Samenvatting On Democracy van Dahl

Samenvatting over de vele aspecten van Democratie, op basis van 'On Democracy' van Dahl (1998) - geschreven in 2015, gedoneerd aan WorldSupporter


Een korte geschiedenis van de democratie

Het is verleidelijk om te denken dat de democratie zich vanaf haar uitvinding door de Oude Grieken, continu verspreidde en ontwikkelde tot wat en waar het nu is. Dat beeld klopt echter niet. Ten eerste verdween de democratie na de Grieken en de Romeinen weer uit beeld en ten tweede is het ondoenlijk om te bepalen welk deel van de verspreiding van de democratie terug te voeren is op de eerste bronnen en welk deel zijn oorsprong kent in andere tijden en plaatsten. De lezing van Dahl (2000) is dat democratie op een onafhankelijke manier kan worden ontdekt en herontdekt als de juiste voorwaarden aanwezig zijn. Hij gelooft dat die voorwaarden zich op verschillende plaatsen en tijden hebben voorgedaan.

In een groep mensen die zichzelf bestuurt zonder inmenging van buitenstaanders en waarvan de groepsleden elkaar als gelijke beschouwen (logic of equality), is het waarschijnlijk dat er een drang naar democratie ontstaat. Er zijn sterke aanwijzingen dat een primitieve vorm van democratie vele duizenden jaren het meest ‘natuurlijke’ systeem is geweest in groepen jagers en verzamelaars. Die periode kwam tot een eind toen groepen mensen zich voor langere tijd op één plek vestigden en de voorwaarden voor democratische besluitvorming – groepsidentiteit, weinig inmenging van buitenstaanders en een gevoel van gelijkwaardigheid – schaars werden. Vormen van dominantie en hiërarchie, zoals monarchieën, despotisme, aristocratieën en oligarchieën  werden nu de ‘natuurlijke’ systemen. Zo rond 500 v.Chr. veranderde dat, toen zich op verschillende plaatsen gunstige condities voordeden voor democratische besluitvorming.

De Grieken

Rond 500 v.Chr. waren het de Grieken die het eerste systeem van democratische besluitvorming oprichtten dat eeuwenlang functioneerde. Griekenland was destijds geen natiestaat zoals moderne landen, maar het bestond uit stadstaten, waarvan Athene de belangrijkste was. Het waren ook de Grieken die het woord democratie (demokratia) verzonnen, een samenstelling van de woorden demos (volk) en kratos (regeren). De regering van Athene was complex. Het belangrijkste orgaan van de regering was het parlement, waarin iedere burger zitting kon nemen. Het parlement verkoos een paar belangrijke functionarissen en, de overige functies werden vergeven door middel van een loterij. Hoewel de politieke instituties van de Grieken innovatief waren, zijn ze van weinig invloed geweest op democratische systemen nadien.

Rome

Rond dezelfde tijd werd ook in Rome een systeem van democratische besluitvorming geïntroduceerd. De Romeinen noemden dit systeem de republiek, van res (zaak) en publica (publiek). Het recht om deel te nemen aan de besluitvormingsprocessen was in eerste instantie voorbehouden aan patriciërs of aristocraten, maar na een hevige strijd verkreeg later ook het gewone volk (plebs) dat recht. Het Romeinse Rijk groeide lange tijd gestaag en ook onderworpen volken verkregen Romeins burgerschap. De Romeinen pasten hun democratische instituties echter niet aan aan de groei van het volk en de grote geografische afstand tot Rome. Ze kwamen daardoor nooit tot een werkende representatieve democratie bestaand uit gekozen volksvertegenwoordigers. Met de val van het Romeinse rijk verdween democratische besluitvorming ongeveer duizend jaar van de aardbodem.

Italië

De democratie keerde terug rond 1100 n.Chr. in Italië. Opnieuw waren het kleine stadstaten waarin de democratie opkwam en opnieuw waren het eerst aristocraten en later  pas de gewone burgers die het recht hadden aan de besluitvorming deel te nemen. Meer dan twee eeuwen floreerden deze republieken in een aantal Italiaanse stadstaten, zoals Florence en Venetië, waar de renaissance tot een uitbarsting van briljante creativiteit leidde. Na het midden van de 14e eeuw ging het bergafwaarts en maakten autoritaire leiders een einde aan de democratie. Daarbij waren de dagen van de stadstaat als basis voor democratische besluitvorming geteld door de opkomst van de krachtigere natiestaat.   

Noord-Europa

Opvallend afwezig in de drie bovengenoemde systemen waren tenminste drie basale politieke instituties: een nationaal parlement bestaande uit verkozen vertegenwoordigers en door het volk verkozen lokale overheden. Een combinatie van deze drie elementen werd ontwikkeld in Groot-Brittannië, Scandinavië, de Lage Landen, Zwitserland en elders in Noord-Europa. Hoewel de systemen per regio verschilden, hadden ze de volgende karakteristieken: adelen en vrije burgers namen deel aan lokale raden, waarna regionale en nationale raden gestalte kregen. Sommige of zelfs alle vertegenwoordigers in deze raden werden door het volk verkozen.

Vroeg in de achttiende eeuw was de basis gelegd voor de huidige democratische overtuigingen en instituties in Europa. Het gevoel van gelijkwaardigheid had de totstandkoming van lokale raden gestimuleerd, waarin vrije burgers mee konden besturen. Het idee dat regeringen de goedkeuring van de geregeerden nodig hadden, won terrein. Om die goedkeuring te verkrijgen, was het nodig dat de bevolking vertegenwoordigd werd in de bestuursorganen op verschillende niveaus: lokaal, regionaal en nationaal. De vertegenwoordiging moest tot stand komen door middel van verkiezingen.

Het democratiseringsproces was echter nog lang niet voltooid. Ten eerste was er nog steeds grote ongelijkheid tussen burgers wat betreft hun rechten, taken en invloed op de besluitvorming. Ten tweede stond de macht van de raden en/of parlementen vaak niet in verhouding tot die van de monarch en ten derde werden lang niet alle burgers vertegenwoordigd. Alle vrouwen en het merendeel van de mannen waren uitgesloten van kiesrecht. Ten vierde werden democratische normen en waarden nog niet onderkend en begrepen. Er was weinig bekend over hoe de politieke instituties van een democratie ingericht dienden te worden. Daarbij waren Dde vrijheid van meningsuiting en het recht op politieke oppositie waren danig beperkt.

Al met alConcluderend is dat het democratiseringsproces dus geen voortdurende stijgende lijn was, maar kwamen dat er ups en downs aan te pas kwamen.een proces met ups en downs. Het is  lang nietzelfs niet zeker dat de democratie altijd zal overleven, zoals de lange periodes van afwezigheid in het verleden ons geleerd hebben. Democratie lijkt toevalligerwijs tot stand te komen, maar met een goed begrip van wat democratie inhoudt en de wil om de juiste voorwaarden te scheppen, kunnen de verspreiding van we democratische ideeën en instituties bevorderenverspreiden.

Waardeoordelen en empirische oordelen

Als we de vraag proberen te beantwoorden wat democratie is, houden we ons bezig met waarden, met wat wij goed, rechtvaardig of een wenselijk doel vinden. De vraag ‘waarom democratie?’ gaat ook grotendeels over idealistische waarden, maar ook over onze overtuigingen omtrent causale verbanden, beperkingen en mogelijkheden in de praktijk, over empirische oordelen dus. Als we ons vervolgens bezighouden met de vraag welke politieke instituties nodig zijn voor een democratie, dan baseren we ons nog meer op bewijzen en empirische oordelen.

Deel II van het boek houdt zich bezig met de vraag hoe een democratie er idealiter uit zou moeten zien, met waardeoordelen dus. Aan welke criteria moet een democratisch systeem voldoen? Deel III richt zich meer op de werkelijkheid, empirische oordelen: welke verschillen zijn er in de manier waarop staten hun democratische systemen hebben vormgegeven? In deel IV beschrijft Dahl welke omstandigheden een gunstige uitwerking hebben op de totstandkoming van een democratisch besluitvormingsproces en welke juist een ongunstig effect hebben.  

Wat houdt democratie in?

Wat opvalt wanneer men kijkt naar de regeringsvormen van staten die zich ‘democratisch’ noemen, is dat die veel van elkaar verschillen. Zelfs tussen de staatsinrichtingen van landen die algemeen als ‘democratisch’ beschouwd worden, bestaan grote verschillen. De meeste Europese landen hebben een parlementair systeem, waarin de minister-president wordt gekozen door het parlement. De Amerikaanse staatsvorm kent een krachtige president en tegelijk een krachtige wetgevende macht in de vorm van het Congres. Beiden zijn relatief onafhankelijk van elkaar. Er is geen algemene overeenstemming over wat de beste staatsinrichting is voor een democratie. Toch bestaat er volgens Dahl één elementair principe waaraan democratische systemen moeten voldoen: dat alle groepsleden behandeld worden alsof ze gelijk gekwalificeerd zijn om deel te nemen aan het besluitvormingsproces.

Uit dit principe vloeien vijf criteria voort waaraan een gemeenschap moet voldoen om zijn leden een gelijke politieke behandeling te geven:

  1. Effectieve deelname: Alle groepsleden moeten een gelijke kans gehad hebben om hun standpunt over het beleid met de andere leden te delen, voordat het besluit wordt genomen.
  2. Een gelijke stem: Alle groepsleden moeten een gelijke stem hebben wanneer het besluit uiteindelijk genomen wordt en de mogelijkheid gehad hebben om hun stem uit te brengen.
  3. Redelijke mate van begrip van het onderwerp: Alle groepsleden moeten binnen een redelijke termijn de kans hebben gehad zich in de zaak te verdiepen en kennis te nemen van de relevante alternatieven.
  4. Controle over de agenda: De groepsleden hebben het exclusieve recht om te bepalen wat er op de agenda komt.
  5. Universeel recht op deelname aan het besluitvormingsproces: Aan alle of vrijwel alle groepsleden moeten bovengenoemde rechten verleend worden.

