Hoorcollegeaantekeningen Geschiedenis van de Psychologie - 2014/2015



Hoorcollege 1a

 

Hoofdstuk 1

Decartes (1596-1650) heeft zijn belangrijkste inzichten opgedaan toen hij 23 was. Rond die tijd was hij huursoldaat. Hij kreeg een lucide droom; in deze droom begon hij na te denken over de betekenissen van zijn droom. Door deze droom nam hij zich voor om zijn leven te wijden aan de filosofie.

 

Behalve in de filosofie volgde hij nog een aantal vakken. Zo ook wiskunde. Hiertoe voelde hij zich aangetrokken vanwege het zekere en vanzelfsprekende van haar redeneringen, maar voor de rest was hij over de wiskunde nogal sceptisch. Dat was hij ook over filosofie. De ironie wil dat hij juist later op die twee gebieden beroemd zal worden.

 

Tussen 1619 en 1629 is niets bekend over wat Descartes heeft gedaan. In 1629 besluit hij om te studeren in Nederland (In Franeker). Zijn reden hiervoor was dat iedereen in Nederland zo druk bezig was met zichzelf dat je daar in je eigen wereld kunt leven. Uiteindelijk vestigde hij zich in Egmond aan zee. Daar heeft hij de meeste onderzoeken gedaan, waaronder onderzoek naar wiskunde, meteorologie, anatomie, optica en astronomie. Bij zijn verslagen over deze onderzoeken voegt hij een weergave van de methoden die hij heeft gebruikt.

 

De methode van Descartes

1: Neem iets als uitgangspunt waaraan niet getwijfeld kan worden.

2: Deel een groot probleem op in zoveel mogelijk delen die je ieder voor zich kunt onderzoeken.

3: Begin met de meest eenvoudige dingen en werk langzaam naar de ingewikkelde zaken.

4: Achteraf nog een soort toets maken om je er van te verzekeren dat je niets hebt overgeslagen.

 

Wat is nou onbetwijfelbaar? Niet je zintuigen, want er zijn ook situaties waarbij je zintuigen elkaar tegenspreken. Ook redeneringen niet, want hierdoor kun je uitkomen op totaal onjuiste conclusies. Zelfs je gewaarwordingen en gedachten komen niet in aanmerking voor 'onbetwijfelbaarheid'. Volgens Descartes weet je maar 1 ding zeker: het enige dat onbetwijfelbaar is, is de twijfel zelf. Je kunt de twijfel nooit verwijderen uit je denken. Op deze conclusie zijn veel bekende spreuken geformuleerd (zoals 'cogito ergo sum'). Je bent als denkend wezen echter wel zeker dat je bestaat. Dit is de eerste tak van het dualisme: denken. Dit is 'res cogitas'. Het is ondeelbaar.

 

De tweede tak gaat over de essentie van materie. Volgens Descartes is dat niet wat je op het eerste gezicht kunt zien. Denk bijvoorbeeld aan bijenwas: als je dit smelt ziet het er anders uit. De enige eigenschap is dat het nog steeds ruimte inneemt. Dit is de res extensa: het neemt ruimte in, het is deelbaar en het heeft als essentie 'uitgebreidheid'.

Er bestaan aldus twee dingen volgens het dualisme: dingen die met denken te maken hebben, en dingen die met materie te maken hebben.

 

Volgens Aristoteles verschilde een levend iets door de ziel met een dood iets. De ziel kon in 3 verschillende vormen voorkomen:

– planten: hebben een vegetatieve ziel

– dieren: hebben een vegetatieve ziel en een animale ziel, die je in staat stelt om te bewegen en te lopen;

– mensen: hebben de vegetatieve en de animale ziel, en daarnaast een rationele ziel. Dat laatste wil zeggen dat mensen kunnen denken.

 

De consequentie is dat dieren volgens Descartes geen ziel hebben. Het zijn als het ware mechanismes. Net als een klok op een bepaalde manier is geprogrammeerd om dingen te doen op een bepaald tijdstip, zijn dieren dat ook. Dit is de leer van de bête machine.

 

Domatio is een bekende criticus van Descartes. In 1995 schreef hij een boek, waarin hij betoogt dat Descartes er ten onrechte van uitgaat dat denken en het lijf van iemand van elkaar gescheiden zijn. Dit baseerde hij op de case study van Elliot. Bij hem werd een tumor weggehaald in zijn frontale cortex, waardoor bepaalde cognitieve vaardigheden afnamen (verlies van gevoel voor prioriteit, impulsieve beslissingen etcetera).

 

Het kernbegrip van Domatio is een somatisch stempel. Domatio stelt dat je bij het overwegen van je opties soms een bepaald gevoel in je lichaam krijgt. Dat gevoel sorteert voor in welke richting jij je beslissing moet nemen. Dit gevoel is de somatische stempel. Hij stelde dat deze stempel bij Elliot was weggehaald.

 

Stelling van Domatio: werkelijk rationele (verstandige) beslissingen hebben een emotionele component. Dit was bij Descartes juist niet het geval, omdat hij volgens Domatio stelde dat het lichaam en de geest gescheiden zijn. Domatio had echter Descartes onjuist geïnterpreteerd, omdat die wel degelijk verbanden legde tussen het lichaam en de geest.

 

 

Hoofdstuk 3

Traditioneel gezien werd een anatomie geleid door een 'boek'. Er werd voorgelezen wat er moest gebeuren. Vervolgens wees een tweede persoon aan waar de desbetreffende organen zaten. De persoon die vervolgens daadwerkelijk moest snijden in andere mensen had er nauwelijks verstand van.

 

Vroeger dacht men dat de cognitieve processen zich in de ventrikels afspeelden. De hersenen dienden als het ware als een kussen om de ventrikels heen. Ondanks dat ze echte hersenen hadden om te ontleden, gaf men de hersenen toch schematisch weer.

 

De eerste die dit anders aanpakte was Andreas Vesalius (Andries van Wesel). Hij groef lijken op, nam ze mee naar huis en ontleedde ze. Hij maakte een atlas waarin hij gedetailleerde tekeningen plaatste (getekend door Van Calcar). Maar zelfs hier zijn de hersenen meer op aanduidende wijze getekend dan realistisch.

 

Franz Josef Gall (1758-1828) doet een volgende stap richting de moderne wetenschap. Hij is de grondlegger van de frenologie. Het uitgangspunt hierbij is dat elke functie een speciale plek heeft in onze hersenen. Een van de wetten die hij hierbij formuleerde was dat 'hogere' intelligenties voorin zitten. Dingen die we met dieren gemeen hebben zit achterin onze hersenen. Daarnaast is alles dubbel gerepresenteerd (zowel links als rechts).

 

Je organen bepaalden dus je levensloop. Vanwege deze conclusie was de frenologie populairder bij mensen die niet gelovig waren, en tevens bij mensen die geïnteresseerd waren in persoonlijke ontwikkeling. Uiteindelijk gaf Pierre Flourens (1794-1867) de doodsteek aan frenologie. Hij opereerde dieren en haalde bepaalde delen van hun hersenen weg. Hij concludeerde een aantal dingen. Zo kwam hij er achter dat verschillende functies over de hersenen zijn verdeeld; ze hadden geen speciale plek.

 

Paul Broca (1824-1880) heeft de hersenen van een man die spraakgebrek had ontleed. Hij ontdekte dat ongeveer 50 gram hersenweefsel was verdwenen. Broca concludeerde daarom dat het letsel op die plek wel eens kon betekenen dat met taal te maken had. Dat gebied heet nu het gebied van Broca. In zijn tijd werd zijn idee weggelachen, omdat men uitging van de symmetrie-these: beide delen van de hersenen doen precies hetzelfde. Uiteindelijk werd geaccepteerd dat het taalcentrum alleen aan de linkerzijde zit.

 

Na de tweede wereldoorlog concludeerde men dat dit gebied inderdaad bij alle rechtshandigen links zit. Bij 30% van de linkshandigen zit het echter niet (alleen) in de linkerzijde. Bij 15% zit het namelijk rechts, en bij 15% zelfs aan de beide kanten.

 

Afasie is taal/spraakgebrek. Hierbinnen zijn twee typen te onderscheiden:

– Broca: je kunt de taal wel begrijpen, maar je kunt je niet in taal uitdrukken (motorische of expressieve afasie);

– Wernicke: je kunt wel spreken, maar de taal niet begrijpen (sensorische of receptieve afasie). Het gebied van Wernicke ligt in de linkerslaapkwab.

 

 

 

Hoorcollege 1b

 

Hoofdstuk 4

De wereld voor Kant

Wat is de oorsprong, de bron van betrouwbare kennis? Komt die kennis voort uit zintuigen, of door nadenken? Descartes zag de rede als de bron voor kennis. Dit is het rationalisme. Locke dacht echter dat we kennis op moesten doen aan de hand van onze zintuigen. Deze leer heet het empirisme. De discussie tussen rationalisme en empirisme staat bekend als het probleem van Molyneux. Die laatste legde een probleem voor: stel, je legt een bol/kubus voor een blind persoon op tafel. Plotseling kan die persoon zien. Zonder de bol/kubus aan te raken, weet hij dan dat het een bol of een kubus is, puur door na te denken? Het rationalisme zegt dat dat inderdaad kan, Locke bestrijd dit. Uit onderzoeken is gebleken dat het antwoord van Locke dichter in de buurt zit.

