Casusvragen Neurologie

Set van 65 casusvragen voor het thema Neurologie onder andere bruikbaar als voorbereiding op de Universitaire Voortgangs Toetsen


Vraag 1

U werkt als huisarts in Tiel. Een 59 jaar oude dame komt bij U op het spreekuur met een al 18 maanden bestaande uitstralende pijn in de linker arm. De pijn gaat gepaard met paraesthesieën van alle vingers. Bij gebruik van de linker arm namen de klachten toe ("arm claudicatio"). Het was patiënte opgevallen dat ze de laatste tijd korte aanvallen van duizeligheid kreeg bij het ophangen van de was en bij het zemen van de ramen. Mevrouw is altijd gezond geweest, nooit geopereerd en gebruikt geen medicijnen.

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de naam van de klinische diagnose die hier speelt?

1. Subclavian Steal Syndrome

2. Noem een aanvullend onderzoek dat deze diagnose kan bevestigen.

2. Arteriografie of Doppleronderzoek

3. Welke therapie is hier geïndiceerd?

3. Resectie van de 1e rib

 

Biomedische vraag Antwoord

Op zijn verloop in de richting van de arm passeert de a. subclavia een spierige "poort".

1. Hoe heet deze poort?

1. Achterste scalenuspoort

2. Welke benige structuur verloopt in de bodem van bedoelde poort?

2. 1e rib

3. Uit welke segmenten wordt de plexus brachialis gevormd?

3. C5-Th1C5-Th1

Vraag 2

De heer van Dijk (46) meldt zich op uw huisartsenspreekuur met klachten van lage rugpijn. De klachten bestaan sinds 4 weken en zijn begonnen nadat hij een keer ongelukkig uit zijn auto was gestapt. De pijn wordt in de loop van de dag erger, en heeft een zeurend dof karakter. Het straalt uit naar zijn linker bovenbeen, maar niet voorbij de knie. Hij heeft in het verleden vaker lage rugklachten gehad, die met fysiotherapie vaak weer overgingen. U overweegt of hier sprake is van aspecifieke rugpijn of dat er een specifieke oorzaak is die interventie vereist.

Klinische vraag Antwoord

1. Noem 3 specifieke oorzaken die aan de orde zouden kunnen zijn.

1.

-M. Bechterew;

-Lumbo-radiculair syndroom;

-Wervelfractuur;

-Wervelmetastase;

-spondylodiscitis;

-spondylolisthesis.

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Welke bewegingsmogelijkheid is in de lumbale wervelkolom vrijwel volledig afwezig ?

1. Rotatie

2. Geef een verklaring voor het ontbreken van de onder 1. genoemde bewegingsmogelijkheid.

2. De oppervlakken van de intervertebrale (of zygapophyseale of facet) gewrichten staan in een sagittaal vlak

Vraag 3

Met de ambulance wordt een onbekende vrouw met een geschatte leeftijd tussen de 40 en 50 jaar naar de spoedeisende hulp gebracht. Ze is gevonden in het bos, in comateuze toestand. Haar temperatuur is 34 oC, bloeddruk 110/55 mmHg en de pols slaat 60/min. De EMV-score is E1-M4-V1. De pupillen hebben een grootte van 4 mm en reageren vlot op licht. De corneareflex is beiderzijds opwekbaar, er zijn normaal opwekbare compensatoire oogbewegingen. Er is een normale hoestprikkel. De extremiteiten zijn normotoon en de motorische reactie op een pijnprikkel aan het nagelbed is beiderzijds terugtrekken (M-4). De reflexen zijn laag symmetrisch opwekbaar, er zijn geen pathologische reflexen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Welke van de drie hoofdgroepen van oorzaken van coma is bij deze patiënte het meest waarschijnlijk?

1. Diffuse encefalopathie (bijvoorbeeld intoxicatie of metabole stoornis).

2. Beargumenteer op grond van de bevindingen bij het lichamelijk onderzoek hoe u tot deze keuze bent gekomen (noem 3 argumenten).

2.

[a] De hersenstamreflexen zijn normaal opwekbaar

[b] de motorische reactie op een pijnprikkel verloopt symmetrisch verloopt

[c] er zijn geen pathologische reflexen opwekbaar.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Door welk systeem wordt het niveau van bewustzijn (vooral) gereguleerd?

1. ARAS of deel van reticulaire formatie.

Vraag 4

Een vrouw van 42 jaar wordt met spoed door de huisarts naar de neuroloog verwezen, omdat zij twee uur tevoren bij het vrijen plotselinge hevige hoofdpijn kreeg. Op de spoedeisende hulp heeft patiënte nog steeds hoofdpijn, zij heeft een keer gebraakt en voelt zich ziek. Bij lichamelijk onderzoek heeft zij een normale temperatuur, een bloeddruk van 150/95, een pols van 114/min, helder bewustzijn, geen focale neurologische uitvalsverschijnselen en is zij niet nekstijf. De dienstdoende arts-assistent denkt aan een subarachnoïdale bloeding en laat een CT-scan van de hersenen maken. Deze laat geen aanwijzingen zien voor een subarachnoïdale bloeding. Omdat de aanwezigheid van een subarachnoïdale bloeding bij een normale CT-scan niet is uitgesloten, wordt besloten dat een lumbale punctie geïndiceerd is om daarmee eventueel bloed als gevolg van een subarachnoïdale bloeding aan te tonen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wanneer moet de lumbale punctie plaatsvinden en leg uit waarom deze timing in relatie tot het tijdstip van het ontstaan van de hoofdpijn belangrijk is.

1. Het is belangrijk tenminste 8-12 uur te wachten met de lumbale punctie, gerekend vanaf het moment dat de hoofdpijn ontstaan is. De reden hiervoor is dat bij het verrichten van een lumbale punctie op een eerder tijdstip na de hoofdpijn er geen onderscheid gemaakt kan worden tussen bloed in de liquor als gevolg van een eventuele traumatische liquor-punctie en bloed als gevolg van een subarachnoïdale bloeding.

2. Welke chemische stof moet men in de liquor cerebrospinalis aantonen ten bewijze van een subarachnoïdale bloeding?

2. Bilirubine, met behulp van spectofotometrie.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Myoglobine bestaat biochemisch gezien uit twee units, een eiwit gedeelte en een non-protein deel. Uit hoeveel units bestaat zo gezien het hemoglobine molecuul? (specificeer aantallen eitwit en niet-eiwit units)

1. Hemoglobine: 4 eiwitketens (2 alfa en 2 beta) en 4 haemgroepen

2. Welk unit geeft bloed z’n rode kleur?

2. De Haemgroep veroorzaakt de rode kleur

3. Onder welke omstandigheden verandert deze kleur naar blauw (cyaan, purper)?

3. Bij zuurstofgebrek (dan ontstaat de-oxy haem, wat blauw is)

Vraag 5

Een 40-jarige vrouw komt bij de neuroloog vanwege sinds twee maanden bestaande spierpijn in bovenarmen en bovenbenen. Ze kan de armen niet meer goed heffen en niet goed meer traplopen. De klachten nemen in de afgelopen dagen in snel tempo toe. Bij onderzoek is er een proximale spierzwakte van de armen en de benen met normale sensibiliteit en reflexen. Er is geen atrofie en er zijn geen fasciculaties. De voetzoolreflex verloopt in flexie.

Klinische vraag Antwoord

1. Hoe heet het (beschrijvende) syndroom dat proximale zwakte aan armen en benen weergeeft?

1. Limb-girdle syndroom

2. Waar moet men de afwijking bij deze patiënt het meest waarschijnlijk lokaliseren?

2. In de spieren (aleen het antwoord “perifeer” is onvoldoende voor toekenning van punten bij deze vraag)

3. Welk laboratoriumonderzoek levert u binnen een uur veel informatie over oorzaak en lokalisatie van deze aandoening?

3. Bepaling van het CK in het bloed (sterk verhoogd bij polymyositis)

 

Biomedische vraag Antwoord

De boven omschreven aandoening wordt gerekend tot de bindweefselziekten.

1. Door welke mechanismen van weefselbeschadiging kunnen deze ziekten veroorzaakt worden?

1.

[a] Cellulair: cytotoxische en/of cytokinen-producerende T lymfocyten; macrofagen.

[b] humoral: antistoffen met complementactivatie, waarna ontsteking met deelname van o.a. polymorfkernige leukocyten.

2. Noem nog twee andere voorbeelden van ziekten .

2. Voorbeelden: SLE, reumatoide arthritis, sclerodermie, CREST, Sjögren syndroom, etc.).

 

 

Vraag 6

Een 29-jarige arts-assistent radiologie komt op de poli neurologie met klachten sinds twee dagen over rugpijn, uitstralend in het linkerbeen. De rugpijn is twee dagen geleden min of meer acuut begonnen tijdens een hockey wedstrijd. In de uren na de wedstrijd voelde hij de pijn steeds meer in zijn linkerbeen uitstralen, via een traject dat verloopt van de linker bil langs de achterzijde van het bovenbeen tot achter in zijn kuit. Ook meldt hij een minder gevoel te hebben aan de huid boven op de voet. Bij neurologisch onderzoek is de beweeglijkheid van de lumbale wervelkolom sterk verminderd in flexie-richting en de proef van Laseque is links positief. Bij de hielengang valt op dat patiënt niet op de linker hiel kan lopen (de voorvoet zakt dan op de grond), rechts levert dat geen problemen op. De kniepees- en achilles-peesreflexen zijn normaal symmetrisch opwekbaar en de voetzoolreflexen verlopen in flexie. Er is mogelijk een iets verminderde tastzin op het dorsum van de linker voet. Het betreft hier waarschijnlijk een lumbaal radiculair syndroom. U besluit tot een expectatief beleid, laat patiënt naar huis gaan en instrueert de patiënt dat hij zich direct laat onderzoeken als er toename van klachten optreedt.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Welke wortel is aangedaan?

1. L5, evt L4-5 of L5-S1

2. Op welke verschijnselen moet patiënt thuis vooral alert zijn omdat zij snel chirurgisch ingrijpen vereisen?

2. Op klachten en verschijnselen van een caudasyndroom (sensibiliteitsstoornissen in het rijbroekgebied en mictie/defaecatie stoornissen).

3. In welke mate is bedrust geïndiceerd? Leg uit.

3. Strikte bedrust is bij een lumbale hernia niet meer geïndiceerd, patiënt mag mobiliseren en bewegen zover zijn pijn dat toelaat.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Welke wortels hebben het langste verloop in het wervelkanaal? Geef het globale niveau aan.

1. Lumbale en sacrale wortels

2. Van welk segment kunnen de wortels gecomprimeerd raken bij een prolaps van de discus intervertebralis L4/L5?

2. Primair van segment L5, ook lagere wortels kunnen meedoen

3. Tussen welke wervels treden de wortels van C8 uit het wervelkanaal?

3. Tussen C7 en Th1

 

 

Vraag 7

Een 20 jarige wiskunde student, die bij zijn ouders woont, wordt door de politie opgepakt nadat hij plotseling zonder provocatie op straat een voorbijganger heeft geslagen. Hij heeft geen poging ondernomen om te vluchten. Wel heeft de student 1 gr. Cocaïne op zak. Tijdens het verhoor op het politiebureau geeft hij geen duidelijke antwoorden op vragen en geeft dus ook geen reden voor zijn agressieve gedrag. Hij zegt dat hij niet hoeft te spreken, omdat men zijn gedachten toch al kent. In de cel valt op dat hij voornamelijk angstig overkomt, weggedoken in een hoekje zit, maar dat hij soms ook zomaar boos aan het schreeuwen is. De politie belt de politiearts omdat zij een psychose vermoeden.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Geef twee argumenten die pleiten voor een psychose.

