Oefententamen 2004: Romeins Recht - Universiteit Leiden


Oefenvragen met antwoordindicaties Romeins Recht - UL

Meerkeuzevragen

Vraag 1

Welke der onderstaande Romeinse rechtsbronnen werd niet tot het ius civile, maar tot het ius honorarium (of ius praetorium) gerekend?

  1. De gewoonte (mos of consuetudo).
  2. De ‘plebiscieten’ (plebiscita).
  3. De algemeen verbindende besluiten van de senaat (senatus consulta).
  4. Het ‘Eeuwig Edict’ (edictum perpetuum).

Vraag 2

Welke der onderstaande bekende Romeinse juristen behoorde tijdens zijn leven NIET tot de gezaghebbende rechtsgeleerden, aan wier geschriften een soort wettelijke status was verbonden?

  1. Papinianus
  2. Ulpianus
  3. Paulus
  4. Gaius

Vraag 3

De Codex Theodosianus behelst de codificatie van (een gedeelte van)

  1. het ‘juristenrecht’
  2. het gewoonterecht
  3. het ‘keizerrecht’
  4. het ius praetorium (of honorarium)

Vraag 4

De Romeinse keizers begaven zich bij hun rechtscheppende activiteiten ook op een terrein dat behoorde tot de competentie van de Romeinse rechtsgeleerden. Het gaat daarbij om hun

  1. edicta
  2. mandata
  3. decreta
  4. rescripta

Vraag 5

De tegenstelling tussen het ‘juristenrecht’ (Ius) en het ‘keizerrecht’ (Leges) beheerste niet langer de rechtsbronnenleer van het Romeinse recht na de uitvaardiging van

  1. de ‘Citeerwet’ (lex citandi) van 426
  2. de Codex Theodosianus (435)
  3. de eerste Codex Justinianus (529)
  4. de Digesten (533)

Vraag 6

Welk der onderstaande onderdelen van Justinianus codificatie geldt als één keizerlijke constitutie, zodat de interpretatie-regel lex posteriour derogat legi priori (de latere wet gaat voor de oudere) daarin niet kan worden toegepast?

  1. De eerste Codex Justinianus
  2. De Novellen
  3. De Digesten
  4. De ‘tweede herziene lezing van de Codex Justinianus

Vraag 7

In de hiërarchie van middeleeuwse rechtsbronnen nam het gemene Romeinse recht

  1. de eerste plaats in; pas daarna waren het locale gewoonterecht en de locale wetgeving van toepassing
  2. de tweede plaats in, na de locale wetgeving; pas daarna was het locale gewoonterecht en de locale wetgeving van toepassing
  3. de derde plaats in, na de locale wetgeving en het locale gewoonterecht
  4. geen plaats in, omdat het, behalve in Italië, nimmer bij wet was ingevoerd.

Vraag 8

Welke der onderstaande rechtsbronnen in materiële zin behoorde NIET tot het Romeinse stelsel van rechtsbronnen in formele zin uit de tijd voor de Justiniaanse codificatie?

  1. De edicta magistratuum (‘edicten’ der magistraten)
  2. De constitutiones principum (besluiten van de keizers)
  3. De sentiae iudicium (uitspraken van rechters)
  4. De responsa prudentium (opvattingen van rechtsgeleerden)

Vraag 9

De ‘plebiscieten’(plebiscita) verschillen na de lex Hortensia (286 v. Chr.) van een lex doordat

  1. plebiscita slechts algemeen verbindend zijn na bekrachtiging door de senaat
  2. de patriciërs niet zijn gebonden aan een ‘plebisciet’, wel aan een lex
  3. de patriciërs niet deelnemen aan de stemming over een ‘plebisciet’
  4. de plebejers niet deelnemen aan de stemming over een lex