Wordt aan deze criteria niet voldaan, dan kan er onmogelijk sprake zijn van een politiek gelijke behandeling van alle groepsleden.  

Deze criteria zijn misschien praktisch toepasbaar op het bestuur van een kleine tot zeer kleine gemeenschap, maar zijn ze dat ook op een staat? Met de term ‘staat’ bedoelt Dahl een specifiek soort gemeenschap, die zich van andere soorten onderscheidt doordat het een monopolie heeft op het gebruik van geweld en daarmee gehoorzaamheid aan zijn regels af kan dwingen. Vaak beslaat de jurisdictie van een staat een bepaald territorium. Vroeger waren dat vooral steden, maar tegenwoordig meestal hele landen. Dahl claimt dat zijn criteria goed toepasbaar zijn op staten, maar dat geen enkele staat er ooit in geslaagd is om aan alle criteria te voldoen en dat het ook niet waarschijnlijk is dat dit ooit zal gebeuren. Relevant zijn de criteria echter wel, omdat ze een maatstaf kunnen zijn voor landen die democratisch claimen te zijn en omdat ze richting kunnen geven aan staten bij het creëren van concrete besluiten, grondwetten en politieke instituties.

Waarom zouden we democratie na moeten streven?      

Waarom zou een staat eigenlijk democratisch geregeerd moeten worden? Zou een non-democratisch systeem niet net zo goed of zelfs beter kunnen zijn? Dahl komt met een lijst van tien redenen waarom democratische systemen de voorkeur verdienen boven andere systemen.

1.      Het voorkomt tirannie.

Wellicht het belangrijkste aspect van democratie is dat het de wrede en kwaadaardige heerschappij van een alleenheerser voorkomt. Dat wil niet zeggen dat democratische regeringen zich niet ook soms schuldig maken aan het onjuist en wreed behandelen van mensen binnen of buiten hun grenzen. Zo kan een meerderheid schade toebrengen aan een minderheid. Dit wordt ook wel ‘de tirannie van de meerderheid’ genoemd. Lang niet altijd zal iedereen tevreden zijn met het gekozen beleid, maar democratische systemen brengen op de lange termijn wel minder schade toe aan de fundamentele rechten en belangen van hun burgers dan welk ondemocratisch alternatief dan ook.

 

2.      Een democratisch systeem verschaft zijn burgers essentiële rechten.

Rechten vormen het fundament van een democratische regering. Het is vanzelfsprekend dat een politiek systeem zijn burgers rechten moet verschaffen om aan de criteria voor democratische besluitvorming uit hoofdstuk 4 te kunnen voldoen. Voor het criterium ‘effectieve deelname’ is het bijvoorbeeld nodig dat alle burgers het recht krijgen om aan het besluitvormingsproces deel te nemen en hun mening te uiten. Ook de andere criteria brengen rechten voor burgers met zich mee.

3.      Het garandeert de bevolking meer persoonlijke vrijheid

Mensen die geloven in democratische waarden, geloven meestal niet in democratie alleen. Democratie speelt weliswaar een centrale rol, maar het is onderdeel van een groter geheel van waarden, die de bevolking meer vrijheid verschaffen. In dit geheel wordt vrijheid van meningsuiting bijvoorbeeld ook gezien als nastrevenswaardig op zichzelf. Niet alleen omdat het in functie staat van de democratie, maar omdat het bijdraagt aan morele autonomie, morele meningsvorming en een goed leven.

4.      Democratie helpt mensen hun eigen fundamentele belangen te verdedigen.

Iedereen heeft bepaalde belangen, doelen, waarden en overtuigingen. Vrijwel iedereen wil een zekere mate van controle over de factoren die bepalen in hoeverre deze behoeften bevredigd kunnen worden. Beter dan elk ander politiek systeem stelt democratie burgers in staat om hierover keuzes te maken.  

5.      Democratie verschaft maximale morele autonomie

Wie leeft in een gemeenschap moet ermee leren omgaan dat je niet altijd kan doen wat je wilt. Soms botsen jouw voorkeuren nou eenmaal met die van anderen. Een democratisch besluitvormingsproces biedt in zo’n geval uitkomst. Hoewel zo’n proces er niet voor kan zorgen dat iedereen zijn zin krijgt, verschaft het de bevolking wel de maximale hoeveelheid zelfbeschikking.

6.      Democratie zorgt voor maximale morele verantwoordelijkheid.

Onder morele verantwoordelijkheid verstaat Dahl het aannemen van morele principes en het nemen van beslissingen in overeenstemming met die principes. Aan dat laatste gaat een lang proces van reflectie, overleg, onderzoek en afweging vooraf. In de praktijk is het niet haalbaar om volledige morele verantwoordelijkheid over het overheidsbeleid te hebben, omdat elke burger maar beperkte invloed heeft op de wetten en regels in een staat. De morele verantwoordelijkheid van die burgers is dan ook beperkt, maar groter dan in elk ander politiek systeem. 

7.      Democratie bevordert menselijke ontwikkeling maximaal.

Omdat het lastig is om ‘menselijke ontwikkeling’ te meten, is dit een gewaagde stelling. Toch meent Dahl dat een democratische regering essentieel is voor de ontwikkeling van kwaliteiten zoals het beschermen van eigen belangen, in overweging nemen van andermans belangen, verantwoordelijkheid nemen voor beslissingen en het overleggen met anderen over de juiste beslissing. Alle andere politieke systemen beperken de mogelijkheden voor hun burgers om dat soort kwaliteiten te ontwikkelen, meestal in grote mate.

8.      Het bevordert politieke gelijkheid.

Een democratische regering kan een veel grotere mate van politieke gelijkheid onder zijn burgers bereiken dan welk ander politiek systeem dan ook. Waarom politieke gelijkheid nastrevenswaardig is, bespreekt Dahl in de volgende twee hoofdstukken.

9.      Democratie helpt vrede in stand te houden.

Dit bijzondere voordeel van democratische besturen was grotendeels onverwacht, maar het bewijs stapelt zich op dat democratische staten geen oorlog met elkaar voeren. Van alle 34 oorlogen tussen 1945 en 1989 was er geen enkele tussen democratische landen. Natuurlijk hebben democratische landen wel oorlog gevoerd met ondemocratische landen of zich erin gemengd, maar met elkaar hebben democratische landen nog nooit oorlog gevoerd. De redenen hiervoor zijn niet geheel duidelijk. Handelsbelangen zullen een rol spelen, maar dat democratische burgers en leiders de kunst van het compromis verstaan zal ook meespelen. 

10.  Het bevordert welvaart.

De ervaring van de afgelopen twee eeuwen leert ons dat democratieën rijk zijn, en ondemocratische regimes over het algemeen arm. Vooral in de tweede helft van de twintigste eeuw was deze tendens opvallend. Een gedeeltelijke verklaring hiervoor is de connectie tussen democratieën en de vrije markt. Aan het eind van de twintigste eeuw hadden alle democratieën een vrije markt. Vrije markten hebben in de afgelopen twee eeuwen over het algemeen meer rijkdom geproduceerd dan alternatieve systemen. Ook op andere vlakken, zoals onderwijs, rechtspraak en communicatie hebben democratieën gunstigere voorwaarden geschapen.

Intrinsieke gelijkwaardigheid

Waarom is een politiek gelijke behandeling van burgers eigenlijk nodig wanneer ze deelnemen aan het besluitvormingsproces? Sommige mensen zien dit als een vanzelfsprekendheid, maar volgens Dahl is het dat zeker niet. Hoewel vele vormen van ongelijkheid de afgelopen eeuwen zijn verdwenen, zal wie om zich heen kijkt overal ongelijke behandelingen van burgers aantreffen. In plaats van gelijkheid lijkt ongelijkheid de natuurlijke toestand in de wereld te zijn. Geluk, omstandigheden en opvoeding zorgen ervoor dat capaciteiten, kansen en voordelen niet gelijk over alle mensen zijn verdeeld. Dahl doet dan ook geen poging de werkelijkheid te beschrijven, maar een moreel oordeel te vellen over hoe het eigenlijk zou moeten zijn. De waarde van elk mens zou als gelijk beschouwd moeten woorden, luidt dit morele oordeel, dat hij intrinsieke gelijkheid noemt. Geen enkel mens is intrinsiek superieur aan een ander. Een overheid zou daarom de belangen van iedereen waarop haar besluit betrekking heeft even zwaar moeten meewegen. Dahl geeft vijf redenen waarom intrinsieke gelijkheid een nobel streven is.

Ethische en religieuze gronden

Voor veel mensen is intrinsieke gelijkheid onderdeel van hun geloof en principes. Voor het Jodendom, Christendom, de Islam en het Boeddhisme zijn alle mensen elkaars gelijke. Ook de meeste andere levensbeschouwingen gaan daarvan uit.

 

De zwakte van een alternatief principe

Voor velen van ons is het onacceptabel dat er bij het bestuur van een staat van een andere basis uitgegaan zou worden dan intrinsieke gelijkheid. Waarom zouden we immers de intrinsieke superioriteit van bepaalde anderen als een fundamenteel politiek principe accepteren?