 

Kant (1724-1804)

Hij was van mening dat ons kenvermogen structuur brengt in wat we waarnemen. Buiten onze zintuigen kunnen we niks waarnemen. Onze zintuigen maken dus onze werkelijkheid. Kant zei dat wetenschappelijke psychologie niet zou kunnen bestaan. Psychische verschijnselen onttrekken zich aan de mogelijkheid om te meten en te tellen. Hiervoor had hij 3 argumenten. Allereerst gaat dat wat we waarnemen zo snel, dat het onmogelijk is om er een betrouwbare observatie mee te verrichten. Daarnaast kunnen psychische verschijnselen tegelijk het object en het instrument zijn. Tenslotte nemen psychische processen geen ruimte in, en zijn aldus onmeetbaar.

 

In de eeuw volgend op Kant werden deze argumenten allemaal ontkracht, bijvoorbeeld door F.C. Donders. Die stelde dat psychische processen een verloop in tijd hebben, en die tijd is meetbaar. Hierin is Hermann von Helmholtz belangrijk geweest. Een van zijn uitvindingen is de oogspiegel, waarmee de blinde vlek is gevonden. Hij was een leerling van Johannes Müller. Met hem verschilde Helmholtz in 2 punten van mening. Allereerst het verschil tussen vitalisme (ieder levend wezen bevat een onmeetbare 'levenskracht') en mechanisme (alle fysiologische processen zijn omzettingen van energie). Helmholtz formuleerde de wet van behoud van energie, waarmee hij het vitalisme afloste. Daarnaast beweerde Müller dat zenuwimpulsen onmeetbaar snel zijn. Hij stelde dat dit met de snelheid van het licht gebeurde. Van Helmholtz zei daarentegen dat zenuwimpulsen berusten op een chemisch proces. Aldus zal de snelheid relatief traag zijn. Hij deed metingen waaruit bleek dat de snelheid ongeveer 30 meter per seconde bedroeg.

 

Ook aan de zintuiglijke waarneming heeft Von Helmholtz een bijdrage geleverd. Hij zei: sensaties worden door ons brein geordend door percepties. Te onderscheiden valt in kleurconstantie, vormconstantie en grootteconstantie. Als je je deze constanten allemaal eigen hebt gemaakt, dan kun je niet meer 'terug'. Dit geldt bijvoorbeeld voor lezen. Als je eenmaal kunt lezen, kun je niet meer terug naar 'niet kunnen lezen'.

Fechner (1801-1887)

Hij is grondlegger geweest van de psychofysica. Dit gaat over de relatie tussen fysische gewaarwordingen (tast, gehoor zicht) en de gewaarwording die dat bij ons oproept.

 

De hoge zintuigen (oog, oor) hebben grote Weberfracties, wat wil zeggen dat je hele kleine verschillen al kunt opmerken. Smaak heeft daarentegen een heel lage Weberfractie. De wet van Fechner zegt hierover het volgende: om een toename in gewaarwording te krijgen, is een steeds grotere fysische prikkel nodig. Dit is een logaritmische verhouding. Hierbij gaat het om relatieve verschillen.

 

Hoofdstuk 5

Kwantificatie is het naar getallen brengen van waarnemingen en belevenissen. Kwantitatieve fysiologie ontstond pas aan het begin van de 19e eeuw, onder meer door de experimenten van Von Helmondt. Pas aan het eind van de negentiende eeuw kwam psychologie aan de orde om gekwantificeerd te worden.

 

Reactietijd is het begin van deze kwantificatie in de psychologie. Donders heeft in 1865 voor het eerst aangetoond dat ook psychische processen tijd innemen; hiervoor kwam hij op 0.067 seconde. Reactietijd kun je ook toepassen op prototypen-onderzoek. Hoe meer iemand op een prototype lijkt, hoe sneller je kunt aangeven dat iemand bij een bepaalde categorie hoort. De reactietijd zal dan dus korter zijn.

 

Wilhelm Wundt deed in zijn lab in Leipzig ook voornamelijk reactietijdonderzoek. Daarnaast deed hij onderzoek naar psychofysica en de tijdszin. In dit lab werd gerouleerd: de ene dag waren onderzoekers proefpersoon, de andere dag waren ze proefleider. De gedachte was dat je er verstand van moest hebben om een goed proefpersoon te kunnen zijn. Dit laboratorium van Wundt was het eerste psychologische laboratorium. Voor zijn onderzoeken ontwierp hij zelf apparatuur. Deze apparatuur werd ook aan andere mensen verkocht door de producenten. Eigenlijk kon het alleen gebruikt worden om onderzoek mee te doen zoals Wundt dat voor ogen had. Daardoor verspreidde hij zijn theorie en zijn onderzoeksmoden. Om die reden zou je kunnen zeggen dat 'onze' psychologie de psychologie van Wundt is.

 

Hoorcollege 2a

Hoofdstuk 6

Darwin heeft een grote invloed gehad op onze intuïties; op ons wereldbeeld. Hij heeft een grote invloed gehad op de psychologie, onder anderen via zijn neef Galton. Darwin nam deel uit van een ontdekkingsreis met een schip, de Beagle. Hierbij fungeerde hij in eerste instantie als gezelschap voor de kapitein. Maar hij mocht ook werken als naturalist; hij mocht natuuronderzoek doen. In totaal duurde de reis 5 jaar. In die tijd stuurde hij van alles terug naar Londen; planten, opgezette dieren etcetera. Het doel van de expeditie was in eerste instantie het in kaart brengen van de kustlijn. Gaandeweg de reis raakte Darwin onder de indruk van de natuur en de verscheidenheid daarvan. Hij raakte gefascineerd door het volgende vraagstuk: waar komt deze variëteit nou eigenlijk vandaan? Dit staat bekend als het mystery of mysteries. Vroeger ging men er van uit dat God dit had gedaan (mede omdat het in de bijbel stond). Het bekendste argument voor deze diversiteit berustte op een vergelijking met een horloge. Als je dat openmaakt, zie je dat het allemaal op zo'n perfecte manier in elkaar zit omdat het met een doel is geschapen. Als je kijkt naar planten en dieren zie je dat ze ook een mechaniek vormen dat perfect is toegerust op overleven. Dus ook voor dieren en planten moet een ontwerper zijn geweest. Dit is het argument from design.

 

Tijdens Darwins reis werd een probleem duidelijk: Darwin vond voortdurend fossielen van blijkbaar uitgestorven dier- en plantensoorten. Uitgestorven dieren vallen nogal moeilijk samen te brengen met het idee dat dieren door God zijn geschapen.

 

Begin 19e eeuw formuleerde Lamarck een evolutietheorie (Darwin was dus niet de bedenker van het idee van evolutie!). Lamarck had een mechanisme voor evolutie bedacht: de overerving van verworven eigenschappen. Dit mechanisme was echter volledig speculatief. Daarnaast heeft het als nadeel dat het niet kan werken voor eigenschappen die je niet kunt oefenen. Er is bijvoorbeeld geen manier waarop je je darm langer kunt maken door middel van oefening. Darwin raakte wel overtuigd door dit idee van evolutie, maar er was een beter mechanisme nodig. Hierbij vormt een probleem dat evolutie een erg langdurig proces is. Vroeger dacht men dat de aarde 6000 jaar oud was; dat was natuurlijk niet voldoende voor evolutie.

 

Charles Lyell verdedigde de theorie van uniformitarialisme. Een onderdeel hiervan is het gradualisme. Deze theorie zegt dat eigenschappen van de aarde zeer geleidelijk zijn ontstaan. Deze leer stond tegenover het catastrofisme, welke stelde dat de aarde was geschapen door een aantal catastrofale gebeurtenissen (zoals de zondvloed). Lyell ging er van uit dat de aarde ongeveer 100 miljoen jaar bestond. Zo'n lange tijdsspanne gaat ons intuïtievermogen eigenlijk te boven. In de geologie staan dergelijke tijdsspannes bekend als deep time. Maar er was nog steeds geen mechanisme gevonden.

 

 

Toen Darwin een jaar terug was van zijn reis en nog zat te piekeren over het probleem van het mechanisme, las hij een boek van Malthus. Die beredeneerde dat de bevolking zich exponentieel vermenigvuldigt, tegenover een lineaire voedselaanbodtoename. Hierdoor is armoede onvermijdelijk. Darwin formuleerde analoog hieraan de struggle for existence.

 

Evolutietheorie

De evolutietheorie bestaat uit 3 elementen:

– er bestaat variatie binnen elke soort: niet alle mensen zijn hetzelfde, niet alle bomen zijn hetzelfde etcetera;

selectie: de beter toegeruste individuen zullen meer kans hebben om te overleven, en aldus ook om zich voort te planten;

erfelijkheid: het nageslacht van beter toegeruste individuen zal ook beter toegerust zijn.

 

In 1838 had Darwin deze theorie al in zijn hoofd, maar hij publiceerde het pas 20 jaar later. Dat heeft er mee te maken dat hij een chronische ziekte had, waardoor hij maar een paar uur per dag kon werken. Daarnaast vreesde hij voor de reacties op zijn theorie. Alfred Russel Wallace kwam na 20 jaar onafhankelijk van Darwin met dezelfde theorie, waardoor de druk bij Darwin werd opgevoerd. Dit leidde ertoe dat hij zijn boek On the Origin of Species schreef.

