Oefententamen 17/18: Strafprocesrecht - Universiteit Utrecht

Deel A Open vragen

De auteurs van het op Blackboard gepubliceerde artikel 'Het verdachtenverhoor: nieuwe dynamiek voor een vaste waarde' (Tijdschrift voor de Politie, jaargang 79/nr. 4/17) stellen dat het verdachtenverhoor - ondanks recente ontwikkelingen en toenemende complexiteit - niet aan belang heeft ingeboet.

Vraag 1

Licht toe waarom de auteurs tot deze conclusie komen. (10 punten / max 200 woorden)

Vraag 2

Noem twee correctiemechanismen op het opportuniteitsbeginsel. Licht toe wat deze correctiemechanismen inhouden en waar zij zijn opgenomen in de wet. (15 punten / max 300 woorden)

 

Deel B Casus “De alerte getuige”

Op maandagochtend 4 april 2019 komt bij de politie een melding binnen van een oplettende getuige. Een aantal gemaskerde mannen zou bezig zijn in te breken bij een woning. Als de politie ter plaatse komt, kan in de omgeving van de woning een drietal verdachten worden aangehouden die voldoen aan de opgegeven signalementen. Twee van hen hebben een grote tas met inbrekerswerktuig bij zich. De derde roept vlak voor de aanhouding tegen zijn handlangers, duidelijk hoorbaar voor de politieagenten: ‘Oh nee! Ik heb mijn tas binnen laten liggen!’ Naar aanleiding van het bovenstaande gaat de politie direct over tot een nader onderzoek in de desbetreffende woning. Meteen bij het betreden van de woning wordt duidelijk dat er een XTC-laboratorium aanwezig is in de keuken. Een 56-jarige man, genaamd Karel, die in de woning aanwezig is, wordt ook aangehouden op verdenking van het bereiden en/of vervaardigen van XTC-pillen (artikel 2, aanhef en onder B of D jo. art. 10 lid lid 4 Opiumwet. XTC bevat namelijk MDMA, een harddrug die op de zogenaamde “lijst I” van de Opiumwet staat). De XTC en de materialen worden in beslag genomen.

Vraag 3

Was het betreden van de woning rechtmatig? (20 punten / max 400 woorden)

 

Vervolg: Ga er los van het antwoord op vraag 1 van uit dat het binnentreden rechtmatig was. Karel is rechtmatig aangehouden en meegenomen naar het bureau. Hij blijkt al vaker voor het bereiden/ vervaardigen van XTC te zijn veroordeeld. Hij wordt op rechtmatige wijze verhoord en in verzekering gesteld en uiteindelijk wil de officier van justitie dat de rechter-commissaris een bevel tot bewaring verleent en doet daartoe een vordering.

Vraag 4

Kan een bevel tot bewaring tegen Peter worden verleend? (30 punten / max 600 woorden)

 

We keren terug naar de drie inbrekers. De inbrekers worden vervolgd wegens poging tot diefstal met braak, in vereniging gepleegd, tijdens de voor de nachtrust bestemde tijd (art. 311 lid 1, aanhef en onder 3e , 4e en 5e , jo lid 2 Sr). De drie verdachten beroepen zich alle drie op hun zwijgrecht. In het dossier zit een proces-verbaal van de politie waarin verslag wordt gedaan van de aanhouding van de verdachten. Ook is er een proces-verbaal van sporenonderzoek in de woning en een proces-verbaal van technisch onderzoek. Uit deze processen-verbaal blijkt dat het inbrekerswerktuig dat is aangetroffen, is gebruikt voor de inbraak en dat er vingerafdrukken van alle drie de verdachten in de woning zijn gevonden. In het dossier zit ook de verklaring van de oplettende getuige die aanvankelijk de melding heeft gedaan. Deze getuige, Jozef (de buurman van Karel), herhaalt datgene wat hij heeft gemeld: dat hij een aantal gemaskerde mannen zag die bezig waren in te breken in de woning van Karel. Verder heeft hij, zo stelt hij, niets gezien. De verdediging wenst Jozef op zitting te horen. Dit verzoek wordt door de officier van justitie afgewezen (art. 264 lid 1 Sv). Op het onderzoek ter terechtzitting herhaalt de verdediging het verzoek. Ter onderbouwing voert de advocaat aan dat Jozef vaak dronken is en daarom onbetrouwbaar moet worden geacht.

