijdstip van raadpleging geen rol speelde. Immers een feit dat niet in het Handelsregister staat (dat het café verkocht is), kan niet aan haar worden tegengeworpen, nu zij van dit feit niet op de hoogte was.

Hoge Raad

De vraag die speelt is of een partij zich op het Handelsregister kan beroepen als dit pas achteraf wordt geraadpleegd.

De Hoge Raad stelt dat het checken van het Handelsregister voor het afsluiten van elke transactie in strijd is met de behoeften van een vlot verlopend handelsverkeer. Een partij moet kunnen vertrouwen op de gegevens in het Handelsregister, ook wanneer het register niet of pas achteraf wordt geraadpleegd. Damen stond ten tijde van de bestelling ingeschreven als eigenaar van het Café en derhalve kon hij worden aangesproken op de betaling.

Kern

Wanneer men telkens verlangt om vóór het afsluiten van elke transactie in het register te kijken zou dit in strijd zijn met de behoeften van een vlot lopend handelsverkeer. De inschrijvingsplichtigen kunnen aan derden de onjuistheid of onvolledigheid van de inschrijving niet tegenwerpen, ongeacht of die derden in vertrouwen op de inschrijving hebben gehandeld dan wel eerst later het handelsregister hebben geraadpleegd. Geho mocht dus vertrouwen op het register.

Access: 
Public
De Groot/Io Vivat, HR 23-02-2007, NJ 2008, 492 (Zeilongeval) - Arrest

De Groot/Io Vivat, HR 23-02-2007, NJ 2008, 492 (Zeilongeval) - Arrest

Feiten

Studentenvereniging Io Vivat uit Leeuwarden organiseerde een zeilweekend. Tijdens dat weekend is in de kajuit van de motorboot een gasfles gelekt. Hierdoor is een ontploffing en steekvlam ontstaan. De Groot, een commissielid van de commissie voor het zeilweekend, loopt op dat moment net de kajuit in en loopt ernstige brandwonden op. De Groot stelt de vereniging Io Vivat aansprakelijk wegens het gebrek aan toezicht. Blijkbaar waren er een aantal fouten door de commissie gemaakt, waardoor dit ongeluk had plaatsgevonden. De Groot zat zelf in commissie Watersport. Hij was medeorganisator van het weekend en had zelf in het toezicht gefaald.

 

Zowel de rechtbank als het hof wezen de vordering af. Volgens het hof mocht aan zo een zeilweekend niet te hoge eisen aan het toezicht gesteld worden, omdat op alle deelnemers een grote eigen verantwoordelijkheid rust. Voor zover er toezicht gehouden moest worden, ligt dit bij de commissie en De Groot was zelf een van de leden. De Groot kan de vereniging daarom niet een gebrek aan toezicht verwijten, omdat hij zelf deelnemer van het weekend en lid van de commissie was. De Groot kan de vereniging dus niet verwijten, wat hij zelf ook heeft nagelaten, daarom is de vereniging niet aansprakelijk.

 

Hoge Raad

Is de vereniging Io Vivat aansprakelijk voor de schade die De Groot heeft opgelopen?

De Hoge Raad gaat mee met het hof en oordeelt dat het hof juist heeft geoordeeld door te stellen dat, de geschonden norm niet strekt tot de bescherming van De Groot nu hij zich zelf ook niet naar deze norm heeft gedragen. M.a.w. degene die de norm waarvan hij de bescherming inroept zelf schendt, kan aan die norm geen bescherming ontlenen, omdat hij zich ook zelf niet naar die norm heeft gedragen.

 

Conclusie; Wanneer iemand zich zelf ook niet naar een bepaalde norm heeft gedragen, dan kan hij ook niet een ander voor het schenden van deze norm aanspreken.

Als commissaris watersport was De Groot zelf verantwoordelijk voor het toezicht op de veiligheid en kon hij het ontbreken van dat toezicht niet aan zijn studentenvereniging tegenwerpen.

 

 

Access: 
Public
Drijfmest - Arrest

Drijfmest - Arrest

Drijfmest (HR 21-10-2003, NJ 2003, LJN AF7938)

Onderwerp

Een rechtspersoon kan aangemerkt worden als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Wanneer is een verboden gedraging toe te rekenen? Dit is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Oriëntatiepunt is of de gedraging in de sfeer van de rechtspersoon is verricht. Daar is sprake van indien:

  1. Het gaat om het handelen/nalaten van iemand die werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon
  2. De gedraging past in de normale bedrijfsvoering
  3. De gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest
  4. De rechtspersoon mocht beschikken en aanvaarden.

Casus

Een BV heeft grond in eigendom. De grond wordt beheerd door verdachte. In opdracht van verdachte heeft betrokkene 1 het feitelijk beheer, betrokkene 1 is in loondienst. Op 31 mei 1999 is vastgesteld dat op de grond door onbekenden drijfmest was uitgereden en dat die mest niet was ondergewerkt.

Hof

Veroordeelt verdachte. De beheerster heeft tot taak ervoor te waken dat de landerijen worden beheerd overeenkomstig de wettelijke voorschriften. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte alle maatregelen heeft genomen teneinde te verhinderen dat derden haar landerijen konden gebruiken om zich van hun mestvoorraden te ontdoen. Van controlemaatregelen en inspectie is niet gebleken.

Hoge Raad

Het oordeel van het Hof is niet naar de eis der wet met redenen omkleed. De bewijsmiddelen en de overwegingen bieden onvoldoende steun voor het oordeel, want het Hof heeft niet vastgesteld welke taken en bevoegdheden het beheer, dat aan verdachte was opgedragen, inhielden.

Blijkens de wetsgeschiedenis kan een rechtspersoon (in de zin van art. 51 Sr) worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. Ook in de rechtspraak is die toerekening erkend als grondslag voor het daderschap van de rechtspersoon (vgl. onder meer HR 23 februari 1993, NJ 1993, 605 en HR 13 november 2001, NJ 2002, 219). Vervolgens rijst de vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid aan een rechtspersoon kan worden toegerekend. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een algemene regel laat zich dus bezwaarlijk formuleren. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is nochtans of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

  • Het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
  • De gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
  • De gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
  • De rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door
.....read more
Access: 
Public
Eggenhuizen / Unidek Volumebouw - Arrest

Eggenhuizen / Unidek Volumebouw - Arrest

Eggenhuizen/Unidek Volumebouw (HR 15 april 2005, NJ 2005, 484)

Relevante artikelen

2:134, 2:244, 3:316, 7:680, 681 BW

Onderwerp

Ontslag

Casus

Dhr. Eggenhuizen was in 1997 op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in dienst getreden als directeur en statutair bestuurder van Unidek. Op 25 maart 1999 vond een buitengewone AvA plaats waarin in werd besloten hem te ontslaan. Hierop reageerde Eggenhuizen dat hij zich hier niet mee kon verenigen. Unidek stelde echter dat het besluit omtrent het ontslag was aangenomen met inachtneming van de geldende opzegtermijn. Eggenhuizen startte hierop een bodemprocedure op de grond dat het verleende ontslag onredelijk was en vorderde schadevergoeding.

Rechtsvraag

Heeft ontslagverlening/ontslagneming door statutair directeur van n.v. of b.v. ook het einde van zijn arbeidsovereenkomst tot gevolg?

Rechtbank/Hof

De Rechtbank wees de vordering van Eggenhuizen af omdat het rechtsgeldig zou zijn opgezegd en de vordering tot schadevergoeding zou zijn verjaard. Het hof bekrachtigde dit vonnis, waarop Eggenhuizen cassatieberoep instelde.

Hoge Raad

In cassatie voerde Eggenhuizen aan dat het Hof ten onrechte had geoordeeld dat de AvA bevoegd was de arbeidsovereenkomst met de bestuurder te beëindigen op grond van art. 2:244 BW. De Hoge Raad haalt zijn overwegingen uit een eerdere uitspraak (Bartelink/Ciris) aan. Het vennootschapsrechtelijke ontslag houdt ook het arbeidsrechtelijke ontslag in, tenzij een wettelijk ontslagverbod geldt of partijen iets anders overeenkomen. Het argument dat nu Eggenhuizen een arbeidsovereenkomst was aangegaan met de vennootschap, het ook de vennootschap zou moeten zijn die de arbeidsovereenkomst opzegt, wordt niet geaccepteerd. De bevoegdheid van de AvA tot benoeming en ontslag ziet ook op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Wanneer een natuurlijk persoon die als bestuurder van een NV of BV is benoemd en krachtens arbeidsovereenkomst zijn werkzaamheden verricht, bij een geldig besluit van het bevoegde orgaan van de vennootschap als bestuurder ontslag is verleend, verliest hij ingevolge art. 2:134 lid 1 onderscheidenlijk art. 2:244 lid 1 BW de hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap. Deze wetsartikelen strekken ertoe te zorgen dat door een ontslagbesluit ook een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrechtelijke verhoudingen, en heeft een ontslagbesluit in beginsel ook beëindiging van de dienstbetrekking van de bestuurder tot gevolg. Uitzondering geldt alleen als een ontslagverbod geldt of als partijen anders zijn overeengekomen.

Leerstuk

Ontslagneming door de statutaire bestuurder heeft in beginsel tot gevolg dat zijn dienstbetrekking eindigt; de bestuurder die zijn functie neerlegt kan die ontslagneming niet eenzijdig beperken tot het verlies van de hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap.

Access: 
Public
Faanse Veehouderijmaatschap - Arrest

Faanse Veehouderijmaatschap - Arrest

Faanse Veehouderijmaatschap (HR 09-04-2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1127)

Casus

De eiseres tot cassatie heeft samen met haar zoon, de verweerder in cassatie, in maatschapsverband een veehouderij geëxploiteerd. De maatschap is door opzegging door de verweerder per 1 mei 1992 ontbonden. Partijen kunnen het niet eens worden over de (financiële) afwikkeling. In de procedure die volgt gaat het dus om de geschilpunten over de afwikkeling van de maatschap.

In cassatie gaat het nog slechts om de landerijen die de eiseres in 1983 in eigendom heeft verworven en die zij na de ontbinding van de maatschap aan een derde in eigendom heeft overgedragen. Daarbij is aan de orde of de eiseres de economische eigendom van deze landerijen in de maatschap heeft ingebracht, en zo ja, welke datum dan in het kader van de financiële afwikkeling (de verdeling van de maatschap) als peildatum voor de waardering van deze landerijen geldt. Het hof heeft geoordeeld dat het (in beginsel) gaat om de waarde op de datum van vereffening (doch dat in casu de door eiseres gerealiseerde verkoopprijs als uitgangspunt kan worden genomen).

Het principale cassatiemiddel betoogt dat het gaat om de waarde op de datum van ontbinding, in welk verband ook wordt geklaagd dat het hof de grenzen van de rechtsstrijd te buiten is gegaan. Het middel richt zich ook tegen het oordeel van het hof dat de economische eigendom van de landerijen in de maatschap is ingebracht, in welk verband het middel opkomt tegen 's hofs oordeel omtrent de bewijslast (bewijslastomkering) en voorts klaagt dat de eiseres niet in de gelegenheid is gesteld tegenbewijs te leveren.

Het incidentele middel komt op tegen 's hofs oordeel dat de zoon geen voor vergoeding in aanmerking komende schade lijdt doordat de landerijen vóór de vereffening zijn verkocht

Hoge Raad

De Hoge Raad moet zich buigen over de vraag of het eigendom van de landerijen zijn gaan toebehoren aan de maatschap? En moet bij vereffening de eventuele waardevermindering of vermeerdering van de landerijen in overeenstemming met de in de maatschapovereenkomst afgesproken verdeling van winst of verlies tussen de voormalige maten worden verreken?

