Burgerlijk Procesrecht - UL - B3 - Oefententamen oktober 2018


Onderdeel A

Kies het juiste antwoord en beargumenteer waarom dat antwoord juist is. (10 pnt)

Vraag 1

Hieronder staan vier uitspraken. Welke uitspraak is juist?

  1. Elk vonnis dat in kracht van gewijsde gaat, krijgt gezag van gewijsde.
  2. Een uitspraak gaat in kracht van gewijsde als daartegen geen enkel rechtsmiddel meer openstaat.
  3. Partijen bepalen de feitelijke grondslag van de vordering en het verweer en de rechter is bij zijn onderzoek en zijn beslissing in de regel daaraan gebonden.
  4. Vanwege de autonomie van partijen is de rechter niet bevoegd zelfstandig na te gaan welke rechtsregels op de in de procedure vaststaande feiten van toepassing zijn.

Vraag 2

Volgens een advocaat is is eiswijziging in hoger beroep ook bij pleidooi op grond van art. 130 lid 1 Rv jo 353 lid 1 Rv altijd nog mogelijk, indien de appellant bij zijn reeds ingestelde eis uitging van onvolledige gegevens.

Welke uitspraak is juist?

  1. De advocaat heeft gelijk, omdat een geschil altijd aan de hand van de juiste gegevens moet worden beslist.
  2. De advocaat heeft in zoverre gelijk dat dit mag als de wederpartij met de eiswijziging ondubbelzinnig instemt.
  3. De advocaat heeft gelijk, tenzij de eiswijziging in strijd is met de goede procesorde.
  4. De advocaat heeft geen gelijk, omdat vanwege de positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep eiswijziging in dit stadium van het proces niet meer mogelijk is.

Onderdeel B

Motiveer je antwoorden en verwijs, waar mogelijk, naar relevante jurisprudentie en/of wetsartikelen. (30 pnt)

Casus I

Fast Cash BV (“FC”) is een microkrediet bedrijf, gevestigd te Groningen. Tot 2017 investeert FC geld van particulieren in projecten in ontwikkelingslanden. In 2018 besluit het bestuur dat het bedrijf de activiteiten moet uitbreiden naar kapitaalinjecties in duurzame projecten in het buitenland. Omdat FC die markt nog niet goed kent, besluit het bestuur dat ze bij de eerste kapitaalinjectie zelf geadviseerd willen worden. Zij huren daar Schaufmeister Finance GmBH (“SF”) voor in. SF is statutair gevestigd te Frankfurt (Duitsland) waar ook het hoofdbestuur zetelt. De Nederlandse afdeling van SF (geen aparte vennootschap) werkt volledig vanuit Groningen en voert al haar werkzaamheden in Nederlnad uit. Walid en Heidi adviseren FC namens SF. Zij adviseren te investeren in duurzaam vakantiepark Ruigrok. Momenteel waarderen zij het project op € 5 miljoen, maar zij voorspellen dat het project in 2021 € 15 miljoen waard zal zijn. FC doet de investering van € 3 miljoen.
In 2019 wil FC het project verkopen. Uit het taxatierapport blijkt dat het project in 2019 slechts € 750.000,- waard is en in 2017 maximaal € 2 miljoen. Het blijkt dat Walid en Heidi bij het opstellen van hun advies en hun waardering van het project zeer onzorgvuldig zijn geweest. FC vordert schadevergoeding ad € 1 miljoen van SF op grond van onrechtmatig handelen dan wel op grond van wanprestatie.

Vraag 1

Heeft de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht? Zo ja, op grond waarvan? Zo neen, waarom niet?

Vraag 2

Stel dat de Nederlandse rechter in dit geschil rechtsmacht heeft. In de algemene voorwaarden van SF is de volgende bepaling opgenomen:
Artikel 23 – Forum
De Rechtbank Gelderland, locatie Nijmegen, is bevoegd kennis te nemen van geschillen tussen de Cliënt en Schaufmeister Finance GmBH (“SF”)

Het bestuur van FC heeft in het nieuws meegekregen dat bij de Rechtbank Gelderland, locatie Nijmegen, onder de KEI-wetgeving geprocedeerd moet worden. Het digitaal procederen zal de huisadvocaat van FC niet makkelijk afgaan en zij vrezen dat ze een (dure) gespecialiseerde advocaat moeten inhuren.