Vraag 10

Onder het ‘Authenticum’ verstaat men

  1. een wet van keizer Justinianus waarin aan Digesten en Codex kracht van wet werd toegekend in het recentelijk heroverde Italië
  2. de Griekse vertaling van de Justiniaanse Digesten
  3. een wet van keizer Justinianus waarin het studieprogramma voor de juridische faculteiten van Constantinopel en Beirout werd vastgelegd
  4. een Latijnse vertaling van een groot aantal oorspronkelijk in het Grieks uitgevaardigde wetten van keizer Justinianus en een aantal van zijn onmiddellijke opvolgers

Vraag 11

Arrius is een rder in Alphen aan de Rijn (colonia Albaniana) die een groot binnenschip heeft verkocht aan de reder Baldus uit Voorburg (Forum Hadriani). Tussen de beide ondernemers is overeengekomen dat Baldus de helft van de prijs van het schip vooruit zal betalen, maar dat Arrius dan ook tot de aflevering ervan alle risico zal dragen. Voor de aflevering van het schip trekt een horde muitende Friezen de tijdelijk onbeschermde Rijn over en plundert Alphen. Het door Baldus gekochte schip wordt door hen meegenomen, maar zinkt in de buurt van Utrecht (Traiectum). Arrius heeft tijdelijk zijn toevlucht gezocht in de sterke vesting Voorburg, waar hij Baldus aanspreekt tot betaling van de overgebleven helft van de koopprijs van het schip. Deze weigert daaraan te voldoen. Arrius laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

  1. hij met vrucht een vordering tegen Baldus kan instellen uit verkoop, omdat bij de overeenkomst van koop en verkoop het risico wordt gedragen door de koper, zodat zijn verplichting tot het betalen van de koopprijs in stand blijft, zelfs wanneer de verkoper zich met vrucht op overmacht kan beroepen (res perit emptori)
  2. hij niet met vrucht en een vordering uit verkoop kan instellen tegen Baldus, omdat hij zelf niet meer aan zijn verplichtingen kan voldoen
  3. hij met vrucht een vordering kan instellen tegen Baldus, omdat verplichtingen tot het betalen van een geldsom krachtens de regel ‘soortzaken gaan nooit teniet’ (genus non perit) nimmer teniet kunnen gaan door overmacht
  4. hij niet met vrucht een vordering uit verkoop kan instellen tegen Baldus, omdat hij, in afwijking van de normale regels bij koop en verkoop (res perit emptori), alle risico voor het schip op zich heeft genomen.

Vraag 12

Aldus is eigenaar van een tulpenbollenkwekerij (cultura bulborum). Buiten één van de schuren op het terrein van de kwekerij staat een aantal kistjes met bollen (res nec mancipi). Een tweetal daarvan wordt gestolen door Bulbus, één van Aldus’s werknemers, die ze verkoopt en levert aan de nietsvermoedende tuinier Cinna. Deze plant de bollen in zijn tuin. Een half jaar later merkt Aldus dat Bulbus hem op regelmatige basis besteelt en kistjes met bollen aan derden levert. Hij komt er ook achter dat een tweetal kistjes is terechtgekomen bij Cinna. Omdat van Bulbus niet veel te halen valt, besluit Aldus op te treden tegen diens afnemers, waaronder Cinna. Welke der onderstaande stellingen is juist?

  1. Aldus kan de tulpen van Cinna revindiceren; bovendien kan hij de delictsactie op grond van diefstal (actio furti) tegen Cinna instellen
  2. Aldus kan de tulpen van Cinna revindiceren. De delictsactie op grond van diefstal (actio furti) kan hij niet tegen Cinna instellen en wel omdat Cinna hem niet bestolen heeft
  3. Aldus kan de tulpen van Cinna niet revindiceren; wel kan hij de delictsactie op grond van diefstal (actio furti) tegen Cinna instellen
  4. Aldus kan de tulpen van Cinna niet revindiceren. De delictsactie op grond van diefstal (actio furti) kan hij niet tegen Cinna instellen en wel omdat Cinna hem niet bestolen heeft.