 

Voorzichtigheid   

Het is wellicht verleidelijk om een staat te besturen op een manier die jouw eigen belangen boven die van anderen stelt. Zeker als je ervan uitgaat dat jij of jouw groep altijd de overhand zal houden. Maar aangezien dat voor vrijwel iedereen onwaarschijnlijk is, is het verstandiger om op een gelijke behandeling van iedereen aan te dringen.

 

De capaciteit van de burger

Zelfs als men uitgaat van intrinsieke gelijkheid, dan nog is een democratisch systeem niet per definitie het beste politieke systeem. De grootste vijand van de democratie is de overtuiging dat het bestuur moet worden overgelaten aan experts (guardians) die het algemeen belang nastreven en superieure kennis hebben wat de beste methoden daartoe zijn. Voorstanders van deze overtuiging vinden dat normale burgers niet in staat zijn om zichzelf te besturen. Ze ontkennen niet per se dat mensen niet intrinsiek aan elkaar gelijk zijn en ieders belangen even zwaar tellen, maar ze menen wel dat guardians superieure kennis hebben van het algemeen belang en van de methoden om het algemeen belang na te streven. Het bestuur zou daarom aan hen overgelaten moeten worden.

Als we experts als artsen en piloten onze gezondheid, welbevinden en toekomst toevertrouwen, waarom zouden we het bestuur van de staat dan niet aan experts overlaten? Dahl meent dat die vergelijking mank loopt. Zo staat (1) het delegeren van bepaalde kleinere zaken aan experts niet gelijk aan het afstaan van zeggenschap over zeer belangrijke besluiten. Experts hebben vaak meer kennis van bepaalde zaken en advies inwinnen kan raadzaam zijn, maar ze volledige macht geven over de wetten en regels waaraan iedereen moet voldoen is een ander verhaal. Ook staan (2) persoonlijke besluiten van individuen niet gelijk aan besluiten over wetten en regels die worden genomen en uitgevoerd door de staat. Besluiten van overheden kunnen worden gehandhaafd door middel van geweld, dwang of gevangenneming. Daarnaast is (3) wetenschappelijke kennis niet voldoende om een staat te kunnen besturen. Vrijwel alle belangrijke beslissingen omtrent beleid vergen namelijk ethische oordelen en er gaat vrijwel altijd een afweging van de belangen van verschillende partijen bij gepaard. Bovendien is er in het geval dat er over het beleidsdoeleinde overeenstemming bestaat vaak nog onzekerheid en onenigheid over wat de beste manier is het doel te bereiken. Ten vierde is er voor het bestuur van een staat meer nodig dan kennis alleen. Het vergt ook integriteit, een weerstand tegen de verleidingen van macht en toewijding aan het algemeen belang in plaats van het eigen belang. Hoe wijs en waardig de guardians bij hun aantreden ook mogen zijn, de geschiedenis leert dat zij hun macht binnen een paar jaar na hun aantreden waarschijnlijk zullen gaan misbruiken.

Vanwege deze redenen meent Dahl dat niemand zodanig beter gekwalificeerd is om te besturen dan anderen, dat het bestuur aan diegene overgelaten zou moeten worden. In plaats daarvan zouden vrijwel alle volwassen burgers inspraak moeten hebben in het bestuur. Als we ervan uitgaan dat vrijwel elke volwassene in staat is om te beslissen wat goed voor hem of haar is, dan zou die ook inspraak moeten hebben in het regeringsbeleid. Gebeurt dat niet, dan is de kans groot dat de belangen van degenen die uitgesloten worden, niet door de regeerders worden verdedigd. Daarom is universeel kiesrecht volgens Dahl nodig.         

Welke politieke instituties zijn nodig voor een democratie?

Wat is nodig om een land democratisch te besturen? Daarvoor zijn politieke regelingen, gewoonten en instituties nodig, die de vijf criteria voor democratisch besluitvormingsproces zo dicht mogelijk naderen. De volgende instituties zijn volgens Dahl nodig:

1.      Verkozen bestuurders. De controle over de overheid is in handen van door het volk verkozen bestuurders. Moderne democratieën zijn dus representatief.

2.      Vrije, Eerlijke en regelmatige verkiezingen. De bestuurder worden door middel van vrije en eerlijke verkiezingen verkozen en deze verkiezingen vinden op regelmatige basis plaats.

3.      Vrijheid van meningsuiting. Burgers hebben het recht hun mening te uiten, zonder daarbij het risico te lopen daarvoor gestraft te worden.  

4.      Vrijheid van informatie. Burgers hebben het recht om informatie te vergaren van alternatieve en onafhankelijke bronnen die niet onder toezicht van de overheid staan.

5.      Vrijheid van vereniging en vergadering. Burgers hebben het recht om zich te verenigen in  onafhankelijke organisaties, belangengroepen of politieke partijen.

6.      Inclusief burgerschap. De bovenstaande rechten kunnen geen enkel permanent in het land woonachtige burger worden ontzegd.

Deze instituties ontstaan in een land meestal niet allemaal tegelijk. In de landen waar de democratie het eerst opkwam, is een algemeen patroon zichtbaar. Het verkiezen van wetgevende bestuurders kwam eerst, gevolgd door de geleidelijke uitbreiding van de rechten van burgers om hun mening te uiten en om informatie te vergaren en uit te wisselen. Het recht om zich te verenigen in organisaties met duidelijk politieke doeleinden volgde nog wat later. Politieke organisaties werden door de machthebbers over het algemeen als gevaarlijk gezien, omdat ze hun gezag en de stabiliteit zouden ondermijnen.

De zesde fundamentele institutie, inclusief burgerschap, bleef lange tijd afwezig. In alle democratische landen bleef het recht om volledig aan het politieke leven deel te nemen beperkt tot een minderheid van de volwassen bevolking. Het was alleen voorbehouden aan een deel van de mannen. Pas in de twintigste eeuw werd dit recht verleend aan de gehele volwassen bevolking, zij het met enkele uitzonderingen. Omdat de bovenstaande zes instituties een nieuw soort democratie vormen, dat voor de twintigste eeuw niet bestond, heeft Dahl ze de naam polyarchie gegeven. De term is afgeleid van de Griekse woorden voor ‘velen’ en ‘regeren’, de regering van velen dus. Dit onderscheidt zich van de regering door één (monarchie)  en de regering door enkelen (oligarchie en aristocratie). Met de term polyarchie refereert Dahl aan een representatieve democratie met universeel kiesrecht.

Let wel, de hierboven genoemde instituties zijn nodig voor een democratisch land. Niet alle instituties die nodig zijn voor een democratisch land, zijn ook nodig voor een (veel) kleinere organisatie.

Waarom deze zes politieke instituties?

Deze zes politieke instituties zijn nodig omdat op deze manier wordt voldaan aan de vijf criteria voor democratische besluitvorming. Zo zijn verkozen bestuurders nodig om te voldoen aan de voorwaarden van effectieve deelname en controle over de agenda. Dat lijkt logisch, maar tot aan de achttiende eeuw heerste de opvatting dat er alleen sprake was van democratie als ieder groepslid mocht deelnemen in vergaderingen over wetten en beleid. Toen staten steeds groter werden bleek dat dit niet praktisch haalbaar was en dat de enige werkbare oplossing zou zijn dat het volk vertegenwoordigers zou kiezen die deze taken op zich namen. Hoewel deze oplossing verre van perfect was, hielden burgers op die manier invloed op de agenda en op het overheidsbeleid.

Dat vrije en eerlijke verkiezingen een middel zijn om te voldoen aan het criterium dat alle burgers een gelijke stem moeten hebben in het besluitvormingsproces, spreekt voor zich. Daarbij moeten verkiezingen frequent gehouden worden, om ervoor te zorgen dat burgers controle houden over de agenda.

Vrijheid van meningsuiting is nodig om te voldoen aan de voorwaarde van effectieve deelname. Burgers moeten immers hun ideeën kenbaar kunnen maken en anderen hiervan kunnen overtuigen om effectief deel te kunnen nemen aan het politieke spel. Vrijheid van meningsuiting betekent niet alleen dat je eigen mening mag uiten, maar ook dat je het recht hebt de mening van anderen te horen. Hierdoor kunnen burgers mogelijke overheidsbeslissingen beter begrijpen en wordt dus ook aan het derde criterium voldaan. Daarnaast draagt vrijheid van meningsuiting bij aan de controle over de agenda van burgers.

Vrijheid van informatie is een vereiste om het criterium dat burgers een gedegen begrip van mogelijke overheidsbeslissingen moeten kunnen hebben. Ook is het nodig om te zorgen voor effectieve deelname en controle over de agenda.

Vrijheid van verenigingen vergadering zorgt ervoor dat mensen politieke partijen mogen oprichten. Dit is een voordeel wanneer er verkiezingen gehouden worden en zorgt ervoor dat burgers hun recht op effectieve deelname kunnen benutten. Daarnaast kunnen onafhankelijke organisaties ook een bron zijn van informatie, waardoor burgers tot een beter begrip van mogelijke overheidsbeslissingen kunnen komen.       

De vraag waarom inclusief burgerschap nodig is, is in de voorgaande twee hoofdstukken uitvoerig behandeld.

Zijn er verschillende varianten van democratie?

Bestaan er verschillende soorten democratie? En zo ja, welke dan? Vele autoritaire leiders hebben hun regime democratisch genoemd en beweerd dat hun systeem een speciaal soort democratie was dat beter was dan alle andere. Maar volgens Dahl zijn landen pas democratisch als ze beschikken over alle zes in het voorgaande hoofdstuk beschreven politieke instituties. Maar het is niet altijd nodig om over al deze instituties te beschikken om een organisatie democratisch te mogen noemen. Democratische organisaties op een kleinere schaal dan een staat, kunnen perfect democratisch zijn, terwijl één of meerdere van de zes politieke instituties ontbreekt.