Klopt het dat FC in deze zaak bij de Rechtbank Gelderland moet procederen onder het KEI-regime?

Vraag 3

Stel dat FC bij de Rechtbank Gelderland inderdaad onder het KEI-regime moet procederen. Haar advocaat, mr. Baldesing, geeft aan dat het oproepen van een buitenlandse partij onder het KEI-regime enigszins lastig is en stelt voor om bij de Rechtbank Gelderland (locatie Nijmegen) de schadevergoeding ad € 750.000,- te vorderen van Heidi en Walid wegens onrechtmatig handelen. Zij zijn het immers die bij de waardering van het project en het opstellen van het advies zeer onzorgvuldig zijn geweest. FC gaat akkoord met het voorstel van haar advocaat om de schadevergoeding op Heidi en Walid te verhalen. Inmiddels zijn Heidi en Walid na het geven van hun “fatale” advies ontslagen bij SF. Beiden zijn inmiddels verhuisd omdat ze allebei alweer een andere topbaan hebben gevonden. Heidi woont nu in Druten en Walid in Nijmegen. Nadat mr. Ibrahim de procesinleidingen heeft opgesteld, neemt hij deze samen met FC rustig door. Tijdens dit gesprek komt ook de verdere aanpak van de zaak ter sprake. FC wil graag dat de procesinleidingen aan Lieke en Achraf worden betekend.

Vraag 4

Op welke wijze(n) kunnen de procesinleidingen, met de daarbij behorende oproepingsberichten, worden betekend?

Vraag 5

Kan de rechter verstek verlenen? Zo ja, op grond waarvan? Zo neen, waarom niet?

Stel, de Rechtbank Gelderland verleent verstek. Walid zuivert zijn verstek tijdig, maar Heidi niet. De rechter oordeelt dat Heidi en Walid hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door FC geleden schade en wijst in het eindvonnis een bedrag van € 300.000,- toe aan FC. Heidi schrikt enorm van dit eindvonnis en wil derhalve dit vonnis zeker aanvechten.

Vraag 6

Kan Heidi tegen dit eindvonnis nog een gewoon rechtsmiddel instellen? Zo ja, welk gewoon rechtsmiddel en op grond waarvan? Zo neen, waarom niet?

Casus II

John van der Knol was vroeger een opkomende voetballer. Door zijn fysieke speelstijl heeft hem echter een groeiend aantal blessures opgelopen. Het lukt John na deze tijd wel om een baan te vinden als beveiliger bij een coffeeshop. Naast de bar zit een tabakszaak waar je Toto kan zetten en John loopt regelmatig heen en weer om op voetbal uitslagen te wedden. Hij wordt langzaam verslaafd aan gokken, en leent bij oud prof voetballer Jeff de Rijcke een flinke smak geld (€ 20.000,-). Dit bedrag jaagt John er alsnog snel doorheen en na veelvuldig vragen besluit Jeff een procedure bij de rechtbank aanhangig  te maken waarin hij het geleende bedrag terugvordert. Bovendien verzoekt hij de voorzieningenrechter toestemming te verlenen om ten behoeve van deze vordering beslag te leggen op het door de coffeeshop nog uit te betalen salaris van John voor de komende drie maanden. De voorzieningenrechter leest het verzoekschrift en geeft direct toestemming. Jeff laat beslag leggen. John kijkt op zijn bankrekening en ziet dat zijn salaris niet is uitbetaald. Hij vraagt zich af of de voorzieningenrechter direct toestemming had mogen geven voor het leggen van het beslag.

Vraag 1

Mocht de voorzieningenrechter enkel op basis van het verzoekschrift van Jeff toestemming voor het beslag verlenen? Zo ja, op grond waarvan? Zo neen, waarom niet?

