Samenvatting Theory and Methods in Political Science

Deze Samenvatting bij Theory and Methods in Political Science van Marsh & Stoker is geschreven in 2014


Wat is politiek, en wat (be)studeren politicologen?

Wat is de ‘natuur’ van de politieke wereld? Er zijn twee algemene benaderingen als antwoord op deze vraag. De eerste benadering definieert het studievlak door te verwijzen naar een arena of een bijzondere reeks van instituties. De tweede benadering van de politieke wereld ziet deze wereld als een sociaal proces dat op verschillende gebieden bekeken kan worden.

Zelfs politicologen zijn het onderling oneens over de vraag wat het kenobject, het discipline van hun studie is. Toch kunnen er wel algemene uitspraken gedaan worden over de betekenis van het begrip ‘politiek’ en het bestuderen ervan. Allereerst is vrijwel iedereen het erover eens dat politiek om macht draait. Politiek gaat niet alleen om het verkrijgen van de macht, maar vooral ook om het gebruik van die macht en de consequenties daarvan.

Wat is een wetenschappelijke benadering van politiek?

Er is al veel te doen geweest over de vraag of het bestuderen van politiek een wetenschap is of niet. De ‘minimalist approach’ stelt: politieke wetenschap is wetenschap in de zin dat het geordende informatie levert, gebaseerd op systematisch onderzoek.

De discipline van politieke wetenschap: een viering van verscheidenheid

Er is een grote verscheidenheid binnen de politieke wetenschap. Dit komt door het feit dat er veel verschillende benaderingen en manieren zijn om politieke wetenschap te bedrijven. De politieke wetenschap moet zichzelf niet zien als té verscheiden. Het is beter om bijvoorbeeld het beeld van een kerk te nemen: een brede kerk met verschillende startpunten en zaken waar men zich druk om maakt, maar er is een gedeeld gevoel van ‘verplichting’ om beter begrip van politiek te ontwikkelen.

Hoofdstuk 1: Gedragsanalyse

Wat is gedragsanalyse?

Een van de belangrijkste aspecten van gedragsanalyse is de vraag waarom mensen zich gedragen zoals ze doen. Mede door deze vraag verschilt gedragsanalyse, ook wel het behaviourisme, van andere sociale studies. Een andere reden waarom het zo verschilt is vanwege de manier van onderzoek, die gaat volgens observatie en analyse en de waarde van het gedrag. Het is namelijk zo dat elke verklaring voor gedrag waardevol is en onderzocht moet worden. Dit onderzoek heeft zich op verschillende onderzoeksobjecten gericht, waarvan de belangrijkste de volgende zijn:

·         Politieke participatie: stemmen

·         Onconventionele participatie: demonstreren

·         Leiderschap

·         Het handelen van belangengroepen

·         Het handelen van staten

Al deze onderdelen worden vanuit een bepaald perspectief bekeken dat slaat op gedragsanalyse.

Waar komt gedragsanalyse vandaan?

Sinds de jaren '50 en de jaren '60 heeft gedragsanalyse een belangrijke rol gespeeld in sociale wetenschappen. Mede hierdoor past deze theorie binnen die van het positivisme. Echter verschillen de gedragsanalisten en de positivisten van mening over een aantal zaken, maar over twee belangrijke zaken zijn ze het wel eens, namelijk de empirische theorie en de verklaring hiervan. Empirische theorie is namelijk een geheel van onderling verbonden abstracte verklaringen die bestaat uit aannames, definities en empirisch toetsbare hypothesen. Deze proberen een bepaald verschijnsel of een reeks verschijnselen te verklaren of te beschrijven. De verklaring is een causaal verband met de aanwezigheid van een verschijnsel of een reeks verschijnselen. De uitleg van een bepaalde klasse van een gebeurtenis of gebeurtenissen bestaan uit de minimale non-tautologische set van antecedent noodzakelijke en voldoende voorwaarden voor hun voorkomen.

Bij de overeenstemming die gaat over de verklarende theorie stellen theoretici een belangrijke vraag, namelijk hoe we kunnen weten of de theorie correct of incorrect is. Zowel gedragsanalisten als positivisten hebben drie manieren om te testen of een theorie daadwerkelijk correct is, namelijk:

·         Kijken of de theorie intern consistent is

·         Kijken of de theorie falsifieerbaar is

·         Kijken of de theorie gerelateerd is aan een bepaald fenomeen.

Wat zijn belangrijke kenmerken van gedragsanalyse?

Het positivisme is dus een belangrijke hulp geweest voor het ontstaan van de gedragsanalyse. Mede dankzij de toetsing van een theorie zijn typische gedragsanalistische benaderingen ontstaan, namelijk dat elke empirie in principe bruikbaar is en onderzocht dient te worden en dat elk onderzoek en elke conclusie die uit de empirie voortvloeit falsifieerbaar moet zijn en dus niet alleen verifieerbaar.

Om de definitie van een object of gebeurtenis te krijgen is falsifieerbaarheid nodig. Het moet namelijk duidelijk zijn wat er wordt bedoeld met een bepaald begrip. Hieruit vloeit de stelling van Popper voort, die luidt dat: 'een theorie alleen wetenschappelijk genoemd kan/mag worden wanneer hij falsifieerbaar is'. Toch vinden gedragsanalisten niet dat elk onderdeel van de theorie falsifieerbaar is aangezien er altijd bepaalde harde veronderstellingen zijn waar je vanuit moet gaan bij wetenschappelijk onderzoek. Naast falsifieerbaarheid is het nodig dat wetenschappelijk onderzoek iets moet verklaren en een doel moet hebben.

Kritieken op de gedragsanalyse

Een theorie is eigenlijk geen theorie als het geen kritieken kent. Vrijwel elke theorie die de politiek kent heeft zijn kritieken zo ook de gedraganalitische theorie. Deze kritiek op de gedragsanalyse is verdeeld in vier stukken namelijk:

Bezwaren tegen de positivistische stelling dat definities die geen definitie of niet empirisch zijn, betekenisloos zijn. Deze kritiek is gebaseerd op het feit dat de gedragsanalyse zijn oorsprong vindt in het positivisme. Hierdoor kun je de kritieken op het positivisme toepassen op de gedragsanalyse, maar andersom ook. Veel analytische standpunten worden onbruikbaar gezien, aldus het positivisme. In de praktijk zal een wetenschapper, die werkt vanuit de gedragsanalistische theorie, dit punt niet erkennen.

De tweede kritiek gaat over de neigingen richting het gedachteloze empirie. Het vroege positivisme ging uit van een theorievrije observatie van alle feiten op dat moment. Dit slaat op het inductivisme. De latere positivisten gingen juist meer uit van een onderzoek met relevante feiten. Mede dankzij de eerste aanname van het positivisme heeft de kritiek een vorm gekregen dat gedragsanalisten 'makkelijke meters' zijn en vaak meten op zo'n manier dat het moeilijk theoretisch verklaarbaar is. Een ander kritiekpunt wat hiermee te maken heeft is dat gedragsanalisten sneller onderzoek doen naar bepaalde zaken die klaar waren voor onderzoek in plaats van moeilijkere zaken die écht onderzocht moesten worden.

Het derde en laatste kritiekpunt is de veronderstelde onafhankelijkheid van theorie en observatie. De vroegere gedragsanalisten verklaarden dat hun onderzoek waardevrij en wetenschappelijk was. Moderne gedragsanalisten erkennen de invloed van het relativisme dat aan de basis van verzameling van data al sprake is van interesses en dus nooit objectief is. Toch zullen gedragsanalisten zich  niet aan verbinden aan het feit dat elke theorie even waardevol/waardeloos is omdat een goede theorie nog steeds consistent moet zijn met empirisch bewijs.

Tot slot wordt gedragsanalisten verweten de het grote plaatje niet te zien. Door puur data gedreven onderzoek te doen naar individueel of sociaal gedrag zouden gedragsanalisten de diepgaandere sociale en politieke veranderingen niet opmerken/meenemen in hun onderzoek en conclusies. Gedragsanalisten reageren hierop door te zeggen dat grotere sociale veranderingen altijd empirisch getest moeten kunnen worden en daarom een dergelijk abstract niveau niet haalbaar en wenselijk is voor een theorie.

Wat zijn de krachten van de gedragsanalyse?

Onder de huidige gedragsanalisten is het breed geaccepteerd dat de theoretische analyse altijd het beginpunt moet zijn van een empirisch onderzoek. Dit betekent niet dat theorieën niet gewijzigd kunnen worden, of verworpen op de basis van de empirische observaties. De theorie acteert eerder als een apparaat om de analist van het potentiële duidelijke detail afstandelijk te maken. Hierdoor ontstaan abstracte deducties die gemaakt kunnen worden over de verbanden tussen de verschillende fenomenen. Daarnaast geeft de theorie niet alleen testbare hypotheses maar geeft ook richtlijnen en markeringen aan de soorten van empirisch bewijs wat vergaard is in de empirische analyse.

De meeste moderne gedragsanalisten gaan verder in de richting van het epistemologisch relativisme. Het werd vaak beargumenteerd dat daarbuiten ergens een werkelijkheid was in de wereld van observatie en dat die wachtte op ontdekking door de wetenschappelijke analyse. Maar niet alleen accepteren de moderne gedragsanalisten dat theorie een centrale rol in de sociale analyse moet spelen, ze erkennen namelijk ook de mogelijkheid dat verschillende theoretische perspectieven verschillende observaties kunnen genereren. Uiteraard maakt dit de taak van het testen van subjectieve rivaliserende theorieën op de empirische ervaringen een stuk moeilijker. Volgens de moderne gedragsanalisten maakt het de taak echter niet minder noodzakelijk. Welke observatie een theorie ook ontlokt, wanneer het een werkelijk verklarende theorie is, moet het falsifieerbare voorspellingen genereren die het beschikbare empirische bewijs niet tegenspreken. Er is geen reden waarom elke theorie niet geëvalueerd zou worden op haar eigen observationele termen. Maar tenzij een theorie geëvalueerd kan worden op haar observationele termen, zijn de moderne gedragsanalisten niet bereid de theorie verklarend te noemen.

Hoewel gedragsanalisten zich ervan bewust zijn dat causaliteit meer een reflectie is van hoe wij naar de wereld kijken dan een werkelijkheid, staan zij erop dat een theorie een causaal statement moet maken, voor het iets kan verklaren. Daarnaast moet de theorie, als een verklaring geloofd worden, empirisch falsifieerbare voorspellingen kunnen doen die getest kunnen worden tegen observatie. Hoewel het nooit mogelijk is om te stellen dat een bepaalde causale relatie bestaat, is het wel mogelijk om te zien in hoeverre een fenomeen wordt veroorzaakt door het andere fenomeen.

Voor gedragsanalisten, in het kort, moeten geloofwaardige verklarende theorieën dus capabel zijn om empirisch steun te ontvangen, en dit ook moeten doen. Moderne gedragsanalisten beargumenteren, met een zekere rechtvaardiging, dat bijna alle sociale onderzoekers die met empirische materiaal werken volgens dit idee werken. In dat geval is het idee van de gedragsanalyse onder empirische onderzoekers enorm groot.

Wat is het verschil tussen de rationele keuzetheorie en de gedragsanalyse?

Verschil tussen rationele keuzetheorie en de gedragsanalyse is dat als men stelt dat gedragsanalyse een onderzoeksmethode is, deze elkaar op het gebied van onderzoek overlappen, waarvan hypothesen een voorbeeld zijn. Als je stelt dat het een sociale wetenschap is, dan richt rationele keuzetheorie zich op micro-economie en gedragsanalyse zich op sociologie en psychologie. Bovendien richten gedragsanalisten zich niet op nutsmaximalisatie en alles zou er nog toe kunnen doen. De rationele keuzetheorie heeft al een beperkt geheel van assumpties (aannames).

Hoofdstuk 2: Rationele keuzetheorie

Wat is rationele keuzetheorie?

Rationele keuzetheorie is een studie van politiek die de methode van economisch rekenen in de politiek betrekt en gebaseerd is op rationaliteit en eigenbelang. De rationele keuzetheoretische analyse zorgt ervoor dat we terug gaan naar het individu en de abstractheid ervan. Het kenmerk van deze theorie is dat alle spelers in de maatschappij hun eigen doelen proberen te maximaliseren. De waarde hiervan ligt in het feit dat essentiële zaken in de politiek kunnen worden voorspeld en gemodelleerd. De filosofie hierachter is dat alles het best kan worden beredeneerd vanuit voorspellende modellen die simpel en fundamenteel zijn.

Rationele keuzetheorie biedt een werkzaam geheel van gereedschappen voor politieke wetenschap. De theorie kan duidelijk maken hoe structuren opkomen en getransformeerd worden, maar er is geen enkel rationele keuzemodel die niet enkele eigenschappen van de sociale structuur van buitenaf incorporeert. Rationele keuzetheoretici zouden dus moeten toegeven dat het methodologisch individualisme en volledig reductieve verklaringen onpraktisch zijn. De status van rationele keuzetheorie is meer gelijk aan die van statistische technieken die geschikt zijn om bepaalde typen data te onderzoeken, het is geen alleenstaand paradigma om de gehele politieke sfeer te begrijpen.

Rationele keuzetheorie theorie kan gebruikt worden bij een breed scala aan sociaalwetenschappelijke operaties met verschillende paradigma’s, omdat de verkregen resultaten afhankelijk zijn van ideeën over de structuur die werd geïmporteerd van buitenaf. Maar, zoals elk ander gereedschap kan rationele keuzetheorie ook onderliggende perspectieven op de samenleving ontwikkelen, waardoor er conclusies kunnen voortkomen die verschillen van de conclusies die op basis van andere methoden zijn getrokken.

Hoe ontstond de rationele keuzetheorie?

De rationele keuzetheorie is ontstaan als een onderdeel van de gedragsanalistische revolutie in de Amerikaanse politicologie in de jaren ’50 en ’60, waarbij werd geprobeerd te onderzoeken, met het gebruik van empirische onderzoeksmethoden, hoe individuen zich gedroegen. De rationele keuzetheorie baseert zich echter op de economische methodologie, terwijl gedragsanalisten zich baseerden op sociologie en psychologie. De rationele keuzetheorie is een substroming van de sociale keuzetheorie die ontwikkelde ten tijde van de legitimiteitscrisis, de druk bezette overheid en de stagnatie van de economie.

Hoe zit de rationele keuzetheorie in elkaar?

De rationele keuzetheorie heeft een aantal belangrijke kenmerken die de theorie kunnen verklaren. De eerste is het methodologisch individualisme. Dit houdt in dat de individuen onderzoekseenheden zijn. Voorbeelden hiervan zijn belangengroepen, maar iets als de staat of de overheid zijn te groot.

Een tweede kenmerk is dat het individu een instrumenteel en rationeel handelende actor is waarbij er geen ruimte is voor emotie. Hierbij kijk je wat de verschillende partijen te bieden hebben en welk prijskaartje daaraan hangt. Het kan hierbij gaan om bijvoorbeeld premies van bepaalde zaken.

Het derde kenmerk is die van het verschil tussen collectieve en individuele goederen. Collectieve goederen zijn niet te splitsen en zijn ze niet echt handelbaar, voorbeelden zijn dijken en defensie. Na collectieve goederen komen semi-collectieve goederen, dit zijn goederen die wel verhandelbaar zijn, maar deze zijn in bepaalde mate niet zinvol om aan de markt te geven. Cultuur is een goed voorbeeld hiervan. De individuele goederen zijn wel aan te bieden op de markt, maar de overheid gaat (grotendeels) over de productie ervan. De overheid houdt zich bijvoorbeeld bezig met woningbouw.

Het laatste kenmerk is de logische en wiskundige aanpak van de rationele keuzetheorie. De rationele keuzetheorie is een veelgebruikte theorie, dit vanwege de vele voordelen die deze theorie kent, zoals:

  • De theorie zorgt ervoor dat men duidelijk is over de aannames die vaak achter worden gelaten in verbale argumenten.

  • De theorie zorgt voor een positieve manier van onderzoeken. Er is een geheel van categorieën die helpen bij de opbouw van toelichtingen, er is een geheel van voorbeelden om een goede uitleg te verzorgen en er zijn suggesties om onderzoek zo goed mogelijk te verzorgen.