Directe democratie tegenover representatieve democratie

Als verkozen vertegenwoordigers en inclusief burgerschap nodig zijn voor een democratie, dan voldeden de oude Grieken, die de term democratie nota bene uitvonden, niet aan de voorwaarden. In hun systeem was er geen sprake van vertegenwoordigers, maar konden de gekwalificeerde burgers zelf stemmen over de wetgeving en de uitvoering daarvan. Ook na de Grieken genoot deze directe vorm van democratie lange tijd de voorkeur van de voorvechters van democratie. In kleine politieke systemen zoals steden, geeft directe democratie burgers meer mogelijkheid om zichzelf te besturen dan een representatief systeem op een grotere schaal doet. Ze hoeven dan geen macht af te staan aan volksvertegenwoordigers die wellicht naast het belang van hun kiezers ook aan hun eigen belangen denken.

Maar waarom maakte de directe democratie rond de negentiende eeuw dan plaats voor een representatief systeem? Omdat democratische hervormers de gebieden die ze wilden democratiseren te groot vonden voor een directe democratie. Zowel het grote aantal inwoners als de onderlinge afstand zou tot problemen leiden als er vergaderd zou worden en zou het land onbestuurbaar maken. Als het aantal burgers toeneemt, nemen de mogelijkheden om aan de besluitvorming deel te nemen drastisch af. Het aantal mensen dat tijdens een vergadering het woord kan voeren is immers beperkt, waarschijnlijk minder dan honderd. Deze sprekers treden feitelijk als vertegenwoordigers op van de anderen, behalve bij de stemming. Zodoende is er zelfs in een directe democratie een zekere vorm van vertegenwoordiging, terwijl er geen zekerheid is dat de sprekers de overige burgers daadwerkelijk vertegenwoordigen. Daarom kunnen burgers er redelijkerwijs de voorkeur aan geven om hun vertegenwoordigers te kiezen in vrije en eerlijke verkiezingen.

Maar ook een representatief systeem heeft zijn tekortkomingen. Want hoe representatief is zo’n systeem eigenlijk? Naarmate het aantal kiezers groter wordt, verkleint de kans dat de volksvertegenwoordiger al zijn kiezers volledig kan vertegenwoordigen. Hij kan onmogelijk met al zijn kiezers een kort persoonlijk gesprek voeren. Beide vormen van democratie lopen dus tegen democratische beperkingen aan wanneer het aantal burgers groter wordt. De wet van tijd en aantallen luidt daarom: hoe groter het aantal burgers in een democratisch systeem, hoe minder die burgers direct aan het bestuurlijke besluitvormingsproces deel kunnen nemen en hoe meer invloed ze moeten overdragen aan anderen. Zo ontstaat een dilemma tussen de invloed van burgers en de effectiviteit van het bestuur. Hoe kleiner het democratisch systeem hoe groter de invloed van burgers en hoe minder invloed burgers over hoeven te dragen aan anderen. Maar ook: hoe groter het politieke systeem, hoe groter de capaciteit om de problemen van zijn burgers op te lossen en hoe meer invloed burgers over moeten dragen aan anderen.

Al in de tijd van de Grieken bleken de kleine stadstaten niet in staat zich te verdedigen tegen vijandige grotere staten. Ook meer recent hebben kleine zelfbesturende groepen aangetoond capaciteit tekort te komen op gebieden als economische zaken, infrastructuur, communicatie etc. Een grote staat met een representatieve democratie komt deze problemen minder snel tegen, maar kent wel een andere grote beperking: de inwoners dragen enorme discretionaire bevoegdheden over aangaande buitengewoon belangrijke beslissingen. Niet alleen aan de door hun verkozen volksvertegenwoordiger, maar ook aan bestuurders, ambtenaren, rechters en zelfs internationale organisaties. Dit zorgt voor een systeem van onderhandelingen tussen politieke en bureaucratische elites met grote discretionaire vrijheid, die bij periodieke verkiezingen verantwoording af moeten leggen aan de kiezer.

Kunnen internationale organisaties democratisch zijn?

De gevolgen van internationalisering en globalisering worden steeds meer voelbaar. Overheden van onafhankelijke landen hebben veel van hun macht overgedragen aan internationale organisaties. Wat betekent dit voor de democratie? Worden nationale overheden binnenkort een soort lokale overheden, ondergeschikt aan democratische internationale overheden? Dahl is pessimistisch over het democratische karakter van internationale organisaties. Volgens hem wordt het voor de burgers erg moeilijk om effectieve controle uit te oefenen over belangrijke beslissingen binnen internationale organisaties. Er zouden daarvoor politieke instituties gecreëerd moeten worden die burgers een ongeveer even grote mogelijkheid geven om invloed en controle uit te oefenen als ze nu in democratische landen hebben. Burgers moeten dan begaan zijn met internationale politiek, erover geïnformeerd worden en deel kunnen nemen aan publiek debat. Regelmatig moeten er verkiezingen gehouden worden, zodat de burgers politieke machtshebbers kunnen controleren. Een probleem dat daarbij optreedt, is dat geen enkel representatief systeem ieders stem dezelfde waarde kan toekennen, zonder dat kleine landen structureel door grotere landen overstemd worden. Bovendien kennen politieke beslissingen altijd verliezers en zijn volgens Dahl een politieke cultuur en een gemeenschappelijke identiteit nodig om de verliezers de beslissingen te laten accepteren. Dahl acht het zeer onwaarschijnlijk dat internationale organisaties aan al deze voorwaarden kunnen voldoen. Politieke beslissingen zullen vooral door politieke en bureaucratische elites genomen worden.

Hoewel democratie waarschijnlijk niet mogelijk is op internationaal niveau, benadrukt Dahl wel het belang van democratie op regionaal en/of lokaal niveau. Elk land, hoe klein ook, heeft volgens hem lagere overheden nodig, evenals een breed scala aan onafhankelijke organisaties. Een pluralistische samenleving dus.

Verschillende constituties

Er bestaan vele verschillen tussen constituties. Met constituties bedoelt Dahl niet alleen grondwetten, maar staatsinrichtingen als geheel.

Geschreven of ongeschreven grondwet

In bepaalde landen, zoals het Verenigd Koninkrijk, worden diepgewortelde instituties en gebruiken wel als deel van de constitutie gezien, terwijl er geen geschreven grondwet is. Geschreven grondwetten zijn echter wel de norm geworden.

 

Grondrechten

In de vrijwel alle landen zijn tegenwoordig grondrechten in de grondwet opgenomen, maar ook hier is het Verenigd Koninkrijk de uitzondering.

 

Sociale en economische rechten

In de grondwetten van oudere democratieën staat meestal weinig over sociale en economische rechten, maar in die van na WO2 meestal wel.

 

Federale of unitaire staat

In een federale staat hebben lagere overheden zoals staten, provincies en regio’s een grote mate van autoriteit, terwijl hun bestaan en bevoegdheden in een unitaire staat (ofwel eenheidsstaat) sterk afhangen van beslissingen van de nationale overheid.

 

Eén- of tweekamerstelsel

In de meeste landen bestaat de wetgevende macht uit twee kamers, maar in Israël en in de Scandinavische landen maar uit één kamer.

 

Toetsing aan de grondwet

Mag een wet door een hoger gerechtshof ongrondwettig verklaard worden? In federale staten is dit gebruikelijk, maar in ongeveer de helft van de eenheidsstaten, waaronder Nederland, mag dit niet.

 

Een levenslange aanstelling van rechters of een tijdelijke

Een levenslange benoeming van rechters bevordert de onafhankelijkheid van rechters tegenover politieke druk, maar kan als nadeel hebben dat de oordelen van rechters niet meer bij de tijdgeest passen.

 

Referenda

Zijn referenda mogelijk, en bij grondwetswijziging misschien zelfs verplicht?

 

Presidentieel of parlementair

In een presidentieel systeem wordt de president onafhankelijk van het parlement gekozen en heeft grondwettelijk veel macht. In parlementaire systemen kiest het parlement de president en kan het hem ook wegsturen.

 

Kiesstelsel

Hoe worden de zetels in het nationale parlement na de verkiezingen verdeeld?

Geen enkele constitutie kan volgens Dahl de democratie in stand houden in een land waar de condities daarvoor ongunstig zijn. In een land waarin de voorwaarden wel gunstig zijn, kunnen vele verschillende vormen van constituties democratie behouden. In landen waar de condities er tussenin zitten, kan een goed ontworpen constitutie behulpzaam zijn. Een slecht ontworpen constitutie kan de democratie juist tegenwerken.

Variaties in kiesstelsels

Het politieke landschap in een land word grotendeels bepaald door zijn politieke partijen en zijn kiesstelsel. Daarin zijn grote verschillen zichtbaar tussen landen.

