Casusvragen Urologie

Set van 21 casusvragen voor het thema Urologie onder andere bruikbaar als voorbereiding op de Universitaire Voortgangs Toetsen


Vraag 1

De huisarts wordt bezocht door een 42 jarige vrouw, moeder van 3 kinderen. Zij klaagt over ongewenst urineverlies. Dit urineverlies treedt met name op bij lichamelijke inspanning (volleybal), maar soms verliest zij ook urine als zij aandrang voelt. Zij is dan te laat op het toilet.

Klinische vraag Antwoord

1. Noem de twee vormen van urine-incontinentie die hier kunnen spelen, dan wel de combinatie van beide, in volgorde van waarschijnlijkheid (drie opties dus).

1.

[a] Stress- (inspannings-)incontinentie

[b] Urge- (aandrang-)incontinentie. Een gemengde incontinentie het meest waarschijnlijk, daarna stress en dan urge.

2. Welke twee onderdelen van het lichamelijk onderzoek en de anamnese zijn van belang voor de vraag of de huisarts moet verwijzen?

2.

[a] De aanwezigheid van een blaasverzakking [b] Is urineverlies door hoesten of persen te provoceren?(speculumonderzoek ook goedrekenen)

Biomedische vraag Antwoord

1. Welke spier vormt het grootste deel van de bekkenbodem?

1. M. levator ani

2. Het corpus perineale is een belangrijke structuur voor de integriteit van het perineum en de ondersteuning van bekkenorganen. Noem twee spieren die aan het corpus perineale hechten.

2. M. bulbospongiosus, m. sfincter ani externus, m. levator ani, m. transversus perinei profundus, m. transversus perinei superficialis

 

Vraag 2

Een 36 jarige gehuwde vrouw, vier kinderen, komt bij u op het huisartsenspreekuur. De voorgeschiedenis vermeldt COPD en zij heeft fors overgewicht (97 Kg bij een lengte van 1.64). Zij klaagt sinds de geboorte van haar laatste kind een jaar geleden over ongewenst urineverlies bij hoesten. Haar partner heeft zich inmiddels laten steriliseren. Bij onderzoek vindt u bij het spreiden van de labia een bleke ronde zwelling naar buiten puilen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak voor deze abnormale bevinding?

1. Cystocele

2. Noem drie behandelingsmogelijkheden om haar probleem te verhelpen.

2. Algemene maatregelen: (afvallen, COPD behandelen) operatieve correctie (TFT, Stamey, Burch enz.) fysiotherapie

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Welk ligament is het belangrijkst bij het fixeren van de uterus?

1. Ligamenta cardinalia

2. Hoe kunt u haar klachten in verband brengen met uw bevindingen?

2. Intra-abdominale drukverhoging wordt niet langer doorgegeven aan blaashals en proximale urethra

 

Vraag 3

Een 63-jarige man bezoekt uw huisartsenspreekuur omdat hij de laatste maanden niet goed meer kan plassen. Hij heeft heel vaak aandrang, de straal is dun, hij kan vaak niet goed uitplassen en hij heeft veel last van nadruppelen. Bij het rectaal onderzoek vindt u een vergrote, hobbelige, vast-elastische prostaat met enkele harde partijen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Welke drie diagnoses staan bovenaan in de differentiaaldiagnose (niet meer dan 3 noemen)?

1.

Prostaatcarcinoom;

benigne prostaathypertrofie;

acute/chronische prostatitis.

 

Biomedische vraag Antwoord

Tot in het begin van de vorige eeuw werden beroemde jongenssopranen gecastreerd voordat ze de baard in de keel konden krijgen.

1. Werd de groei van de prostaat van deze jongens hierdoor geremd of gestimuleerd? Verklaar uw antwoord.

1. De groei werd geremd (1 pnt) doordat de testosteronspiegel in het bloed sterk verlaagd is na castratie door het wegvallen van de testis (trofisch hormoon voor de kliercellen in de prostaat) (2 pnt).