  • Modellen zijn per definitie vereenvoudigde voorstellingen van de werkelijkheid, die geconstrueerd zijn met het verbeteren van ons begrip. De theorie dwingt om alles beter uit te leggen en wat centraal staat is het verklaren van de verschijnselen waar we in geïnteresseerd zijn. Daarbij is het ook belangrijk om te weten wat men weg kan laten en wat niet.

  • Als de theorie correct toegepast wordt dan zorgt dat automatisch dat de stellingen logisch zijn. Nu kan de theorie toegepast worden om te kijken of conclusies daadwerkelijk aangenomen kunnen worden.

  • De theorie gaat verder dan inductief afgeleide correlaties om een mechanisme te creëren dat gekoppeld kan worden aan onafhankelijke en afhankelijke variabelen.

  • De rationele keuzetheorie zorgt voor een uniform kader van uitleg over de verschillende gebieden van de sociale wetenschappen en de verschillende sub-disciplines waardoor er verschillende ideeën met elkaar gemixt kunnen worden. Hierdoor ontstaan verschillende gemeenschappelijke patronen in diverse verschijnselen.

  • Zelfs in omstandigheden waarin actie irrationeel is, biedt het een standaard waartegen maatregelen kunnen worden beoordeeld.

Wat zijn de kritieken op de rationele keuzetheorie?

In de bovengenoemde uitleg van de rationele keuzetheorie kan het erop lijkend dat de theorie waterdicht is, maar ook op de rationele keuzetheorie zijn tal van kritiekpunten, zoals de onderstaande vier:

  • Bij begrensde rationaliteit, het eerste kritiekpunt, gaat het over het feit dat de rationele keuzetheorie geen duidelijke definitie is van rationaliteit en dat je niet duidelijk kunt zeggen in hoeverre deze theorie nou eigenlijk wel rationeel is. Dit komt omdat rationaliteit tijdsgebonden is en dus afhankelijk is van de informatie die je op dat moment hebt en krijgt.

  • Het sociale kritiekpunt stelt dat er vaak individueel gedrag plaatsvindt binnen een sociale structuur. Volgens onderzoekers is keuze een illusie en omdat de rationele keuzetheorie gebaseerd is op keuze is deze niet te gebruiken. Naast de sociale structuur speelt ook de omgeving van mensen een rol. Mensen maken namelijk hun keuze aan de hand van hun omgeving en de omstandigheden van dat moment. Uit deze twee factoren kan men dus concluderen dat individuen niet handelen vanuit autonoom oogpunt, maar dat de acties voornamelijk worden bepaald door de sociale structuur.

  • Het derde kritiekpunt is afkomstig van psychologen. Zij benadrukken dat de motieven van individuen niet altijd gedreven zijn door puur eigenbelang. De psychologen stellen namelijk dat er empirisch bewijs is dat individuen erg tegenstrijdig handelen als het om politiek gaat. Zeker de economische situatie van een persoon behoort tot een van de belangrijkste onderdelen van het empirisch bewijs, dat bijvoorbeeld het stemgedrag beïnvloed.

  • Het vierde en laatste kritiekpunt is afkomstig uit de (algemene) politicologie zelf. Deze politicologen stellen dat de wens van rationele keuzetheoretici om een universeel toepasbaar politiek model te genereren leidt tot het ontwijken en negeren van tegenbewijs. De modellen van de theorie zijn niet helemaal eerlijk, omdat vele variabelen niet gemeten kunnen worden. Green en Shapiro beweren dat de rationele keuzetheoretische modellen grotendeels post hoc (drogreden, en wel dat in het geval dat gebeurtenis B vaak na  gebeurtenis A komt, B een gevolg is van A, terwijl dit helemaal niet zo hoeft te zijn: ook andere factoren/variabelen kunnen hier debet aan zijn) zijn.

Hoofdstuk 3: De institutionele benadering

Wat is de traditionele institutionele benadering?

Tot de jaren ’50 was de institutionele benadering dominant. De kernactiviteit van politicologie van het beschrijven van constituties, rechtssystemen en overheidsstructuren. Institutionalisme was politicologie. Kritiek op traditioneel institutionalisme wijst op de beperkingen van de methode. Het hield zich bezig met de instituties van de overheid, maar opereerde met een beperkt begrip van deze instituties. De focus lag op formele regels en organisaties in plaats van informele conventies, en meer op de officiële structuren van de overheid (government) dan op de bredere dimensies van governance. Traditioneel oud institutionalisme wordt gekenmerkt door:

  • Normativiteit: hierbij houden ze zich alleen bezig met 'good governance'

  • Structuralistisch: hierbij gaat het om de structuren die de politiek bepalen

  • Historisch: hierbij gaat het om de grote invloed van de geschiedenis

  • Legalistisch: hierbij speelt recht ten tijde van overheidsbesluit een belangrijke rol

  • Holistisch: hierbij worden (grote, omvangrijke) systemen van de overheid beschreven en vergeleken. Holisme duidt op de omvang van de vergelijkingen: grote, complexe systemen worden met elkaar vergeleken.

Hoe heeft het nieuwe institutionalisme op kunnen komen?

Eerder werd al gezegd dat het institutionalisme politicologie was. Toen de gedragsanalytische revolutie plaatsvond veranderde dit allemaal. Men stopte met het kijken naar de functies van politieke instituties als hoofdzaak en ging zich meer richten op de vraag waarom individuen zich gedroegen zoals ze waren. Dit lijkt heel erg veel op de gedragsanalytische aanpak, die al eerder genoemd is. De mensen waren gewijd aan verdwijnen van politieke instellingen. Een generatie later probeerde de rationele keuzetheorie de politiek te verklaren in termen van de interacties van eigenbelangen van de individuen. Men liet horen dat de algemene boodschap moest zijn dat politiek veel meer was dan alleen het sluiten van formele afspraken die gingen over representatie, besluitvorming en beleidsimplementatie.

Door de opkomst van dit nieuwe institutionalisme werd het traditionele institutionalisme tijdelijk van de kaart geschoven. Dit institutionalisme kwam echter in de jaren '80 weer helemaal op toen waardes weer veranderden. Het herrezen traditionele institutionalisme werd een kritiekpunt op de paradigma’s van dat moment. Voor de gedragsanalisten ontstonden instituties uit een aggregatie van individuele rollen, statussen en geleerde reacties. Voor de theoretici van de rationele keuzetheorie waren de instituties niet meer geworden dan apparaten van individuele keuzes gebaseerd op nutsmaximalisatie van hun eigen voorkeuren.

Ten tijde van het heen en weer gaan van het institutionalisme ontwikkelden Marsh en Olson een gehele nieuwe theorie namelijk het 'new institutionalism'. Zij stelden dat politieke instituties een veel belangrijkere autonome rol vervulden in de ontwikkeling van politieke uitkomsten dan velen dachten. Binnen het nieuwe denken van het institutionalisme was echter een scheiding ontstaan tussen zij die een meer normatieve benadering hadden en zij die meer geïnspireerd waren door een meer gesocialiseerde versie van de rationele keuzetheorie.

Het institutionalisme van de rationele keuzetheorie houdt in dat ontkent wordt dat institutionele factoren een bepaald gedrag produceren of bepaalde individuele voorkeuren vormgeven. De rationele keuzetheoretische institutionalisten stellen namelijk dat deze factoren al bepaald of stabiel zijn. Politieke instituties proberen het gedrag te beïnvloeden door de structuur van een situatie te beïnvloeden. Hierdoor zullen individuen een strategie kiezen waarin hun eigen voorkeur gevolgd wordt. De instituties geven informatie over het waarschijnlijke gedrag van anderen en over de motieven die achter het handelen van individuen zit.

Naast het institutionalisme van de rationale keuzetheorie is er ook nog het normatieve institutionalisme. De normatieve institutionalisten stellen dat politieke instituties actoren beïnvloeden door het ontwikkelen van waarden, normen, interesses, identiteiten en geloof. Hierbij moet wel gezegd worden dat met normatief normen en waarden als verklarende variabelen bedoeld worden en niet de normatieve theorie. Normatieve institutionalisten beweren dat neutrale regels en structuren de waarden inlijven en het gepaste gedrag binnen gegeven omstandigheden bepalen. Instituties simplificeren het politieke leven door ervoor te zorgen dat sommige dingen maar voor lief genomen moeten worden om andere besluiten te kunnen nemen.

Nu het normatieve en rationele keuze-institutionalisme behandeld zijn, zijn er nog enkele andere nieuwinstitutionalistische benaderingen, namelijk:

·         Historisch institutionalisme

·         Empirisch institutionalisme

·         Internationaal institutionalisme

·         Sociologisch institutionalisme

·         Netwerkinstitutionalisme

·         Constructivistisch institutionalisme

·         Feministisch institutionalisme

Deze benaderingen zijn echter niet zo belangrijk en veelgebruikt als de eerste twee.

Wat zijn de belangrijkste kenmerken van de institutionele benadering?

Er kan geconcludeerd worden dat het misleidend is om het nieuwe institutionalisme als een theorie aan te duiden. Het nieuwe institutionalisme wordt beter begrepen wanneer het een organiserend perspectief wordt genoemd. Het is geen causale theorie in de lijn van de rationele keuzetheorie. In plaats daarvan geeft het een plattegrond van het onderwerp en markeringen voor haar centrale vragen. Haar waarden liggen dan ook in het stellen van vragen die anders misschien niet gesteld zouden worden, en om nieuwe en verse zienswijzen te produceren, die door middel van andere raamwerken of perspectieven niet zouden zijn ontstaan. Het nieuwe institutionalisme kan worden gezien als een brede benadering van politiek. Deze is samengehouden door de aanname dat instituties de variabelen zijn die het meeste van het politieke leven verklaren en die ook de factoren zijn waar de verklaringen gezocht moeten worden.

Waar de traditionele institutionalisten nog stil waren over zaken van theorie, hebben de nieuwe institutionalisten daar wel een duidelijk mening over. Het nieuwe institutionalisme heeft geen bepaalde theorie nodig, maar haar kracht ligt in haar multitheoretische karakter, die verschillende politieke theorieën haar eigen preposities laat maken. De bijdrage van het nieuw institutionalisme binnen de politieke wetenschap wordt waarschijnlijk het best gezien in termen van epistemologische winst. Zo’n winst wordt geconstitueerd door een beweging weg van de problematische positie naar een meer adequate binnen een veld van beschikbare alternatieven, en kan gecontrasteerd worden met de mythische beweging van de epistemologische fout naar waarheid.

Wat is er allemaal nieuw aan het 'new institutionalism'?

De opkomst van het 'new institutionalism' is de danken aan March en Olson. Maar wat is er nou precies nieuw aan deze theorie? Een van de eerste nieuwe zaken is dat de focus veranderd is van organisaties naar regels. Een voorbeeld hiervan is dat er in eerste instantie werd gekeken naar een organisatie als geheel, de vereniging of iets dergelijks. Bij het 'new institutionalism' wordt er meer gekeken naar het besluitvormingsproces, begroting en bepaalde procedures binnen een organisatie. Dit komt omdat ze informatie verschaffen over toekomstig gedrag. De tweede verandering is dat men van een formele opvatting over instituties is gegaan naar een informele. De derde verandering is dat het 'new institutionalism' meer een dynamische opvatting heeft van instituties in plaats van statisch. Hierin zijn instituties geen dingen meer, maar processen. Het vierde verschil is de overgang van ondergedompelde waardes naar kritieke waardes. Ook de overgang van instituties als een geheel namelijk holistisch naar losse instituties mag niet vergeten worden. De laatste overgang is die van afhankelijke instituties naar ingebedde instituties, wat betekent dat instituties geen autonome instituties zijn maar ze zijn ingebed in bepaalde contexten.

Naast de verandering zijn er ook veel kritieken gekomen op beweringen zoals dat bepaalde instituties maar tijdelijk zijn en dus niet voor de continuïteit zorgen, maar slechts de mogelijkheid om problemen op te lossen. Het is nodig om juist meer naar dit soort ongewone instituties te kijken. Een ander kritiekpunt is dat regeringsinstituties bijna nooit onafhankelijk zijn, zeker niet in ontwikkelingslanden. Soms is de president bijvoorbeeld het presidentschap, terwijl dit los zou moeten staan.

Hoofdstuk 4: Het constructivisme    

Wat is het constructivisme?

Het constructivisme is een sociale theorie en niet speciaal gericht op de internationale politiek, in tegenstelling tot de rationele keuzetheoretici, die werken met vaststaande ideeën zoals het feit dat landen willen overleven. Het constructivisme legt de nadruk op normatieve structuren, die uitgaan van moraal, in tegenstelling tot de materialistische structuur van de neorealisten of liberalen.

Wendt stelde dat het idealisme, sociale ideeën die de wereld definiëren, de kern vormen van het constructivisme. Er wordt gediscussieerd over begrippen, in plaats van dat ze ‘ontdekt’ worden. Actoren ontstaan niet buiten een wereld, maar worden gevormd. Hierin is belangrijk dat het niet 'nature is maar nurture'. Bovendien moet de wereld holistisch, in zijn geheel, bekeken worden. Er  is ook een verschil tussen objectieve feiten (een steen bestaat) en sociale feiten (alle mensen zijn gelijk). Twee stromingen zijn belangrijk als we het over het constructivisme hebben, deze twee zijn tegengesteld:

  • 'Logic of consequences': kijken naar kosten en baten van een actie, denkend dat andere actoren dat ook doen. Deze komt voort vanuit het realisme en liberalisme.

  • 'Logic of appropriateness': kijken naar legitimiteit en moraal. Deze komt meer voort vanuit het constructivisme zelf.

  • Beide logica zijn niet onverenigbaar, want als landen bijvoorbeeld menen dat de imagoschade te groot wordt (vanwege het aanvallen van kinderen), wordt dat als een grote last beschouwd.

  • Het constructivisme zoekt naar de betekenis van handelingen en begrippen en meent deze vaak te kunnen vinden in cultuur. Bovendien geeft het aan macht ook een idealistisch component:

  • Via wapens proberen bepaalde zaken voor elkaar te krijgen.

  • Het opleggen van normen

  •  Staten proberen hegemoon te zijn, dit betekent het in bedwang houden van kleine landen door te dreigen met het opzeggen van steun.

Natuurwetenschap en sociale wetenschap zijn niet hetzelfde, omdat in de laatste de onderzoeker tevens het te onderzoeken object is en omdat handelingen door mensen onderbouwd kunnen worden. Mensen moeten begrijpen, er moet nagedacht worden over intenties en over het perspectief van de mens op de wereld.

Wat is belangrijk aan het constructivisme

Als men een onderscheid wil maken tussen het constructivisme en andere theorieën dan is het onderscheid tussen de rationele keuzetheorie en het constructivisme erg belangrijk. Ze hebben namelijk een duidelijk onderscheid:

Constructivisme

Rationele keuzetheorie

Sociaal

Pre-sociaal

Actoren en belangen zijn te veranderen, dit gaat door middel van omgeving en interactie.

Actoren en belangen zijn onveranderbaar, de omgeving kan hooguit wat reguleren

Logic of appropriateness

Logic of consequences

Tabel 1: Onderscheid Constructivisme en Rationele Keuzetheorie

Een goed voorbeeld is dat de inwoners van een land de identiteit en belangen van een land bepalen, dit is constructivistisch. Daarna neemt het land de strategieën van de rationele keuzetheorie aan in de internationale betrekkingen.

Een ander belangrijk aspect van het constructivisme is diffusie. Diffusie is het verspreiden van ideeën over verschillende landen. Een vorm hiervan, institutioneel isomorfisme, meent dat landen met dezelfde omgeving ook dezelfde ideeën krijgen na verloop van tijd. De verschillende ideeën beïnvloeden elkaar tot er één model ontstaat zoals democratie en het vrijemarktdenken. Dit gebeurd omdat landen geaccepteerd willen worden. Diffusie kan ook komen door kolonialisme, kapitalisme, oorlogen en druk van andere landen, bijvoorbeeld dat Turkije regels moet maken om bij de EU te kunnen gaan horen. Of het nieuwe model is succesvoller en wordt daarom ingevoerd, niet omdat het (moreel) beter is.