Vraag 13

De boeren Anicius en Bato hebben een maatschap (sociatas) gesloten ter exploitatie van hun beider wijngaarden. Anicius zal zich bezighouden met de productie en Bato met de verkoop. Ten behoeve van het transport van de wijn, sluit Bato een vervoersovereenkomst met de expediteur Cotta, die zich verplicht tegen betaling van een jaarlijkse som van 10.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) vaten wijn van de landgoederen van Anicius en Bato te halen en naar de klanten in Rome te transporteren. De zaken gaan enige jaren goed, maar na drie jaar komt Bato te overlijden. Hij heeft twee zoons Didius en Egidius, die zijn nalatenschap vol en zuiver, ieder voor gelijke delen, hebben aanvaard. Op het moment van de dood van Bato heeft Cotta nog een vordering van 20.000 HS ter zaken van door hem verricht vervoer. Hij kan die vordering

  1. voor het volledige bedrag verhalen op Anicius, Didius Egidius en wel omdat het sluiten van een maatschap leidt tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de maten voor alle schulden van de maatschap
  2. voor het volledige bedrag verhalen op Anicius, maar slechts voor ieder de helft van dat bedrag op Didius en Egedius en wel omdat het sluiten van een maatschap weiswaar leidt tot de hoofdelijke aansprakelijkheid van de maten voor alle schulden van de maatschap, maar die schuld wordt verdeeld over de erfgenamen naar evenredigheid van hun erfportie
  3. voor ieder de helft van dat bedrag verhalen op Didius en Egidius en wel omdat slechts de handelende maat aansprakelijk is voor de schulden die hij ten behoeve van de maatschap heeft gemaakt
  4. voor het volle bedrag kan verhalen op Anicius en wel omdat een maatschap wordt ontboden door de dood van één der maten, zodat Didius en Egidius niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de schulden die in het kader van de maatschap zijn gemaakt.

Vraag 14

Welke der onderstaande wijzen van eigendomsverkrijging kan niet worden opgevat als een originaire wijze van eigendomsverkrijging?

  1. Natrekking (accessio)
  2. Vermenging (commixtio)
  3. Aanslibbing (alluvio)
  4. Toescheiding (adiudicatio)

Vraag 15

Welk der onderstaande Romeinse consensuele contracten dient te worden opgevat als een zogeheten ‘onvolmaakt’ wederkerige overeenkomst?

  1. Koop en verkoop (emptio venditio)
  2. Maatschap (sociatas)
  3. Huur en verhuur (locatio conductio)
  4. Lastgeving (mandatum)

Vraag 16

De zogeheten litis contestatio speelde een beslissende rol in iedere Romeinse civiele procedure ten tijde van het geding ‘op basis van een procesakte’ (per formulam). Eén van haar rechtsgevolgen bestond uit

  1. het tenietgaan van alle in het geding gebrachte subjectieve rechten van de eiser en de vervanging daarvan door een voorwaardelijk persoonlijk recht uit een toekomstig vonnis (iudicatum) van de rechter
  2. het gegeven dat een gedaagde die het onrechte tot zover in een procedure had laten komen door de rechter werd veroordeeld tot het dubbele van het procesbelang
  3. het tenietgaan van alle in het geding gebrachte persoonlijke rechten en zakelijke aanspraken van de eiser en de vervanging daarvan door een voorwaardelijk persoonlijk recht uit een toekomstig vonnis (iudicatum) van de rechter
  4. het gegeven dat het vermogen van een gedaagde die het ten onrecht tot zover in een procedure had laten komen in beslag werd genomen en in het openbaar ten behoeven van de eiser en andere schuldeisers werd verkocht.