 

Uitdrukking van emoties

Dit kan volgens Darwin worden gebaseerd op 3 principes:

– serviceability: de basis ligt in een dienstbare gedraging, die geleidelijk een instinct is geworden. Dit is een Lamarckeaanse verklaring.

– antithese/tegenovergestelde van dat soort dienstbare gewoonten. Een voorbeeld: honden die boos zijn maken zich groot. Als een hond onderdanigheid wil uitdrukken, maakt hij zich juist klein. Je groot maken is ooit een dienstbare gedraging geweest, hierdoor weet de hond ook hoe hij een tegenovergestelde gedraging moet verrichten.

– activering van het zenuwstelsel. Bijvoorbeeld: als je heel vrolijk bent wordt je zenuwstelsel overgeactiveerd. Om die energie kwijt te raken ga je lachen.

Veel van Darwins ideeën zijn ondertussen verlaten, maar het idee dat emoties natuurlijk te verklaren zijn wordt nog steeds breed aangehangen.

 

Na Darwin

In deze periode ontstond een soort crisis, omdat men het systeem voor overerving niet wist. Darwin ging uit van een soort 'menging. Mendel loste dit probleem op: hij ging uit van erfelijke factoren die dominant of recessief zijn. In het eerste deel van de 20e eeuw werd een mengvorm gemaakt van Darwins theorie en Mendels idee: neo-darwinisme. Het erfelijke materiaal waarop Mendel had gewezen wordt geselecteerd door middel van evolutie. Weismann stelde dat Lamarckiaanse ideeën niet konden: je kunt niks met je erfelijke materiaal doen.

 

 

Hoofdstuk 7

Galton

Is grootgebracht met het idee dat hij heel intelligent was. Dat heeft hij zijn hele leven willen bewijzen, maar dat werkte niet altijd. Hij deed het namelijk niet zo goed op school. Daarom haalde zijn vader hem van school. Uiteindelijk studeerde Galton op Cambridge, waar hij zijn zinnen had gezet op een bepaald tentamen. Deze faalde hij totaal, waardoor hij leerde dat zelfs als je je enorm inspant voor iets, het niet altijd lukt. Hij raakte erg overspannen door deze ervaring.

 

Later ging hij op ontdekkingsreis voor de Royal Geographical Society. Op deze reis bleek dat hij een enorm talent had voor tellen en meten. Een van de taken die hij kreeg van de Society was het weer. Galton realiseerde dat het hiervoor relevant is om op verschillende plekken metingen te doen en deze samen te brengen op 1 kaart.

 

Na een aantal jaar raakte hij in de ban van een kwestie die in Nederland bekend staat als de sociale kwestie. Dit probleem houdt zich bezig met de volgende vraag: hoe komt het dat er zoveel mensen in enorme armoede leven terwijl er toch zoveel vooruitgang is geboekt in de wereld? Zijn conclusie was dat deze mensen genetisch inferieur zijn: ze zijn te dom voor onze samenleving. Hun gebrek aan intelligentie is erfelijk bepaald. Dit idee werd mede beïnvloed door The Origin of Species. Want waarom zou je in het geval van mensen de evolutie niet in de eigen hand kunnen nemen? Dit is de eugenetica. Het veronderstelt dat je de individuele verschillen in kaart kunt brengen (je hebt dus tests nodig), en ook dat die verschillen erfelijk bepaald zijn. Dus ook dat moet je onderzoeken. Die taak nam Galton op zich.

 

Hij onderzocht hiervoor genieën en keek of de genialiteit af te leiden was aan de voorouders. In zijn boek Hereditary Genius kwam hij tot de conclusie dat dit inderdaad het geval was. De Candolle kwam echter tot de conclusie dat genialiteit werd bepaald door je omgeving. Dit zette Galton er toe aan meer onderzoek te verrichten. Hiertoe schreef hij een tweede boek, waarin hij de term 'nature en nurture' introduceerde. In dit boek deed hij geen biografisch onderzoek, maar hij stuurde vragenlijsten rond. Dit was de eerste keer dat vragenlijsten werden gebruikt om psychologisch onderzoek te doen. Hij was ook de eerste die tweelingstudies gebruikte om erfelijkheid te bepalen.

 

In 1884 richtte hij een laboratorium in. Alle bezoekers konden zich hier laten testen, waarna ze een uitdraai meekregen van hun testresultaten. Op deze manier heeft hij meer dan 9000 mensen kunnen testen. Die tests waren bedoeld om de intelligentie van mensen vast te stellen. Maar als je er met een hedendaagse blik naar kijkt, dan zul je ze niet zien als intelligentietesten. Volgens Galton kon je intelligentie namelijk meten aan de hand van reactietijdmetingen en iemands hoofdomvang. In het kader van dit onderzoek bedacht Galton de correlatie.

 

Hoorcollege 2b

Hoofdstuk 8

Wundt is belangrijk geweest voor de psychologie als vak en als discipline. William James was meer een schrijver. De familie James was een vooraanstaande familie in Amerika. Waar Wundt wordt gezien als de grondlegger van het vak, worden er verder geen dingen ten ere van hem georganiseerd. Dat is voor James anders; onder andere biografieën ontstaan nog vaak over hem. Zijn vader was ook schrijver, maar kwam zijn studeerkamer nooit uit. William James heeft nogal veel geswitcht van studie. Uiteindelijk studeerde hij af in medicijnen.

 

Hij had een aantal crisissen in zijn leven. In een van zijn periodes van diepe depressies komt hij Renouvier tegen; een schrijver over de vrije wil. James neemt dit idee over, en mede hierdoor stelt hij uiteindelijk de waarheidstheorie op. De correspondentietheorie zegt: 'waar' is wat overeenstemt met de realiteit. Een alternatief voor deze theorie is de coherentietheorie. Deze zegt dat iets pas waar is als het past in wat we al weten op andere gronden. Hiervoor geldt dus dat er een netwerk van kennis moet bestaan. Als het nieuwe feit hierin past, kunnen we het in ieder geval tijdelijk accepteren als waar. James en andere filosofen hebben nog een derde waarheidstheorie geformuleerd: pragmatisme. Dat houdt in dat iets voor waar wordt aangenomen als het nuttig is om te geloven; als het handig is en als het werkt. Als de situatie wetenschappelijk onderzoek is, spreekt men van determinisme. Maar als die situatie het persoonlijke leven is, dan spreekt men van de vrije wil.

 

In 1872 krijgt James een uitnodiging om een leerboek psychologie te schrijven. Dat moest een soort overzicht van de psychologie worden. Het plan was dat het twee jaar zou duren, maar uiteindelijk duurde het 12 jaar. Dit had een aantal redenen. Allereerst was de psychologie net bezig om gestalte te krijgen; het was heel lastig daar een overzicht van te maken. Daarnaast was James een perfectionist. Ook waren er allerlei controverses in de psychologie. James probeerde daarin een positie te kiezen en te beargumenteren waarom bepaalde posities te verkiezen zijn. Maar zodra zijn boek eenmaal gepubliceerd was, werd het meteen een enorm populair werk.

 

De openingszin van het boek luidt: psychologie is de wetenschap van het psychische leven, zowel van de psychische verschijnselen zelf als wan hun voorwaarden. Hij formuleert de psychologie dus niet als een sociale wetenschap of een gedragswetenschap. Hij vond ook dat psychologie uiteindelijk een natuurwetenschap was, omdat de methoden van de psychologie overeenkomen met 'natural science'. Dat heeft 3 redenen. In de eerste plaats werden experimenten uitgevoerd, zoals hij had gezien in Duitsland en ook in Amerika. Daarnaast was er ook vergelijkend onderzoek. Ten derde vond introspectie plaats. Dat laatste lijkt enigszins vreemd, maar het stond centraal in de ideeën van James. Het is een omstreden methode: ook al in zijn tijd werd er twijfelend over gedacht. James moest hier een positie in kiezen. Hij zei hier over dat het in feite een onmiddellijke herinnering is.

James over de stream of thought

James zei dat 5 eigenschappen van denken zijn:

– denken is deel van het persoonlijk bewustzijn;

– het is voortdurend in verandering;

– er zit altijd een overgang in;

– het is altijd intentioneel; ergens op gericht;

– het is selectief.

 

Uit een onderzoek van Offer bleek de discrepantie in het geheugen van mensen. Aan een groep mannen werd na 35 jaar gevraagd wat ze 35 jaar geleden zouden hebben geantwoord, en deze antwoorden verschilden significant.

 

De emotietheorie van James-Lange zegt: emoties zijn niet de oorzaak. maar juist het gevolg van activatie in ons lichaam.

 

Hoofdstuk 10

Mesmer (1734-1815) was in Wenen werkzaam als arts. Hij hield zich bezig met het vraagstuk van het magnetisme. Hierbij gebruikte hij ook muziek, geschreven door Mozart. Hij trok veel cliënten met zijn therapieën. Dit zorgde er voor dat er een onderzoekscommissie werd ingesteld die moest onderzoeken of zijn methodes wel effect sorteerden. Deze commissie bestond allereerst uit Benjamin Franklin, de ontdekker van de elektrische aard van bliksem. Ook Antoine Lavoisier en Joseph Guillotin (uitvinder van de guillotine) zaten in deze commissie. Zij kwamen tot de conclusie dat ze persoonlijk geen effect merkten. Als anderen dat wel deden, lag dat er aan dat ze wisten dat gebruik werd gemaakt van suggestie.