1. Er is sprake van gedesorganiseerd gedrag en mogelijk zijn er wanen en/of hallucinaties

2. Waardoor kan de psychose, behalve door drugs, nog meer zijn veroorzaakt?

2. Schizofrenie of een aanverwante stoornis, een stemmingsstoornis, door somatisch lijden

3. Hoe waarschijnlijk is het dat hij net doet alsof hij ziek is, terwijl hij gezond is en wat is hiervoor het argument?

3. Niet waarschijnlijk vanwege de observaties in de cel.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Welke neurotransmitters,

1. Neurotransmitters: Serotonine en GABA

2. welk hormoon en

2. Testosteron

3. welke neuroanatomische structuren zijn in verband gebracht met (de regulatie van) agressie?

3. Verscheidene neuroanatomische structuren vnl frontaal en temporaal inclusief limbische structuren zoals de amygdala

 

 

Vraag 8

Een 87-jarige vrouw komt samen met haar dochter bij u als huisarts op het spreekuur. Patiënte zelf kan niet goed vertellen waarom ze zijn gekomen maar haar dochter wel. Ze zegt dat ze bang is dat moeder dement wordt. Sinds 2 weken is moeder namelijk vaak erg in de war. Ze herkent dan haar eigen dochter niet, weet niet welke dag van de week het is en heeft haar kleren verkeerd aan (trui achterstevoren, rok niet goed dichtgemaakt). Ook lukt het haar dan niet een kopje koffie te zetten. Op andere momenten is er niets aan de hand. Moeder woont zelfstandig en tot 2 weken geleden ging dit zonder problemen. Behalve met slaapproblemen waarvoor ze een slaaptablet (temazepam 10 mg) gebruikt, is ze sinds ongeveer een half jaar bekend met de ziekte van Parkinson, waarvoor zij nu ongeveer een maand een dopamine-agonist krijgt voorgeschreven.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Bent u het met de dochter eens dat hier sprake is van een (beginnende) dementie?

1. Niet eens

2. Zo ja, noem 2 redenen; zo nee, noem 2 redenen

2. Acuut begin (1) en sterk wisselend beeld (2) wijst op een delier als oorzaak van de verwardheid

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Welke neurotransmitter is bij de cognitieve syndromen op oudere leeftijd in te geringe mate beschikbaar in de hersenen?

1. Acetylcholine

2. Wat is het werkingsmechanisme van de huidige beschikbare medicijnen om dit tekort op te heffen?

2. Remming van het enzym acetylcholinesterase, waardoor hydrolyse van acetylcholine in de synaptische spleet wordt vertraagd en post-synaptische activiteit langer aanhoudt.

 

 

Vraag 9

U onderzoekt op de afdeling Spoedeisende Hulp een 40-jarige verkeersslachtoffer met goede vitale functies en een Glasgow Coma Scale van E2M5V2. De linker pupil is wijd en lichtstijf, de overige hersenstamreflexen zijn intact. Er komt bloed uit het linker oor. De patiënt lokaliseert vlot met de linker arm, maar de rechter arm beweegt nauwelijks. De arts-assistant neurologie meldt dat de patiënt comateus is.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Geef een argument op grond waarvan u de patiënt NIET comateus vindt.

1. De Glasgow Coma Score is hoger dan 8 (namelijk 9) / de ogen worden geopend (op een pijnprikkel).

2. Hoe verklaart u de lichtstijve pupil aan de linker kant en wat is daarvan de betekenis?

2. Beknelling van de n. oculomotorius links , ten teken van trans-tentoriële inklemming (waarschijnlijk door een sub- of epiduraal hematoom). Er moet snel gehandeld worden door een CT-scan van de hersenen te maken en een eventueel hematoom te opereren.

 

 

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Wat voor zenuwvezels innerveren de spier die de pupil vernauwt ?

1. Parasympathisch.

2. Een tweede spier in de oogbol wordt door een zelfde soort zenuwvezels geïnnerveerd. Hoe heet deze spier en wat is zijn functie ?

2. M. ciliaris, accommodatie.

 

 

Vraag 10

Bij de huisarts meldt zich een 73-jarige man met zijn echtgenote die het verhaal doet. Zij vertelt dat haar man sinds 2 dagen onrustig slaapt en vaak uit bed komt en dan iets lijkt te zoeken zonder precies aan te kunnen geven wat. Zij vind hem daarbij ook wat moeilijk te volgen. De volgende dag is hij dit weer vergeten. Door het slechte slapen is hij overdag regelmatig erg slaperig en soms de kluts kwijt. Verder heeft hij sinds kort wat verhoging. De patiënt is verder bij u bekend met een prostatitis en sinds enkele maanden toenemende vergeetachtigheid, waarbij u denkt aan een beginnende Alzheimer-dementie. Hij gebruikt geen alcohol, drugs of medicijnen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Welke nog niet genoemde diagnose kan hier aan de orde zijn?

1. Delier

2. Wat is de mogelijke oorzaak hiervan?

2. Blaasontsteking door urineretentie en urineweginfectie.

 

 

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Indien de nachtelijke onrust ernstig wordt, welk geneesmiddel komt dan in aanmerking?

1. Lage dosering haloperidol (0,5 - 1 mg 's avonds).

2. Welk antibioticum komt vooral in aanmerking voor behandeling van de prostatitis?

2. Co-trimoxazol i.v.m. goede doordringing in prostaatweefsel.

Vraag 11

Een 53-jarige ambtenaar gaat steeds onduidelijker spreken. Zijn vrouw vertelt dat hij vroeger zeer duidelijk sprak, maar nu gedurende bepaalde perioden vrijwel onverstaanbaar is. Het lijkt dan net of de spieren van de mond en de keel niet meer werken. Er zijn ook momenten dat hij goed verstaanbaar is. Tijdens het voorlezen vindt u dat het spreken geleidelijk wat onduidelijker wordt, maar u kunt wel alles blijven verstaan.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Waar kunt u deze afwijking het meest waarschijnlijk lokaliseren?

1. De neuromusculaire overgang (van de bulbaire spieren).

2. Met welk aanvullend onderzoek kan de diagnose bevestigd worden?

2. Bepaling van antilichamen (tegen acetylcholine receptoren) en neurofysiologisch onderzoek.

3. Met welke medicamenteuze therapie kunnen de symptomen van deze ziekte direct worden verminderd?

3. Acetylcholine-esterase remmers (pyridostigmine).

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Benoem het aangrijpingspunt van zenuw met spier, de transmitter en zijn effector.

1.

  1. motorische eenheid

  2. acetylcholine

  3. Na+-kanalen.

 

 

Vraag 13

Een 45-jarige kok wordt door zijn collega’s naar de spoedeisende hulp gebracht i.v.m. een wegraking. Hij heeft deze episoden al enkele malen eerder meegemaakt. Hij voelt ze meestal niet aankomen, maar soms voelt hij kort van tevoren een “elektrische prikkel in de linker arm”. De verdere details kan hij zich niet herinneren. Na de wegraking, die waarschijnlijk 5-15 minuten heeft geduurd, voelt hij zich nog enige tijd wat duf en voelt de linker arm wat zwaar aan, maar daarna kan hij weer normaal functioneren. Meer klachten heeft hij niet. Bij algemeen lichamelijk onderzoek zijn er geen afwijkingen en bij neurologisch onderzoek is patiënt inmiddels weer helder en adequaat en zijn de reflexen in de rechter lichaamshelft iets lager dan in de linker, maar verder zijn er geen afwijkingen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Welke diagnose is het meest waarschijnlijk als oorzaak van deze wegraking?

1. Een epileptisch insult ('petit mal').

2.Welk aanvullend onderzoek kan deze diagnose nog aannemelijker maken?

2. Een EEG.

3.Welk onderzoek is van belang om de oorzaak van deze aandoening op te sporen?

3. Beeldvorming van de hersenen (CT-scan of MRI-scan).

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Stel, er is sprake van een cardiovasculaire oorzaak. Geef drie mogelijkheden voor zo'n wegraking.

1.

  1. kamer tachycardie

  2. herseninfarct, of TIA

  3. bradycardie

 

 

Vraag 14

Een 77-jarige man komt bij de huisarts op het spreekuur. Hij klaagt over vergeetachtigheid. Al een paar keer kwam hij, ondanks een lijstje, niet met de goede boodschappen thuis en ook heeft hij gemerkt dat hij afspraken vergeet. Gisteren kon hij ineens niet meer op de naam van zijn zoon komen. Omdat zijn moeder en drie van zijn vier zussen allen rond hun 75e dement zijn geworden, maakt hij zich zorgen dat hem dit ook gaat overkomen. De huisarts zegt dat hij hem eerst wat verder moet onderzoeken alvorens hem uitsluitsel te kunnen geven.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Noem minimaal drie cognitieve functies waarover u nadere informatie nodig hebt om te kunnen beoordelen of er sprake is van dementie.

1. Cognitieve functies die moeten worden onderzocht zijn: taal, abstractievermogen, planning, praxis.

 

 

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Behoort dementie in Nederland tot de meest INCIDENTE of tot de meest PREVALENTE aandoeningen?

1. Tot de top-10 van prevalente aandoeningen.

2. Wanneer bij een dementerende uiteindelijk verpleeghuiszorg noodzakelijk wordt, welke instantie bepaalt dan of de patient daarvoor in aanmerking komt?

2. RIO, Regionaal Indicatie Orgaan.

3. Noem twee zorginterventies die permanente opname in een verpleeghuis (kunnen) uitstellen.

3. Ondersteuning mantelzorg, thuiszorg, dagbehandeling, tijdelijke opname.

 

 

Vraag 15

Een man van 63 jaar heeft sinds enkele weken drukkende hoofdpijn rechts frontaal en sinds vier weken wat moeite met lopen. Er zijn ook problemen met het vinden van woorden en met schrijven. Een half jaar geleden is een niet-kleincellig longcarcinoom vastgesteld en behandeld met chemotherapie en bestraling. Bij onderzoek worden een homonieme hemianopsie rechts, en fatische stoornissen gevonden. De CT-scan van de hersenen toont een aankleurende, ringvormige met veel oedeem omgeven laesie in de hersenen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. In welke hersenkwab bevindt zich deze longmetastase? (benoem tevens of dit de linker of rechter hersenhelft betreft)

1. Linker occipitaalkwab.

2. Hoe verklaart u de hoofdpijn van patiënt?

2. Dit is één van de tekenen van intracraniële drukverhoging.

3. Met welke medicamenteuze therapie kunnen de symptomen op korte termijn worden verminderd?

3. Dexamethason.

 

Biomedische vraag Antwoord

In het chiasma opticum kruist een deel van de optische vezels.

1. Van welke retinahelften zijn deze vezels afkomstig?

1. De nasale retina helften.

2. Over welk gezichtsveld geven deze vezels informatie door?

2. Het temporale gezichtsveld.

 

 

Vraag 16

U wordt door een collega internist in consult gevraagd bij een 35-jarige HIV-positieve patiënt i.v.m. het gisteren doormaken van een eerste epileptisch insult. Bij het afnemen van de anamnese vertelt patiënt dat hij weinig klachten heeft, behalve dat hij soms moeite heeft met het vinden van de juiste woorden en de laatste tijd wat trager is geworden. Bij neurologisch onderzoek vindt u behalve een discrete benoemingsstoornis geen duidelijke afwijkingen. U besluit een CT-scan te maken, waarop meerdere aankleurende laesies zichtbaar zijn in beide hemisferen, het meest uitgesproken in de linker frontaalkwab. Deze laesie wordt omgeven door oedeem.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose ten aanzien van de aankleurende laesies in de hersenen?

1. Toxoplasmose.

2. Is er weefseldiagnostiek (biopsie) noodzakelijk om deze diagnose te bevestigen? Beargumenteer uw antwoord.

2. Nee, omdat een hersenbiopt erg belastend is en gezien de grote kans op toxoplasmose wordt eerst met anti-toxoplasmose therapie gestart.

 

 

 

Biomedische vraag Antwoord

In bovenstaande casus is er sprake van een laesie in het expressieve spraakgebied.