Vraag 17

Het opnemen van een zogeheten ‘exceptie van arglist’ (exceptio doli) in de ‘akte’ (formula) van een civiele procedure was noodzakelijk als er werd geprocedeerd op basis van een

  1. stipulatie (stipulatio)
  2. overeenkomst van koop en verkoop (emptio venditio)
  3. maatschap (societas)
  4. overeenkomst van huur en verhuur (locatio conductio)

Vraag 18

Aulus heeft een vordering van 20.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) uit een geldlening (mutuum) op Blasius. Voordat de vordering kan worden geïnd, komt Blasius te overlijden. Hij heeft twee erfgenamen benoemd: Cassius en Drusus, ieder voor gelijke delen. Cassius en Drusus hebben de nalatenschap vol en zuiver aanvaard en zijn bij de verdeling van de boedel van Blasius overeengekomen dat Casius de gehele schuld van Blasius aan Aulus zal voldoen, in ruil waarvoor Drusus geen aanspraken zal laten gelden op het tot de boedel behorende woonhuis. Enige tijd nadien wordt Drusus aangesproken door Aulus tot betaling van 20.000 HS. Deze laat zich omtrent zijn rechtspositie adviseren door een rechtsgeleerde (iurus peritus), die hem te verstaan geeft dat

  1. hij zich met vrucht kan verweren tegen de vordering van Aulus, door zich te beroepen op de door hem met Cassius overeengekomen regeling over de betaling van de schuld van Blasius.
  2. hij zich niet kan verweren tegen de vordering van Aulus, omdat de erfgenamen van een schuldenaar hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schulden van de erflater
  3. hij zich met vrucht kan verweren tegen de vordering van Aulus, omdat hij slechts kan worden aangesproken tot betaling van 10.000 HS.
  4. hij zich niet kan verweren tegen de vordering van Aulus, omdat overeenkomsten tussen mede-erfgenamen omtrent de betaling van de schulden van de erflater geen werking hebben tegen derde.

Vraag 19

Appius levert uit hoofde van een overeenkomst van koop en verkoop (emptio venditio), een hoeveelheid ijzer (res nec mancipi) af aan de wapenfabrikant Brutus. Er is overeengekomen dat de eigendom van de verkochte voorraad ijzer zal blijven berusten bij de verkoper totdat Brutus de verschuldigde koopprijs in zijn geheel zal hebben betaald. De voorraad ijzer wordt door Brutus verwerkt in een groot aantal helmen en harnassen die hij aan het Romeinse leger heeft verkoht. Nog voordat de uitrustingen aan het leger kunnen worden geleverd, geraakt Brutus in financiële moeilijkheden en wordt failliet verklaard. De aan Appius verschuldigde koopprijs is nog steeds niet betaald en de verkoper laat daarom beslag leggen op de voorraad helmen en harnassen. Ook het Romeinse leger laat beslag leggen op de uitrustingen, omdat zij deze reeds heeft betaald. De curator in het faillissement van Brutus laat zich adviseren door een rechtsgeleerde (iuris peritus) die hem te verstaan geeft dat

  1. hij zich met vrucht kan verzetten tegen het beslag dat door Appius is gelegd, omdat de uitrustingen zijn gemaakt van het ijzer waarvan Appius eigenaar was
  2. hij zich met vrucht kan verzetten tegen het beslag dat door Appius is gelegd, omdat Brutus door levering krachtens een geldige titel eigenaar is geworden van het ijzer.
  3. hij zich niet met vrucht kan verzetten tegen het beslag dat door het leger is gelegd, omdat de uitrustingen door betaling van de koopprijs eigendom van de koper zijn geworden
  4. hij zich met vrucht kan verzetten tegen beide beslagen, omdat Brutus door zaaksvorming eigenaar is geworden van de uitrustingen en het leger slechts een persoonlijke vordering uit koop en verkoop in het faillissement gelden kan maken.