Normen kunnen geïnstitutionaliseerd worden vanwege het bovenstaande, maar ook met het doel dat landen kunnen laten zien waar hun belangen liggen en hoe ze zichzelf zien. Beschaafde landen zullen niet alleen geen oorlog voeren omdat het geld kost en imagoschade oplevert, maar ook omdat het onbeschaafd is. Hieruit volgen drie consequenties:

  • Staten kunnen op elkaar lijken, maar ze hoeven niet hetzelfde te handelen. Wanneer landen democratie omarmen om het Westen tevreden te houden, kunnen er schijndemocratieën ontstaan.

  • Wanneer waarden wel gemeend worden overgenomen kan dat zijn omdat gezocht wordt naar een internationale gemeenschap met dezelfde normen en waarden.

  • Er is ook de mogelijkheid van socialisatie: het overnemen van de identiteit en de belangen van het belangrijkste land van een groep.

Wat zijn de verschillende soorten van het constructivisme?

Om het constructivisme te begrijpen moet je de verschillende versies van het constructivisme kennen. Er zijn twee belangrijke soorten constructivisme, namelijk het moderne constructivisme en het post-moderne constructivisme:

  • Het moderne constructivisme is ook wel bekend als het conventionele constructivisme. Het is de mainstream variant van het constructivisme in de internationale betrekkingentheorie. Het kan worden onderscheiden van postmoderne constructivisme. Modern constructivisme heeft zijn kennis te danken aan het positivisme.

  • Het postmoderne constructivisme is een variant van het constructivistische denken dat beweert dat er geen neutraal gezichtspunt is van waaruit de geldigheid van analytische en ethische kennisvorderingen bekeken moet worden. Het is meer het tegenovergestelde van het moderne constructivisme.

Toch bestaat er ook relatie tussen beide constructivistische benaderingen ook relatie. Dit kan je op verschillende gebieden interpreteren. Er zijn verschillende niveaus, namelijk de leerscholen waarmee beiden verbonden zijn, de methode en de mechanismen. Als we eerst kijken naar de leerscholen dan zien we dat het moderne constructivisme veel heeft met het sociologisch institutionalisme. De theorie van het constructivisme gebaseerd op de internationale relaties zit tussen beide constructivismen in. De Gramsciaanse hegemone theoretici en de post-structuralisten neigen meer naar de kant van het moderne constructivisme.

Als we kijken naar onderzoeksmethoden dan is het vrij lastig om te bepalen wat bij wie hoort, aangezien vrijwel alle constructivisten kiezen voor een kleine ‘N’. Om dan toch maar een uiteindelijke selectie te maken gaat het moderne constructivisme toch meer voor een wat grotere N en kiest de postmoderne kant voor het 'counterfactual'.

Als laatste is er een onderscheid in de mechanismen. Vandaag de dag wordt vooral socialisatie veel gebruikt met betrekking tot het constructivisme. De andere twee: overtuiging en bricolage worden vele malen minder gebruikt. Overtuiging zit er tussenin, maar bricolage is meer van het postmoderne.

Hoofdstuk 5: Politieke psychologie

Om te beginnen gaat politieke psychologie over de psychologie van de politiek, dus niet over een al dan niet bestaande vorm van psychologie. Politieke psychologie gaat over de interrelaties tussen psychologische variabelen en politiek gedrag. Politieke psychologie komt met vragen die enigszins verschillen van de dominante vragen in de hoofdstroom van de politicologie. Hierbij gaat het om vragen zoals de volgende (Box 5.1, p. 99):

  • Waarom streven over het algemeen slimme en fatsoenlijke leiders en regeringen soms werkelijk stomme en/of moreel offensief beleid na?

  • Waarom zijn zoveel mensen bereid anderen ernstig te benadelen, te beschadigen of zelfs te vermoorden wanneer dit van hen gevraagd wordt door gezagsdragers?

  • Wat zorgt ervoor dat mensen heel andere eigenschappen en vaardigheden aan vrouwelijke politici tegenover mannelijke politici toeschrijven?

  • Waarom zijn sommige mensen veel meer dan anderen geneigd leiders te steunen en bij politieke groeperingen te behoren die diepgewortelde negatieve stereotypes aanhangen over mensen van een ander ras, religie, etniciteit of klasse dan het eigen?

  • Wie of wat bepaalt welke sociale en politieke onderwerpen burgers aandacht aan besteden, als problematisch zien en zittende regeringen de schuld geven dat zij het niet oplossen?

  • Wanneer, hoe, waarom en bij wie werkt negatief campagnevoeren (negative campaigning)?

Politieke psychologie heeft in een belangrijke mate bijgedragen aan onze huidige kennis en begrip van de politieke elite. Al snel kwam er echter ook politiek-psychologisch onderzoek naar de burgers, de massa: hoe komt de publieke opinie over politieke onderwerpen, actoren en beleid tot stand? Ook stemmen, protesteren en politieke participatie kwamen al snel aan de orde, evenals patronen van conflict en samenwerking tussen leden van verschillende sociale groepen en categorieën. Dit ging en gaat echter niet ten koste van de aandacht die de politieke pyschologie besteed aan de elite. Deze aandacht kwam voort uit een wens om de gevaren van elitisme (zoals totalitarisme) te begrijpen en had tot doel onderzoek te doen naar de omstandigheden die bevorderlijk waren voor democratisch pluralisme.

Hierna heeft de politieke psychologie zich veel bezig gehouden met onderzoek naar de band die er is tussen de massa en de elite.

In de grote verscheidenheid aan onderwerpen in de politieke psychologie is een splitsing te zien in de personen die bijdragen aan de politieke psychologie: de eerste groep bestaat uit psychologen die hun algemene theorieën toepassen op menselijke gedragingen in de politieke sfeer, de tweede groep bestaat uit politicologen die van de psychologie als het ware goed ontwikkelde disciplines ‘leent’, om op die manier politieke fenomenen beter uit te kunnen leggen en te kunnen begrijpen.

Dat psychologische concepten in de politicologie ‘geïmporteerd’ zijn, is het gevolg van twee sleutelstellingen. De eerste is dat politieke processen en uitkomsten ten minste voor een deel voortkomen uit de preferenties, keuzes en acties van individuen en groepen. De tweede fundamentele stelling van de politieke psychologie is dat we om politieke preferenties, keuzes en acties van individuen en groepen uit te leggen persoonlijke karakteristieken en relaties empirisch dienen te onderzoeken. Met deze tweede stelling komt meteen het verschil met de rationele keuzetheorie goed naar voren.

Bij deze laatste stelling zijn er drie verschillende benaderingen als antwoord op de vraag welke persoonlijke eigenschappen van politieke actoren onderzocht moeten worden om uitleggingen te produceren op gedragingen die afwijkend zijn van modellen als self-interested nut-maximaliserend gedrag. De eerste benadering is de cognitieve benadering. Deze groep focust zich op hoe mensen de wereld zien en bekijkt mensen als het product van hun wortels, ervaringen, informatieverwerkende capaciteiten en stijlen.

De motivationele of motiverende benadering bestudeert de natuur, oorsprong en effecten van de ‘drive’, waarden en stijlen van mensen. Sociale psychologen concentreren zich op interpersoonlijke relaties, groependynamiek en intergroep-relaties van de collectiviteiten waarin politieke actoren opereren en/of zich mee identificeren. Zie voor een overzicht van deze drie benaderingen tabel 5.1, p. 105. Hieronder zijn de drie benaderingen uit de genoemde tabel 5.1 uitgewerkt:

 

Cognitief

Motiverend

Sociaal

Sleutelassumptie

De mens is een imperfecte informatieverwerker

De mens is een ingewikkeld mengel van bewuste en onbewuste eigenschappen, motivaties en stijlen

De mens wordt gezien als een sociaal dier

Visie op het gedrag van elites

Politieke besluitvorming is het product van ‘boundedly rational’ (beperkt rationele) actoren, die moeite doen om oordeelsvragen te maken onder omstandigheden als een ‘overload’ aan informatie, dubbelzinnigheid, tijdsdruk en conflict

De persoonlijkheden, waarden en overtuigingen en leiderschapsstijl van politieke actoren (het gaat kortom om alle eigenschappen die tot stand zijn gekomen door de familieachtergrond, socialisatie en ervaring) zijn cruciale factoren van hun beleidskoersen en gedrag

De beleidskoersen en keuzes van leiders en regeringen zijn vaak niet tot stand gekomen door advies, beraadslagen en onderhandelingen – alles wat in essentie groepsprocessen zijn

Visie op het gedrag van massa’s

Hoe burgers aankijken tegen publieke issues, politieke partijen, politieke kandidaten en publieke instituties wordt gefilterd door hun veronderstellingen en wereldbeeld, net als de manier waarop informatie over deze zaken geframed en overgedragen wordt in de media en massacommunicatie

Collectieve politieke actie is, ten minste voor een gedeelte, een product van de ‘publieke emoties’, zoals: gedeelde hoop, angsten, behoeften en passies die zijn overgedragen in publieke toespraken en gevoeld kunnen worden, die gevoed en gemobiliseerd worden bij politieke leiders en sociale bewegingen

De politieke overtuigingen, houdingen en gedragingen van burgers zijn in grote mate gevormd door hun (subjectieve) lidmaatschap van sociale groepen en categorieën en de relaties die onderhouden deze onderhouden met andere groepen en categorieën

Bij bovenstaand schema moet echter wel gezegd worden dat harde scheidslijnen tussen de groepen lastig vast te stellen zijn. Alle drie de benaderingen staan uitvoerig uitgewerkt op pagina 106 t/m 111, veelal ook aan de hand van voorbeelden.

Als het om de toekomst van de politieke psychologie gaat, die een lange historie kent, heeft politieke psychologie nog een lange weg te gaan om algemeen als integraal deel van de (politieke) discipline gezien te worden. Het interdisciplinaire karakter is zowel een kracht als een handicap in het pogen tot de politicologische kern te komen. De kracht ligt in de theoretische weelde en creativiteit: politieke psychologen hebben schatten aan informatie over het menselijk en sociaal gedrag. De handicap ligt in het feit dat het geloofwaardig zijn van een politiek psycholoog samenhangt met de kennis van twee academische disciplines, wat tegen de huidige dominerende mono-disciplinaire productiviteit en carrière ingaat.

Hoofdstuk 6: Het feminisme

Wat is feminisme?

Feminisme kan worden gezien als een politieke positie met als doel om de machtsbalans tussen mannen en vrouwen te veranderen in het voordeel van de vrouwen, gecompliceerd door de perceptie dat er machtsbalansen tussen vrouwen zijn en dat de categorie vrouwen kan bestaan uit een product van patriarische relaties. Ondanks deze interne diversiteit en debatten, is het feministische perspectief volgens velen hard nodig binnen de politieke wetenschap. De behaalde doelen van de feministische politieke wetenschap om een volledig en positief beeld van vrouwen als politieke actoren te geven, zijn substantieel geweest en terwijl de limieten van deze benadering steeds meer worden erkend, zal het voor velen toch een noodzakelijke stroming blijven.

Hoe staat het feminisme ten opzichte van de politiek?

Feministische politieke wetenschap heeft ook meer fundamentele vragen opgeworpen over de manier waarop politieke zaken geconceptualiseerd worden, waaronder de conventionele onderscheiding tussen publiek en privaat, en de implicaties voor de breedte en grenzen van de politieke wetenschap als een discipline. De meest recente trend gaat terug naar de focus op politieke instituties, maar is nu meer geïnformeerd door een gesofisticeerdere conceptie van de complexe manieren waarop ze ontstaan zijn en opereren. Hoewel de impact van het feminisme op de discipline marginaal blijft, zoals ook vrouwen in beroepen en in de meeste arena’s van ‘hoge’ politiek, kunnen er ook enkele intellectuele voordelen of kansen zijn door deze marginaliteit.

De ambigue positie van de feministische politieke wetenschappers die de centrale elementen van de gevestigde discipline ter discussie stellen geeft hen de mogelijkheid en stimuleert hen om ‘naar buiten’ te kijken voor perspectieven en een taal waarin een alternatieve zienswijze wordt ontworpen en geuit.

De feministische politieke wetenschap heeft haar agenda van onderzoek wel moeten herformuleren. De geüniversaliseerde en geünificeerde concepten van de vrouw, oorspronkelijk gedefinieerd in termen van haar machtsrelatie tot de man, is steeds meer ter discussie gesteld, tot het punt waar het heel moeilijk wordt, als het niet onmogelijk is, om te onthouden van de dagen van politieke en filosofische onschuld. Er is ondanks dit toch geen enkele reden om het idee helemaal los te laten dat er verschillen tussen mannen en vrouwen zijn die relevant zijn in bepaalde politieke contexten.

Wat zijn de verschillende vormen van het feminisme?

Het feminisme kent vele verschillende soorten, de belangrijkste worden hieronder opgesteld:

Het liberaal feminisme, soms ook wel ‘gelijke rechtenfeminisme’ genoemd, is gegroeid vanuit de liberale principes van individuele vrijheid en gelijke rechten. Geïnspireerd door het 18e eeuwse verlichtingsdenken, wordt er geijverd voor gelijke politieke, juridische en economische rechten voor vrouwen: recht op onderwijs, recht op werk en vooral het recht op volwaardig burgerschap. Het activisme is vooral gericht op het aanpakken van structurele ongelijkheden. De liberale feministische ideologie kende haar hoogtepunt in de eerste golf. In de tweede golf komt er meer en meer kritiek op de mogelijkheden van het liberaal feminisme dat al bij al een gematigd conservatief standpunt inneemt wat betreft het ideaal van het gezin en de rol van de vrouw hierin.

Het Marxistisch feminisme onderzoek het verband tussen het patriarchaat en het kapitalisme. Ze onderzoekt of vrouwen een ‘sexeklasse’ zijn. Het Marxisme ziet onderdrukking als een systeem dat ingebouwd is in de organisatie van de samenleving. Deze visie heeft als belangrijk gevolg dat sociale verandering mogelijk is. Vandaar de aantrekkingskracht voor het feminisme: de onderdrukking van de vrouw is een sociale constructie, niet een natuurlijk gegeven. De omverwerping van die constructie is bijgevolg mogelijk. Toch blijft de verhouding Marxisme - feminisme moeilijk. Het Marxisme legt kapitalistische klasserelaties bloot.

De onderdrukking van de arbeidersklasse is een rechtstreeks gevolg van de economische principes van het kapitalisme. Dit is niet zomaar door te trekken naar de klasse ‘vrouwen’. Er ontstaat een heftig feministisch debat rond de relatie patriarchaat/kapitalisme en welke van die twee aan de oorsprong ligt van de onderdrukking van de vrouw. De doodsteek voor het Marxistisch feminisme is het uitblijven van een antwoord op de vraag waarom  mannen en vrouwen niet in gelijke mate geëxploiteerd worden door de kapitalistische economie.

Het radicaal feminisme gaat er van uit dat seksualiteit en (mannelijk) geweld aan de basis liggen van de vrouwenonderdrukking (en dus niet wettelijke of economische ongelijkheid). Fundament van de radicaal feministische ideologie is de verhouding tussen de micropolitiek van het dagelijkse leven en de macropolitiek van het kapitalistisch patriarchaat. Het verband tussen beiden wordt volgens radicaal feministen gevormd door het onderdrukkend gedrag van mannen waardoor stereotypen worden opgedrongen aan vrouwen. Radicaal feministisch activisme wordt gekenmerkt door een grote eenheid tussen theorie en praktijk. De theorie ‘start’ vanuit de praktijk van mensenlevens. ‘Het persoonlijke is politiek’ staat centraal, veranderingen moeten gebeuren in de schoot van het dagelijks leven, in de kleine revoluties van het hier en nu.

