Hoorcollege aantekeningen onderzoeksmethoden: theorie en ethiek



Hoorcollege 1

Kennis over methode is erg belangrijk voor psychologen. Ook in de klinische psychologie is kennis over methode erg belangrijk, er moet namelijk onderscheid gemaakt kunnen worden tussen goede en slechte artikelen.

Ook wetenschappelijke kennis is erg belangrijk voor de psychologie. Een filosoof die hier een bekende uitspraak over deed is Karl Poppen. Volgens Karl Poppen moet een wetenschapper een kritische houding hebben. Daarmee wordt in de psychologie vooral bedoeld dat er kritisch naar onderzoeken moet worden gekeken, en ook kritisch onderzoek gedaan moet worden. Er moet bijvoorbeeld niet alleen gevonden worden waarom iets wel waar zou zijn, maar ook waarom het niet waar zou zijn. Een andere filosoof belangrijk voor de psychologie is Thomas Kuhn. Hij was belangrijk voor de wetenschappelijke revolutie, waarbij veel onderzoek naar cognitie werd gedaan. Ook beschreef hij paradigm shifts: wanneer er iets nieuws uitgevonden wordt door een wetenschapper volgen snel andere wetenschappers ook deze richting. (denk bijvoorbeeld aan EEG)

 

Hoe komen we aan kennis?

Door systematisch onderzoek of observaties. Ook worden er experimenten uitgevoerd. Systematisch onderzoek bestaat al heel lang, zelfs al bij de Oude Grieken. Natuurkunde, scheikunde, bouwkunde, biologie en psychologie maken hier gebruik van. Bij psychologie wordt er met mensen gewerkt, wat meten moeilijker maakt omdat mensen niet zo voorspelbaar zijn. De CITO-toets is een goed voorbeeld van een test die wel goed kan voorspellen. Observatie is het verklaren van eigenschappen die we kunnen zien. Metafysische systemen zijn onverklaarbare systemen, zoals bijvoorbeeld het animisme. Een voorbeeld van animisme is dat mensen regendansen doen om de regen te laten verdwijnen. Vanuit het animisme is de logica ontstaan, mensen gingen redeneren op basis van wat ze zagen. Religie speelt hierbij ook een rol. Logisch redeneren werd ook gebruikt om mensen en hun eigenschappen te verklaren zoals bij lokalisatietheorieën. Broca is hiervan een voorbeeld. Maar, de informatieverwerking gaat door de hele hersenen en is dus niet alleen te verklaren vanuit lokalisatietheorieën. Biologie en experimentele psychologie gebruiken de fysische methode (meten van fysische kenmerken) om het lichaam te onderzoeken. De basiskennis over de fysiologie wordt veel gebruikt in de psychologie.

 

Psychologie is onofficieel begonnen met de waarnemingspsychologie van Von Helmholtz. Hij beschreef dat attentie per se nodig is voor waarneming, maar wanneer ergens attentie op gericht wordt hoeft dit niet per se waargenomen te worden. Een ander bekend figuur in de waarnemingspsychologie is dhr Donders (oogheelkundige): hij bedacht dat de meeste informatie door de ogen binnen komt. Hij bedacht een informatieverwerkingssysteem via de ogen. De eerste echte psycholoog is Wilhelm Wundt, hij begon te experimenteren in het eerste officiële psychologische laboratorium met perceptie. Attentie is een innerlijke activiteit suggereerde hij, wat je ergens bewust van maakt. Perceptie is nodig om attentie te maken. Daarnaast heeft hij ook sociaal-psychologie theorievorming gedaan. Heymans heeft met Wundt samengewerkt en deed ook onderzoek naar perceptie en informatieverwerking. Heymans was oorspronkelijk een dokter en filosoof. Naar voorbeeld van Wundt heeft hij ook een laboratorium opgericht in zijn huis. Als proefpersoon gebruikte hij alleen zijn vrouw. Dit zou tegenwoordig niet goedgekeurd worden omdat het aantal proefpersonen veel groter moet zijn.

 

Uitgangspunten psychologie

Met determinisme wordt bedoeld dat het universum ordelijk is: als een oorzaak vastgesteld is, is het gevolg ook vastgesteld. Een ander woord hiervoor is causale relatie. Empirisme betekent dat er observatie, dataverzameling en experimenten gedaan moeten worden. Spaarzaamheid betekent dat er zo weinig mogelijk elementen in een theorie moeten zitten, omdat wanneer er teveel elementen in een theorie zitten deze theorie veel te ingewikkeld wordt en weinig toe te passen is. Testbaarheid is daarnaast natuurlijk ook heel belangrijk. Een wetenschappelijke theorie moet te toetsen zijn op basis van hypotheses. Hypotheses moeten gefalsifieerd worden, niet geverifieerd. Hiervoor is een goede operationalisatie van de variabelen nodig, zodat het zeker is dat het goede concept gemeten wordt.

 

Waar komt de kennis vandaan?

Voor een deel komt de kennis voort uit intuïtie. Logisch redeneren speelt ook een rol bij kenniswerving. Observeren is ook een zeer belangrijke kennisbron, hierbij is het dus wel belangrijk dat er kritisch gekeken wordt. Filosofie is ook een wetenschap, waarbij vooral veel nagedacht wordt maar minder aan observatie wordt gedaan. Bij religie wordt vooral opgevolgd wat de leider verteld, zelf kritisch nadenken ontbreekt meestal.

 

Doelen

Wetmatigheden zijn universeel geldige relaties. Bijvoorbeeld, de zon komt elke dag op. Maar ook bij liefde en emoties kunnen wetmatigheden ontdekt worden. Op basis van observatie en causale relatie (deterministisch) kunnen algemene theorieën opgesteld worden. Voorspellingen moeten hiervoor wel toetsbaar zijn en moeten plaatsvinden onder bepaalde condities. Een hypothese is een veronderstelling over een theorie. Deze hypothese bevat een voorspelling over de uitkomst van de toetsing van een theorie.

 

Bij inductie wordt onderzoek gedaan met specifieke variabelen, onder gecontroleerde condities, die worden gegeneraliseerd naar algemene theorieën. Sir Francis Bacon bedacht het volgende model: observatie → patroon → hypothese → theorie. Wanneer een uitzondering van de theorie wordt gevonden moet de theorie eigenlijk bijgesteld worden, maar dan zou de cyclus van observatie nooit stoppen. Niet alles kan geobserveerd worden dus inductie is probabilistisch: wanneer de geobserveerde variabele bepaalde eigenschappen heeft, zullen waarschijnlijk alle soortgelijken deze eigenschappen ook hebben, maar zeker weten doen we het nooit. Bij deductie gebeurd het omgekeerde, vanuit een algehele theorie wordt een specifieke conditie voorspelt. Adriaan de Groot bedacht de empirische cyclus: vanuit een observatie wordt naar een hypothese geredeneerd. Na het testen van deze hypothese wordt een theorie opgesteld, waarna weer nieuwe hypotheses opgesteld worden om de theorie verder te testen. Hierbij is het belangrijk dat het doel niet confirmatie is, maar falsificatie. Deductie wordt niet alleen in filosofie toegepast maar ook in wetenschappelijke onderzoeken. Speciaal aan de psychologie is dat psychologen alle stappen in het onderzoeksproces zelf doen. Psychologen doen graag selffulfilling prophecies: zich vervullende voorspellingen. Hierdoor kan wel een soort bias ontstaan in het onderzoek, want het is lastig voor een onderzoeker wanneer de hypothese niet uit komt, vooral als de onderzoeker op grootse ontdekkingen had gehoopt.

 

Validatie betekent het verzamelen van bewijs om je theorie te ondersteunen, maar dit betekent niet dat de theorie ook echt bewezen is. Op elke theorie bestaan vaak ook weer uitzonderingen, maar dat hoeft niet te betekenen dat de hele theorie niet waar is. Psychologen vinden het ook moeilijk om zichzelf te falsificeren, terwijl dit dus een heel belangrijk proces is. Wel falsifiëren psychologen andermans onderzoeken, waardoor het uiteindelijk wel gedaan wordt.

 

Het experimenteel paradigma

Een paradigma bevat het manipuleren van variabelen behorend bij een onderzoeksmethoden, hypothese of assumptie in een bepaalde school (richting). Onafhankelijke variabelen zijn de variabelen die gemanipuleerd worden in een onderzoek en de afhankelijke variabelen zijn de variabelen die hierop reageren. Bijvoorbeeld: wat is het resultaat van mestsoort A/B (onafhankelijk) op de groei van een plant (afhankelijk)? Maar dit is niet genoeg, er moet ook een controlegroep uitgevoerd worden. In dit voorbeeld: plantjes zonder bemesting. Ook moet er controle uitgevoerd worden over de variabelen, dit wordt gedaan door randomisatie. Een steekproef moet ook random uit een populatie worden getrokken, zodat er een algemene uitspraak gedaan kan worden. Randomisatie wordt bepaald daar onafhankelijke trekkingen van de proefpersonen. Vaak worden groepen gewoon in tweeën gedeeld, maar dit hoeft niet representatief te zijn voor de populatie. Bijvoorbeeld, de eerste 25 proefpersonen zijn bijna alleen vrouwen, waardoor het onderzoek ook ongewenst gesplitst wordt op mannen en vrouwen. Statistische interferentie wordt gebruikt om uit de resultaten van het onderzoek conclusies te kunnen trekken. Hiermee kun je ook de betrouwbaarheid van je conclusie laten zien.

 

Validiteit, betrouwbaarheid en meten

Honderd procent validiteit en betrouwbaarheid bestaat niet. Daarom bestaan er betrouwbaarheidsintervallen. Validiteit gaat dus over relatieve gegevens. Betrouwbaarheid gaat vooral over hoe consistent je meting is, of er de volgende keer hetzelfde gemeten zou worden als de resultaten van nu. Er bestaan verschillende soorten validiteit. Met face validity wordt bedoeld hoe logisch het gevonden resultaat op het eerste gezicht lijkt. Interne validiteit is of er daadwerkelijk sprake is van een oorzaak-gevolg relatie. Dit wordt vooral in laboratorium experimenten onderzocht. Hierbij moet ook een betrouwbaarheidsinterval uitgevoerd worden. Controle over afhankelijke variabelen is erg belangrijk. Ook interne validiteit is relatief. Zo kunnen derde variabelen uitgesloten worden. Met externe validiteit wordt bedoeld in hoeverre de gevonden resultaten generaliseer baar zijn naar de populatie. Vaak is bij laboratoriumexperimenten de externe validiteit niet zo hoog, maar de interne validiteit juist wel. Voor de externe validiteit is een goede operationele definitie nodig.

