Oefententamen 2014 (2): Methoden en Technieken van de Rechtswetenschap - Universiteit Leiden


Oefenvragen en antwoordindicaties Methoden en Technieken van de Rechtswetenschap - UL

Let op: in de tussentijd is de verplichte literatuur van dit vak gedeeltelijk veranderd. Verwijzingen naar van Dooremalen, van Reichenbach, van den Haag, Hume, Chalmers e.a. komen hier dus uit voort. Deze artikelen zijn niet langer voorgeschreven, maar samenvattingen ervan kunnen eventueel ter inzage gevonden worden op Worldsupporter (gebruik de zoekfunctie). De artikelen van Stolker, Clifford en Hart zijn in 17/18 wederom voorgeschreven.

MC-vragen

Vraag 1

Welk van de onderstaande citaten komt uit “The Death Penalty Once More” van Ernest van den Haag?

  1. “All reasonings concerning matter of fact seem to be founded on relations of Cause and Effect.”
  2. “We must remember that the Utilitarians [insisted on] the important truth that a purely analytical study of legal concepts, a study of the meaning of the distinct vocabulary of the law was vital to our understanding of the nature of law as historical or sociological studies, though of course it could not supplant them.”
  3. “The majority of the people […] believe that everyone who can understand the nature and effects of his acts is responsible for them, and should be blamed and punished, if he could know what he did was wrong. Human beings are human because they can be held responsible, as animals cannot be.”
  4. “The art of discovery is therefore the art of correct generalization. What is irrelevant, such as the particular shape or size of the piece of wood used, is to be excluded from the generalization; what is relevant, for example the dryness of wood, is to be included in it. The meaning of the term “relevant” can thus be defined: that is relevant which must be mentioned for the generalization to be valid. The separation of relevant from irrelevant factors is the beginning of knowledge. Generalization, therefore, is the origin of knowledge.”

Vraag 2

Wat moet volgens Hans Reichenbach altijd worden vermeden in de wetenschap?

  1. Abstractie.
  2. Analytisch denken.
  3. Substantialisatie van abstracte zaken.
  4. Alle bovenstaande alternatieven.

Vraag 3

Wat is volgens Karl Popper het kenmerkende onderscheid tussen een wetenschappelijke theorie en een niet-wetenschappelijke theorie?

  1. Een wetenschappelijke theorie is verifieerbaar.
  2. Een wetenschappelijke theorie is falsificeerbaar.
  3. Een wetenschappelijke theorie voldoet aan het conventiecriterium.
  4. Een wetenschappelijke theorie is conform de methode van het inductivisme geformuleerd.

Vraag 4

Bekijk de volgende redenering.

  1. Alle bomen hebben bladeren.
  2. Een auto is een boom.

Conclusie: Een auto heeft bladeren.
Dit is een voorbeeld van:

  1. Een geldige deductieve redenering.
  2. Een niet-geldige deductieve redenering.
  3. Een drogreden.
  4. Geen van bovenstaande antwoorden is juist.

Vraag 5

Welk van onderstaande alternatieven is juist?

  1. In een accusatoire procedure gaat het om de formele waarheid.
  2. In een inquisitoire procedure gaat het om de formele waarheid.
  3. Een accusatoire procedure past perfect bij het strafprocesrecht.
  4. Geen van bovenstaande alternatieven is juist.

Vraag 6

Volgens David Hume:

  1. is a priori-kennis minder betrouwbaar dan andersoortige kennis.
  2. kan a priori-kennis in sommige gevallen op basis van experimenten tot stand komen.
  3. kunnen wiskundige problemen worden opgelost door een analyse van begrippen.
  4. kunnen natuurkundige problemen worden opgelost door een analyse van begrippen.

Vraag 7

H.L.A. Hart verdedigt de scheiding tussen recht zoals het is (“is”) en recht zoals het zou moeten zijn (“ought to be”). Deze scheiding werd ook gemaakt door twee andere denkers op wie Hart zich geregeld beroept. Wie waren dat?

