Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2016


Vragen

Vraag 1 (6 punten)

Aan welke criteria toetst het Beroepsorgaan (‘Apellate Body’) van de Wereldhandelsorganisatie (‘WTO’) om te bepalen of producten in een concurrentieverhouding tot elkaar staan en daarmee ‘soortgelijk’ zijn in de zin van artikel III lid 4 van GATT 1994?

Vraag 2a

Wat wordt in de context van de doorwerking van het internationaal recht in de nationale rechtsorde bedoeld met de term ‘geldigheid’? (3 punten)

Vraag 2b

Leg uit welke twee nationaal-rechtelijke modellen kunnen worden onderscheiden met betrekking tot de doorwerking van een internationale regel in de nationale rechtsorde. (5 punten)

Vraag 3 (11 punten, ENGLISH- min. 150 words)

In the Armed Activities case (Congo v. Uganda) the International Court of Justice (ICJ) ruled that the use of force by Uganda was contrary to international law. International law, however, does allow for the use of force against other states under specific circumstances. Provide these exceptions to the prohibition on the use of force, and explain under what conditions they may be relied on.

Vraag 4 (30 punten)

Stel: Groningen zou zich graag afscheiden van Nederland. In overleg met de Nederlandse regering in Den Haag wordt hiertoe op zeer korte termijn een referendum uitgeschreven. De verwachting van de Nederlandse regering is dat de Noorderlingen zullen inzien “dat een eigen taal leuk is, maar dat onafhankelijkheid geen goed idee is”. De Groningse ja-campagne wordt echter een overdonderend succes en het overgrote deel van de Groningse bevolking blijkt vóór afscheiding te zijn. Gezien de overweldigende meerderheid ziet de Nederlandse regering in Den Haag geen andere mogelijkheid dan de uitslag van het referendum te respecteren. Groningen roept direct nadat de stemmen zijn geteld de onafhankelijkheid uit en heel Groningen stort zich in het feestgedruis. Alleen de mensen van het nee-kamp blijven protesteren. Zij voelen zich beperkt in het uitoefenen van haar rechten, aangezien bij verschillende demonstraties tegen de Groningse afscheiding mensen met een nee-bord zijn opgepakt. De politie stelt echter dat deze mensen niet vanwege de boodschap op hun demonstratie- bord zijn opgepakt maar vanwege verstoring van de openbare orde.

De volgende ochtend, nadat de eerste roes van het overwinningsfeest is verdwenen, komt de inderhaast gevormde Groningse interim-regering bij elkaar. Deze komt tot de conclusie dat de onverwachte onafhankelijkheid wel wat problemen met zich meebrengt. Zo is de rechtbank inLeeuwarden enkele jaren geleden goeddeels overgegaan naar Groningen. En door de oprichting van de nationale politie blijken er na de afscheiding nog maar erg weinig politieagenten in Groningen beschikbaar te zijn. De Groningse interim-regering vreest een chaos en schoorvoetend wordt besloten het nieuwe buurland Nederland om hulp te vragen. Uiteindelijk komt men overeen dat gedurende een overgangsperiode van 10 jaar Nederland het gezag in Groningen op zich zal nemen waarna de ontstane situatie opnieuw zal worden bekeken. De nuchtere Groningse bevolking haalt collectief de schouders op en gaat over tot de orde van de dag.

Vraag 4a

Welke wijze van totstandkoming van een nieuwe staat is in dit scenario aan de orde? (3 punten)

Vraag 4b

Is naar uw oordeel een nieuwe staat tot stand gekomen? Laat u hierbij een mogelijke discussie over zelfbeschikking buiten beschouwing. (12p.)