In geval van inbreng van de economische eigendom van een goed in de maatschap op de voet dat niet slechts het gebruik is ingebracht maar dat het inbrengen aldus is geschied dat het goed eigendom van de inbrenger is gebleven doch de waarde daarvan tot het bedrijfsvermogen van de maatschap is gaan behoren, zodat de waardevermeerdering of de waardevermindering daarvan voor rekening van de maatschap komt, moet (indien partijen niet anders zijn overeengekomen) in het licht van de wettelijke regeling van de maatschap worden aangenomen dat de inbreng is geschied voor de periode gedurende welke het doel van de maatschap (het behalen van voordeel; art. 7A:1655 BW) wordt nagestreefd, derhalve tot de ontbinding van de maatschap. Door de inbreng van de economische eigendom van het goed gaat dit goed niet toebehoren aan de maten gezamenlijk. Het valt dus niet in een gemeenschap zoals bedoeld in art. 3:166 BW. Wel zal in het kader van de vereffening

.....read more
Access: 
Public
Feitelijk leidinggeven - Arrest

Feitelijk leidinggeven - Arrest

Feitelijk leidinggeven (HR 26-04-2016, ECLI:NL:HR:2016:733)

Onderwerp

Feitelijk leidinggeven

Relevante wetsartikelen en beginselen

Art. 51 lid 2 aanhef en onder 2 jo. 52 Sr. Feitelijk leidinggeven.

Casus

De Gemeenschappelijke Regeling Werkvoorzieningsschap Oost-Twente (GR WOT) is inhoudingsplichtige voor de loonbelasting. Zij heeft van 2000 t/m 2003 opzettelijk onjuist aangifte loonbelasting en premie volksverzekeringen gedaan bij de Belastingdienst Almelo danwel Enschede. Deze feiten strekten ertoe dat telkens te weinig loonbelasting werd geheven. Verdachte heeft feitelijk leiding gegeven aan de verboden gedragingen.

Betrokkene 1 (niet verdachte) was werkzaam als directeur van de GR WOT en A BV van 1998 tot 2003. Hij is benoemd door het dagelijks bestuur en dient aan hen verantwoording af te leggen. Verdachte is tevens benoemd als bestuurder van A BV. Verdachte ontving een bestuurdersbeloning, waarover nooit belasting is afgedragen. Verdachte ontving de beloning via zijn persoonlijke vennootschap B BV. Over deze beloning is beperkt loonbelasting afgedragen. Verdachte heeft contracten opgesteld om het te laten lijken alsof er activiteiten plaatsvonden in B. Deze contracten zijn gecontroleerd door een adviseur, die concludeerde dat loonheffingen waren verschuldigd.

Betrokkene 1 is via verdachte bestuurder geworden van de GR WOT. Betrokkene 1 was telkens algemeen directeur, maar werkte onder verschillende kortdurende contracten. Het GR WOT valt onder de gemeente Oldenzaal. Omdat betrokkene 1 niet langer in dienst kon blijven bij het GR WOT (wegens het aflopen van zijn contract) moest hij door de gemeente worden ingehuurd. Betrokkene 1 verrichte echter geen echte werkzaamheden voor de gemeente. Het contract van betrokkene 1 was namelijk een interim-management contract, waarbij hij maximaal 18 maanden voor de zelfde opdrachtgever mocht werken. Daarna zou sprake zijn van een dienstverband. Dit was voor betrokkene 1 geen optie, dus moest de eerder genoemde oplossing worden ingezet.

Hoge Raad

Het gaat hier om feitelijke leidinggeven door een rechtspersoon. Het feitelijk leidinggeven kan geschieden door een natuurlijk persoon of een rechtspersoon. De straf kan worden opgelegd aan de rechtspersoon, de feitelijk leidinggever of aan beiden. Strafvervolging aan de rechtspersoon en de feitelijk leidinggever behoeft niet gezamenlijk plaats te vinden.

Eerst moet worden bewezen dat de rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan, daarna moet worden bewezen dat die rechtspersoon feitelijk leiding heeft gegeven. De betreffende gedraging moet redelijkerwijs aan de rechtspersoon kunnen worden toegerekend. Een belangrijk criterium is of de gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervoor geldt dat de volgende vier omstandigheden zich kunnen voordoen.

A. Het gaat om het handelen of nalaten van iemand die uit hoofde van dienstbetrekking of uit anderen hoofde werkzaam is voor de rechtspersoon.

B. De gedraging past in de normale bedrijfsuitoefening of taakuitoefening van de rechtspersoon.

C. De gedraging is de rechtspersoon uitgeoefend in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening.

D. De rechtspersoon vermocht er over te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig gedrag werd door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die van de rechtspersoon in redelijkheid kon worden gevergd.

.....read more
Access: 
Public
Feitelijk leiding geven en dubbele strafbaarheid - Arrest

Feitelijk leiding geven en dubbele strafbaarheid - Arrest

Feitelijk leiding geven en dubbele strafbaarheid (HR 18 oktober 1988, NJ 1989, 496)

Weliswaar vereist artikel 5 lid 1, onder 2e Sr dat op de aan de verdachte verweten gedraging door de wet van het land waarop die werd begaan straf is gesteld, maar stelt niet als eis dat die gedraging door die wet op dezelfde wijze als naar Nederlands recht strafbaar is gesteld (hier: als feitelijk leiding geven aan een feit begaan door een rechtspersoon).

Indien vaststaat dat een rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 Sr een strafbaar feit heeft begaan, behoeft ten aanzien van hen, die ervan worden verdacht tot dat feit opdracht of aan dat feit leiding te hebben gegeven, slechts te worden gesteld, onderzocht en bewezen dat zij inderdaad zodanige opdracht of leiding hebben gegeven, zonder dat er noodzaak is tot een onderzoek naar de vraag waar zij daartoe bepaalde handelingen hebben verricht en – die buiten Nederland hebben plaatsgevonden – of daarop straf is gesteld door de wet van het betrokken land.      

Access: 
Public
Forumbank - Arrest

Forumbank - Arrest

Forumbank (HR 21 januari 1955, NJ 1959, 43)

Feiten

Twee aandeelhouders van Forum Bank N.V hadden een algemene vergadering van aandeelhouders bijeengeroepen tot behandeling van een voorstel om de vennootschap een groot deel van hun aandelen te laten inkopen. Ondanks dat er tegen dit voorstel veel verzet was van de directie en diverse andere aandeelhouders, werd het toch aangenomen. De twee aandeelhouders voerden aan dat, ook al behoort inkoop van eigen aandelen in het algemeen tot de bevoegdheid van het bestuur, de AVA bevoegd is de directie opdracht te geven een bepaald aantal eigen aandelen voor een bepaalde prijs van een bepaalde koper te kopen.  Dit omdat de bestuurders ondergeschikt zijn aan de algemene vergadering.

Twee andere aandeelhouders vorderen nietigverklaring van het besluit van de AVA, namelijk wegens strijd met o.a. de wet en de statuten van de vennootschap.

Hof

Het Hof heeft vastgesteld dat de bevoegdheid tot inkoop alleen toekomt aan de directie (op grond van artt. 41a, 43 en 47 K. en de statuten van de N.V). De nietigheid is terecht ingeroepen omdat het besluit geen instemming had van het bestuur. 

Hoge Raad

Kan de algemene vergadering van een N.V. rechtsgeldig een besluit nemen, waarbij zij aan de directie opdraagt iets te doen, dat volgens wet en de statuten tot de bevoegdheid van de directie behoort? De Hoge Raad betoogde net als het Hof dat de bevoegdheid tot inkoop van eigen aandelen, m.u.v. statutaire afwijking, alleen toekomt aan de directie. Nu het besluit geen instemming van het bestuur had, was het besluit van de AVA nietig.

De Hoge Raad overwoog ‘dat ook de algemene vergadering de bij wet en statuten getrokken grenzen harer bevoegdheid niet mag overschrijden en dat het Hof (…) heeft vastgesteld dat de inkoop van eigen aandelen uitsluitend tot de bevoegdheid van de directie behoort’.

De Hoge Raad stelt dat de stelling dat de AVA bevoegd is aan de directie opdracht te geven eigen aandelen voor een bepaalde prijs van bepaalde aandeelhouders te kopen, onjuist is. De AVA moet dus de scheiding van de bevoegdheden respecteren.

Kern

In dit arrest heeft de Hoge Raad het beginsel van de zelfstandigheid van het bestuur neergelegd. Dit beginsel houdt in dat het bestuur (mits het binnen de door wet en statuten getrokken grenzen blijft) niet van de aandeelhoudersvergadering instructies hoeft te aanvaarden. Een AVA is niet bevoegd het bestuur te bewegen om de vennootschap eigen aandelen in te laten kopen. Deze bevoegdheid komt alleen toe aan het bestuur.

Access: 
Public
Hay groep - Arrest

Hay groep - Arrest

Hay Groep (HR 22 december 2009)

Casus

De algemene vergadering van aandeelhouders van Hay Group Investment Holding B.V. heeft op 7 december 2003 buiten de vergadering besloten om Schneider, een van de bestuurders, met onmiddellijke ingang te ontslaan. De algemene vergadering van aandeelhouders heeft op 5 januari 2004 dit besluit bevestigd in de vergadering. Schneider was voor deze aandeelhoudersvergadering wel uitgenodigd. Hij zou gehoord worden over zijn ontslag om een raadgevende stem uit te brengen. Schneider gaf geen gevolg aan deze uitnodiging en kwam niet opdagen. De arbeidsovereenkomst was op dat moment nog niet opgezegd. Bij de bestuursvergadering op 9 februari 2004 werd de arbeidsovereenkomst echter met onmiddellijke ingang beëindigd.

Schneider accepteerde zijn ontslag niet. Hij vorderde in rechte vernietiging van de besluiten en hij vorderde een verklaring voor recht dat het besluit van de bestuursvergadering nietig was.

Het hof

Het hof overwoog dat het besluit van 7 december buiten de vergadering van aandeelhouders was genomen. Tussen de partijen stond ter discussie of Schneider gebruik had moeten kunnen maken van zijn raadgevende stem. Bovendien stond de vraag ter discussie of Schneider van zijn adviserende bevoegdheid gebruik had kunnen maken. HGIH zegt dat Schneider een dag voor de vergadering telefonisch op de hoogte was gesteld van het voornemen om hem te ontslaan. Schneider had tijdens dat gesprek aangegeven zich niet te willen verweren. Schneider stelde dat deze mededeling onvoldoende was om gebruik te maken van zijn adviesbevoegdheid.

Het hof oordeelde dat een bestuurder ook buiten de vergadering een raadgevende stem heeft. Het hof vond een telefoongesprek evenmin voldoende om gebruik te maken van de raadgevende stem. Volgens het hof was het ontslag derhalve vernietigbaar.

De Hoge Raad

Volgens HGIH was het oordeel van het hof in strijd met de tekst en de bedoeling van art. 2:238 BW. De HR verwees naar de memorie van toelichting bij het aanhangige wetsvoorstel Wet Vereenvoudiging en Flexibilisering B.V.-recht.

In deze memorie staat duidelijk weergegeven dat je ook buiten de vergadering om gebruik moet kunnen maken van je raadgevende stem. De telefonische mededeling was volgens de HR niet voldoende. Wat wel en wat niet als uitnodiging moet worden beschouwd om van de adviesbevoegdheid gebruik te maken, moet je beoordelen aan de hand van de maatstaf van redelijkheid en billijkheid. De algemene aandeelhoudersvergadering dient daarbij te laten weten dat een bepaald besluit buiten de vergadering om zal worden genomen. De bestuurder moet bovendien worden gewezen op het recht om zijn raadgevende stem te laten horen. Het telefoongesprek deed niet aan dit vereiste. Indien het ontslag van de bestuurder nietig is, zal het arbeidsrechtelijke ontslag ook niet houden.

Kern

Een telefoongesprek is vaak onvoldoende om de adviesbevoegdheid uit te oefenen. Dit is enkel voldoende als aan de volgende vereisten is voldaan: de algemene aandeelhoudersvergadering moet aangeven dat ze buiten de vergadering een besluit willen nemen en moeten de bestuurder daarbij wijzen op zijn recht om zijn raadgevende stem te laten horen. 