Vraag 2

In de procedure ten principale bij de rechtbank betoogt John dat Jeff hem had beloofd dat hij zeker zes maanden de tijd had om het geld terug te betalen. Hij zegt dat hij een servetje heeft waarop Jeff dit heeft beloofd aan hem toen ze een avond aan het doorzakken waren bij cafe De Aswolk. Volgens hem staan hier de voorwaarden rondom de betaling op. Verder zegt hij dat het servetje is ondertekend door zowel hemzelf als door Jeff. “Dat servetje heeft dwingende bewijskracht”, zegt John, “en omdat ik een bewijsmiddel van dwingende bewijskracht indien, moet de rechter de inhoud daarvan dus voor waar aannemen.”

Zal de rechtbank de redenering van John volgen? Zo ja, op grond waarvan? Zo neen, waarom niet?

Vraag 3

Stel, de rechtbank wijst de vordering van Jeff in de procedure ten principale af. Jeff laat het hier niet bij zitten, en stelt hoger beroep in. John is opgelucht: “Nu de rechtbank de vordering van Jeff heeft afgewezen, vervalt in ieder geval meteen het beslag op mijn salaris”, zo zingt hij. Hij gaat weer naar De Aswolk en besluit lekker wat te drinken voor zijn overwinning. De barmedewerkster, die in deeltijd Rechten studeert, hoort John praten en raadt hem aan om in kort geding opheffing van het beslag te vragen.

De barmedewerkster

  1. betwist dat het beslag hierdoor meteen vervalt en
  2. stelt dat John daarna wel van het beslag af zal zijn, nu de voorzieningenrechter immers het beslag gegarandeerd zal opheffen, aangezien de rechtbank de vordering waarvoor het beslag is gelegd, heeft afgewezen.

Vraag 4

Beoordeel of hetgeen de barmedewerkster onder a en b heeft betoogd, juist is. Zo ja, op grond waarvan? Zo neen, waarom niet?

Onderdeel C

Geef voor de onderstaande stelling aan of deze juist of onjuist is en waarom, zowel onder het KEI-regime als onder het Rv-regime. (5 punten)

De rechter kan in beginsel terugkomen op een eerdere maar niet in een einduitspraak vervatte bindende eindbeslissing indien de eisen van een goede procesorde dat met zich meebrengen.

Antwoordindicatie

Onderdeel A

Vraag 1 (5 punten)

c. Partijen bepalen de feitelijke grondslag van de vordering en het verweer en de rechter is bij zijn onderzoek en zijn beslissing in de regel daaraan gebonden. Uitspraak c is juist. Dit volgt uit art. 24 Rv dat zegt: “De rechter onderzoekt en beslist de zaak op de grondslag van hetgeen partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten gronde hebben gelegd, tenzij uit de wet anders voortvloeit.” Dit betekent dat de rechter niet meer of anders mag toewijzen dan hetgeen geëist of verzocht is op basis van feiten en omstandigheden die partijen aan hun vordering, verzoek of verweer ten grondslag hebben gelegd. Met andere woorden partijen bepalen in beginsel de aard en de omvang van de rechtsstrijd en de rechter is daaraan gebonden (partijautonomie). Deze gebondenheid geldt niet altijd. Op grond van art. 24 Rv kan hiervan worden afgeweken als de wet dat bepaalt. Bijvoorbeeld als het gaat om ervaringsregels en feiten van algemene bekendheid ex art. 149 lid 2 Rv. De rechter mag ex art. 149 lid 2 Rv deze regels of feiten aan zijn onderzoek en beslissing ten grondslag leggen, ook wanneer partijen deze niet zelf in de procedure hebben ingebracht. Andere voorbeelden zijn sommige regels van openbare orde, zoals termijnen van gewone rechtsmiddelen of bijvoorbeeld de vrijheid van de rechter om een hogere dwangsom toe te wijzen dan verzocht.