Vraag 4

Een 64-jarige vrouw bezoekt uw spreekuur in verband met een drukkend gevoel in de onderbuik, lage rugpijn en het gevoel niet goed uit te kunnen plassen. De straal van de urine is ook minder krachtig geworden. Deze klachten zijn in de ochtend, vlak na het opstaan, nauwelijks aanwezig, maar nemen in de loop van de dag in ernst toe. Bij het douchen heeft zij bemerkt dat er een gezwel uit de vagina komt en zij maakt zich daarover veel zorgen. Zij heeft 2 kinderen, heeft haar leven lang fors gerookt en is verder bij u bekend met een chronische obstipatie, hypertensie en psoriasis.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is waarschijnlijk de oorzaak van het probleem?

1. Een verzakking van vagina voorwand = een cystokèle

2. Noem twee risicofactoren voor het ontstaan van deze aandoening.

2. Het baren van kinderen, roken en chronische obstipatie.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Verklaar het ontstaan van de plasklachten vanuit de (eventueel veranderde) anatomie.

1. Door het verzakken van de blaas verandert de hoek tussen de blaas en de urethra met als gevolg dat deze min of meer afknikt.

Vraag 5

Er meldt zich bij U als huisarts een 51-jarige man, die sinds gisteren plotseling bloed plast. Daarbij heeft hij pijn in zijn rechterzij. Patiënt maakt geen zieke indruk en heeft geen koorts. U doet een volledig lichamelijk onderzoek. Er zijn, behalve een wat gevoelige rechter flank, geen abnormale bevindingen.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is Uw differentiële diagnose in volgorde van waarschijnlijkheid in dit geval? Noem drie diagnosen.

1. Urolithiasis, urineweginfectie, oncologische afwijking, nefrogeen lijden.

2. Welk beeldvormend onderzoek is geïndiceerd? Noem er drie.

2. X-BOZ, echografie, IVU, CT, retrograad ureterogram.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Op welke drie locaties heeft de ureter de geringste diameter ?

1.

Overgang van pelvis renalis naar ureter.

Kruising met iliacale vaten / bekkeningang.

Uitmonding in de blaas.

 

Vraag 6

U bent huisarts en op uw telefonisch spreekuur belt Saskia de Vries, 26 jaar. Ze vertelt sinds twee dagen frequent kleine beetjes te moeten plassen; dat gaat gepaard met een branderig gevoel. Op uw aanvullende vragen geeft ze aan geen pijn in de lendenen te hebben, ze heeft geen koorts en ze heeft deze klachten nog nooit eerder gehad. U vermoedt een urineweginfectie en vraagt haar wat urine bij de assistente af te geven.

Klinische vraag Antwoord

1. Welke twee aanvullende onderzoeksmethoden staan tot uw beschikking in de eigen praktijk om de diagnose urineweginfectie met voldoende zekerheid te stellen en wanneer past u die toe?

1. Eerst nitriettest; indien negatief dipslide of sediment

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Noem de meest voorkomende verwekker van ongecompliceerde urineweginfecties.

1. E. coli (Escherichia coli).

2. Welke structuren van deze verwekker bevorderen de kans op infectie?

2. Het bezit van receptoren voor epitheelcellen van de blaas.

Vraag 7

Een 64-jarige man wordt gepresenteerd op de Spoedeisende Hulp (EHBO) vanwege koorts tot 40.3 0 C. Hij heeft een keer een koude rilling gehad. Hij is bekend met type 2 diabetes, waarvoor hij orale medicatie gebruikt. Bij lichamelijk onderzoek is er sprake van een acuut zieke man. Bloeddruk 110/65, pols 108 r.a. temp 39.7 0 C. Hij geeft pijn aan in de linker zij.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Welke diagnose is het meest waarschijnlijk?

1. Opstijgende urineweg-infectie (pyelonefritis).

2. Welk aanvullend beeldvormend onderzoek is geïndiceerd, naast bacteriële kweken?

2. Echo nieren.

 

Biomedische vraag Antwoord

Het temperatuurcentrum in de hypothalamus wordt beïnvloed door het cytokine IL-1.