 

Bij betrouwbaarheid zijn een paar eigenschappen belangrijk. Met interbeoordeelaar betrouwbaarheid wordt bedoeld of verschillende observatoren dezelfde resultaten opschrijven. Om deze eigenschap van betrouwbaarheid te verhogen is training de beste mogelijkheid. Temporele consistentie betekent dat het onderzoek op meerdere momenten dezelfde resultaten geeft. Betrouwbaarheid en validiteit hoeven niet per se samen te gaan.

 

Meten wordt gedaan op een bepaalde schaal: nominaal, ordinaal, interval of ratio. De nominale schaal is niet numeriek, maar bijvoorbeeld man/vrouw verschillen. Op de ordinale schaal vindt wel een ordening plaats: de ene groep doet bijvoorbeeld iets beter dan een andere groep. Maar er is niet iets over de grote van het verschil te zeggen. Op interval schaal zijn de verschillen tussen de punten absoluut. Ratioschaal is een intervalschaal, maar met een 0 punt. Er kan niet van ordinaal naar interval geredeneerd worden, maar wel andersom. De manier waarop een schaal aangeboden wordt is heel belangrijk voor de uitkomst.

 

Hoorcollege 2

 

Typen onderzoek

Er bestaan verschillende soorten onderzoek: kwalitatief en kwantitatief. Kwalitatief onderzoek houdt beschrijvend onderzoek in. Kwantitatief onderzoek is onderzoek wat je met getallen kunt beschrijven. Hierbij manipuleer je variabelen en kijk je wat het effect hiervan is. Een vorm hiervan is correlationeel onderzoek.

 

Van Hammersley heeft ook onderscheid gemaakt tussen kwalitatief en kwantitatief onderzoek voor verschillende vormen. Hierbij moet wel opgemerkt worden dat er gebruik gemaakt moet worden van een continuüm, geen strakke richtlijnen. Een voorbeeld is hiervan dat tussen natuurlijke en kunstmatige setting ook andere vormen zitten, bijvoorbeeld een experiment in een natuurlijke setting. Van Hammersley maakte onderscheid in:

  • Data: Kwalitatief/ Kwantitatief

  • Setting: Natuurlijk/ Kunstmatig (lab)

  • Focus: Betekenis /Gedrag

  • Model: Holistisch /Wetenschaps filosofisch

  • Benadering: Inductief /Deductief

  • Doel: Culturele patronen blootleggen /Wetenschappelijke wetten blootleggen

  • Basis: Idealisme /Realisme

Inductief betekent het redeneren van specifieke observaties naar algemene opvatting en deductief betekent het redeneren van een algemene opvatting naar specifieke observaties.

 

Experimenteel onderzoek

Een van de eerste onderzoeken ooit was het onderzoek van Pavlov met zijn klassieke conditionering. Ook een fetisj is een vorm van klassieke conditionering. Wanneer er namelijk een neutrale stimulus en een niet geconditioneerde stimulus gekoppeld worden, ontstaat er een geconditioneerde stimulus (fetisj) waarbij een geconditioneerde respons ontstaat.

Bij experimenteel onderzoek wordt vooral de reactie op een stimulus onderzocht. Voorbeelden hiervan zijn gedrag, fysiologie, vragenlijsten, etc. De onderzoeker manipuleert welke variabelen wel moet veranderen en welke er juist niet moeten veranderen. Hierdoor kan er causaliteit onderzocht worden. Het is ook heel belangrijk dat de proefpersonen random worden toegewezen aan condities. Een experiment kan in een laboratorium plaatsvinden maar ook in een natuurlijke omgeving. Bijvoorbeeld: Wat is het effect van een bepaald type gedrag/intensiteit van toezicht van de politie (onafhankelijke variabelen) op de rijsnelheid van een automobilist (afhankelijke variabele).

 

Voordelen van experimenten

Een voordeel van het uitvoeren van een experiment is dat omdat gedrag vergeleken wordt per persoon, er controle is voor individuele verschillen. Ook kunnen variabelen die niet in een natuurlijke omgeving getest kunnen worden vaak wel in het lab getest kunnen worden. Voorbeelden hiervan zijn een fysiologische meting of een simulator. Fysiologische metingen, zoals hartslag, kunnen heel continu gemeten worden waardoor toename of afname duidelijk te zien zijn. Vaak wordt een fysiologische meting ook in combinatie met een vragenlijst gedaan. Het is namelijk belangrijk om te vragen hoe mensen het experiment zelf ervaren hebben, in plaats van alleen een objectieve meting. Wanneer dit niet gedaan wordt kunnen er onjuiste interpretaties van de resultaten ontstaan.

 

Met deze experimenten kun je dus interacties tussen variabelen toetsen. Dit is vooral grafisch goed te laten zien. Daarnaast kun je controleren voor derde variabelen. Hiervoor is het wel belangrijk om een controle groep in te voeren. Ook kunnen in een experiment meerdere factoren tegelijkertijd onderzocht worden. Daarna kan er ook weer worden ingezoomd tot het niveau van losse factoren. Confounding variabelen variëren systematisch mee met de variabelen die gemanipuleerd worden. Hierdoor kunnen verkeerde conclusies over het onderzoek ontstaan. Er zijn twee verschillende soorten confound: procedurele en operationele confound. Bij een procedurele confound worden meerdere variabelen tegelijk gemanipuleerd, terwijl dit niet de bedoeling was. Bijvoorbeeld koffie en concentratievermogen: koffie verhoogt concentratie. Maar, komt dit door de koffie of is dit effect ook mogelijk bij decafé? Bij een operationele confound wordt een variabele verkeerd geoperationaliseerd. Daardoor wordt de verkeerde variabele gemeten en ontstaan er geen goede conclusies. Confounds kunnen voorkomen worden door: meer controle in een laboratorium, random toewijzing van de groepen en het invoeren van extra controle vragenlijst om te kijken of het construct wat je wilt meten ook daadwerkelijk gemeten hebt.

 

Daarnaast zijn er ook nog andere variabelen die onderzoeken verstoren. Bijvoorbeeld ruis, hierdoor worden de effecten op de afhankelijke variabelen minder zichtbaar en zijn de resultaten dus verstoord. Ook de samenstelling van de onderzoeksgroep heeft invloed op het onderzoek. Het beste is om homogene groepen te gebruiken om onderzoek te doen. Hierbij is het ergl belangrijk dat de groep wel representatief is voor de populatie waarnaar de onderzoeker wil generaliseren.

 

Er is ook onderscheid tussen hoe echt een onderzoekssituatie overkomt op de proefpersonen. De eerste vorm is mundane realism: Dit zijn experimenten die in een omgeving plaatsvinden die erg lijken op de situatie in de echte wereld. Hierbij krijgen mensen het idee dat het echt is, omdat het echt lijkt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het Gevangenisexperiment van Zimbardo. De tweede vorm is experimental realism: Mensen hebben het idee dat het echt is, omdat het echt voelt. Maar dit kan wel plaatsvinden in een experimentele setting, dus de situatieomgeving hoeft niet echt te lijken. Denk aan het conformiteitsonderzoek van Asch.

 

Validiteit

Er bestaat onderscheid tussen externe en interne validiteit. Bij externe validiteit gaat het erom of er gegeneraliseerd kan worden van de gevonden effecten naar een populatie. Bij de interne valideit gaat het erom of de gevonden resultaten causaal zijn. Er zijn verschillende effecten die er voor kunnen zorgen dat de voor de interne en externe validiteit verminderd worden. Een voorbeeld hiervan is de geschiedenis (bijvoorbeeld recent neergestort vliegtuig op onderzoek vliegangst) Ook rijping (maturation) speelt een rol: hiermee wordt een verandering die plaatsvindt tijdens het testen bedoeld. De proefpersoon rijpt hierbij biologisch (hij wordt ouder), psychologisch (groeit in zijn opvattingen en attitudes) of emotioneel (leert om te gaan met emoties en coping). Daarnaast speelt het test-hertest effect een rol. Er vindt hierbij een leereffect plaats door het vaker maken van een bepaalde test. Ook kan de observator gewend raken aan de manier van testen (instrumentatie). Een ander effect is biased selection of participants: hierbij wordt een bepaalde groep proefpersonen gekozen voor de test, die op een bepaalde manier een vertekend beeld geven. Bijvoorbeeld alleen het gebruik van studenten. Is dit wel generaliseerbaar voor de populatie? Ook kan er sprake zijn van statistische regressie: hoe vaker er getest wordt hoe meer kans er op is dat de onderzoeksresultaten op elkaar gaan lijken. Als laatste is er nog kan op experimental mortality: uitval van mensen uit het onderzoek. Dit is vooral een groot probleem bij longitudal onderzoek, of bij onderzoek waar mensen vaker voor terug moeten komen.

 

Een andere vorm van validiteit is constructvaliditeit. Hiermee wordt bedoeld of hetgene gemeten wordt waarin de onderzoeker geïnteresseerd is. Dus of er gegeneraliseerd worden naar het concept. Er kan gebruik gemaakt worden van een vragenlijst om te kijken of het manipuleren gelukt is. Een probleem bij het stellen van vragen in een vragenlijst is dat mensen door de vragenlijst in een bepaalde manier gaan gedragen. Om te kijken of dit het geval is zou er een controlegroep opgesteld kunnen worden die alleen de vragenlijst maken, maar geen manipulatie krijgen.

 

Soms ontstaan er tegenstrijdige effecten bij een experiment. Dit is niet alleen een nadeel want hieruit kunnen weer nieuwe onderzoeken ontstaan.

 

Het nemen van steekproeven

De steekproef die genomen wordt voor een onderzoek moet representatief zijn. Hoe precies de steekproef gekozen moet worden varieert per type onderzoek. Er kan ook gebruik gemaakt worden van proefpersonenpools, zoals SONA. Onderzoekers hebben graag mensen die ervaringen hebben met onderzoek, dus maken ze graag gebruik van proefpersonenpools. Maar hierdoor vindt er wel een selectiebias plaats.