Puntenverdeling

Uitspraak C is juist

  • Art. 24 Rv + inhoud van de bepaling
  • Uitwerking betekenis van art. 24 Rv
  • Uitzondering op art. 24 Rv is mogelijk
  • Voorbeeld van een dergelijke uitzondering SKM, nr. 48

Vraag 2 (5 punten)

b. De advocaat heeft in zoverre gelijk dat dit mag als de wederpartij met de eiswijziging ondubbelzinnig instemt.

Uitspraak b is juist op grond van het navolgende.
De wettelijke grondslag voor de eiswijziging in hoger beroep ex art. 353 lid 1 jo. art. 130 lid 1 Rv wordt door de twee-conclusie-regel ex art. 347 lid 1 1 Rv beperkt. Volgens het arrest Wertenbroek q.q./Van den Heuvel & Van Vlerken (HR 19 juni 2009, NJ 2010/154 rov. 2.4.2) betekent dit dat de oorspronkelijke eiser zijn eis niet later dan in zijn memorie van grieven of memorie van antwoord mag veranderen of vermeerderen. Deze regel geldt ook als deze eisverandering of -vermeerdering niet als een grief kan worden aangemerkt.

Op deze in beginsel strakke (twee-conclusie-)regel kunnen onder omstandigheden uitzonderingen worden aanvaard. Volgens de Hoge Raad in datzelfde arrest (rov. 2.4.3) is een dergelijke uitzondering mogelijk indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat de eisverandering of -vermeerdering plaatsvindt.

Puntenverdeling
Uitspraak B is juist

  • Beperking eiswijziging in hoger beroep: door de in beginsel strakke (twee-conclusie-)regel ex art. 353 lid 1 jo. art. 130 lid 1 jo. 347 lid 1 Rv
  • Uitleg inhoud van deze beperking met betrekking tot de eiswijziging
  • Arrest Wertenbroek q.q./Van den Heuvel & Van Vlerken (HR 19 juni 2009, NJ 2010/154)
  • Uitzondering op de in beginsel strakke (twee-conclusie-) regel: ondubbelzinnige instemming door de
  • wederpartij met de eiswijziging.

Onderdeel B

Vraag 1 (6 punten)

Op grond van art. 1 EEX-Vo II (hierna: EEX-Vo) is op deze zaak de EEX-Vo van toepassing; het betreft namelijk een handelszaak met internationale dimensie die niet onder de uitzonderingen van art. 1 lid 2 EEX-Vo valt. Art. 1 Rv onderschrijft dat deze bepalingen voorgaan. De hoofdregel onder de EEX-Vo is neergelegd in art. 4 EEX-Vo. Op grond van art. 4 EEX-Vo is het gerecht van de lidstaat bevoegd waar de gedaagde woonplaats heeft. Dat zou in dit geval de Duitse rechter zijn, omdat SF in Frankfurt gevestigd is. Artikel 7 EEX-Vo biedt in deze zaak echter twee relevante alternatieven op de hoofdregel. Ten aanzien van de vordering uit wanprestatie geldt dat op grond van art. 7 lid 1 sub a EEX-Vo medebevoegd is de rechter waar de overeenkomst uitgevoerd is (of had moeten worden). Aangezien de diensten door de Nederlandse afdeling van SF verstrekt zijn in Groningen, is de plaats van uitvoering Groningen ex art. 7 lid sub b EEX-Vo en dit betekent dat de Nederlandse rechter bevoegd is.

Ten aanzien van de vordering uit onrechtmatige daad geldt dat de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan, bevoegd is op grond van art. 7 lid 2 EEX-Vo. De schade doet zich in dit geval voor in Groningen, zodat ook op deze grond de Nederlandse rechter bevoegd is.