1. Waar ligt het receptieve spraakgebied?

1. In de (gyrus temporalis superior) temporaalkwab (+aangrenzend deel parietaalkwab).

2. Door welke arterie wordt de bloedaanvoer naar dit spraakgebied in het algemeen verzorgd?

2. A. cerebri media.

 

 

Vraag 17

Een 28-jarige man is om onduidelijke redenen met zijn racefiets gevallen. Omstanders brengen hem naar uw huisarts-praktijk en bij onderzoek heeft hij een grote bult op zijn voorhoofd. Er zijn geen neurologische afwijkingen bij het onderzoek van de hersenzenuwen, de motoriek, sensibiliteit en cerebellaire functies. Opvallend is dat patiënt bij herhaling vraagt wat er gebeurd is. Het ongeval heeft ongeveer anderhalf uur geleden plaatsgevonden.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Hoe noemt u de geheugenstoornis van patiënt?

1. Een post-traumatische amnesie.

2. Wat is een goede maat voor de ernst van het trauma capitis?

2. De duur van de post-traumatische amnesie of de aard van het gedaalde bewustzijn (gemeten met de Glasgow Coma Scale).

3. Wat is uw beleid?

3. Patiënt met de ambulance insturen naar het ziekenhuis voor nadere diagnostiek (met name CT-scan van de schedel ter uitsluiting schedelfractuur of intra-craniële afwijkingen).

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Wat is de rol van de hippocampus?

1. Poortwachter, selectiestation voor lange / korte termijn opslag.

 

2. Fosforylering (tijdelijke opslag) vs eiwitten (vaste opslag).

 

 

Vraag 18

Op uw spreekuur verschijnt de heer Mohamed Azahaf, 37 jaar. Hij is magazijnmedewerker en verricht regelmatig zwaar tilwerk. Al vaker bezocht hij uw spreekuur met aspecifieke lage rugklachten. Nu echter is er sprake van andersoortige rugpijn: acuut tijdens tillen ontstaan en met een typisch radiculair beloop. U stelt na lichamelijk onderzoek de diagnose lumbosacraal radiculair syndroom

 

Klinische vraag Antwoord

1. Noem 3 bevindingen, op basis van anamnese en/of lichamelijk onderzoek, die elk afzonderlijk een spoedverwijzing noodzakelijk zouden maken.

  1. Verwijs met spoed bij:

  2. Incontinentie; sensibiliteitsverlies (rijbroek-fenomeen); onmogelijke hakken- of tenengang.

 

 

 

 

 

Biomedische vraag Antwoord

De heer Azahaf meldt zich ziek bij zijn werkgever. Na enige tijd wordt hij opgeroepen om bij de bedrijfsarts te komen.

1. Is deze man in staat om zijn eigen werk met deze klachten te verrichten?

1. Nee.

2. Welke twee functiebeperkingen zijn er?

2. Beperkingen zijn tillen en bukken.

3. Waaraan dient passend werk te voldoen?

3. Passend werk dient in te houden: afwisselend lopen, zitten en staan.

 

 

Vraag 19

Een 17-jarige jongen wordt de Spoedeisende Hulp binnengebracht nadat hij bij een ruzie met een loden pijp op het hoofd is geslagen. Als poortarts hoort u van het ambulancepersoneel, dat volgens getuigen patiënt enige minuten bewusteloos geweest is. Nu klaagt hij over hoofdpijn, voornamelijk op de plaats waar hij geraakt is: aan de rechter fronto-parietale kant. Bij onderzoek vindt u een zwelling en een schaafwond ter plaatse. Verder is de patiënt wakker, alert en in tijd en plaats georiënteerd. Geen neurologische afwijkingen. Röntgen foto’s van de schedel tonen ter plaatse van het trauma een lineaire schedelfractuur. In de loop van het volgende uur wordt patiënt toenemend slaperig en begint over te geven. U onderzoekt hem opnieuw en vindt hem lethargisch. Verder vindt u geen neurologische afwijkingen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

1. Epiduraal haematoom.

2. Welke therapie is aangewezen?

2. Neurochirurgische therapie (operatie) (trepanatie).

 

 

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Gezien de plaats van de schedelfractuur zou deze zich in diverse schedelbotten kunnen bevinden. Noem er twee.

1.

  1. os frontale;

  2. os parietale;

  3. os temporale;

  4. os sphenoidale.

 

 

Vraag 20

U bent als huisarts geroepen bij een 40-jarige vrouw die één week geleden tintelingen voelde in haar voeten en daarna toenemende zwakte in de benen, later ook in de armen. De zwakte is inmiddels zo ernstig dat ze niet meer kan lopen. Bij neurologisch onderzoek vindt u als meest opvallende afwijkingen een zeer ernstige parese aan armen en benen, een slappe dysarthrie, distale sensibiliteitsstoornissen en een gegeneraliseerde areflexie.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Waar kunt u, opgrond van de bevindingen bij het neurologisch onderzoek, de afwijkingen lokaliseren?

1. Perifere zenuwen.

2. Wat is de oorzaak van deze afwijkingen?

2. Een (auto-immuun) ontstekingsreactie (inflammatoire polyneuropathie / Guillain-Barré))

3. Welk beleid voert u als huisarts?

3. Patiënt onmiddellijk in het ziekenhuis laten opnemen (omdat respiratoire insufficientie dreigt en eventueel direct behandeld moet kunnen worden met beademing).

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Wat is het pathofysiologisch mechanisme dat verantwoordelijk is voor de spierzwakte?

1. Geleidingsblokkade (t.g.v. demyelinisatie) of beperkte zenuwgeleiding.

Een 45-jarige buschauffeur klaagt over pijn in zijn rug met uitstraling naar de zijkant van het linker onderbeen, die erger wordt bij lopen en minder bij liggen. De pijn bestaat drie weken en wordt steeds erger. Bij onderzoek zijn alle bewegingen van de lumbale wervelkolom beperkt, maar de flexie-beperking is het meest uitgesproken. Bij heffen van het gestrekte linkerbeen ontstaat hevige pijn in het linkerbeen. Er zijn geen afwijkingen bij het onderzoek van de kracht, de sensibiliteit en de reflexen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Hoe heet de proef van beenpijn bij heffen van het gestrekte been zoals dat bij deze patiënt optreedt?

1. Positieve proef van Lasègue.

2. Wat is de betekenis van deze proef als die positief is?

2. Dat er wortelprikkeling (radiculaire prikkeling) bestaat.

3. Is aanvullend onderzoek naar oorzaken van de rug- en beenpijn op dit moment geïndiceerd? Zo ja, welk? Zo nee, waarom niet?

3. Nee, omdat er op dit moment geen neurologische uitvalsverschijnselen bestaan.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Wat wordt verstaan onder hyperalgesie?

1. Hyperalgesie = verhoging van de pijngevoeligheid na beschadiging.

2. Waardoor wordt hyperalgesie veroorzaakt?

2. Dit ontstaat door verlaging prikkeldrempel van de noci sensoren.

 

 

Vraag 21

Een 67-jarige ex-notaris heeft sinds vier maanden last van trillingen in de rechterarm. Het trillen is er vooral in rust en neemt toe bij spanningen. Bij onderzoek ziet u een wat onregelmatige grove trilling in de rechterarm die verdwijnt bij bewegen van de arm. Verder zijn er geen neurologische afwijkingen, noch beperkingen in het dagelijks functioneren.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Hoe noemt men de trilling in de rechterarm van patiënt?

1. Een rusttremor.

2. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

2. De ziekte van Parkinson.

3. Is medicamenteuze behandeling geïndiceerd en zo ja welke? Zo nee, waarom niet?

3. Nee, er is geen beperking in het dagelijks functioneren.

 

Biomedische vraag Antwoord

Stel er is sprake van een aandoening van het extrapyramidale systeem.

1. Welke kern is aangedaan?

1. Substantia nigra.

2. Waar in de hersenen is deze kern gelegen?

2. Mesencephalon (of hersenstam).

3. Welke neurotransmitter bevatten de neuronen in deze kern?

3. Dopamine.

 

 

Vraag 22

Een 59-jarige, rechtshandige kok wordt door de huisarts ingestuurd i.v.m. een sinds 4 uren bestaande hemiparese rechts die plotseling is ontstaan. Bij lichamelijk onderzoek vindt u een bloeddruk van 160/105, pols 78/min – regulair – aequaal, geen souffle over hart of carotiden. Neurologisch onderzoek bevestigt de hemiparese aan gelaat, arm en been (globaal MRC graad 3), lichte hyperreflexie rechts met rechts een voetzoolreflex volgens Babinski. Gesproken taal en taalbegrip zijn intact. Er zijn geen sensibiliteitsstoornissen. Een CT-scan van de hersenen laat geen afwijkingen zien.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Waar lokaliseert u de laesie in het centrale zenuwstelsel (alleen linker of rechter hemisfeer is onvoldoende, preciseren).

1. Linker hemisfeer, subcorticaal

2. Wat is de vermoedelijke oorzaak van de uitvalsverschijnselen bij deze patiënt?

2. Een infarct.

3. Leg uit waarom behandeling met een intraveneus trombolyticum (r-tPA) bij deze patiënt niet geïndiceerd is.

3. Intraveneuze trombolyse met r-tPA moet binnen drie uur na het begin van de uitvalsverschijnselen worden toegediend.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. In welk hersenvlies lopen de bloedvaten die het hersenweefsel van bloed voorzien?

1. Pia Mater.

2. Nergens in het hersenweefsel komen neuronen in direct contact met bloedvaten; er zit altijd een cellulair grenslaagje tussen. Welke cellen zorgen hiervoor?

2. (Neuro)Gliacellen/ Astrocyten.

3. De endotheelcellen van hersencapillairen zijn tot een hermetisch sluitende laag aaneengesloten. Welk type junction zorgt hiervoor?

3. Tight Junctions/ Zonulae Occludentes.

 

 

Vraag 23

Een 38-jarige vrouw wordt door de internist naar u verwezen i.v.m. een eerste doorgemaakt epileptisch insult. Sinds enkele weken heeft zij hoofdpijnklachten, die zij eerder niet had. Zij was bij de internist bekend met een gemetastaseerd melanoom. Bij neurologisch onderzoek vindt u in het geheel geen afwijkingen. I.v.m. de aanwezige maligniteit besluit u toch een CT-scan te maken die een ruimte-innemend proces rechts frontaal laat zien, aankleurend na toediening van intraveneus contrast.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Noem, naast hoofdpijn, nog drie andere symptomen van intracraniële drukverhoging die kunnen worden gevonden bij patiënten met een ruimte-innemend proces in cerebro.

1. Misselijkheid, braken, verminderde gezichtsscherpte, gedaald bewustzijn.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Noem twee kenmerken van de histologie van de huidexcisie die de patholoog waarschijnlijk tot de conclusie van een slechte prognose hebben gebracht.

1. Breslow dikte, Ulceratie, Angio-invasieve groei.

 

 

Vraag 24

Marjan Scheepers, 27 jaar, verkoopster, komt op uw spreekuur met de vraag of zij een recept kan krijgen voor een migrainemiddel. Haar moeder gebruikt van u een triptaan met goed resultaat; Marjan wil dat ook. U informeert eerst nog naar haar klacht. Sinds haar nieuwe baan anderhalf jaar geleden heeft zij regelmatig hoofdpijnaanvallen, die vaak wel een week aanhouden. Ze heeft hier zelf nog geen medicijnen voor ingenomen. De hoofdpijn zit aan beide zijden en achter het voorhoofd. Zij kan er wel mee doorwerken en heeft geen last van misselijkheid of braken. U vertelt haar dat u concludeert dat er geen sprake is van migraine.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Hoe luidt uw diagnose wel?

1. Spanningshoofdpijn.

2. Op grond van met name welke twee gegevens verwerpt u de diagnose migraine?

2.

  • duur van de hoofdpijnaanvallen (langer dan 72 uur)

  • normaal funktioneren zonder misselijkheid/braken

 

Biomedische vraag Antwoord

Stel dat het medicament triptaan een bijwerking heeft doordat het ook ion-kanalen blokkeert. Het betreft hier het belangrijkste kalium kanaal (delayed rectifier) in het hart.