1. Welke cellen produceren dit cytokine?

1. Macrofagen of dendritische cellen.

2. Noem een microbiële substantie die deze cellen aanzet tot secretie van het cytokine dat koorts veroorzaakt.

2. LPS, celwand van gram-neg. Bacteriën.

 

Vraag 8

Een 6-jarige jongen bezoekt uw huisartsspreekuur i.v.m. bloed in de urine. Dit bestaat sinds enkele dagen. Twee weken geleden heeft hij een keelontsteking doorgemaakt. De begeleidende vader vertelt u ook dat het er op lijkt dat hij de afgelopen dagen minder is gaan plassen en dat zijn gezicht boller is geworden. Het kind klaagt de laatste dag over hoofdpijn.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

1. Acute nierinsufficiëntie op basis van acute (post-streptococcen) glomerulonephritis.

2. Wat zijn de twee belangrijkste aandachtspunten bij het lichamelijk onderzoek?

2. Let op de aanwezigheid van oedemen (aan enkels en ogen) en meet de bloeddruk (deze is waarschijnlijk verhoogd). Bepaal het gewicht van het kind (in het kader van de follow-up in de komende dagen).

 

Biomedische vraag Antwoord

Handhaving van de waterbalans is een van de functies van de nier. Per dag verliest ons lichaam 2.5 liter water.

1. Wat is daarvan de percentuele bijdrage van de nier?

1. 3/5 = 60%

2. Verklaar hoe die verandert die bij zware inspanning.

2. Bijdrage wordt minder omdat veel verloren gaat via zweet en uitademingslucht.

Vraag 9

Een 62 jaar oude man bezoekt de huisarts met klachten over pijn bij plassen en nadruppelen. Ook heeft hij lage rugklachten. Bij rectaal toucher is de prostaat matig vergroot en verhard met een onregelmatig oppervlakte. PSA is gestegen t.o.v. 3 maanden geleden. Biopsie is positief: prostaat carcinoom.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Welke therapie is het meest aangewezen?

1. Radicale prostatectomie.

2. Hoe verklaart u de lage rugpijn?

2. Metastasering naar de botten (LBK).

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Geef twee relevante argumenten voor en twee relevante argumenten tegen opname van screening op prostaatcarcinoom in het Nederlandse screeningsprogramma.

Voor:

Vroegtijdige detectie waardoor betere kans op overleving.

Screeningstest met voldoende bewezen sensitiviteit en specificiteit is aanwezig.

Tegen:

Belasting patiënten: vroegtijdige detectie is niet altijd garantie voor langere overleving; soms verlies van kwaliteit van leven daardoor.

Kosten-baten afweging: massale screening is duur.

 

Vraag 10

Een overigens gezonde man van 36 jaar bezoekt uw huisartsenspreekuur omdat bij een verzekeringskeuring een microscopische hematurie is gevonden.

Klinische vraag Antwoord

1. Welke drie beeldvormende onderzoekingen zijn geïndiceerd om de oorzaak van de microscopische hematurie op te sporen?

1.

Echografie (stuwing?)

MRI -

IVP

Cystoscopie

CT-scan.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Noem 3 producten die door de nier actief worden teruggeabsorbeerd, zodat deze onder fysiologische omstandigheden (nagenoeg) niet in de urine voorkomen.

1. Glucose, eiwitten (aminozuren), albumine.

Vraag 11

Een 42-jarige bouwvakker bezoekt uw chirurgisch spreekuur I.v.m. een niet pijnlijke zwelling in de linker lies die 2 weken geleden plotseling is ontstaan bij het tillen van een zwaar apparaat. De zwelling is steeds wegdrukbaar geweest. Hij is verder altijd gezond geweest en heeft geen bijkomende klachten.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Welke diagnose is het meest waarschijnlijk?

1. Liesbreuk

2. Is aanvullende diagnostiek geïndiceerd?

2. Nee (meestal niet >95%).

 

Biomedische vraag Antwoord

Beschrijf van het ligamentum inguinale:

1. zijn verloop

1. Verloopt van de spina iliaca anterior superior naar het tuberculum pubicum (eventueel: .os pubis)

2. waar het een onderdeel van is.