  1. Kelsen en Blackstone.
  2. Radbruch en Hegel.
  3. Bentham en Austin.
  4. Blackstone en Bentham.

Vraag 8

Welke theorie is volgens Karl Poppers theorie de beste? Een theorie die:

  1. gedurfd en riskant is.
  2. beproefd en onderbouwd is.
  3. haalbaar en verifieerbaar is.
  4. de geijkte methoden respecteert.

Vraag 9

Wat ziet John Searle als essentieel voor wat hij noemt “The Western Rationalistic Tradition”?

  1. Secularisatie.
  2. De industriële revolutie.
  3. Het klassiek-Griekse idee van theorie en zelfkritiek.
  4. Het Amerikaans vooruitgangsgeloof.

Vraag 10

Welke stelling over Karl Poppers wetenschapsfilosofie is juist?

  1. Deze heeft kritiek op de rol van de logica in de wetenschap.
  2. Deze heeft kritiek op de rol van de wiskunde in de wetenschap.
  3. Deze kan worden getypeerd als logisch positivisme.
  4. Deze kan worden getypeerd als kritisch rationalisme.

Vraag 11

Wat wordt verstaan onder het inductieprobleem van David Hume?

  1. Dat is het probleem dat men volgens Hume alleen via inductie tot algemene uitspraken kan komen.
  2. Dat is het probleem dat men volgens Hume via inductie niet tot algemene uitspraken kan komen.
  3. Dat is het probleem dat volgens Hume wetenschappers geneigd zijn geen aandacht aan deductie te besteden, maar zich eenzijdig richten op inductie.
  4. Dat is het probleem dat door het opstellen van algemene wetmatigheden men onvoldoende recht doet aan de particuliere geaardheid van de werkelijkheid.

Vraag 12

De hoofdfiguur in de film 12 Angry Men (1957), Henry Fonda, heeft iets gemeen met een belangrijke figuur uit de Griekse filosofie, maar ook met een belangrijke figuur uit de christelijke traditie. Om welke figuren gaat het dan?

  1. Om de Griek Plato en de naamgever aan het christendom: Jezus Christus zelf.
  2. Om de Griek Pyrrho en de naamgever aan het christendom: Jezus Christus zelf.
  3. Om de Griek Aristoteles en de reformator Calvijn.
  4. Om de Griek Socrates en de katholiek Thomas van Aquino.

Vraag 13

Tijdens het Kamerdebat over de doodstraf op 19 november 2002 in het Nederlandse parlement bleek onder de Kamerleden een hoeveelheid voorstanders van de doodstraf te bestaan van:

  1. 40 %.
  2. 70 %.
  3. 0 %.
  4. 10 %.

Vraag 14

“A law, which actually exists, is a law, though we happen to dislike it […]”. Dit citaat is afkomstig van John Austin (1790-1859). Hij illustreert daarmee:

  1. Het natuurrechtsdenken: wanneer een wet strijdt met morele basisbeginselen, mag een persoon autonoom beslissen al dan niet gehoorzaam te zijn aan de desbetreffende wet.
  2. Het utilisme: wetten dienen zo te worden geformuleerd dat deze geluk vergroten en pijn verminderen.
  3. Het rechtspositivisme: wetten blijven wetten, ook al strijdt de materiele inhoud van een wet met morele basisbeginselen.
  4. de ‘command theory’: om gehoorzaamheid aan ‘slechte’ wetten te garanderen, gaan wetten gepaard met een strafdreiging.