De verschillen in kiesstelsels

Er zijn oneindig veel verschillende kiesstelsels. De reden daarvoor is dat geen van de varianten kan voldoen aan alle criteria waarop ze beoordeeld kunnen worden. Om het overzicht te bewaren behandelt Dahl eerst de twee bekendste systemen. Bij het systeem van evenredige vertegenwoordiging staat het behaalde percentage van de stemmen vrijwel gelijk aan het aantal gewonnen zetels. Bij een first-past-the-post (FPTP) systeem, zo genoemd vanwege de gelijkenis met een paardenrace, krijgt de winnaar van de verkiezingen een groter aantal, of zelfs alle zetels. In het VK wordt bijvoorbeeld uit elk district één kandidaat gekozen en degene met de meeste stemmen wint die zetel. Voor de verliezers blijft er dus niets over. De kritiek op het FPTP-systeem luidt vaak dat het geen eerlijke afspiegeling geeft van de stemmen. Zo verkreeg de Labor Party in 1997 64 procent van de zetels, terwijl het maar 44 procent van de stemmen had gekregen. Het had in veel districten nou eenmaal meer stemmen gekregen dan de concurrentie. Zo’n groot verschil tussen het percentage zetels en stemmen treedt gelukkig niet altijd op, omdat de aanhang van de verschillende partijen niet gelijk over het land verdeeld is. Zou dat wel zo zijn, dan had de Labor Party elk district gewonnen.

Als de regionale verschillen binnen een land afnemen, zoals in de VK in 1997, dan veroorzaakt het FPTP-systeem dus een grotere vertekening. In dat geval zou een keuze voor evenredige vertegenwoordiging logischer lijken. Naast historische gronden, hebben voorstanders van een FPTP-systeem echter een paar argumenten om het systeem te behouden. Doordat het systeem de derde partij benadeeld, zorgt het voor een tweepartijenstelsel, terwijl een EV-systeem vaak een breed scala aan politieke partijen oplevert. Een tweepartijenstelsel is overzichtelijker voor de kiezer, maar verkleint aan de andere kant de keuzevrijheid drastisch. Een tweede argument is dat het effectief bestuur ten goede komt. Omdat het de meerderheid van de winnende partij vergroot, wordt het voor de andere partijen moeilijker om een coalitie te smeden die de winnende partij van regeren af kan houden. De winnende partij kan daardoor slagvaardiger optreden.

Enkele basisopties voor een democratische constitutie

Het is duidelijk dat erbij het vormen van een constitutie nogal wat keuzes gemaakt moeten worden en dat er vele variaties mogelijk zijn. Omwille van de overzichtelijkheid bespreekt Dahl vijf mogelijke combinaties van kiesstelsels en wetgevende macht.

-         De continentale Europese combinatie: een parlementair systeem met evenredige vertegenwoordiging.

-         De Britse (of Westminster) combinatie: een parlementair stelsel met FPTP-verkiezingen.

-         De Amerikaanse combinatie: een presidentiele overheid met FPTP-verkiezingen.

-         De Latijns-Amerikaanse combinatie: een presidentiele overheid met evenredige vertegenwoordiging

-         De gemengde combinatie: een gemengde vorm, afwijkend van de pure types   

De gemengde vorm vind men onder andere in Frankrijk, Zwitserland en Duitsland. Deze landen hebben een poging gedaan de nadelen van de pure types te beperken en de voordelen te behouden. Het Franse systeem kent een gekozen president met aanzienlijke macht en een minister-president die afhankelijk is van het parlement. Daarnaast hebben de Fransen een aanpassing gedaan aan het FPTP-systeem. In Duitsland wordt de helft van de leden van de Bundestag verkozen op basis van evenredige vertegenwoordiging en de andere helft op basis van FPTP. In Zwitserland heeft men gekozen voor een systeem waarin elk van de zeven kantons één zetel heeft in de Bondsraad, de regering van het land.

Gedurende twee eeuwen hebben de Amerikanen een politieke cultuur ontwikkeld waarin hun presidentieel systeem met FPTP-verkiezingen, federalisme en sterke toetsing aan de grondwet naar tevredenheid werkt, maar dat systeem is gecompliceerd en zou waarschijnlijk niet zo goed werken in andere landen. De Latijns-Amerikaanse combinatie heeft er volgens sommige onderzoekers toe bijgedragen dat in veel Centraal- en Zuid-Amerikaanse landen de democratie teloor is gegaan.

Gunstige voorwaarden

In de vorige eeuw is het meer dan zeventig keer voorgekomen dat de democratie in een land ten onder ging en plaatsmaakte voor een autoritair regime. Tegelijkertijd was het een tijd van ongekend democratisch succes. Hoe kunnen het mislukken en het slagen van democratie verklaard worden?

Het falen van de alternatieven

In de loop van de vorige eeuw verloren de belangrijkste alternatieven van democratie de concurrentieslag. Al in het eerste kwart hadden de tot dan toe heersende ondemocratische staatsvormen – monarchie, erfelijke aristocratie en olichargie – hun legitimiteit verloren en maakten plaats voor het fascisme, Nazisme en Leninisme. Na WO2 verdwenen het Nazisme en het fascisme van het toneel en het Leninisme na 1989 ook. Later die eeuw kwamen in Latijns-Amerika militaire dictaturen ten val.

Toch was de overwinning van de democratie nog niet veiliggesteld. Wereldmacht China was nog niet gedemocratiseerd en ook in Afrika, Zuidoost-Azië, het Midden Oosten en in de sommige voormalige Sovjetstaten bleven ondemocratische regimes aan de macht. De condities voor democratie waren in deze landen ook niet gunstig, evenals in sommige andere landen die al wel de transitie naar een democratie gemaakt hadden. Of de democratie daar stand zou houden was dus twijfelachtig. Wat zijn deze onderliggende condities die bepalen of democratie kans van slagen heeft of niet? Gebaseerd op een grote hoeveelheid ervaringen uit de twintigste eeuw komt Dahl tot een lijst van vijf essentiële condities die de kansen van democratie sterk beïnvloeden.

Afwezigheid van buitenlandse interventie.

De kans is klein dat democratische instituties uit de verf kunnen komen in een land waarin een ondemocratisch land ingrijpt. Dit verklaart in sommige gevallen waarom democratische instituties zich niet ontwikkelden, terwijl verder alle voorwaarden aanwezig waren. Tsjechië zou naar alle waarschijnlijkheid al veel eerder democratisch geworden zijn als de Sovjet-Unie niet had ingegrepen.

Controle over het leger en de politie

Het is niet waarschijnlijk dat democratische instituties tot wasdom komen in een land waarin de controle over het leger en de politie niet in handen is van democratisch verkozen bestuurders. De grootste interne bedreiging van democratie wordt gevormd door ondemocratische leiders met zeggenschap over de belangrijkste vormen van fysieke dwang. De leden van de politie en het leger, met name de leiding, moeten zich dus voegen naar de orders van de gekozen politici. Deze gehoorzaamheid moet zo diepgeworteld zijn dat hij niet zomaar verdwijnt.

Afwezigheid van culturele conflicten

Dat democratische instituties zich ontwikkelen is waarschijnlijker in een land dat cultureel gezien betrekkelijk homogeen is, dan in een land waarin grote culturele verschillen en conflicten bestaan. Verschillende culturen kennen vaak een eigen taal, religie, ras, etniciteit, regio en/of ideologie. De leden delen een gemeenschappelijke identiteit waarmee ze zich onderscheiden van andere culturen. De culturele verschillen werken vaak door in de politieke arena en vormen een probleem voor de democratie, omdat de politieke verlangens van bepaalde culturen vaak stammen uit diepgewortelde principes en (religieuze) overtuigingen. Ze zijn daardoor vaak niet bereid tot onderhandeling en compromis, terwijl een vreedzaam democratisch proces dat over het algemeen wel nodig heeft.

Niet altijd leiden culturele verschillen tot democratische problemen. De VS, Zwitserland, België, Canada en Nederland zijn voorbeelden van landen waarin de democratie desondanks toch functioneert. In landen waarin alle andere voorwaarden voor democratie aanwezig zijn, hoeven culturele verschillen dus geen probleem te zijn voor de democratie. Op verschillende manieren hebben landen culturele verschillen overwonnen. Assimilatie, waarbij leden van een culturele groep opgaan in de gevestigde cultuur, was de Amerikaanse oplossing. Dat werkte vooral wanneer mensen zich vrijwillig aanpasten en bijvoorbeeld niet in het geval van de native Americans en de African Americans. In België, Nederland en Zwitserland werden culturele verschillen overwonnen door een politiek consensusmodel te ontwikkelen, waarbij unanimiteit of een brede consensus nodig waren voor politieke besluiten in het parlement. Elke subcultuur moest er mee instemmen. Dit vergt een goede onderlinge verstandhouding tussen politieke elites.

Wanneer culturele verschillen niet op bovenstaande manieren overwonnen kunnen worden kan gekozen worden voor een scheiding in verschillende politieke eenheden (staten, provincies of kantons)  waarin elke subcultuur genoeg autonomie heeft om de eigen identiteit te behouden. Daarvoor zijn wel twee voorwaarden nodig. Ten eerste moeten de subculturen territoriaal al van elkaar gescheiden zijn en ten tweede moet er een zekere gemeenschappelijke nationale identiteit aanwezig zijn. Als het tweede niet aanwezig is, dan ligt een roep om volledige onafhankelijkheid voor de hand.

Dahl benadrukt dat  democratische problemen veroorzaakt door multiculturalisme alleen opgelost kunnen worden bij aanwezigheid van speciale condities, die zeer zeldzaam zijn. Omdat de meeste oude democratieën betrekkelijk homogeen zijn, zijn zij grotendeels bespaard gebleven van ernstige culturele conflicten. In de toekomst zal dit volgens Dahl waarschijnlijk veranderen.

Een democratische cultuur

Vroeg of laat worden vrijwel alle landen geconfronteerd met crises – politiek, ideologische, economische, militaire of internationale. Deze crises worden regelmatig aangegrepen door autoritaire leiders, die beloven de crisis na een machtsovername met dictatoriale middelen te verhelpen. Een land maakt meer kans om een crisis democratisch te weerstaan als democratische ideeën en waarden breed gedragen worden door burgers en leiders. Het meest stabiel zijn landen waarin deze ideeën en waarden generaties lang aanwezig zijn en waar zodoende een democratische politieke cultuur heerst. Het is onwaarschijnlijk dat democratie standhoudt in een land waarin het merendeel van de bevolking niet in democratische waarden gelooft.