Cultureel feministen geloven dat emancipatie van de vrouw ligt in een alternatieve vrouwencultuur. Het is gegroeid vanuit het verwerpen van de westerse cultuur waarin geen plaats meer is voor eigen vrouwelijke ruimte. Het westers ideaal van de man-vrouwrelatie op basis van gelijkheid gaat volgens cultureel feministen gepaard met de ontkenning van de relaties tussen vrouwen onderling. Basisprincipes van het cultureel feminisme zijn het essentialisme, de opvatting dat er onveranderlijke verschillen naar ‘aard’ of ‘natuur’ bestaan tussen vrouwen en mannen, het separatisme en de nadruk op een alternatieve cultuur. Het cultureel feminisme heeft mede de impuls gegeven aan het ontstaan van een vrouwelijke cultuur: de vrouwenboekhandels, feministische poëzie en theater.

Vanaf de jaren ’90 komen alle grote ideologieën onder druk te staan door het postmodernisme. Grote verdienste van het postmodernisme is de deconstructie van dé waarheid. Het legt de nadruk op de subjectiviteit, op de maakbaarheid van kennis, waarheid, kunst, noem maar op. Het etnoheterocentrisme van de westerse samenleving wordt hierdoor genadeloos blootgelegd. De aantrekkingskracht voor het feminisme is evident: ‘sekse’ en ‘vrouwen’ als universele categorieën komen onder druk te staan, hun historisch en cultureel variabele aard komt bovendrijven. Het feminisme had altijd al een postmoderne kern. Het vestigde de aandacht op het feit dat vrouwen steeds de ‘andere’ vormen in het moderne, verlichte discours en legde hierdoor bloot dat de objectieve waarheid van de verlichte burger uitgaat van het perspectief van de blanke man uit de middenklasse.

Wat zijn de kritieken op het feminisme?

Het feminisme is een theorie die vaak moeilijk heeft kunnen aarden. Dit komt omdat het een behoorlijk uitdagende theorie is, zeker als het gaat om mannen. Het feminisme kent de volgende kritiekpunten:

  • Het zou te universeel zijn

  • Er is weinig ruimte voor zelfkritiek

  • Men zou te essentialistisch denken.

  • De feministische theorie is voor velen een ineffectieve theorie.

  • Ook het onderscheid tussen politiek en huiselijke sferen zou te klein zijn om een goede theorie te kunnen vormen.

Hoofdstuk 7: Het Marxisme

Wat is precies het Marxisme?

Een absolute tegenhanger van het liberalisme is uiteraard het Marxisme. Het Marxisme, waar onder andere Lenin toe behoorde, ziet bijvoorbeeld het imperialisme als een economisch fenomeen wat behoort tot het kapitalisme en zorgt voor conflicten. Een andere kritiek op het kapitalisme is dat het zorgt voor een ongelijke ontwikkeling. De landen die economisch wél ontwikkelen zijn dan voornamelijk de kapitalistische landen.

Naast het Marxisme is er ook een neoMarxistische theorie die de globale armoede en ongelijkheid verklaard. Dit doet het aan de hand van onder andere de ´dependence theory´. Dit houdt in dat er een structurele ongelijkheid binnen het internationale kapitalisme is waarin arme landen onderontwikkeld en afhankelijk zijn. De wereld is voornamelijk een kapitalistisch systeem, waarin ongelijkheid en economische tegenstellingen bestaan die zorgen voor crisis en instabiliteit. Volgens de Marxisten bestaat het wereldsysteem uit een centrum, semi-periferie en de periferie. Daarnaast stelde Gramsci, ook Marxist, dat er een ongelijk politiek en economisch systeem ontstaat door hegemonie. Deze hegemonie komt namelijk voort uit de ideeën van en theorieën over de bourgeoisie.

Bij deze vrij kritische houdingen ten opzichte van het kapitalisme blijft het niet. Het Marxisme heeft nog een aantal andere kritieken over de internationale politiek. Een daarvan is ´theoretical reflexivity´ wat inhoudt dat er een verband is tussen kennis en politiek. Theorieën en opvattingen worden gemaakt aan de hand van waarden en belangen. Een tweede kritiek is de emancipatoire politiek. Er is onderdrukking en onrechtvaardigheid in de wereldpolitiek om zo de individuele en collectieve veiligheid te behartigen. Als laatste is er het kosmopolitisme van de politieke identiteit en internationale samenwerking.

Welke ontwikkeling heeft het Marxisme doorgemaakt?

Wat belangrijk is aan het Marxisme is dat het constant bezig is met het aanpassen van zichzelf. Elke keer worden weer pogingen gedaan om ervoor te zorgen dat de theorie geherinterpreteerd kan worden. Uiteraard is de blijvende lijn die ontworpen werd door Marx gebleven. Dit Marxisme is gebaseerd op:

  • Foundationalistische ontologie;

  • Realistische epistemologie waaruit blijkt dat de sociale wereld kenbaar is.

Naast deze basiskenmerken zijn er ook nog verschillende soorten Marxisme. Het klassiek Marxisme bijvoorbeeld. Deze gaat ervan uit dat op het gebied van de economie, de politieke en sociale verhoudingen bepaald zijn aan de hand van de economische verhoudingen. De theorie is deterministisch wat betekent dat productiewijze het bewustzijn bepaalt en dat de superstructuur bepaalt wordt aan de hand van de economische basis. Het materialisme is een van de belangrijkste zaken waarover het Marxisme debatteert. Materiële verhoudingen vormen ideeën en van deze ideeën zijn de dominante van de heersende klasse. Als laatste bepalen de economische structuren de handelingen van de belangrijkste organisatoren, dit heeft te maken met het structuralisme. 

Naast dit is het Marxisme ook nog gebaseerd op een aantal wetenschappelijke zaken, namelijk dat de theorie altijd zal gelden, ongeacht de tijd of plaats en dat de visie van vooruitgang resulteert in het einde van exploitatie.

De tweede theorie is de klassiek Marxistische realistische epistemologie, die drie belangrijke kernaannames kent, namelijk:

  • De wereld bestaat onafhankelijk van onze kennis, dit heeft betrekking op het positivisme;

  • Er zijn relaties tussen sociale fenomenen, deze kunnen echter niet direct waargenomen worden;

  • Causale verklaringen kunnen gemaakt worden op basis van sociale fenomenen.

Een Marxistische theorie die tegenwoordig gebruikt wordt is de theorie van het moderne Marxisme. De theorie kent de volgende kenmerken:

  • Erkenning van het feit dat onze interpretatie van sociale fenomenen uitkomsten beïnvloeden (deze fenomenen bestaan echter onafhankelijk van onze kennis daarvan);

  • Structuren bepalen de handelingen van organisatoren niet, maar beperken deze. Organisatoren kunnen structuren (de)construeren;

  • Afwijzing determinisme;

  • Benadrukken contingentie;

  • Wijst economisme af;

  • Wijst structuralisme af;

  • Benadrukt de sleutelrol voor organisatoren;

  • Ziet een andere basis voor structurele ongelijkheid dan klassenverschil;

  • Privilegieert politiek.

Heeft het Marxisme problemen gekend?

Het Marxisme heeft in de tijd dat het heerste en ook daarna vele problemen gekend. Het is namelijk niet voor niets dat het Marxisme aan zoveel verandering onderhevig is geweest. Er zijn verschillende redenen geweest voor de verandering van het Marxisme. Een van de redenen voor verandering was de reactie op theoretische kritiek. Gramsci legde de nadruk op de rol van organisatoren, politieke strijd en ideologie, invloed van feministische kritiek op de Marxistische theorie en de notie van geslacht als basis van structurele ongelijkheid.

Een tweede reden was dat de economische formulering niet afdoende was voor het verklaren van economische, sociale en politieke verhoudingen. Een empirische analyse toonde aan dat de economische productieverhoudingen niet de staatscultuur en ideologie bepaalden. Beleid was ook niet altijd in het belang van de heersende klasse.

De laatste reden waarom het Marxisme moest veranderen was omdat de economische, politieke en sociale veranderingen nieuwe theoretische ontwikkelingen hebben gestimuleerd. Niet alleen nieuwe theorieën ontstonden, maar ook globalisering, groei van de publieke sector en de situatie van de Sovjet-Unie op dat moment tastten het Marxisme aan. Er bestaat veel diversiteit binnen het hedendaags Marxisme. Er bestaat niet meer zoiets als het originele Marxisme, maar verschillende auteurs gebruiken het Marxisme om hun theorie te ontwikkelen.

Hoe zag het Marxisme eruit ten opzichte van al het andere?

Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie werden de barricades voor het Marxisme weggehaald. Dit klinkt uiteraard wat tegenstrijdig, maar dit moest ontwikkelingen in Oostbloklanden rechtvaardigen, waardoor plaats gemaakt kon worden voor het geloof van het belang in collectieve waarden voor de samenleving, wat aanhaakt bij de Marxistische theorie. Doordat er veel veranderingen doorgevoerd zijn, is het Marxisme beter te begrijpen en zijn verklaringen en kritieken relevanter geworden.

In de jaren ‘80 en ‘90 van de vorige eeuw heerste er een neoliberale gedachtegang. Dit zorgde echter voor meer problemen dan oplossingen, aangezien er een grote economische crisis ontstond die begon in Azië, maar deels ook doortrok naar Amerika en Europa. Ook tegenwoordig is deze gedachtegang minder geloofwaardig, mede dankzij de Wereldbank en het IMF. In de context van toenemend bewijs van de zwaktes en de interne contradicties van het kapitalisme, lijkt er steeds meer ruimte voor radicaal-socialistische ideeën te zijn. Het Marxisme kan bijdragen aan dit hernieuwde debat.

Het huidige nut van Marxisme kan geïllustreerd worden aan de hand van de toename van structurele ongelijkheid sinds de jaren '70 in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Er zijn drie bases van structurele ongelijkheid:

  1. Geslacht;

  2. Klasse;

  3. Ras.

Deze structurele ongelijkheid uit zich in drie belangrijke politieke machtsbronnen:

  1. Geld;

  2. Kennis;

  3. Politieke macht.

Welke conclusies kunnen we trekken uit het Marxisme?

Het Marxisme heeft nog steeds veel te bieden voor de sociale wetenschap. Marxisten zijn met hun kritieken blijven confronteren, zowel binnen als buiten de traditie. Het Marxisme is springlevend en een ontwikkelende traditie; het is ook een brede kerk en veel sociale wetenschappers gebruikten het Marxisme op verschillende manieren en met verschillende intenties. Het Marxisme blijft relevant om drie redenen:

  1. Het kapitalisme houdt nog steeds significante tegenstellingen in stand. Verdedigers van hat kapitalisme progressieve kracht te zijn in een tijd waar de levensomstandigheden in veel delen van de wereld slechter worden, voornamelijk vanwege de activiteiten van de transnationale coöperaties en internationale organisaties.

  2. Het kapitalisme is exploitatief zoals Marx anderhalve eeuw geleden al benadrukte. Het werk van Naomi Klein is een herinnering aan deze exploitatie.

  3. Nationaal en internationaal worden de samenlevingen gekarakteriseerd door toenemende ongelijkheid.

Natuurlijk is het Marxisme niet het enige perspectief dat zich focust op de karakteristieken van het kapitalisme. Maar de theorie zet deze issues wel op de voorgrond en kan bijdragen aan een groter begrip ervan.

Hoofdstuk 8: De normatieve theorie

De centrale vraag in de normatieve theorie is: ‘Wat is de beste manier van leven?’ De normatieve theorie denkt niet alleen na over de wereld zoals die is, maar juist ook over hoe de wereld eruit zou moeten zien. Normatieve theorie probeert normen te geven, die juiste manieren voor zowel individueel als collectief handelen voorschrijven.

Een sleutelfiguur in het liberale gedachtegoed was weggelegd voor de Engelse filosoof John Locke. Locke brak met de ‘oude’ visie op de politiek, namelijk dat er een door God geordende natuurlijke hiërarchie was, waarin de koning aan het hoofd stond, en ‘vader van het gemenebest’ was. Locke stelde dat deze benadering niet rationeel was, omdat het een geheel van aannames belichaamde die geen rationele basis hadden en waar ook geen echt bewijs voor was. Locke pleitte dus voor een rationele benadering in het (na)denken over politiek. In deze tijd (eind 17e eeuw) was Locke ook onder de indruk van het feit dat de rationele benadering, gebaseerd op concreet bewijs, in de opkomende disciplines van de moderne wetenschap gehanteerd werd.

Bij de klassieke liberalen, waartoe Locke ook behoorde, kwam de focus op de natuur van het autonome individu te liggen. Dit leidde tot een breuk met het verleden wat betreft visie op de politiek: nu het individu centraal stond, kwamen termen en thema’s als ‘justification’ en ‘legitimacy’ naar boven. Later in dit boek wordt stilgestaan bij de ontwikkeling van deze thema’s.

Locke en andere vroege liberale theoretici bedachten de term ‘state of nature’, de natuurtoestand. Deze term, en de theorie eromheen, pasten natuurlijk goed bij de bestudering van het individu en hun essentie. De state of nature is een toestand waarin de mens leeft in zijn natuurlijke toestand, in het bezit van volledige vrijheid, niet gebonden is aan kunstmatige wetten, instituties en hierarchieen en waarin de mens in staat is zijn eigen persoonlijke doelen en voldoening na te streven, zonder enige vorm van collectief opgelegde beperkingen. Locke geloofde echter niet dat deze state of nature ook werkelijkheid was, het was slechts een gedachte vanwaaruit verder geredeneerd konden worden over de prikkels die individuen hebben wanneer zij beslissingen nemen, vooral als het om samenwerking en de gemeenschappelijke erkenning van een centraal gezag gaat. Vanuit de gedachte van de state of nature komt het volgende criterium voor rechtvaardigheid: ‘een gerechtvaardigde overeenkomst is er een waar we mee in zouden stemmen in een toestand waarin geen overeenkomsten bestonden’.

Locke stelde dat de mens prikkels had om tot een overeenkomst te komen, waarmee door middel van een sociaal contract een gezamenlijk gezag zou ontstaan. Doordat het individu op het eigenbelang gericht is, zouden eigenbelangen van individuen onvermijdelijk botsen, vandaar de bereidheid tot overeenkomsten/afspraken. Dit gezamenlijke gezag moest echter wel aan enkele voorwaarden voldoen, anders zou het leven wellicht slechter zijn dan in de state of nature: de staat moet operen door middel van gevestigde en erkende wetten en moet de basisvrijheden van ieder individu beschermen. Dit deel van de klassieke liberale theorie laat zien dat deze theorie een deontologische theorie is: een theorie die stelt wat (de staat) mag en wat niet mag, wat moet en niet moet: basisrechten van het individu zijn volgens deze theorie onvoorwaardelijk en universeel.

Vanuit een andere hoek was de utilitaristische theorie. De filosoof Jeremy Bentham stelde dat onze morele verplichtingen en oordelen verklaarbaar zijn in termen van onze wensen voor voldoening en welvaart. Het utilitarisme gaat uit van ‘wat nuttig is’. Dit is de basis voor menselijk handelen. Een veelvoorkomende term binnen het utilitarisme, die ook goed bij de theorie past is de term ‘the greatest happiness’: dit bereiken is de prikkel van ieder menselijk handelen.

Kritiek op de utilitaristische theorie was vooral dat de theorie niet liberaal zou zijn. Zo zou ‘greater happiness’ voor de meerderheid kunnen leiden tot schade aan de minderheid. Benthams ‘beschermeling’, John Stuart Mill, is hier echter tegen in verzet te komen. Hij vond de woordkeus van Bentham iets te ruw en kwam met de termen ‘higher en lower pleasures’. Mill en Bentham moesten beide niets hebben van absolute natuurlijke rechten. Zij noemden dit ‘nonsense’. De welvaart van het individu wordt veiliggesteld door zelfontwikkeling, en dit vereist vrijheid. Het is de taak van de overheid hier op toe te zien.

Aan het begin van de 20e eeuw kwam het ‘new liberalism’ op, waar het utilitarisme grote invloed op had gehad. Deze theorie had een meer sociale inslag en stelde dat de staat niet alleen garant moest staan voor de individuele vrijheden, maar ook de rol had om te zorgen voor de juiste en benodigde omstandigheden voor welvaart door materiële sociale voorziening. Het nieuwe liberalisme zag het individu tegenovergesteld als in de state of nature: het zag het individu in de situatie zoals die was, namelijk als geintegreerd onderdeel van een maatschappij, waarin wederzijdse rechten en plichten zijn. Individuele en sociale vooruitgang zijn interdependent in deze situatie.