Vraag 5

Is de rechter naar uw oordeel gehouden Jozef ter terechtzitting op te roepen om hem te horen en hoe dient hij die beslissing te motiveren? (25 punten / max 500 woorden)

 

Antwoordmodel Deeltoets B

Strafprocesrecht Algemene opmerkingen

Het is ons – de docenten – tijdens het nakijken opgevallen dat veel studenten soms slordig zijn geweest in het beantwoorden van de vragen. Informatie uit de casus wordt onvoldoende meegenomen in de beantwoording en vaak worden verschillende beoordelingscriteria door elkaar gebruikt, waardoor het antwoord inconsistent is. Om – naast het standaardantwoordmodel – wat extra handvatten te geven, vinden jullie daarom per vraag een opsomming van een aantal veel gemaakte fouten.

 

Vraag 1: (10 punten)

Uit het artikel blijkt onder (veel) meer het volgende: ondanks veel ontwikkelingen op het terrein van de opsporing blijft het verdachtenverhoor nog steeds een zeer belangrijk opsporingsmiddel dat bewijsmiddelen kan genereren en belangrijke informatie kan geven over het hoe en waarom van het delict. Hoewel bijvoorbeeld allerlei forensische technieken een verklaring van de verdachte overbodig lijken te maken, is dat toch niet het geval: de verdachte zal moeten verklaren wat de toedracht is geweest: “forensische sporen vormen de bouwstenen voor het bewijs, verklaringen het cement”. Ook de aanwezigheid van de advocaat bij het verhoor werd aanvankelijk gezien als een negatieve ontwikkeling. Dat is lang niet altijd zo: een advocaat kan ook bijdragen aan een betere kwaliteit van het verhoor. Kortom: het verhoor heeft niet aan belang ingeboet. Een kwalitatief goed verhoor draagt bij aan de waarheidsvinding. Dat is niet alleen van belang voor het slachtoffer, maar ook voor de veiligheid van de maatschappij en soms zelfs voor de verdachte, denk aan vervangende of alternatieve strafafdoening.

Veel gemaakte fouten

- door gebrek aan parate kennis over het artikel blijven steken in algemeenheden over het verdachtenverhoor

- Alleen maar ́́een heel specifiek voorbeeld noemen en niet de meer in de breedte getrokken conclusie reproduceren

 

Vraag 2: (15 punten)

NB: Studenten kunnen twee correctiemechanismen kiezen uit vier goede antwoorden. Het ene mechanisme levert 8 punten op, het andere mechanisme 7.

I De mogelijkheid van het indienen van beklag tegen niet (verder) vervolgen: art. 12 Sv.

II De mogelijkheid van het indienen van een bezwaarschrift tegen de dagvaarding: art. 262 Sv.

III De politieke verantwoordelijkheid/aanwijzingsbevoegdheid Minister: art. 127 Wet RO.

IV Het laten toetsen van de vervolgingsbeslissing door de zittingsrechter (zie arrest Maatstaf toetsing vervolgingsbeslissing)

I Beklag tegen niet verdere vervolging (art. 12 Sv): Wanneer het OM op grond van het opportuniteitsbeginsel heeft beslist om niet te vervolgen of niet verder te vervolgen, dan kan deze beslissing ‘gecorrigeerd’ worden door de art. 12 Sv-procedure: beklag tegen niet (verdere) vervolging. Bijzonder aan deze procedure is dat het beklag niet alleen kan worden ingediend door slachtoffers, maar ook door andere rechtstreeks belanghebbenden (zoals nabestaanden). Als het beklag door het gerechtshof gegrond verklaard wordt, beveelt het gerechtshof de (voortzetting van) de vervolging en dient het OM dit uit te voeren.