2. Het is een onderdeel van de aponeurose van de m. obliquus abdominis externus (feitelijk de onderrand daarvan).

 

Vraag 12

Een 16-jarige jongen komt uiterst moeizaam lopend en steunend van de pijn de spreekkamer van uw huisartsenpraktijk binnen. Een uur geleden, tijdens het tafeltennisspelen op de sportclub deze middag, kreeg hij plotseling hevige pijn links in zijn scrotum. scrotum.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Noem de twee meest waarschijnlijke diagnosen.

1. (a)Torsio testis, ( b)Epididymitis.

2. Beschrijf bij beide de aangewezen therapie.

2. (a) Operatie.( b) Langdurig antibiotica.

 

Biomedische vraag Antwoord

 

1. Tussen welke lagen / bladen kan zich rond de testis bovenmatig veel vocht bevinden?

1. Tunica vaginalis.

2. Uit welke structuur hebben de onder vraag 1 bedoelde lagen zich ontwikkeld?

2. Processus vaginalis; peritoneum.

 

Vraag 13

Een 68-jarige man bezoekt uw urologisch spreekuur vanwege rugpijn. Hij is bij u bekend met een prostaatcarcinoom met uitgebreide botmetastasen in ribben, wervels en bekken. Hij heeft al langere tijd rugpijn. De afgelopen dagen is de rugpijn sterk toegenomen. Bovendien heeft hij gemerkt dat hij minder kracht heeft in zijn rechterbeen. Bovendien kan hij de urine niet goed ophouden. Bij het lichamelijk onderzoek vindt u lokale kloppijn op de lumbale wervelkolom en een verminderde spierkracht in het rechterbeen. Het verdere onderzoek levert geen aanknopingspunten op.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijk oorzaak van zijn recente klachten?

1. Er is sprake van een dreigende dwarslaesie op basis van een wervelmetastase met compressie van het ruggenmerg .

2. Welk aanvullend onderzoek is geïndiceerd?

2. Met spoed moet een MRI van de wervelkolom worden verricht .

3. Wat is de behandeling van keuze?

3. Spoedbestraling.

 

Biomedische vraag Antwoord

Patiënten met een gemetastaseerd prostaatcarcinoom worden vaak hormonaal behandeld.

1. Noem een vorm van hormonale behandeling.

1. Hormonale therapie: castratie, LHRH analoga, anti-androgenen.

2. Welk mechanisme ligt ten grondslag aan hormonale behandeling van het prostaatcarcinoom?

2. Mannelijke geslachtshormonen (androgenen) bevorderen de groei van het prostaatcarcinoom. Alle hormonale vormen van behandeling zijn gericht op het uitschakelen van de aanmaak resp. de werking van mannelijke geslachtshormonen.

 

Vraag 14

U bent huisarts. Een 65-jarige man komt bij u met LUTS (Lower Urinary Tract Symptoms). Er is sprake van moeilijk op gang komen van de mictie, slappe straal en nadruppelen. Meneer voelt zich verder goed en heeft geen andere klachten. Bij rectaal toucher voelt u een vergrote prostaat met een verstreken sulcus, en mogelijk aan een kant een iets hardere plek.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat zijn de meest waarschijnlijke diagnosen (noem er twee)?

1. prostaathyperplasie/hypertrofie 1 punt; prostaat ca 1 punt.

2. Welk bloedonderzoek (noem één bepaling) kan van waarde zijn bij het verdere beleid?

2. PSA.

 

Biomedische vraag Antwoord

Het bloedonderzoek geeft aanleiding om de patiënt voor verder onderzoek te verwijzen naar de uroloog.

1. Welk onderzoek wordt bedoeld?

1. Transrectale echo.

Na alle uitgevoerde onderzoeken heeft de uroloog verdenking op een prostaatcarcinoom. Er wordt een biopt genomen. De patholoog diagnosticeert inderdaad een carcinoom.