Puntenverdeling

  • Toepasselijkheid EEX-Vo II/I-Bis/EEX-Vo: 1 Rv jo 1 EEX-Vo (jo. 5 EEX-Vo)
  • Art. 7 aanhef en lid 1 sub a en 1 sub b: vereisten + toetsing
  • Conclusie: NL-rechter is bevoegd
  • Art. 7 aanhef en lid 2: vereisten + toetsing
  • Conclusie: NL-rechter is bevoegd SKM, nrs. 75-76

Vraag 2 (3 punten)

In 2018 wordt onder het KEI-regime geprocedeerd in vorderingsprocedures bij de Hoge Raad en bij (i) vorderingsprocedures (ii) met verplichte procesvertegenwoordiging (iii) bij de Rechtbanken Gelderland en Midden-Nederland.

Een procedure is een vorderingsprocedure als het geen verzoekprocedure is ex art. 78 (KEI)-Rv. Een procedure is een verzoekprocedure als dat met zoveel woorden in de wet staat (art. 261 (KEI)-Rv.
Aangezien noch art. 6:162 BW (onrechtmatige daad), noch art. 6:74 BW (wanprestatie) het woord ‘verzoek’ bevat, is dit geen verzoekprocedure en dus een vorderingsprocedure. Procesvertegenwoordiging in vorderingsprocedures is verplicht op grond van art. 79 lid 2 (KEI)-Rv behalve bij de kantonrechter ex art. 79 lid 1 (KEI)-Rv. De kantonrechter is in deze zaak echter niet bevoegd, omdat: de wet dat niet voorschrijft ex art. 93 sub d (KEI)-Rv, het geen van de in art. 93 sub c (KEI-)Rv benoemde zaken betreft en de vordering de grens van € 25.000,- ver overstijgt. In deze zaak zal QI moeten procederen bij de Rechtbank Gelderland omdat partijen in art. 23 van de algemene voorwaarden een rechtsgeldige forumkeuze hebben gemaakt ex art. 108 (KEI)-Rv. De uitzonderingen op die regel van dat artikel doen zich in casu niet voor.

Conclusie is dus dat FC bij de Rechtbank Gelderland zal moeten procederen en wel onder het KEI-regime.
Puntenverdeling

  • De Rechtbank Gelderland is relatief bevoegd (gegeven in de casus)
  • Het is een vorderingszaak: 6:162 BW jo 78/6:74 BW jo 78
  • Geen kantonzaak: geen van de gevallen genoemd in art. 93 doet zich hier voor/toetsing 93 a-d
  • Verplichte procesvertegenwoordiging: 79 lid 2 jo 79 lid 1/79 lid 2 + het is geen kantonzaak

Conclusie: bij de Rechtbank Gelderland wordt geprocedeerd onder het KEI-regime, omdat aan alle vereisten is voldaan ex art. II Stb. 2017, 174. SKM nrs. 5, 83-84, 86, 98, 126

Vraag 3 (2 punten)

Er zijn twee wijzen waarop de procesinleidingen, met de daarbij behorende oproepingsberichten, kunnen worden bekendgemaakt. De eerste wijze is neergelegd in art. 112 lid 1 KEI-Rv: bekendmaking geschiedt via de betekening (bij exploot) van het oproepingsbericht dat is opgesteld door de griffie van de rechtbank na indiening van de procesinleiding bij de rechtbank. De tweede wijze is neergelegd in art. 113 lid 1 KEI-Rv: bekendmaking geschiedt via de betekening (bij exploot) van het oproepingsbericht dat is opgesteld door de deurwaarder voordat de procesinleiding wordt ingediend bij de rechtbank. In casu wordt gevraagd naar de wijze(n) waarop de procesinleidingen, met de daarbij behorende oproepingsberichten, kunnen worden betekend. De formele vereisten voor betekening zijn neergelegd in artikelen 45 e.v. KEI-Rv. Er zijn twee wijzen waarop de procesinleidingen, met de daarbij behorende oproepingsberichten, kunnen worden betekend.

Allereerst kan een afschrift van het exploot aan degene worden gelaten voor wie het is bestemd in persoon of aan de woonplaats aan een huisgenoot van deze of aan een andere persoon die zich daar bevindt en van wie aannemelijk is dat deze zal bevorderen dat het afschrift degene voor wie het exploot is bestemd, tijdig bereikt ex art. 46 lid 1 KEI-Rv. Daarnaast laat de deurwaarder, indien hij aan geen van de in artikel 46, eerste lid, bedoelde personen afschrift kan laten, een afschrift aan de woonplaats achter in een gesloten envelop of –indien ook dat feitelijk onmogelijk is – bezorgt hij terstond een afschrift ter post ex art. 47 lid 1 KEI-Rv.