Access: 
Public
Hovuma /Spreeuwenberg - Arrest

Hovuma /Spreeuwenberg - Arrest

Hovuma (HR 14 maart 2003, NJ 2003, 327)

Feiten

In deze zaak ging het om de vraag of een Commanditaire Vennootschap met één beherend vennoot een afgescheiden vermogen had. Hovuma Magazijninstellingen BV had hier cassatie ingesteld tegen Spreeuwenberg Beheer BV.

Casus

Spreeuwenberg was beherend vennoot bij commanditaire vennootschap Spreeuwenberg Magazijninrichting. Deze commanditaire vennootschap verkocht al haar activa aan Hovuma. Roggeveen, een verkoper, had een belangrijke rol in de CV en hij weigerde na de overdracht bij Hovuma in dienst te treden. In verband hiermee werd de verkoopprijs van genoemde transactie van ƒ 400 000 verminderd tot ƒ 100 000. Aan die vermindering van de koopprijs werd in de overeenkomst in art 11 een door Hovuma verschuldigde boete ad ƒ 300 000 verbonden voor het geval dat Roggeveen binnen twee jaren na 'heden' voor Hovuma of een daarmede verbonden vennootschap werkzaam zou zijn. De boete werd niet voor matiging vatbaar verklaard.

Roggeveen trad in november 1994 in dienst bij de firma Intra-Profiel BV, een firma die na een fusie in 1995 onder dezelfde firma viel als Hovuma,  Polypal Nederland BV.

Spreeuwenberg stelde dat Roggeveen voor Hovuma dan wel voor een met haar verbonden onderneming heeft gewerkt en deswege de overeengekomen boete verschuldigd is. De rechtbank wees de vordering af op de grond dat Intra-Profiel niet als een met Hovuma verbonden firma is aan te merken nu Hovuma in het geheel geen profijt van de indiensttreding van Roggeveen bij Intra-Profiel heeft gehad en Hovuma in deze laatste onderneming ook geen zeggenschap had. Spreeuwenberg heeft zich hiertegen geageerd terwijl Hovuma bestrijdt dat Spreeuwenberg bevoegd is de boete te vorderen omdat de commanditaire vennootschap opgeheven is en Spreeuwenberg niet aannemelijk heeft gemaakt dat deze vordering aan haar is overgedragen.

Hoge Raad

Voor ons is van belang hier dat de Hoge Raad geoordeeld heeft dat: “het Hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting indien het heeft geoordeeld dat een commanditaire vennootschap met één beherend vennoot geen afgescheiden vermogen kent en dat dit meebrengt dat vennootschapsvorderingen tot het vermogen van de beherend vennoot behoren en dat deze de vorderingen, ook na ontbinding van de commanditaire vennootschap, zonder meer kan instellen.”

Access: 
Public
IJzerdraad - Arrest

IJzerdraad - Arrest

IJzerdraad (HR 23-02-1954, NJ 1954, 378)

Relevante artikelen

Art. 1-91 SR.

Casus

De eigenaar van een eenmansbedrijf (exportzaak) wordt vervolgd wegens het plegen van een delict middels zijn chef-inkoper. Deze had namelijk opzettelijk en in strijd met de waarheid formulieren ingevuld en goederen door middel daarvan uitgevoerd in strijd met een voorschrift van het Deviezenbesluit van 1945. De eigenaar verweert zich door te stellen dat hij niet op de hoogte was en kon zijn van wat zijn chef inkoper deed.

Rechtsvraag

De Hoge Raad werd de vraag gesteld of de eigenaar opzet kon worden toegerekend. M.a.w. moet opzet aanwezig zijn voor strafbaarheid?

Rechtsregel

Opzet ten aanzien van een delict wordt door het strafrecht nergens toegerekend aan een natuurlijk persoon, indien die geestesgesteldheid bij hem niet persoonlijk aanwezig is geweest. Slechts als de persoon over het al of niet plaatsvinden van de handelingen kan beschikken en deze behoren tot de handelingen die de persoon aanvaardt of pleegt te aanvaarden, kunnen de handelingen als gedragingen van de persoon worden aangemerkt. De Hoge Raad heeft de uitspraak van het Hof dan ook vernietigd en de opzet niet toerekenbaar geacht. Immers was er geen sprake van aanvaarding.

Oefenvragen bij het IJzerdraad arrest

Vraag 1: Functioneel daderschap

Bespreek de huidige betekenis van de criteria aan de hand waarvan wordt vastgesteld of sprake is van functioneel daderschap.

Antwoord vraag 1

De kern van het functioneel daderschap is dat iemand die niet persoonlijk in fysieke zin de delictsgedraging heeft verricht, niettemin als pleger kan worden aangemerkt omdat hij voor de gedraging verantwoordelijk is. Het leerstuk van functioneel daderschap ziet op het toerekenen van gedragingen. De criteria voor het vaststellen van functioneel daderschap komen uit het IJzerdraad-arrest (HR 23 februari 1954, NJ 1954, 378). De centrale overweging van de Hoge Raad in dit arrest luidt als volgt: ‘dat toch handelingen zoals dergelijk in strijd met de wet invullen van formulieren, doen toekomen van die formulieren aan den Dienst van In- en Uitvoer en uitvoeren van goederen, slechts dan waren aan te merken als gedragingen van verdachte indien verdachte erover vermocht te beschikken, of die handelingen al dan niet plaatsvonden, en deze behoorden tot zodanige, welker plaatsvinden blijkens den loop van zaken door verdachte werd aanvaard of placht te worden aanvaard.’ Voor het aannemen van functioneel daderschap vereist de Hoge Raad aldus een (concrete) beschikkingsmacht over de fysieke gedraging en een (zekere) aanvaarding van deze gedraging. In de literatuur en jurisprudentie wordt sinds dit arrest ook wel gesproken over de IJzerdraadcriteria: het beschikken en aanvaarden van fysieke gedragingen van een onder-geschikte.

Het beschikkingscriterium ziet toe op de beschikkingsmacht die functionele pleger moet hebben over zijn ondergeschikte. Dit wil zeggen dat de functioneel pleger het in zijn macht moet hebben gehad om het delict te verhinderen dan wel te bewerkstelligen. De functioneel pleger moet het foutief gedrag kunnen bewerkstellingen of juist voorkomen. Annotator Röling spreekt in zijn noot onder het IJzerdraad-arrest over ‘kunnen ingrijpen’. De beschikkingsmacht ziet op de feitelijke zeggenschap van de functionele pleger over het strafbare gedrag

.....read more
Access: 
Public
Judobond NL - Arrest

Judobond NL - Arrest

Judobond NL (Gerechtshof Arnhem 10 juni 2012)

De casus

Hoogendijk heeft een geschil aanhangig gemaakt tussen hemzelf en de JudoBond NL. De vraag die in dit arrest centraal staat, is of de uitspraak van de commissie van beroep te beschouwen is als een besluit van een orgaan in de zin van art.2:14 en 2:15 BW.

Het hof

Het hof geeft aan dat de wet geen definitie geeft van hetgeen we onder een orgaan van een rechtspersoon moeten verstaan. Uit het stelsel van de wet volgt dat we onder ‘orgaan’ het volgende kunnen verstaan: een verband van een of meer personen bestaande uit een functionele eenheid die door de wet of de statuten met beslissingsbevoegdheden in vennootschappelijke aangelegenheden is bekleed. Uit deze definitie volgt dat de commissie van beroep niet als een orgaan van de rechtspersoon kan worden gekwalificeerd. Uit de wet en de statuten volgt immers niet dat de commissie bevoegd is om besluiten te nemen in de zin van art.2:14 BW. De wetgever heeft aan de vereniging de vrijheid gelaten om niet-wettelijk geregelde onderwerpen te regelen. De statuten van de JudoBond NL geven aan dat de commissie geen orgaan is. De statuten geven bovendien aan dat de commissie van beroep geen rechtspersoonlijkheid bevat. Doordat de commissie van beroep niet aangemerkt kan worden als een orgaan, gaat het hier niet om een besluit.

Kern

Je kunt iets als orgaan van een rechtspersoon kwalificeren indien het gaat om een functionele eenheid die door de wet of statuten de beslissingsbevoegdheid heeft toebedeeld gekregen en bekleed is met vennootschappelijke aangelegenheden. Indien iets niet als orgaan aangemerkt kan worden, kan het ook geen besluiten nemen.

 

Access: 
Public
Kleuterschool Babbel - Arrest

Kleuterschool Babbel - Arrest

HR 6 april 1979, NJ 1980, 34 (Kleuterschool Babbel)

Relevante artikelen

6:162, 170, 172 BW

Onderwerp

Onrechtmatige overheidsdaad

Casus

Stichting laat kleuterschool bouwen en verhuurt deze vervolgens aan de gemeente Zwolle. Van kleuterschool Babbel stort na verloop van tijd het dak in en de gemeente legt de schuld daarvan bij de aannemer, Reuvers die de school gebouwd heeft. De wethouder en een aantal ambtenaren verklaren de aannemer schuldig en er worden persberichten uitgegeven.

Op basis van art. 1401 BW initieert de aannemer een procedure tegen de gemeente voor het in diskrediet brengen van zijn naam waardoor er door de aannemer schade wordt geleden. Als basis hiervoor geeft de aannemer een vrijspraak van een Arbitragehof waar de aannemer werd vrijgesproken van fouten in de constructie.

Rechtsvraag

Is de gemeente aansprakelijk voor de uitlatingen van de wethouder?

Rechtbank en Hof

Wijzen de vordering van Reuvers af.

Hoge Raad

Voor de vraag of een gemeente voor de gedragingen van een wethouder kan worden aangesproken is beslissend of de wethouder in de gemeentewet als orgaan van de gemeente wordt erkend. Dan kunnen de gedraging van een wethouder een onrechtmatige daad van de gemeente opleveren. Dit is het geval indien de wethouder in het doen van zijn uitlatingen in zijn hoedanigheid als wethouder van een bepaald ambt optreedt.

De aansprakelijkheid van de gemeente hangt af van haar onderzoeksplicht naar de oorzaak. Alvorens de gemeente uitlatingen kan doen zal zij naarmate die uitlatingen grotere gevolgen hebben voor een derde een grotere en verder gaande onderzoeksplicht hebben.

Door niet goed te onderzoeken kan het bij een disproportioneel nadeel voor de derde een onrechtmatige daad opleveren. Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof.

Leerstuk

Onrechtmatige daad van rechtspersonen

De Hoge Raad breekt dat rechtspersonen alleen door gedragingen van organen zelf onrechtmatig kunnen handelen. De rechtspersoon is dus aansprakelijk voor eigen daad indien iemand ter vervulling van de door de rechtspersoon opgedragen taak tegenover derden onrechtmatig handelt.

Openbaarheid van bestuur en onrechtmatige daad

Ook al was de gemeente tot het oordeel gekomen dat de instorting van het dak van de school aan een fout van de aannemer te wijten was, dan nog had zij zolang de schuld van de aannemer niet door arbiters was vastgesteld, in haar voorlichting tot derden de nodige terughoudendheid in acht moeten nemen.

Nieuwe feiten bij pleidooi

Onjuist is de rechtsopvatting dat er bij pleidooi geen nieuwe feiten te berde mogen worden gebracht. Wel dient het beginsel van de goede procesorde in de gaten gehouden te worden.

Access: 
Public
Lunchroom De Katterug - Arrest

Lunchroom De Katterug - Arrest

Casus

Er is een commanditaire vennootschap die door de eiser wordt geëxploiteerd. De gedaagde is de commanditaire vennoot en behoort dus op de achtergrond te blijven en te financieren. Op de dag in kwestie heeft de commanditaire vennoot gehandeld, terwijl deze dat niet mocht. Later wordt de commanditaire vennootschap verkocht. Vervolgens wordt de commanditaire vennoot gedagvaard omdat door zijn handelen de kosten voor het afhandelen van de kosten van de vorderingen van de werknemer.