Vraag 4c

Voor de beantwoording van de volgende (deel)vragen mag u er voor het gemak van uitgaan dat Groningen een staat is. Eén van de eerste beleidsmaatregelen van de Groningse regering is de privatisering van de veerdiensten naar de verschillende Groningse Waddeneilanden. De Groningse regering ziet zich hiertoe genoodzaakt om de bereikbaarheid van de eilanden te garanderen. De veerdiensten vanuit Harlingen en Lauwersoog worden ondergebracht in de Nieuwe Groningse Veerdienst (NFV). De NFV krijgt de wettelijke taak om al het vervoer van- en naar de Waddeneilanden te verzorgen. Gezien de beperkte financiële middelen is de NFV genoodzaakt om oude boten te gebruiken die niet voldoen aan hedendaagse milieu- en veiligheidseisen. Tijdens één van de eerste overtochten van Harlingen naar Vlieland, die wordt uitgevoerd onder auspiciën van de NFV, gaat het mis: de veerboot lekt enorm veel dieselolie en deze olie drijft langzaam richting het Nederlandse Texel. De Slufter, een natuurgebied op Texel, raakt hierdoor zeer ernstig beschadigd.

Vraag 4c

Stel: u bent advocaat voor de Nederlandse staat. U stelt een pleidooi op met een primair en een subsidiair argument op basis waarvan volgens u Groningen aansprakelijk kan worden gehouden voor de geleden schade. Welke twee argumenten gebruikt u? (10 punten)

Vraag 4d

Uiteindelijk accepteert Groningen de handeling van de kapitein van de veerboot als een van de Groningse staat maar stelt zij dat de kapitein door het laten weglekken van de olie een grotere ramp heeft voorkomen. Door een brand aan boord van het schip dreigde het bomvolle schip te ontploffen, waarbij zeer veel mensen zouden zijn omgekomen. Alleen door het laten weglekken van de olie kon deze ramp worden voorkomen. Leg uit op welk internationaal-rechtelijk verweer Groningen met deze verklaring een beroep doet. (5 punten)

Vraag 5 (30 punten)

Stel: De Brit Garion C. wordt ervan verdacht illegaal kangoeroes te hebben gehouden op zijn boerderij in Australië. In verband daarmee zou Australië graag willen dat hij aan dat land wordt uitgeleverd.

Op dit moment bevindt Garion zich in Wellington, de hoofdstad van Nieuw-Zeeland, maar dat land kan hem niet uitleveren aangezien hij politiek asiel heeft gevraagd en gekregen in de ambassade van Turkije. Dit politiek asiel houdt verband met zijn rol in een grootschalig controversieel project, waarbij duizenden zeer vertrouwelijke Russische documenten zijn buit gemaakt en ongefilterd op internet zijn geplaatst. In verband met zijn rol bij dit project wil Rusland graag dat hij aan dat land wordt uitgeleverd, zodat het hem kan vervolgen wegens het openbaar maken van staatsgeheimen. Garion claimt dat wanneer hij zou worden uitgeleverd aan Australië in verband met de illegaal gehouden kangoeroes, dat dat land hem vervolgens zal uitleveren aan Rusland waar hij gezien de grote politieke belangen geen eerlijk proces verwacht. Daarom weigert hij mee te werken aan een uitlevering naar Australië.

Vraag 5a

Noem vier verschillende grondslagen voor rechtsmacht die worden erkend in het internationaal recht en leg kort uit wat elk van deze grondslagen behelst. Geef ook aan op basis van welk(e) van deze grondslagen Australië rechtsmacht over Garion zou kunnen uitoefenen. (10 punten)

Vraag 5b

Een staat kan zijn rechtsmacht op drie verschillende wijzen uitoefenen. Leg deze drie vormen van rechtsmacht uit, en geef aan of Australië gelet op de huidige situatie al deze vormen van rechtsmacht kan uitoefenen. (9 punten)

Vraag 5c

Waarom kan Nieuw-Zeeland niet de Turkse ambassade binnengaan en Garion arresteren? (5 punten)