1. Welk electrofysiologisch effect verwacht u?

1. Verlenging van de duur van de cardiale actiepotentiaal.

2. Hoe is dat te zien op het ECG?

2. QT verlenging.

 

 

Vraag 25

Een echtpaar van 78 (m) en 74 (v) jaar komt bij de huisarts. De man vertelt dat zijn vrouw het afgelopen jaar steeds vergeetachtiger is geworden. Soms vraagt ze wel drie keer achter elkaar hetzelfde en ontkent ze dat hij al antwoord heeft gegeven. Zelfstandig boodschappen doen en koken lukken niet meer. Ook is ze sloom en inactief. Mevrouw is goed gehumeurd, heeft zelf geen klachten en vindt dat haar man het probleem groter maakt dan het is. Bij lichamelijk onderzoek worden behoudens adipositas geen afwijkingen gevonden. De bloeddruk is 130/70, de pols is 48 r.e. Ze gebruikt geen medicijnen. Op grond van deze bevindingen laat de huisarts bloedonderzoek doen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

1. Dementie of ziekte van Alzheimer.

2. Welke symptomen vormen een indicatie voor nader bloedonderzoek?

2. Traagheid, adipositas, en langzame pols.

3. Welke aandoening verwacht u uit te sluiten of te bevestigen met bloedonderzoek?

3. Hypothyreoidie.

 

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Noem drie mogelijke manieren (formeel én informeel) waarop deze mevrouw adequate, specifieke, bij haar ziekte passende zorg kan ontvangen.

1. Mantelzorg; dagbehandeling (in een verpleeghuis); opname in psycho-geriatrisch verpleeghuis.

2. Door welke instantie wordt de indicatie voor de formele zorg gesteld?

2. Het Regionaal Indicatie Orgaan, RIO.

 

 

Vraag 26

U bent assistent op de afdeling Neurologie. Op uw afdeling ligt een patiënt die goed hersteld is van plotseling ontstane neurologische uitval. Patiënt is 75 jaar, het enige symptoom dat hij thans nog heeft is gestoord spreken. Onduidelijk is of de neurologische uitval ontstaan is in het carotis stroomgebied of in het vertebrobasilaire gebied. Dit is van belang voor het verdere beleid. Als de spreekstoornis een afasie is, is het vrijwel zeker dat het gaat om een afwijking in het carotis stroomgebied. Als het spreken gestoord is door dysartrie wordt carotis pathologie minder waarschijnlijk.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Met welke eenvoudige opdracht kunt u onderscheid maken tussen slecht spreken door afasie of door dysartrie?

1. Door de patiënt te laten schrijven.

 

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Welk cortex gebied is aangedaan bij een expressieve (motorische) afasie?

1. Gebied van Broca (gyrus frontalis inferior; area’s 44 en 45 van Brodmann).

2. Door welke arterie wordt het onder 1 genoemde gebied normaliter van bloed voorzien? Bedoeld wordt een tak van één van de in de casusbeschrijving van deze vraag genoemde arteriën.

2. A. cerebri media.

 

Vraag 27

Op de OK gaat uw collega co-assistent onderuit. U kunt hem nog net opvangen zodat hij niet met zijn hoofd op de grond valt. Hij heeft een aantal schokkende bewegingen. Samen met enkele verpleegkundigen brengt u hem buiten de OK waar hij weer bijkomt. U besluit voorlopig bij hem te blijven. Een half uur na de aanval is een gesprek met hem nog niet mogelijk. Hij maakt verwarde opmerkingen en weet blijkbaar niet waar hij is. U overlegt met een goede kennis van uw collega over het verdere beleid. Van deze kennis hoort u dat patiënt dit nooit eerder heeft gehad.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

1. Epileptische aanval.

2. Is verwijzing naar de neuroloog noodzakelijk? Beargumenteer kort.

2. Ja, want waarschijnlijk is het een eerste epileptische aanval.

 

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Wat doet u op het moment van de aanval?

1. Algemene maatregelen (ademhalingswegen vrij houden, tongbeet voorkomen, enz).

2. Wat is de behandeling op langere termijn?

2. Toediening van anti-epileptica (benzodiazepine, zo nodig fenytoine).

 

 

Vraag 28

Een 63-jarige vrouw bezoekt het spreekuur van de huisarts in verband met problemen bij het lopen. Als zij ongeveer 10 minuten loopt ontstaat pijn in beide benen en een klapvoet links. Als zij blijft staan verdwijnen de klachten niet; als zij gaat zitten verdwijnen de klachten binnen 5 minuten. Opvallend is dat deze klachten bij het lopen niet optraden tijdens de afgelopen vakantie, toen patiënte met een rugzak op tegen een heuvel op liep; dit kon zij probleemloos meer dan een uur volhouden.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Hoe wordt de klacht van patiënte genoemd?

1. Dit heet spinale of neurogene claudicatie.

2. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van de klachten van patiënte?

2. De oorzaak is een vernauwing van het lumbale wervelkanaal.

3. Waarom kon zij tijdens de vakantie wel met een rugzak op tegen een heuvel oplopen?

3. Doordat de lumbale lordose in deze houding wordt opgeheven neemt de ruimte in het lumbale spinale kanaal toe.

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Welke zenuw functioneert niet goed bij een klapvoet?

1. N. peroneus profundus.

2. Noem twee spieren die door bovengenoemde zenuw worden geïnnerveerd.

2. M. Tibialis anterior, m. extensor digitorum, m. extensor hallucis longus.

 

 

Vraag 29

Een 60-jarige rechtshandige vrouw wordt naar de Eerste Hulp afdeling gebracht in verband met een plotseling ontstane zwakte van haar rechterarm en haar rechterbeen. Haar medische voorgeschiedenis vermeldt hypertensie. Bij het onderzoek door de arts-assistent neurologie is patiënte alert en goed georiënteerd. Haar articulatie is wat onduidelijk. De rechter mondhoek beweegt niet goed mee. Patiënte kan haar rechterarm en -been minder goed optillen dan links. De knijpkracht van de hand en de kracht van de voethefferspieren is rechts MRC 4. De spierrekkingsreflexen zijn symmetrisch opwekbaar, maar de rechter voetzoolreflex is pathologisch.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Waar moet de oorzaak van deze verschijnselen gelokaliseerd worden? Specificeer.

1. De lokalisatie van de afwijking is in de linkerhemisfeer in de capsula interna.

2. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak?

2. Herseninfarct.

3. Noem (uitgaande van de meest waarschijnlijke oorzaak) een aanvullend onderzoek dat bij deze patiënte gevolgen kan hebben voor de behandeling ter voorkoming van een herhaling.

3. ECG, duplex carotiden.

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Geef een verklaring voor het feit dat bij deze patient de mondhoek niet goed beweegt terwijl de spieren rond het oog en in het voorhoofd wel goed functioneren.

1. De n. facialis stuurt de mimische spieren aan. Het gedeelte van de nucleus facialis dat de spieren van de bovenste gelaatshelft verzorgt, wordt vanuit beide hemisferen aangestuurd. De spieren van de onderste gelaatshelft worden supranucleair slechts eenzijdig beïnvloed.

 

 

Vraag 30

Op de afdeling Spoedeisende Hulp van het ziekenhuis, waar u als poortarts werkt, meldt zich een man van 76 jaar wegens acute pijn in zijn linker been. De pijn is zo hevig dat hij nauwelijks nog op het been kan staan. Bij onderzoek zijn er geen tekenen van een fractuur.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is uw meest waarschijnlijke diagnose?

1. Arteriële embolie (acute arteriële trombose).

2. Wat is de therapie?

2. Embolectomie (trombectomie).

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Via welke doorgang bereikt de a. femoralis de knieholte?

1. Canalis adductorius(adductorenkanaal, kanaal van Hunter).

2. Welke grote zenuw bevindt zich naast de a.v. poplitea?

2. N. tibialis.

 

 

Vraag 31

Een man van 50 jaar staat ’s morgens op en ontdekt dat zijn gezicht voor de helft verlamd is. Daarbij loopt er speeksel uit zijn mondhoek en kan hij het oog niet geheel sluiten. Hij heeft een vreemde smaak in de mond en heeft last van harde geluiden in het oor aan de verlamde zijde. Verder heeft hij geen klachten, hij heeft ook nergens pijn. Bij het onderzoek vindt u behalve de genoemde aangezichtsverlamming geen afwijkingen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Welke diagnose stelt u bij deze patiënt?

1. Facialis parese/paralyse van Bell.

 

Biomedische vraag Antwoord

De hersenen bestaan uit twee helften.

1. Noem de officiele naam.

1. Hemisfeer.

2. Hoe heet de structuur die deze twee helften verbindt en zorg draagt voor de communicatie?

2. Hersenbalk of corpus callosum.

 

 

Vraag 32

Met de ambulance wordt een onbekende man met een geschatte leeftijd rond de 35 jaar naar de spoedeisende hulp gebracht. Hij is gevonden in het park, in comateuze toestand. Zijn temperatuur is 33,50 C, bloeddruk 110/55 mmHg en de pols slaat 64/min. De EMV-score is E1-M4-V1. De pupillen hebben een grootte van 4 mm en reageren vlot op licht. De corneareflex is beiderzijds opwekbaar. Er zijn normaal opwekbare compensatoire oogbewegingen. Er is een normale hoestprikkel. De extremiteiten zijn hypotoon en de motorische reactie op een pijnprikkel aan het nagelbed is beiderzijds terugtrekken (M-4). De reflexen zijn laag symmetrisch opwekbaar, er zijn geen pathologische reflexen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Welke van de drie hoofdgroepen van oorzaken van coma is bij deze patiënt het meest waarschijnlijk?

1. Het betreft een coma door een diffuse encefalopathie (bijvoorbeeld intoxicatie of metabole stoornis).

2. Beargumenteer op grond van de bevindingen bij het lichamelijk onderzoek hoe u tot deze keuze bent gekomen (3 redenen).

2. Omdat de hersenstamreflexen normaal opwekbaar zijn, de motorische reactie op een pijnprikkel symmetrisch verloopt en er geen pathologische reflexen opwekbaar zijn.

 

Biomedische vraag Antwoord

Een comateuze toestand kan onder andere veroorzaakt worden door A) onbehandelde diabetes mellitus type I en door B) zeer langdurig vasten. De waargenomen metabole veranderingen onder de omstandigheden A en B tonen veel overeenkomst, toch zijn er ook enkele duidelijke verschillen.

1. Geef met de begrippen als ‘hoog’, ‘laag’, ‘normaal ‘ of ‘afwezig’ die verschillen bij A en B in de bloedspiegels aan voor:

A B

Insuline ontbreekt laag

Glucose hoog (hyperglycaemie) laag Triacylglycerolen hoog (hyperlipidaemie) normaal

 

 

 

Vraag 33

Een 78-jarige man is opgenomen op de afdeling interne geneeskunde van een ziekenhuis wegens toenemende benauwdheid. Hij is bekend met emfyseem, maar blijkt nu ook een bacteriële pneumonie te hebben. De verpleging slaat alarm omdat patiënt vooral ’s nachts onrustig is. Hij probeert uit bed te stappen en tracht zijn infuus eruit te trekken. Hij praat verwijtend tegen zijn vrouw, die helemaal niet aanwezig is. Op dit gedrag is hij niet aanspreekbaar. Integendeel, het lijkt net of het niet tot hem doordringt als er iets tegen hem wordt gezegd.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Hoe wordt dit syndroom genoemd?

1. Delier.

2. Wat is het geneesmiddel van eerste keus hierbij?

2. Haloperidol.

3. Welke aanvullende maatregel is nodig?

3. Twee mogelijkheden:

  • Aanbrengen van rust, structuur, dag-nachtritme

  • Benauwdheid bestrijden (saturatie verbeteren, zuurstof, infectie bestrijden).

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke verwekker van de pneumonie?