Rechtsvraag

Wat gebeurt er als een commanditair vennoot op de voorgrond treedt (zijn beheersverbod schendt)?

Rechtsregel

Iedere commanditaire vennoot die zijn beheersverbod schendt, is zelf hoofdelijk verbonden voor de schuld. Hij verbindt niet de commanditaire vennootschap, maar zichzelf.

Motivering

Rechtsoverweging 4.15: Artikel 21 WvK bepaalt dat de commanditair vennoot die artikel 20 lid 1 of lid 2 WvK overtreedt, wegens alle schulden en verbintenissen van de vennootschap hoofdelijk verbonden is, ook voor die welke met zijn laakbaar optreden geen verband houden. Gelet hierop is de vordering van eiser tot betaling van zijn vordering op de vennootschap, vermeerderd met de contractuele boete, toewijsbaar. De vraag of gedaagden voorts de opdracht tot uitschrijving van de vennootschap heeft getekend, behoeft daarom geen bespreking meer.

Access: 
Public
Nimox/Van den End q.q. - Arrest

Nimox/Van den End q.q. - Arrest

Nimox/Van den End q.q. (HR 08-11-1991, NJ 1992, 174)

Kern

Een faillissementscurator is bevoegd voor de belangen van de schuldeisers op te komen bij benadeling van die schuldeisers en kan ook een actie ex artikel 6:162 instellen tegen een derde die bij die benadeling betrokken is geweest. Hierop bestaat geen uitzondering indien slechts de crediteuren worden benadeeld wier vorderingen na de handeling van de derde zijn ontstaan. De curator heeft dan dus geen bijzondere volmacht nodig van die crediteuren. Indien een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders niet is aangetast op grond van art. 2:11 BW, volgt hieruit niet dat uitvoering van het besluit of het door uitoefening van het stemrecht bewerkstelligen van het besluit tegenover derden zoals schuldeisers niet onrechtmatig kan zijn.

De in de Faillissementswet met betrekking tot de verificatie getroffen voorzieningen staat niet in de weg aan een buiten die voorzieningen om gevoerd geding tussen de curator en een derde die een vordering op de gefailleerde pretendeert, waarbij inzet van het geding is of de vordering geverifieerd kan worden.

Casus

Nimox was enig aandeelhouder van Auditrade BV. Op 20 december 1983 besloot Nimox als enig aandeelhouder op de algemene vergadering van aandeelhouders van Auditrade zichzelf een dividend toe te kennen van ƒ 1.124.000,-. Een dag later verkocht Nimox 49% van de aandelen aan de directeur van Auditrade en 2% aan een derde. Op dezelfde dag verklaarden Nimox en Auditrade de dividendvordering om te zetten in een geldlening, onder o.a.de voorwaarde dat Nomix de tweede fiduciaire eigendom zou krijgen op de voorraden en debiteuren van Auditrade. Juni 1984 verkocht Nimox de vordering voor ƒ1.500.000,- aan NMB-Heller en stelde daarvoor een bankgarantie. NMB-Heller had de eerste fiduciaire eigendom van de voorraden en debiteuren van Auditrade. Op 7 augustus 1984 ging Auditrade failliet. De curator startte een actie uit onrechtmatige daad tegen Nimox.

Rechtbank en hof

De rechtbank wees de vordering van de curator toe op de volgende gronden. Nimox had onrechtmatig gehandeld jegens de schuldeisers door te stemmen voor het dividendbesluit, aangezien dit een ernstige aantasting van het eigen vermogen van Auditrade betekende; dit terwijl Auditrade op het punt stond zich te storten op een risicovol project (welk project zou mislukken waarna Auditrades faillissement volgde).

Nimox had zich de belangen van de overige schuldeisers onvoldoende aangetrokken; zij had het risico voor het mislukken van het project op zich moeten nemen en haar eigen vordering achter moeten stellen bij die van de andere schuldeisers. De schade bestaat hieruit, dat Nimox een concurrente in plaats van een achtergestelde vordering heeft. Die schade wordt goed gemaakt door de vordering van Nimox niet te verifiëren in het faillissement. De overdracht aan NMB-Heller was ook onrechtmatig, aangezien het NMB-Heller ingevolge art. 54 Faillissementswet niet vrijstond de van Nimox overgenomen vordering op Auditrade te verhalen op de haar door Auditrade verstrekte zekerheden indien NMB-Heller wist dat het faillissement van Auditrade te verwachten was. De meest passende vorm van schadevergoeding aan de schuldeisers is betaling van een bedrag door Nimox gelijk aan het

.....read more
Access: 
Public
Nutsbedrijf Westland - Arrest

Nutsbedrijf Westland - Arrest

Nutsbedrijf Westland (HR 02-03-2007, NJ 2007, 240)

Casus

De vier personen waarover het in deze casus draait zijn sinds 1987/1988 in dienst geweest bij Nutsbedrijf Westland. Eén persoon als directeur en de drie andere personen als werknemers (weliswaar bekleedden zij hoge functies). Op 20 januari 1992 hebben de drie werknemers en de echtgenote van de directeur een vennootschap opgericht (EES). Dit alles zonder wetenschap of toestemming van Nutsbedrijf Westland. EES bleek later haar inkomsten onder meer te verkrijgen door met leveranciers van Nutsbedrijf Westland afspraken te maken over het betalen van commissies aan EES over leveranties van goederen of diensten aan Nutsbedrijf Westland c.q. aan haar gelieerde ondernemingen of derden. De Raad van Commissarissen heeft op 9 april 1996 aangifte gedaan bij het Openbaar Ministerie. De vier personen zijn volgens Nutsbedrijf Westland op het door het OM geboden transactievoorstel ingegaan. Alle vier zijn op grond van een dringende reden in 1996 ontslagen. In rechte hebben ze hun ontslagen tevergeefs bestreden. Nutsbedrijf Westland spreekt de vier personen aan op grond van onrechtmatige daad. De werknemers stellen dat zij echter op basis van exclusiviteit op grond van de artikelen 7:661 en 2:9 BW aangesproken hadden moeten worden.

Hoge Raad

Artikel 2:9 BW houdt een norm in voor het handelen van een bestuurder van een rechtspersoon bij de vervulling van de hem opgedragen taak. In de rechtspraak is aangenomen dat aansprakelijkheid wegens schending van die norm slechts bestaat indien de bestuurder van zijn handelen een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Artikel 7:661 BW bevat een norm ter zake van de vergoeding van schade die door de werknemer aan de werkgever of aan een derde is toegebracht bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst. Eerst indien sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer, is hij jegens de werkgever aansprakelijk voor de door hem toegebrachte schade. De beide bepalingen impliceren dus een beperking van de aansprakelijkheid van de bestuurder resp. werknemer voor schade die zij, kort gezegd, binnen de uitoefening van hun werkzaamheden, hebben toegebracht. De reikwijdte van die bepalingen is evenwel niet beperkt tot vorderingen die zijn gebaseerd op een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis die voor de bestuurder resp. werknemer voortvloeit uit zijn (arbeids)overeenkomst. Zij zullen evenzeer toepassing kunnen en moeten vinden indien, onafhankelijk van een dergelijke toerekenbare tekortkoming, sprake is van een onrechtmatige daad die is begaan bij de taakvervulling van de bestuurder resp. bij de uitvoering door de werknemer van de arbeidsovereenkomst. Hetzelfde moet worden aangenomen in het daarvan te onderscheiden geval dat de aan de bestuurder of werknemer verweten onrechtmatige daad in zodanig verband staat met die taakvervulling of uitvoering, dat de strekking van de desbetreffende bepaling (artikel 2:9 resp. 7:661 BW) zich tegen een verdergaande aansprakelijkheid verzet.

Afgezien van de voor de aansprakelijkheid van de bestuurder in hoger beroep primair gekozen arbeidsrechtelijke grondslag, op de door het nutsbedrijf aangevoerde grondslag onrechtmatige daad, die het hof derhalve de vraag te beantwoorden:

  1. of onafhankelijk van een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van

.....read more
Access: 
Public
Ontvanger/Roelofsen - Arrest

Ontvanger/Roelofsen - Arrest

Ontvanger/Roelofsen (HR 08-12-2006, NJ 2006, 659)

Casus

De verweerder in deze zaak was directeur en enig aandeelhouder van twee besloten vennootschappen, die een fiscale eenheid voor de omzetbelasting vormden. Aan deze fiscale eenheid zijn in 1997 en in 1998 in totaal zeven naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd tot een bedrag van ƒ 2.021.297,--. Dit bedrag is niet betaald. Beide vennootschappen zijn in 1998 failliet verklaard.

De Ontvanger (van de Belastingdienst Oost) heeft een verklaring voor recht gevraagd dat de verweerder jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld en hij heeft gevorderd dat de verweerder aan hem de daardoor geleden schade, zal moeten voldoen. De rechtbank heeft deze vordering toegewezen en het hof heeft het afgewezen.

Hoge Raad

De Hoge Raad stelt dat het hof in verband met de door de Ontvanger gestelde primaire grondslag van zijn vordering allereerst moest beoordelen of de aan de verweerder verweten handelingen onrechtmatig jegens deze zijn geweest, waarbij het hof alle omstandigheden in aanmerking behoorde te nemen.

De Hoge Raad bepaald dat in geval van benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering, naast de aansprakelijkheid van de vennootschap mogelijk ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zal zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt.

Alleen wanneer de bestuurder van een vennootschap voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, kan aangenomen worden dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens de schuldeiser van de vennootschap.

Kern

In dit arrest is een aantal maatstaven voor externe bestuurdersaansprakelijkheid ge(her)formuleerd. I.c. heeft de Hoge Raad de Beklamel-norm verder aangevuld door te stellen dat niet alleen wanneer men handelt in naam van een vennootschap, maar ook wanneer men heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt, er mag worden aangenomen dat er sprake is van een onrechtmatige daad van een bestuurder.

Access: 
Public
Poot/ABP - Arrest

Poot/ABP - Arrest

Poot/ABP (HR 2 december 1994, NJ 1995, 288)

Casus

Het Poot-concern bouwde tennishallen, welke zij verkocht aan het ABP, waarbij de tennishallen werden terugverhuurd aan het Poot-concern met samenwerking van Sportfondsen Nederland nv. De samenwerking tussen Poot en Sportfondsen Nederland verviel en derhalve wijzigde de samenwerking met het ABP ook, in die zin, dat Poot geen opdrachten meer kreeg van het ABP. Hierdoor zijn de vennootschappen behorende tot het Poot-concern in de jaren 1980 en 1981 allemaal failliet verklaard. Poot stelt zich op het standpunt, dat het ABP door zijn handelswijze een onrechtmatige daad dan wel wanprestatie jegens Poot heeft gepleegd, welke wanprestatie c.q. onrechtmatige daad ook gepleegd is tegen Poot als privé-persoon.

Het gaat in deze zaak om de vraag of aandeelhouders vanwege waardevermindering van hun aandelen (afgeleide) schadevergoeding kunnen verhalen op een derde die door wanprestatie of onrechtmatige daad schade heeft toegebracht aan het vermogen van de vennootschap.

Procesverloop

Poot heeft op 18 februari 1988 het ABP voor de rechtbank in Zwolle gedaagd, waarbij de vorderingen van Poot zijn afgewezen. Poot is in hoger beroep gegaan bij het Hof Arnhem, welke het vonnis van de rechtbank heeft bekrachtigd. Poot gaat in cassatie.

