Overzicht begrippen Normatieve Professionaliteit. Universiteit Utrecht

Week 2

Ethiek = wat is rechtvaardig?

  1. Utilitarisme = kijken naar consequenties, wat zal leiden tot het meeste ‘netto-geluk?

Kritiek:

  • Niet zeker dat de uitkomst gaat gebeuren
  • Is het rechtvaardig dat de minderheid, minder geluk heeft
  • Is geluk zo waardevol dat het als richtlijn mag gelden?
  1. Deontologie = principes zijn leidend, norm zou richtinggevend moeten zijn. Kant =
  • categorisch imperatief = leefregels en geboden
  • Categorisch imperatief = kiezen tussen leefregels en geboden, dan overwegen: welke van de twee wil ik als wet verheven zien worden?

Kritiek:

  • Niet automatisch kiezen wat je zelf het beste vindt of wat je goed vindt (overschatting redelijkheid)

 

Verschillende waarden (wat is nastrevenswaardig?):

  1. Geluk
  2. Authenticiteit
  • Interne bron van identiteit: neigingen, impulsen, dirften, wat wil ik?
  • Externe bron van identiteit: eisen van omgeving, wat vraagt de omgeving van mij?
  • Hiertussen moet de juiste balans zijn.
  1. Vrijheid
  • Positieve vrijheid = zijn de middelen en mogelijkheden er om keuzes te maken/ te doen wat je wilt doen?
  • Negatieve vrijheid = wat je wel en niet mag doen (het wordt je opgelegd)

 

Normen zijn handelingsrichtingen waar wij ons aan houden. Het is de verbinding tussen warden en ons daadwerkelijke gedrag. Hoe behoren mensen zich te gedragen?

 

 

Week 3

Betrekkelijkheid normen en waarden

  • Objectivisme = onderscheid kan gemaakt worden tussen meer en minder wenselijke normen en waarden
  • Relativisten = hangt af van je eigen overtuiging, of wat de gemeenschap vindt. Als tegengroep heb je er niks over te zeggen en moet je het accepteren.
  • Je kan niet zeggen wat juist of onjuist is. Als iets zo is betekent het niet dat het ook de reden is waarom of waarop iets zo moet zijn. Je kan uit een feit geen norm halen  funderingsprobleem: kloof tussen ‘zijn’ en ‘behoren’.

 

Onderwijsvrijheid voor wie?

  • Liberal education = onderwijs meot de autnomie van kinderen eerbiedigen en stimuleren. Kinderen moeten zelfstandigheid krijgen.
  • Denominal eduction = onderwijs mag niet in strijd zijn met de levensovertuigingen van de cultuur waartoe de ouders behoren

 

Perspectieven van onderwijsvrijheid

  1. Sociologisch perspectief  leefbare samenleving

    • Pring: openbare school is nodig om bij te dragen aan multiculturele samenleving
    • Levinson: kan ook op een niet openbare school
  2. Pedagogisch perspectief  autonomie van het kind
    • De jong & Snik: vrijheid van onderwijs is van belang. Bijzondere scholen bekostigen is rechtvaardig, mits de autonomie van het kind wordt gewaarborgd.
    • Kerr: hoe belangrijk is de autonomie van het kin?

 

 

 

 

Week 4

Wijsgerige antropologie =  wat is de mens?

  • Biologische antropologie = verschil tussen mens en dier. Dier wordt vergeleken met de mens om te bepalen wat typisch menselijk is. uitgangspunt: de mens verschilt principieel van een dier.

    • Mens = cultuurwezen

      • Mangelwesen = mens wordt geboren met gebreken. Het kan bij de geboorte niet zelf overleven en is aangewezen op de opvoeding.
      • Openheid/plasticiteit = mens is door plasticiteit in staat om te leren en ook aangewezen om te leren. Dit is een feit en een waarde, we verwachten ook van mensen dat ze kritisch en open zijn.
      • Aangewezen om te leren
      • Opvoedbaar = zit niet in de genen, maar is de morele ruimte die we elkaar geven en waarin we met meer of minder succes een beroep doen op elkaar om onszelf te bepalen. Kan zowel een een relationele eigenschap zijn als een wezenskenmerk.
      • Excentrische positionaliteit = mensen zijn in staat om te kijken naar hun eigen handleen en denken en kunnen reflecteren.
    • Dier = natuurwezen
      • Umwelt = dieren zijn gebonden aan hun instincten, ze leven daardoor in een uitsnijden van de werkelijkheid die alleen vor het dier van belang is
      • Trainbaar = niet in staat om te leren, gebonden aan zijn/haar instincten.
      • Sonderstellung = dier kan zelfstandig leven van geboorte, hoeven niet worden opgevoed.