Puntenverdeling (max. 2 punten)

  • Art. 112 lid 1 KEI-Rv + uitwerking
  • Art. 113 lid 1 KEI-Rv + uitwerking
  • Art. 46 lid 1 KEI-Rv + uitwerking
  • Art. 47 lid 1 KEI-Rv + uitwerking SKM, nrs. 133-136

Vraag 4 (2 punten)

Verweerders Heidi en Walid zijn niet in rechte verschenen op de uiterste verschijningsdatum. De rechter zal ex art. 139 KEI-Rv toetsen of hij verstek kan verlenen tegen Lieke en Achraf. Uit art. 139 KEI-Rv volgt dat een rechter verstek kan verlenen indien het oproepingsbericht is betekend en de verweerder niet in de procedure verschijnt of, indien verschuldigd, het griffierecht niet tijdig voldoet hoewel hem dat bij “dagvaarding” (moet zijn: was aangezegd, en de voorgeschreven termijnen en formaliteiten in acht zijn genomen. Uit de casus blijkt niet of er een oproepingsbericht is betekend. In het geval dat er geen oproepingsbericht is betekend, zal de rechter geen verstek kunnen verlenen op grond van art. 139 KEI-Rv. In het geval er wel een oproepingsbericht is betekend, zal de rechter toetsen of de voorgeschreven ‘termijnen en formaliteiten’ in acht zijn genomen op grond van art. 139 KEI-Rv. Uit de casus volgt dat de procesinleiding dateert van 5 september 2018 en de daarin opgenomen verschijningstermijn op 19 september 2018 staat. De rechter zal in de onderhavige casus dan ook tot de conclusie komen dat de ‘termijn(en)’ ex art. 30a lid 3, aanhef en sub c jo. art. 139 KEI-Rv niet in acht is/zijn genomen. In dit verband is van belang via welke route Lieke en Achraf
zouden zijn opgeroepen. Wanneer verweerders Heidi en Walid zouden zijn opgeroepen via art. 112 lid 1 KEI-Rv dan dient de uiterste verschijningstermijn ten minste vier weken en uiterlijk zes maanden na de dag van indiening van de procesinleiding bij de rechter te liggen. In casu is sprake van een periode van dertien dagen (tussen 5-19 september 2018); hetgeen korter is dan vier weken. Er kan dan ook geen verstek worden verleend. Wanneer verweerders Heidi en Walid zouden zijn opgeroepen via art. 113 lid 1 KEI-Rv dan dient de uiterste verschijningsdatum ten minste twee weken en uiterlijk zes maanden na de dag van betekening van de procesinleiding bij de verweerders te liggen. In casu is sprake van een periode van dertien dagen (te rekenen van 6 september 2018). Ook deze termijn is korter dan de vereiste twee weken (de juiste verschijningsdatum zou zijn: 20 september 2018) en er kan dan ook geen verstek worden verleend.

Puntenverdeling

  • Art. 139 KEI-Rv + criterium
  • Situatie I: wanneer geen sprake is van betekening van een oproepingsbericht + conclusie
  • Situatie II: wanneer sprake is van betekening van een oproepingsbericht + art. 30a lid 3 sub c KEI-Rv
  • Art. 112 lid 1 jo. 30a lid 3 sub c KEI-Rv + toetsing + conclusie
  • Art. 113 lid 1 jo. 30a lid 3 sub c KEI-Rv + toetsing + conclusie SKM, nrs. 135 en 167

Vraag 5 (6 punten)