Hoge Raad

NV’s en BV’s met beperkte aansprakelijkheid zijn rechtspersonen die zelfstandig, als dragers van eigen rechten en verplichtingen, aan het rechtsverkeer deelnemen, ook indien zij, zoals hier het geval is, door één persoon (enig directeur en enig aandeelhouder) worden beheerst. Het vermogen van een vennootschap is afgescheiden van dat van zijn aandeelhouders. Indien aan een vennootschap door een derde vermogensschade wordt toegebracht door het niet behoorlijk nakomen van contractuele verplichtingen jegens de vennootschap of door gedragingen die tegenover de vennootschap onrechtmatig zijn, heeft alleen de vennootschap het recht uit dien hoofde van de derde vergoeding van deze aan haar toegebrachte schade te vorderen. Die vermogensschade van de vennootschap zal, zolang zij niet is vergoed, een vermindering van de waarde van de aandelen in de vennootschap meebrengen. In beginsel kunnen de aandeelhouders echter op grond van dit (aanvankelijk) voor hen ontstane nadeel niet een eigen vordering tot schadevergoeding tegen de bedoelde derde geldend maken. Het ligt op de weg van de vennootschap om ter bescherming van de belangen van allen die bij het in stand houden van haar vermogen belang hebben, van de derde schadevergoeding te vorderen; slaagt zij daarin, dan moet ook de met die schade corresponderende waardevermindering van de aandelen geacht worden ongedaan te zijn gemaakt. Zou de vennootschap het vorderen van schadevergoeding nalaten, dan behoeven de belanghebbenden daarin niet te berusten; het Nederlandse rechtsstelsel biedt dan voldoende mogelijkheden om het bestuur van de vennootschap tot het alsnog instellen van de vordering te nopen. Er is geen grond om op dit punt onderscheid te maken tussen het geval van een vennootschap met een aantal aandeelhouders en dat van een vennootschap waarvan de aandelen in één hand zijn. Ook is in dit verband niet van belang in hoeverre bij een vennootschap met slechts één aandeelhouder deze laatste tevens als (enig) directeur het doen

.....read more
Access: 
Public
RCI Financial Services / Kastrop - Arrest

RCI Financial Services / Kastrop - Arrest

RCI Financial Services / Kastrop (HR 5 september 2014, NJ 2015, 22)

Feiten

RCI Financial Services BV heeft de verweerder gedagvaard voor rechtbank. RCI Financial Services BV stelt namelijk dat de verweerder jegens haar onzorgvuldig heeft gehandeld door namens de vennootschappen waarvan hij bestuurder was verplichtingen tot verlening van eerste pandrechten aan te gaan, terwijl hij wist of behoorde te begrijpen dat deze vennootschappen daaraan niet of niet binnen een redelijke termijn zouden kunnen voldoen en geen verhaal zouden bieden voor de voorzienbare schade die RCI daardoor zou lijden. De bestuurder had een financier dus voorgehouden dat deze een recht van eerste pand had kregen, terwijl dat niet zo was en de bestuurder wist dat. Toen de vennootschap failliet werd verklaard, bleek het pandrecht geen waarde te hebben.

RCI vorderde een bedrag van € 1.907.611,30. De verweerder voerde aan dat hij ervan mocht uitgaan dat de door de bank verkregen pandrechten geen betrekking hadden op door derden gefinancierde auto’s. De rechtbank heeft dit verweer gehonoreerd en de vordering van RCI afgewezen.

Hoge Raad

Als de zaak bij de Hoge raad komt moet het oordelen of het hof de grondslag van de vordering van RCI heeft miskend. Ook moet het oordelen of de verweerder aansprakelijk is.

De Hoge raad verwerpt het principale beroep. De Hoge Raad geeft de rechtsregels weer, zoals geformuleerd in eerdere uitspraken. De Hoge Raad oordeelt: "Het verwijt dat in het onderhavige geval aan de bestuurder wordt gemaakt is dat hij namens de vennootschappen een verplichting is aangegaan – de verplichting tot het verstrekken van een eerste pandrecht aan RCI op de door deze gefinancierde auto’s –, waarvan hij wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschappen deze niet zouden kunnen nakomen. Anders dan het middel aanvoert, leidt ook een zodanig verwijt pas tot aansprakelijkheid van de bestuurder indien deze wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de schuldeiser als gevolg van het niet nakomen van de verplichting schade zou lijden. Het middel betoogt dat die schade in dit geval is gelegen in de gevolgen van het verkrijgen van een slechtere zekerheidspositie dan is overeengekomen. De enkele omstandigheid dat de schuldeiser, anders dan was overeengekomen, geen eerste maar een tweede pandrecht heeft verkregen, brengt evenwel nog niet mee dat hij dientengevolge schade lijdt. (...) In rov. 15 van het arrest van het hof ligt besloten dat RCI onvoldoende heeft gesteld dat de door haar geleden schade als gevolg van het niet verkrijgen van eerste pandrechten voorzienbaar was op het moment dat [verweerder] namens de vennootschappen de verplichting tot het vestigen van die pandrechten aanging. Dit oordeel is feitelijk van aard en geenszins onbegrijpelijk."

Kern

De Hoge Raad overwoog dat de bestuurder niet onrechtmatig had gehandeld omdat de schade op het moment van verstrekken van het pandrecht niet voorzienbaar was. De Hoge Raad toetst aan de drempel voor aansprakelijkheid (Willemsen/NOM) en de Beklamel-norm.

Access: 
Public
Reinders Didam - Arrest

Reinders Didam - Arrest

Reinders Didam (HR 6 februari 2004, JOR 2004, 67)

Casus

De aandelen van LIR BV zijn in handen RDB BV. RDB was statutair bestuurder van LIR. De heer Reinders is bestuurder van RDB. De aandelen van RDB worden gehouden door de Stichting Administratiekantoor Aandelen Reinders Didam Beheer, waarvan Reinders ook bestuurder is. In opdracht van RDB heeft LIR werkzaamheden verricht. Deze resulteerden in een vordering van LIR op RDB. RDB heeft als enig aandeelhouder het besluit genomen een fors bedrag als dividend uit te keren aan haarzelf. Betaling daarvan heeft (deels) plaatsgevonden via verrekening met de vordering van LIR op RDB. De curator in het faillissement van LIR spreekt RDB als bestuurder van LIR aan tot betaling van de tekorten van de faillissementsboedel, onder meer gegrond op de onrechtmatigheid van het dividendbesluit.

Hoge Raad

Ook indien van de geldigheid van het dividendbesluit als zodanig moet worden uitgegaan, volgt daaruit niet dat de uitvoering van dat besluit tegenover derden, zoals schuldeisers van de vennootschap, niet onrechtmatig kan zijn (HR 8 november 1991, NJ 1992, 174 (Nimox/Van den End q.q.)) en/of niet als kennelijk onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur kan worden aangemerkt.

Door aan de voorbereiding en de uitvoering van het uitkeringsbesluit haar medewerking te verlenen, heeft RDB (en Reinders ex artikel 2:11 BW) haar taak als bestuurder kennelijk onbehoorlijk verricht, nu die uitkering het redelijkerwijs te verwachten gevolg heeft dat de vorderingen van de vennootschapscrediteuren niet meer (volledig) voldaan kunnen worden.

Access: 
Public
Staalbankiers / Elko Management - Arrest

Staalbankiers / Elko Management - Arrest

Staalbankiers/Elko Management (HR 28 januari 2001)

Casus

Op 10 juli 2002 is EDG Beheer B.V. opgericht. Men heeft hierbij Elko Management B.V. benoemd tot bestuurder. De bestuurder van Elko Management B.V. is de heer Van Hooven. Na de oprichting sluit EDG Beheer een kredietovereenkomst met Staalbankiers. Staalbankiers heeft nog diezelfde dag een geldlening van vijf miljoen euro aan EDG Beheer verstrekt. In april 2004 is EDG Beheer failliet verklaard. Staalbankiers had op dat moment een vordering op EDG. Deze vordering vloeit voort uit de kredietovereenkomst die ze gesloten hadden. Nadat men de verstrekte zekerheden heeft uitgewonnen blijft er nog een vordering van 3.7.57.140,10 euro over. Staalbankiers probeert deze vordering te verhalen, dit doen ze op grond van art. 2:180 lid 2 BW.

De rechtbank  

Het rechtbank stelt Staalbankiers in het ongelijk. de rechtbank was van mening dat de overeenkomst was aangegaan onder de opschortende voorwaarde dat er een uittreksel in het handelsregister was verstrekt. Dit heeft men pas op 12 juli 2012 gedaan en de kredietovereenkomst werd op 10 juli 2012 gesloten. Volgens de rechtbank kan er daarom geen sprake zijn van aansprakelijkheid op grond van art. 2:180 lid 2 BW.

Het hof

Het hof volgt de redenering van de rechtbank niet. Volgens het hof gaat het namelijk niet om een opschortende voorwaarde, maar om een bijkomende voorwaarde. Volgens het hof was EDG Beheer dus op het moment van tekenen gebonden. Het hof wijst de vordering van Staalbankiers toch af. Volgens het hof is artikel 2:180 lid 2 BW in dit geval niet van toepassing. Volgens het hof dient dit artikel bestuurders te prikkelen om aan de inschrijving in het Handelsregister te voldoen. Bovendien wil men derden beschermen die handelen met een BV in oprichting. Volgens het hof gaat het artikel niet op, omdat het voor Staalbankiers duidelijk was met wie ze zaken deden.

Het hof stelt dat, mocht dit artikel toch van toepassing zijn, het Staalbankiers alsnog niet kan baten. Staalbankiers wist dat EDG Beheer op 10 juli was opgericht. Toch zijn ze over gegaan tot kredietverstrekking. Bovendien acht het hof het van belang dat de inschrijving al binnen twee dagen is geschied.

De Hoge Raad

De HR oordeelde dat artikel 2:180 lid 2 BW zich strekt tot bescherming van derden die met BV handelen in het tijdvak tussen de oprichting en de inschrijving in het Handelsregister. Bovendien strekt de inschrijfplicht tot de bescherming van het algemeen belang. Door de inschrijfplicht wordt immers een geordend rechtsverkeer beoogt en wordt het repressieve toezicht door de overheid makkelijker gemaakt.

Kern

Artikel 2:180 BW strekt zich zowel uit tot de bescherming van het belang van derden als tot de bescherming van het algemeen belang. 

Access: 
Public
Staleman / Van de Ven - Arrest

Staleman / Van de Ven - Arrest

Staleman/Van der Ven (HR 10-01-1997, NJ 1997, 360)

Casus

Het gaat in deze zaak om de uitleg van het ‘ernstig verwijtbegrip’ in de zin van artikel 2:9 BW en de reikwijdte van de aan bestuurders verleende décharge.

Hoge Raad

Voor aansprakelijkheid op de voet van artikel 2:9 BW is vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of hiervan sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.

Het betoog dat een uit de vaststelling van de jaarrekening voortvloeiende décharge zich, althans in beginsel, ook uitstrekt tot hetgeen de aandeelhouders redelijkerwijze konden weten dan wel tot hetgeen waarop zij, mede gelet op de hun verstrekte informatie, bedacht konden zijn en dat dit laatste ook geldt voor een expliciete décharge is onjuist, nu het aan die décharges een ruimere werking toekent dan met de aard van een dergelijk ontslag van aansprakelijkheid overeenstemt. In het bijzonder kan niet worden aanvaard dat een décharge zich ook zou uitstrekken tot informatie waarover een individuele aandeelhouder uit anderen hoofde – buiten het verband van de AVA – de beschikking heeft gekregen, of tot gegevens die niet uit de jaarrekening blijken of niet anderszins aan de AVA zijn bekendgemaakt voordat deze de jaarrekening vaststelde.