 

Vroeger werd er vooral field research gedaan (1980-2002), maar hier ontstonden ook problemen mee. Mensen moesten bijvoorbeeld voor verkeersonderzoek in een echte auto gaan zitten. Maar dit was vaak een andere auto dan de auto waarin de mensen zelf gewend waren te rijden. Hierdoor was niet duidelijk of hun rijgedrag in het onderzoek representatief was voor hun echte rijgedrag. Nu kunnen proefpersonen met een camera/meetapparaat in hun eigen auto getest worden, waardoor het natuurlijk rijgedrag te zien is.

 

Onderzoek moet eerst goedgekeurd worden door de ECP (Ethische Commissie Psychologie). Er mag geen sprake zijn van dwang. Daarnaast moet er een balans zijn tussen vergoeding en hetgene wat de proefpersonen gevraagd wordt te doen. Ook mogen de proefpersonen inzage in het onderzoek eisen.

 

Kwalitatief onderzoek

Twee belangrijke termen bjj kwalitatief onderzoek zijn positivisme en relativisme. Met posivitisme wordt bedoeld dat niet altijd hetzelfde observaties als wat er in werkelijkheid gebeurd. Mensen reageren bijvoorbeeld niet elke keer hetzelfde op gebeurtenissen. Met relativisme wordt bedoeld dat de waarheid relatief is, en dus niet per se objectief. Mensen verschillen namelijk per mening. Cultuur, historie, sociaal hebben hier een invloed op.

 

Rapporteren van onderzoek

De doelgroep voor het rapporteren van onderzoek is heel erg belangrijk. Bijvoorbeeld wanneer het voor een wetenschappelijk doel is moet het erg precies en volledig gerapporteerd worden, voor de media is dit anders.

 

Wanneer een wetenschappelijk paper geschreven moet worden moet er breed met het onderwerp begonnen worden (introductie, eerdere studies) waarna een kleiner onderwerp beschreven wordt in de hypothese/resultaten. Daarna wordt er teruggegaan naar een breder onderwerp (discussie) Dit wordt het zandlopermodel genoemd. Relevantie voor de praktijk is heel belangrijk voor het schrijven van een wetenschappelijk paper. Ook moet er sekseneutraal geschreven worden. Daarnaast moet er een duidelijk onderscheid gemaakt worden tussen wat de schrijver wel/niet zeker weet.

 

Voor een mondelinge presentatie is het belangrijk dat de figuren die benoemd worden makkelijk af te lezen zijn. Let ook op bij het refereren van teksten dat er goed gekeken wordt naar de orginele bron. Bij presentaties is het belangrijk dat er op slides vooral kernwoorden te zien zijn, geen hele lange zinnen. Als laatste is het leren ontkrachten van drogredenen een zeer belangrijke vaardigheid voor wetenschappers en studenten.

 

Hoorcollege 3

 

Validiteit wordt bedreigd

Metingen zonder controle groep zijn funest voor de validiteit van een uitspraak, want zonder controle groep kunnen geen goede conclusies getrokken worden. Metingen zonder controle groep kunnen zorgen voor een bias, die kan ontstaan door de mensen in je sample, tijdsaspect of door de eigen inbreng van de onderzoeker. Selectiebias is een veel voorkomende bias, hiermee wordt bedoeld hoe de deelnemers van je onderzoek geselecteerd worden. Wanneer de steekproef niet representatief voor de populatie is, zal de uitspraak van het onderzoek niet valide kunnen zijn. Een ander probleem dat te maken heeft met de selectiebias is dat ook niet iedereen reageert op een uitnodiging om mee te doen met een onderzoek, wat de (non)respons bias wordt genoemd. Maar is de groep die wel reageert wel representatief voor de bedoelde populatie? Representativiteit en generaliseerbaarheid zijn hierbij twee hele belangrijke begrippen.

 

Een andere bedreiging voor de validiteit is dat mensen veranderen in de tijd (history & maturation). Vaak heeft dit te maken met de tijd zelf, maar het kan ook komen door de ontwikkeling van een persoon zelf. Maturation (veranderingen in de tijd) kan heel erg snel gaan, bijvoorbeeld wanneer er een grote natuurramp is gebeurd, wat van grote invloed op het onderzoek kan zijn. Daarnaast heeft regressie naar het midden ook een invloed. Met regressie naar het midden wordt bedoeld dat proefpersonen vaak op de tweede meting een minder extreme waarde hebben dan op de eerste meting. Door de normale verdeling waar rekening mee gehouden wordt zullen de meeste mensen de gemiddelde waarde hebben, en dus minder mensen de extreme waardes.

 

Observatie is ook van invloed op proefpersonen en zelfs op dieren. Een bekend effect is het Hawthorne effect; mensen gedragen zich anders doordat ze geobserveerd worden. Bij experimenten met een lange duur worden mensen soms uitgeput (attrition), of hebben geen zin meer om mee te doen. Dit wordt experimental mortality genoemd. Bij deze experimenten is er vaak een verschil tussen de controle en de experimentele groep: heterogenous attrition. Met heterogenous attrition wordt bedoeld dat er in de experimentele groep meer mensen stoppen met het onderzoek dan in de controle groep. Bij homogenous attrition stoppen in beide groepen evenveel mensen met het onderzoek. Proefpersonen passen zich ook aan aan wat ze denken dat de onderzoeker wil onderzoeken, participant reaction bias genoemd. Sommige deelnemers willen graag extra hun best doen om de onderzoeker te ‘helpen’ (participant expectancies), anderen doen juist het tegenovergestelde (participant reactance). Iets wat ook vaak voorkomt is dat mensen zichzelf beter voor willen laten komen dan ze zijn wanneer ze geobserveerd worden (evaluation apprehension). Het is daarom belangrijk dat genoemd wordt dat de onderzoeken anoniem zijn. Wanneer de proefpersoon anoniem is, heeft de proefpersoon minder de neiging zich aan te passen. Er kan ook gebruik gemaakt worden van cover stories, waarbij net iets anders verteld wordt dan wat er onderzocht wordt. Achteraf van de Ethische Commissie wel het doel verteld worden. Unobtrusive observation betekent stiekem observeren, waarmee nieuwe dingen geobserveerd kunnen worden.

 

Er kan ook een experimenter bias ontstaan, doordat onderzoekers soms alleen zien wat ze graag willen zien. Het is hierom belangrijk dat onderzoekers kritisch blijven. Ook kan er sprake zijn van verschil in behandeling tussen proefpersonen in verschillende condities ,bijvoorbeeld meer belangstelling tonen in de experimentele groep. Een remedie hiervoor is het uitvoeren van dubbelblindonderzoek, hierbij zijn de onderzoeker en proefpersoon niet op de hoogte van welke groep welke conditie heeft gekregen. Als laatste zijn derde variabelen ook een bedreiging voor de validiteit.

 

Remedies voor de bedreiging van validiteit zijn het inbouwen van controlegroepen tussen proefpersonen (een controle en een experimentele groep) of binnen proefpersonen. Bij het laatste design is ieder zijn eigen controle, en hierbij worden dus herhaalde metingen uitgevoerd.

 

Experimental designs

De eerste vraag bij een onderzoek is hoeveel onafhankelijke variabelen er van belang zijn. Een one-way design is een design met 1 onafhankelijke variabele, bijvoorbeeld of iemand er slimmer uitziet met/zonder bril (bril onafhankelijke variabele). Dit kan ook met meerdere groepen plaatsvinden, zoals bij medicijnonderzoek. Factorial design is een design met meer dan 1 onafhankelijke variabele. De eenvoudigste versie hiervan is 2x2. Hierbij zijn dus wel steeds meer proefpersonen nodig, wat soms lastig kan zijn. Het voordeel van een factorial design is dat meerdere onafhankelijke variabelen bestudeerd kunnen worden, waardoor hoofdeffecten én interactie-effecten opgemerkt kunnen worden. Bij with-in subjects (binnen-proefpersoon ontwerp) krijgt elk proefpersoon alle condities. Een groot voordeel hiervan is dat er geen problemen zijn met individuele verschillen en ook dat er weinig proefpersonen nodig zijn. Ook is de matching hierbij natuurlijk perfect. Wel wordt een andere soort statistische methode gebruikt bij dit design. Een nadeel van dit soort onderzoek is dus dat mensen veranderen, vooral bij onderzoeken waar taken worden uitgevoerd. Er kan namelijk een leereffect plaats vinden. Of een sequence effect: de volgorde waarin iets uitgevoerd wordt heeft een invloed en mensen veranderen tijdens de verschillende condities. Proefpersonen kunnen random verdeeld worden over de verschillende volgordes van condities. Ook kan gebruik gemaakt worden van balancing: precies elke volgorde moet gebruikt worden. Bij random kunnen bepaalde volgordes vaker voorkomen dan anderen. Latin square wordt ook gebruikt, hierbij wordt elke conditie even vaak aangeboden op verschillende volgordes. ( 1 2 3 4, 2 4 1 3 etc.)

 

Bij een mixed-model worden between-subjects design en within-subjects design gecombineerd. De keuze voor een bepaalde design is afhankelijk van een vraagstelling. Het aantal proefpersonen moet minstens 20 zijn, zodat de power van het onderzoek groot genoeg is.

 

Quasi-experimenteel design

Bij een quasi-experimenteel design heeft de onderzoeker geen controle over alle onafhankelijke variabelen, proefpersonen zijn al toegedeeld aan groepen (bijvoorbeeld geslacht/leeftijd). De externe validiteit is bij dit soort onderzoek hoog. Maar de interne validiteit is vaak een stuk lager, omdat er minder controle uitgevoerd kan worden. Groepen kunnen ook niet random ingedeeld worden vanwege ethische bezwaren, bijvoorbeeld bij onderzoek naar gezondheid. Mensen mogen hierbij geen placebo meer toegediend krijgen, maar dan is er dus ook geen controlegroep.

Er zijn verschillende soorten quasi experimenteel design. Bij person-by-treatment quasi experiment meet de onderzoeker één onafhankelijke variabele (verschil) en manipuleert ook één onafhankelijke variabele. Een fenomeen genoemd median split laat zien dat sommige groepen onder en boven het gemiddelde erg dichtbij elkaar scoren. Vanwege dit fenomeen zou het handiger zijn om de extreme groepen te onderzoeken. Bij natuurlijke experimenten kan geen controle uitgevoerd worden, want er kan geen random toedeling gemaakt worden. Een voorbeeld hiervan is hoe reageren mensen op een natuurramp?.