Vraag 5d

Op een dag besluit Rusland dat het lang genoeg heeft geduurd: zij zien Garion nog immer als een bedreiging voor de nationale veiligheid, en willen hem graag in handen krijgen. Rusland besluit tot een undercover operatie waarbij zij een geheim agent naar Wellington sturen die zich voordoet als journalist. De als journalist vermomde geheim agent stelt aan Garion voor om een gesprek te hebben op een geheime locatie ergens in Wellington, buiten het gebouw van de ambassade. Garion, die eindelijk de ambassade wel eens wil verlaten, vertrouwt de journalist en stemt toe. Aangekomen op een geheime locatie realiseert Garion zich dat hij een foute inschatting heeft gemaakt. Er staat een groepje van vijf Russisch geheim agenten op hem te wachten. Hij begrijpt dat het zinloos is om zich te verzetten en de agenten kunnen hem eenvoudig inrekenen en meenemen naar Rusland. Omdat Rusland bang was dat het plan om Garion te kidnappen zou uitlekken, had het niemand van te voren ingelicht over de operatie. Als het na afloop de regering van Nieuw-Zeeland op de hoogte stelt is deze woedend. De regering van Nieuw-Zeeland verwijt Rusland te hebben gehandeld in strijd met een internationale verplichting.

Op welke verplichting doelt de regering, wat houdt deze verplichting in en wat is de juridische basis ervan? (6 punten)

Vraag 6

Bij het bestuderen van de internationale mensenrechten kan een onderscheid worden gemaakt tussen positieve en negatieve verplichtingen, en tussen resultaatsverplichtingen en inspanningsverplichtingen. Leg deze begrippen uit in een goed gestructureerd verhaal aan de hand van voorbeelden van mensenrechten. Besteed in uw bespreking ook aandacht aan het verschil in de aard van de verplichtingen waar het gaat om burgerrechten en politieke rechten aan de ene kant en economische, sociale en culturele rechten aan de andere kant. Leg daarbij uit of dat verschil als absoluut moet worden gezien of dat er argumenten zijn op basis waarvan dat verschil genuanceerd kan worden.

Antwoordindicatie

Vraag 1

Producteigenschappen; eindgebruik; consumentenvoorkeuren (de voorkeuren en gewoontes van consumenten; ‘productiemethoden’ is alleen juist als het aanleiding is tot veranderde consumers’ taste); en de tariefclassificatie. Asbestos zaak (par. 101) [RN 543].

Vraag 2a

De term geldigheid doelt op de vraag of een regel van internationaal recht in de nationale rechtsorde de status van recht heeft en in die zin dus geldig recht vormt binnen die rechtsorde. (RN 684)

Het begrip geldigheid moet niet worden verward met het begrip rechtstreekse werking.

Vraag 2b

  1. 1Omzetting. Het ‘dualistische’ model waarin een regel van internationaal recht moet worden omgezet door de nationale wetgever voordat de inhoud van de regel onderdeel wordt van de nationale rechtsorde. (RN 685).

  2. Automatische gelding. Het ‘monistisch’ model waarin een regel van internationaal recht zodra deze rechtskracht heeft in de internationale rechtsorde automatisch gelding heeft binnen de nationale rechtsorde (RN 687).

Vraag 3

The prohibition on the use of force can be found in article 2(4) UN Charter. The Charter provides two exceptions to this rule. Self-defence, and Security Council Authorisation.

Self-defence is codified in art 51 UN Charter, but is also an inherent right that exists under customary law. In order to rely on this provision there must be an armed attack against the state. This only includes the most grave forms of the use of force (Nicaragua § 191). The injured state may then use force in order to stop the armed attack and prevent further attacks on its territory. Self-defence must be proportional and necessary. Action taken should be reported to the UN Security Council, and if the SC takes measures to address the situation the state can no longer rely on art 51 UN Ch. If a state relies on art 51 UN Ch prior to the armed attack taking place the Caroline Criteria would be indicative of whether this is a justified anticipatory self-defence, or whether the actions are in fact contrary to international law.