Een markteconomie

De ontwikkeling van democratische overtuigingen en een democratische cultuur is historisch sterk geassocieerd met wat men een markteconomie noemt. Meer specifiek zorgt een markteconomie waarin economische ondernemingen vooral privaat bezit zijn en niet dat van de staat voor de meest gunstige condities voor democratische instituties. Een kapitalistische economie dus, en geen socialistische of staatseconomie.

In een land dat over al deze vijf voorwaarden voldoet, zullen democratische instituties vrijwel zeker tot wasdom komen. Zijn ze alle vijf afwezig, dan is dit extreem onwaarschijnlijk. In een land waarin één of enkele voorwaarden ontbreken is de kans op democratie onzeker, maar niet per definitie nihil. In India houd democratie bijvoorbeeld stand, ondanks een grote verscheidenheid in culturen.

De wijde verspreiding van democratie gedurende de vorige eeuw is te verklaren doordat de voor democratie gunstige condities in steeds meer landen optraden. Ten eerste nam het gevaar van interventie door een ander land nam af met het verdwijnen van koloniale rijken en totalitaire regimes en met het ontstaan van een internationale gemeenschap die democratie ondersteunde. Ten tweede militaire leiders steeds meer in dat militaire dictaturen meestal niet aan de verwachtingen van moderne samenlevingen konden voldoen. Ten derde waren veel gedemocratiseerde landen voldoende homogeen om ernstige culturele conflicten te vermijden. Ten vierde zorgde het falen van autoritaire regimes ervoor dat democratische overtuigingen zich steeds verder verspreiden. En ten vijfde zorgde de verspreiding van het marktkapitalisme niet alleen voor economische groei en welzijn, maar ook voor een grote en invloedrijke middenklasse met democratische opvattingen.

Waarom marktkapitalisme gunstig is voor democratie

Dahl vergelijkt de relatie tussen het marktkapitalisme en democratie als een huwelijk tussen twee mensen die flink met elkaar kunnen botsen, maar toch niet zonder elkaar kunnen. Volgens hem kunnen er vijf conclusies getrokken worden over die relatie, gebaseerd op ervaringen met politieke en economische systemen. Twee daarvan komen aan bod in dit hoofdstuk, de overige drie in het volgende.

1. Polyarchische democratie heeft alleen standgehouden in landen met een overwegend marktkapitalistische economie en nooit in een land met een ander soort economie.

2. Dit is zo, omdat marktkapitalisme bepaalde eigenschappen heeft die gunstig zijn voor democratie en andersoortige economieën eigenschappen hebben die ongunstig zijn voor democratie.

Op lange termijn zorgen markteconomieën doorgaans voor economische groei en dat is gunstig voor democratie. Door acute armoede tegen te gaan en levenstandaarden te verhogen, verkleint de kans op sociale en politieke conflicten. Daarnaast maakt een overschot aan middelen het geven van onderwijs gemakkelijker en dat zorgt voor een geletterde en ontwikkelde bevolking. Marktkapitalisme zorgt zo voor een grote middenklasse in de samenleving en streeft doorgaans naar onderwijs, autonomie, persoonlijke vrijheid, eigendom, een functionerend rechtssysteem en inspraak in overheidsbeleid. De middenklasse is zo de natuurlijke bondgenoot van democratische ideeën en instituties. Bovendien maakt marktkapitalisme het bestaan van een machtige of zelfs autoritaire staat overbodig.

Zo’n machtige staat is wel nodig in economieën die geheel door de overheid geleid worden. Dit vergt een enorme coördinatie en een veelomvattend centraal plan. Behalve onder erg zeldzame omstandigheden is geen enkele overheid erin geslaagd deze taak uit te voeren. Het zijn echter niet de inefficiënties van staatgeleide economieën die voor de grootste problemen zorgen, maar het feit dat alle middelen van het land ter beschikking komen van overheidsleiders. De geschiedenis bewijst dat zij zelden de verleiding kunnen weerstaan deze middelen te gebruiken om de eigen macht te vergroten en behouden.

Waarom marktkapitalisme democratie schaadt

Marktkapitalisme kent ook eigenschappen die democratie ongunstig gezind zijn. Daarop hebben de volgende drie conclusies van Dahl betrekking.

3. Democratie en marktkapitalisme zijn voortdurend met elkaar in conflict, waarbij de ze elkaar veranderen en beperken.

Marktkapitalisme bleek onmogelijk zonder regels en overheidsingrijpen. Ten eerste omdat de basisinstituties van marktkapitalisme op zich al uitgebreide overheidsinterventie verlangen: voor competitieve markten, het beschermen van eigendomsrechten, het naleven van contracten, het voorkomen van monopolies enz. zijn regels, wetten en beleid van de overheid nodig. Ten tweede worden in een markteconomie zonder overheidsingrijpen bepaalde mensen geschaad en die mensen zullen via democratische instituties vragen om overheidsingrijpen. In alle democratische landen heeft de schade die de ongereguleerde markt toebracht aan bepaalde burgers ervoor gezorgd dat overheden hebben ingegrepen. De aanwezigheid van democratische instituties heeft de werking van de markteconomie dus sterk beïnvloed. Andersom is dat ook het geval. De aanwezigheid van een markteconomie beïnvloed de democratie in sterke mate.         

 4. Marktkapitalisme zorgt onvermijdelijk voor ongelijkheid tussen mensen en dat schaadt de democratie omdat het voor ongelijkheid in politieke mogelijkheden zorgt.

Hoewel niet de enige, is marktkapitalisme een belangrijke oorzaak voor het ontstaan van een ongelijke verdeling in belangrijke middelen als vermogen, inkomen, status, informatie, organisatie, onderwijs en kennis. Daarom hebben sommige burgers veel meer invloed dan anderen op het overheidsbeleid, -beslissingen en –acties. Daardoor zijn burgers niet politiek gelijk en dat schaadt het morele fundament van democratie: dat politieke gelijkheid van burgers.

5. Marktkapitalisme is gunstig voor de ontwikkeling van een polyarchische democratie, maar vanwege de nadelige gevolgen voor politieke gelijkheid is het ongunstig voor de ontwikkeling van een democratie die verder gaat dan dat.

De toekomst van de democratie

De twintigste eeuw was een ongeëvenaarde triomf voor de democratie. Zal de 21e eeuw de democratie ook zo gunstig gezind zijn? De toekomst is te onzeker om op dit soort vragen resoluut antwoord te kunnen geven, maar Dahl meent met bepaalde zekerheid te kunnen voorspellen dat de problemen waarmee democratische landen nu al geconfronteerd worden, zullen blijven bestaan en mogelijk zelfs zullen verergeren. Hij noemt vier uitdagingen waarmee democratische landen te maken gaan krijgen.

De economische orde

Het is onwaarschijnlijk dat marktkapitalisme zal worden vervangen in de oudere democratische landen. De in de voorgaande twee hoofdstukken beschreven uitdagingen die daarbij gepaard gaan, zullen dus blijven bestaan. Er is geen aantoonbaar superieur alternatief voor de markteconomie in zicht. Weinigen geloven dat een staatgeleide economie gunstiger zou kunnen zijn voor democratie en politieke gelijkheid en tegelijkertijd efficiënt genoeg in het produceren van goederen en diensten. De spanningen tussen democratische doelen en een markteconomie zullen dus vrijwel zeker voortduren. De uitdaging blijft om te zoeken naar manieren waarop de voordelen van een markteconomie behouden blijven en tegelijkertijd de bedreigingen voor de politieke gelijkheid kunnen worden verminderd. De aard en kwaliteit van de democratie hangt af van de oplossing die de burgers en leiders van democratische landen voor deze uitdaging vinden.

Internationalisering

Dat door internationalisering de discretie van politieke en bureaucratische elites zal toenemen ten koste van de democratische controle is al aan bod gekomen in hoofdstuk 9. Het is een uitdaging om internationale besluitvorming te democratiseren en om de middelen om politieke en bureaucratische elites verantwoordelijk te kunnen houden voor hun beslissingen, te versterken.

Culturele diversiteit

In de laatste decennia van de vorige eeuw hebben twee ontwikkelingen bijgedragen aan de groei in culturele diversiteit. Ten eerste hebben mensen met een gelijke culturele achtergrond zich verenigd in bewegingen om hun belangen en rechten te kunnen verdedigen. Ten tweede is de culturele diversiteit in de oudere democratieën sterk toegenomen door immigratie. Dahl verwacht dat deze ontwikkelingen zullen doorzetten en een uitdaging zullen vormen voor de democratie.

Kennis

Een van de basiscriteria voor het functioneren van de democratie is dat burgers een redelijke mate van begrip hebben van het onderwerp. In de oudere democratieën kan men op verschillende manieren tot die kennis komen, zoals via onderwijs, media en informatie van politieke partijen en belangengroepen. Dahl vreest dat dit in de toekomst niet genoeg zal zijn. De complexiteit van overheidszaken is zo groot geworden dat het voor de meeste mensen moeilijk te volgen is. Het is een uitdaging voor democratische landen om het begrip van hun burgers over politieke zaken te vergroten en ze zo beter voorbereid aan het politieke spel te laten deelnemen.