 

Het zoeken van een goede controlegroep is lastig. Patching betekent het toevoegen van nieuwe condities en het toevoegen van nieuwe controlegroepen. Zo kunnen andere variabelen ook uitgesloten worden. Implicit egotism betekent dat mensen voorkeur hebben voor keuzes die met zichzelf te maken hebben, bijvoorbeeld jack woont vaker in Jacksonville. Maar, is hier sprake van causaliteit, reverse causaliteit, of derde variabelen? Door te patchen kunnen anderen gegevens erbij betrokkken worden, en confounding variabelen uitgesloten of juist aangenomen worden. Een bijzondere vorm van patching is interne analyse. Iedere patch moet wel kritisch bekeken worden.

 

 

Hoorcollege 4

Kwalitatief onderzoek

De eerste soort kwalitatief onderzoek is case study. Case studies kennen we vooral goed uit het verleden, denk hierbij bijvoorbeeld aan het verhaal van Phineas Gage. Case studies zijn studies waarbij een zorgvuldige analyse wordt gedaan van een bepaalde zaak, persoon of groep. Met case studies kan laten zien worden wat er gebeurd met gedrag wanneer bepaalde hersendelen beschadigd zijn, dus welke functies die hersengebieden hebben. Tegenwoordig kunnen we deze functiebepaling doen door te kijken naar de hoeveelheid zuurstof die naar een bepaalde plek in de hersenen gaat of maken we gebruik van magnetische velden. Case studies werden ook gebruikt om algemene psychologische principes mee te maken. Een voorbeeld hiervan is een case study waarbij een meisje tot na de kritieke periode van taal opgesloten was van de buitenwereld, maar toch nog taal leerde. Dit geeft aan dat er kanttekeningen zitten aan de theorie over de kritieke periode van taal. Vaak kunnen deze theoretische principes vanuit ethische principes niet op een andere manier onderzocht worden dan met een case study. Ook het Stockholm Syndroom is hier een voorbeeld van; bij het Stockholm Syndrome raken de slachtoffers van een misdaad/gijzeling gehecht aan de gijzelaar, doordat de gijzelaars de slachtoffers lieten leven en periodiek aardig waren tegen de slachtoffers. Deze hechting zou misschien verklaard kunnen worden met het adaptieve idee dat dit de slachtoffers misschien de grootste overlevingskans opleverde. Dit idee zou ook niet experimenteel onderzocht kunnen worden. Oliver Sacks is een belangrijke man binnen het onderzoek die veel case studies heeft geschreven. In Groningen worden niet veel case studies uitgevoerd.

Sommige mensen vragen zich af of case studies wel wetenschappelijk zijn. Case studies hebben wel degelijk wetenschappelijke eigenschappen. Sommige theorieën kunnen namelijk gefalsifieerd worden door case studies. Case studies kunnen juist ook ideeën opwekken waarmee nieuwe theorieën kunnen ontstaan. Wel moet de onderzoeker hierbij erg kritisch blijven. Een nadeel van een case study is dat er vaak erg moeilijk te generaliseren valt. Ook kan er geen causaliteit aangewezen worden en kunnen er geen statistische methodes op uitgevoerd worden. Daarnaast is interpretatie lastig, omdat de onderzoeker ook de behandelaar van het onderzoek is. Hierdoor ontstaat er een vermenging van belangen.

 

Single variable onderzoek

Dit is geen experimenteel onderzoek, want er wordt niets gemanipuleerd. Er wordt namelijk één bepaalde variabele bekeken in meerdere groepen. Bij Census- onderzoek wordt ieder lid van de bevolking gevraagd naar de variabele in kwestie. Stemverkiezingen komen dicht in de buurt bij Census-onderzoek. Dit type onderzoek is wel erg kostbaar en lastig uit te voeren. Daarom wordt er vaker een populatieonderzoek uitgevoerd: hierbij wordt een representatieve steekproef uit de populatie genomen en onderzocht. Ook clustersampling kan gebruikt worden; hierbij wordt de populatie eerst in clusters verdeeld en worden binnen deze clusters onderzoek gedaan, wat daarna weer gegeneraliseerd wordt naar de populatie. Om te kunnen generaliseren is het altijd noodzakelijk om een betrouwbaarheidsinterval uit te voeren. Demografisch onderzoek is een vaak gebruikt voorbeeld van single variable onderzoek: bijvoorbeeld de verdeling van koorts in Nederland. Ook opinieonderzoek is hier een voorbeeld van. Problemen bij opinieonderzoek kunnen zijn dat mensen weigeren om mee te doen aan onderzoek, waardoor er een bias in de steekproef ontstaat en de resultaten niet te generaliseren zijn. Ook moeten de uitvoerders van het onderzoek goed getraind zijn, zodat ze de vragen op dezelfde manier aan de deelnemers stellen. Er kan ook gebruik gemaakt worden van telefonisch onderzoek, maar tegenwoordig hebben mensen geen vaste telefoon meer. Hierdoor zijn ze moeilijker te bereiken. Complexe vragen stellen is lastiger over de telefoon en ook de omgevingsvariabelen zijn niet te controleren. Internetonderzoek bied ook problemen: hierbij worden ouderen vaak niet meegenomen in het onderzoek. Ook heeft niet iedereen zin om aan internetonderzoek mee te doen.

 

Er zijn uitzonderingen binnen het onderzoek, waarbij de representativiteit van de steekproef niet noodzakelijk is. Een voorbeeld hiervan is het Milgram-onderzoek. De resultaten van dit onderzoek waren zo schokkend dat de representativiteit er niet meer toe deed.

 

Een conjunction fallacy is een aanname dat een specifieke conditie vaker voorkomt dan een algemene. Dit is in de meeste gevallen onjuist.

 

Correlationeel onderzoek

Dit is onderzoek naar factoren die samenhangen. Dit is vaak onderzoek dat experimenteel niet uitgevoerd kan worden. Het probleem bij correlationeel onderzoek is vooral het niet toe kunnen wijzen van causaliteit. Dit kan veroorzaakt worden door derde variabelen of er is niet duidelijk wat nu de oorzaak en het gevolg is (de richting van een relatie) Een voorbeeld van de laatste is: de correlatie tussen de aantrekkelijkheid van een persoon en aantal relaties dat hij/zij in zijn/haar leven heeft gehad. Richting van een correlatie kan wel onderzocht worden door longitudinaal onderzoek of experimenteel manipuleren. Wanneer een derde variabele op tijd wordt gevonden kan deze meegenomen worden in het onderzoek en op deze manier uitgesloten worden van de conclusie. Derde variabelen zijn vaak erg subtiel, niet zo duidelijk te zien als in de voorbeelden die vaak gegeven worden, waardoor het lastiger is om ze te scheiden van andere factoren. Er zijn ook verschillen die al tussen mensen aanwezig zijn door iets wat er in het verleden gebeurd is, hiervoor is het erg belangrijk dat proefpersonen aan random condities toewijst. Soms meet het gebruikte meetinstrument iets anders dan wat er bedoelt werd met het meetinstrument. Wanneer derde variabelen niet uitgesloten kunnen worden moeten ze ook gemeten worden, en kunnen ze daarna meegenomen worden in de analyse. Correlationeel onderzoek vindt vaak plaats aan het begin van een nieuw onderzoek. Na een ‘aangetoonde’ correlatie is het vaak zinvoller om een experimenteel onderzoek te doen. Ook doen we correlationeel onderzoek wanneer experimenteel onderzoek niet mogelijk is. Correlationeel onderzoek heeft als voordeel een hoge externe validiteit.

 

Survey

Bij een survey wordt een bepaalde variabele onderzocht, bijvoorbeeld het aantal rokers in een populatie. Bij correlationeel onderzoek kijk je naar samenhang tussen variabelen, bijvoorbeeld het aantal rokers en leeftijd van de proefpersonen. Archiefonderzoek is ook een type onderzoek. Bij onderwerpen als agressie binnen een bepaalde sport, kan archiefonderzoek gebruikt worden. Dit zou bijvoorbeeld onderzocht kunnen worden door de beelden van oudere wedstrijden terug te kijken. Archiefonderzoek kan ondersteund worden door statistieken of publieke documenten (video’s, kranten) of vragenlijsten van anderen. Bij archiefonderzoek is het belangrijk dat er kritisch naar de documenten/statistieken gekeken wordt, want in archieven worden vaak alleen bijzondere gevallen weergegeven en zijn hierdoor over gerepresenteerd. Bij archiefonderzoek is er ook geen controle over hoe de informatie verzameld is. Causaliteit is vaak lastig aan te tonen bij archiefonderzoek. Daarnaast is de interne validiteit bij archiefonderzoek vaak laag.

 

Observatieonderzoek

Het bekende change-blindness onderzoek is een voorbeeld van observatie. Hierbij kan de onderzoeker verdekt opgesteld staan. Als de onderzoeker niks doet in het onderzoek (geen interventie) heet zo’n observatieonderzoek een naturalistic observation. Mensen zijn zich bij deze vorm ook niet bewust dat ze geobserveerd worden. Er moet wel gelijk gescoord worden bij verschillende observatoren. Bij onderzoek kan er ook wel deelgenomen worden door de observatoren, dit heet participant observation. Hierbij kan nauwkeuriger gemeten worden, maar is er ook een kans dat de proefpersonen beïnvloed worden door de observator. Het gebruik van vragenlijsten en interviews heeft als voordeel dat er een grotere groep proefpersonen onderzocht kan worden. Een nadeel is dat de interactie van interviewer en deelnemer kan leiden tot sociaalwenselijke antwoorden.

 

Ontwikkelen van vragenlijsten

Het is belangrijk dat antwoordmogelijkheden goed aansluiten op de vragen in de vragenlijsten. Antwoordmogelijkheden kunnen erg subjectief zijn: voor de een is ‘soms’ vaker dan voor de ander. Het is ook erg belangrijk dat de vragen goed geformuleerd worden. Bij het bekijken van deze formulering vinden twee fases plaats: 1. Beoordeling. Hebben mensen deze vraag goed begrepen? 2. Response-translation fase. Kunnen mensen deze vraag vertalen naar iets waar ze goed antwoord op kunnen geven met de antwoordmogelijkheden?