Vraag 15

In het artikel “Ja, geléérd zijn jullie wel!” van Carel Stolker doet de auteur enkele aanbevelingen om het wetenschappelijk niveau van de rechtswetenschap te verhogen. Zo stelt hij voor om:

  1. voortaan te spreken van rechtswetenschap in plaats van rechtsgeleerdheid.
  2. theoretisch onderzoek en empirische verificatie te stimuleren.
  3. het normatieve karakter van de rechtswetenschap te benadrukken.
  4. ten aanzien van ingewikkelde rechtsvragen, zoals het Wrongful Life-vraagstuk, zo veel mogelijk juridische oordelen te rangschikken.

Vraag 16

Welke uitspraak met betrekking tot de kritiek van Martin Gardner op Karl Poppers theorie is onjuist?

  1. In de praktijk blijken wetenschappers zelden conform Karl Poppers theorie te handelen.
  2. Een falsificatie is tegelijk een verificatie.
  3. Wetenschappers zijn niet op de hoogte van Karl Poppers theorie.
  4. Aan datgene wat bepalend is in Karl Poppers theorie kunnen onjuiste observaties ten grondslag liggen.

Vraag 17

Hoe ziet Jasper Doomen de verhouding tussen de rechtseconomie en de rechtsgeleerdheid?

  1. De rechtsgeleerdheid biedt de theoretische onderbouwing voor de rechtseconomie.
  2. De rechtseconomie is een specialisatie van de rechtsgeleerdheid.
  3. De rechtseconomie is een deelgebied van de economie.
  4. De rechtseconomie doet uitspraken die niet gefalsificeerd kunnen worden.

Vraag 18

Gustav Radbruch was een Duits rechtsgeleerde. Vóór de Tweede Wereldoorlog sloot hij zich aan bij het rechtspositivisme. Na de Tweede Wereldoorlog hield Radbruch het rechtspositivisme mede verantwoordelijk voor de gruwelen van het Nazi-regime. Wat is waar?

  1. Hart is het eens met Radbruch dat het rechtspositivisme enkel nut heeft in een samenleving met een sterke democratische rechtsstaat.
  2. Hart is het oneens met Radbruch, omdat het non-cognitivisme een te sterke lading geeft aan emoties als handelingsmotief in plaats van de moraal.
  3. Hart is het eens met Radbruch dat het rechtspositivisme eraan heeft bijgedragen dat Duitse burgers onder het Nazi-regime verplicht waren om aan slechte wetten te gehoorzamen.
  4. Hart is het oneens met Radbruch, omdat het rechtspositivisme niet per se is verbonden met de eventuele gehoorzaamheid aan slechte wetten.

Vraag 19

Er is een onderdeel van het rechtspositivisme dat H.L.A. Hart niet overneemt. Welk element is dat?

  1. Dat het recht analytisch benaderd moet worden.
  2. Dat moraal en recht van elkaar gescheiden moeten worden.
  3. Dat het recht bestaat uit bevelen (“commands”).
  4. Dat de rechtsstaat-gedachte minder belangrijk is dan die van de democratie.

Vraag 20

Wat ziet H.L.A. Hart als een verdienste van het denken van de Amerikaanse realisten?

  1. Zij namen het conceptuele kader van de natuurwetenschappen over en pasten dat toe op de rechtswetenschap.
  2. Zij openden de ogen van mensen voor hoe het er werkelijk aan toegaat in de rechtspraak of het juridisch proces.
  3. Zij lieten zien dat recht niet goed te begrijpen is zonder natuurrecht.
  4. Zij oriënteerden zich op voorspellingen van rechterlijk gedrag, wat men kan zien als een typische taak van de rechtswetenschap.

Vraag 21

H.L.A. Hart introduceert aan het einde van zijn opstel de speculatie dat het mogelijk zou zijn dat de mens, net als een krab, een ondoordringbaar schild om zich heen zou hebben en dat hij zijn voedsel zo maar uit de lucht zou kunnen halen. Welk punt beoogt Hart met dit voorbeeld te maken? Hij wil het punt maken dat:

  1. dieren (ook) rechtsbescherming verdienen.
  2. de wijze waarop we ons rechtssysteem hebben ingericht iets te maken heeft met de menselijke natuur.
  3. het rechtspositivisme zelfs bij dit soort voorbeelden de beste papieren in handen heeft.
  4. in de toekomst mensen wel eens heel anders zouden kunnen gaan functioneren dan ze nu doen.