Een bekende voorvechter van het nieuwe liberalisme was de Amerikaanse filosoof John Rawls. Hij had echter zijn argumenten niet geput uit het invloedrijke utilitarisme, waarvan de commentaren op deze theorie al kort besproken zijn (zie blz. 160 en 161 van het boek). Rawls stond voor een meer ‘socially-minded liberalism’: garanties van vrijheden in combinatie met een herverdelende welvaartsstaat. Zijn theorie is in feite een aangepaste herleving van de contracttheorie. Rawls kwam met ‘the original position’. Deze positie is een onbevooroordeelde positie, waarin je nog niet weet wat je belangen zijn en je positie is. Als het rationeel is om in deze positie een bepaalde keuze te maken, dan blijkt hieruit dat deze keuze voor iedereen geldt. Van hieruit redeneert Rawls ook dat rationele individuen zouden besluiten een centraal te gezag te organiseren. Er is dus volgens Rawls een morele gelijkheid. Wat je niet wil dat jezelf overkomt, zal je in de original position ook anderen niet laten overkomen, omdat het jezelf evengoed zou kunnen treffen.

De eerste uitdager van het liberalisme was de kritische theorie. De kritische theorie (dit is niet alleen een eigenschap van de theorie, maar ook de naam) ontwikkelde zich halverwege de 20e eeuw. De benadering was sterk beïnvloed vanuit het Marxisme en was in eerste instantie afkomstig van het werk van het Institute for Social Research, dat gevestigd was in Frankfurt. Vandaar dat aanhangers van de kritische theorie ook wel neoMarxisten of als ‘Frankfurter Schule’ worden aangeduid.

Het grote kritiekpunt van de kritische theorie was dat de zogenaamde objectiviteit in zijn geheel niet mogelijk was. Ook de original position van Rawls was beïnvloed door zijn eigen positie. Ook Rawls had dus te maken met aannames en vooroordelen. Voor Marx was het ‘utopisch’ denken om te denken dat er ultieme blauwdruk of een mogelijke manier van leven onafhankelijk van omstandigheden en geschiedenis zou zijn. De kritische theorie/het neoMarxisme stelde dat dit soort liberale ideeën de bouwstenen zijn van het fel bestreden kapitalisme.

Er is echter eenmaar: ook kritische theoretici geloven wel dat er universele standaarden kunnen zijn. Zo is dat volgende Duitse theoreticus Habermas het geval met taal: iedereen is het eens over bepaalde ‘objectieve’ proceswaarden: waarheid, oprechtheid en openheid. Zonder het hanteren van deze criteria is gesprekken voeren onmogelijk en nutteloos.

Een tweede uitdager van het liberalisme is het communitarisme. Het communitarisme zag zowel onwaarheden als gevaren in de theorie van Rawls. Het communitarisme stelt dat individuen geen op zichzelf staande ‘strangers’ zijn, zoals het liberalisme volgens deze theorie doet voorkomen. Nee, ieder individu heeft te maken met de normen en gebruiken van de gemeenschap waartoe hij of zij behoort. Een universele claim te weten hoe de toestand van het individu is, is dan ook onmogelijk: de original position is dus onjuist.

Communitaristen stellen dus dat waarden alleen binnen gemeenschappen kunnen gelden, van universaliteit kan geen sprake zijn. Toch is het communitarisme niet helder over hoe een gemeenschap er precies uitziet. Hoe groot is een gemeenschap, of hoe groot kan deze (minimaal, of juist maximaal) zijn? Kan een heel land in sommige gevallen ook als gemeenschap gezien worden?

De derde uitdager van het liberalisme is het postmodernisme. De positie van de postmodernisten is nog radicaler dan die van de aanhangers van de kritische theorie en het communitarisme. Het postmodernisme stelt dat we in een bepaald ‘discours’ leven, wat zorgt dat onze verhalen over de werkelijkheid subjectief zijn, omdat we alles vanuit een bepaald blikveld zien. Het postmodernisme stelt dat er ook binnen een gemeenschap geen normen voor bijvoorbeeld rechtvaardigheid zijn, iedereen vindt iets anders. Ook is de toetssteen voor zaken als rechtvaardigheid ook slechts cultureel en historisch specifiek. Al met al levert het postmodernisme geen echte bijdrage aan het debat in de politieke wetenschap en politieke sociologie. Tot slot is het postmodernisme niet alleen tegen normatieve politiek gericht.

Hoofdstuk 9: Ontologie en epistemologie in de politieke wetenschap

In veel hoofdstukken zijn de termen gevallen: epistemologie en ontologie. Iedere oriëntatie op zijn of haar onderwerp van sociale wetenschappers is gevormd door zijn of haar epistemologische en ontologische positie, ook al zal dit niet altijd erkend worden.

Ontologische vragen richten zich op de natuur van het zijn, van het bestaan. De sleutelvraag in de ontologie is: wat is de vorm en natuur van de werkelijkheid en zodoende, wat kunnen we daarvan weten?

Epistemologie is de leer die zich richt op kennis. De sleutelvraag van de epistemologie is: wat is de natuur van de relatie tussen de kenner en wat gekend kan worden? Belangrijk is dus of de kenner de echte wereld kan zien zoals die is, of dat dit niet mogelijk, waarbij de observaties dus incompleet en subjectief zijn.

Volgens de schrijvers van dit hoofdstuk, Furlong en Marsh, zijn epistemologie en ontologie onlosmakelijk aan elkaar verbonden. De relatie tussen de twee is echter wel een betwist onderwerp. Verschillende wetenschappers en verschillende stromingen zijn het oneens over deze relatie, dit wordt beschreven op pagina 186-188.

Als het om ontologische en epistemologische posities gaat, zijn er twee belangrijke posities te onderscheiden. Allereerst ‘foundationalist position’, die over het algemeen objectivisme of realisme genoemd wordt. Daarnaast is er de positie van anti-foundationalistism/constructivisme/relativisme. Deze posities zijn vooral van ontologische aard. Als het echt om epistemologische posities gaat, is er veel meer onderscheid in posities te maken.

Een belangrijk en groot deel van het hoofdstuk betreft een ‘interrogation’, een ‘ondervraging’ van verschillende benaderingen met betrekking tot ontologie en epistemologie. De positivistische, interpretivistische en realistische positie worden in meer detail uitgewerkt. De paragraaf focust op de belangrijkste kritieken op de posities, de variaties binnen de positie en de manier waarop de posities door de tijd heen veranderd zijn.

De positivistische benadering, die veel wetenschappers hanteren, richt zich op de kenbare wereld, ziet natuurwetenschap en sociale wetenschap grotendeels als overeenkomstig, richt zich op causale verbanden en stelt dat een strikte scheiding tussen empirie en normativiteit mogelijk is. Hiermee kan sociale wetenschap volgens het positivisme objectief en waardenvrij zijn.

Het is vrijwel vanzelfsprekend dat hier bezwaar tegen gemaakt is. Onder andere Quine is het debat aangegaan met het positivisme, net als Kuhn.

De interpretivist, ook wel vaak constructivistische positie genoemd, wordt wel de eest gevarieerde en meest diverse positie genoemd. De positie staat in wezen lijnrecht tegenover die van het positivisme: een objectief kenbare wereld is onmogelijk, waarde-oordelen zijn onvermijdelijk, mensen kunnen geen gebeurtenis ‘onafhankelijk’ zien. Niet geheel toevallig zijn de belangrijkste kritieken op de interpretivist position afkomstig uit positivistische hoek.

Het realisme deelt een ontologische positie met het positivisme, maar in epistemologische termen heeft het moderne realisme meer gemeen met het interpretivisme. De belangrijkste aannames/stellingen van het klassiek realisme zijn helder en hebben veel te danken aan het werk van Karl Marx.

Hoofdstuk 10: Metatheoretische onderwerpen

Dit hoofdstuk gaat over de sleutelproblemen in de sociale wetenschap, namelijk over de relaties tussen structure en agency, het materiële en het ideationele en stabiliteit en verandering. Deze zogenaamde metatheoretische onderwerpen zijn om twee redenen nauw aan elkaar verbonden. Allereerst worden de discussies over structure/agency en het materiële en het ideationele vaak ‘opgeroepen’ om stabiliteit en verandering uit te leggen. Dit is toch wel het meest fundamentele onderwerp in de sociale wetenschap. Ten tweede zijn posities op al deze metatheoretische onderwerpen aan elkaar verbonden en beïnvloed door het ontologische en epistemologische uitgangspunt van de auteur.

In de meeste overzichten over het structure/agencydebat en het materiële/ideationele debat wordt de bestaande literatuur in drie delen opgedeeld. In het structure/agencydebat wordt onderscheid gemaakt tussen structurele, intentionele en dialectische benaderingen, in het materiële/ideationele debat wordt onderscheid gemaakt tussen materialistische, idealistische en dialectische benaderingen. Het onderscheid tussen de benaderingen zal hieronder uitgewerkt worden.

Zowel structuralisme en intentionalisme als materialisme en idealisme behandelen de relevante metatheoretische kwestie als een dualisme, een of-of kwestie. Als voorbeeld: structuralisme bevoorrecht de rol van structure en bagatelliseert de rol van de agent, terwijl intentionalisme het tegenovergestelde doet. Vergelijkbaar hiermee is het feit dat het materialisme zich op materiële factoren focust, terwijl het idealisme de rol van ideeën benadrukt.

De dialectische positie behandelt structure en agency en het materiële en het ideationele als een ‘duality’, een tweevoudigheid. De relatie tussen de twee elementen van ieder paar wordt gezien als interactief en herhalend. Het dialectische argument ziet er dus als volgt uit

  • Structures bepalen de context waarin agents handelen, maar agents interpreteren structures, en in hun handelen veranderen ze structures. Deze ‘nieuwe’ structures zorgen vervolgens weer voor de context waarin agents handelen.

  • Materiële relaties voorzien in de context waarin ideeën ontwikkelen en opereren, maar deze materiële relaties worden ook weer geïnterpreteerd door de ideeën, waardoor de materiële relaties veranderen. Deze ‘nieuwe’ materiële relaties zorgen vervolgens weer voor de context waarin ideeën ontwikkelen.

Volgens Marsh, de schrijver van dit hoofdstuk, is de dialectische benadering de belangrijkste, omdat dit het snijvlak van de debatten op dit moment is, vandaar dat daar ook de focus op ligt in dit hoofdstuk.

Volgens Marsh zijn naast de bovengenoemde benaderingen die vaak genoemd worden nog twee andere benaderingen die veel minder aandacht krijgen van belang, namelijk de additieve en de post-structuralistische.

Structure en agency: de dialectische benaderingen

Als het om het structure/agencydebat gaat, wordt er door Hay en McAnulla onderscheid gemaakt tussen drie dialectische benaderingen: als eerste de ‘structuration theory’ van Giddens, dan de ‘morphogenetic approach’ van Archer en als laatste de ‘structural relational approach’ van Jessop en Hay.

Het argument van Giddens is dat structure/agency een tweevoudigheid is in plaats van een tweedeling: de twee zijn interdependent en intern aan elkaar gerelateerd. Volgens Giddens moeten structure en agency gezien worden als een munt: het is één munt, maar je kunt maar naar een van beide kanten tegelijk kijken. Je kunt dus volgens Giddens structure en agency niet tegelijkertijd bestuderen. Wanneer de ene bestudeert, houd je de andere constant. Critici stellen dat de benadering van Giddens niet dialectisch is, omdat de interactie niet bestudeerd kan worden. In empirische termen wordt Giddens er van beschuldigd agency te ‘bevoorrechent’ en structure constant te houden.

De morfogenetische benadering van Archer stelt dat er zowel een ontologisch as analytisch onderscheid is tussen structure en agency, terwijl Giddens en Hay en Jessop het onderscheid alleen als analytisch zien. Archer stelt dat structure en agency op verschillende manieren handelen; analogisch zijn het ‘twee strengen die verstrengelen’. Het tijdsaspect is erg belangrijk in de benadering van Archer. Zoals figuur 10.1 (blz. 217) aangeeft, zijn er verschillende fasen in de ontwikkelingen tussen structure en agency. De fasen zien er als volgt uit:

  • T1: Dit is de fase van ‘structural conditioning’. Een reeds bestaande context (structure) heeft invloed op de belangen van de agent en is de basis voor het handelen;

  • T2: Dit is het resultaat van T1 en de basis van het volgende resultaat (T3);

  • T3: Vanaf T2 vindt er sociale interactie plaats. De agents zijn beïnvloed door de context (T1), maar kunnen ook invloed hebben op uitkomsten door hun mogelijkheden om hun belangen te behartigen in te zetten, wat vaak gebeurd door te onderhandelen met andere agents.

  • T4: Dit is het resultaat van de acties van T2 en T3. Als gevolg hiervan zijn de structurele omstandigheden dan wel veranderd (morphogenisis), dan wel onveranderd gebleven (morphostasis), wat echter niet erg aannemelijk is.

Hay is erg kritisch over de benadering van Archer, over wat hij ziet als een tijdelijke scheiding van structure en agency en vooral Archers mening dat structure aan agency voorafgaat. Om deze reden stelt Hay dat Archer, net als Giddens de rol van agents centraal stelt en een individualistische blik op ‘morohogenisis’ heeft.

De strategisch-relationele benadering van Hay ziet het onderscheid tussen structure en agency slechts als analytisch. Hay stelt dat structure en agency onmogelijk tijdelijk gescheiden kunnen worden. De interactie is erg belangrijk voor Hay, volgens hem vormen structure en agency elkaar. In reactie op het beeld van de munt dat Giddens gebruikt, stelt Hay dat het geschetste beeld, namelijk dat de beide zijden van de munt structure en agency aangeven, niet klopt. Hay stelt dat een betere vergelijking is om structure en agency te zien als twee metalen die beide gebruikt zijn om de munt te maken. De structureel-relationele benadering ziet de agent als bewust, wederkerend en strategisch, reagerend op de gestructureerde context. Hiermee veranderd de agent ook deze gestructureerde context en draagt hij bij aan ‘strategic learning’ van de agent, wat zorgt voor een verandering van de preferenties en blik op de belangen. Cruciaal is dat structure in deze positie geen onafhankelijke causale macht heeft.

Er zijn echter twee cruciale kwesties als het gaat om de strategisch-relationele benadering. Als eerste is het lastig om de relatie tussen structure en agency als dialectisch te zien als structure geen onafhankelijke causale macht heeft. Vooral de ideeën van de agent zijn belangrijk, daarom wordt de rol van structure en agency niet als gelijkwaardig genomen.

Een ander sleutelelement voor Hay in het uitleggen van uitkomsten is de strategische context. Deze strategische context is van groot belang en dient nauwkeurig gedefinieerd te worden.

Het materiële en het ideationele: ‘thin’ en ‘thick’ constructivisme

Volgens Hay zien zowel thin als thick constructivisme de relatie tussen het materiële en het ideationele als dialectisch, maar geeft thick constructivisme prioriteit aan ideationele factoren en constitutieve logica’s, terwijl thin constructivisme prioriteit geeft aan materiële factoren en causale logica’s. Het debat hierover is nauw verbonden aan het structure/agencydebat. Hay neemt de constructivistisch institutionalistische positie aan, in reactie op het historisch institutionalisme, een positie die geassocieerd wordt met ‘thick’ constructivisten. Hay benadrukt vooral de grote problemen die historisch institutionalisme heeft als het gaat om het uitleggen van verandering en dat in handen van historische institutionalisten het concept van ‘path dependency’ bijna een deterministisch concept wordt. De belangrijkste kenmerken van het constructivistische institutionalisme zijn:

  • Actoren zijn strategisch;

  • Ze proberen ‘complex seeking’ te bereiken om bepaalde complexe, voorwaardelijke en veranderende doelen te realiseren;

  • Ze handelen binnen contexten die sommige strategieën boven anderen begunstigen;

  • Ideeën zijn er in de vorm van waarnemingsstof in zoverre dat zij de ‘gids’ leveren;

  • Belangen zijn sociale constructen; ze zijn niet geworteld in materiële verschillen;

  • De functionaliteit/disfunctionaliteit van instituties/structures is een open vraag, zowel in historische als in empirische termen;

  • Er ligt een focus op zowel ideationele als institutionele path dependency

  • Het doel is om de mate te interpreteren identificeren, specificeren en ondervragen tot waar – door processen van normalisatie en institutionele inbedding – gevestigde ideeën worden gecodificeerd, dienend als cognitieve filters waardoor actoren er toe komen omringende signalen te interpreteren identificeren, specificeren en ondervragen.