The second exception is the authorisation of the Security Council under Chapter VII of the Charter. Such an authorisation must be given through a resolution adopted under Chapter VII of the Charter, and should contain the phrases ‘authorises’ states to use ‘all necessary measures’. The threshold is contained in art 39 and states that only under the conditions laid down in that article can the UN SC take any enforcement measures. However, the SC has a broad discretion in deciding which situations meet these conditions (see Tadic).

Please note that the answer provided contains all possible elements that could have been included, and as such is longer than would be necessary for an answer that would be sufficient for both the AVV and 11 points.

Vraag 4a

Afscheiding met toestemming van de oorspronkelijke/moeder staat

Vraag 4b

De vraag of een nieuwe staat tot stand is gekomen, wordt in hoofdzaak beoordeeld aan de hand van de drie (objectieve) kenmerken van een staat: effectief gezag; een grondgebied en een bevolking.

Leg uit dat effectief gezag hier een struikelblok zou kunnen zijn (gezag overgedragen aan NL, eventueel effect van erkenning door andere staten, instemming NL). Daarnaast mag totstandkoming van een nieuwe staat niet in strijd zijn met fundamentele regels van internationaal recht (legaliteit). Dat is hier niet het geval: referendum met instemming, afscheiding met toestemming NL. Er wordt in de vraag naar 'uw oordeel' gevraagd: het antwoord kan zowel ja als nee zijn, afhankelijk van de argumentatie.

Vraag 4c

De vraag is of er hier sprake is van een internationale onrechtmatige daad, waarvoor de staat Groningen aansprakelijk gesteld kan worden: art. 1, 2 (en evt. 12 ILC). De handeling in kwestie moet de schending van een internationale verplichting inhouden en de handeling moet toerekenbaar zijn aan Groningen. Het veroorzaken van vervuiling in een ander land schendt een internationale verplichting. De vraag is of de handeling – het lekken van de olie door de veerboot – toerekenbaar is aan Groningen. Het gaat in deze casus dan om de vraag of hier sprake is van een entiteit (de NFV) die overheidstaken (elementen van publiek gezag) uitvoert en hiertoe bij wet gemachtigd is (art. 5 ILC).

Dat laatste – bij wet gemachtigd – is gegeven. Betreft het hier overheidshandelen? Vermoedelijk wel: het gaat om het garanderen van de bereikbaarheid van de eiland (maar een andere uitleg is mogelijk).

Mocht de handeling niet toegerekend kunnen worden aan Groningen, dan kan er nog sprake zijn van een schending van een afzonderlijke internationale verplichting van Groningen (schending van een materiele verplichting). In casu: een schending van het ‘due diligence’ beginsel, die voortkomt uit het ‘no harm principle.’ (Hierbij kan Corfu Channel worden aangehaald.) Groningen is dan niet direct verantwoordelijk voor het lekken van de olie, maar kan wel verantwoordelijk worden gehouden voor de schending van haar eigen zorgplicht om alle mogelijke maatregelen te nemen (en het toestaan van het gebruik van oude boten wijst niet in die richting) om er voor te zorgen dat handelingen, die plaatsvinden op haar grondgebied, geen schade toebrengen aan een andere staat (Nederland).

Het voorzorgsbeginsel is hier niet direct relevant.

Vraag 4d

Groningen doet een beroep op de verdedigingsgrond ‘distress,’ een noodtoestand (art. 24 ILC). De schending van de plicht wordt hier veroorzaakt door een persoon die probeert het leven van anderen te redden. Het noemen van meerdere gronden kan leiden tot puntenaftrek.

Vraag 5a

  • Territorialiteit: De staat kan onbeperkte rechtsmacht uitoefenen over het eigen grondgebied (RN 327).