1. Streptococcus pneumoniae.

2. Aan welke verwekker zou men ook nog moeten denken in verband met het gedrag dat deze patiënt vertoont?

2. Legionella pneumophilia.

 

 

Vraag 34

Een 54-jarige onderwijzeres bezoekt de huisarts met heftige pijn aan de laterale zijde van het bovenbeen met uitstraling naar het scheenbeen en de voetrug. Bij onderzoek zijn de peesreflexen beiderzijds normaal en is er geringe zwakte van de voetheffers. Passief heffen van het gestrekte been veroorzaakt uitstralende pijn vanuit de bil naar het scheenbeen. Uit de anamnese komt naar vormen dat zij drie maanden eerder, in augustus, een week na het bramen plukken in Zeeland, een rode vlek in de linker oksel heeft gehad, die na enkele weken vervaagde.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Beschrijf de klinische diagnose van de pijn van deze patiënte.

1. Radiculair syndroom / radiculopathie van L5 links.

2. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van deze klachten?

2. Infectie met borrelia Burgdorferi (of neuroborreliose; of ziekte van Lyme).

3. Welk onderzoek is het belangrijkst voor het bevestigen van de diagnose?

3. Onderzoek van de liquor cerebrospinalis op cel- en eiwitverhoging, en aanwezigheid van antistoffen tegen borrelia.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Welke zenuw verzorgt het grootste deel van de sensibele innervatie van de voetrug?

1. N. peroneus superficialis.

2. Uit welke plexus is deze zenuw afkomstig?

2. Plexus sacralis.

 

 

Vraag 35

Een 65-jarige man gaat op aandringen van zijn 20 jaar jongere vrouw naar de huisarts, omdat zij vindt dat hij in het laatste jaar zo weinig pit meer heeft; hij mengt zich weinig in gesprekken en is dan moeilijk te verstaan. Een kennis heeft laten doorschemeren dat het wel eens om de ziekte van Alzheimer zou kunnen gaan. Oriënterend onderzoek van de intellectuele functies (geheugen, rekenen, overeenkomsten en verschillen) brengt geen stoornissen aan het licht. Bij lichamelijk onderzoek valt op dat het hoofd en de romp in staande houding naar voren gebogen zijn. De gelaatsuitdrukking wisselt weinig en de ooglidslag is weinig frequent. De stem is zacht en monotoon. Er is een rusttremor van de rechterhand.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Welke ziekte is het meest waarschijnlijk?

1. Waarschijnlijk is er sprake van de ziekte van Parkinson.

2. Wat is het belangrijkste kenmerk van de ziekte van Alzheimer?

2. Geheugenstoornis.

3. Hoe kan deze patiënt het best behandeld worden?

3. Met L-dopa/ dopaminepreparaten of met dopamine-agonisten.

 

Biomedische vraag Antwoord

Er is in ons land een discussie gaande over de zinvolheid van screening op dementie.

1. Noem twee argumenten vóór en twee argumenten tegen screening op dementie.

Argumenten voor:

  • het is een groot gezondheidsprobleem: hoge prevalentie, ernstige aandoening;

  • bij vroegtijdige opsporing kan in een aantal gevallen het proces vertraagd worden (mn bij vasculaire dementie);

  • informeren en ondersteunen van patiënt en familie;

  • anticiperen op achteruitgang, inventariseren van wensen ten aanzien van opname, zorg en levensbeeindiging.

Argumenten tegen:

  • er is geen algemeen aanvaarde behandeling beschikbaar, relatief geringe gezondheidswinst te behalen;

  • er is geen screeningstest beschikbaar met voldoende sensitiviteit en specificiteit;

  • vermindering kwaliteit van leven (langer leven in de wetenschap van ziekte);

  • ongunstige kosten/baten verhouding;

  • medicalisering;

  • organisatie: wie moet dit doen?

 

 

Vraag 36

U wordt als neuroloog gebeld door een huisarts die bij een 73-jarige man is geroepen in verband met vrij plotseling ontstaan 'afwijkend gedrag'. De medische voorgeschiedenis van de man vermeldt geen bijzonderheden. Op uw vraag om het klinisch beeld te beschrijven vertelt de huisarts dat de patiënt een heldere indruk maakt en alles om zich heen goed lijkt te observeren. Hij praat aan één stuk door, maar voert geen opdrachten uit en er valt niet met hem te communiceren. Hij kan zichzelf verzorgen en goed aan- en uitkleden. Bij zijn onderzoek vindt de huisarts behalve het "afwijkende gedrag" aanwijzingen voor een rechtszijdige homonieme hemianopsie.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Hoe heet het verschijnsel waaruit het afwijkende gedrag bestaat?

1. Sensorische dysfasie (of receptieve dysfasie; of Wernicke dysfasie).

2. Beschrijf zo precies mogelijk de lokalisatie van dit verschijnsel.

2. Linker temporale cortex (of: linker temporaalkwab; of: gebied van Wernicke).

3. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van de afwijkingen van deze patiënt?

3. Infarct links temporo-occipitaal in het stroomgebied van de a. cerebri media.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Noem drie mogelijke locaties voor een laesie bij een homonieme anopsie.

1. De laesie bevindt zich distaal van het chiasma opticum, dus:tractus opticus, radiatio optica, occipitale cortex.

 

 

Vraag 37

Een 39-jarige man komt bij de neuroloog vanwege sinds anderhalve maand bestaande spierpijn in bovenarmen en bovenbenen. Hij kan de armen niet meer goed heffen en niet goed meer traplopen. De klachten nemen in de afgelopen dagen in snel tempo toe. Bij onderzoek is er een proximale spierzwakte van de armen en de benen met normale sensibiliteit en reflexen. Er is geen atrofie en er zijn geen fasciculaties. De voetzoolreflex verloopt in flexie.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Hoe heet het (beschrijvende) syndroom dat proximale zwakte aan armen en benen weergeeft?

1. Limb-girdle syndroom

2. Waar moet men de afwijking bij deze patiënt het meest waarschijnlijk lokaliseren?

2. In de spieren (aleen het antwoord “perifeer” is onvoldoende voor toekenning van punten bij deze vraag)

3. Welk laboratoriumonderzoek levert u binnen een uur veel informatie over oorzaak en lokalisatie van deze aandoening?

3. Bepaling van het CK in het bloed (sterk verhoogd bij polymyositis)

 

Biomedische vraag Antwoord

De boven omschreven aandoening wordt gerekend tot de groep van bindweefselziekten.

1. Door welke twee mechanismen van weefselbeschadiging kunnen deze ziekten veroorzaakt worden?

1. Bindweefselziekten zijn tevens autoimmuunziekten: de afweer valt de eigen eiwitten/cellen/weefsels aan. Beschadigende effectormechanismen

(1) cellulair (cytotoxische en/of cytokinen-producerende T lymfocyten; macrofagen)

(2) humoraal (antistoffen met complementactivatie, waarna ontsteking met deelname van o.a. polymorfkernige leukocyten).

2. Noem twee andere voorbeelden van dergelijke ziekten.

2. Voorbeelden: SLE, reumatoide arthritis, sclerodermie, CREST, Sjögren syndroom, etc.

 

 

 

Vraag 38

Op het spreekuur van de neuroloog verschijnt een 32-jarige arts. Vanochtend bemerkte zij een afhangend ooglid aan de linkerkant toen zij in de spiegel keek om zich op te maken. Verder heeft zij geen klachten. Wel heeft zij in de voorafgaande week forse pijn gehad rond het linkeroog en was zij wat vermoeider dan gewoon. Zij bezoekt diezelfde dag het spreekuur van een neuroloog. Bij onderzoek is er een ptosis van het linkeroog die verdwijnt bij omhoog kijken. De linkerpupil is iets kleiner dan de rechter.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Hoe heet deze combinatie van een hangend ooglid en een kleinere pupil?

1. Syndroom van Horner.

2. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak hiervan?

2. Dissectie linker a. carotis interna.

3. Welke ernstige complicatie kan bij deze aandoening optreden?

3. Herseninfarct.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. De combinatie afhangend ooglid en een kleinere pupil kan veroorzaakt worden door de uitval van een bepaald type zenuwvezel. Om welk type zenuwvezels gaat het?

1. Sympatische.

2. Welk ander verschijnsel zou kunnen optreden bij uitval van de onder 1 bedoelde zenuwvezels?

2. Gestoorde zweetsecretie (anhydrosis).

 

 

Vraag 39

Een echtpaar (man: 84 jaar, vrouw: 79 jaar) komt bij de huisarts op het spreekuur. De man vertelt dat zijn vrouw steeds vergeetachtiger wordt. Ze weet de namen van de kinderen niet meer en ook de verjaardag van haar man vorige week was ze vergeten. In het huishouden doet ze steeds minder en het lukt haar niet meer het koffiezet apparaat te gebruiken of de stofzuiger te bedienen. Ook zegt ze steeds minder. De man vraagt zich af of zijn vrouw aan dementie lijdt. De huisarts neemt een MMSE af, waarop de vrouw 18 punten behaalt. Bij lichamelijk onderzoek worden behoudens lichte adipositas geen afwijkingen gevonden. Mevrouw gebruikt geen medicijnen. De huisarts denkt dat er mogelijk sprake is van dementie.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Om welke functies gaat het?

1. Geheugen, spraak, executieve functie.

 

Biomedische vraag Antwoord

In ons land staat programmatische screening in de huisartsenpraktijk van ouderen op dementie ter discussie.

1. Had een dergelijke screening kunnen voorkomen dat deze vrouw nu met deze klachten bij de huisarts komt? Geef een korte argumentatie voor uw antwoord (maximaal 15 woorden).

1. Nee. Het had hooguit vroeger ontdekt kunnen worden, maar een echte behandeling is er niet.

 

 

Vraag 40

Een 53-jarige eigenares van een groentewinkel meldt zich op de Spoedeisende Hulp met haar echtgenoot. Zij kreeg bij het afwegen van aardappelen plotseling heftige hoofdpijn, en moest herhaaldelijk braken. Zij bleef steeds bij bewustzijn. Tot de menopauze had patiënte vaak migraine. Zij moest daarbij toen ook wel braken, maar het was toch een hele andere soort hoofdpijn dan nu. Volgens haar man is het werk in de winkel de laatste maanden eigenlijk te zwaar. Bij lichamelijk onderzoek, ongeveer 1 uur na het begin van de hoofdpijn, valt op dat zij wat traag antwoord geeft op vragen, maar verder is er geen enkele afwijking op neurologisch gebied; zij is niet nekstijf.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Welke oorzaak van de hoofdpijn moet in eerste instantie worden aangetoond of uitgesloten? Specificeer.

1. Aneurysmatische subarachnoïdale bloeding.

2. Met welk aanvullend onderzoek kan dit het beste gebeuren?

2. CT scan van de hersenen.

3. Waardoor ontstaat de hoofdpijn zoals bedoeld in vraag 1 meestal?

3. Door de ruptuur van een intracranieel aneurysma, meestal gelokaliseerd aan de cirkel van Willis.

 

Biomedische vraag Antwoord

Normaal ontstaat braken door irritatie van het gastro-intestinaal systeem. Bij migraine is de oorzaak anders.

1. Waar?

1. (Een deel van de) hersenen: vomitting center (braakcentrum), chemoreceptoren in de hersenen.

 

 

Vraag 41

Een 20-jarige jongeman wordt per ambulance in comateuze toestand op de afdeling spoedeisende hulp gepresenteerd, waar u als poortarts werkt. Het slachtoffer was als scooterrijder betrokken bij een scooter-auto ongeval. Bij onderzoek is de bloeddruk 105/85 mmHg, pols 155/min. Patiënt heeft tijdens het transport zuurstof toegediend gekregen. EMV-score=7. De pupillen zijn ongelijk: de rechter pupil is wijd en reageert niet op licht, de linker pupil is normaal en reageert normaal.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is het meest levensbedreigende probleem?

1. Shock. Ook goed inklemming, hersenoedeem.

2. Waarop duidt het verschil in pupildiameter?

2. Hersenletsel.

 

Biomedische vraag Antwoord

De bloeddruk kent een systolische en een diastolische component.

1. Welke is het meest belangrijk voor de gemiddelde bloeddruk?

1. Diastolisch.

2. Bereken de gemiddelde bloeddruk aan de hand van bloeddruk gemeten bij deze man.

2. 85 + (105-85)/3 = 92 mm Hg.