De volgorde waarin de vragen worden gesteld is ook erg belangrijk. Mensen willen vaak consistent antwoorden, wat een bias geeft. Gevoelige vragen kunnen beter niet aan het begin van de vragenlijst gesteld worden, dit kan proefpersonen afschrikken. Daarnaast moet ook vakjargon vermeden worden, want dit kan onduidelijk voor de deelnemers zijn. Er moet gebruik gemaakt worden van korte vragen. Het is het beste om dubbele vraagstellingen en dubbele ontkenningen te vermijden. Over ontkenningen moet over het algemeen ook langer nagedacht worden door deelnemers, wat ongunstig kan zijn. Daarnaast ontstaan het bodem- en het plafondeffect. Het framing effect zegt iets over hoe iets aangeboden wordt. De voordelen kunnen benadrukt worden, winstframing genoemd, of juist de nadelen, verliesframing genoemd. Framing beïnvloedt de manier waarop mensen antwoord geven. De vraag die gesteld wordt moet wel zinvol zijn voor de doelgroep: het is bijvoorbeeld niet relevant om tieners naar kleinkinderen te vragen. Over een bepaald construct moeten vaak meerdere vragen gesteld worden, zodat de betrouwbaarheid van de antwoorden verhoogd kan worden. Mensen kunnen ook een responsebias vertonen. Dit kan opgelost worden door een controlevraag in een vragenlijst (bijvoorbeeld: vink het tweede vakje van links aan). Sociale wenselijkheid en gevoelige onderwerpen zijn dus ook een probleem voor de betrouwbaarheid van de antwoorden. Bij gevoelige onderwerpen kan er genormaliseerd worden, om de vraag minder heftig te maken. Hierdoor zit er wel een sturing in de vraag.

 

Analyse/output

Analyse van open vragen kost veel meer tijd dan analyse van gesloten vragen. Open vragen bevatten daarentegen veel meer informatie. Een goede strategie is om bij een kleine groep open vragen als exploratie uit te voeren, waarna antwoorden voor multiple choice opgesteld kunnen worden voor de grote groep. Een bekende manier van scoring is Likertschaal. Semantisch-differentiaal is een schaal waarbij twee tegengestelde woorden aan beide uiteinden van de schaal staan. Het aantal antwoord categorieën is afhankelijk van de vraag, maar is vaak tussen de 5 en de 7. Te veel antwoord categorieën zorgt voor chaos en bij te weinig antwoord categorieën kunnen mensen hun antwoord niet kwijt. Belangrijk is het invoegen van goede labels op de schaal (goed-slecht). Bij een interval schaal kunnen alle punten benut worden, waardoor het een hele nauwkeurige schaal is. Unipolair betekent in deze context een schaal binnen één label: bijvoorbeeld van niet naar heel erg. Bipolair betekent twee tegenovergestelden op de schaal: bijvoorbeeld negatief-positief.

 

Rapportage

Bij rapportage wordt beschreven welke schaal er is gebruikt in het onderzoek. Een schaal wordt beschreven met woorden, welk punt op de schaal waarvoor staat. Outliers moeten uit het onderzoek gehaald worden wanneer ze veroorzaakt zijn door een verkeerde meting, maar ze moeten niet verwijderd worden wanneer ze een belangrijk (extreem) resultaat weergeven. Statistische resultaten kunnen worden weergegeven in een tabel. Een kruistabel laat zien of er verschil is tussen groepen. Hierna kunnen de resultaten weergegeven worden in percentages. Met de Chi-kwadraat wordt vervolgens een p waarde aangegeven. Ook betrouwbaarheidsintervallen kunnen berekend worden rondom de verschillen tussen groepen. Hierna kan een conclusie beschreven worden. Een multiple regressie analyse kan uitgevoerd worden, en bepaald in hoeverre bepaalde factoren iets voorspellen. Ook andere toetsen als T-toetsen worden gebruikt en beschreven in rapportage. Variantieanalyse kan gedaan worden met een ANOVA. Assumpties die nodig zijn voor een bepaalde toets moeten altijd nagecheckt worden, zodat het gebruik van een bepaalde toets beredeneerd kan worden. Statistiek bepaald of een gevonden resultaat iets voorstelt of niet.

 

Hoorcollege 5

Tentameninformatie: Niet alle artikelen van De Beroepscode hoeven uit het hoofd geleerd worden, maar de vier basisprincipes moeten wel gekend worden. Ook niet alle richtlijnen hoeven uit het hoofd geleerd te worden maar welke onderwerpen bij welke basisprincipes horen moeten voor het tentamen paraat zijn.

 

Ethiek

Ethiek gaat over een gesystematiseerde vorm van moraal. Alle mensen hebben een moraal, deze verschilt per cultuur en over de geschiedenis. Met moraal worden opvattingen wat goed en wat slecht gedrag is bedoeld. Niet alleen mensen hebben een moraal, onderzoekers vonden dat primaten (vooral chimpansees) ook morele opvattingen hebben. Morele opvattingen zijn door verschillende filosofen overdacht. Socrates vond dat moraal gaat over de vraag: Hoe te leven? Voor psychologen gaat het over de vraag: Hoe moet je als psycholoog moreel juist handelen? Bij onderzoeksmethoden gaat het over de vraag: Hoe moet je (moreel) juist onderzoek doen? De waarden bij methodologie zijn anders dan de waarden bij ethiek. Methodologie heeft waarden als objectiviteit, validiteit, transparantie. Ethiek heeft waarden als rechtvaardigheid, eerlijkheid, oprechtheid. Deze waarden liggen in onderzoek vaak dicht bij elkaar. Methodologie is moreel belangrijk voor psychologen, psychologen worden namelijk moreel afgekeurd door andere psychologen wanneer zij onjuist onderzoek doen. In de beroepspraktijk ontstaan er ethische vragen als: Mag je de cliënt geld lenen wanneer de cliënt tijdelijk geen geld heeft? Ethiek gaat over dilemma’s, waarbij beide kanten wat voor te zeggen is. Bijvoorbeeld: Door het geven van geld aan de cliënt kan vertroebeling van de relatie plaatsvinden, wat de behandeling kan schaden. Maar, de cliënt heeft ook hulp nodig. De Beroepscode van NIP geeft richtlijnen voor wat er gekozen moet worden in deze moeilijke dilemma’s.

 

Macht

Macht is een hele belangrijke factor voor psychologen. Psychologen moeten rekening houden met het feit dat ze een bepaalde macht hebben. Psychologen hebben vaak de macht in professionele relaties die ze hebben. Zij moeten bijvoorbeeld een psychologisch rapport over een cliënt schrijven, wat ze een bepaalde machtspositie geeft. Dit rapport beïnvloedt namelijk de verdere carrière van de cliënt. Ook als therapeut wordt er macht beoefend over de cliënt. Zelfs bij onderzoek vindt er een bepaalde machtspositie plaats, ten opzichte van de proefpersoon, denk bijvoorbeeld aan het onderzoek van Milgram. Psychologen die beleidsonderzoek doen hebben ook een bepaalde invloed op zaken. Hierom is het belangrijk dat psychologen goed nadenken wat ze doen en nadenken over de ethische kant van de zaak, zodat er verantwoording afgelegd kan worden voor wat de psychologen doen. Verantwoording is dan ook een heel belangrijk punt voor de Beroepscode. Goede bedoelingen zijn niet goed genoeg in dit geval.

Benaderingen van Ethiek

Filosofen zijn nog steeds op zoek naar de vraag wat ethiek nu precies is en hoe dit gesystematiseerd kan worden. Hierin zijn drie benaderingen ontstaan.

 

De eerste benadering is de Plichtenethiek. De belangrijkste persoon binnen deze benadering is Emanuel Kant. Volgens Kant zijn er vier fundamentele vragen: 1. Wat kan ik weten (kennis) 2. Wat mag ik hopen? 3. Wie is de mens?(psychologie) 4. Wat moet ik doen? (ethiek) Ethiek is volgens Kant een kwestie van plichten, die hij imperatieven noemde. Denk hierbij aan: je moet voor je kinderen zorgen of je moet alles eerlijk delen. Deze plichten moesten voldoen aan één algemene plicht: de categorische imperatief. Aan deze categorische imperatief konden andere plichten getoetst worden. Het categorische imperatief formuleerde hij als volgt: de regels op basis waarvan men handelt zouden universele regels moeten kunnen zijn. Wanneer hier aan voldaan werd, was het een ethische leefregel. Er was ook een tweede formulering van categorische imperatief: behandel mensen altijd als doel in zichzelf, nooit alleen als middel. Daarmee bedoelde hij dat mensen mogen gebruiken als middel om iets te bereiken, maar dat iemand nooit alleen maar gebruikt mag worden. Mensen moeten namelijk altijd behandeld worden als autonome wezens, niet als instrumenten voor eigen doelen. Kant was erg streng met zijn plichtenethiek. Hij leidde bijvoorbeeld af uit zijn categorische imperatief dat men nooit mag liegen. Maar men verwacht helemaal niet van elkaar dat iedereen voortdurend eerlijk is. Benjamin Constant had een scherp tegenargument: niet iedereen heeft recht op de waarheid. Bijvoorbeeld: onze vriend beschermen we tegen een moordenaar die vraagt waar onze vriend is, want deze moordenaar heeft helemaal niet het recht om te weten waar die vriend is. De plicht om niet te liegen is dus voorwaardelijk. Kant sprak hierop tegen dat liegen niet afhangt van de persoon op wie het betrekking heeft, want een plicht heeft betrekking op de menselijkheid in het algemeen. Veel mensen vonden dit geen sterk argument.

 

De tweede benadering van ethiek is de Gevolgenethiek. Deze let niet op de plichten voorafgaand aan een handeling, maar op de gevolgen van een handeling. Dit werd ook wel het utilitarisme genoemd, met als belangrijk persoon Jeremy Bentham. Volgens de gevolgenethiek zijn plichten niet relevant, alleen de gevolgen. Een handeling is meer ethisch verantwoord naarmate het geluk dat de handeling als gevolg heeft groter is. Dus het is belangrijk dat het grootste geluk voor het grootste aantal mensen ontstaat uit je handeling. Met geluk wordt hier bedoeld of de mensen er beter van worden. Ethiek in deze benadering is dus een kwestie van rekenen. Dit is lastig voor de praktijk, omdat geluk moeilijk te berekenen is. Maar, niet voor ieder persoon brengt een bepaalde uitkomst evenveel geluk op. Wie is er dan het belangrijkst? Ook maakt het verschil of er op lange termijn of korte termijn gekeken wordt.