Als het om veranderingen gaat, zijn ideeën erg belangrijk voor het constructivistisch institutionalisme. De benadering stelt dat de gestructureerde context steeds verandert. Toegang tot strategische resources en de kennis van de institutionele omgeving zijn ongelijk verdeeld. Dit heeft invloed op het vermogen van actoren om de contexten (institutioneel en anderszins) te transformeren.

Stabiliteit en verandering

Colin Hay stelde eens: ‘Voor iedere normatieve en kritische politieke analist, de vraag van verandering is verre van een ingewikkelde afleiding – het is, in essentie, de bestaansreden van het politicologisch onderzoek.’

De posities die aangenomen worden als het gaat om de relatie tussen stabiliteit en verandering kunnen in drie conceptualisaties onderscheiden worden: allereerst de lineaire positie, aangenomen door Hay, ten tweede de non-lineaire benadering van Tonkiss en het circadiaanse model van Bates. 

Hay concentreert zich op de lineaire conceptualisaties van tijd, en daarmee van verandering. Hij focust op de veranderingstheorie van ‘punctuated equilibrium’. Dit punctuated equilibrium associeert hij met twee ideeën: ten eerste het idee dat een groot deel van de institutionele veranderingen in korte tijdseenheden, in uitbarstingen, plaatsvinden, en ten tweede dat er langere perioden van relatieve ‘statis’ (= geen (grote/belangrijke) institutionele veranderingen) na de ‘uitbarstingen’ zijn.

Tonkiss, een post-structuralist, stelt hiertegenover een non-lineaire opvatting van tijd. Tonkiss haalt Foucault aan die stelt dat verandering arbitrair, willekeurig of onvoorspelbaar is. Tonkiss acht een non-lineaire benadering van verandering superieur, en stelt dat verandering zowel alomtegenwoordig als ‘ontheoretiseerbaar’ is, in ieder geval op een manier dat positivisten of kritische realisten het zouden kunnen begrijpen. Tonkiss’ positie is dus gebaseerd op een ontologische en epistemologische claim.

Bates’ circadiaanse opvatting van tijd stelt dat om het dualisme tussen stabiliteit en verandering te overtreffen de circadiaanse opvatting noodzakelijk is. Het grote voordeel van deze conceptualisatie is volgens Bates dat het de dialectische relatie tussen cyclische en lineaire opvattingen van tijd en tussen stabiliteit en verandering erkent. Openheid aan variatie is erg belangrijk voor de circadiaanse opvatting. Ook stelt de opvatting dat herhaling (van veranderingen) asymmetrisch is.

Hoofdstuk 11: De uitdaging van het onderzoeksontwerp

Onderzoek doen is het construeren van onderzoek, onderzoeksontwerp is de gereedschapskist die ons de mogelijkheid geeft om dit professioneel te doen. Het contrueren van onderzoek betekent dat je een onderzoeksvraag maakt, en jouw versie van het debat rondom die vraag geeft. Het betekent ook dat je data en cases verzamelt en construeert zodat deze de kwestie en het debat dat jou identificeert aanspreken.

In de breedst mogelijke zin is het doel van sociale wetenschap om de wereld zoals mensen die gemaakt hebben, de structuren en instituties die zij gemaakt hebben en de acties die zij ondernemen binnen die structuren te begrijpen. Lange tijd is geprobeerd de wereld te begrijpen door de diepe structuren die de maatschappij en politiek maken wat zij zijn, te identificeren. Max Weber was zo ongeveer de eerste die de mogelijkheid opwierp dat het niet de objectieve wereld is die beïnvloedt wat we doen, maar dat ons subjectieve begrip van de wereld leidt tot hoe wij denken dat de wereld eruitziet.

Bob Hancké, de schrijver van het hoofdstuk, onderscheidt drie cruciale componenten van onderzoek in de politieke wetenschap:

  • Sociale wetenschap grijpt een bestaand debat aan (en gaat dus niet over het vinden van een verborgen wet van de maatschappij);

  • Dit gebeurt door het construeren van een ‘puzzel’, die een theorie op het eigen terrein aangrijpt (en zegt niet simpelweg het oneens te zijn met een theorie en komt vervolgens met een alternatief antwoord);

  • Is er op gericht de meest overtuigende oplossing voor de puzzel te vinden (vertrouwend op een combinatie van logica en data).

Onderzoek begint niet met literatuuroverzicht, of met data dat op zoek is naar een uitleg, maar met een vraag, een vraag die nieuw licht werpt op antwoorden die anderen eerder hebben gegeven. Het onderzoeksproces gaat die vraag beantwoorden. Een goede manier om dit te bereiken is door je onderzoek niet te zien als een onderwerp of thema, maar als een vraag. Onderzoeksvragen moeten aan bepaalde criteria voldoen. Een van de belangrijkste is wel dat je de mogelijkheid open houdt dat het antwoord dat jij dat dacht dat uit je onderzoek zou komen fout is. Daarnaast is eenvoud een tweede cruciale karakteristiek van onderzoeksvragen. Hancké stelt bij deze laatste wel dat je dit op twee manieren kunt zien: je moet iemand uit je vakgebied wel ‘straightforward’ over je onderzoeksvraag en de ideeën die je daarbij hebt kunnen vertellen, maar ook op een feestje moet je in staat zijn in eenvoudige bewoordingen te vertellen waar je onderzoek over gaat.

Je bent nooit de eerste die over een bepaald probleem nadenkt, en je literatuurlijst moet dit ook laten zien. In de literatuurlijst moeten de verschillende posities rond jouw vraag en het debat wat hier op volgde terug te vinden zijn.

Onderzoek bestaat volgens Hancké uit het meedoen aan het debat. Op het punt waar je tot de conclusie komt dat bestaande posities niet overeenkomen met de data die je hebt, breng je je eigen argument naar voren in het debat. Bijdragen aan dit soort debatten volgen enkele principes: spaarzaamheid – zo veel mogelijk zeggen met zo min mogelijk verklarende hulpmiddelen – is cruciaal. Ook moet het argument dat gebruikt wordt eenvoudig zijn. Daarnaast is het onwenselijk als een argument complex is en veel verschillende dimensies heeft.

Wanneer je een onderzoeksvraag hebt vastgesteld en je weet wat de (bestaande) antwoorden zijn waar je nader toe probeert te komen, begint het moeilijkste deel van het onderzoeksontwerp. Het onderzoek begint te wisselen tussen impliciete en expliciete aangrijping van de andere posities. De onderzoekscyclus (figuur 11.1, blz. 239) geeft goed weer hoe het onderzoek er precies uitziet. Het onderzoek begint met een vraag, die vertaald wordt in een geheel van observaties die niet begrepen kunnen worden met het heersende raamwerk. Hierdoor ontstaat het debat. Uit het debat komen verschillende mogelijke antwoorden naar voren, die je helpen om een empirisch veld voor je onderzoek te selecteren. Met de resultaten van het statistisch onderzoek kunnen de beperkingen van de bestaande argumenten aangewezen worden en kan de theorie gefalsifieerd worden, terwijl je ook een plausibeler argument hebt gevonden voor het zelfde onderwerp.

Onderzoek heeft altijd de ambitie om iets te zeggen over de wereld dat groter is dan het kleine stukje dat bestudeerd wordt. Dit gebeurt bijvoorbeeld door causale mechanismen die we ontdekt hebben toe te passen op cases die we in het geheel niet onderzocht hebben. Om verbanden te kunnen leggen moet je volgens Hancké de ‘relevant universe’ kennen waarvan de onderzochte cases deel uitmaken. Zo moet je weten hoe je je data verzameld hebt (gebruikte criteria) en wat voor soort case je onderzoekt. Zonder enige informatie over deze en andere vragen (blz. 239-240) is en blijft het onderzoek niet meer dan geïnformeerd speculeren.

Dit probleem valt uiteen in verschillende problemen. Allereerst is er het probleem van de natuur van het empirische materiaal waar je op vertrouwt. Velen hechten nog steeds veel waarde aan het verzamelen van zo veel mogelijk data, maar een onderzoek zal in statistische zin nooit representatief worden. De criteria die je stelt en waar je op vertrouwt om je cases te selecteren, zijn zeer belangrijk.

Als tweede heeft ieder universum een ‘logical ending’ nodig, zowel als het gaat om tijd als om ruimte. Belangrijk is om je af te vragen welke periode je gaat bestuderen en welk geografisch gebied. Vaak wordt een onderzoek afgesloten met de data van het laatste jaar waarin data verzameld is. Dit lijkt heel vanzelfsprekend, maar Hancké benadrukt dat ook deze keuze uitgelegd moet worden.

‘Comparability’, vergelijkbaarheid, is het derde punt om in gedachten te houden. Hancké wijst erop dat op zeer veel terreinen van onderzoeken zaken die vergeleken worden lang niet gelijk zijn aan elkaar. Dit is bijvoorbeeld het geval bij landen: geen een land is identiek.

Het laatste punt wat er toe doet is de vraag in hoeveel dimensies de relevant universe gestructureerd is. Het is belangrijk voor het onderzoek deze dimensies expliciet te definiëren.

Tijd en geschiedenis in de sociale wetenschap

Tijd en geschiedenis doen ertoe in de sociale wetenschap. Alle sociale en politieke gebeurtenissen en processen vonden in het verleden plaats. Tijd doet ertoe omdat het een kritiek element is in praktisch iedere vraag die je je kan voorstellen, maar de standaardgereedschappen die we hebben om ‘tijd’ bij onze analyse te betrekken zijn op zijn zachtst gezegd zwak. De volgende tijdelijke dimensies komen aan bod: volgorde, timing, context, asymmetrie en verandering.

Maakt volgorde uit? De simpelste, maar tegelijk belangrijkste reden waarom het antwoord ‘ja’ is, is dat volgorde nodig is om causaliteit vast te stellen. Maar er is een tweede belangrijke reden. Wanneer wij aan een probleem denken en wij hierover denken als een geheel van benodigde omstandigheden, kunnen we de wellicht benodigde volgorde van de omstandigheden negeren, wat heel essentieel kan zijn.

Maakt het uit wanneer iets plaatsvindt? Dezelfde gebeurtenis of hetzelfde proces kan verschillende effecten hebben, afhankelijk van wanneer het zich voltrekt. Wanneer de industrialisatie bijvoorbeeld plaatsvond in een land heeft gevolgen voor de positie die dit land tegenwoordig heeft.

Doen omstandigheden op grote schaal ertoe, bijvoorbeeld technologische ontwikkeling of een verschuiving in het internationale systeem? Neem nou het internet, waarschijnlijk de belangrijkste technologische schok van de laatste tientallen jaren. De opkomst van internet heeft grote invloed op de context. Zo is het in de huidige tijd van enorme informatiestromen veel moeilijker om dictator te zijn dan in bijvoorbeeld de jaren ’70 of ’80 van de vorige eeuw.

Was iets een benodigde omstandigheid voor de groei van een fenomeen, maar speelde het geen rol in de neergang van dat fenomeen? Assymmetrie zoals dit kan erg belangrijk zijn voor het onderzoeksproces. Het is inderdaad waar dat het vaak klopt dat als X zorgt voor een toename van Y, een lagere X zorgt voor een terugval van Y. Dit is echter niet altijd het geval, iets wat goed onthouden moet worden.

Hoeveel verandert er? We zijn gauw geneigd te zeggen dat vooral onze tijd enorme veranderingen kent, maar is deze bewering houdbaar? In iedere periode zijn de veranderingen anders, maar of er tegenwoordig meer en ingrijpendere verandering is, is niet zo gemakkelijk vast te stellen. Om ‘verandering’ te begrijpen is een heldere metriek vereist, die de begrippen ‘grote’, ‘belangrijke’ verandering onderscheidt van ‘kleine’, ‘inconsequente’ verandering. Deze metrieken zijn niet geheel verbazingwekkend vaak een twistpunt.

De basisboodschap van dit hoofdstuk is bij onderzoek in de sociale wetenschap keuzes maken hoort. Voor veel van deze keuzes geldt echter dat er geen duidelijke begeleiding is over hoe die keuze te maken. Bij het maken van deze keuzes kunnen onderwijzers en collega’s een belangrijke rol spelen. Deze rol is essentieel: wetenschap in het algemeen, en daarom ook sociale wetenschap uiteindelijk een sociale activiteit, uitgevoerd met en voor anderen.

De sociale wereld kent twee problematische kanten. De eerste heeft te maken met de ethiek van het werk, de tweede met het publiek. Onderzoek in sociale wetenschap zorgt niet zelden voor dilemma’s: ga je pijnlijke vragen stellen met een waarschijnlijke kans op excellente data, of ga je meer tactvolle vragen stellen met het risico op een lagere kwaliteit van je materiaal?

Wanneer je je werk aan ‘de wereld’ wilt laten zien, schrijft Hancké drie gouden regels voor die je kunnen helpen wanneer je hiernaartoe wilt. De eerste is: gebruik niet onnodig moeilijk taalgebruik. Dit schrikt lezers af en irriteert hen. Als tweede stelt Hancké: wees direct en noem niet meer informatie dan nodig en relevant is. Als derde gouden regel geldt: schrijft met het publiek in je achterhoofd. Vooral veel studenten schrijven vooral voor hun docent of supervisor, maar dit is een grote fout.

Hoofdstuk 12: Debatmethodes: kwalitatieve benaderingen

Wanneer we echt willen begrijpen en uitleggen hoe bepaalde gebeurtenissen, processen of wat dan ook tot stand gekomen zijn, moeten we vragen stellen die de kwalitatieve benadering gebruikt. Kwalitatieve vragen gaan dus, anders dan kwantitatieve vragen, gedetailleerde, op tekst gebaseerde antwoorden, die vaak historisch en persoonlijk zijn. Dit wordt vaak gekarakteriseerd als ‘thick’ beschrijving en analyse in plaats van brede, numerieke generalisaties. Dit hoofdstuk is gestructureerd naar twee hoofdthema’s. Allereerst een overzicht van de debatten tussen kwalitatieve en kwantitatieve methodes in de politicologie. Daarnaast een introductie van de belangrijkste types van kwalitatieve onderzoekstechnieken.

Drie typen methodes kunnen onderscheiden worden:

  1. Kwantitatieve methoden. Hierbij worden statistieken, overzichtsonderzoek en ‘content analysis’ gebruikt;

  2. Kwalitatieve methoden. Hierbij worden case studies, diepte-interviews, tekst/’discours’-analyse en historische analyse gebruikt;

  3. Formele modellen. Hierbij worden game theory en complexe wiskundige/economische modellen gebruikt.

Deze drie verschillende typen kwamen naar voren in een onderzoek naar de gebruikte methode in 1000 artikelen die claimden meerdere methoden te gebruiken. Uit het onderzoek bleek dat 49% van alle artikelen de kwantitatieve methode gebruikte, 46% de kwalitatieve methode en 23% formele modellering gebruikte. De onderzoekers verdeelden deze drie typen methoden over drie belangrijke onderzoeksvelden in de politieke wetenschap, en ontdekten dat de kwantitatieve methode (op statistiek gebaseerd dus) verreweg het meest gebruikt wordt.