Art. 12 lid 1 Sv: 'Wordt een strafbaar feit niet vervolgd, de vervolging niet voortgezet, of vindt de vervolging plaats door het uitvaardigen van een strafbeschikking, dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover schriftelijk beklag doen bij het gerechtshof.' Art. 12i lid 1 Sv: 'Als het gerechtshof het beklag gegrond verklaart, beveelt het dat de vervolging zal worden ingesteld of voortgezet ter zake van het feit waarop het beklag betrekking heeft.' (p. 169 e.v. K/K)

II Bezwaarschrift tegen de dagvaarding (art. 262 Sv): Als een verdachte meent ten onrechte gedagvaard te zijn, dan kan hij een bezwaarschrift tegen de dagvaarding indienen. Deze mogelijkheid staat in art. 262 Sv. Op het bezwaarschrift tegen de dagvaarding moet onherroepelijk zijn beslist voordat de rechtbank met het onderzoek ter terechtzitting begint. Als de officier van justitie niet ontvankelijk is, het feit of de verdachte niet strafbaar, of onvoldoende aanwijzing van schuld aanwezig, dan stelt zij de verdachte ten aanzien van de gehele tenlastelegging of een deel daarvan buiten vervolging (lid 5). De rechtsgevolgen van een buitenvervolgstelling staan in art. 255 Sv. De beslissing tot dagvaarding die het OM heeft genomen op grond van het opportuniteitsbeginsel, kan op deze wijze dus gecorrigeerd worden door de rechtbank. (p. 176/177 K/K)

 

III Politieke verantwoordelijkheid/aanwijzingsbevoegdheid Minister. De politieke verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid voor het vervolgingsbeleid en concrete vervolgingsbeslissingen van het Openbaar Ministerie is een ander correctiemiddel op het opportuniteitsbeginsel. Het betreft de aanwijzingsbevoegdheid van de Minister van Justitie en Veiligheid in art. 127 Wet RO (HC week 5, slide 7). De beslissing van het OM op grond van het opportuniteitsbeginsel kan dus door middel van een aanwijzing worden gecorrigeerd. Van deze bevoegdheid wordt in de praktijk niet of zelden gebruik gemaakt (HC week 5, toelichting docent). (p. 169 K/K)

IV Het laten toetsen van de vervolgingsbeslissing door de zittingsrechter. In het arrest Maatstaf toetsing vervolgingsbeslissing (HR 31 oktober 2017) geeft de HR aan dat ‘de beslissing van het Openbaar Ministerie om tot vervolging over te gaan [...] zich slechts in zeer beperkte mate [leent] voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Voorbeelden die de HR noemt betreffen het zgn. vertrouwensbeginsel (als gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat (verdere) vervolging achterwege zal blijven) en het verbod van willekeur (‘wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. In het geval van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing is de (verdere) vervolging onverenigbaar met het verbod van willekeur’.

De HR benadrukt wel dat aan een dergelijke niet-ontvankelijkverklaring van het OM zware motiveringseisen worden gesteld. (r.o. 2.3 HR Maatstaf toetsing vervolgingsbeslissing)

Veelgemaakte fouten:

- Arrest “Vertrouwen uit richtlijn” gaat niet over een correctiemechanisme ten aanzien van het opportuniteitsbeginsel. Nadat het OM heet besloten dat vervolging opportuun is, zal het wel zijn eigen richtlijnen moeten naleven. Dat is wat in dit arrest wordt benadrukt.

- Arrest “Gerechtvaardigd vertrouwen” gaat ook niet over een correctiemechanisme t.a.v. het opportuniteitsbeginsel. Hierin wordt alleen maar uitgemaakt dat mededelingen van het OM m.b.t. zijn vervolgingsbeslissing in sommige gevallen bindend kunnen zijn.