De mens wordt gezien als een soort (fylogenetisch), als soort kunnen zij een cultuur scheppen.

  • Sociologisch perspectief:  de mens wordt gezien als individu (ontogenetisch). Mensen zijn gebonden aan de cultuur waarin hij opgroeit. Door de openheid van de mens is socialiseren mogelijk.

    • Openheid van de mens is om de sociale rollen die binnen een cultuur gelden te leren. Door excentrische positionaliteit zijn mensen in staat om de sociale rollen die je bezit te reflecteren.

 

Mensen onderscheiden zich ten opzichte van dieren doordat we een bewustzijn en een vrije wil hebben.

  • Bewustzijn:

    • Dolfijnen en mensapen lijken ook een bewustzijn te hebben over hun eigen lichaam
    • Bewustzijn is niet tastbaar/toetsbaar en in de wetenschap geldt: dat wat je niet kan bewijzen is er niet.
  • Vrije wil:
    • Mensen hebben ook niet altijd een vrije wil, we kunnen niet kiezen of we ziek worden, of waar we worden opgevoed. Niet het lichaam maar de geest is vrij. We hebben keuzevrijheid maar niet volledige gedragsvrijheid.
    • Hebben dieren niet ook een bepaalde mate van vrijheid? Kunnen ze niet afwijken van hun driften? Dieren hebben ook bepaalde mate van vrijheid, ze doen niet alles wat wij ze hebben getraind.

 

Dus = bewustzijn is niet geschikt om typisch menselijk aan te duiden en vrije wil is niet exclusief menselijk. A

  • Bewustzijn en vrije wil van mensen is wel complexer dan bij dieren
  • Om ter verantwoording geroepen te kunnen worden moet je kunnen reflecteren op je eigen gedrag, dieren kunnen dit niet
  • Mensen zijn zich bewust van hun eigen bewustzijn. Vrijheid van mensen is niet om iets te willen, maar om iets te willen willen. Je kan hierbij wel of niet toegeven aan je wil. Als je hier niet aan toegeeft dan wil je het eigenlijk niet willen
  • Het bewustzijn van mensen is niet alleen bewustzijn van iets, je omgeving, maar ook van je eigen bewustzijn (zelfbewustzijn).

 

Twee kampen:

  1. Klassiek biologisch  = wezenskenmerk = toekenning eigenschap kan door lidmaatschap bij de soort. Bijvoorbeeld: Alle mensen hebben een bewustzijn, dus alle dieren niet.
  2. Relationele eigenschap = toekenning eigenschap kan door vertoond gedrag, bewustzijn kan ook bij dieren horen als zij hetzelfde gedrag vertonen als wij.

 

 

Is opvoedbaarheid een wezenskenmerk of een relationele eigenschap?

  • Opvoedbaarheid als wezenskenmerk = opvoedbaarheid is een kenmerk van de soort, los van iemand. Alle mensen zijn opvoedbaarheid ongeacht de verstandelijke vermogens. (DIT IS HET NIET!)
  • Opvoedbaarheid als relationele eigenschap = blijkt in de omgang op basis van waargenomen gedrag. Opvoedbaarheid blijkt pas achteraf, het is geen kenmerk van een soort (vooraf) maar het blijkt in de praxis (achteraf).
  • Pedagogen = opvoedbaarheid verondersteld een vermogen tot reflectie, een jong kind kan je trainen maar nog niet aanspreken op gedrag. Opvoedbaarheid is dan dus een relationele omgang, je realiseert je opvoedbaarheid als je reageert op een moreel apèl. Een mens die reageert op een morele oproep is opvoedbaar.