Wat is nu eigenlijk precies het verschil tussen kwalitatief en kwantitatief onderzoek? Als eerste wordt het volgende genoemd: de kwalitatieve analyse richten zichten op ‘causes of effects’, dat wil zeggen met het doel om iets uit te leggen, er wordt dus terug geredeneerd. De kwantitatieve analyse richt zich echter op ‘effects of causes’, en probeert daarmee te voorspellen aan de hand van huidige gegevens. Verder is de kwantitatieve analyse er veel meer op uit om te generaliseren, terwijl de kwalitatieve analyse juist een select aantal cases wil verduidelijken. Vromen, de schrijver van dit hoofdstuk, noemt bij zowel voor kwalitatief als voor kwantitatief onderzoek een voorbeeld van een onderzoeksvraag. Voor de kwantitatieve methode is dat de volgende: ‘Wat is het effect van economische ontwikkeling op democratie?’ Voor kwalitatief onderzoek noemt hij het volgende voorbeeld: ‘Was economische crisis nodig voor democratisering in zuidelijk Latijns-Amerika?’

Kwantitatief onderzoek kenmerkt zich door de zogenaamde ‘large-N study’. Daartegenover staat kwalitatief onderzoek, wat zich kenmerkt door ‘small-N study’. De namen (kwantitatief en kwalitatief) doen vermoeden het belangrijkste verschil zit in de omvang van de studie, dus het aantal cases dat bestudeerd wordt. Dit is echter een misverstand. Het is weliswaar juist dat het verschil in het aantal cases dat bestudeerd wordt een belangrijk verschil is in de kenmerken tussen kwalitatief en kwantitatief onderzoek, maar dit is meer een gevolg van andere, (veel) belangrijkere kenmerken. De kern is namelijk dat de kwantitatieve methode vanuit een deductieve methode (er is dus al een theorie voordat het onderzoek begint) te werk gaat, met als doel te generaliseren. Het gevolg hiervan is dat veel cases gebruikt moeten worden, anders is het niet te generaliseren. Wat ook een rol speelt in het grote aantal cases is dat de vragen van kwantitatief onderzoek vaak specifieke en gesloten vragen zijn, waardoor het analyseren sneller gaat. De kern van de kwalitatieve methode is dat vanuit een inductieve positie (voor het onderzoek is er nog geen theorie, men gaat ‘blanco’ te werk om te kijken of er een bepaalde theorie af te leiden is uit de observaties die gedaan worden) te werk. Het gevolg hiervan is dat er in een kwalitatieve enquete vaak open vragen gesteld worden, waardoor de verscheidenheid aan antwoorden enorm is. Duidelijk is dat het analyseren van de observaties veel meer tijd kost dan bij kwantitatief onderzoek. Als gevolg hiervan worden veel minder cases onderzocht dan bij kwantitatief onderzoek.

Onderzoekers die kwalitatief onderzoek doen hechten veel waarde aan context. Om een goed beeld te krijgen, zijn er vier punten om tot zo’n ‘thick description’ te komen:

  1. Inductief onderzoek doen;

  2. Gebruik een holistisch perspectief;

  3. Verzamel gedetailleerde informatie. Het onderzoeksproces kan veranderen door veranderende omstandigheden;

  4. Empathische neutraliteit dient in acht genomen te worden.

De laatste bladzijden van het hoofdstuk werden enkele technieken van de kwalitatieve methode uit: allereerst interviews en groepsdiscussie (blz. 258-261). De kern hiervan is dat open vragen en groepsdiscussies (tussen ‘gelijkwaardigen’, de onderzoekt neemt hier geen deel aan) zeer veel waardevolle informatie kan opleveren. Het punt wat hier weer terugkomt is dat de grote hoeveelheid informatie per case zeer veel tijd kost om te analyseren, met een ‘small-N’ tot gevolg. Uit interviews/enquetes (met open vragen) en groepsdiscussies komt vaak veel waardevolle informatie naar boven, die uit kwantitatief onderzoek (gesloten vragen) nooit naar boven zou komen. Uit kwantitatief onderzoek kan blijken dat kiezers weinig consistent zijn in hun voorkeur voor linkse of rechtse standpunten, terwijl uit kwalitatief onderzoek vaak blijkt dat historische en persoonlijke omstandigheden een belangrijke rol in de huidige opvatting/keuze speelt.

Vanaf het einde van bladzijde 261 gaat Vromen in op de tekst-/documentgebaseerde technieken. Teksten/documenten kunnen uiteraard ook gebruikt worden voor kwalitatief onderzoek, ook hier komt de tijdrovendheid weer terug. Tot slot zijn de vier criteria waaraan literatuur dient te voldoen voordat het wordt gebruikt wellicht nog van belang. Deze zijn te vinden op bladzijde 262-263 en zijn:

  1. Authenticiteit

  2. Geloofwaardigheid

  3. Representativiteit

  4. Betekenis

Hoofdstuk 13: Kwantitatieve methodes

Ondanks vele pogingen om kwalitatief en kwantitatief onderzoek te verenigen, bestaan de verschillen nog steeds. Onderzoekers kiezen nu eenmaal voor of de ene of de andere methode. De kwantitatieve methode wordt vaak met bepaalde specifieke onderzoeksvelden geassocieerd, zoals verkiezingen en kiessystemen.

Bij kwantitatief onderzoek worden grote hoeveelheden data verzameld, met als doel gevolgtrekkingen te doen en te generaliseren. Dit gebeurd op basis van een groot aantal cases, een large-N dus. Met grote aantallen kunnen sociale wetenschappers generalisaties maken over de empirische wereld. Statistische theorie laat zien dat hoe meer cases je onderzocht hebt, of hoe groter het deel is van de populatie dat je onderzocht hebt, zorgt voor een steeds vastere overtuiging dat je observatie geen willekeurige gebeurtenissen zijn. Daarnaast is er ook kwantitatief onderzocht naar complete, volledige populaties, zoals het stemgedrag van parlementsleden of onderzoek naar alle kiessystemen in de wereld.

De kritiek van kwalitatieve onderzoekers op de kwantitatieve methode is vaak dat de gestandaardiseerde vragen ervoor zorgen dat de politieke en sociale context genegeerd wordt. De generalisaties die gemaakt worden negeren dus de complexiteit van de wereld, zo luidt de kritiek.

Op deze manier gaat het debat in tussen voor- en tegenstanders van de kwalitatieve en kwantitatieve nog even door. Peter John, de schrijver van dit hoofdstuk, draait er niet omheen dat er bij kwantitatief onderzoek fouten gemaakt worden: antwoorden, zowel mondeling als uit enquetes, kunnen verkeerd geïnterpreteerd worden, data kan verloren gaan of (per ongeluk) verwijderd worden, variabelen kunnen (per ongeluk) verwisseld worden, en zo is er nog meer wat mis kan gaan. John sluit de paragraaf echter af met de stelling dat kwantitatieve onderzoekers in feite hetzelfde doen als kwalitatieve onderzoekers als het gaat om het nadenken over wat goede en bruikbare data voor de studie is: ze gebruiken volgens John een verscheidenheid aan strategieën om de beste data om hun onderzoeksvragen te beantwoorden te vinden.

Een van de voordelen van beschrijvende metingen is dat ze ons in staat stellen de cases op te delen in groepen. Dit zorgt voor ‘summary statistics’, die erg handig zijn voor het begrijpen van de data. De meest gebruikte middelen zijn het gemiddelde, de modus en de mediaan. Even belangrijk zijn maten die spreiding van de data laten zien. De paragraaf vervolgt met nog meer technische termen, die erg belangrijk zijn voor de kwantitatieve onderzoeksmethode. Kwalitatieve onderzoekers, zo stelt John, krijgen bij al deze (de genoemde, en nog andere in het boek technische termen al gauw het gevoel dat kwantitatieve onderwerpen niets voor hen zijn, maar kwantitatief onderzoek is eigen niet meer dan een formalisering van wat mensen in het dagelijks leven doen. John noemt hier nog een voorbeeld bij, wat zijn stelling kan verduidelijken (blz. 272).

De wereld van sociale en politieke wetenschap zijn multicausaal, wat het erg lastig maakt om specifieke relaties te identificeren. John noemt als voorbeeld dat er wellicht helemaal geen relatie tussen rijkdom en vrijwilligerswerk is, omdat rijke vrijwilligers geneigd zijn naar scholen te gaan waar vrijwilligerswerk aangeprezen wordt. Het causale verband tussen scholing en vrijwilligerswerk zorgt voor een zogenaamde ‘spurious relationship’ tussen rijkdom en vrijwilligerswerk. Een manier om te weten te komen hoeveel invloed verschillende variabelen hebben op de afhankelijke variabele is meervoudige regressie.

Het meest voorkomend multivariate model is ordinary least squares (OLS). De technische kant van OLS staat vrij uitvoerig beschreven in dit hoofdstuk, op bladzijde 276 tot en met halverwege bladzijde 278, maar is voor de duiding van kwantitatief onderzoek als onderzoeksmethode niet relevant.

Voor ‘gewone’ lezers van kwantitatieve onderzoeken kan het lijken alsof kwantitatief onderzoek niet meer is dan het testen van een model dat afkomstig is van theorie. Er komt volgens Peter John echter nog heel wat meer bij kijken. Een belangrijk punt is de keuzes die de onderzoeker moet maken met betrekking tot de te gebruiken data en variabelen.

Uit verschijningen van de vele ‘journals’ over politieke wetenschap en sociale wetenschap in het algemeen, blijkt dat positieve resultaten veel meer gepubliceerd worden dan negatieve resultaten. Een eerste reden hiervoor is dat onderzoekers vaker kiezen voor onderzoek dat een kans op een positief resultaat heeft en dat voor onderzoek met een waarschijnlijk positieve uitkomst ook vaker financiële steun krijgt. Daarnaast is er bij redacteuren een voorkeur voor publicatie van positieve resultaten, omdat deze voor de lezer vaak interessanter zijn en ‘leuker’ zijn om te publiceren. Onderzoekers die een voorkeur hebben voor de kwalitatieve methode krijgen bij het zien van deze informatie als snel de gedachte dat kwantitatief onderzoek eerst even achter de schermen gaat rommelen met de informatie, zodat die wordt zoals zij die graag zien, voordat het gepubliceerd wordt.

Een meer recente benadering is die van transparantie. Een voorbeeld hiervan is, wat John ook noemt, het op de hoogte houden van een persoon die onafhankelijk geacht wordt, gedurende je onderzoek. Dit gebeurt dan aan de hand van updates die telkens tussendoor gestuurd worden.

King heeft gepleit voor een standaard van repliceerbaarheid, waarbij iedere persoon het werk van een onderzoeker kan herhalen door dezelfde dataset en codering van variabelen te gebruiken. Deze oproep heeft succes gehad, en wordt vandaag de dag breed toegepast. Deze ontwikkeling heeft er ook voor gezorgd dat onderzoekers zorgvuldiger met hun gegevens omgaan alvorens deze te publiceren, omdat mensen die het onderzoek later willen herhalen fouten ongetwijfeld zullen ontdekken.

Hoofdstuk 14: De comparatieve methode

De schrijver, Jonathan Hopkin, begint het hoofdstuk met het benoemen van het feit dat velen iets anders onder ‘comparative politics’ verstaan dan bedoeld wordt. Dit is voornamelijk in de Verenigde Staten het geval. Hier kan je ‘American politics’ of ‘comparative politics’ studeren. Comparative politics is echter niet datgene wat buiten je land plaatsvindt, dat is een misverstand. Hopkin stelt dat er altijd vergelijking aanwezig is als er claims over causaliteit gemaakt worden.

De belangrijkste functie van vergelijken in de politieke wetenschap is die van het ontwikkelen, testen en hervinden van causale verbanden. Hopkin stekt dat ieder politiek onderzoek, zelfs de beschrijvende verhalen, causale claims bevatten. Er wordt ook wel gezegd dat comparative politics het primaire middel is om sociaalwetenschappelijke generalisaties te maken.

In sommige opzichten is het jammer dat politieke wetenschap geen natuurkunde is. Zo is het voor de politieke wetenschap bijvoorbeeld vrijwel ondoenlijk om goede experimenten uit te voeren. Vergelijkende politiek is daarom een van de beste vormen op theoretische aannames te testen. Waar de natuurkunde na een aantal herhalingen van een onderzoek met dezelfde uitkomst een hoge mate van empirische steun toekent, is dit in de politieke wetenschap veel moeilijker, omdat identieke situaties vrijwel onmogelijk zijn.

Wat ook voor de politieke wetenschap van belang is, zijn de natuurlijke experimenten. Bij een natuurlijk experiment gaat het eigenlijk niet om een experiment, maar zien onderzoekers een bepaald proces of een bepaalde gebeurtenis als een experiment. Het probleem hierbij is echter dat er geen zogenaamde ‘controlegroep’ is, die, zoals bij een ‘gewoon’ experiment, kijkt of variabelen die ingezet worden bij het experiment ook wel echt de componenten van een causaal verband zijn.  

Afhankelijk van het soort onderzoek en de gestelde doelen, ga je veel cases onderzoeken (large N) of weinig cases onderzoeken (small N). Wat velen denken, maar niet helemaal juist is, is dat een large N gebruiken hetzelfde is als kwantitatief onderzoek doen en dat een small N gebruiken hetzelfde is als kwalitatief onderzoek doen. De verschillen zijn weliswaar niet bijzonder groot, maar het is wel belangrijk onderscheid te maken.

Waarom wordt er eigenlijk vergeleken in de politieke wetenschap, en waarom is dit goed of juist niet goed? Hopkin stelt dat er geen alternatief voor comparative politics is. Een tweede reden is dat comparative politics zorgt voor validiteit, geldigheid van interpretaties.

Hopkin onderscheidt vier basisvormen van vergelijkende uitleg (afkomstig van Mill):

a) De ‘method of difference’. Deze methode is er op gericht cases te vinden die in zo veel mogelijk opzichten identiek aan elkaar zijn, behalve op de variabelen waarvan de verhouding tot elkaar wordt onderzocht. Op deze manier isoleer je als het ware alle variabelen die gelijk zijn in de cases. Je gaat er hierbij dus vanuit dat deze variabelen geen invloed hebben op de afhankelijke variabele. Een voorbeeld hiervan is een onderzoek naar nationale trots en nationale eenheid in Nederland en België. De bestuurssystemen, bevolkingsopbouw en nog veel meer variabelen (voor het gemak dus alle variabelen, behalve de onafhankelijke variabele nationale trots en de afhankelijke variabele nationale eenheid) zijn in beide cases niet erg verschillend, er zijn veel overeenkomsten.

b) De ‘method of agreement’. Deze methode is de method of difference, maar dan omgekeerd. De methode richt zich op cases met zo weinig mogelijk overeenkomsten, behalve op de variabelen waarvan de verhouding tot elkaar wordt onderzocht. Om een voorbeeld te noemen: een vergelijking tussen Nederland en Nepal. Erg veel variabelen zullen verschillen. Een goed voorbeeld van enkele variabelen die wel overeenkomen is niet zo gemakkelijk te bedenken, maar die zijn er natuurlijk wel. Daar kan je dan een verband tussen onderzoeken. Er wordt wel gezegd dat de method of agreement beter is dan de method of difference, omdat eerstgenoemde methode geen variabelen uitsluit van het onderzoek.

c) De ‘method of comcomitant variations’ (methode van gelijktijdige variaties). Deze methode is gericht op ‘bewegende’ variabelen, waaruit geprobeerd wordt een causaal verband te halen.

d) ‘Most similar’ en ‘most different’. Przeworski en Teune (1970) hebben onderzoek gedaan naar deze twee onderzoeksontwerpen. Het boek besteed anderhalve pagina uitleg aan deze twee vormen, met ook voorbeelden, maar het is eenvoudiger, en ook kloppend, om te zeggen dat ‘most similar systems’ bij de method of difference hoort en dat ‘most different systems’ bij method of agreement hoort. Dit lijkt tegenstrijdig, maar is wel juist, en ook belangrijk om te onthouden. Een ezelsbruggetje is dat de woorden ‘different’ en ‘difference’, ondanks dat ze bijna hetzelfde zijn, niet bij elkaar horen. Het is dus: method of differende & most similar systems design enerzijds, anderzijds method of agreement & most different systems design.