 

Dat betekende echter niet het einde van het magnetisme. Men ontdekte namelijk dat je mensen in trance kon laten brengen door middel van hypnose. Deze trance had als eigenschap dat je nog ten dele bij bewustzijn was. Maar na afloop kon je je er niks van herinneren. Tijdens de trance konden suggesties bijgebracht worden voor dingen die je na die trance kunt doen. De staat bekent als posthypnotische amnesie en posthypnotische suggestie. Ook leek het alsof mensen tijdens deze trance een beter geheugen had: hypermnesie. Met name in de forensische psychologie is dit fenomeen onderzocht.

 

Hypnose is met name door James Braid (1795-1860) onderzocht. Hij ontdekte dat de trance afwijkende fysiologische uitwerkingen sorteert. Daarnaast zei hij dat de trance niet met de kracht van de magnetiseur te maken heeft (deze magnetiseur was vroeger overigens altijd een man). Het is afhankelijk van de suggestiviteit. Dergelijk onderzoek heeft er toe geleid dat hypnose voor een wetenschappelijke toepassing wordt gebruikt.

Hoorcollege 3a

Rond 1900 waren er 4 kwesties die speelden. Allereerst Titchener met zijn ideeën over hoe je bewustzijn kunt opdelen in verschillende delen. Daarnaast het functionalisme. Het functionalisme was in eerste instantie een erg filosofische benadering. Ook was in die tijd was spiritisme actief. Dit was een enorm populaire beweging, waarbij men er van uitging dat je via een medium contact kon leggen met de geesten van overleden personen. Mensen van alle rangen en standen probeerden op deze manier contact te leggen met hun overledenen. Het spiritisme was veel populairder dan de psychologie. Rond die tijd waren daarnaast steeds meer afgestudeerden in de psychologie, en die moesten aan het werk. Voor deze punten bood het behaviorisme een uitkomst. Het was bij uitstek praktisch toepasbaar en het had een heel sterk wetenschappelijke insteek.

 

Pavlov (1849-1936) was de grote inspiratiebron van de eerste behavioristen. Hij ontdekte dat honden al speeksel produceerden op het moment dat de medewerkers binnenkwamen. Hierdoor realiseerde hij zich dat de honden de medewerkers waren gaan associëren met het voedsel. Dit noemde hij een geconditioneerde reflex.

 

Watson

John B. Watson (1878-1956) studeerde af op het gedrag van witte ratten. Hij ging aan het werk op een universiteit en werd al snel het hoofd van de vakgroep. In deze rol was je ook gelijk hoofdredacteur van de psychological review, een belangrijk tijdschrift in de psychologie. Watson deed onderzoek naar diergedrag, maar werd voortdurend geconfronteerd met de opmerking dat diergedrag niks met het menselijke bewustzijn heeft te maken. Dus het was geen psychologie. Daarom schreef Watson een stuk waarin hij 3 dingen zegt:

– zijn nieuwe wetenschap (het behaviorisme) is objectief en natuurwetenschappelijk. Hij gebruikt dus geen introspectie;

– het doel van die wetenschap is voorspellen en beheersen (en dus niet verklaren);

– er is geen absoluut onderscheid tussen mensen en dieren. Als je diergedrag bestudeert, doe je niets anders dan als je menselijk gedrag bestudeert.

Dit zijn de 3 hoofdkenmerken van Watsons behaviorisme. Hij kon nog geen invulling van die wetenschap geven: hoe je het moest bedrijven; hoe je onderzoek moest doen et cetera. Op een gegeven moment hoorde hij over het onderzoek van Pavlov. Watson realiseerde zich dat hij hiermee menselijk gedrag kon onderzoeken. Voor Watson werd het een methode om gedrag te onderzoeken (en dus niet fysiologie, zoals Pavlov).

 

Een voorbeeld: volgens Watson was het emotionele leven van volwassenen gebaseerd op 3 emotionele reflexen die bij baby's al aanwezig waren (angst, woede en liefde). Om dat te laten zien ging hij experimenten doen met een kleine baby, namelijk Little Albert.

 

 

Op den duur ging hij voor een marketingbureau werken. Om crème aan de vrouw te brengen formuleerde hij een 'testimonial'. De koningin van Roemenië raadde de crème zogenaamd aan. In feite brengt hij hiermee een geconditioneerde reflex tot stand. Door zijn methodes werd hij een zeer succesvolle adverteerder.

 

Skinner

B.F. Skinner (1904-1990) concentreerde zich op een andere vorm van conditioneren. Midden vorige eeuw was hij de aller beroemdste psycholoog. Tegelijkertijd is hij een enorm gehate man geweest vanwege zijn perspectief op het menselijk gedrag. Volgens Skinner was het perspectief van Pavlov te beperkt. Hij stelde dat leren ook heel vaak een actief proces is. Als er tijdens dat leren iets gebeurt dat prettig is, zal het gedrag vaker vertoond worden. Skinner werkte dit uit als operante conditionering. Dit gaat dus uit van het belonen van bepaald gedrag. Hij bedacht hiervoor de Skinner-box. Deze was voor hem van belang omdat onderzoek voor hem zo objectief mogelijk moest gebeuren. Dat hield voor hem in dat de menselijke invloed zo gering mogelijk moest zijn. Hierdoor kon je tegelijkertijd een groot aantal verschillende onderzoeken tegelijk uitoefenen.

 

De hoogtijdagen van Skinner waren tevens de hoogtijdagen van het omgevingsdenken; van nurture. Men ging er van uit dat de mens en de maatschappij wetenschappelijk maakbaar zijn.

 

Persoonlijkheid

Rond 1920 ontbreekt de psychologie van het (gezonde) individu. Wel zie je een opkomst van intelligentiepsychologie. In WO I wordt een eenvoudige IQ-test uitgedeeld aan rekruten. Maar daarbij gaat het eigenlijk alleen over het intellect. Als er voor die tijd gesproken werd over wat individuen eigen is, werd gesproken in termen van karakter. Dat heeft een morele lading: 'goed' of 'slecht'. Zo'n morele lading verhoudt zich slecht met een wetenschappelijke benadering. Daarom komt de term persoonlijkheid op. Ook zie je rond die tijd de eerste tests van persoonlijkheid.

 

Gordon Allport is de eerste die met een theorie over persoonlijkheid komt. Volgens hem is persoonlijkheid opgebouwd uit trekken. Hierbij moet je je niet veel meer voorstellen dan bijvoeglijke naamwoorden om elkaar te beschrijven, zoals aardig, spontaan, zuinig, rustig etcetera. Deze konden worden onderverdeeld in 4 categorieën: temperament, intellect, zelfexpressie en socialiteit. Volgens hem waren alle trekken in deze categorieën onder te verdelen.

 

Twee vragen komen op: welke vragen zijn het belangrijkst, en hoe bepaal je deze trekken? Hiermee hield Allport zich bezig. In zijn onderzoek probeerde hij 2 onderzoeksstijlen te combineren. De eerste stijl is nomothetisch onderzoek. Dat betekent: wettenstellend: onderzoek dat probeert wetten van het gedrag te vinden. Dit is kwantitatief onderzoek waarin het individu een verzameling meetpunten is. Hiermee wordt geprobeerd om oorzaken te vinden. De tweede stijl had hij in Duitsland leren kennen door bijvoorbeeld Gestaltpsychologen. Dit is de idiografische stijl: het unieke beschrijven. Dit onderzoek zoekt niet naar oorzaken, maar naar de doelen/bedoelingen die mensen hebben. In plaats van meten staat het begrijpen/interpreteren hier centraal. Een nadeel van deze stijl is dat begrijpen een moeilijk proces is, en daarnaast niet heel betrouwbaar. Hij combineerde dit in case studies.

 

Hans Eysenck maakte strikt gebruik van de nomothetische stijl. Hij ontwikkelde een theorie van persoonlijkheid met behulp van factoranalyse. Hij onderscheidde 3 dimensies waarop mensen variëren: extroversie/introversie, neuroticisme en psychoticisme. Een nadeel is dat je hiermee niet het unieke van een bepaalde persoon beschrijft. Maar van dergelijke ideeën moest Eysenck niets hebben: het gaat erom of je mensen kunt vergelijken.

 

Henri Murray is een vertegenwoordiger van de idiografische benadering. Hij had geen specifieke theorie over persoonlijkheid. Wel had hij een manier om persoonlijkheid te onderzoeken: door middel van interviews, het interpreteren van autobiografische stukken van mensen, en tests. In deze tests kregen geïnterviewden een bepaalde tekening voor zich. De proefpersonen moesten een verhaal vertellen over die platen. Het idee was dat de persoonlijkheid van mensen hieruit naar voren zou komen.

 

Abraham Maslow wilde op een vergelijkbare manier een psychologie ontwikkelen die over het positieve ging. Hij begon als behaviorist. Van neo-freudianen leerde hij over verschillende motivaties voor menselijk gedrag. Daarnaast hadden Ruth Benedict en Max Wertheimer (Duitse Gestaltpsycholoog) grote invloed gehad op Maslow. Deze psychologen waren zulke creatieve, aardige en genereuze mensen dat het hem een soort mensen leken die zich hadden ontworsteld aan de problemen die de meeste mensen hadden. Daarnaast leerde hij van Wertheimer over de zogenaamde piekervaring. Dit zijn bijzondere soorten ervaringen waarin in een keer een heel nieuw perspectief op je leven kan ontstaan. Maslow richtte de humanistische psychologie op. In de jaren 60 en 70 was dit enorm invloedrijk, maar wij zullen er nauwelijks wat van horen.