 

De derde benadering van ethiek is de Deugdenethiek. Deze benadering zegt dat ethiek niet over handelingen en principes gaat, maar gaat om de persoon die handelt. Het gaat erom of deze persoon deugdzaam is. Een belangrijk persoon in deze benadering is Aristoteles. Aristoteles beschreef deugden als het midden tussen twee uitersten. Moed is bijvoorbeeld een deugd, die zit tussen angst en overmoed in. De deugden van een persoon zijn afhankelijk van zijn/haar rol en de situatie waar deze persoon zich in bevindt. Deze is dus niet algemeen geldend, zoals de gevolgen en plichtenethiek. Een onderzoeker heeft bijvoorbeeld als verwachte deugden: objectiviteit, accuraatheid, betrouwbaarheid, nieuwsgierigheid. Een therapeut heeft weer andere deugden, als medeleven en compassie. Het nadeel van een deugdenethiek is dat er bij het beoordelen van handelingen (in plaats van personen) niet veel mee gedaan kan worden.

 

De NIP-code (Beroepscode)

De Beroepscode is een uitwerking van de ethische principes. In de Beroepscode zitten elementen van alle drie de ethiekbenaderingen. Deze code bestaat ongeveer 50 jaar nu en ontstond als opvolging van het opstellen van de beroepscode van de APA. Het idee van ethiek is ontstaan na de Tweede Wereldoorlog. Deels komt dit doordat hierna pas de opkomst van de psychologen in de praktijk was. Ook was in de Tweede Wereldoorlog gebleken dat wetenschappers zich niet per se ethisch gedroegen.

 

De Beroepscode van het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP) geldt alleen voor leden van de NIP. Niet-leden worden niet aangepakt door de NIP wanneer zij niet-ethische handelingen uitvoeren. NIP-code bestaat uit drie lagen. De eerste laag zijn overwegingen. Deze overwegingen liggen aan de basis van de principes in de rest van de Beroepscode. Deze zijn belangrijk voor alle wetenschappers. De drie overwegingen zijn: 1. In veel/alle situaties is er sprake van machtsongelijkheid 2. De professionele relatie waar de psycholoog zich in bevindt is een proces, welke kan fluctueren in verschillende fases van het proces 3. Een psycholoog kan verschillende rollen bekleden.

 

In de tweede laag worden een aantal basisprincipes geformuleerd: bij NIP zijn dit er 4 en bij APA 9. Deze zijn 1. Verantwoordelijkheid 2. Integriteit 3. Respect 4. Deskundigheid. De uitwerking van deze basisprincipes wordt gedaan in richtlijnen. Hierin staat wat voor gevolgen deze principes hebben in een bepaalde situatie. Verantwoordelijkheid heeft verschillende aspecten. Een psycholoog is verantwoordelijk voor de kwaliteit van behandeling/relatie. Ook moet deze verantwoording moet kunnen afleggen voor uitgevoerde handeling. Daarnaast moet hij/zij schade door eigen handelen voorkomen, voorkomen van misbruik van de resultaten van eigen werk en behouden van continuïteit. Met continuïteit wordt de relatie met de cliënt bedoelt, bijvoorbeeld wanneer een behandelaar ziek wordt moet er opvanging zijn voor de cliënt. Als laatste gaat verantwoordelijkheid over de werkomgeving (collegiaal appel): wanneer collega iets doet wat niet juist is, moet de psycholoog in kwestie hier iets van zeggen.

Integriteit betekent dat de psycholoog één geheel moet zijn. Hieronder valt betrouwbaar zijn, eerlijk zijn. Hierbij is het bijvoorbeeld belangrijk dat je geen bovenmatige verwachtingen wekt. Daarnaast moet een psycholoog rolintegriteit hebben, dus het vermijden van meervoudige rollen (zoals het voorbeeld van geld uitlenen en psycholoog zijn). Hieronder valt ook dat er geen seksuele verhoudingen met of vriendschappen met de cliënten mogen ontstaan.

 

Met respect wordt bedoelt dat cliënten niet gediscrimineerd mogen worden. Ook respect voor autonomie (zelfbeschikkingsrecht) is belangrijk. Onder respect vallen ook een hoop principes met betrekking tot informatiestromen: Wie mag wat, wanneer weten/ wanneer niet?

 

Deskundigheid betekent dat de psycholoog op de hoogte is van de ethische principes van de beroepsgroep. Het handelen moet altijd deskundig zijn, dus vakbekwaam zijn. Dit moet onderhouden worden door middel van bijscholen/nascholing. Alleen doeltreffende methoden mogen gebruikt worden. Dit is lastig omdat er binnen de psychologie weinig overeenstemming is over doeltreffende methoden.

 

Beroepscode heeft een aantal functies. Voor de beroepsbeoefenaar levert het richtlijnen voor handelingen. De cliënten kunnen in de Beroepscode bekijken hoe de psycholoog zich moet gedragen. De Beroepscode is ook een soort wetboek. Een cliënt kan hierbij een klacht indienen bij het College van Toezicht, welke bestaat uit juristen en psychologen. De psycholoog krijgt dan de mogelijkheid om een verweer te schrijven. De cliënt mag hier weer een repliek op schrijven. De psycholoog reageert hierop met een dupliek. Als de klacht dan nog niet opgelost is komt er een zaak. Hierbij kan het College van Toezicht besluiten dat er geen straflegging plaats vindt, of een van de vier straffen: waarschuwing, berisping (gele kaart), schorsing (rode kaart), ontzetting (nooit meer lid van NIP). Om als klinisch psycholoog werkzaam te zijn moet je geregistreerd zijn in het BIG-register. Het BIG-register heeft een eigen tuchtrechter. Wanneer een cliënt of psycholoog het niet eens is met de uitspraak van het College van Toezicht, kan deze in hoger beroep gaan bij het College van Beroep.

 

Casus

Wanneer er sprake is van een wettelijke plicht of het voorkomen van schade (wat niet op een andere manier kan) mag vertrouwelijkheid doorbroken worden. Dit is bijvoorbeeld aan de orde bij een suïcidale patiënt: mag dit aan de omgeving verteld worden om een nieuwe poging te voorkomen? Deze afweging moet op deskundige wijze gebeuren. Die deskundigheid kan verkregen worden door het volgen van een protocol of scholing op dit gebied, of raadplegen van deskundige collega’s. Om te voorkomen dat zo’n dilemma ontstaat, kunnen er van te voren afspraken gemaakt worden met de cliënt.

Hoorcollege 6

Door de opkomst van de sociale psychologie gingen mensen zich meer bezig houden met misleiding. Het psychologisch experiment bestaat uit drie rollen: experimentator, materiaal (chemische stoffen, proefpersoon) en meetinstrumenten. Hoe onafhankelijker deze rollen van elkaar zijn, hoe objectiever het onderzoek is. Rosenzweig zei dat het lastige van psychologie is dat deze rollen vaak moeilijk uit elkaar te halen zijn. De proefpersoon is namelijk bij sommige soorten van onderzoek, zoals introspectie, zelf ook een soort onderzoeker. Ook gedragen proefpersonen zich naar waar ze denken dat het experiment over zal gaan. Sommige proefpersonen passen zich aan als ‘goede proefpersoon’, en gedragen zich naar wat ze denken dat de onderzoeker wil meten. Dit maakt de proefpersoon ook een soort onderzoeker, omdat de proefpersoon reflecteert op het onderzoek. Dit wordt de ‘opinion-error’ genoemd. Een tweede probleem is dat een onderzoeker ook nooit alleen maar onderzoeker is. De onderzoeker is namelijk ook een soort stimulus. Want de proefpersonen reageren niet alleen op de stimulus, maar ook op de situatie (inclusief de onderzoeker). Deze opinion-error kan voorkomen worden door onderzoek zo op te zetten dat de proefpersonen niet door hebben dat ze zich in een experiment bevinden. Als dit al te realiseren zou zijn, zou dit ethisch niet acceptabel zijn. Dit mag in ieder geval niet als de situatie manipulaties bevat. Maar wanneer mensen alleen geobserveerd worden mag het wel. De situatie dat er onderzoek gedaan wordt zonder dat proefpersonen het weten komt bijna nooit voor. Wanneer dit niet mogelijk is, is het volgens Rosenzweig slim om te liegen tegen de proefpersonen. Hierbij wordt er een ander onderzoeksdoel/onderwerp uitgelegd dan er daadwerkelijk is. Deze leugen moet wel consistent zijn met het echte doel, anders gaan de proefpersonen hun gedrag op een ongewilde manier veranderen. Een derde optie die Rosenzweig noemt verwerpt hij zelf gelijk: een onderzoeker moet niet vaag zijn over het onderzoeksdoel tegenover de proefpersonen. Omdat de proefpersonen dan gaan speculeren over wat het onderwerp zou zijn. Hierbij verliest de onderzoeker controle over de proefpersonen, wat volgens Rosenzweig erg belangrijk is.

 

Paradox

In sociaalpsychologisch onderzoek zit een paradox. Deze houdt in dat de onderzoeker wil dat de proefpersonen zich zo natuurlijk mogelijk gedragen (dus geen kunstmatig gedrag, dit maakt het onderzoek minder valide) en dus moeten de proefpersonen zich niet als proefpersonen gedragen. Maar de proefpersonen worden wel onderzocht en wanneer de proefpersonen hiervan op de hoogte zijn gaan ze zich onnatuurlijk gedragen. In menselijk gedrag zitten twee levels: een bewust niveau en een onbewuste. De connectie tussen het onbewuste en bewuste niveau verbreken gaat door middel van misleiding. Fun and games periode heet de periode waarin misleiding op kwam. Hele kunstmatige situaties waren er op gericht om te zorgen dat mensen zich zo natuurlijk mogelijk gedroegen (Millgram). De proefleider in het onderzoek deed bijvoorbeeld zelf mee als proefpersoon. Onderzoek naar cognitieve dissonantie van Festinger was hier ook een voorbeeld van. Hier werd een heel toneelstuk opgezet. Ethiek van onderzoek werd in de jaren 60 steeds belangrijker door de opkomst van deze misleidende onderzoeken. Mensen vonden dat proefpersonen ook rechten moesten krijgen, net zoals burgerrechten. Er kwamen in deze periode ook meer experimentele onderzoeken op. Het onderzoek van Millgram riep frustratie op en er kwam steeds meer misleiding. In 1971 besloot de APA hierom dat er een hoofdstuk over onderzoek moest komen, waarin de rechten van de proefpersonen beschreven zouden worden. Voor deze tijd ging de APA alleen over de praktijk en niet over onderzoek. APA wilde de misleiding helemaal afschaffen, maar dan moesten een hoop theorieën opnieuw herschreven worden. Dit liep uit op een compromis: dat misleiding niet gebruikt mag worden, TENZIJ: 1. Het niet anders kan, 2. Onderzoek waardevol genoeg is en 3. Achteraf openheid van zaken wordt gegeven (debriefing). Hierna is misleiding nooit meer echt in de discussie geweest in de sociale psychologie, aan deze criteria wordt misleiding nog steeds gemeten.