Vraag 20

De landbouwer Atilius heeft grootste : hij wil een fabriek voor de grootschalig productie van olijfolie bouwen. Hij neemt daartoe schriftelijk contact op met de bankier Baebius met het verzoek of deze hem krediet wil verschaffen, natuurlijk onder aanbieding van zijn landbouwgrond en olijfboomgaarden als onderpand. Baebius schrijft terug dat hij bereid is om hem onder die voorwaarde (zekerheidsstelling) een krediet van 500.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) te verstrekken. Atillius neemt daarop contact op met de bouwondernemer Canisius, die zich bereid verklaart de fabriek te bouwen voor een bedrag van 350.000 HS. Als de fabriek is afgebouwd en Canisius betaald moet worden, stelt Atilius een door hem ondertekende brief ter hand aan Canisius waarin Baebius opdracht wordt gegeven om uit het door deze aan Atilius toegezegde krediet een bedrag van 350.000 HS uit te keren aan Canisius. Wanneer Canisius zich, uitgerust met dit schrijven, bij Baebius vervoegt, beweert deze nimmer een overeenkomst van geldlening (mutuum) met Atilius te hebben gesloten. Welke der onderstaande stellingen is juist?

  1. De overeenkomst van geldlening (mutuum) is tot stand gekomen op het tijdstip waarop de uit de correspondentie volgende daartoe strekkende wilsovereenstemming tussen Atilius en Baebius bestond
  2. Er is tussen Atilius en Baebius geen geldige overeenkomst tot stand gekomen, omdat in dit geval slechts door middel van een ‘stipulatie’ (stipulatio) een geldige voorovereenkomst had kunnen worden gesloten. Die kan echter slechts mondeling en niet schriftelijk worden aangegaan.
  3. De overeenkomst van geldlening (mutuum) is weliswaar niet tot stand gekomen, maar de daartoe strekkende voorovereenkomst is geldig tot stand gekomen op het tijdstip waarop de uit de correspondentie volgende daartoe strekkende wilsovereenstemming tussen Atilius en Baebius bestond.
  4. Er is weliswaar tussen Atilius en Baebius geen geldige overeenkomst tot stand gekomen, maar Baebius is aansprakelijk jegens Atilius voor het aan deze toegezegde bedrag, omdat hij zich gedraagt in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is wanneer hij zijn toezegging niet nakomt.

Vraag 21

Ausonius is bezig om door verkrijgende verjaring eigenaar te worden van een kostbaar boek dat eigendom is van Burrus. Op 1 januari van het jaar 350 geeft hij het boek te leen aan Catullus; op dat tijdstip behoeft hij nog slechts een maand te verjaren alvorens zich de eigenaar van het boek te mogen noemen. Nog diezelfde dag verkoopt en levert Catullus het boek (een res nec mancipi) aan Damianus die denkt dat Catullus de eigenaar ervan is. Een half jaar later laat Damianus het door hem gekochte boek zien aan zijn goede vriend Burrus, die onmiddellijk het boek herkent dat ooit uit het bezit van zijn familie is geraakt. Hij eist daarop het boek terug. De vriendschap tussen beide heren is teneinde en het komt tot een procedure tussen Burrus en Damianus. Een en ander komt ter ore van Ausonius, die betoogt dat niet Burrus, maar hij eigenaar is van het boek. Welke der onderstaande stellingen is juist?

  1. Ausonius is door middel van verkrijgende verjaring eigenaar geworden van het boek: de levering door Catullus aan Damianus staat daaraan niet in de weg, omdat Catullus een houder is die geen bezit kan verschaffen, zodat Ausonius bezitter is gebleven.
  2. Damianus is eigenaar van het boek, omdat het een roerende zaak betreft die eigendom wordt van iedere bezitter te goede trouw, mits die krachtens een geldige titel om baat heeft verkregen.
  3. Burrus is eigenaar van het boek, omdat het verjaringsbezit ban Ausonius is gestuit ten gevolge van de levering door Catullus aan Damianus.
  4. Damianus is d.m.v. verkrijgende verjaring eigenaar geworden van het boek, omdat de verjaringstermijn is voltooid doordat hij de tijd gedurenden welke Ausonius heeft bezeten bij de zijne mag optellen.