Access: 
Public
Stichting Administratiekantoor Diva - Arrest

Stichting Administratiekantoor Diva - Arrest

Stichting Administratiekantoor Diva (HR 24-01-1997, NJ 1997, 399)

Artikelen

Art. 2:93 BW, art. 2:203 BW

Onderwerp

Art. 2:93 en 2:203 BW (bekrachtiging van rechtshandeling verricht namens een rechtspersoon in oprichting) zijn analoog van toepassing op andere rechtspersonen dan de BV en de NV

Casus

Op 2 mei 1991 sluiten vier participanten een deelnemings- en samenwerkingsovereenkomst met vier anderen. Het doel daarvan is het samenbrengen van kennis en kapitaal op het gebied van automatisering. Na de totstandkoming van de overeenkomst verenigen de vier participanten zich in een stichting met de naam Stichting Administratiekantoor Diva. De vier anderen (Meijs c.s.) besluiten rond juni 1991 dat zij de samenwerking niet meer zien zitten en laten dat weten aan Diva. Diva vordert daarop schadevergoeding voor het niet nakomen van de samenwerkingsovereenkomst van Meijs c.s. bij de rechtbank van 's Hertogenbosch op 8 oktober 1991. Meijs c.s. ontkennen dat er een overeenkomst met de individuele participanten of met Diva tot stand is gekomen. Subsidiair voeren ze aan dat Diva als rechtspersoon niet bestaat.

Rechtbank

Na onderzoek concludeert de rechtbank op 17 juni 1994 dat Diva als rechtspersoon bestond ten tijde van het begin van het proces in oktober 1991. Meijs c.s. voeren daarna aan dat, aangezien de stichting pas na het totstandkomen van de overeenkomst is opgericht, Diva aan de overeenkomst geen rechten kan ontlenen. De rechtbank oordeelt dat het mogelijk is dat de participanten tijdens het onderhandelingsproces op een gegeven moment namens Diva zijn gaan handelen. Daarna kan Diva, na haar oprichting, de overeenkomst hebben bekrachtigd. Meijs c.s. gaan tegen deze overweging in hoger beroep bij het Hof 's Hertogenbosch.

Hof

In hoger beroep voeren Meijs c.s. aan dat, in tegenstelling tot wat de rechtbank beweerde, Diva de overeenkomst niet bekrachtigd kan hebben. Het Hof geeft hen gelijk en verklaart Diva niet-ontvankelijk. Het Hof overweegt dat de rechtbank ten onrechte heeft gerefereerd aan art. 2:93 lid 1 en art. 2:203 lid 1 BW. Deze artikelen geven NVs en BVs het recht om, als ze eenmaal opgericht zijn, rechtshandelingen te bekrachtigen die in hun naam tijdens hun oprichting zijn verricht. Deze bepalingen gelden volgens het Hof echter alleen voor de NV en de BV, niet voor andere soorten rechtspersonen zoals de stichting. Hiertegen gaat Diva in cassatie bij de Hoge Raad.

Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof. 'Aangenomen moet worden dat het bepaalde in art. 2:93 lid 1 en 2:203 lid 1 van overeenkomstige toepassing is op andere rechtspersonen.' Daarmee is de kous af.

Conclusie

Door deze uitspraak gelden de artikelen 2:93 en 2:203 BW ook voor andere rechtspersonen dan de BV en de NV. Ook andere rechtspersonen kunnen dus ingevolge deze bepalingen rechtshandelingen bekrachtigen die namens hen, tijdens hun oprichting, zijn verricht.

Access: 
Public
Stichting Freule Lauta van Aysma - Arrest

Stichting Freule Lauta van Aysma - Arrest

Freule Lauta van Aysma (Hof Amsterdam 21 september 2010)

Casus

We zien dat de Stichting Freule Lauta van Aysma een financieel adviseur had aangesteld. Deze stichting hield een bejaardencentrum in stand. Aan de financieel adviseur had men een volmacht verleend. De stichting heeft vervolgens ingestemd met een complex en financieel arrangement. Met dit arrangement zou men met enig risico hoge rendementen kunnen behalen. We zien dat er uiteindelijk een bedrag van tien miljoen euro is verdwenen.

Het hof

Het hof geeft aan dat het doel van de stichting en de belangen van derden vereisen dat de stichting een zorgvuldig financieel beleid voert. Het voeren van het zorgvuldige financieel beleid ziet men als een essentiële taak van het bestuur. Het is dus niet verenigbaar dat de stichting grote financiële risico’s loopt met geleend geld. Dit valt de bestuurders dus ernstig verwijten. De bestuurders voerden een disculpatieverweer. Het financieel beleid rekent men als een taak voor het bestuur als geheel. In dit geval werden de financiële aangelegenheden echter voornamelijk aan de penningmeester overgelaten. Dit achtte men van belang bij het disculpatieverweer dat de bestuurders voerden. De penningmeester draagt een bijzondere verantwoordelijkheid voor het financiële beleid van een stichting. De penningmeester zal zich derhalve niet snel kunnen disculperen. De secretaris van Freule was niet aanwezig bij het gesprek dat werd gevoerd met de bank. De secretaris wist derhalve ook niet bij welk riskant arrangement de stichting was betrokken. Bovendien had de secretaris een groot vertrouwen in de penningmeester, dit was opgebouwd door een jarenlange samenwerking. Bovendien verrichte de secretaris onbezoldigde werkzaamheden en kon hij geen eigen voordeel uit de transacties verwachtten.

Kern

Een stichting dient een zorgvuldig financieel beleid te voeren. Dit wordt gezien als een taak van het hele bestuur. Bij het disculpatieverweer zijn echter een aantal factoren van belang. Het kan hierbij gaan om het feit dat men niet aanwezig is bij het gesprek van de bank, het hebben van een groot vertrouwen en het niet behalen van eigen voordeel. Bovendien volgt uit de zaak dat je niet blindelings op adviseurs mag vertrouwen. 

Access: 
Public
Stichting Islamitisch Sociaal Cultureel Centrum voor Flevoland - Arrest

Stichting Islamitisch Sociaal Cultureel Centrum voor Flevoland - Arrest

Stichting Islamitisch Sociaal Cultureel Centrum voor Flevoland (HR 12-05-2000, JOR 2000/145)

Artikelen

Art. 2:8 BW, art. 2:15 BW, art. 2:294 BW

Onderwerp

Statutenwijziging stichting, toekennen van zeggenschap aan een buiten de stichting staande persoon

Casus

De Stichting Islamitisch Sociaal Cultureel Centrum, opgericht in 1991, heeft destijds in haar statuten een aantal bevoegdheden toegekend aan een zogeheten Geestelijk Leider. Blijkens art. 11 en 12 van de statuten is deze voor het leven benoemd en heeft hij de bevoegdheid om bindend advies aan het bestuur te geven. Verder bepalen de statuten dat het bestuur de statuten alleen kan laten wijzigen na schriftelijke toestemming van de Geestelijk Leider. Op 7 september 1997 wordt het bestuur het eens over een wijziging van de bovengenoemde statutaire bepalingen. De toestemming van de Geestelijk Leider is niet verkregen. Op 26 augustus 1998 dient het bestuur een verzoek in bij de rechtbank tot wijziging van de statuten.

Rechtbank

De rechtbank wijst het verzoek af. Wel besluit de rechtbank de Stichting ambtshalve te ontbinden omdat volgens haar, als gevolg van de bijzondere positie van de Geestelijk Leider, het doel van de stichting onbereikbaar is geworden (art. 2:203 lid 1 BW).

Hof

Het Hof bekrachtigt in hoger beroep het vonnis van de rechtbank gedeeltelijk. De afwijzing van het verzoek tot statutenwijziging blijft in stand, maar het Hof vernietigt de beslissing van de rechtbank tot ontbinding van de stichting. De overweging die daaraan ten grondslag ligt is dat het enkele bestaan van de bevoegdheid tot het geven van bindend advies, niet meebrengt dat het doel van de stichting onbereikbaar is geworden. Daarbij overweegt het Hof dat de Geestelijk Leider nog nooit van zijn bevoegdheden gebruik heeft gemaakt en dat hij heeft verklaard daarvan alleen in noodsituaties gebruik te zullen maken. Ook is volgens het Hof niet aan de eisen van art. 2:294 BW voldaan. Dat wil zeggen dat er geen sprake is van een situatie die bij de oprichting redelijkerwijze niet (kan) zijn gewild.

Hoge Raad

De Hoge Raad gaat in cassatie mee met het oordeel van het Hof. In de woorden van de Hoge Raad leidt de enkele statutaire positie van de Geestelijk Leider er niet toe dat het doel van de stichting onbereikbaar wordt. Ook levert het geen problemen op voor het functioneren van de stichting en het bestuur. Volgens het Hof en de Hoge Raad is bepalend op welke wijze de Geestelijk Leider zijn bindende adviesbevoegdheid uitvoert. Aangezien de Geestelijk Leider heeft verklaard deze bevoegdheden zeer terughoudend uit te oefenen komen de doelen van de stichting niet in het geding. Bovendien biedt de wet met art. 2:8 en art. 2:15 BW bescherming tegen machtsmisbruik.

Conclusie

Uit dit arrest blijkt dat een statutaire bevoegdheid van een persoon die buiten de stichting staat, niet meteen met zich meebrengt dat het doel van de stichting onbereikbaar is geworden. De statuten kunnen dus zeggenschap toekennen aan een derde buiten de stichting. Art. 2:8 en art. 2:15 BW bieden waarborgen tegen machtsmisbruik dat hieruit zou kunnen voortvloeien.

 

 

 

Access: 
Public
The Lord’s Choir - Arrest

The Lord’s Choir - Arrest

The Lord’s Choir (Hof Arnhem, 14-04-2009, NJF 2009/310)

Casus

De Rooms Katholieke Parochie Elisa, is op 17 augustus 2003 ontstaan uit een fusie van de Sint Willibrord parochie, de Sint Egbertus parochie en de Sint Christoffel parochie.

Het Jongvolwassenenkoor “The Lord’s Choir” heeft, deels tegen betaling, muzikale begeleiding gegeven aan religieuze diensten in kerken binnen en buiten de parochie. In 2003 heeft het koor zijn muzikale optredens binnen de parochie gestaakt.

Het koor had zijn piano en drumstel gestald in de repetitieruimte van de Willibrordkerk, thans geheten Christoffelkerk. In de procedure die volgt vordert het koor afgifte in goede staat van de piano en het drumstel. De kantonrechter heeft de vordering tot afgifte van de instrumenten toegewezen.

Zowel de parochie als het koor meent eigenaar te zijn van een drumstel. De parochie betwist dat het koor een rechtspersoon is en het koor stelt dat zij een informele vereniging is.

Hof

Is er sprake van een vereniging? Het hof overweegt dat niet elk samenwerkingsverband van leden een vereniging is in de zin van artikel 2:26 BW. Voor het zijn van een vereniging is vereist dat de oprichters bij meerzijdige rechtshandeling een rechtspersoon tot stand brengen. Dit is het geval als het verband een eigen identiteit onderscheidt van de leden en als eenheid aan het rechtsverkeer deelneemt door zich als subject van rechten en verplichtingen te gedragen. Voor het bestaan van een vereniging is niet vereist dat er een rechtshandeling is waarbij zij is opgericht. Een vereniging kan ontstaan doordat een samenwerkingsverband van personen als eenheid gaat deelnemen aan het rechtsverkeer. Niet noodzakelijk is dan dat het doen ontstaan van een rechtspersoon door de samenwerkenden uitdrukkelijk is gewild. Om als informele vereniging in de zin van artikel 2:30 BW te worden aangemerkt is ook niet vereist dat het verband statuten heeft of is ingeschreven in het handelsregister.

De parochie heeft niet gemotiveerd betwist dat het koor is opgericht door een aantal musici met het doel eucharistievieringen muzikaal te omlijsten, dat het koor een bestuur en andere organen (waaronder een feestbestuur, een lectorencollege en een liturgiegroep) heeft en leden die contributie betalen, dat het een eigen administratie heeft en dat het koor in financieel opzicht geheel zelfstandig is en was. Uit deze omstandigheden blijkt naar het oordeel van het hof dat sprake is en was van een zelfstandig georganiseerd samenwerkingsverband dat gericht is op een bepaald doel. De parochie heeft ook niet gemotiveerd betwist dat het koor koopovereenkomsten heeft gesloten met betrekking tot de piano en het drumstel. Hieruit volgt reeds dat het koor als eenheid deelneemt aan het rechtsverkeer, zodat het moet worden gezien als een vereniging in de zin van art. 2:26 BW.