  • Nationaliteit/personaliteit: Op grond van dit beginsel kan de staat rechtsmacht uitoefenen over de eigen onderdanen, als zij de handeling verrichten (actief), en over niet-onderdanen, als de slachtoffers onderdanen zijn (passief) (RN 330).

  • Bescherming: Op basis van dit beginsel kan een staat rechtsmacht uitoefenen ten aanzien van personen of gebeurtenissen buiten het eigen grondgebied, als de handelingen vitale belangen van de staat kunnen raken (RN 332).

  • Universaliteit: Wanneer er geen andere aanknopingspunten voor rechtsmacht zijn kunnen staten toch rechtsmacht uitoefenen wanneer de betreffende handelingen fundamentele waarden van de internationale gemeenschap schenden (RN 333).

In de huidig casus kan Zweden rechtsmacht uitoefenen op basis van het (subjectieve) territorialiteitsbeginsel aangezien het vermeende houden van kangoeroes heeft plaatsgevonden op Zweeds grondgebied (RN 327).

Het noemen van sub-grondslagen (bijv. actief en passief nationaliteitsbeginsel) als een van de vier aparte grondslagen levert slechts een deel van de punten op.

Bij subjectieve territorialiteit gaat het er niet zozeer om dat een persoon zich op het grondgebied van een staat bevindt, maar dat de persoon daar handelingen (heeft) verricht. De aanwezigheid van de betreffende persoon op het grondgebied is alleen relevant bij de vraag van handhavende rechtsmacht ten tijde van de handhaving.

Bij objectieve territorialiteit gaat het niet om schade aan de staat, maar om schade op het grondgebied van de staat.

Het is het effectenbeginsel, niet het effectiviteitsbeginsel. Dit geldt alleen voor economische effecten, dus niet verwarren met gewone objectieve territorialiteit.De EHRM zaak van Al Skeini is hier niet relevant. Denk aan het conceptuele onderscheid van rechtsmacht als bevoegdheidstoedeling en rechtsmacht als verantwoordelijkheid (onder het EVRM). Deze vraag gaat over het eerste terwijl Al Skeini over het tweede gaat.

Vraag 5b

Wetgevende rechtsmacht: bevoegdheid tot het stellen van regels. Rechtsprekende rechtsmacht: bevoegdheid tot rechtspraak. Deze twee vormen van rechtsmacht zouden in beginsel kunnen worden uitgeoefend aangezien er op basis van de territorialiteit een duidelijk aanknopingspunt is (RN 326).

Handhavende rechtsmacht: handhaven / afdwingen van de regels. Extraterritoriale handhaving is onrechtmatig tenzij toestemming is gegeven.

Aangezien Garion zich in Nieuw-Zeeland bevindt kan Australië geen handhavende rechtsmacht uitoefenen aangezien Nieuw-Zeeland geen toestemming heeft gegeven. (RN 337). (Een dergelijke toestemming zou in casu ook niet goed denkbaar zijn, aangezien D. zich in de Turkse ambassade bevindt)

Ook met toestemming van de Turkse ambassade, mag Australië niet handhaven, zonder dat toestemming door Nieuw-Zeeland is gegeven. Garion bevindt zich op NZls grondgebied, niet op Turks grondgebied (hoewel een ambassade onschendbaarheid geniet, behoort deze niet tot het grondgebied van de zendstaat). De toevoeging dat zelfs toestemming door Nieuw-Zeeland hier niet genoeg is, zonder dat Turkije ook toestemt, is echter niet fout. Deze vraag heeft niets te maken met diplomatieke bescherming. Het gaat hier niet om internationaalrechtelijke jurisdictie van bijv. ISH, IGH of EHRM.

Vraag 5c

Ambassades van een zendende staat genieten onschendbaarheid (art. 22 Vienna Convention on Diplomatic Relations). Dit betekent dat functionarissen van de ontvangende staat de ambassade niet mogen betreden zonder toestemming van het hoofd van de missie/de zendstaat (RN 376).