Vraag 22

Welke der onderstaande zogenoemde ‘wilsgebreken’ werd niet afzonderlijk door het Romeinse recht geregeld?

  1. Dwang
  2. Dwaling
  3. Bedrog
  4. Misbruik van omstandigheden

Vraag 23

Alfius heeft zijn vrachtwagencombinatie (plaustrum, een res nec mancipi) verhuurd aan Boethius. Enige tijd nadat dit contract is gesloten en Boethius met de vrachtwagencombinatie is vertrokken, bereikt Alfius een bod van Croesus die bereid is een bedrag van 1500 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) te betalen voor die combinatie. Alfius gaat op dit bod in en verkoopt de combinatie aan Croesus. Welke der onderstaande stellingen is juist?

  1. Alfius is niet in staat om de vrachtwagencombinatie aan Croesus te leveren omdat Boethius daarvan de bezitter is.
  2. Alfius is niet bevoegd om over de vrachtwagencombinatie te beschikken nadat hij die aan Boethius heeft verhuurd.
  3. De tussen Alfius en Croesus gesloten koopovereenkomst is nietig omdat Alfius niet bevoegd is om over de vrachtwagencombinatie te beschikken nadat hij die aan Boethius heeft verhuurd.
  4. Alfius kan de vrachtwagencombinatie door middel van een contitutum possessorium leveren aan Croesus, die vervolgens afgifte kan vorderen van Boethius zonder dat deze zich jegens Croesus op de huurovereenkomst kan beroepen.

Vraag 24

Alfenus heeft een vordering van 10.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid) op Bartolus. Tot zekerheid van die vordering geeft Bartolus een hypotheek op zijn meubels aan Alfenus. Enige tijd nadien verkoopt en levert Bartolus de huisraad aan Caesar, die niet op de hoogte is van het bestaan van de hypotheek. Een aantal weken later blijkt Bartolus niet in staat zijn schuld te voldoen en wordt hij failliet verklaard. Welke van der onderstaande stellingen over dit geval is juist?

  1. Het zekerheidsrecht van Alfenus is tenietgegaan ten gevolge van de eigendomsoverdracht van de meubels aan Caesar.
  2. Ten gevolge van de eigendomsoverdracht van de meubels aan Caesar is ook de schuld tot zekerheid waarvan de hypotheek is gevestigd op Caesar overgegaan.
  3. Het zekerheidsrecht van Alfenus is tenietgegaan ten gevolge van het feit dat Caesar niet op de hoogte was van het bestaan daarvan.
  4. Caesar is weliswaar niet aansprakelijk voor de schuld van Bartolus maar zijn meubels zijn wel bezwaard met een geldige hypotheek.

Vraag 25

De bekende Romeinse inbreker Bulla stelt een aantal kunstwerken uit de villa van Avienus die hij voor veel geld verkoopt aan de louche handelaar Caeso. Enige tijd nadien wordt Bulla gearresteerd, veroordeeld en korte tijd daarna geëxecuteerd. Zijn enige zoon en erfgenaam Didius is een oppassend militair, hetgeen de reden is waarom het vermogen van Bulla niet wordt geconfisqueerd. Didius aanvaardt de nalatenschap van zijn vader en wordt korte tijd nadien aangesproken door Avienus, die van hem met de zogeheten condictio furtiva afgifte vordert van de door Caeso aan Bulla betaalde geldsom. Welke der onderstaande stellingen is juist?