- Art. 257e Sv (verzet tegen de strafbeschikking) is ook geen correctiemechanisme. De verzetprocedure leidt tot dagvaarding voor de zittingsrechter, die vervolgens de strafzaak zal beoordelen: de opportuniteit van de vervolgingsbeslissing zal tijdens die zitting niet aan de orde komen (tenzij in een geval als genoemd in het arrest Maatstaf toetsing vervolgingsbeslissing).

- T.a.v. de artikel 12 Sv procedure vergeten om uit te leggen wanneer sprake is van een rechtstreeks belanghebbende en op welke wijze deze procedure een correctiemechanisme vormt (art. 12i Sv: Hof beveelt het OM alsnog te vervolgen).

 

Vraag 3 (20 punten)

Het betreden van een woning is op verschillende plaatsen in het Wetboek van Strafvordering geregeld. In de casus is sprake van de ontdekking op heterdaad van een woninginbraak (art. 311 Sr). Immers: er is een melding gemaakt dat mannen bezig zijn in te breken in de woning en als de politie ter plaatse komt worden inderdaad mannen aangetroffen die duidelijk inbrekers zijn.

Op grond van artikel 128 Sv is er dus sprake van een heterdaadsituatie. Een van de verdachten geeft aan dat zijn tas nog in de woning ligt. Om die reden kan de politie dat er in de woning voor inbeslagneming vatbare voorwerpen liggen: de tas kan immers dienen om de waarheid aan de dag te brengen (art. 94 Sv).

Op grond van artikel 96 Sv zijn opsporingsambtenaren dan bevoegd elke plaats (dus ook een woning) te betreden om die voorwerpen in beslag te nemen. De politiemedewerkers in de casus zijn uiteraard opsporingsambtenaren (141 Sv).

Een doorzoeking zal voor het vinden van de tas niet nodig zijn, dus de bevoegdheid tot doorzoeking van de woning (110 Sv of 97 Sv) zal niet nodig zijn.

Het betreden van de woning, waarin dus belangrijk bewijsmateriaal aanwezig kan zijn, is proportioneel en subsidiair.

Echter: In dit geval wordt binnengetreden in een woning. Dan is de Algemene Wet op het Binnentreden (AWBI) van toepassing. Op grond van die wet is voor het binnentreden in een woning een machtiging vereist (art. 2 AWBI). In de casus is niet weergegeven dat een dergelijke machtiging is gegeven.

Op die grond is het binnentreden in de woning dus niet rechtmatig.

Veel gemaakte fouten, die veelal lijken voort te komen uit niet goed lezen van de informatie uit de casus:

- Antwoorden waarin enkel de Awbi als grondslag voor het binnentreden wordt behandeld. Dat kan natuurlijk niet. De Awbi is van toepassing op alle situaties waarin de wet (bijvoorbeeld art. 96 Sv) iemand de bevoegdheid geeft een woning te betreden.

- Antwoorden waarin verondersteld wordt dat er een doorzoeking in de woning plaatsvindt: uit de casus blijkt helemaal niet dat de woning wordt doorzocht (d.w.z: dat er verder wordt gegaan dan zoekend rondkijken).

- Antwoorden op basis van artikel 55 of 55a Sv: uit de casus blijkt heel duidelijk dat de verdachten al zijn aangehouden en dat de woning wordt betreden om de tas in beslag te nemen. Dan kan het doel van het betreden van de woning nooit zijn om een verdachte aan te houden!

- Antwoorden op basis van art. 9 Opiumwet: op het moment van betreden van de woning is er nog geen enkele aanwijzing dat er drugs in de woning zou zijn.

- Antwoorden die miskennen dat er sprake is van een heterdaadsituatie.