Omdat één van de verweerders (Achraf) wel in het geding is verschenen, is sprake van een vonnis op tegenspraak tussen alle partijen op grond van art. 140 lid 1 jo. lid 3 KEI-Rv. Tegen een vonnis op tegenspraak staat het gewone rechtsmiddel van hoger beroep ex art. 332 KEI-Rv open. Conform art. 332 lid 1 KEI-Rv kunnen partijen tegen een in eerste aanleg gewezen vonnis in hoger beroep komen, tenzij de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen niet meer beloopt dan € 1.750,-. In casu bedroeg de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen € 475.000,- en dat is meer dan € 1.750,-. Het rechtsmiddel van hoger beroep staat voor Lieke in casu dus open.
Puntenverdeling

  • Art. 140 lid 1 jo. lid 3 KEI-Rv + toetsing
  • Art. 332 lid 1 KEI-Rv + toetsing
  • Conclusie SKM, nrs. 250, 254-255

Vraag 6 (3 punten)

Uit de casus blijkt dat Jeff nog geen executoriale titel ex art. 430 lid 1 Rv heeft. Het beslag waarvoor Jeff toestemming vraagt, kan dus slechts een conservatoir beslag zijn. Het beslag wordt gelegd op het loon onder de werkgever van John. Dit betekent dat het hier gaat om een conservatoir onder derden ex art. 718 jo. 475 Rv. Nu het een conservatoir beslag op een periodieke betaling betreft, had de rechter op grond van art. 720 jo. 475c lid 1 sub a Rv John moeten horen of John daartoe in ieder geval de gelegenheid moeten geven. De rechter mocht dus niet enkel op basis van het verzoekschrift toestemming (verlof) voor het beslag verlenen.

Puntenverdeling

  • Het betreft hier een conservatoir beslag: er is geen executoriale titel art. 430 lid 1 Rv/er wordt om verlof verzocht ex art. 700 Rv.
  • Het gaat om een conservatoir derdenbeslag op loon/op een periodieke betaling. De rechter had op basis van art. 720 (jo. 475c lid 1 sub a) John moeten horen of John in ieder geval daartoe de gelegenheid moeten geven. Dit betekent dat de rechter in casu dus niet enkel op basis van het verzoekschrift toestemming had mogen verlenen. SKM, nr. 435

Vraag 7 (5 punten)

Het bierviltje is een akte in de zin van art. 156 lid 1 Rv. Het is namelijk een ondertekend geschrift, bestemd om tot bewijs te dienen. Meer specifiek is het bierviltje een onderhandse akte, omdat het servetje niet voldoet aan de vereisten die gelden voor een authentieke akte en het dus geen authentieke akte is ex art. 156 lid 2 jo. lid 3 Rv. Op grond van art. 157 lid 2 Rv levert een onderhandse akte ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring. Het bierviltje levert dus met betrekking tot de daarop geschreven voorwaarden dwingend bewijs op, hetgeen op grond van art. 151 lid 1 Rv betekent dat de rechter
de voorwaarde met betrekking tot de terugbetaaltermijn voor waar aan zal moeten nemen. De rechter zal dus de redenering van John volgen.

Puntenverdeling:

  • Het servetje is een onderhandse akte, want ondertekend door beide partijen en is bestemd om tot bewijs te dienen ex art. 156 lid 1 jo. lid 3 Rv (voldoet niet aan de vereisten voor een authentieke akte ex art. 156 lid 2 Rv).
  • Ex art. 157 lid 2 Rv levert een onderhandse akte ten aanzien van de verklaring van een partij omtrent hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen, tussen partijen dwingend bewijs op van de waarheid van die verklaring. De rechter moet dus de voorwaarde met betrekking tot de terugbetaaltermijn voor waar aannemen ex art. 151 lid 1 Rv (behoudens tegenbewijs).
  • De rechter zal dan ook de redenering van John volgen. SKM, nr. 219

Vraag 8 (3 punten)

a. De betwisting van de barmedewerkster is juist. Op grond van art. 704 lid 2 Rv vervalt het conservatoire beslag pas wanneer de afwijzing in de hoofdzaak in kracht van gewijsde is gegaan. In dit geval is de afwijzing nog niet in kracht van gewijsde gegaan, omdat er nog gewone rechtsmiddelen openstaan.