  1. Didius is niet aansprakelijk jegens Avienus, omdat hij zich niet persoonlijk schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad (delictum) jegens Avienus.
  2. Didius is aansprakelijk jegens Avienus, omdat een opvolger onder algemene titel aansprakelijk is voor alle schulden van de erflater.
  3. Didius is aansprakelijk jegens Avienus, omdat het vermogen van Bulla ten koste van het vermogen van Avienus is verrijkt doordat zich daarin de waarde van diens kunstwerken bevindt.
  4. Didius is niet aansprakelijk jegens Avienus, omdat deze beschikt over de mogelijkheid zijn schilderijen te revindiceren van Caeso.

Vraag 26

Attus heeft zijn huis (res mancipi) te Baiae verkocht aan Brennus voor het bedrag van 500.000 HS (sestertiën, een Romeinse munteenheid), maar nog niet formeel in eigendom overgedragen of geleverd. Brennus bewoont het huis reeds geruime tijd als huurder. Korte tijd nadat de koopovereenkomst is gesloten, biedt Cicero aan Attus het dubbele van het bedrag aan voor het huis, op voorwaarde dat Attus het huis terstond door middel van mancipatio overdraagt. Attus gaat op deze aanbieding in en verkoopt het huis voor dat bedrag aan Cicero; de overdracht door middel van mancipatio vindt onmiddellijk daarop volgend plaats. Welke der onderstaande stellingen is juist?

  1. Cicero is geen eigenaar geworden van het huis, omdat de levering ervan onmogelijk is zonder medewerking van de houder Brennus.
  2. Cicero is eigenaar geworden van het huis, maar Brennus beschikt over de mogelijkheid om zijn rechten uit de koopovereenkomst met Attus in te roepen tegen diens opvolger onder bijzondere titel (Cicero).
  3. Cicero is geen eigenaar geworden van het huis, omdat Attus na het sluiten van de overeenkomst van koop en verkoop met Brennus niet meer bevoegd is om over de eigendom te beschikken.
  4. Cicero is eigenaar geworden van het huis; Brennus beschikt slechts over een vordering uit wanprestatie (actio empti) tegen Attus.

Vraag 27

Aldus heeft op 1 februari van het jaar 120 voor het bedrag van 100.000 HS een huis (een res mancipi) gekocht van Basilius; het huis is hem op 1 maart van datzelfde jaar (door middel van mancipatio) overgedragen, maar de koopprijs heeft hij dan nog steeds niet voldaan. Op 2 maart koopt Aldus een groot aantal meubels en kunstwerken van de handelaar Curtius voor de som van 50.000 HS; de inboedel wordt op 3 maart ten huize van Aldus door Curtius afgeleverd; de koopprijs wordt niet betaald. Enige dagen daarna wordt Aldus door Curtius in gebreke gesteld om de koopprijs voor 1 april van dat jaar te betalen. Op 5 april van dat jaar wordt Aldus door de verkoper Basilius in gebreke gesteld om de koopprijs binnen tien dagen te voldoen. Op 20 april van dat jaar sluit Aldus een lening voor een bedrag van 100.000 HS bij de bankier Daedalus. Aldus gebruikt die lening om zijn schuldeiser Curtius af te lossen. Kort daarop wordt Aldus failliet verklaard. Basilius is van mening dat de betaling aan Curtius ongedaan gemaakt dient te worden en sommeert de curator in het faillissement daartoe de nodige stappen te ondernemen. Deze vraagt om advies aan een vooraanstaande rechtsgeleerde (iuris peritus), die hem te verstaan geeft dat

  1. de rangorde tussen crediteuren wordt bepaald door het tijdstip van het ontstaan van hun vordering, zodat de betaling aan Curtius ongedaan dient te worden gemaakt aangezien Aldus eerst aan Basilius had moeten betalen.
  2. de rangorde tussen crediteuren wordt bepaald door het tijdstip waarop de debiteur in staat van wanprestatie komt te verkeren en aangezien de fatale termijn in de ingebrekestelling van Curius eerder is verstreken dan die van Basilius kan die betaling niet ongedaan worden gemaakt.
  3. de rangorde tussen crediteuren wordt bepaald door het tijdstip van de ingebrekestelling en aangezien Curtius zijn debiteur eerder in gebreke heeft gesteld dan Basilius kan die betaling niet ongedaan worden gemaakt.
  4. er geen rangorde bestaat tussen de crediteuren, zodat de betaling niet ongedaan kan worden gemaakt.