 

De bekendste vondst is de piramide van Maslow. Deze gaat er van uit dat mensen een hiërarchie aan behoeften hebben. Je kunt pas aan hogere niveaus van behoefte toekomen als je lagere niveaus zijn bevredigd. Uiteindelijk wil je toekomen aan zelfontwikkeling: self-acualisation. Wertheimer en Benedict waren hier voorbeelden van volgens Maslow.

 

Hoorcollege 3b

Freud en de psychoanalyse

Eigenlijk heeft Freud een medische achtergrond en is hij als psychiater werkzaam geweest. Freud is geboren in 1856 (het jaar dat Darwin zijn 'on the origin of species' heeft gepubliceerd). Hij is een van de invloedrijkste figuren in de psychologie geworden. In zijn jeugd nam hij een bijzondere positie in: hij kreeg een voorkeursbehandeling van zijn ouders. Dit is belangrijk om in je achterhoofd te houden, omdat in de filosofie van Freud het belang van de kindertijd voorop staan.

 

Veel van zijn werk is ontwikkeld in de tweede helft van de 19e eeuw. Hij probeerde uit het stoffige, oude denken van die tijd te komen. Voor hem lag het belang in praten. Freud verschoof zijn aandacht van de gestoorde patiënt naar de mensen die grotendeels normaal waren, maar die een psychologisch probleem hadden. Freud heeft ons gewezen op de vage grens tussen normaal en abnormaal. Hij stelde dat iedereen psychologische problemen had, maar dat sommigen er beter mee om konden gaan dan anderen. Ook legde hij het accent op de betekenis van de persoonlijkheid. Een ander belangrijk punt is dat hij zich aansloot bij de cultuur. Rond zijn tijd werd namelijk steeds meer nadruk gelegd op het feit dat mensen verschillende persoonlijkheden konden hebben in verschillende situaties. Freud ging mee in deze gedachtegang.

 

In Wenen was een sterke antisemitische cultuur, wat Freud ook belemmerde. Hij wilde namelijk graag hoogleraar worden, maar dit was niet mogelijk vanwege zijn joodse afkomst. Pas aan het eind van zijn leven verhuisde hij naar Londen. Dit had te maken met de dreigende oorlog.

 

Freuds vroege werk

Voordat Freud psychoanalist werd had hij medicijnen gestudeerd. In de jaren 80 werkte hij met name als neuroloog; hij heeft in deze periode een aantal publicaties naar buiten gebracht, maar hij merkte dat hij vanwege het antisemitisme nooit erg grote roem op dit gebied kon behalen. Iets later hield hij zich bezig met hypnose. Hij is verder gaan werken op dit gebied; dit is eigenlijk het begin van de echte psychoanalyse.

 

Het eerste werk dat hij over dit onderwerp uitgaf was de Studien über Hysterie, welke hij samen schreef met Josef Breuer. Samen kwamen ze tot de conclusie dat vergeten herinneringen de bron vormen voor psychisch leed. Die herinneringen zijn echter afgedekt, waardoor een patiënt zelf niet weet wat de oorzaak is van zijn lijden. Via hypnose kun je daar toegang tot krijgen.

 

Freud merkte echter op dat hypnose niet altijd nodig was om tot die herinneringen te geraken. Ook een druktechniek werkte: Freud legde zijn hand op het voorhoofd van mensen en oefende hier vervolgens druk op uit. Waarschijnlijk werkt dit omdat de aandacht hierdoor afgeleid wordt. De druktechniek kan worden gezien als de tussenstap tussen hypnose en de vrije associatie.

 

Die traumdeutung

Freud zag dit als zijn belangrijkste werk: zijn werk over dromen. Voor Freud was dit namelijk de weg naar het onbewuste. Hij publiceerde zijn werk in 1900, omdat dit klinkt als het omslagpunt tussen de traditionele jaren 1800 en de nieuwe 20e eeuw. Freud had hoge verwachtingen van zijn boek.

 

In de droom is volgens Freud censuur werkzaam: ook hier komt het onbewuste niet direct en omgevormd naar buiten. Deze censuur is nodig omdat we anders de slaap niet zouden kunnen vatten. Als een droom te heftig wordt dan zouden we daarvan wakker worden. De censuur zorgt er dus voor dat de droom vertaald wordt in een vorm die voor ons nog te behappen valt.

 

Volgens Freud zijn er 2 verschillende dromen. De manifeste droom is dat wat we ons herinneren. Deze manifeste droom mag volgens Freud niet het uitgangspunt vormen van de psychoanalyse: het verhult namelijk de echte werkelijkheid. Via de associaties die je vanuit die droom aflegt kom je uit bij de uiteindelijke betekenis van de droom. Deze uiteindelijke betekenis ligt in de latente droom. Het gaat Freud dus om de vertaalslag van de manifeste droom naar de latente betekenis. In het laatste zit de echte psychologische betekenis van de droom.

 

Droomwerk is datgene dat plaatsvindt in je hersenen om je herinneringen naar een manifeste droom te vormen. Dit droomwerk heeft verschillende aspecten:

– er vindt verschuiving plaats in de droom. Hiermee bedoelt Freud dat een bepaald element in de manifeste droom het centrum van de droom lijkt, maar er zit meer achter;

– verdichting: elementen uit de droom die een afzonderlijk element hebben, komen samen in 1 element naar buiten in je droom;

– concrete representatie: de droom kan allerlei betekenissen hebben, maar het wordt vooral omgezet in een visueel beeld;

– secundaire revisie: de droom wordt min of meer tot een lopend verhaal gemaakt. Dromen bestaan soms uit verschillende beelden, maar wat er in de manifeste dromen zichtbaar wordt is een lopend verhaal zodat je het als een soort geschiedenis kunt navertellen.

 

In het denkwerk van het individu zijn 2 processen: primair en secundair. Voor Freud zijn de processen die in het onderbewuste plaatsvinden de primaire processen. Deze staan voor het primitieve in de mens. Als mensen terugvallen op dit denken is dat een vorm van regressie. Een laatste aspect dat van wezenlijk belang is dat er altijd een wensvervullingshypothese is. Freud zegt dat iedere droom aangejaagd wordt door een onderdrukte seksuele wens. In de droom wordt geprobeerd dit naar buiten te brengen op een manifeste manier. De vraag voor Freud is hoe je dit op het spoor komt.

 

Psychologie van het dagelijks leven

Dit was een boek dat Freud had geschreven voor het alledaagse volk. Freud was een van de eersten die zich bezig hield met het normale publiek. Hij schreef niet alleen voor academici, maar ook voor gewone mensen. In dit boekje over het dagelijks leven wees hij op de rol van vergissingen en versprekingen. Voor hem verwijst een verspreking naar iets diepers. Met het uitgeven van dit boekje heeft hij een belangrijke bijdrage geleverd aan het populariseren van de psychologie.

 

Theorie van de vroegkinderlijke seksualiteit

Een ander belangrijk aspect heeft te maken met de vroeg kinderlijke seksualiteit. Hiervoor moeten we terug naar Wenen rond 1900. Rond die tijd werd nauwelijks over seksualiteit gesproken, maar Freud zegt plotseling dat het kind een wezen is dat behept is met seksuele en agressieve driften. Het oedipuscomplex staat aan de basis van de kinderlijke seksualiteit. Hij introduceerde de volgende stadia:

– een kind is polimorf pervers zodra hij geboren is. Het kind is gevoelig voor aanraking op erotische gebieden;

– langzaam ontwikkelt zich dat naar erogene zones. In deze fase loopt het kind verschillende stadia door: oraal, anaal, fallisch, latentie en genitaal.

 

Deze kinderlijke seksualiteit speelt ook een grote rol in alle case studies die Freud heeft beschreven. Een belangrijk aspect in de psychotherapie is de overdracht. De psychotherapie is erg intensief: 4 of 5 afspraken van een uur per week.

 

Naast die praktische aspecten was de theorie van de psychologie ook belangrijk. Freud vatte dit samen in de metapsychologie. Hij gaf aan dat wat we zien van het psychische functioneren slechts het topje van de ijsberg is. Het ego is het deel waarmee we zichtbaar naar buiten treden, het id is het onderbewuste. In de psychotherapie streef je er naar het id naar het ego te krijgen.

 

Freud heeft 3 sporen in zijn werk:

– theorie van de psychoanalyse (waartoe de Traumdeuting behoort);

– culturele essays: essays over hoe de psychoanalyse zicht kan geven op wat er in de cultuur gaande is;

– case studies: hierin beschrijft hij 1 of enkele behandelingsgevallen in groot detail om te laten zien hoe deze psychoanalyse in de praktijk werkzaam is.

 

 

Hoorcollege 4a

 

Hoofdstuk 15, toegepaste psychologie

 

Taylor

Frederick W. Taylor (1856-1915) was een manager in de staalindustrie. In zijn tijd was er erg veel vrijheid bij het productieproces in fabrieken. Een voorman gaf een opdracht aan een ploeg ploeg: je moet een bepaald aantal van een bepaald product produceren. Zo'n ploeg had erg veel macht over het tempo waarin en de manier waarop ze dat werk verrichten. Ze zorgden er voor dat ze precies klaarwaren op de afgesproken dag, ook al had het eerder gekund. De arbeiders probeerden het werk zo langzaam mogelijk te doen. Deze praktijk heet lijntrekken.