 

 

Vraag 42

Een 74-jarige landbouwer klaagt over toenemende problemen met het lopen. Hij besluit de huisarts te bezoeken. De klachten bestaan ongeveer één jaar. Hij struikelt regelmatig, vooral wanneer hij over oneffen terrein loopt. Bij onderzoek zijn er zeer levendige reflexen zowel aan de armen als aan de benen. De voetzoolreflex verloopt beiderzijds volgens Babinski. Patiënt loopt inderdaad afwijkend: hij heeft een houterige wat stijve gang, waarbij de voeten niet goed worden afgewikkeld.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Waar lokaliseert u de afwijking binnen het zenuwstelsel?

1. In het cervicale myelum.

2. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van de afwijkingen bij deze patiënt?

2. Spondylotische cervicale myelopathie t.g.v. een cervicale kanaalstenose.

3. Hoe kan deze patiënt het beste behandeld worden?

3. Decompressie van het cervicale myelum middels cervicale laminectomie.

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Welke zenuw verzorgt het efferente gedeelte van een normale voetzoolreflex?

1. N. tibialis.

2. Welke zenuw verzorgt het efferente gedeelte bij een voetzoolreflex volgens Babinski?

2. N. peroneus profundus.

 

 

Vraag 43

Een 51-jarige postbode klaagt over pijn in zijn rug met uitstraling naar het scheenbeen en de voetrug van het linkerbeen, die erger wordt bij lopen en minder bij liggen. De pijn bestaat drie weken en wordt steeds erger. Bij onderzoek zijn alle bewegingen van de lumbale wervelkolom beperkt, maar de flexie-beperking is het meest uitgesproken. Bij heffen van het gestrekte linkerbeen ontstaat hevige pijn in het linkerbeen. Er zijn geen afwijkingen bij het onderzoek van de kracht, de sensibiliteit en de reflexen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Hoe heet de proef van beenpijn bij heffen van het gestrekte been zoals dat bij deze patiënt optreedt?

1. Positieve proef van Lasègue.

2. Wat is de betekenis van deze proef als die positief is?

2. Dat er wortelprikkeling (radiculaire prikkeling) bestaat.

3. Is aanvullend onderzoek naar oorzaken van de rug- en beenpijn op dit moment geïndiceerd? Zo ja, welk? Zo nee, waarom niet?

3. Nee, omdat er op dit moment geen neurologische uitvalsverschijnselen bestaan.

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Wat wordt verstaan onder hyperalgesie?

1. Hyperalgesie = verhoging van de pijngevoeligheid na beschadiging.

2. Waardoor wordt hyperalgesie veroorzaakt?

2. Dit ontstaat door verlaging prikkeldrempel van de noci sensoren.

 

 

Vraag 44

Een 43-jarige vrouw van Surinaamse afkomst, die sinds 7 jaar bekend is met SLE en op basis van dit ziektebeeld 2 jaar geleden nefritis kreeg, wordt door haar internist naar de neuroloog verwezen vanwege plotselinge blindheid aan beide ogen. Bij het neurologisch onderzoek lijkt patiënte inderdaad blind, maar zijn de directe en de indirecte pupilreacties intact aan beide kanten.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van deze blindheid?

1. Corticale blindheid ten gevolge van bilaterale occipitale infarcten.

2. Hoe kan deze diagnose bevestigd worden?

2. Beeldvormend onderzoek van de hersenen, dus CT- of MRI-scan.

3. Waarom zijn de pupilreacties niet afwijkend?

3. Omdat de reflexboog (n. opticus – nucl. Edinger Westphall / mesencephalon – n. oculomotrius) intact is.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Waardoor is de nefritis bij deze patiënte ontstaan?

1. Immuuncomplexen: circulerend/neerslaand/ter plaatse gevormd.

2. Welk type overgevoeligheid speelt de hoofdrol hierbij?

2. Type III (gemedieerd door immuuncomplexen, met o.a. granulocyten en complement activatie).

3. Van welke auto-antistoffen is een titerstijging vaak gerelateerd aan het ontstaan van nefritis?

3. Anti-DNA antistoffen.

 

Vraag 45

Een 73-jarige man is verwezen naar de neuroloog, omdat hij sedert enkele maanden in toenemende mate onduidelijk spreekt. Tevens is hij zich gaan verslikken en struikelt hij nogal eens bij het lopen. Tijdens het gesprek blijkt al dat hij door de neus spreekt en dat ook alle medeklinkers onduidelijk uitgesproken worden. Bij lichamelijk onderzoek blijkt dat de tong atrofisch is en dat zich daarin soms onwillekeurige beweginkjes voordoen. Ook in de bovenbeenspieren worden onder de huid enkele spiertrekkinkjes waargenomen, verspringend van plaats. Alle spierrekkingsreflexen zijn hoog, en de voetzoolreflexen verlopen volgens Babinski.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

1. Amyotrofische lateraalsclerose (ALS)

2. Welk aanvullend onderzoek kan verricht worden ter ondersteuning van deze diagnose?

2. Neurofysiologisch onderzoek, met name EMG

3. Wat is de meest waarschijnlijke prognose van deze patiënt?

3. Overlijden binnen 2 tot 3 jaar

 

Biomedische vraag Antwoord

Voltage-afhankelijke ion-kanalen bepalen actiepotentialen in het lichaam.

1. Welk ion(-kanaal) is het meest belangrijk voor depolarisatie van de actie potentiaal van een spiercel?

1. Natrium

2. Welk ion(-kanaal) is het meest belangrijk voor de repolarisatie van de spiercel?

2. Kalium

3. Welk ion(-kanaal) is het meest belangrijk voor de spiercontractie?

3. Calcium

 

 

Vraag 46

Een 60-jarige rechtshandige vrouw wordt naar de Eerste Hulp afdeling gebracht in verband met een plotseling ontstane zwakte van haar rechterarm en haar rechterbeen. Haar medische voorgeschiedenis vermeldt hypertensie. Bij het onderzoek door de arts-assistent neurologie is patiënte alert en goed georiënteerd. Haar articulatie is wat onduidelijk. De rechter mondhoek beweegt niet goed mee. Patiënte kan haar rechterarm en -been minder goed optillen dan links. De knijpkracht van de hand en de kracht van de voethefferspieren is rechts MRC 4. De spierrekkingsreflexen zijn symmetrisch opwekbaar, maar de rechter voetzoolreflex is pathologisch.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Waar moet de oorzaak van deze verschijnselen gelokaliseerd worden? Specificeer.

1. De lokalisatie van de afwijking is in de linkerhemisfeer in de capsula interna.

2. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak?

2. Herseninfarct.

3. Noem (uitgaande van de meest waarschijnlijke oorzaak) een aanvullend onderzoek dat bij deze patiënte gevolgen kan hebben voor de behandeling ter voorkoming van een herhaling.

3. ECG, duplex carotiden.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Geef een verklaring voor het feit dat bij deze patient de mondhoek niet goed beweegt terwijl de spieren rond het oog en in het voorhoofd wel goed functioneren.

1. De n. facialis stuurt de mimische spieren aan. Het gedeelte van de nucleus facialis dat de spieren van de bovenste gelaatshelft verzorgt, wordt vanuit beide hemisferen aangestuurd.

 

De spieren van de onderste gelaatshelft worden supranucleair slechts eenzijdig beïnvloed.

Vraag 47

Een 49-jarige assuradeur wordt door de huisarts naar de neuroloog verwezen wegens vrijwel dagelijks optredende borende pijn achter het linkeroog, die hij sedert twee weken heeft. De pijn wekt hem als regel in de vroege morgen, trekt pas één a twee uur later weg en is zo hevig dat hij zich soms dood zou wensen. Zijn vrouw merkt op dat het oog tijdens een pijnaanval rood ziet, en dat dan het ooglid aan die kant iets afhangt. Twee jaar geleden heeft hij ook een dergelijke serie aanvallen gehad, gedurende tien dagen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Welke diagnose is het meest waarschijnlijk?

1. Episodische cluster hoofdpijn

2. Noem drie typische kenmerken van deze aandoening.

2. Unilaterale hoofdpijn (retro-orbitaal/trigeminusgebied); autonome verschijnselen (Horner syndroom, rood

tranend oog, verstopte neus); duur 15-180 minuten; vaker ’s nachts; frequentie 1-8 keer per dag

 

 

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Er zijn 2 perifere zenuwstructuren die bij uitval een afhangend ooglid kunnen geven. Noem beide.

1. - n. oculomotorius, sympathicus of sympathische zenuwvezels (als een onderdeel van de sympathische route wordt genoemd, zoals truncus sympathicus, ggl. cervicale superius, n. caroticus internus, dan is dit ook goed)

 

 

Vraag 48

Een 58-jarige man is geopereerd in verband met een groot sarcoom van de linker bil. Na de operatie heeft hij last gekregen van een zeurende, brandende pijn, uitstralend naar de achterzijde van het linker bovenbeen. De pijn reageert matig op morfine.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Waardoor wordt de pijn bij deze patiënt waarschijnlijk veroorzaakt?

1. De pijn wordt veroorzaakt doordat bij de operatie de n. ischiadicus is beschadigd c.q. opgeofferd (1 punt).

2. Hoe heet dit type pijn?

2. Het gaat om neuropathische pijn (1 punt).

3. Wat is de volgende stap in de medicamenteuze behandeling?

3. De volgende stap in de behandeling is een antidepressivum (b.v. amitriptyline) of een anti-epilepticum (b.v. carbamazepine of gabapentine).

 

Biomedische vraag Antwoord

Pijn kan worden beschreven in vijf dimensies, t.w. in een pathofysiologische, sensorische, affectieve, cognitieve en een gedragsmatige dimensie.

1. Leg uit wat bedoeld wordt met (1) de sensorische dimensie, (2) de affectieve dimensie en (3) de cognitieve dimensie.

- Sensorische dimensie: pijngewaarwording naar karakter en intensiteit.

- Affectieve dimensie: psychische factoren die veroorzaakt worden door dan wel samengaan met c.q. van invloed zijn op de pijn, zoals angst of depressie

 

- Cognitieve dimensie: de betekenis die aan de pijn wordt toegekend

 

 

Vraag 49

Een 45-jarige man bezoekt de spoedeisende eerste hulp vanwege een scheve mond aan de linkerzijde die in de loop van de dag ervoor is ontstaan. De dagen daarvoor heeft hij wat pijn gevoeld rond zijn linkeroor. Als de arts-assistent neurologie hem vraagt de ogen dicht te knijpen lukt dat links niet goed en draait het linkeroog naar boven. Ook het bewegen van de mondhoek lukt links niet goed. Er zijn bij het verdere neurologische onderzoek geen afwijkingen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Waar localiseert u deze afwijking?

1. In de linker nervus facialis.

2. Wat gebeurt er met de uitvalsverschijnselen als de patiënt moet lachen of huilen?

2. Dan verandert er niets aan de uitvalsverschijnelen.

3. Noem een ziekte waardoor deze afwijking kan ontstaan.

3. Idiopathische parese van Bell; Ziekte van Lyme/ neuroborreliose; herpes zoster oticus; sarcoidose; parotistumor.

 

Biomedische vraag Antwoord

NB Het antwoord op deze vragen dient specifieker te zijn dan alleen de naam van een hersenzenuw.

1. Welke zenuw innerveert de huid van het voorhoofd ?

1. n. ophthalmicus (evt. n. supraorbitalis) (2 punten)

2. Welke zenuw innerveert de huid van de kin ?

2. n. mandibularis (evt. n. mentalis, n. alveolaris inferior) ( 1 punt)

 

 

Vraag 50

In de vroege ochtend bij een kop koffie na een nachtelijke operatie gaat uw collega co-assistent onderuit.