2. Wat is het histologisch type van dit carcinoom?

2. Adenocarcinoom.

 

Vraag 15

U werkt als huisarts in een klein dorp. Een 64-jarige vrouw die zelden uw spreekuur bezoekt komt nu bij u omdat ze sinds een dag of tien heeft opgemerkt dat haar urine erg donker van kleur is. Bij navraag is ze de laatste tijd erg moe en ze blijkt in het afgelopen half jaar onbedoeld 8 kg te zijn afgevallen. Er zijn geen bovenbuikklachten geweest en de medische voorgeschiedenis vermeldt geen operaties. Bij onderzoek vindt u behoudens icterische sclerae geen duidelijke afwijkingen. U vraagt naar de ontlasting.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Welke informatie over de ontlasting is belangrijk?

1. Ontkleurd?

2. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

2. Pancreaskopcarcinoom.

3. Naar welke hinderlijke klacht moet u informeren?

3. Jeuk.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Welke stof veroorzaakt de donkere kleur van de urine van bovengenoemde patiënt?

1. Bilirubine (geconjugeerd).

2. Welke chemische modificatie heeft de stof van vraag 1 in de lever ondergaan?

2. Conjugatie.

3. Welke fysisch-chemische eigenschap van de stof verandert sterk door die modificatie?

3. De oplosbaarheid in water.

 

Vraag 16

Een 64-jarige man komt op het spreekuur van zijn huisarts. Hij is voor zover bekend altijd gezond geweest. Hij klaagt over het moeilijker op gang komen van zijn mictie, een zwakkere straal, moeilijker te bedwingen aandrang, minder goed uitplassen, en toegenomen mictiefrequentie overdag en ’s nachts. De klachten bestaan al zeker drie maanden en zijn geleidelijk in ernst toegenomen. Zijn zwager is overleden aan prostaatkanker. Hij vraagt u of deze klachten wijzen op een toegenomen kans op prostaatkanker.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Hoe benoemt u dit klachtenbeeld?

1. ‘Bemoeilijkte mictie’ of LUTS (Lower Urinary Tract Symptoms).

2. Wat is de meest voorkomende en spoedeisende complicatie in het natuurlijk beloop van deze aandoening?

2. Acute (urine)retentie.

3. Wat is uw antwoord op zijn vraag?

3. Nee, ‘bemoeilijkte mictie’ is geen ‘risicofactor’ voor prostaatcarcinoom.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Welke afvoergangen monden uit in pars prostatica urethra?

1. Ductus ejaculatorii en ductuli prostatici.

 

Vraag 17

Een 42-jarige overigens gezonde man komt bij u op het spreekuur in verband met een zwelling in de linker lies. Bij onderzoek van de staande patiënt is in de linker lies een zwelling zichtbaar en voelbaar die met een lichte weerstand wegdrukbaar is. Als u de zwelling wegdrukt is er een klotsend geluid hoorbaar. De zwelling is boven het ligament van Poupart gelokaliseerd, op de plaats waar de annulus internus zich bevindt.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

1. Hernia inguinalis lateralis (indirecta).

2. Is er aanvullend onderzoek nodig? Zo ja, welk?

2. Nee.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Van welke structuur is de annulus inguinalis internus (profundus) een evaginatie (uitstulping)?

1. Fascia transversalis.

 

Vraag 18

Een 41-jarige boekhouder wordt door de uroloog verwezen naar de internist vanwege recidiverende urolithiasis sinds enkele maanden. Er is nooit een urineweginfectie gevonden en de man is voor het overige altijd gezond geweest. Hij gebruikt geen medicijnen, er is geen sprake van zelfmedicatie. Er is een hypercalciaemie vastgesteld.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke oorzaak van de hypercalciaemie?

1. (Primaire) Hyperparathyreoidie.

 

Biomedische vraag Antwoord

De Ca++ huishouding in ons lichaam is sterk gekoppeld aan de homeostase van een ander ion.