 

In de jaren 60 schreef Kelman een stuk over misleiding. Hij merkte op dat misleiding door iedereen zomaar gebruikt werd. Sociale psychologie vond hij een soort spel geworden tussen onderzoekers, om maar ingewikkelde vormen van misleiding te bedenken. Het eerste probleem is dat misleiding het risico heeft om schade op te leveren aan proefpersonen. En, hoe lang zouden de proefpersonen nog zo naïef zijn om in misleiding te trappen, terwijl dit zo vaak gebruikt wordt. Als laatste worden mensen achterdochtig door het herhaaldelijk meemaken van misleiding, hierdoor heeft de onderzoeker minder controle op de proefpersonen. Volgens Kelman zijn er ook alternatieven voor misleidend onderzoek. Bijvoorbeeld het doen van een rollenspel: hierbij weten de proefpersonen waar het onderzoek over gaat maar kan er toch kennis opgedaan worden. Recent beschreven Ortmann & Hertwig (gedragseconomen) de discussie over misleiding in de psychologie. Zij vinden dat het nee- tenzij beleid van de APA in de praktijk meer een ‘ja, mits’ beleid is. Hiermee bedoelen ze dat heel veel misleiding wordt gebruikt, tenzij het onderzoek echt heel erg bond maakt. De kosten-baten afweging (is het onderzoek waardevol?) wordt door psychologen zelf gedaan, is hun tweede argument. Ten derde zeggen ze dat wantrouwige proefpersonen (door het herhaaldelijk misleiden) zich wel degelijk anders gedragen dan gewone proefpersonen. Zij maken zich hier erg druk om omdat hun proefpersonenpool ‘vervuild’ is door proefpersonen die al eerder meegedaan hebben aan psychologisch onderzoek, en nu meedoen aan economisch onderzoek. Cook & Yamagishi zeggen hierop dat misleiding toch nodig is, omdat psychologen geïnteresseerd zijn in de irrationele aspecten van het gedrag. Wanneer deze verteld worden aan proefpersonen gaan proefpersonen hier controle over oefenen (hun gedrag sturen, of juist helpen). Psychologen moeten die bewuste controle juist uitsluiten, zodat ze zich hebben op de onbewuste processen. Gedragseconomen zijn meer in bewuste aspecten van gedrag geïnteresseerd, dus zij zullen misleiding ook niet nodig hebben. Cook & Yamagishi vinden dan ook dat elke discipline zelf mag bepalen wat noodzakelijk is.

 

Fraude

Diederik Stapel was een zeer gewaardeerd persoon in de sociale psychologie. In 2007 kreeg hij zelfs zijn eigen onderzoeksinstituut. Al zijn experimenten lukte. In 2011 werd hij betrapt op fraude, waarop hij bekende binnen een week. Dit komt niet vaak voor, de meeste fraudeurs blijven jarenlang ontkennen. Commissie Levelt werd opgezet om zijn 150 artikelen door te pluizen en op zoek te gaan naar fraude. Stapel hielp hier zelf bij. De conclusie bleek dat hij in 55 van de 150 artikelen had gefraudeerd. Volgens Stapel begon zijn frauderen in 2004 en dit kwam vanwege de druk die hij voelde om te publiceren. Wanneer een onderzoeker te lang niets gepubliceerd heeft mogen onderzoekers geen onderzoek meer doen of krijgen geen geld meer om onderzoek te doen. Stapel was bij een onderzoek erg overtuigd dat z’n onderzoek net niet liet zien wat hij wilde laten zien, maar hij was er zeker van dat er een ander resultaat had uit moeten komen. Hierom past hij een aantal cijfertjes net een beetje aan (data vervalsen/falsification). Hier blijft hij mee door gaan om mooie resultaten te bereiken. Later verzon hij ook scholen waar hij ‘onderzoek had gedaan’. Thuis werkte hij deze zelfverzonnen data uit (data verzinnen/fabrication). In 2011 waren er een aantal onderzoekers die allerlei anomalieën aantroffen in het onderzoek van Stapel, waarmee ze een dossier begonnen en naar de leidinggevende van Stapel zijn gestapt. Commissie Levelt heeft als sinds 1996 aanwijzingen tot fraude gevonden.

 

Commissie Levelt heeft ook conclusies getrokken over de sociale psychologie in het algemeen: er is een gebrek aan zelfkritiek in de sociale psychologie. Vooral de statistische afwijkingen in de artikelen hadden op moeten vallen, maar mensen hebben blijkbaar niet goed gekeken.

 

Het is moeilijk om te bepalen hoeveel er gefraudeerd wordt in de wetenschap. Manieren om dit te bekijken zijn: onderzoekers een vragenlijst geven met garantie van anonimiteit. Met vragen als: heb je zelf wel eens data vervalst of verzonnen? Daniele Fanelli heeft al dit soort onderzoeken meegenomen in een meta-analyse. Hieruit bleek dat gemiddeld 1,5 a 2% van de respondenten wel eens data heeft vervalst. Bij de vragen of respondenten anderen kennen die data vervalst/verzonnen hebben zegt men 14%. Het aantal door de onderzoeker zelf bekende fraudezaken wordt steeds kleiner, maar het percentage of mensen anderen kennen die frauderen blijft gelijk. Dus onderzoekers geven het waarschijnlijk minder snel toe wanneer ze zelf hebben gefraudeerd.

 

Maar waarom is deze fraude niet eerder ontdekt? Wolfgang Stroebe was het niet eens met de conclusie van Commissie Levelt. Hij vond namelijk dat we dit echt niet hadden kunnen weten. Het idee dat wetenschap zichzelf corrigeert is een mythe. Bijvoorbeeld peer review, wanneer een artikel naar een tijdschrift gestuurd wordt, stuurt de redacteur dit artikel eerst naar een aantal collega’s. Deze gaan de artikelen beoordelen. Dit gebeurt vaak dubbelblind. Maar peer reviewers hebben geen tijd en geen gegevens om de fraude te detecteren. De data set wordt namelijk niet meegestuurd naar peer reviewers. Anderen hebben gezegd dat replicatieonderzoek de oplossing is. Maar, dat iets te repliceren is betekent niet dat het ook waar is. Een toevallig goede voorspelling zou namelijk ook gerepliciteerd kunnen worden. Stroebe doet een voorstel om fraude te voorkomen: transparantie. Data hoefde namelijk tot nu toe nooit gedeeld te worden. Tegenwoordig zijn er mensen bezig om dit soort data publiek te maken. Ook wanneer fraude erkent wordt, zal het eerder opvallen.

 

Dubieuze praktijken

Volgens Nosek et al. komt er steeds meer druk op onderzoekers om te blijven produceren. Nu zegt Nosek dat fraude niet zo vaak voorkomt, maar onderzoekers gaan hun resultaten op andere manier opschonen, dubieuze praktijken genoemd. Ten eerste kunnen onderzoekers de resultaten zo aanpassen dat het resultaat van net niet significant naar wel significant gaat. Ten tweede kunnen de onderzoekers outliers uit het onderzoek te verwijderen. Maar de regel wanneer je als onderzoeker outliers gaat verwijderen moet vooraf bedacht worden. Het mag dus niet zo zijn dat er na de analyse nog outliers verwijderd worden, om de resultaten wel significant te maken. Ten derde kunnen onderzoekers steeds meer proefpersonen toevoegen om het effect significant te maken (bijv. steeds 10 proefpersonen toevoegen) in plaats van het van te voren aantal behouden. Ten vierde kunnen onderzoekers condities, groepen, variabelen weglaten die niet significant waren. Als laatste passen onderzoekers soms achteraf hun hypothese aan. Dit mag wel, maar dan bij exploratief onderzoek en niet bij toetsend onderzoek. Daarnaast kan een onderzoek wat niet goed werkte ook niet worden gepubliceerd (file-drawer effect). In de psychologie wordt 90% positieve resultaten in de tijdschriften gepubliceerd. Dit is natuurlijk niet een reëel beeld. Maar tijdschriften en consumenten vinden negatieve resultaten niet interessant. Het probleem hiervan is dat mensen opnieuw onderzoek gaan doen naar zaken waar eigenlijk al bekend van is dat het niet werkt. Ook ontstaan er zombiresultaten, resultaten die eigenlijk nooit gecorrigeerd worden vanwege de publicatie bias.

 

De oplossing van Nosek is dat data publiek gemaakt moet worden. Hierbij moeten open methoden en materialen gebruikt worden, waardoor ze door iedereen gereplicieerd kunnen worden. Ook moet er pre-registratie plaats vinden. Hiermee wordt bedoeld dat hypotheses voorafgaand aan het onderzoek geregistreerd moeten worden.

 

Hoorcollege 7

Plagiaat

In de wetenschap wordt een stukje tekst altijd geclaimd door een auteur. Deze auteur staat dan vermeld bij het geschreven stuk. Wanneer een stukje tekst onder iemand anders zijn naam in plaats van de naam van de auteur (zonder dit te vermelden) geplaatst wordt, wordt het plagiaat genoemd. Plagiaat is een veel voorkomend fenomeen. Een voorbeeld hiervan is Zu Guttenberg. In zijn stuk werd in 94% sporen van plagiaat gevonden. Zelfs Vladimir Putin en George Bush hebben plagiaat gepleegd. In de Nederlandse psychologie was er René Diekstra, de grote ster van psychologie een aantal jaar geleden, die veel geplagieerd bleek te hebben. De term plagiaat wordt niet altijd gebruikt ondanks dat er wel plagiaat gepleegd is. Unattributed overlap, significant originality issue, unintended excessive reuse of the text en significant similarity with previously published work zijn termen die vaak gebruikt worden om plagiaat te beschrijven. Juridisch gezien is de term plagiaat namelijk met een bewuste intentie. Deze intentie is lastig te bewijzen, daarom mag de term plagiaat niet zomaar gebruikt worden. Vaak wordt onzorgvuldigheid als excuus gebruikt door onderzoekers om plagiaat te plegen. Door zorgvuldiger te werken kan onbedoeld plagiaat dus worden voorkomen.