U kunt hem nog net opvangen zodat hij niet met zijn hoofd op de grond valt. Hij vertoont ritmische schokkende bewegingen met beide armen en benen gedurende meer dan een minuut. Samen met enkele verpleegkundigen brengt u hem buiten de OK waar hij weer bijkomt. U besluit voorlopig bij hem te blijven. Een kwartier na de aanval weet hij pas weer waar hij is. U overlegt met een goede kennis van uw collega over het verdere beleid. Van deze kennis hoort u dat patiënt dit nooit eerder heeft gehad.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

1. Epileptische aanval. (2 punten)

2. Is verwijzing naar de neuroloog noodzakelijk? Beargumenteer kort.

2. Ja, want waarschijnlijk is het een eerste epileptische aanval. (1 punt)

 

 

 

Biomedische vraag Antwoord

Herhaal hier uw antwoord op de eerste klinische vraag.

1. Wat doet u op het moment van de aanval?

1. Algemene maatregelen (ademhalingswegen vrij houden, tongbeet voorkomen, enz). (1 punt)

 

 

Vraag 51

Een 55-jarige portier bezoekt de huisarts vanwege een wegraking een dag tevoren. Volgens zijn vrouw kon hij op dat moment alleen nog maar gebrabbel uitbrengen en reageerde hij daarna niet meer op aanspreken. Dit werd na enkele seconden gevolgd door schokken van de rechter mondhoek, en vervolgens van de rechter arm. Na ongeveer 5 minuten kwam hij weer geleidelijk bij maar was hij nog enigszins gedesoriënteerd gedurende een kwartier. Een uur later was hij weer volledig de oude. Achteraf kon hij zich vrijwel niets van deze episode herinneren. Iets dergelijks had zich nooit eerder voorgedaan. De patiënt was altijd gezond, maar wordt behandeld voor hypertensie met een bètablokker en was een forse roker.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van de wegraking? (benoem zo exact mogelijk)

1. Partieel complexe epileptische aanval

2. Waar is de afwijking gelocaliseerd? Geef zo exact mogelijk de plaats aan.

2. Links frontotemporaal in of vlak onder de cortex (gebied van Broca en primair motore cortex)

3. Wat is bij deze patiënt de meest waarschijnlijke oorzaak?

3. Cerebrale metastase van een longcarcinoom

 

Biomedische vraag Antwoord

Tijdens de wegraking kunnen ionen electrolytenwaarden uit balans raken.

Geef de uiterste waarden (of concentraties) voor een normale bloedplasmaspiegel voor natrium, kalium en de pH.

Natrium : 138-146 mmol/L

Kalium: 3.8 – 5 mmol/L

pH: 7.3 – 7.5

 

 

Vraag 52

U bent de huisarts van een 25-jarige ongehuwde man, die sinds 2 maanden bekend is met de diagnose schizofrenie. Hij woont bij zijn ouders en gebruikt als medicatie haloperidol 5 mg per os en biperideen 2 x 2 mg. Met deze medicatie functioneert hij naar omstandigheden redelijk. Op een avond wordt u bij hem geroepen wegens in de loop van de dag ontstane verwardheid. Zo kent u hem niet. Patiënt is in zichzelf gekeerd en geeft geen antwoord op vragen. Het bewustzijn lijkt niet helemaal helder. Omdat zijn gezicht rood en warm aanvoelt meet u de temperatuur: 40.2 graad Celsius (rectaal). Hij ligt hevig transpirerend op bed en u bemerkt een tandradfenomeen aan beide armen en benen. Patiënt is niet nekstijf. De ademhaling is onrustig. De polsfrequentie bedraagt 120 per minuut, de bloeddruk is normaal. U besluit hem op te laten nemen in het ziekenhuis.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

1. Maligne neuroleptisch syndroom (of: maligne neuroleptica syndroom).

2. Welke andere oorzaak moet hier uitgesloten worden?

2. Infectie.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Op welk neurochemisch mechanisme in de hersenen berust de werking van haloperidol vooral?

1. Blokkade dopamine (D2) receptor.

2. Noem een belangrijke bijwerking van haloperidol op basis van de onder 1 genoemde neurochemische werking.

2. Extrapyramidale stoornissen (Parkinsonisme).

3. Wat is de mogelijke medicamenteuze symptomatische behandeling van het door haloperidol in de bovenstaande casus ontstane probleem. Denk hierbij ook aan het onder 1 gegeven antwoord

3. Een dopaminerge agonist (b.v. L-DOPA)(ook de spierrelaxans dantroleen).

 

 

Vraag 53

Een 74-jarige vrouw wordt opgenomen op de afdeling neurologie in verband met een acuut ontstane dysarthrie, een mondhoekparese links en een milde zwakte van de linkerarm (MRC graad 4) ten gevolge van een herseninfarct.

 

Klinische vraag Antwoord

1. In het stroomgebied van welke arterie is het infarct gelokaliseerd?

1. In het rechter a. cerebri mediagebied.

2. Specificeer in welk geval bij deze patiënte een carotisendarteriectomie geïndiceerd is.

2. Indien er een stenose is van de rechter a. carotis interna van 70-99%.

3. In welk geval is bij deze patiënte behandeling met orale anticoagulantia geïndiceerd?

3. Bij een aangetoonde cardiale emboliebron. Meestal gaat het om atriumfibrilleren.

 

Biomedische vraag Antwoord

Een spiercontractie vindt plaats omdat twee eiwitten met elkaar kunnen binden onder invloed van een ion dat vrijgesteld wordt in het cytoplasma. Benoem:

1. deze twee eiwitten

1. Actine en Myosine.

2. het ion

2. Calcium.

3. de structuur uit welke het ion wordt vrijgesteld.

3. Sarcoplasmatisch reticulum.

 

 

Vraag 54

Een 45-jarige man bezoekt zijn huisarts in verband met een scheve mond sinds een dag. Hij heeft daardoor wat moeite gekregen met praten en eten. Verder heeft hij geen klachten. Hij is niet ziek geweest en heeft geen medische voorgeschiedenis. Bij het lichamelijk onderzoek is de mond aan de rechterzijde duidelijk minder beweeglijk, zowel bij bewegen op verzoek als bij de spontane mimiek. Bovendien kan patiënt ook zijn rechteroog niet volledig sluiten. Als de huisarts hem daartoe aanspoort draait het oog omhoog.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Waar kan de afwijking die deze verschijnselen veroorzaakt het beste gelokaliseerd worden?

1. In de perifere nervus facialis (nVII).

2. Noem 3 oorzaken van deze aandoening.

2. Idiopathisch (Bellse parese), ziekte van Lyme, herpes zoster oticus, tumor van de glandula parotis, otitis media, leptomeningeale metastasen, trauma, iatrogeen door operatie.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Noem drie andere verschijnselen, dus naast de mimische symptomen, die een patient met deze aandoening in theorie ook zou kunnen hebben. U mag er dan van uit gaan dat de lokalisatie van de aandoening deze verschijnselen mogelijk maakt.

1.a. gestoorde traansecretie

b. hyperacusis

c. gestoorde speekselsecretie

d. gestoorde smaaksensatie

 

 

Vraag 55

Een 50-jarige vrouw bezoekt het spreekuur van de neuroloog in verband met problemen bij het lopen sinds een aantal maanden. Patiënte is verwezen door haar reumatoloog, die haar al jaren behandelt in verband met de ziekte van Sjögren. Volgens patiënte loopt zij als een dronkenman, vooral als het donker is. Bij het lichamelijk onderzoek vindt de neuroloog een kousvormig verminderde aanrakingszin en pijnzin aan de benen vanaf halverwege de onderbenen. De vibratiezin is afwezig tot en met de bekkenkam, en de bewegingszin aan de tenen is sterk verminderd. Er is geen zwakte. De spierrekkingsreflexen aan de benen zijn afwezig. De voetzoolreflexen zijn normaal. De proef van Romberg is positief. Bij het lopen is er een sterk wisselende paslengte en doet patiënte vaak een pas opzij. Zij kan nauwelijks lopen met de ogen dicht.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Hoe heet het looppatroon van patiënte?

1. Sensorische ataxie.

2. Waar kan de oorzaak van deze verschijnselen gelokaliseerd zijn? Noem twee mogelijkheden.

2. In de achterstrengen in het myelum en in de (dikke gemyeliniseerde) sensorische vezels van de perifere zenuwen.

 

Biomedische vraag Antwoord

Een neuron reageert volgens het alles-of-niets principe.

1. Wat houdt dit in?

1. De amplitude van de actie potentiaal is onafhankelijk van de sterkte van de prikkel.

 

Vraag 56

Een waarnemend huisarts wordt geroepen bij een 75-jarige dame die ’s middags in het aangrenzende pand tijdens een bridgewedstrijd plotseling verward was geworden. Bij het lichamelijk onderzoek, ongeveer 45 minuten na het begin van de verschijnselen, reageert de patiënte op vragen met korte zinnetjes zoals “nee toch” en “ik weet niet” en “jaja”. Op de vraag om een voorwerp te benoemen zegt ze “jaja, dat is toch..zo’n dingetje”. Op verzoek opent en sluit zij de ogen, maar zij kan met de rechterhand niet correct haar linkeroor vastpakken. De huisarts twijfelt of de mondhoek scheef is ten nadele van rechts. Verder zijn er geen bijzonderheden behoudens een snelle, onregelmatige pols en een bloeddruk van 160/100 mmHg.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Hoe dient de verwardheid van deze patiënte beter benoemd te worden?

1. Als een acute dysfasie, meer expressief (motorisch) dan receptief (sensorisch).

2. Waar kan de oorzaak van deze verschijnselen het best gelokaliseerd worden?

2. Dominante hemisfeer, frontotemporale cortex, in de gebieden van Broca en Wernicke.

3. Wat kan de huisarts in dit geval het beste doen? Leg uit waarom.

3. Acuut insturen naar een neurologisch centrum waar i.v. thrombolyse (binnen 3 uur) toegepast kan worden.

 

Biomedische vraag Antwoord

Dit ziektebeeld kan onder bepaalde voorwaarden (inclusie en exclusie criteria) worden behandeld met recombinant-tissue-plasminogeen-activator (rt-PA, Alteplase).

1. Wat is het werkingsmechanisme van deze stof?

1. Door activatie van plasminogeen wordt via plasmine de fibrinolyse versterkt: afbraak trombus.

2. Welk belangrijk geneesmiddel komt in een vroege acuut stadium en ook tijdens de secundaire preventie in aanmerking bij dit ziektebeeld?

2. Acetylsalicylzuur.

 

 

Vraag 57

Op de afdeling chirurgie van een algemeen ziekenhuis waar u als zaalarts werkt, ligt mevrouw Gerritsen, 82 jaar. Zij heeft haar heup gebroken bij een val en is 2 dagen geleden hieraan geopereerd. De verpleging vertelt u dat zij sinds de operatie achteruit gaat: ze heeft haar infuus en katheter verwijderd, denkt dat men haar probeert te vergiftigen met pillen en heeft haar recent overleden man in haar kamer zien staan. Ze is die nacht door de verpleegkundige in de gang aangetroffen terwijl ze nog niet uit bed mag. Ze weigerde terug te keren naar haar kamer en begreep niet dat ze in het ziekenhuis was en waarom. De verpleging vindt dat het zo niet langer kan en dat u nu iets moet doen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

1. Delier op basis van een onderliggende somatische oorzaak.

2. Welk beleid is – behalve medicatie - geïndiceerd? (noem 2 elementen)

2. Onderliggende oorzaak van het delier opsporen en behandelen; fixatie; oriënterende maatregelen.

 

Biomedische vraag Antwoord

Een deel van het beleid bestaat uit medicatie. De medicatie kan aanleiding geven tot orthostatische hypotensie (cave: vallen) en bij langdurig gebruik tardieve kinesie veroorzaken.