 

Vraag 4 (30 punten)

Bewaring (art. 63 Sv) is een vorm van voorlopige hechtenis (VH). Een bevel tot bewaring kan worden gegeven als aan de voorwaarden van artikel 67 en 67a Sv is voldaan:

1. Er moet sprake zijn van een geval van VH

2. Er moeten ernstige bezwaren zijn

3. Er moet een grond zijn voor VH

4. Het anticipatiegebod moet niet van toepassing zijn

Ad. 1 – Op grond van artikel 67 lid 1, aanhef en onder 1 Sv kan een bevel tot VH worden gegeven in geval van verdenking van een misdrijf waarop ten minste vier jaar gevangenisstraf staat. Karel wordt verdacht van het bereiden of vervaardigen van XTC. Dat is strafbaar gesteld in artikel 2, aanhef en onder B of D jo. art. 10 lid lid 4 Opiumwet. Er staat een gevangenisstraf op van 8 jaar. Uit het feit dat de aanhouding en IVS van Karel rechtmatig is, mogen we opmaken dat hij terecht als verdachte is aangemerkt. Aan deze eerste eis is dus voldaan.

Ad. 2 – Op grond van artikel 67 lid 3, moet er voor VH sprake zijn van ernstige bezwaren. Dit houdt in dat er een ‘stevige verdenking’ moet zijn, een grotere mate van waarschijnlijkheid dat Karel het feit heeft gepleegd. Nu het XTC-lab in zijn woning is aangetroffen en Karel daar ook ter plekke was en hij bovendien relevante antecedenten heeft, zijn deze ernstige bezwaren wel hard te maken. Ook aan deze voorwaarde is dus voldaan.

Ad. 3 – De grond voor voorlopige hechtenis kan gevonden worden in artikel 67a lid 2, aanhef en onder 2e Sv. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat Karel een misdrijf zal begaan waarop:

  1. 6 jaar of meer staat; er staat 8 jaar op het feit waarvan Karel verdacht wordt en hij is al eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld

  2. waardoor gezondheid van personen in gevaar kan worden gebracht: XTC is gevaarlijk voor de volksgezondheid

  3. Algemeen gevaar voor goederen kan ontstaan: het in een woning in bedrijf hebben van een XTC-lab is heel gevaarlijk.

Voor de andere gronden voor voorlopige hechtenis geeft de casus geen aanknopingspunten. Hooguit zou nog gedacht kunnen worden aan de onderzoeksgrond/collusiegevaar (art. 67a lid 2, aanhef en onder 5e Sv), maar dat is – gezien de informatie uit de casus – zeker niet de meest voor de hand liggende grond.

Een bevel tot bewaring kan voor max. 14 dagen worden gegeven (art. 64 lid 1). Omdat voor het exploiteren van een XTC-lab in de regel langdurige gevangenisstraffen worden opgelegd, is het anticipatiegebod van artikel 67a lid 3 nog niet aan de orde: de op te leggen straf zal naar alle waarschijnlijkheid van langere duur zijn dan 14 dagen.

Er kan door de RC dus een bevel tot bewaring worden verleend tegen Peter van 14 dagen.

Veel gemaakte fouten:

- Vergeten uit te leggen wat ‘ernstige bezwaren’ inhouden.

- Alleen de 6-jaarsgrond noemen en niet ook nog benoemen dat ook gevreesd moet worden dat Peter feiten zal plegen die gevaar voor personen en/of goederen opleveren.

- Vergeten anticipatiegebod te benoemen en uit te werken.

 

Vraag 5 (25 punten)

De verdediging kan op grond van artikel 263 Sv aan de officier opgeven welke getuigen hij wil oproepen. De officier van justitie heeft het verzoek om Jozef als getuige op te roepen echter afgewezen (art. 264 lid 1 Sv). Op grond van artikel 287 lid 3, aanhef en onder a kan de rechtbank Jozef op verzoek van de verdediging alsnog oproepen. De rechtbank kan echter afzien van het oproepen van Jozef als getuige op grond van artikel 288 lid 1 Sv. De onder a en b genoemde redenen lijken in de casus niet van toepassing. De rechter zou wel kunnen oordelen dat de verdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad door het niet-oproepen van Jozef (288 lid 1, aanhef en onder c). Kort gezegd: de rechter moet oordelen of het verdedigingsbelang is geschaad als Jozef niet als getuige wordt opgeroepen.