Vraag 22

De Amerikaanse kolonisten verklaarden zich in 1776 onafhankelijk van Engeland met een beroep op “life, liberty and the pursuit of happiness”. Welk bezwaar formuleerde Bentham tegen deze benadering?

  1. Het zou leiden tot anarchie.
  2. Bentham achtte die waarden te onbepaald.
  3. Het zou de mens van zijn ware bestemming afhouden, namelijk een oriëntatie op het leven na dit leven.
  4. Bentham vreesde een te grote oriëntatie op de vrijheid in plaats van de gelijkheid.

Vraag 23

Wat is volgens Larry Laudan de betekenis van het criterium ‘morele zekerheid’, de definitie van BARD in de periode 1850-1950?

  1. Morele zekerheid is gebaseerd op ethische overtuigingen op grond waarvan een jury beslist of een verdachte schuldig is.
  2. Morele zekerheid is gebaseerd op de vraag of de jury oprecht gelooft in de schuld van een verdachte.
  3. Morele zekerheid is gebaseerd op een blijvende overtuiging van schuld van een verdachte door een jury.
  4. Morele zekerheid biedt geen absolute zekerheid, maar wordt wel voldoende ondersteund door verschillend bewijsmateriaal.

Vraag 24

H.L.A. Hart bekritiseert in zijn artikel “Positivism and the Separation of Law and Morals” de kritiek die door natuurrechtsaanhangers wordt uitgeoefend op de scheiding van recht en moraal. Een van de punten die Hart in die kritiek van het natuurrechtsdenken op het rechtspositivisme afwijst, is het gevaar dat men denkt: “This ought not to be the law, therefore it is not and I am free not merely to censure it but to disregard it” (Hart, p. 598). Wat is hier de kritiek van Hart op het natuurrechtsdenken?

  1. Het gevaar van conservatisme.
  2. Het gevaar van anarchisme.
  3. Het gevaar van vaagheid in het recht.
  4. Het gevaar van immoreel recht.

Vraag 25

“Some abolitionists feel that the motive for the death penalty is an un-Christian and unacceptable desire for vengeance. But though vengeance be the motive, it is not the purpose of the death penalty. […] Purpose (let alone effect) and motive are not the same.” (Ernest Van den Haag, “The Death Penalty Once More”, University of California Davis Law Review, vol. 18 (p. 968)). Wat is volgens Van den Haag het doel van de doodstraf?

  1. Bijzondere of speciale preventie in de zin van afschrikking.
  2. Algemene preventie in de zin van afschrikking.
  3. Wraak.
  4. Zowel vergelding als afschrikking.

Vraag 26

Ernest Van den Haag beroept zich op democratie ter verdediging van de doodstraf in de Verenigde Staten. Wat bedoelt hij daarmee?

  1. Dat een echte democraat voor de doodstraf moet zijn.
  2. Dat een echte democraat de veiligheid van de burgers altijd op de eerste plaats heeft staan (en dus een ferme aanpak van criminaliteit bepleit).
  3. Dat een echte democraat de deelstaten waaruit de Verenigde Staten van Amerika bestaat de vrijheid zal laten te beslissen over hun strafrechtsysteem.
  4. Dat Immanuel Kant (die een echte democraat was) voor de doodstraf was.

Vraag 27

Zoals Dooremalen, De Regt en Schouten in hun boek Exploring Humans betogen, kan men twee belangrijke stromingen in de wetenschapsfilosofie onderscheiden ten aanzien van de vraag hoe we aan kennis komen. Welke zijn die stromingen?

  1. Fideïsme en rationalisme.
  2. Rationalisme en empirisme.
  3. Empirisme en consensus-theorie.
  4. Inductivisme en communitarisme.