Kunnen democratische landen deze uitdagingen aan? Als ze falen zal het gat tussen democratische idealen en de democratische praktijk alleen maar groter worden, en zal een eeuw van democratische triomf gevolgd worden door een eeuw van verslechtering en achteruitgang. Maar als ze slagen, zullen ze zich ontwikkelen tot volledig ontwikkelde democratieën en een voorbeeld zijn voor al diegenen die in de democratie geloven.

Jezelf overhoren met Stampvragen (en antwoorden)

Stampvragen H1

1. Wat is hoofdzakelijk de reden waarom democratische ideeën zich in de 20e eeuw konden verspreiden?

2. Er zijn nog steeds genoeg uitdagen voor de democratie. Vul op de lege plekken de juiste woorden in, kies hiervoor uit de volgende drie mogelijkheden: Verdiepen, consolideren en transitie.

  • Voor ondemocratische landen is het de uitdaging om de …..… .te maken naar democratie.

  • Voor pas gedemocratiseerde landen is de uitdaging om de democratie te……….

  • Voor oudere democratieën is het de uitdaging om de democratie te ….......

Antwoorden

1. De belangrijkste alternatieven voor de democratie verdwenen of trokken zich in de loop van de twintigste eeuw terug.

2. De juiste volgorde is: 1. transitie, 2. consolideren, 3.verdiepen.

 

Stampvragen H2

Geef aan of de volgende stellen juist of onjuist zijn:

I: Dahl gelooft niet dat er binnen een groep mensen die de logic of equality hanteert een natuurlijke drang naar een democratisch stelsel bestaat.

II: Er bestond al een primitieve vorm van democratie duizenden jaren geleden binnen jagers en verzamelaars samenlevingen.

III: De democratie is na deze primitiever vorm nooit meer verdwenen, en werd alleen maar sterker toen men zich op één plek ging vestigen.

  1. Zowel bij de Grieken, de Romeinen en in het Italië rond 1100 miste hun democratieën drie basale politieke instituties, welke waren dit?

  1. Welke twee kennisvelden helpen bij de verspreiding van democratische ideeën en instituties?

 

Antwoorden

  1. Stelling I: onjuist.

Stelling II: juist.

Stelling III: onjuist

 

  1. De drie politieke instituties die misten waren: een 1) nationaal parlement bestaande uit 2) verkozen vertegenwoordigers en door het volk verkozen 3) lokale overheden.

 

  1. Een goed begrip over wat democratie inhoudt en weten hoe de juiste voorwaarden voor een democratie geschept moeten worden

 

Stampvragen H3
 

  1. Als de vraag ‘wat is democratie?’ gesteld wordt, waar houdt men zich dan mee bezig?

  2. Geef aan of de volgende stelling juist of onjuist zijn:

I: Als de vraag ‘waarom democratie?’ gesteld wordt, dan houdt men zich bezig met idealistische waarden, overtuigingen omtrent causale verbanden, beperkingen en mogelijkheden in de praktijk. Deze laatste opsomming worden ook wel empirische oordelen genoemd.

II: Als men zich vervolgens bezighoudt met de vraag welke politieke instituties nodig zijn voor een democratie, dan baseert men zich op minder bewijzen en empirische oordelen.

Antwoorden

  1. Met waarden, met wat men goed, rechtvaardig of een wenselijk doel vindt.

  2. Stelling I: Juist

Stelling II: Onjuist

Stampvragen H4

  1. Volgens Dahl bestaat er één elementair principe waaraan democratische systemen moeten voldoen, noem het principe waar Dahl het over heeft.

  2. Noem de vijf criteria waaraan een gemeenschap moet voldoen om zijn leden een gelijke politieke behandeling te geven.

  3. Is deze stelling juist of onjuist: Dahl claimt dat deze vijf criteria goed toepasbaar zijn op staten, maar dat geen enkele staat er in is geslaagd om aan alle criteria te voldoen. Hij denkt dat het waarschijnlijk en realistisch is om te stellen dat dit ooit in de toekomst wel zal gebeuren.

 

  1. Leg uit waarom de vijf criteria relevant zijn in de huidige tijd.

 

Antwoorden

  1. Dat alle groepsleden behandeld worden alsof ze gelijk gekwalificeerd zijn om deel te nemen aan het besluitvormingsproces.

  2. De vijf criterea zijn:

    • Effectieve deelname

    • Een gelijke stem

    • Redelijke mate van begrip over het onderwerp

    • Controle over de agenda

    • Universeel recht op deelname aan het besluitvormingsproces.

 

  1. Onjuist.

 

  1. Ten eerste omdat ze een maatstaf kunnen zijn voor landen die democratisch claimen te zijn en ten tweede omdat ze richting kunnen geven aan staten bij het creëren van concrete besluiten, grondwetten en politieke instituties.

 

Stampvragen H5

  1. Dahl noemt in dit hoofdstuk tien redenen waarom het een goed idee is om naar een democratie te streven, welke zijn dit? Noem er ten minste vijf.

  2. Leg uit wat Dahl verstaat onder morele verantwoordelijkheid en klopt het dat een democratie volledige morele verantwoordelijkheid garandeert?

  3. Er wordt gesteld dat democratie de menselijke ontwikkeling maximaal bevordert. Dahl zegt vervolgens dat dit een gewaagde stelling is en beargumenteert waarom hij vindt dat hij dit kan stellen. Noem zijn argument.

 

Antwoorden

  1. De antwoorden op vraag 1 zijn:

  • Het voorkomt tirannie.

  • Een democratisch systeem verschaft zijn burgers essentiële rechten. Rechten vormen het fundament van een democratische regering.

  • Het garandeert de bevolking meer persoonlijke vrijheid.

  • Democratie helpt mensen hun eigen fundamentele belangen te verdedigen.

  • Democratie verschaft maximale morele autonomie.

  • Democratie zorgt voor maximale morele verantwoordelijkheid.

  • Democratie bevordert menselijke ontwikkeling maximaal.

  • Het bevordert politieke gelijkheid.

  • Democratie helpt vrede in stand te houden. Democratische landen hebben wel oorlog gevoerd met ondemocratische landen of zich erin gemengd, maar met elkaar hebben democratische landen nog nooit oorlog gevoerd.

  • Het bevordert welvaart. Uit de afgelopen twee eeuwen is gebleken dat democratieën rijk zijn, en ondemocratische regimes over het algemeen arm.

 

  1. Volgens Dahl is morele verantwoordelijkheid het aannemen van morele principes en het nemen van beslissingen in overeenstemming met die principes. Nee, morele verantwoordelijkheid van de burger is beperkt, maar wel groter dan in elk ander politiek systeem.

 

  1. Dit is een gewaagde stelling maar Dahl beargumenteert dat een democratische regering essentieel is voor de ontwikkeling van kwaliteiten zoals het beschermen van eigen belangen in overweging nemen van andermans belangen, verantwoordelijkheid nemen voor beslissingen en het overleggen met anderen over de juiste beslissing.

Stampvragen H6

  1. Wat is volgens Dahl de natuurlijke toestand van de wereld? Gelijkheid of ongelijkheid?

  2. Dahl is voor intrinsieke gelijkheid. Leg uit wat intrinsieke gelijkheid betekent.

  3. Dahl geeft drie redenen waarom intrinsieke gelijkheid een nobel streven is, noem deze drie redenen.

 

Antwoorden

  1. Dahl stelt dat de natuurlijke toestand van de wereld ongelijkheid is.

  2. Intrinsieke gelijkheid is dat de waarde van elk mens als gelijk beschouwd zou moeten woorden. Geen enkel mens is superieur aan een ander.

  3. De drie redenen zijn:

  • Op basis van ethische en religieuze gronden. De meeste geloven/levensbeschouwingen hebben gelijkheid hoog in het vaandel staan.

  • De zwakte van een alternatief principe.

  • Voorzichtigheid. Als leider van een land is het verleidelijk om te denken dat jou manier van regeren en hoe jij tegen de wereld aankijkt de beste is en dat mensen jou daarom zouden moeten geloven en volgen. Hier moet echter voorzichtig mee omgegaan worden, en een leider doet er goed aan om altijd de belangen van iedereen en niet alleen die van gelijkdenkende te behartigen en iedereen gelijk te behandelen.

Stampvragen H7

  1. Dahl stelt dat de grootste vijand van de democratie de overtuiging is dat het bestuur moet worden overgelaten aan zogenaamde guardians. Wat bedoelt hij hier precies mee?

  2. Waar of niet waar: Dahl vindt dat democratie tegenwoordig per definitie het beste systeem is.

  3. Dahl is het er niet mee eens dat in een bestuur/regering enkel guardians morgen plaatsnemen. Noem drie redenen waarom hij het er niet mee eens is.

 

Antwoorden

  1. Dit is de overtuiging dat het besturen moet worden overgelaten aan experts (guardians, wetenschappelijk opgeleiden) die het algemeen belang nastreven en superieure kennis hebben over wat de beste methoden daartoe zijn.

  1. Niet waar.

  1. De drie redenen zijn:

  • Het delegeren van bepaalde kleinere zaken aan experts staat niet gelijk aan het afstaan van zeggenschap over zeer belangrijke besluiten. Experts hebben vaak meer kennis van bepaalde zaken en advies inwinnen kan raadzaam zijn, maar ze volledige macht geven over de wetten en regels waaraan iedereen moet voldoen is geen goed idee.

  • Ook staan persoonlijke besluiten van individuen niet gelijk aan besluiten over wetten en regels die worden genomen en uitgevoerd door de staat. Besluiten van overheden met guardians kunnen worden gehandhaafd door middel van geweld, dwang of gevangenneming.

  • Daarnaast is wetenschappelijke kennis niet voldoende om een staat te kunnen besturen.