 

Access: 
Public
Van den Broeke-Van der Linden - Arrest

Van den Broeke-Van der Linden - Arrest

Van den Broeke-Van der Linden (HR 17-12-1993, NJ 1994, 301)

Relevante artikelen

17, 32 K, 7A:1670 BW

Onderwerp

Vordering tot rechtstreekse verrekening tussen vennoten

Casus

Vanaf 1935 exploiteren Van den Broeke en Van der Linden de v.o.f. Watersportbedrijf Oké. In de jaren 50 gaan zij uit elkaar en verdelen zij het vennootschappelijk vermogen (waaronder onroerende goederen). Dit laten zij in 1962 bij notariële akte vastleggen. In 1970 beginnen zij met onderhandelingen over ontbinding van de vennootschap en verdeling van het overgebleven vermogen. Ze worden het uiteindelijk eens en gaan vanaf 1977 het aan hun toebedeelde onroerend goed afzonderlijk exploiteren. Volgens Van den Broeke heeft Van der Linden echter een groter gedeelte van het onroerend goed gekregen dan hem toekwam. Van der Linden belooft dit goed te maken door aan Van den Broeke een perceel grond met opstallen over te dragen. Maar dit gebeurt nooit. Van den Broeke vordert 60.000 gulden van Van der Linden wegens gebruiksoverbedeling. Daarnaast vordert hij dat Van der Linden met hem de vennootschap voortzet, op straffe van een dwangsom.

Rechtbank en hof

De rechtbank wijst de eerste vordering af. De rechtbank verklaart Van den Broeke verder onontvankelijk in zijn vordering m.b.t. de gebruiksoverbedeling, omdat de vordering niet aan hem, maar aan de vennootschap toekomt. Het Hof geeft de rechtbank gelijk. Het Hof overweegt daarbij dat er ook geen stilzwijgende overeenkomst tot verrekening tussen beide partijen tot stand is gekomen.

Hoge Raad

Van den Broeke komt in cassatie op tegen de beslissing van het Hof. Hij voert aan dat door de redelijkheid en billijkheid er een stilzwijgende overeenkomst tot verrekening tussen hem en Van der Linden is ontstaan, niet tussen de vennootschap en Van der Linden. Daarnaast beweert hij dat de bijzondere omstandigheden van het geval ertoe leiden dat niet alleen de vennootschap kan vorderen dat gebruiksoverbedeling wordt gecompenseerd ('verrekend'), maar dat ook de vennoten dat kunnen doen. De Hoge Raad oordeelt dat een vennoot niet tegen een medevennoot een vordering kan instellen tot rechtstreekse verrekening zoals Van den Broeke beweert. Daarbij overweegt de Hoge Raad dat het vermogen van de v.o.f. een gebonden gemeenschap vormt die is bestemd voor het bereiken van het doel van de vennootschap. Een vennoot kan zolang de vennootschap bestaat niet vrijelijk over zijn aandeel in de goederen beschikken en maakt geen aanspraak op uitkeringen ten laste van het vennootschapsvermogen, voor zover dat niet uit de vennootschapsovereenkomst voortvloeit. Daarbij telt mee ook dat het vermogen een ten behoeve van schuldeisers afgescheiden vermogen is.

Leerstuk

Een vennoot kan niet tegen een medevennoot een vordering tot rechtstreekse verrekening instellen. Door de aard van het vennootschapsvermogen (gebonden gemeenschap en afgescheiden ten behoeve van schuldeisers) is er geen ruimte voor verrekening buiten de vennootschap om. 

 

Access: 
Public
Van der Heijden/Van Hoogenhuijze - Arrest

Van der Heijden/Van Hoogenhuijze - Arrest

Van der Heijden/Van Hoogenhuijze (HR 3 november 1995, NJ 1996, 14)

Casus

Van der Heijden heeft Van Hoogenhuijze, al dan niet als vertegenwoordiger van de Stichting Infokab dan wel Infokab BV i.o., opdracht gegeven tot accountancywerkzaamheden, verband houdende met de oprichting en werkzaamheid van ‘een of meer vennootschappen’. De opdracht is door Van Hoogenhuijze vastgelegd in een bevestiging d.d. 25 februari 1985. De oprichting van Infokab BV kreeg op 20 februari 1987 haar beslag. Bij brief van 23 februari 1987 is aan Van Hoogenhuijze bericht dat Infokab ‘in opvolging van’ Infokab BV i.o. op 20 februari 1987 was opgericht en dat Infokab BV ‘derhalve’ alle verplichtingen van Infokab BV i.o. overnam. Bij brief van 10 april 1987 heeft Van Hoogenhuijze aan Van der Heijden bericht dat hij geen bezwaar ertegen had dat zijn facturen door Infokab BV zouden worden voldaan. Hij voegde hieraan toe: ‘De overname van deze schuld door Infokab BV vrijwaart u echter niet van uw verplichting tot het voldoen van deze schuld aan mij. Ik verzoek u te bewerkstelligen dat deze schuld op korte termijn volledig zal worden voldaan. (…)’. Infokab BV is op 23 augustus 1988 in staat van faillissement verklaard. Betaling van de eerste twee door Van Hoogenhuijze terzake bij en op naam van Van der Heijden ingediende facturen d.d. 19 april 1986 houdt partijen verdeeld. Van Hoogenhuijze heeft Van der Heijden en de curator in het faillissement van Infokab BV gedagvaard en gevorderd dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het volgens Van Hoogenhuijze aan hem verschuldigde.

Hoge Raad

Een persoon die een overeenkomst heeft gesloten met een ander die namens een op te richten BV handelt, kan ex artikel 2:203 BW slechts uit die overeenkomst worden aangesproken door een nadien opgerichte BV, wanneer deze laatste de overeenkomst uitdrukkelijk of stilzwijgend heeft bekrachtigd en bovendien moet worden aangemerkt als de vennootschap die partijen op het oog hadden toen de overeenkomst tot stand kwam, alsmede dat het van de omstandigheden van het geval afhangt of van dat laatste sprake is. Die ander wordt tegenover zijn wederpartij ex artikel 2:203 BW slechts van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid bevrijd indien de overeenkomst wordt bekrachtigd door een na het sluiten van de overeenkomst opgerichte BV die, gegeven de omstandigheden van het geval, moet worden aangemerkt als de vennootschap die partijen bij het tot stand komen van de overeenkomst op het oog hadden.

Niet voldoende is dat nog slechts een algemeen voornemen bestaat tot oprichting van een BV over te gaan. Vereist is dat de plannen tot oprichting een begin van concretisering hebben gevonden. Eerst dan is voldoende duidelijk dat degene die handelt niet bereid is zichzelf te binden maar slechts de vennootschap nadat deze zal zijn opgericht en eerst dan heeft de BV in oprichting reeds voldoende identiteit.

Voor het eindigen van de hoofdelijke aansprakelijkheid van degene die namens een op te richten BV heeft gecontracteerd, is niet reeds voldoende dat na het sluiten van de overeenkomst ‘een’ BV is opgericht die de overeenkomst bekrachtigt. Dit

.....read more
Access: 
Public
VDV Totaalbouw - Arrest

VDV Totaalbouw - Arrest

VDV Totaalbouw (HR 06-02-2015, ECLI:NL:HR:2015:251, JOR 2015/181)

Casus

Bepro heeft in november 2013 de rechtbank verzocht om het faillissement uit te spreken van VDV Totaalbouw (hierna te noemen ‘VDV’) en vennoot X. Op 1 april 2014 heeft de rechtbank beide faillissementen uitgesproken. Zowel VDV als vennoot X waren niet verschenen op de zitting. X heeft verzet ingediend tegen het faillissement. De rechtbank verklaarde dit verzet op 12 mei 2014 ongegrond. X heeft vervolgens hoger beroep ingesteld tegen zijn eigen faillietverklaring. Hij voerde daarbij aan dat de rechtbank hem niet failliet had mogen verklaren, omdat er nog een procedure liep waarin hij het verzoek had gedaan om de schuldsaneringsregeling toe te passen.

Het hof

Het hof kwam tot het oordeel dat dit argument X niet kon baten. Volgens het hof was het faillissement van VDV onherroepelijk geworden. Het onherroepelijk worden van het faillissement van VDV brengt mee dat X ook in staat van faillissement verkeert. X heeft beroep in cassatie ingesteld.

Hoge Raad

De HR oordeelde dat het faillissement van een vof niet automatisch leidt tot insolventierechtelijke consequenties van de vennootschappen. Volgens de HR heeft een vof een afgescheiden vermogen waarop de schuldeisers verhaal op kunnen nemen. De schuldeisers dienen eerst verhaal te nemen op het afgescheiden vermogen voordat ze over kunnen gaan tot het verhaal op het privévermogen. Een vof kan in een aantal gevallen dus aangemerkt worden als een afzonderlijk rechtssubject. Bovendien kan een vennoot beschikken over zoveel privévermogen dat hij alle schuldeisers van de vennootschap kan voldoen. Bovendien kunnen vennoten niet zomaar failliet worden verklaard wanneer ze verzocht hebben om de schuldsaneringsregeling toe te passen. Het failliet verklaren van een vennoot is daarnaast in strijd met Verordening (EG) 1346/2000 van de Raad.

Kern

Het faillissement van een vof leidt niet automatisch tot een faillietverklaring van de vennoten, dit is strijdig met Verordening 1346/2000 en artikel 6 EVRM. Bovendien dienen de schuldeisers zich eerst te verhalen op het afgescheiden vermogen en is het mogelijk dat de vennoot over zoveel privévermogen beschikt dat hij de schuldeisers kan afbetalen. Men kan een vennoot bovendien niet zonder meer failliet verklaren indien hij heeft verzocht om toepassing van de schuldsaneringsregeling.  

Access: 
Public
Verenigde Bootlieden - Arrest

Verenigde Bootlieden - Arrest

Casus

Vrijwel alle aandeelhouders van Verenigde Bootlieden BV zijn werknemers van de vennootschap. Verenigde Bootlieden had financiële reserves opgebouwd tot een voor de financiering van het bedrijf onnodig hoog bedrag. Uitkering van dit bedrag of een aanmerkelijk deel ervan aan aandeelhouders stuitte op problemen omdat niet alle aandeelhouders een dergelijke fiscaal belaste uitkering wenselijk achtten. De directie heeft ter oplossing van dit probleem voorgesteld dat de aandeelhouders ieder een eigen BV zouden oprichten; uitkering kon dan met gebruikmaking van de deelnemingsvrijstelling onbelast aan de BV van de aandeelhouder geschieden en iedere aandeelhouder kon zelf bepalen of hij de aan zijn BV toegekende uitkering al dan niet in de BV wilde houden. Vereist was dan wel dat de BV een aandeel van tenminste 5% in het kapitaal van de vennootschap bezat. Bij vier aandeelhouders was dit niet het geval. Vervolgens is de gedachte gerezen om het belang van deze aandeelhouders op te trekken tot tenminste 5%, hetgeen ten koste van het aandeel van de overige aandeelhouders diende te gaan. Daarom werd door de AVA besloten tot een emissie van aandelen aan deze vier (zodat ook zij aan het vereiste van 5% zouden voldoen), waarbij het voorkeursrecht van de andere aandeelhouders werd uitgesloten. Aandeelhouder Van den Berge vordert vernietiging van dit besluit.

Hoge Raad

Blijkens artikel 2:206a BW laat het wettelijk stelsel toe dat bij een bepaalde emissie het belang van aandeelhouders wordt verminderd door beperking of uitsluiting van het voorkeursrecht.