Large N-onderzoeken, dus onderzoeken met veel cases, worden vandaag de dag het meest gebruikt. Een large N-studie kenmerkt zich door veel en ‘korte’ data, dat wil zeggen data dat gemakkelijk te analyseren en in te voeren is. Belangrijk om in de gaten te houden bij kwantitatief onderzoek is dat de variabelen die aan elkaar gelinkt worden (door een causaal verband of anderzijds) ook wel echt invloed op elkaar hebben. Kwantitatief onderzoek heeft in het verleden al veel belangrijke onderzoeksresultaten geleverd, maar de benadering kent ook beperkingen, zoals:

  • Limited cases (beperkte cases): er zijn te weinig cases om alle mogelijke combinaties te testen/onderzoeken

  • Limited data (beperkte data): om bij het veelgebruikte voorbeeld van een landenvergelijking te blijven, is er niet voor ieder land of voor de landen die je wilt onderzoeken de data aanwezig die je wilt hebben

  • Data reliability (betrouwbaarheid van data): om door te gaan op de landenvergelijking, houden de meest landen een eigen definitie na op begrippen als BBP en BNP. Dit kan zorgen voor een vertekend beeld, omdat het ene land bijvoorbeeld inkomsten van de zwarte markt wel meerekent en het andere land niet. Onder het probleem van data reliability hoort ook dat data gewoon echt onjuist kan zijn, dus dat het losstaat van definitie- en interpretatieverschillen.

  • Careless conceptualization (onzorgvuldige conceptualisering). Dit probleem lijkt op het vorige en komt niet alleen bij kwantitatief onderzoek voor, kwalitatief onderzoek kan hier zeker ook mee te maken hebben. Careless conceptualization betekent dat zaken zonder goede afwegingen geconceptualiseerd worden, met ook verschillende definities tot gevolg.

Kwalitatief onderzoek wordt nog steeds vaak gezien als minder waardevol dan kwantitatief onderzoek. Onderzoek met een small N (zoals veel kwalitatief onderzoek) heeft te maken met twee belangrijke risico’s. Het eerste risico is dat de onderzochte cases niet representatief zijn. Het tweede risico is dat de interpretatie een te belangrijke rol kan spelen, wat het onderzoek dus niet repliceerbaar maakt, wat sowieso als moeilijk is bij kwalitatief onderzoek in het algemeen. Wel is een voordeel van een small N dat de cases die onderzocht worden vaak ook echt rigoureus en diepgravend onderzocht worden.

Het is bij het maken van een keuze tussen kwantiteit en kwaliteit nooit gemakkelijk, omdat beide onderzoeksmethoden eigen voor- en nadelen hebben. Kwantitatief onderzoek is meer analytische, abstract, vergelijkend en liefst ook generaliserend. Het onderzoeksobject wordt niet in zijn geheel bekeken, context doet er niet zo veel toe, alleen de uitkomsten van de variabelen waar de onderzoeker naar op zoek is zijn relevant. Bij kwalitatief onderzoek ligt het vrijwel geheel tegenovergesteld. Kwalitatief onderzoek is hierdoor in staat complexe verklaringen te geven voor complexe verschijnselen.

Hoofdstuk 15: De experimentele methode

Lange tijd is de potentie van experimenten in de politieke wetenschap gebagatelliseerd. Experimenten werden lange tijd als onmogelijk gezien in de politieke wetenschap. Arendt Lijphart, een bekende politicoloog, stelde echter iets heel anders (1971): ‘De experimentele methode is de meest ideale methode voor wetenschappelijke uitleg, maar helaas kan het in de politieke wetenschap slechts zelden gebruikt worden vanwege praktische en ethische belemmeringen’.

Margetts en Stoker, de schrijvers van dit voorlaatste hoofdstuk, stellen dat je met drie ingrediënten als basis voor een experiment in een sterke positie bent om causale gevolgtrekkingen te maken. Deze drie ingrediënten zijn: interventie/manipulatie, controle en willekeurige toewijzing tussen groepen.

Het eerste ingrediënt, interventie of manipulatie, is karakteristiek voor experimenteel onderzoek. Anders dan bij observationeel onderzoek, waar de onderzoeker als het ware buiten het onderzoek staat, intervenieert de onderzoeker om zo het effect van die interventie te (kunnen) observeren.

Controle, het tweede ingrediënt, is ook belangrijk, en wel in de zin van het scheiden van de verschillende groepen in het onderzoek. Controle betekent echter niet dat een onderzoek of experiment altijd op dezelfde manier moet plaatsvinden. Hoe een onderzoek of experiment  plaatsvindt is iedere keer anders en hangt bovendien af van de onderzoeksvraag.

Als derde ingrediënt is de willekeurige toewijzing van onderzoekssubjecten, of dit nu mensen, groepen of instituties zijn, belangrijk om er zeker van te zijn dat de groepen ‘gelijk’ zijn. Deze groepen worden hierna op alle manieren gelijk behandeld, behalve op de onderwerpen die de focus van het onderzoek zijn. De kracht van willekeurige toewijzing aan verschillende groepen is dat het de invloed van factoren waarvan bekend is dat ze uitslag beïnvloeden en van factoren die mogelijk effect op de uitslag hebben, maar onbekend zijn bij onderzoekers, kan controleren.

Er zijn verschillende redenen waarom de experimentele methode is opgekomen. De eerste reden is dat de bestaande methoden faalden om goed onderzoek te doen. Bestaande data en bijbehorende methoden gaven geen bevredigend antwoord op vragen rond causaliteit. Daarnaast zijn de onderzoeksvragen in de loop der jaren veranderd. De onderzoeksvragen zijn meer gericht op diepere, onderliggende assumpties en claims, en onderzoekers doen veel meer dan vroeger onderzoek naar de effecten van instituties in het begrijpen van politiek gedrag. Ook technologische ontwikkelingen hebben een belangrijke bijdrage geleverd aan de opkomst van de experimentele onderzoeksmethode in de politieke wetenschap. Los van de technologische ontwikkelingen als computergesteund telefoon-interviewen, heeft het wijdverbreide gebruik van internet ook bijgedragen aan meer experimenten, en wel om twee redenen. Allereerst speelt internet een belangrijke rol in het faciliteren van mogelijkheden voor experimenteel onderzoek en vooral het bereiken van een groot publiek. Daarnaast is het door de digitale technologie mogelijk informatie te controleren en te scheiden.

Experimenten in de politieke wetenschap worden onderscheiden in verschillende dimensies. Margetts en Stoker gebruiken er twee: laboratoriumexperimenten en veldexperimenten. Margetts en Stoker besteden veel aandacht aan wat geleerd kan worden van laboratoriumexperimenten (blz. 313-316) en veldexperimenten (blz. 316-317), dit vooral aan de hand van voorbeelden.

Hoewel politicologen sommige ‘onoverwinnelijke’ uitdagingen van experimenteel onderzoek, zoals eerder door onderzoekers werd geclaimd, lijken te overwinnen, blijven er een aantal ethische en praktische uitdagingen bestaan. Deze valkuilen in de experimentele methode volgen hieronder.

Een eerste ethisch bezwaar kan zijn dat een bepaalde onderzoeksgroep voordelen krijgt die de andere groep (beide groepen zijn willekeurig) niet krijgt. De andere groep wordt dus een (relatief) nadeel bezorgd. Een antwoord op dit bezwaar kan zijn dat we niet altijd weten dat een bepaald voordeel ten deel valt aan de behandelgroep en dat het soms nodig is voor het experiment. Een ander antwoord op dit bezwaar kan als volgt luiden: experimenten kunnen als ethisch gezien worden behalve als het bekend is dat het anderen schaadt.

Een ander bezwaar is dat voor een experiment er niet zelden deelnemers misleidt worden. Een onderzoek van Milgram, beschreven op bladzijde 318, is hier een goed voorbeeld van. Hoewel er op universiteiten commissies bestaan die zulke ‘deception’ moeten goedkeuren en hier ook restricties voor hebben, moet een onderzoeker zelf (voor zichzelf) het laatste oordeel vellen. De comités zijn ook niet zelden per universiteit en vakgebied erg verschillend. Ook al is er maar een beperkte en ‘verantwoorde’ mate van misleiding, dit kan toch ‘verkeerd’ zijn. Zo kunnen deelnemers die misleidt zijn bij een volgend onderzoek een heel andere insteek hebben.

Een laatste ethisch bezwaar dat genoemd wordt is wanneer deelnemers financieel beloond worden, waarvan zij mogelijk later spijt zouden kunnen krijgen. Een voorbeeld dat genoemd wordt is een experiment waarin getoetst werd voor hoeveel geld mensen hun stemrecht zouden afstaan, hoeveel waarde zij dus aan hun stemrecht hechten.

Een eerste praktisch bezwaar tegen experimenteel onderzoek is het gebrek aan ervaring binnen de discipline (politieke wetenschap) met experimenteel onderzoek, waardoor de kans op fouten groot is. Ook kunnen onderzoekers bijna geen advies aan collega’s vragen, zij hebben immers ook geen ruime ervaring op het gebied van experimenteel onderzoek.

Hoofdstuk 16: De relevantie van politicologie

In dit laatste hoofdstuk wordt de relevantie van de discipline politieke wetenschap besproken. Waar de voorgaande hoofdstukken vooral gingen over interne, weliswaar belangrijke, factoren van de discipline en over de vraag hoe goed of bruikbaar bepaalde methoden zijn, gaat dit laatste hoofdstuk in op vragen van buitenaf, zoals: heeft politieke wetenschap enige relevantie voor het doen van uitspraken over belangrijke zorgen die de huidige maatschappij confronteren? En: kan politieke wetenschap antwoorden geven op belangrijke problemen uit de ‘echte’ wereld, en vooral, kan het significante analytische observaties maken die bijdragen aan de identificatie van oplossingen van zulke sociale problemen?

Een bezwaar tegen de stelling dat politieke wetenschap relevant is, is dat de politicologen slechts beschrijven. Het doet er verder niet toe wat hiermee gebeurt. Politicologen zijn over het algemeen niet zelf betrokken bij de politiek, en politici hebben maar weinig aan het werk van politicologen.

De auteurs van dit hoofdstuk (Peters, Pierre en Stoker) brengen drie stappen naar voren in hun argument dat politieke wetenschap relevent is. De eerste stap die volgens hen erkend moet worden is dat er geen neutrale of waardenvrije politieke wetenschap bestaat. Het empirische en het normatieve deel van de politieke wetenschap zijn aan elkaar verbonden.

Ten tweede zou je kunnen zeggen dat de agenda van de politieke wetenschap en van politicologen bepaald wordt door de problemen die zich voordoen in de ‘real world-politiek’. Kortom: er dient een relatie te zijn tussen de wereld van politieke analyse en de praktijk van politiek in de wereld.

Ten derde kan de relevantie van politieke wetenschap gesteld worden door te wijzen op het feit dat politieke wetenschap zich niet alleen bezighoudt met het benoemen van de problemen die spelen in de ‘echte’ (wereld)politiek, maar ook oplossingen biedt voor de ingewikkeldste problemen die er spelen.

Hiertegenover worden bezwaren gesteld. Enkele van die bezwaren zullen hier worden genoemd. Als eerste zijn er politicologen die stellen dat de eerste verantwoordelijkheid van de politieke wetenschap het verbeteren van de betrouwbaarheid van haar methoden is. Zo blijft de wetenschappelijke kwaliteit van de discipline gewaarborgd. Ook komt de politieke wetenschap niet in het vaarwater van de journalistiek, namelijk het simpel najagen van de onderwerpen van de dag

Een tweede, en hieraan gerelateerd bewaar tegen de relevantie van politieke wetenschap is dat op veel terreinen het bewijs niet duidelijk genoeg is om duidelijke en werkbare oplossingen te identificeren. Claims met betrekking tot causaliteit dienen altijd met het nodige scepticisme behandeld te worden, aangezien de realiteit altijd vele malen complexer is dan welk model dan ook.
Overigens geldt deze kritiek voor alle sociale wetenschappen, met name de disciplines die zich (bijna) uitsluitend op kwantitatief bewijsmateriaal beroepen, zoals Economie.

Een derde bezwaar tegen de relevantie van politieke wetenschap is dat wanneer politicologen relevantie hebben nagestreefd, zij vaak eindigen met het geven van hun onderzoek aan de gevestigde macht en simpelweg handelden om zogenaamd ‘expert judgement’ te geven om het maken van beleid door partijen te onderschrijven.

Peters, Pierre en Stoker gaan in de volgende paragraaf in op politieke wetenschap en democratisch verval. Veel politicologen nemen dit democratisch verval waar. Colin Hay noemt een hele reeks aan negatieve termen waar men vandaag de dag aan denkt als je het over ‘politiek’ hebt. De populaire politieke cultuur is die van een antihouding tegenover politiek en politici in veel gevorderde democratieën. Er zijn verschillende verklaringen over de oorzaken van deze door politicologen breed gedragen visie op de huidige staat van de politiek.

Hay stelt zo dat politiek gereduceerd is tot competitieve marketingcampagnes. Politiek en verkiezingen zijn volgens hem niet meer zoals ze waren, en vooral, zoals ze horen te zijn.

Anderen stellen weer dat de huidige staat van de democratie komt doordat politiek steeds meer ‘big business’ is geworden. Verder wordt nogmaals het permanente campagnevoeren genoemd, de gehele politiek is zelfs ‘adversarial’ geworden. Ook heeft de consumptiecultuur geleid tot beloftes van de kant van politici, die zij niet zelden niet waar kunnen maken.

Een oplossing voor de problemen die hier in het kort beschreven zijn, wordt door verschillende politicologen gezocht in het eerlijker worden van politici. Politici moeten eerlijker zijn over hun fouten, eerlijker zijn in het doen van beloftes. Ook moeten ze geen overdreven en onnodige aanvallen (vooral vanuit de oppositie) uitvoeren en dienen politici verantwoord campagne te voeren, op een manier dat het wantrouwen van de kiezer niet gevoed wordt. Anderen benadrukken dat voor een goede oplossing van de problemen met het verval van de democratie de formele regeringsinstituties en de informele macht van de civil society bij elkaar gebracht moeten worden. Voor deze laatste optie geldt echter: ook al lukt het om meer burgers te betrekken bij de politiek, dan nog is er een enorme groep burgers die ‘observers’ blijven in plaats van actieve betrokkenen (practitioners).

Instituties zijn altijd al erg belangrijk geweest voor politieke wetenschap, maar wat weten we er eigenlijk vanaf? Instituties zijn zelfs vaak de focus van politicologisch onderzoek. Kan de politieke wetenschap wel iets relevants en bruikbaars zeggen tegen de ‘would-be ontwerpers’ van instituties?

De schrijvers stellen dat het antwoord op deze laatste vraag ‘ja en nee’ is. ‘Ja’, omdat de politieke wetenschap inmiddels best wat weet over relaties tussen institutionele keuzes en het gedrag van actoren in het politieke systeem. ‘Nee’, omdat de aspecten van instituties en gedrag waar de politieke wetenschap de meeste kennis van heeft, blijken het minst significant voor meer ‘ontwerpers’ van instituties.

De laatste paragraaf van dit hoofdstuk gaat over politieke wetenschap en global governance. De uitdaging om een vorm van global governance te creëren is niets nieuws, maar is tegenwoordig wel steeds sterker merkbaar. Vrijwel in ieder vredesverdrag na een groot internationaal conflict wordt gesproken over het doel om een nieuwe model van een wereldorde in te stellen, zoals ook na de twee wereldoorlogen het geval was. Ook onderwerpen als klimaatverandering en terrorisme hebben een bredere aanpak nodig dan door nationale overheden. De politieke wetenschap heeft veel te bieden voor de ontwikkeling van instituties en regimes voor global governance. Een probleem is echter de enorme hoeveelheid ‘agencies’, zoals de auteurs ze noemen. Dit zijn zowel transnationale organisaties als ad hoc verdragen en regionale instrumenten van economische regering als terroristische organisaties. Het definiëren van agencies is al lastig voor de politieke wetenschap, wat ook gevolgen heeft voor het definiëren van institutionele afspraken voor het oplossen van collectieve problemen. 

 

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
6 1
Promotions
special isis de wereld in

Waag jij binnenkort de sprong naar het buitenland? Verzeker jezelf van een goede ervaring met de JoHo Special ISIS verzekering