b. Deze opvatting is onjuist. Uit het arrest Bijl/Van Baalen (HR 30 juni 2006, NJ 2007/483), rov. 3.6 en 3.7 volgt dat een vordering tot opheffing van een conservatoir beslag op de grond dat de vordering tot verzekering waarvan dat beslag is gelegd, door de bodemrechter in eerste aanleg is afgewezen, in het geval tegen dat vonnis hoger beroep is ingesteld, niet zonder meer moet worden toegewezen, ook niet onder het voorbehoud van kennelijke misslagen in de uitspraak van de bodemrechter. In een dergelijk geval moet de omstandigheid dat de bodemrechter in eerste aanleg in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan, wel worden meegewogen. Het ligt volgens de Hoge Raad op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert om aannemelijk te maken dat het voortduren van het beslag niet kan worden gerechtvaardigd.

Puntenverdeling
Ad A)

  • Op grond van art. 704 lid 2 Rv heeft de barvrouw gelijk: het beslag is niet meteen vervallen. Het beslag vervalt pas wanneer de afwijzing van de eis in de hoofdzaak in kracht van gewijsde is gegaan. Er staan nog gewone rechtsmiddelen open, dus de afwijzing van de eis in de hoofdzaak is nog niet in kracht van gewijsde gegaan.

Ad B)

  • Arrest Bijl/Van Baalen (HR 30 juni 2006, NJ 2007/483).
  • Vordering tot opheffing wordt niet zonder meer toegewezen op de grond dat de vordering door de bodemrechter in eerste aanleg is afgewezen.
  • De omstandigheid dat de bodemrechter in de hoofdzaak reeds uitspraak heeft gedaan moet wel worden meegewogen en degene die opheffing vordert moet aannemelijk maken dat het voortduren van het beslag niet kan worden gerechtvaardigd.
  • Het is dus onjuist dat de voorzieningenrechter het beslag gegarandeerd zal opheffen. SKM, nr. 429

Onderdeel C (5 punten)

De rechter kan in beginsel terugkomen op een eerdere maar niet in een einduitspraak vervatte bindende eindbeslissing indien de eisen van een goede procesorde dat met zich meebrengen.
Het gaat hier om een beslissing die door de rechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is genomen met betrekking tot een geschilpunt. In rov. 3.3.3 van het arrest De Vries/Gemeente Voorst (HR 25 april 2008, NJ 2008/553) oordeelt de Hoge Raad dat de eisen van een goede procesorde met zich meebrengen dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerder door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die beslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.
Deze rechtsregel geldt zowel onder het Rv-regime als het KEI-regime. Dit betekent dat de stelling juist is, in die zin, dat indien de bindende eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, de eisen van goede procesorde met zich meebrengen dat de rechter kan terugkomen op een bindende eindbeslissing.

Puntenverdeling

  • Arrest: De Vries/Gemeente Voorst (HR 25 april 2008, NJ 2008/553)
  • In dit arrest oordeelt de Hoge Raad dat de eisen van een goede procesorde met zich meebrengen dat de rechter, aan wie is gebleken dat een eerder door hem gegeven, maar niet in een einduitspraak vervatte eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag bevoegd is om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die beslissing,
  • teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen.
  • Deze rechtsregel geldt zowel onder het Rv-regime als het KEI-regime.
  • De stelling juist is, in die zin, dat indien de bindende eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, de eisen van goede procesorde met zich meebrengen dat de rechter kan terugkomen op een bindende eindbeslissing.

Totaal 45 punten

Cijfer punten

  1. 0-6
  2. 7-11
  3. 12-15
  4. 16-20
  5. 21-24
  6. 25-29
  7. 30-33
  8. 34-38
  9. 39-42
  10. 43-45
Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Follow the author: Law Supporter
Check more of topic:
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
special isis de wereld in

Waag jij binnenkort de sprong naar het buitenland? Verzeker jezelf van een goede ervaring met de JoHo Special ISIS verzekering