Vraag 28

Onder ‘Publiciaans bezit’ pleegt men te verstaan:

  1. het bezit dat de praetor d.m.v. bezitsinterdicten beschermt
  2. het door de praetor beschermd bezit van de verjaringsbezitter aan wie een goed door een beschikkingsonbevoegde krachtens een nietige titel was geleverd
  3. het door de praetor beschermde bezit van de verjaringsbezitter aan wie een res mancipi door de eigenaar was geleverd door middel van traditio
  4. het door de praetor beschermde bezit van alle verjaringsbezitters

Vraag 29

Ariovistus sluit een overeenkomst met zijn bankier Babrius, waarbij deze zich verplicht na het overlijden van Ariovistus een maandelijkse uitkering van 100 HS te doen aan diens echtgenote Claudia voor de tijd van haar leven. In ruil daarvoor verplicht Ariovistus zich jegens Babrius om gedurende 10 jaren een bedrag van 25 HS per maand aan Babrius te betalen. De afspraak wordt versterkt door een boetebeding (stipulatio poenae) waarin is vastgesteld dat Babrius een bedrag van 5.000 HS verschuldigd zal zijn aan de erfgenaam of erfgenamen van Ariovistus voor iedere maand dat hij in gebreke zal zijn om aan de uitkeringsverplichting aan Claudia te voldoen. Vijftien jaren later komt Ariovistus te overlijden. Hij heeft zijn enige dochter Drusilla ingesteld tot erfgenaam; zijn heeft de nalatenschap vol en zuiver aanvaard. Ook zijn echtgenote Claudia heeft hem overleeft; een jaar na de dood van Ariovistus heeft zij nog steeds geen uitkering van Babrius ontvangen. Welke van der onderstaande stellingen is juist?

  1. De overeenkomst tussen Ariovistus en Babrius is nietig, omdat die een derdenbeding bevat. Drusilla kan daarom slecht de door haar vader aan Babrius betaalde bedragen als onverschuldigd terugvorderen.
  2. De overeenkomst tussen Ariovistus en Babrius is geldig, maar kan niet door Claudia worden afgedwongen. Drusilla daarentegen beschikt over de mogelijkheid de door Babrius verbeurde boetesom te vorderen.
  3. De overeenkomst tussen Ariovistus en Babrius is niet afdwingbaar, omdat Claudia als derde geen rechtsvordering heeft tegen Babrius en Drusilla geen op geld waardeerbaar belang heeft.
  4. De overeenkomst tussen Ariovistus en Babrius is niet afdwingbaar, omdat Claudia als derde geen rechtsvordering heeft tegen Babrius en boetebedingen slechts opeisbaar zijn indien en voorzover een contractspartij reële schade heeft geleden.

Vraag 30

Welke der onderstaande wijzen van eigendomsverkrijging kon geldig geschieden zonder dat daarvoor bezit (possessio) of bezitsverschaffing (traditio) is vereist?

  1. Occupatie (occupatio)
  2. Verkrijgende verjaring (usucapio)
  3. Schatvinding (thesaurus)
  4. Mancipatio

Antwoordindicatie

  1. D

  2. D

  3. C

  4. D

  5. D

  6. C

  7. C

  8. C

  9. C

  10. D

  1. D

  2. D

  3. C

  4. D

  5. D

  6. C

  7. A

  8. C

  9. D

  10. B

  1. C

  2. D

  3. D

  4. D

  5. C

  6. D

  7. D

  8. D

  9. B

  10. D

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.