NIET juist is het antwoord dat de ambassade een stukje Turkije is en dat handhavende jurisdictie op het territoir van een vreemde staat een schending van het volkenrecht oplevert.In casu gaat het niet om de plicht tot bescherming van de ambassade zoals deze in de Teheran-zaak aan de orde was. Het is immers NZlnd zelf dat overweegt de ambassade binnen te treden. Noemen van Teheran Hostages kost geen punten, maar levert ook geen punten op. Het gaat hier ook niet om diplomatieke bescherming. Ambassades genieten geen immuniteit, maar onschendbaarheid.

Vraag 5d

De verplichting waar NZ op doelt is het non-interventiebeginsel. Dit beginsel houdt in dat het verboden is voor staten om middels dwang (“methods of coercion”) te interveniëren in de interne aangelegenheden van andere staten. Het beginsel volgt rechtstreeks uit de soevereiniteit van staten (eventueel: studenten zouden ook kunnen stellen dat het regel van gewoonterecht is). (RN 321).

Vraag 6

Bij negatieve verplichtingen heeft de staat de plicht om zich te onthouden van bepaald gedrag en bij positieve verplichtingen moet de staat juist een bepaalde inspanning verrichten. Vaak wordt aangenomen dat burgerlijke en politieke (BuPo) rechten met name negatieve verplichtingen omvatten terwijl economisch, sociale en culturele (EcoSoC) rechten voornamelijk zien op positieve verplichtingen. Dit strikte onderscheid is niet volledig juist aangezien BuPo rechten ook een element van positieve verplichtingen met zich meebrengt, denk bijvoorbeeld aan het beschermen van het recht op leven (Osman), of het organiseren van verkiezingen. Net zo goed kunnen EcoSoC rechten negatieve verplichtingen met zich meebrengen, zoals het verbod op discriminatie, of vakbondsvrijheid. Resultaatsverplichtingen eisen een bepaald resultaat, terwijl inspanningsverplichtingen een bepaalde inspanning vergen. Ook dit onderscheid wordt vaak gerelateerd aan het onderscheid tussen BuPo en EcoSoC rechten, waarbij de eerste met name resultaatsverplichtingen zouden eisen terwijl de tweede zien op een bepaalde inspanningsverplichting. Het IVESCR Comité heeft dit onderscheid genuanceerd in General Comment No 3. Daarin legt het Comité uit dat ook onder het IVESCR bepaalde resultaatsverplichtingen kunnen worden geformuleerd, zoals het verbod op discriminatie, of het voldoen aan een “miminum core obligation”. Op hetzelfde moment kan ook worden gezegd dat veel positieve verplichtingen onder de BuPo rechten een inspanningsverplichting zijn en geen resultaatsverplichting, zoals de positieve verplichting om het recht op leven te beschermen.

De margin of appreciation speelt geen enkele rol in dit verhaal. De vraag vraagt niet naar het onderscheid tussen relatieve en absolute rechten. Art 2 (1) IVBPR en art 2 (1) IVESCER zijn als zodanig niet gerekend als voorbeelden van mensenrechten, tenzij er expliciet werd verwezen naar het discriminatieverbod dat daarin tevens is vervat.

Het onderscheid positief/negatief valt niet samen met het onderscheid inspannings-resultaatverplichting. Een positieve verplichting kan bijvoorbeeld ook een resultaatsverplichting inhouden.

Access: 
Public
Check more of this topic?
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

Image

This content is also used in .....

Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefenmaterialen

Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2016

Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2016


Vragen

Vraag 1 (6 punten)

Aan welke criteria toetst het Beroepsorgaan (‘Apellate Body’) van de Wereldhandelsorganisatie (‘WTO’) om te bepalen of producten in een concurrentieverhouding tot elkaar staan en daarmee ‘soortgelijk’ zijn in de zin van artikel III lid 4 van GATT 1994?