 

Taylor erkende dat dit een erg natuurlijke reactie van mensen is. Maar het is voor alle betrokkenen een heel schadelijk proces. Voor de eigenaar is de reden daarvan duidelijk. Maar ook voor de arbeiders is het beter als ze meer produceren, mits ze daar meer mee verdienen. Taylor is degene die het concept efficiëntie heeft geïntroduceerd. Hiervoor moet je meerdere dingen doen volgens Taylor:

– het management moet het tempo van en de manier waarop de productie geschiedt beslissen. Het management zijn de denkers, de arbeiders zijn de doeners;

– ploegen werken niet efficiënt. Het is beter om het werk op te delen in taken die moeten worden gedaan door individuen;

– de taak die een individu uitvoert splits je op in deeltaken. Je kijkt minutieus naar hoe dat werk uitgevoerd wordt, en hoe het nog beter uitgevoerd kan worden. Timen hoe lang een deeltaak duurt stond hierbij centraal. Dat doe je door je 'beste' man de taak te laten uitvoeren. De tijd waarin hij deze taak uitvoert wordt de algemene norm. Als arbeiders volgens dit tempo kunnen werken, dan verdienen ze veel meer dan in het oude systeem. Daarnaast krijgt de eigenaar een grotere winst. Het is dus een win-win situatie. Dit is het tayloristische systeem.

 

Op dit systeem werd kritiek geleverd omdat het systeem de baas is, en niet de mensen. Ook moest worden gelet op de selectie en de training van arbeiders, maar daar kwam in de praktijk niet veel van terecht. Vaak werd de productieverwachting wel omhoog geschroefd, maar de arbeiders verdienden er niet meer mee.

 

In 1911 ontstond een hype omtrent dit systeem. Tegelijkertijd ontstond een verzetsbeweging, geleid door Samuel Gompers (en in Nederland door J. van Ginneken). Hun protest kwam op hetzelfde neer. Ten eerste zeiden ze dat dit systeem niks anders was dan een manier om arbeiders sneller te laten werken. Dit is onmenselijk. Ten tweede is de arbeider binnen het taylorsysteem een machine, en geen mens meer.

 

Toegepaste psychologie

Dit protest bood een opening voor psychologen. Hugo Münsterberg was een van de eersten die zich dat realiseerde. In zijn vroege carrière had hij niks met toegepaste psychologie, maar later draaide hij bij en werd hij een van de pioniers ervan. Münsterberg verweet Taylor dat hij geen oog had voor de psychologische kant; alleen maar voor de machinale kant.

 

De psychotechniek van Münsterberg kwam in de praktijk vooral neer op personeelsselectie en beroepskeuzeadvies. In zijn tijd werden de eisen en de capaciteiten strikt gematched (er was niet zoiets als bijscholing). Om de capaciteiten te meten werden tests gebruikt. Hierbinnen kan onderscheiden worden in 2 verschillende soorten tests. De eerste is de simulatie: de latere werkomstandigheid wordt gesimuleerd (zoals bij een telefoniste). De tweede situatie is dat je bepaalt wat de capaciteiten zijn die je als functionaris moet hebben. Dit was een abstractie, en niet letterlijk wat iemand bij zijn werk moest doen (zoals bij de simulatie).

 

Lillian Moller Gilbreth was een volger van Taylor. Samen met haar man ontwierp ze de bewegingsstudies. Zij legde veel meer dan Taylor de nadruk op het selecteren van de juiste man op de juiste plaats. Als het werk en de arbeider op elkaar aangepast zijn, zal die individuele arbeider ook gelukkig worden, aldus Gilbreth. Ze ontkent keer op keer dat arbeiders als machine behandeld worden in het Taylorisme. Een manier waarop je dit kunt bewerkstelligen is de individuele arbeider feedback te geven op zijn output. Ze was ook een voorstander van simpele instructies, met plaatjes erbij.

 

Deze systematische aanpak paste ze ook toe in haar eigen huis. De Gilbreths hadden 12 kinderen; in 1924 overleed Frank waardoor Lilian er alleen voor stond met 11 kinderen. Om dit te bolwerken werd alles efficiënt gemanaged.

 

Witmer en de klinische psychologie

In Nederland is de klinische psychologie sinds pas de tweede wereldoorlog ingevoerd. In Amerika bestond het al langer. Dat kwam door Lightner Witmer, alhoewel het in een andere vorm was dan wij nu kennen. Witmer was een student van Wündt. Een deel van zijn onderwijs had te maken met ontwikkelingspsychologie. In 1896 opende hij een psychologische kliniek waar kinderen met leer- en gedragsmoeilijkheden werden behandeld. Dit is de eerste kliniek met een psycholoog aan het hoofd. In 1907 begon Witmer een tijdschrift, de psychological clinic (gelijknamig aan zijn kliniek). In het eerste nummer definieerde hij de klinische psychologie. Volgens Witmer was de klinische methode allereerst gericht op het beter maken van het individu. Het tweede kenmerk is dat het individu zelf het onderwerp was van experimenteel onderzoek. Volgens Witmer was er dan ook geen onderscheid tussen toegepast en experimenteel werk. Ten derde heb je als klinisch psycholoog aan een academische opleiding niet genoeg. Je moet in een kliniek hebben gewerkt; je leert het vak deels in de praktijk.

 

Er kwam steeds meer weerstand tegen de klinische psychologie, in de eerste plaats van academische psychologen. Ze zeiden: toegepaste psychologie is minder waardevol omdat je als toegepast psycholoog voortdurend compromissen moet sluiten. Ten tweede bedreigt het toegepaste werk de status van de psychologie. Eigenlijk wisten ze in die tijd nog niet genoeg van de psychologie om het toe te passen; de onvermijdelijke fouten tasten de status van de psychologie aan, aldus de tegenstanders. Ook kreeg Witmer veel kritiek van medici: een kliniek moest volgens hun per definitie geleid worden door een arts.

 

Omdat medici veel machtiger waren dan psychologen werden de bestaande klinieken snel verdreven. Klinisch psychologen kregen een nieuwe functie. Medici gingen kinderen helpen in zogenaamde medisch opvoedkundige bureaus. Deze werden altijd geleid door een medicus, over het algemeen een psychiater. De psycholoog nam hierin alleen tests af bij mensen. De medicus stelde de diagnose.

 

Leta Stetter Hollingworth

Hollingworth is om 2 redenen belangrijk geweest voor de toegepaste psychologie. Allereerst voerde ze in opdracht van Coca-Cola een studie uit. Coca-Cola was in de moeilijkheden gekomen omdat er teveel caffeïne in cola zat; het zou een gevaar voor de volksgezondheid zijn. Ze verdedigden zich op een voor die tijd compleet nieuwe manier: ze huurden 2 psychologen in om die bewering te onderzoeken. Bij deze onderzoeken paste Hollingworth de dubbel-blind methode toe. Daarnaast is Hollingworth van belang vanwege de klinische psychologie. Zij vroeg zich als eerste af hoe een opleiding tot klinisch psycholoog eruit moet zien. Hollingworth wilde een nieuwe graad instellen; nog boven de master: Psy D, op het niveau van de PhD. De voorstellen werden overigens niet aangenomen.

 

 

Tussen de wereldoorlogen werkten klinisch psychologen als testpsychologen. WOII heeft een enorme doorbraak betekend voor de klinische psychologie. De psychiaters kregen namelijk zoveel werk dat ze een deel van het behandelwerk gingen uitbesteden aan klinisch psychologen. Na de oorlog wilden de klinisch psychologen deze functie niet meer kwijt. In de Boulder conferentie werd besloten tot het scientist-practitioner-model. Dat betekent dat je als klinisch psycholoog in de eerste plaats wetenschapper bent, en in de tweede plaats pas een practitioner. Je moet dus een PhD in de wetenschap hebben. Later werd de Vail conferentie georganiseerd. Nu zou je een psy-D moeten hebben waar Hollingworth het al over had, en niet meer een PHD. Tegenwoordig zijn er in Amerika meer klinisch psychologen met een Psy-D dan een PHD, dus meer met een praktische opleiding. 

 

 

Hoorcollege 4b

 

Hoofdstuk 13

Darwin is de eerste geweest die nauwkeurig heeft gekeken naar het gedrag van zijn kind, en dit gedrag ook heeft beschreven. Ook voor Freud was de kindertijd van groot belang: hij was van mening dat alle neurotische problemen waar volwassenen tegenaan lopen hun oorsprong hebben in de kinderjaren. Maar Binet (1857-1911) en Piaget (1896-1980) staan echt aan de basis voor de belangstelling van het kind.

 

De ontwikkeling van de geest

De vraag hoe mentale systemen (de hersenen) ontwikkelen speelde bij beide heren. Zij benadrukten dat het intellectuele functioneren een specifiek ontwikkelingstraject doormaakt. Ook wezen ze er op dat kinderen geen gebrekkige volwassenen zijn. Lang werd naar kinderen gekeken als miniatuurvolwassenen, maar Binet en Piaget braken met deze lijn. Ze sloten aan bij de biologische traditie: beiden observeerden de ontwikkeling van hun kinderen. Dit gaf hun een belangrijke input voor hun werk. Overigens is het wel van belang om te weten dat het een heel kleine sample betrof: ze bestudeerden voornamelijk hun eigen kinderen.