Het belangrijkste is dat er bronvermeldingen aan een tekst toegevoegd worden. Wanneer een citaat wordt genoemd worden de bronnen wel vermeld. Citeren wordt juist als iets goeds gezien omdat we hiermee laten zien dat we de wetenschap samen doen, samenwerken om tot een doel te komen. Het tweede voordeel van citeren is dat mensen hiermee verantwoordelijkheid delen door hun mening te laten ondersteunen met de woorden van een ander (belangrijk) persoon. Als auteur wil men graag erkenning en verantwoordelijkheid krijgen. Wanneer een auteur geciteerd wordt, wordt deze dus eigenlijk gecrediteerd en verantwoordelijkheid gegeven. Door plagiaat te plegen geef je iemand geen krediet en verantwoordelijkheid. Wanneer een onderzoeker extra krediet krijgt zal deze meer onderzoeksgeld en banen krijgen en kan deze blijven onderzoeken. Hierdoor ontstaan weer nieuwe data en nieuwe artikelen, waar weer verder mee gewerkt kan worden.

 

Nuancering: is plagiaat echt zo erg?

Soms worden leiders van onderzoeksgroepen ook aangewezen als auteur van een tekst, terwijl zij zelf helemaal niet mee hebben geholpen aan het onderzoek. Dit is een voorbeeld van dat er tegenwoordig veel meer soorten auteurschap ontstaan. Het wordt erg belangrijk gevonden dat onderzoeken origineel zijn. Maar hoe een onderzoek geschreven moet worden staat tot in hele kleine details vermeld in de APA. Hieraan is te zien dat onderzoek eigenlijk helemaal niet altijd origineel kan zijn, want het moet dus voldoen aan deze regels. Maar wat is nu precies een origineel idee? Huxley beschreef een fenomeen over moraliteit en dacht hiermee origineel te zijn, maar wat hij beschreef bleek eigenlijk common knowledge te zijn. Wanneer deze tekst geparafraseerd wordt, moet dit dan nog verwezen worden naar Huxley? Het is belangrijk om onderscheid te maken tussen wat als algemeen bekend verondersteld mag worden en iets waar iemand krediet voor gegeven moet worden. Cryptomnesie ontstaat wanneer wel een bepaalde tekst wordt onthouden, maar niet de auteur/bron waar de tekst vandaan komt. Dit kan onzorgvuldheid zijn en komt vaak erg onbedoeld voor.

 

Stanley Fish

Stanley Fish vond dat filosofische debatten over plagiaat niet belangrijk zijn. Plagiaat is volgens hem gewoon het schenden van regels. In de wetenschap veronderstellen we dat bepaalde ideeën voor originaliteit moeten staan, wanneer dit niet het geval is is het gewoon een overtreding van de regels, geen morele overtreding.

 

Reflecties

De vraag is of psychologie zelf ook ethische implicaties heeft. Dick Swaab, Richard Dawkins en Victor Lamme zeggen alle drie dat vrije wil niet bestaat. Hierop hebben zij conclusies getrokken uit wetenschap met betrekking tot ethische kwesties. Maar wetenschap en ethiek zijn gescheiden werelden. In de wetenschap mogen geen waarden zitten want het moeten waardevrije onderzoeken zijn, terwijl deze waarden juist zo belangrijk zijn voor ethiek. Daarnaast is de natuur onethisch, het is namelijk een mechaniek waaruit geen waarden of doelen afgeleid kunnen worden. Maar tegelijkertijd zijn er ook raakvlakken tussen wetenschap en ethiek: wat is het geval en wat zou het geval horen te zijn?

 

Richard Dawkins

Richard Dawkins meent dat mensen mechanieken zijn, die niet bestraft moeten worden maar gerepareerd. Vrije wil is een fundamenteel principe in het recht. Er wordt bijvoorbeeld beslist of mensen ter beschikking van de regering gesteld worden of niet. In principe wordt iedereen behandeld alsof we een vrije wil hebben, dus vanuit onszelf gehandeld hebben. Vrije wil kan gezien worden als een kapitein op de brug, zijn schip staat voor zijn lichaam en de brug is het bewustzijn. De kapitein bestuurt het schip (het lichaam). Van de buitenwereld komt allerlei informatie binnen (bijv. het weer). Het is duidelijk dat dit idee niet reëel is. De kapitein op het schip zou bijvoorbeeld weer een kapitein in zich moeten hebben om zichzelf te besturen, en die moet ook weer een bestuurder hebben (oneindige regressie). Een andere reden dat dit niet kan werken is dat die kapitein vrij kan werken, zonder causaal bepaald te worden door de omgeving, ondanks dat de omgeving op ons werkt. Maar gedragswetenschappers laten steeds gedetailleerder zien hoe gedrag ontstaat.

 

Libet’s experiment

Een belangrijk onderzoek naar vrije wil is Libet’s experiment. Proefpersonen kregen hierbij een EEG apparaat op. Om de pols werd een bandje gedaan om spierspanning te meten. Voor de proefpersoon stond een klok met 1 wijzer. De opdracht voor de proefpersoon was om in een periode van 5 minuten (zelf beslissen wanneer) zijn/haar pols te gaan bewegen. Op het moment dat de proefpersoon bewust was van de wil om de pols te bewegen, moest hij/zij op de klok kijken en achteraf aan de onderzoeker vertellen wanneer dit was. Er moest dus iets uit vrije wil gebeuren. Uit dit onderzoek blijkt dat ongeveer 400 miliseconden voor de beslissing uit vrije wil is er op de EEG een ‘bereidheidspotentiaal’ te zien. Deze bereidheidspotentiaal is altijd te zien als mensen iets gaan doen. Deze komt dus ongeveer een halve seconde voordat mensen zich bewust worden dat ze iets willen gaan doen. Zo lijkt het dat de vrije wil pas komt nadat de actie al in gang is gezet door het brein. De conclusie is dus dat het brein de beslissing maakt om actie uit te voeren, en het bewustzijn van deze beslissing komt hier achteraan. Er wordt dus onbewust beslist. Dick Swaab gebruikte dit ook als doorslaggevend argument dat vrije wil niet bestaat. Over het onderzoek van Libet is heel veel gediscussieerd.

Roy Baumeister vindt het onderzoek van Libet niet overtuigend. Hij gebruikt als argument dat kleine handelingen als polsbewegingen best automatisch zouden kunnen voorkomen. Vrije wil zit volgens hem in het beslissen tot bepaald gedrag, niet het aansturen. Libet’s onderzoek gaat dus volgens hem niet over vrije wil. Baumeister heeft een evolutionair verhaal over vrije wil. Vrije wil bestaat uit een eerder evolutionaire eigenschap: zelfbeheersing. Het is namelijk belangrijk dat we vrienden moeten blijven met de groep, en hiervoor moeten we af kunnen zien van korte termijn beloningen om lange termijn beloningen te krijgen. Later werden mensen culturele dieren en konden ze taal uitwisselen. Met deze taal konden ze regels opstellen hoe de groepsleden zich moesten gedragen. Evolutionair is dus het afzien van directe behoeftebevrediging en het maken van rationele keuze (hoe zouden we in elke situatie het beste kunnen handelen, ten opzichte van de regels van de groep) ontstaan. Hieraan voegde hij toe dat deze twee vermogens beide energie kosten (letterlijk). Wanneer het energieniveau laag is zijn we minder in staat om onszelf te beheersen en onze gedragsopties te overwegen. Dit heeft hij laten zien door te kijken naar de bloedsuikerspiegel. Het bleek dat wanneer deze laag was, mensen zich minder goed konden beheersen. Ook waren mensen dan minder in staat om opties rationeel te overdenken. Wilskracht en rationaliteit zijn volgens Baumeister dus limited resources, gekoppeld aan glucoseniveau. Zo lijkt het dus alsof de vrije wil bestaat uit glucose. Een tegen argument is dat andere onderzoekers niet in staat zijn geweest om dit onderzoek zo te repliceren.

 

Het beest in ons

Plato zei dat driften in bedwang gehouden moeten worden om ons moreel goed te gedragen. Volgens Plato en anderen (bijvoorbeeld Huxley) zijn wij instaat om ‘het beest in ons’ te beheersen. Frans de Waal is een apenonderzoeker uit Nederland. Zijn eerste werk was een onderzoek naar de apenkolonie in Arnhem, waaruit bleek dat chimpansees niet alleen in staat waren tot extreem agressief gedrag maar ook tot empathie. Hieruit heeft de Waal als conclusie getrokken dat wij dus wel een ‘beest’ in ons hebben, maar dat dit beest niet alleen maar slecht is ook goede dierlijke neigingen heeft. Empathie ziet de Waal als het vermogen wat hét fundament is van ons morele gedrag. Empathie is dus een geëvolueerde adaptatie. Moreel gedrag gaat dus niet tegen de natuur in (zoals vaak gezegd wordt), maar is ook geadapteerd gedrag. Ook zegt de Waal dat onze adaptieve kennis gebruikt zou moeten worden in politieke beslissingen. Ons empatische vermogen was vroeger ongeveer bruikbaar voor 150 mensen binnen een gemeenschap. In moderne steden zijn de gemeenschappen te groot om met iedereen mee te voelen want het empatische vermogen is niet aangepast aan zo’n grote groepsgrootte. Volgens de Waal moeten we manieren gaan vinden om iedereen als een lid te zien van de groep waar we bij horen, zodat we meer rekening met anderen gaan houden. En dus meer gebruik maken van onze empatische vermogens.

 

Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 7 WorldSupporter tools
Follow the author: MarijeT
Promotions
oneworld magazine
verzekering studeren in het buitenland

Ga jij binnenkort studeren in het buitenland?
Regel je zorg- en reisverzekering via JoHo!

Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
[totalcount] 1
Content categories
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.