Vraag 2a

Wat wordt in de context van de doorwerking van het internationaal recht in de nationale rechtsorde bedoeld met de term ‘geldigheid’? (3 punten)

Vraag 2b

Leg uit welke twee nationaal-rechtelijke modellen kunnen worden onderscheiden met betrekking tot de doorwerking van een internationale regel in de nationale rechtsorde. (5 punten)

Vraag 3 (11 punten, ENGLISH- min. 150 words)

In the Armed Activities case (Congo v. Uganda) the International Court of Justice (ICJ) ruled that the use of force by Uganda was contrary to international law. International law, however, does allow for the use of force against other states under specific circumstances. Provide these exceptions to the prohibition on the use of force, and explain under what conditions they may be relied on.

Vraag 4 (30 punten)

Stel: Groningen zou zich graag afscheiden van Nederland. In overleg met de Nederlandse regering in Den Haag wordt hiertoe op zeer korte termijn een referendum uitgeschreven. De verwachting van de Nederlandse regering is dat de Noorderlingen zullen inzien “dat een eigen taal leuk is, maar dat onafhankelijkheid geen goed idee is”. De Groningse ja-campagne wordt echter een overdonderend succes en het overgrote deel van de Groningse bevolking blijkt vóór afscheiding te zijn. Gezien de overweldigende meerderheid ziet de Nederlandse regering in Den Haag geen andere mogelijkheid dan de uitslag van het referendum te respecteren. Groningen roept direct nadat de stemmen zijn geteld de onafhankelijkheid uit en heel Groningen stort zich in het feestgedruis. Alleen de mensen van het nee-kamp blijven protesteren. Zij voelen zich beperkt in het uitoefenen van haar rechten, aangezien bij verschillende demonstraties tegen de Groningse afscheiding mensen met een nee-bord zijn opgepakt. De politie stelt echter dat deze mensen niet vanwege de boodschap op hun demonstratie- bord zijn opgepakt maar vanwege verstoring van de openbare orde.

De volgende ochtend, nadat de eerste roes van het overwinningsfeest is verdwenen, komt de inderhaast gevormde Groningse interim-regering bij elkaar. Deze komt tot de conclusie dat de onverwachte onafhankelijkheid wel wat problemen met zich meebrengt. Zo is de rechtbank inLeeuwarden enkele jaren geleden goeddeels overgegaan naar Groningen. En door de oprichting van de nationale politie blijken er na de afscheiding nog maar erg weinig politieagenten in Groningen beschikbaar te zijn. De Groningse interim-regering vreest een chaos en schoorvoetend wordt besloten het nieuwe buurland Nederland om hulp te vragen. Uiteindelijk komt men overeen dat gedurende een overgangsperiode van 10 jaar Nederland het gezag in Groningen op zich zal nemen waarna de ontstane situatie opnieuw zal worden bekeken. De nuchtere Groningse bevolking haalt collectief de schouders op.....read more

Access: 
Public
Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2016 (2)

Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2016 (2)


Vragen

Vraag 1 (7 punten)

Leg de twee kenmerken uit aan de hand waarvan we internationaal‐rechtelijke normen kunnen onderscheiden van andere internationale normen.

Vraag 2 (totaal 8 punten)

Noem de vereisten voor de totstandkoming van een regel van internationaal gewoonterecht en leg deze eisen uit.

Vraag 3 (10 punten ENGLISH‐ min. 150 words)

The United Nations is currently involved in a large number of peacekeeping missions around the world. Explain the characteristics and legal basis of a traditional peacekeeping mission, and explain who can establish such missions.

Vraag 4 (30 punten)

Het zeer welvarende Koninkrijk der Bovenstaten hecht groot belang aan een schonere wereld. Op een schip varend onder Bovenstaatse vlag varen milieuactivisten de territoriale zee binnen van het ontwikkelingsland de Republiek Chani om daar voor de kust te protesteren tegen grootschalige vervuiling van een Chaninese rivier die uitmondt in de zee. Onmiddellijk nadat de regering van Bovenstaten geïnformeerd is over het protest maakt zij bij monde van de President op een persconferentie bekend dat het geheel en al achter de milieuactivisten staat.