 

Binet

Hij was een self-made man: Binet is voor een groot deel door zijn moeder onderwezen, maar heeft nooit een psychologische opleiding genoten. In eerste instantie was hij geïnteresseerd in het werk van Charcot, de hypnotiseur. Zelf schreef hij ook stukken over dit onderwerp, maar deze werden afgekraakt door Joseph Delboeuf. Binet merkte uiteindelijk dat de suggestie een belangrijke rol speelt in de hypnose: mensen waren niet per se gehypnotiseerd, maar gingen mee in de suggestie van de hypnotiseur. Suggestie kon veel onderzoeken verzieken: het was de cholera van de psychologie, aldus Binet. Hij had ook kritiek op het traditionele testonderzoek, dat nog afstamde van Galton. Galton was er van overtuigd dat intelligentie vooral bepaald werd door erfelijkheid. Binet was van mening dat intelligentie ook een belangrijke cultuurfactor had: de erfelijkheid was veel minder dominant.

 

Binet had ook een interesse voor geblinddoekt schaken. Hij ontdekte dat sommige schakers uitstekend in staat waren om geblinddoekt het spel te spelen. Kennelijk hadden zij een beeldgeheugen van het schaakbord. Maar niet iedereen was hier even goed in. Sommige schakers konden ook meerdere spellen tegelijk blind spelen. Een van Binets eerste publicaties ging over dit fenomeen.

 

Ook aan de individuele psychologie heeft Binet een belangrijke bijdrage geleverd. Hij was er van overtuigd dat de individuele verschillen veel interessanter waren dan het onderzoeken van grote groepen. Hij kwam vooral tot deze conclusie op grond van zijn eigen kinderen, waarbij hij grote verschillen vond. Zijn oudste dochter kenmerkte hij meer als een observator, een beschouwer, terwijl zijn jongste dochter veel extraverter was: zij maakte meer gebruik van de verbeelding.

 

Binet wees erop dat niet alleen de proefpersoon suggestibel is, maar ook de onderzoeker. Hij merkte dat als een onderzoeker een bepaalde uitkomst verwachtte, die uitkomst sterker opkwam dan wanneer de onderzoeker een andere verwachting had.

 

De vraag was: als er zoiets is als individualiteit, hoe kun je dat dan testen? In 1904 werd Binet aangesteld door een commissie die wilde dat onderzoek werd gedaan naar kinderen die op subnormaal niveau functioneerden. In zijn pogingen merkte Binet hoe lastig het is om intelligentie te meten. Je moet een norm hebben voor wat je mag verwachten van een bepaald kind. Ook Theodore Simon hield zich bezig het het ontwikkelen van dergelijke testen. Samen hebben ze de Binet-Simon intelligentietest ontwikkeld. Hun insteek was een onderwijsonafhankelijke, objectieve test maken. Cultuurgevoeligheid speelde echter nog wel een rol.

 

Op basis van de bevindingen is de test gereviseerd. Belangrijke revisies waren in 1908 en 1911. Tevens van belang is dat de criteria en de bijbehorende tests steeds meer leeftijdspecifiek werden ingericht. Je kwam in aanmerking voor speciaal onderwijs als je meer dan twee leeftijdsniveaus achterliep. Op grond hiervan bedacht Binet een methode, mental orthopedics, om de kinderen met een lagere intelligentie toch vooruit te helpen.

 

Charles Spearman zocht naar de general intelligence (g). Ook zocht men naar een intelligentiequotiënt. De IQ-score is uiteindelijk in de VS bedacht door Lewis Terman. Dit heeft een snelle ontwikkeling meegemaakt, omdat het door Amerika werd toegepast in de eerste wereldoorlog om te bepalen wie van de recruten geschikt waren voor hogere functies. IQ is mentale leeftijd gedeeld door chronologische leeftijd, en dat vermenigvuldigd met 100. Het IQ werd ook gebruikt voor het voorspellen van succes van hoogbegaafde kinderen. Hieruit bleek echter dat de voorspellende waarde van een IQ-test toch een beperkende werking had. Als voorspeller van hoge intelligentie was het minder accuraat.

 

Binet maakte ook duidelijk dat intelligentie niet alleen gaat om begrijpen. Er speelt ook een inventief aspect. Hier sluit Piaget bij aan.

 

Piaget

Is in veel opzichten de grote ontwikkelingspsycholoog van de vorige eeuw geweest. In zijn jonge jaren was hij zeer geïnteresseerd in de biologie. Tussen zijn 15e en zijn 19e heeft hij 21 publicaties uitgebracht. Hij was in de eerste plaats bioloog, maar had ook een sterke interesse voor filosofie, en dan met name voor Kant. Via de vraag naar de verwerving van kennis kwam hij terecht bij de psychologie. Ook in de werken van Freud en Jung was Piaget erg geïnteresseerd. Hij vroeg zich af wat de oorzaak is van de fouten die sluipen in het menselijke denken. Met het oog op deze vraag onderzocht hij ook de testresultaten van Binet en Simon. Tenslotte werd Piaget beïnvloed door Cyril Burt.

 

Vanuit het samenraapsel van biologie, filosofie en psychologie kwam hij tot genetische epistemologie. Dit slaat op hoe de kennis is ontstaan, en hoe het mogelijk is dat de verschillende vormen waarin kennis zich voordoet met elkaar in verband komen uiteindelijk resulteren in het volwassen, abstracte denkvermogen. Piaget gaf zelf al aan dat zijn kennis over objecten niet zomaar statische kennis is van een object. Kennis van een object ontstaat pas als je er iets mee doet, aldus Piaget. Pas als je met een object in actie komt, krijgt het betekenis. Ontwikkeling is dus een proces.

 

Piaget is vooral bekend geworden met een aantal onderzoeken. Om het ontstaan van kennis te bestuderen moet je manieren ontwikkelen om baby's te onderzoeken. Piaget heeft met name zijn eigen dochter onderzocht. Een van zijn beroemdste onderzoeken is die naar de objectpermanentie. Piaget ontdekte dat baby's pas rond de leeftijd van 9 maanden gaan zoeken naar voorwerpen die zich buiten hun directe zicht bevinden.

 

Ook naar egocentrisme heeft Piaget onderzoek gedaan. Hij ontdekte dat jonge kinderen zich nog niet in het standpunt van de andere persoon kunnen inleven. Een ander onderzoek ging over de conservatie. Ondanks dat kinderen zagen dat water uit een glas in een andere werd overgegoten, zeiden ze toch dat in het tweede glas meer zat, omdat dat tweede glas hoger was (maar ook smaller).

 

Deze onderzoeken heeft Piaget bedacht om er achter te komen waar de scharnierpunten zitten in de ontwikkeling. Hij was er van overtuigd dat kinderen op verschillende leeftijden kwalitatief anders denken. Daarvoor moest hij proefjes bedenken om die transities te achterhalen. Op grond daarvan kwam hij tot 4 hoofdstadia. Van 0-2 zitten kinderen in de sensomotorische fase. Volgens Piaget leren kinderen vooral door dingen vast te pakken en ze in hun mond te stoppen. Hierna komt de preoperationele fase. Daarin gaan kinderen gebruik maken van woorden en letters, maar het egocentrisme is nog overheersend. Bij de concreet operationele fase krijgen kinderen het principe van omkeerbaarheid door. Deze fase speelt tussen 7-11 jaar. De formele operationele fase is de fase waarin we tot staat zijn op een abstracte manier na te denken over de werkelijkheid. Hier kunnen we volstaan met symbolen.

 

Piaget heeft een enorme invloed gehad op de cognitieve revolutie rond 1960. Zijn hoofdwerk schreef hij al in de jaren 20, het tijdperk waarin het behaviorisme steeds belangrijker werd. Jerome Bruner is een van de grondleggers van de cognitieve revolutie. Hij heeft een model ontwikkeld voor onderwijs die aansluit bij de ontwikkelingsstadia van Piaget. 

 

Hoorcollege 5a

Hoofdstuk 14

Een homunculus is een afbeelding van ons lichaam waarbij je als het ware poppetjes de taken laat uitvoeren.

Jacquard is de uitvinder van een volautomatisch weeftoestel. Hij bouwde een toestel waarbij een patroon was gerepresenteerd in een soort ponskaarten, die aangaven wanneer een bepaalde draad moest werken. Die ponskaarten vind je nog terug bij de vroege verwerking van computerdata. Het hele idee om een systeem te laten werken met wel of geen gaatjes was een aantrekkelijke analogie om gelijk te trekken met het werken van de mens. Het idee werd dat de cellen van het brein ook een binair systeem zijn: of ze vuren niet, of ze vuren wel. Op die manier kun je een computer als het menselijk brein laten werken. Dit leidde tot de gedachte dat je hersenen als hardware kunt laten optreden, en je psychische processen als software. Deze analogie is nu weer minder in trek.

 

Er is een verschil tussen zwakke AI (artificial intelligence; kunstmatige intelligentie) en sterke AI. Zwakke AI is dat computers een analogie voor geestesprocessen zijn. Sterke AI is dat als je een computer uitrust met dezelfde software als die bij ons aan het werk is, dan kun je die computer laten denken. Searle was van mening dat sterke AI onmogelijk was. Hij stelde het voor als een mens met een chinees woordenboek in ons brein. Kun je zeggen dat diegene chinees kent? Tegenstanders van deze visie zeggen dat die Chinese kamer een misleidend gedachtenexperiment is. Als je je dit proces oneindig snel en divers voorstelt, dan kun je het wel zien als intelligentie.