Deze wetgeving staat niet op zichzelf. In HR 4 juli 2017, heeft de HR lijnen uitgezet waarbinnen deze problematiek moet worden beoordeeld.

Uit r.o. 3.4 e.v volgt dat de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid moet hebben gehad om de getuige te ondervragen, omdat anders strijd met art. 6 EVRM kan ontstaan. Maar: het initiatief ligt bij verdediging. Zij moet motiveren waarom het horen van de getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van 348/350 Sv te nemen beslissing.

De rechter mag oordelen dat er geen strijd is met het verdedigingsbelang indien de punten waarover de getuige kan verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in de strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren. Ook stelt de HR dat in dit kader van de verdediging mag worden verwacht dat wordt opgegeven waarom het nodig is de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van getuigen ́ charge te onderzoeken (HR verwijst naar r.o. 2.5 en 2.6 van HR 1 juli 2014).

Van de verdediging mag dus in gevallen als deze verwacht worden dat zij onderbouwt waarom het van belang is Jozef te horen. De enkele suggestie dat het een dronkenlap is die onbetrouwbaar is, lijkt onvoldoende. Daarbij speelt ook een rol dat de verklaring van Jozef niet van doorslaggevend belang is voor de uiteindelijke bewijsbeslissing in de strafzaak (vergelijk ook HR Recht op behoorlijke en effectieve mogelijkheid ondervragen getuigen). De politie heeft de verdachten immers op heterdaad aangehouden en het sporenonderzoek lijkt tamelijk concludent. Ook zonder de verklaring van Jozef kan de rechter tot een bewezenverklaring van het strafbare feit komen. Nu ook de andere beslissingen van artikel 348/350 Sv niet beïnvloed lijken te kunnen worden door de verklaring van Jozef, kan de rechtbank dus oordelen dat het verdedigingsbelang niet is geschaad als Jozef niet als getuige wordt gehoord.

De rechter zal e.e.a. schriftelijk moeten motiveren in het PV van de zitting dan wel in het vonnis. Daarbij zal hij aan moeten geven dat hij op grond van artikel 287 jo 288 Sv afziet van het oproepen van de getuige (r.o. 3.8.1).

Veelgemaakte fouten:

- Artikel 315/328 Sv is in casu niet van toepassing, nu al voorafgaand aan de zitting een verzoek tot het oproepen van de getuige is gedaan. Zie Keulen en Knigge p. 458 e.v.

- Het noodzaakcriterium is dus niet het criterium op basis waarvan de rechter het verzoek moet toetsen.

- Onvoldoende uitwerken dat er aan de verdediging zware motiveringseisen worden gesteld, waarbij geanticipeerd moet worden op de relevantie van de verklaring van de getuige voor het beantwoorden van de vragen van 348/350 Sv.

- Niet constateren dat de enkele opmerking dat Jozef een dronkenlap is, geen wezenlijke onderbouwing is van het verzoek.

- Onvoldoende uitwerken dat de rechter in casu kan oordelen dat er veel ander bewijs is en dat ook de beantwoording van andere vragen van 348/350 Sv niet afhankelijk is van de verklaring van Jozef.

- Niet benoemen dat de rechter zijn beslissing ook moet motiveren

 

Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 7 WorldSupporter tools
Follow the author: Law Supporter
Promotions
Image

Op zoek naar een uitdagende job die past bij je studie? Word studentmanager bij JoHo !

Werkzaamheden: o.a.

  • Het werven, aansturen en contact onderhouden met auteurs, studie-assistenten en het lokale studentennetwerk.
  • Het helpen bij samenstellen van de studiematerialen
  • PR & communicatie werkzaamheden

Interesse? Reageer of informeer

verzekering studeren in het buitenland

Ga jij binnenkort studeren in het buitenland?
Regel je zorg- en reisverzekering via JoHo!

Content is used in bundle
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
[totalcount]
Content categories
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.