1. Welk ion wordt bedoeld?

1. Fosfaat ion (PO4 2-).

2. Welk hormoon is het belangrijkst voor de regulatie van de concentraties van beide ionen?

2. Parathormoon (parathyroid hormoon).

3. Welk vitamine speelt een belangrijke rol bij diezelfde regulatie?

3. Vitamine D (D1).

 

Vraag 19

Een 58-jarige man bezoekt de huisarts met als klacht een, sedert enkele maanden bestaande, slappere urinestraal, waardoor de mictie wat langer duurt. De patiënt heeft geen andere klachten. Hij is bang voor prostaatcarcinoom.

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

1. Prostaat hypertrofie.

2. Welk onderzoek is geïndiceerd?

2. Rectaal toucher.

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Welke biochemische marker wordt vaak gebruikt om prostaatkanker te diagnostiseren?

1. Prostaat Specifiek Antigeen (PSA).

2. Wat is de rol van citroenzuur in het secreet van de prostaat?

2. Sereus en muceus secreet met enzymen als fibrinolysine en zure fosfatase.

3. Noem, naast de reeds genoemde stoffen, nog een ander product dat door de prostaatklier wordt uitscheiden.

3. Energiebron voor de spermatozoa (het sperma).

 

Vraag 20

Een 35-jarige man komt bij u als huisarts. Hij heeft het afgelopen jaar al 3 maal een koliekaanval gehad met pijn in de linkerflank uitstralend naar de linkerlies. De aanvallen gingen gepaard met macroscopische hematurie. Hij heeft er nooit koorts bij gehad en de urinekweken waren steeds negatief. De man is verder gezond en heeft een blanco voorgeschiedenis.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Wat is de meest waarschijnlijke diagnose?

1. Uretersteenkolieken.

2. Welk type medicament heeft de voorkeur om in het acute stadium van de aanvallen de pijn te bestrijden (noem de GROEP medicamenten)?

2. Een NSAID.

3. Welk bloedonderzoek (noem 1 laboratoriumbepaling) vraagt u aan ter nadere analyse van de OORZAAK van het probleem?

3. Calcium of Geïoniseerd Calcium.

Biomedische vraag Antwoord

Het urine volume wordt mede bepaald door een hormoon dat geproduceerd wordt in kernen in de hypothalamus.

1. Welk hormoon is dit?

1. ADH (anti-diuretisch hormoon).

2. Waar bereikt dit hormoon de bloedsomloop?

2. In de hypofyse-achterkwab (neuro-hypofyse).

3. Waarop reageren de receptoren die de afgifte van dit hormoon reguleren? Noem één factor.

3. Bloeddruk of de osmolaliteit van het bloed.

Vraag 21

Een 63-jarige man komt bij de huisarts met een zwelling in de linkerlies.

 

Klinische vraag Antwoord

1. Nog voor lichamelijk onderzoek en anamnese, welke twee mogelijke oorzaken staan bovenaan in de differentiaal diagnose? Noem er drie.

1. Hernia inguinalis

Hernia femoralis

Aneurysma (art.fem)

Lymfklier

2. Welke structuren lopen bij een man door het lieskanaal? Noem er twee.

2. Ductus spermaticus

A. testicularis

V. testicularis

N. genitofemoralis (ramus genitalis)

 

Biomedische vraag Antwoord

1. Welke opening van het lieskanaal bevindt zich lateraal van de epigastrische vaten?

1. Anulus inguinalis profundus of anulus inguinalis internus of inwendige liesopening.

2. Tussen welke twee benige punten verloopt het ligamentum inguinale?

2. Spina iliaca anterior superior of SPIAS

Os pubis of tuberculum pubicum

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of Geneeskunde World Supporter
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
3
Connect & Continue
WorldSupporter Resources

Casusvragen Neurologie

Set van 65 casusvragen voor het thema Neurologie onder andere bruikbaar als voorbereiding op de Universitaire Voortgangs Toetsen

Casusvragen Oncologie

Set van 10 casusvragen voor het thema Oncologie, onder andere bruikbaar als voorbereiding op de Universitaire Voortgangs Toetsen

More from Geneeskunde World Supporter
Selected Categories
Promotions
oneworld magazine