Vraag 28

Waarom beschouwde Karl Popper de theorieën van Newton en Einstein als echte wetenschappelijke theorieën en die van Freud en Marx niet?

  1. Popper was van mening dat alleen de exacte wetenschappen echte wetenschappen zijn en de sociale wetenschappen niet.
  2. De theorieën van Newton en Einstein konden in conflict komen met de ervaring en dat is een kenmerk van echte wetenschap.
  3. De theorieën van Freud en Marx voorspellen bepaalde dingen en zoiets is nooit wetenschappelijk.
  4. De theorieën van Freud en Marx zijn nooit geverifieerd en dat is wel het geval met de theorieën van Newton en Einstein.

Vraag 29

Welke uitspraak met betrekking tot wat William Clifford stelt in “The Ethics of Belief” is onjuist?

  1. Om te bepalen of iemand een recht heeft om iets te geloven, moet dat geloof op morele gronden worden beoordeeld.
  2. Ook als een handeling goede gevolgen heeft, kan de overtuiging die daaraan ten grondslag ligt alsnog onjuist zijn.
  3. Het hebben van een overtuiging of een geloof is nooit alleen een privézaak, omdat deze altijd verweven is met algemene opvattingen.
  4. Een overtuiging of geloof heeft altijd invloed op degene die deze aanhangt, ook als men hier niet naar handelt.

Vraag 30

Wat zou Larry Laudan vinden van het Nederlands negatief-wettelijke bewijsstelsel (art. 338 Sv e.v.) in vergelijking met het BARD-criterium?

  1. In vergelijking met BARD zou Laudan het Nederlandse stelsel minder geschikt achten, omdat een jury dan geen vrije beslissingsruimte meer heeft.
  2. Hij zou een voorkeur hebben voor het Nederlandse stelsel, omdat de overtuiging gegrond moet zijn op wettelijke bewijsminima.
  3. In vergelijking met BARD zou Laudan een voorkeur hebben voor het Nederlandse stelsel, omdat de beslissing genomen wordt door een rechter en niet door burgers.
  4. Hij zou een voorkeur hebben voor BARD, omdat deze maatstaf per strafzaak anders kan worden toegepast en zo meer recht kan worden gedaan aan het concrete geval.

Open vraag

Schrijf een kort betoog aan de hand van de beantwoording van de volgende vijf met elkaar samenhangende vragen (maximaal 700 woorden).
In “The Death Penalty Once More” schrijft Ernest Van den Haag: “To me, the life of any innocent victim who might be spared has great value; the life of a convicted murderer does not. This is why I would not take the risk of sacrificing innocents by not executing murderers” (p. 965).

a. Leg in eigen bewoordingen uit wat Van den Haag hiermee bedoelt.

b. Geef aan hoe de benadering van Van den Haag verschilt van die van jurylid 8 (gespeeld door Henry Fonda) in de film Twelve Angry Men.

c. Geef gemotiveerd aan welk van beide standpunten u het meest houdbaar acht.

d. Van den Haag neemt in zijn betoog ten gunste van de doodstraf een standpunt in dat lijkt op dat van klassieke filosofen als Kant en Hegel en hij neemt afstand van een ander courant perspectief in de strafrechtstheorie. Hoe noemen we dat standpunt van Kant, Hegel en Van den Haag en hoe noemen we het concurrerende standpunt? Geef ook aan wat die twee perspectieven inhouden.

Antwoordindicatie MC-vragen

  1. C

  2. C

  3. B

  4. A

  5. A

  6. C

  7. C

  8. A

  9. C

  10. D

  11. B

  12. B

  13. C

  14. C

  15. B

  16. C

  17. C

  18. D

  19. C

  20. B

  21. B

  22. A

  23. D

  24. B

  25. D

  26. C

  27. B

  28. B

  29. A

  30. B

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.