Van schending van het beginsel van gelijke behandeling van aandeelhouders is geen sprake indien voor de ongelijke behandeling een redelijke en objectieve rechtvaardiging kan worden aangewezen. De bijzondere omstandigheden, met name het bijzondere karakter van de vennootschap (aandeelhouder/werknemer) en de omstandigheid dat het gaat om het opheffen van een voor vier aandeelhouders nadelige fiscale ongelijkheid door maatregelen welke voor de andere aandeelhouders slechts een relatief geringe daling van hun belang meebrachten, vormen een zodanige rechtvaardiging.

Artikel 2:201 lid 2 BW bevat dwingend recht en wordt door artikel 2:206a BW niet terzijde gesteld.

N.B. Onjuist is dat indien de statuten van een besloten vennootschap een aanbiedingsregeling overeenkomstig het stelsel van artikel 2:195 lid 4 BW bevatten, zij niet tevens – voor aandelen van dezelfde soort – een goedkeuringsregeling als voorzien in artikel 2:195 lid 3 BW mogen behelzen.

De uitleg van de statuten is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt.

 

 

 

Access: 
Public
Villa Mundo - Arrest

Villa Mundo - Arrest

Villa Mundo (HR 23-11-2012, NJ 2013, nr. 302; JOR 2013/40)

Onderwerp

Persoonlijke aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad bestuurder. Art. 6:162 BW

Feiten

Betrokkene 1 en de Vennootschap in casu richt zich op het bemiddelen tussen verkopers en kopers van onroerend goed gelegen aan de Costa Blanca in Spanje. Eiser is samen met betrokkene 1 bestuurder van de Vennootschap. Verweerder c.s. hebben in 2004 de ‘second home beurs’ bezocht, waar zij in contact zijn gekomen met de Vennootschap. Uiteindelijk kopen verweerder c.s. een villa, die later wordt afgebroken omat op het desbetreffende stuk grond niet mocht worden gebouwd, en er dus ook geen bouwvergunning voor was afgegeven.

Rechtbank & Hof

Verweerder c.s. vorderen hoofdelijke veroordeling van eiser en de Vennootschap tot betaling van schadevergoeding, welke de rechtbank heeft afgewezen.

Hof en Hoge Raad

In hoger beroep heeft het Hof het vonnis van de rechtbank vernietigd en eiser en de Vennootschap hoofdelijk veroordeeld tot betaling uit onrechtmatige daad.

Volgens het Hof presenteerden zij zich als deskundig bemiddelaar(s) voor de koop van onroerend goed in Spanje en waren ze nauw betrokken bij de koopovereenkomst. Het verwijt dat zij zich de belangen van de kopers onvoldoende hadden aangetrokken door niet juist en volledig te informeren c.q. waarschuwen over (on)mogelijkheden bij de realisering van de woning, werden gegrond geacht.

De natuurlijke persoon, die bestuurder van de vennootschap was en die door het Hof als 'vertegenwoordiger' van de rechtspersoon wordt aangemerkt, is in cassatie gegaan. Haar klachten richten zich tegen de vermeend onjuiste toepassing van de maatstaf voor externe bestuurdersaansprakelijkheid.

De Hoge Raad stelt echter dat het Hof eiser aansprakelijk heeft geoordeeld op grond dat zij in strijd heeft gehandeld met een op hem persoonijk rustende zorgvuldigheidsverplichting jegens verweerder c.s. en niet op grond van onbehoorlijke taakuitoefening in strijd met een op haar rustende zorgvuldigheidsverplichting  als bestuurder.

Voor een dergelijke aansprakelijkheid van een bestuurder, die niet rust op een tekortschietende of onbehoorlijke taakuitoefening als bestuurder, maar op een daarvan losstaande zorgvuldigheidsnorm, gelden de gewone regels van onrechtmatige daad. Niet vereist is dus dat de bestuurder een ernstig verwijt van zijn handelen kan worden gemaakt.

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

 

Access: 
Public
VNU Media - Arrest

VNU Media - Arrest

VNU Media (Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16 september 2014) 

Casus 

X en Y hebben samen een vof gevormd, deze vof exploiteerde een webwinkel. VNU Media plaatste in opdracht en voor rekening van de vof advertenties. Zij deden dit op basis van een overeenkomst die ze hadden gesloten met de vof. De overeenkomst was ondertekend door Y. De overeenkomst was op elk moment opzegbaar. De opzegtermijn bedroeg echter een maand. Op 10 augustus 2009 heeft men in het Handelsregister ingeschreven dat de vof per 1 augustus 2009 was ontbonden. Y zet de vof voort en voldoet niet aan de verplichtingen die hij heeft met VNU. VNU spreekt de uitgetreden vennoot, X, aan. 

Het hof 

Het hof oordeelde dat de uitgetreden vennoot in beginsel ook aansprakelijk is voor toekomstige verplichtingen. Deze verplichtingen moeten dan voortvloeien uit een verplichting die is aangegaan in het verleden. X had VNU moeten informeren over zijn uittreden. Volgens het Hof kon je van VNU immers niet verwachten dat hij elke keer het handelsregiser zou checken. Indien VNU van het uittreden op de hoogte was, kon VNU zelf besluiten om de overeenkomst voort te zetten. 

Kern 

Je kan een uittredende vennoot aansprakelijk stellen als het gaat om een toekomstige verplichting die is gesloten op basis van een verplichting die in het verleden is aangegaan. Als je uittreedt, dien je je wederpartij hierover te informeren. De wederpartij kan dan beslissen om de overeenkomst voort te zetten. 

Access: 
Public
VOF Van den Broek - Arrest

VOF Van den Broek - Arrest

VOF Van den Broek (HR 26 juni 1981, NJ 1982, 1)

Relevante artikelen

7:414 e.v. BW, 17K, 31 Hrgw

Onderwerp

Overschrijding vertegenwoordigheidsbevoegdheid

Casus

Aanbesteder Van Willigen Vuren heeft met Van den Broek een aannemingsovereenkomst afgesloten. Van den Broek is één van de (beherende) vennoten van de VOF Firma van den Broek. Het is een familie VOF. Volgens het Handelsregister is Van den Broek slechts bevoegd om aannemingsovereenkomsten te sluiten waarmee een belang tot Fl 50.000,- is gemoeid. Voor grotere belangen is medewerking van de andere vennoten nodig. Met de aannemingsovereenkomst is een belang van meer dan een miljoen gemoeid. Van den Broek was dus volgens het Handelsregister niet bevoegd.

Het Handelsregister is openbaar en Van Willigen Vuren had dus op de hoogte kunnen zijn van Van den Broeks’ onbevoegdheid. De VOF heeft evenmin achteraf bekrachtigd. Daarmee staat vast dat de VOF dus niet gebonden is aan de overeenkomst (afgezien van art. 7a:1681 BW). Van den Broek heeft bij de totstandkoming van de overeenkomst niets meegedeeld omtrent zijn onbevoegdheid; evenmin is in de overeenkomst een voorbehoud opgenomen.

Rechtsvraag

Is vennoot Van den Broek persoonlijk aansprakelijk voor overschrijding van zijn gepubliceerde vertegenwoordigingsbevoegdheid?

Hoge Raad

Een vennoot die tegenover een partij met een vennootschap onder firma wil contracteren, in strijd met de waarheid de indruk wekt dat hij volledig bevoegd is om de vennootschap bij het aangaan van dit contract te vertegenwoordigen, kan zich tegenover de wederpartij, die van de beperking van zijn vennootschapsbevoegdheid om de vennootschap te verbinden niet op de hoogte is, niet erop beroepen dat deze de beperking uit het Handelsregister te weten had kunnen komen. Ook als die vennoot zelf bij het aangaan van het contract zich niet van de beperking van zijn bevoegdheid bewust was, zal hij de gevolgen van de door hem gewekte schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid voor zijn rekening moet nemen. Het staat niet aan hem om ter ontkoming aan eigen aansprakelijkheid zijn wederpartij voor te houden, dat deze uit het Handelsregister had kunnen ontdekken dat de door de vennoot gewekte schijn in strijd met de waarheid was. Woorden noch strekking van art. 31 Handelsregisterwet rechtvaardigen de in het middel verdedigde opvatting, dat zulks wel het geval zal zijn.

Leerstuk

  1. Met "eigenaar" in art. 31 lid 3 Handelsregisterwet wordt dus volgens de HR bedoeld de VOF, niet ook een vennoot.

  2. Volgens aanvullend recht is elke vennoot bevoegd om de VOF zelfstandig te vertegenwoordigen (art. 17 K). De vennoten kunnen een andere regeling overeenkomen, zoals in de onderhavige zaak is gebeurd. Wil die regeling jegens derden ingeroepen kunnen worden, dan moet het gepubliceerd worden in het Handelsregister. De wet geeft een andere voorziening voor de maten van een maatschap (art. 7a:1679 BW) en de bestuurders van een NV/BV (art. 2:130/240 BW).

  3. In dit arrest gaat het om de persoonlijke aansprakelijkheid van een vennoot bij overschrijding van zijn vertegenwoordigingsbevoegdheid. Mogelijk denkt de HR hetzelfde over de bestuurder van een NV of BV die zijn bevoegdheid overschrijdt.

  4. De uitleg die

.....read more
Access: 
Public
Warnderink Vinke - Arrest

Warnderink Vinke - Arrest

Warnderink Vinke (HR 13-06-1969, NJ 1969, 384)

Artikelen

Art. 16 WvK

Onderwerp

Verwijdering vennoot uit een vennootschap onder firma door een andere vennoot.

Casus

Vennootschap onder firma Vinke & Co. wordt gevoerd door de broers G. Warnderink Vinke en Th. E. Warnderink Vinke en hun achterneven A. Vinke en E. Vinke. Op 11 maart 1968 stuurt G. een brief aan Th. E. waarin staat dat Th. E. onmiddellijk uit de vennootschap wordt gezet. Uit het vennootschapscontract blijkt dat de vennootschap alleen tussentijds beëindigd kan worden wegens de wettelijke redenen van art. 7:818 lid 1 sub d BW. Th. E. Warnderink Vinke vordert ongedaanmaking van deze opzegging en wil weer terug in de v.o.f.

Rechtbank en hof

De rechtbank wijst de vordering toe. Zij acht het in strijd met het karakter van een vennootschap dat het ene lid het andere lid zonder instemming van andere vennoten uit de vennootschap kan zetten. Het Hof bekrachtigt dit vonnis. Het Hof bevestigt dat verwijdering van een vennoot slechts kan plaatsvinden door de overige vennoten gezamenlijk. Dit vloeit voort uit het karakter van de vennootschap, dat immers gericht is op samenwerking. Daarmee in strijd zou zijn als één vennoot naar eigen goeddunken aan de onderlinge samenwerking van zijn medevennoten een eind kon maken.

Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat het Hof er kennelijk vanuit gaat dat er een dwingende rechtsregel bestaat, die bepaalt dat verwijdering van een vennoot slechts kan gebeuren door de andere vennoten gezamenlijk. Een dergelijke rechtsregel bestaat echter niet. Volgens de Hoge Raad verzet het karakter van een vennootschap zich er niet tegen verzet dat in het vennootschapscontract een bepaling wordt opgenomen, die opzegging van een vennoot zonder medewerking van andere vennoten mogelijk maakt. Wel moet een dergelijke bepaling uitdrukkelijk in de overeenkomst zijn opgenomen. Van zo'n regeling was in casu geen sprake, dus de Hoge Raad verwerpt het beroep alsnog.

Conclusie

Uit deze zaak blijkt dat verwijdering van een vennoot uit een vennootschap door een andere vennoot (ook zonder instemming van andere vennoten) mogelijk is. Wel moet een dergelijke uitsluiting een uitdrukkelijke grond hebben in het vennootschapscontract.

Access: 
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use more summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
1958
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.