1. Benoem het geneesmiddel en de geneesmiddelklasse waartoe het behoort.

1. Haloperidol en antipsychotica.

2. Welk mechanisme is verantwoordelijk voor de hypotensie? Benoem de receptor.

2. De alfa-sympathicolytische werking: blokkade a-adrenoceptoren in de bloedvaten.

3. Welk mechanisme is verantwoordelijk voor de tardieve kinesie? Benoem de receptor.

3. Blokkade dopamine (D2) receptoren centraal (nigrostriataal).

 

Vraag 58

Een 85-jarige man heeft een heupoperatie ondergaan. Op de afdeling in het ziekenhuis is hij onrustig. Hij denkt dat de verpleegster zijn overleden vrouw is en maakt toespelingen, die op het randje zijn. Zijn dochter die op bezoek komt, verzekert dat ze hem zo niet kent. Voor de operatie was patiënt in het algemeen redelijk gezond. Hij was zowel geestelijk als lichamelijk nog zeer actief.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

1. Delirium.

2. Met welk medicijn wordt deze aandoening behandeld?

2. Haloperidol.

3. Wat voor aanvullend beleid is in eerste instantie nog geïndiceerd?

3. Diagnostiek naar een mogelijk lichamelijke oorzaak (NB. Antwoorden over bijvoorbeeld verpleegtechnieken zijn niet goed, omdat deze hier niet ‘in eerste instantie’ geïndiceerd zijn).

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Welke receptor wordt op welke wijze beïnvloed door dit geneesmiddel?

1. DA receptor (D1 en D2); blokkade (antagonisme).

2. Welke bijwerking op de motoriek kan hierdoor frequent optreden?

2. Parkinsonisme (dystonie/akathisie).

3. Wat is de oorzaak van de bijwerking 'droge mond' in het begin van de behandeling met dit geneesmiddel?

3. Anticholinerge bijwerking (blokkade AChM receptoren).

 

 

Vraag 59

Een 27-jarige vrouw bezoekt het spreekuur van de neuroloog in verband met in enkele dagen ontstane zwakte van de benen. Zij heeft tevens een verminderd gevoel aan de benen en het onderlichaam, en moeite met plassen. Patiënte is altijd gezond geweest, behoudens een ontsteking van een oogzenuw op 19-jarige leeftijd.

Bij het neurologisch onderzoek vindt de neuroloog uitval op T6, afwezige buikhuidreflexen, zwakte van de buigers van beide benen (MRC graad 4), levendige spierrekkingsreflexen en beiderzijds een pathologische voetzoolreflex.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Met welke beschrijvende term worden deze verschijnselen het beste samengevat?

1. Myelitis transversa.

2. Welke diagnose is het meest waarschijnlijk bij deze patiënte?

2. Multipele sclerose.

3. Welk aanvullend onderzoek is in eerste instantie geïndiceerd?

3. MRI van het myelum en liquoronderzoek.

 

Biomedische vraag Antwoord

De systemen van neurotransmitters (en hun receptoren) en van hormonen (en hun receptoren) vertonen veel overeenkomsten.

1. Geef in maximaal 2 zinnen het belangrijkste verschil tussen deze twee systemen aan.

1. Neurotransmissie is signaaloverdracht via twee zenuwcellen: axon + synaps; hormonale signaaltransductie via de bloedbaan.

 

 

Vraag 60

U bent poortarts. Een 23-jarige man heeft tijdens het polsstokspringen de balk van de polsstok op het hoofd gekregen. Hierna was hij een kwartier bewusteloos. Hij wordt door zijn vrienden binnengebracht op de eerste hulp. Bij onderzoek op de eerste hulp heeft hij een wond van 4 cm op het voorhoofd, diffuus bloedend. Hij opent zijn ogen spontaan, is alert en georiënteerd. Er worden geen neurologische afwijkingen gevonden. De patiënt wordt ter observatie opgenomen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de klinische waarschijnlijkheidsdiagnose?

1. Contusio cerebri / commotio cerebri / hersenschudding.

2. Welk aanvullend onderzoek moet zeker gedaan worden?

2. X-schedel / CT-schedel / MRI-schedel.

3. Welk advies moet gegeven worden aan de verpleging tijdens de observatieperiode?

3. Wekadvies 1ste slaapperiode.

 

Biomedische vraag Antwoord

De levenscyslus van een cel is niet oneindig. Apoptosis en necrosis zijn twee benamingen die aangeven dat er sprake is van celdood.

1. Wat is het verschil tussen deze twee begrippen?

1. Apoptosis: zelfregulering van celdood. Intern proces en Necrosis: door externe omstandigheden opgelegde celdood.

2. Welke term is van toepassing bij deze traumatische weefselbeschadiging?

2. Necrosis.

 

 

Vraag 61

Een 52-jarige vrouw bezoekt het spreekuur van de neuroloog in verband met onaangename tintelingen van de rechterhand. Deze tintelingen zijn sinds enkele weken aanwezig, het meest in de tweede en derde vinger. Meestal wordt zij er ’s nachts rond een uur of 4 wakker van. Schudden met de hand geeft dan enige verlichting. Bij het neurologisch onderzoek is de fijne tast verminderd aan de toppen van de eerste, tweede en derde vinger. Verder zijn er geen afwijkingen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

1. Carpale-tunnel syndroom/ CTS.

2. Hoe kan deze diagnose bevestigd worden met aanvullend onderzoek? Specificeer.

2. Door onderzoek van de zenuwgeleidingssnelheid van de n. medianus ter hoogte van de pols middels EMG-onderzoek.

3. Hoe kan deze klacht verholpen worden? Noem 2 mogelijkheden.

3. Door operatief klieven van het ligamentum transversum, door locale injectie met corticosteroïden, of door een polsspalk.

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Welke zenuw innerveert de strekkers van het polsgewricht?

1. n. radialis

2. Welke twee zenuwen innerveren de buigers van het polsgewricht?

2. n. medianus en n. ulnaris

 

 

Vraag 62

De neuroloog wordt door de poortarts op de SEH geroepen bij een 22-jarige Deense deelnemer aan een atletiektoernooi, in verband met abnormale bewegingen van gelaat en hoofd. Deze bewegingen zijn enkele uren eerder begonnen. Enkele dagen tevoren had patiënt hoofdpijn gekregen met koorts tot 38,5 ˚C, misselijkheid en braken. Op de dag van het toernooi heeft hij hiervoor paracetamol 4 dd 500 mg, diclofenac 3dd 50 mg en metoclopramide 4 dd 10 mg ingenomen. Bij het lichamelijk onderzoek is de temperatuur 37,8 ˚C, de polsfrequentie 88/min en de bloeddruk 115/80 mmHg. De patiënt is niet meningeaal geprikkeld. Hij grimasseert voortdurend met mond en ogen en maakt draaiende wringende bewegingen met zijn nek. Verder zijn er geen algemene of neurologische afwijkingen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Hoe worden deze abnormale bewegingen genoemd?

1. Orofaciale dyskinesieën, dystonie, torsiedystonie, syndroom van Meige

2. Wat is bij deze patiënt de meest waarschijnlijke oorzaak?

2. Bijwerking van de metoclopramide

3. Hoe kunnen deze abnormale bewegingen zo snel mogelijk verholpen worden?

3. Intraveneuze toediening van een anticholinergicum, zoals biperideen (Akineton).

 

Biomedische vraag Antwoord

Getrainde atleten hebben een betere conditie dan niet getrainde personen. Deze Deen excelleert op de korte loopafstanden: een sprinter van de 100 m.

1. Benoem drie veranderingen die belangrijk zijn voor de prestatie, en die als gevolg van training zijn opgetreden aan de sportief actieve skeletspieren.

1.

-Meer kracht: hypertrofie van de spier.

-Betere doorbloeding van de spier.

-Grotere reserves voor anaërobe energie vrijzetting.

 

 

Vraag 63

Een 38-jarige man bezoekt de huisarts vanwege ernstige pijn in het linkerbeen sinds twee dagen. De pijn is ontstaan in aansluiting op een episode van 5 dagen met pijn midden in de onderrug, en straalt uit via de bil en de achterzijde van het been naar de laterale voetrand. De medische voorgeschiedenis van de patiënt vermeldt geen bijzonderheden. Hij gebruikt geen medicijnen behalve pijnstillers in de laatste weken. Bij het neurologisch onderzoek kan de pijn uitgelokt worden door het linkerbeen gestrekt te heffen tot 60°.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is het beste beleid indien de patiënt geen andere klachten heeft en bij het onderzoek geen andere afwijkingen worden gevonden? Noem twee elementen.

1. Pijnstilling (zo nodig) en advies zoveel mogelijk normaal in beweging te blijven. Verwijzing naar een neuroloog is niet nodig. Bedrust verbetert of versnelt het herstel niet.

2. Welke klachten of afwijkingen die bij dit syndroom kunnen voorkomen vormen een reden voor een verwijzing met spoed naar de neuroloog?

2. Een passagestoornis van de mictie of de defaecatie (incontinentie of retentie), of een ernstige parese of paralyse.

 

 

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. NSAID’s worden toegepast bij de medicamenteuze behandeling van dit syndroom. Noem tenminste drie mogelijk toepasbare NSAID’s.

1. Ibuprofen, diclofenac, naproxen. N.B. Er is géén aanleiding om nieuwere, duurdere COX-2 remmers in te zetten of maagbeschermende middelen (misoprostol, H2 antagonisten) te geven.

2. Op welke cellulair farmacodynamisch werkingsmechanisme berust de werking van NSAID’s?

2. COX remming/remming prostaglandine synthetase.

Vraag 64

Een 16-jarige jongen botst bij het voetballen met zijn hoofd hard tegen het hoofd van een tegenstander. Hij raakt gedurende ongeveer 2 minuten bewusteloos. Als hij is bijgekomen, is hij kortdurend verward en krijgt hij plotseling strekkrampen, wijde pupillen en een blauw gelaat, gevolgd door schokken met armen en benen gedurende 2 tot 3 minuten Hij is dan opnieuw bewusteloos. Daarna komt hij weer bij, en is hij nog gedurende 10 minuten verward. Bij aankomst op de Spoedeisende Hulp is hij geëmotioneerd, maar rustig en goed georiënteerd.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de diagnose van de 1e wegraking?

1. Licht diffuus schedel-hersenletsel, ofwel commotio cerebri, ofwel hersenschudding

2. Wat is de diagnose van de 2e wegraking?

2. Vroeg posttraumatisch tonisch-clonisch epileptisch insult

3. Welk aanvullend onderzoek dient te worden verricht?

3. CT-scan hersenen

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Welk deel van het autonome zenuwstelsel reguleert de pupil-licht reflex?

1. parasympatisch

2. Via welke zenuwen verloopt het afferente respectievelijk het efferente deel van de pupil-licht reflex

2. afferent NII (n. opticus), efferent NIII (n. oculomotorius)

Vraag 65

Een 55-jarige vrouw bezoekt het spreekuur van de huisarts wegens onaangename tintelingen in haar rechterhand. De tintelingen bestaan sinds 2 tot 3 weken, en wekken haar ’s nachts uit haar slaap. Dan probeert ze de tintelingen als het ware 'uit haar hand te slaan'. Overdag heeft ze ook last, vooral bij actief gebruik van haar rechterarm. Ze vertelt dat de tintelingen in alle vingers aanwezig zijn, en dat ze tevens wat pijn heeft in de arm en de schouder. Bij het neurologisch onderzoek vindt de huisarts behalve een verandering van het gevoel aan de palmaire zijde van de eerste t/m de vierde vinger geen afwijkingen.

Klinische vraag Antwoord

1. Waar lokaliseert u de oorzaak van de klachten?

1. In de n. medianus ter plaatse van de rechterpols in de carpale tunnel

2. Bij welke categorie aandoeningen hoort deze aandoening?

2. Bij de compressieneuropathieën

3. Welke andere neurologische uitvalsverschijnselen kunnen hierbij voorkomen?

3. Zwakte van de m. opponens pollicis en de m. abductor pollicis brevis en atrofie van deze spieren c.q. de duimmuis

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Noem drie zenuwen die zorgen voor de sensibele innervatie van de hand.

1. n. medianus, n. ulnaris, n. radialis

 

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of Geneeskunde World Supporter
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
6
Connect & Continue
WorldSupporter Resources

Casusvragen Oncologie

Set van 10 casusvragen voor het thema Oncologie, onder andere bruikbaar als voorbereiding op de Universitaire Voortgangs Toetsen

More from Geneeskunde World Supporter
Promotions
special isis de wereld in

Waag jij binnenkort de sprong naar het buitenland? Verzeker jezelf van een goede ervaring met de JoHo Special ISIS verzekering