Stampvragen H8

  1. Noem de zes politieke instituties die nodig zijn om een land te besturen.

  2. Deze zes instituties ontstonden niet allemaal tegelijkertijd maar deze ontwikkeling volgt over het algemeen wel een bepaald ontwikkelingspatroon. Leg uit hoe dit ontwikkelingspatroon eruit ziet.

  3. Deze zes instituties samen vormen samen een nieuw soort democratie. Hoe noemt Dahl deze democratie?

Antwoorden

  1. De zes politieke instituties zijn:

  • Verkozen bestuurders.

  • Vrije, Eerlijke en regelmatige verkiezingen.

  • Vrijheid van meningsuiting.

  • Vrijheid van informatie.

  • Vrijheid van vereniging en vergadering.

  • Inclusief burgerschap.

  1. In de meeste gevallen kwam het verkiezen van wetgevende bestuurders eerst, gevolgd door de geleidelijke uitbreiding van de rechten van burgers om hun mening te uiten en om informatie te vergaren en uit te wisselen. Het recht om zich te verenigen in organisaties met duidelijk politieke doeleinden volgde nog wat later. Inclusief burgerschap kwam als laatste en bleef lange tijd afwezig. Pas in de twintigste eeuw werd dit recht verleend aan de gehele volwassen bevolking, zij het met enkele uitzonderingen.

  2. Een polyarchie

 

Stampvragen H9
 

  1. Waar of niet waar: een land mag zich pas een democratie noemen als deze over alle zes de politieke instituties uit het vorige hoofdstuk beschikt?

  2. Geef aan welke stelling over een directe democratie niet juist is. Bij een directe democratie:

A. Hebben burgers die leven in kleine politieke systemen meer mogelijkheid om zichzelf te besturen dan zij zouden hebben in een representatief systeem op een grotere schaal.

B. Hoeven burgers geen macht af te staan aan volksvertegenwoordigers die wellicht naast het belang van hun kiezers ook aan hun eigen belangen denken.

C. Waren het de volksvertegenwoordigers die de belangen van de burgers behartigden. Deze worden democratisch en direct door het volk in eerlijke verkiezingen gekozen.

 

  1. Door welk systeem werd de directe democratie geleidelijk aan vervangen en waarom?

 

Antwoorden

  1. Niet waar, op papier is een land inderdaad pas democratisch als het over alle zes de instituties beschikt maar in de praktijk zeggen leiders van verschillende landen dat zij een democratisch land zijn terwijl niet alle genoemde politieke instituties aanwezig zijn. Deze landen zijn volgens Dahl alsnog democratisch, zij het een andere vorm van democratie. Democratische organisaties op een kleinere schaal dan een staat, kunnen perfect democratisch zijn, terwijl één of meerdere van de zes politieke instituties ontbreekt.

  2. Antwoord C is niet juist.

  3. De directe democratie werd naar verloop van tijd vervangen door een representatieve democratie omdat de omvang van de landen en de bewonersaantallen die gedemocratiseerd werden te groot waren voor een directe democratie.

Stampvragen H10

  1. Juist of onjuist, onder constitutie verstaat Dahl zowel grondwetten als staatsinrichtingen.

 

  1. Dahl noemt tien constituties, welke zijn dit? Noem er ten minste zeven.

 

Antwoorden

  1. Juist.

  2. Geschreven of ongeschreven grondwet

Grondrechten

Sociale en economische rechten

Federale of unitaire staat

Eén- of tweekamerstelsel

Toetsing van de wet aan de grondwet

Een levenslange of tijdelijke aanstelling van rechters

Referenda

Presidentieel en parlementairsysteem.

Kiesstelsel

Stampvragen H11

  1. Op welke manier worden de zetels/stemmen in een First-Past-The-Poll kiesstelsel verdeeld?

  2. Hoe worden de zetels/stemmen verdeeld in een systeem van Evenredige Vertegenwoordiging?

  3. Een systeem van Evenredige Vertegenwoordiging zorgt bijna altijd voor een breed scala aan politieke partijen. Noem zowel een voor als een nadeel als een land zeer veel verschillende politieke partijen heeft.

  4. Wat is het grootste bezwaar van critici ten aanzien van het First-Past-The-Poll systeem?

 

Antwoorden

  1. Hier krijgt de winnaar van de verkiezingen een groter aantal, of zelfs alle zetels.

  2. Bij het systeem van evenredige vertegenwoordiging staat het behaalde percentage van de stemmen vrijwel gelijk aan het aantal gewonnen zetels.

  3. Veel partijen vergroot de keuzevrijheid van de kiezer maar daardoor wordt het wel onoverzichtelijker dan bij het FPTP systeem.

  4. Critici stellen dat het FPTP kiesstelsel geen eerlijke afspiegeling van de stemmen geeft. Als regionale verschillen binnen een land afnemen, veroorzaakt het FPTP-systeem een grotere vertekening.

Stampvragen H12

1. Dahl legt aan de hand van zes redenen uit waarom de democratie ondanks tegenslagen toch geslaagd. Geef aan welke onderstaande redenen niet juist zijn geformuleerd.

  1. Het falen van de alternatieven.

  2. Aanwezigheid van buitenlandse interventie.

  3. Controle over het leger en de politie. Het leger en de politie moeten de leiders en hun beleid gehoorzamen. Deze gehoorzaamheid moet zo diepgeworteld zijn dat deze niet zomaar verdwijnt.

  4. Aanwezigheid van culturele conflicten.

  5. Een democratische cultuur. Een land maakt meer kans om een crisis democratisch te weerstaan als democratische ideeën en waarden breed worden gedragen door burgers en leiders.

  6. Een markteconomie waarin economische ondernemingen vooral in bezit van de staat zijn zorgt voor de meest gunstige condities voor democratische instituties.

 

Antwoorden

1. Reden 2, 4 en 6 zijn onjuist.

 

Stampvragen H13

  1. Dahl trekt in totaal vijf conclusies over waarom het marktkapitalisme zowel gunstig als ongunstig is voor een democratie, noem er twee.

  2. Marktkapitalisme zorgt voor economische groei, wat zijn de positieve uitkomsten van economische groei? Noem er drie.

  3. Waar of niet waar: Marktkapitalisme maakt het bestaan van machtige en autoritaire staten overbodig.

 

Antwoorden

  1. De twee redenen zijn:

  • Een polyarchische democratie heeft alleen standgehouden in landen met een overwegend marktkapitalistische economie,

  • Dit is zo, omdat marktkapitalisme bepaalde eigenschappen heeft die gunstig zijn voor democratie. Andere economieën hebben eigenschappen die ongunstig zijn voor democratie.

  1. Economische groei zorgt voor: hoge levensstandaarden, een lagere kans op culturele conflicten, een overschot aan middelen en dit zorgt er bijvoorbeeld voor dat het geven van onderwijs gemakkelijk wordt. Verder zorgt economische groei voor een grotere middenklasse.

  1. Waar.

Stampvragen H14

  1. Wat zijn de drie redenen waarom marktkapitalisme de democratie schaadt?

  2. Waarom bleek marktkapitalisme onmogelijk houdbaar te zijn zonder regels en overheidsingrijpen? Noem twee redenen.

 

Antwoorden

  1. De drie redenen zijn:

    1. Democratie en marktkapitalisme zijn voortdurend met elkaar in conflict, waarbij deze elkaar veranderen en beperken.

    2. Marktkapitalisme zorgt onvermijdelijk voor ongelijkheid tussen mensen en dat schaadt de democratie omdat het voor ongelijkheid in politieke mogelijkheden zorgt.

    3. Marktkapitalisme is gunstig voor de ontwikkeling van een polyarchische democratie, maar vanwege de nadelige gevolgen voor politieke gelijkheid is het ongunstig voor de ontwikkeling van een democratie die verder gaat dan dat.

 

  1. Ten eerste omdat de basisinstituties van marktkapitalisme op zich al uitgebreide overheidsinterventie verlangen, ten tweede worden in een markteconomie zonder overheidsingrijpen bepaalde mensen geschaad en die mensen zullen via democratische instituties vragen om overheidsingrijpen.

Stampvragen H15

  1. Dahl noemt vier uitdagingen waarmee de democratie in de toekomst te maken zal krijgen, welke vier uitdagingen zijn dit?

  2. Noem twee ontwikkelingen die hebben bijgedragen aan culturele diversiteit.

 

Antwoorden

  1. De vier uitdagingen zijn:

  • De economische orde. De uitdaging blijft om te zoeken naar manieren waarop de voordelen van een markteconomie behouden blijven en tegelijkertijd de bedreigingen voor de politieke gelijkheid kunnen worden verminderd.

  • Internationalisering. Het is een uitdaging om internationale besluitvorming te democratiseren en om de middelen om politieke en bureaucratische elites verantwoordelijk te kunnen houden voor hun beslissingen, te versterken.

  • Culturele diversiteit. Het is een uitdaging om culturele diversiteit in goede banen te leiden.

  • Kennis. De complexiteit van overheidszaken is zo groot geworden dat het voor de meeste mensen moeilijk te volgen is. Het is een uitdaging voor democratische landen om het begrip van hun burgers over politieke zaken te vergroten en ze zo beter voorbereid aan het politieke spel te laten deelnemen
     

  1. De twee ontwikkelingen zijn:

  • Ten eerste hebben mensen met een gelijke culturele achtergrond zich verenigd in bewegingen om hun belangen en rechten te kunnen verdedigen.

  • Ten tweede is de culturele diversiteit in de oudere democratieën sterk toegenomen door immigratie.

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
6