 

Flitslichtherinneringen

De hele KI maakt deel uit van psychologen om te rade te gaan bij metaforen. Dode metaforen zijn metaforen die zoveel gebruikt zijn dat mensen zich de woordsprong niet meer herinneren. Een voorbeeld: drijfveer. Dat komt van een uurwerk, net als van slag raken. Niemand herinnert zich dat nog. Veel metaforen hebben een technische oorsprong. Een voorbeeld is een flitslicht herinnering. Je hebt op dat moment de capaciteit om de hele situatie in je op te nemen. Het eerste onderzoek daarnaar is gedaan door Brown & Kulik (1977). Dit zijn de bedenkers van deze term. In het boek staan andere namen, dit klopt niet. Brown en Kulik stelden dat je brein op zo'n moment zo erg verlicht is dat je meer kunt opslaan dan normaal. Een van de oudste onderzoeken naar dit verschijnsel was door Colgrove. Hij vroeg aan mensen of ze zich herinnerden waar ze waren toen ze hoorden dat Lincoln was vermoord (1865). Dit deed hij al in 1899.

 

Metaforen zorgen ervoor dat ze hun eigen steun organiseren. Ze maken bepaalde associaties, maar ze maken andere associaties tegelijkertijd onzichtbaar. Ze hebben allemaal te maken met visuele herinnering, kortdurend, irrelevante details en ze zijn immuun voor revisie. De verklaring van Brown en Kulik was dat flitslichtervaringen ontstaan doordat herinneringen op een andere manier worden opgeslagen.

Een metafoor veroorzaakt echter eclips. Neisser geloofde niet dat er een afzonderlijke opslag van herinneringen bestond. Hij zei dat het eerder ontstond door een afwijkend vervolg. Een schokkende gebeurtenis lokt navertellen uit, en daardoor weet je het nog beter. De accuraatheid van de herinnering is het beste als deze een middelgrote emotie bij je teweeg heeft gebracht.

 

Zijn flitslichtherinneringen immuun voor revisie? Onderzoeken worden gedaan door mensen op 2 verschillende moment dezelfde vragenlijst te laten invullen. Hieruit bleek dat mensen hun herinneringen gedurende de tijd vervormen.

 

Als mensen iets meemaken dat veel indruk maakt dan wordt dat geschat alsof ze het heel dichtbij hebben meegemaakt. Doordat ze details zien, schatten ze de afstand in tijd te kort; te recent. Dit heet telescopie. Dit werkt ook de andere kant op: als je van iets te weinig details herinnert, maak je de fout het te ver terug in de tijd te zetten. Uit onderzoek bleek dat oudere mensen zich meer schuldig maken aan omgekeerde telescopie. Jongeren juist aan gewone telescopie.

 

Dromen

Maury droomde dat hij slachtoffer werd van het terreur na de Franse revolutie. Hij werd gevonnist en moest onder de guillotine. Uiteindelijk werd hij wakker omdat er een plank op zijn nek was geland. Hij had alles dus binnen een paar tellen gedroomd. De droom eindigt met wat de oorzaak van de doom is. Havelock Ellis (1859-1939) zei dat de snelheid van dromen schijnbaar is.

 

Histoire d'un crime (1901) is een film van 5 scenes van een misdadiger die een roofmoord pleegt en daar uiteindelijk voor onder de guillotine moet. Terwijl hij ligt te slapen in zijn cel krijgt hij flashbacks. Dit zijn de eerste flashbacks in de geschiedenis van de film.

 

Julius Nelson (1888) stelde dat je wakker wordt met het laatste beeld. Daardoor moet je steeds terugredeneren naar de eerdere scenes. Je volgt het verhaal als het ware tegen de richting van de tijd in. En daar is ons geheugen niet op gebouwd. Wij zijn gebouwd op: eerst de aanleiding, dan de consequentie.

 

Beaufort (1774-1857) was als jonge matroos bijna verdronken. Veel later heeft hij een verslag gemaakt van wat er allemaal door zijn hoofd ging op het moment dat hij aan het verdrinken was. Hij ervoer een soort panoramische terugblik: hij zag veel details uit zijn leven. Tegenwoordig drukken we dat uit alsof we ons leven als een film aan ons zagen voorbijtrekken.

 

Iets soortgelijks overkwam Albert Heim toen hij een val van ongeveer 20 meter overleefde. Als kenmerken noemde hij: volmaakte kalmte en een gevoel van harmonie. Daarnaast was er een versnelling van het denken en veranderingen in tempo van tijd. Ook kreeg hij beelden van rouwende dierbaren. Het meest opvallend was de opeenvolging van beelden.

 

Zo'n panoramisch geheugen treedt lang niet altijd op als mensen in doodsgevaar zijn. Het gevaar moet echt acuut zijn. Bijvoorbeeld: bijna verdrinken, een frontale botsing, een val van een gebouw. In dergelijke situaties rapporteren mensen het ervaren van een panoramisch geheugen. Het kan ook geen zelfmoordpoging zijn. De bijna doodervaring moet dus zowel plotseling als onverwacht zijn. Het treedt daarnaast alleen op als mensen het idee hebben dat ze sterven. Tenslotte doet het zich vaker voor bij jongeren dan bij ouderen.

 

De ervaring is van alle tijden, maar de manier waarop het beschreven wordt is afhankelijk van de metaforen die je tot je beschikking hebt. Eerst was het een panoramische terugblik. Daarna werd het een fotografische terugblik, en nu trekt je leven als een film voor je voorbij.

 

Hoorcollege 5b

'Geschiedenis' is altijd in beweging. Het vormt aan de ene kant het fundament voor wat we nu weten, maar het kan ook zijn dat de kijk die we nu op zaken hebben binnen de kortste keren weer veranderd. Gedurende de eeuwen hebben we voortgebouwd op het werk van beroemde psychologen, maar er zijn nog veel meer mensen die in de vergetelheid zijn geraakt.

 

Het is daarnaast ook de vraag wat de 'psychologie' precies inhoudt. Psychologie is in de loop van de jaren niet altijd hetzelfde uitgelegd. De verschillende stromingen zorgen ervoor dat het lastig is een eenduidige geschiedenis aan te tonen. Ook kan gezegd worden dat de psychologie enigszins versnipperd is. Het kan worden gezien als gedragsleer, functieleer, persoonlijkheidsleer, ontwikkelingsleer of als methodenleer. William James gaf aan dat de psychologie de wetenschap van het psychische leven, zowel van de psychische verschijnselen zelf als van hun voorwaarden is. De verschijnselen zijn het soort dingen die wij gevoelens, verlangens, kennis, redeneringen, beslissingen enzovoorts noemen.

 

In de geschiedenis hebben veel controversen gespeeld, die bij hebben gedragen aan de psychologie zoals wij die nu kennen. Voorbeelden hiervan is het nature versus nurture debat, of het behaviorisme versus cognitieve psychologie debat. Onderzoekers die bewijs probeerden te vergaren voor hun theorie hebben op deze manier een bijdrage geleverd aan de psychologie zoals wij die vandaag de dag kennen.

 

In het boek dat bij dit vak hoort is lang niet alle geschiedenis opgenomen. Er is veel vergeten geschiedenis, zoals Werner en Heymans. De vraag is wat het belang van de geschiedenis eigenlijk nog is. Weinig mensen gaan echt naar kennis op zoek in de klassieken, vanwege de geheel andere staat waarin de wetenschap tegenwoordig verkeert. James gaf in zijn tijd aan dat de psychologie zich in fragiele staat verkeert, omdat er geen wetten gevormd kunnen worden. Er was geen wetenschap, enkel de hoop op een wetenschap.

 

Tegenwoordig is de psychologie echter een stuk minder zweverig en abstract dan in de tijd van James. We zijn van 'mental philosophy' naar psychologie, van metafysica naar methoden en van leunstoel naar laboratorium gegaan. Daarnaast wordt introspectie vandaag de dag nauwelijks meer toegepast, wat zorgt voor een objectievere vorm van wetenschap.

 

De psychologen in deze tijd kampen enigszins met een sociale stempel. Mensen zijn bang voor psychologen en psychiaters, mede vanwege de kijk die andere mensen er op hebben. Aan de andere kant neemt het aantal psychische stoornissen wel steeds meer toe. Eigenlijk kan gezegd worden dat iedereen aan psychologie doet. In het dagelijks leven kom je er vaak mee in aanraking, en de media is in feite ook niets meer dan psychologie.

 

Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 7 WorldSupporter tools
Follow the author: MarijeT
Promotions
Image

Op zoek naar een uitdagende job die past bij je studie? Word studentmanager bij JoHo !

Werkzaamheden: o.a.

  • Het werven, aansturen en contact onderhouden met auteurs, studie-assistenten en het lokale studentennetwerk.
  • Het helpen bij samenstellen van de studiematerialen
  • PR & communicatie werkzaamheden

Interesse? Reageer of informeer

verzekering studeren in het buitenland

Ga jij binnenkort studeren in het buitenland?
Regel je zorg- en reisverzekering via JoHo!

Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
[totalcount]
Content categories
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.