 

Afbakening van de pedagogiek (demarcatie) gebeurt of verandert door: onderzoek, hulpverlening en beleid.

 

Dualistisch interactionisme = lichaam en geest staan met elkaar in verbinding. Het probleem van de mentale veroorzaking: hoe kan je geest een lijf aansturen?

 

  • Wijsgerig antropoloog: een wijsgerig antropoloog vraagt zich af wat de mens is. vanuit de biologische antropologie wordt de dier vergeleken met de mens om te bepalen wat typisch menselijk is. Een wijsgerige antropoloog zou hier tegenin brengen dat een vis het leven niet net zo belangrijk zou vinden als een mens. Dieren bezitten niet over een bewustzijn, ze zijn gebonden aan hun instincten en zijn daardoor hoogstens trainbaar. Dieren hoeven daarom ook niet opgevoed te worden, ze kunnen zelfstandig leven vanaf het moment van de geboorte (Sonderstellung). Dit is in tegenstelling tot mensen, mensen moeten opgevoed worden omdat ze zijn geboren met gebreken (Mangelwesen), doordat ze opvoedbaar zijn verondersteld het een vermogen van reflectie. Het vermogen tot reflectie en het nadenken over hun eigen handelen wordt excentrische positionaliteit genoemd. Daarnaast kunnen mensen zich niet alleen bewust zijn van iets maar ook bewust zijn van het bewustzijn (wordt ook wel 2e orde wilstoestanden genoemd). Hierdoor kan Paul McCarney zich bewustzijn van het eventueel aanwezige bewustzijn van de vis.

 

 

 

Week 5

Epistemologie = kennisleer

  • Praktische kennis = weten hoe
  • Propositionele kennis = weten dat
    • kennis van regels/axioma’s (uitgangspunten), zoals 3 x 3 = 9
    • levensbeschouwelijke kennis
    • toetsbare kennis

 

Visies op hoe verkrijgen we kennis:

  1. logisch positivisme (naïef empirisme)

    • we moeten ons vertrouwen op zintuigen en waarnemingen
    • kennis is een afspiegeling van de werkelijkheid
    • objectieve waarneming is dus mogelijk
    • kennis heeft een fundamenteel
  • kritiek = brilmetafoor (je kijkt door een bepaalde bril naar de wereld) en taal
  1. constructivisme:

    • objectieve waarneming is niet mogelijk  geen objectieve kennis
    • leren is een actief proces
    • kennis wordt gemakt (niet aangeboren)
    • kennis wordt uitgevonden en niet ontdekt
    • kennis is persoonlijk en sociale consensus
    • leren is niet alleen opslaan maar ook interpreteren
    • leren is effectief als het gebeurt aan de hand van betekenisvolle, open en uitdagende problemen.
  • Kritiek = claims zijn te stellig, zijn niet altijd waar en zijn niet afwijkend.
  1. Poppers realisme (anti realisme van het constructivisme)
  • Kennis is een constructie. Je kan niet aannemen dat een theorie waar is (geen verificatie principe), je kan alleen onjuistheden aantonen en die verbeteren.

    • Je kan niet aannemen dat een theorie waar is omdat er sprake is van het inductieprobleem. Door inductie wordt een losse waarneming omgezet naar een theorie. Alleen van een losse waarneming is niet aan te nemen dat het overeenkomt met iedereen.
    • We kunnen wel vaststellen of iets niet waar is  falsificatie principe
    • Wordt gebruik gemaakt van Justified true belief = nog niet bewezen dat het niet waar is, dus voorlopig is het waar.

 

Eminence based = op basis van specialisten

Evidence based = werkzaamheid is bewezen

  • Slavin = pedagogiek moet evidence based zijn, dan leveren we een bijdrage aan de ontwikkeling van kinderen

    • Biesta = weten dat iets werkt (feit) wil niet zeggen dat het moet (norm)  wijsgerig antropoloog.
Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of Lieke van Golen
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
5 2 2
Promotions
wereldstage wereldroute

Tussenjaar of sta je op het punt op kamers te gaan?

Wereldroute biedt jou een leerzaam en onvergetelijk Student Prepare Program aan