Chani ziet het protest van de milieuactivisten binnen haar territoriale wateren als een inbreuk op de territoriale soevereiniteit en voelt zich genoodzaakt het schip van de activisten te bombarderen. De activisten weten uiteindelijk levend maar gewond met een reddingsbootje weg te komen en weten ternauwernood ‐ echter zonder toestemming ‐ de haven van Chani binnen te varen. Daar worden zij door de Chaninese politie uit het water gevist om vervolgens in de cel te belanden. Zodra de activisten in de gevangenis zitten, worden zij gemarteld door beveiligers van Safe&Secure, een private onderneming die bij wet de taak heeft gekregen van de Chaninese overheid om de gevangenissen in dat land te bewaken.

Als de pers lucht krijgt van de mishandelingen stelt de Chaninese regering dat het de martelingen ten zeerste afkeurt en dat de beveiligers tegen alle instructies in hebben gehandeld. De regering belooft het bedrijf niet meer in te huren. Dit is voor Bovenstaten niet voldoende; het land besluit Chani voor het Internationaal Gerechtshof (IGH) te dagen. Bovenstaten heeft de rechtsmacht van het Hof aanvaard in 1993 door middel van een facultatieve verklaring. Chani heeft een dergelijke verklaring nooit afgegeven maar komt op de eerste zittingsdag voor het Hof uitleggen dat Bovenstaten op alle punten in het ongelijk moet worden gesteld.

Hieronder volgen een aantal vragen aangaande deze casus.

Vraag 4a

Leg uit op welke verschillende manieren het IGH bevoegdheid kan verkrijgen om een geschil te beslechten en welk van deze manieren het meest waarschijnlijk van toepassing is op huidige casus, voor zover die betrekking heeft op de aantijgingen van Bovenstaten ten aanzien van Chani. (6 punten)

Vraag 4b

Leg uit of het protesteren door de milieuactivisten in de territoriale zee van Chani al dan niet kan worden toegerekend aan Bovenstaten......read more

Access: 
Public
Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2014 (1)

Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2014 (1)


Vragen

A-Deel. (70 punten, 7 punten per goed antwoord). U dient de vragen in het A-deel te beantwoorden in maximaal 7 regels.

Vraag 1

In het Handboek onderscheidt Nollkaemper vier typen van algemene rechtsbeginselen. Noem twee typen en geef van beide een voorbeeld.

Vraag 2

Het deel van het internationaal publiekrecht dat voornamelijk is gericht op het vreedzaam naast elkaar laten bestaan van onafhankelijke staten wordt ook wel aangeduid als het ‘recht van co-existentie’. Naast het recht van co-existentie hebben zich twee andere vormen van internationaal publiekrecht ontwikkeld. Noem deze twee vormen en leg kort uit wat ermee wordt bedoeld.

Vraag 3

Welke twee eisen worden gesteld aan statenpraktijk om tot de vorming van een regel van gewoonterecht te kunnen leiden?

Vraag 4

Geef een voorbeeld van een gesloten algemene internationale organisatie en van een open specifieke internationale organisatie en licht kort toe.

Vraag 5

De rivier Rhyna stroomt door het grondgebied van de staten Westerië en Mordoristan. Op 1 februari 2009 sluiten Westerië en Mordoristan een verdrag waarin zij afspreken om nader gespecifieerde industriële activiteiten in en rondom de rivier Rhyna te beperken met het oog op milieubescherming. Zij komen overeen dat dit verdrag per direct in werking treedt. Drie jaar na de inwerkingtreding van het verdrag zijn er verkiezingen in Westerië en komt een nieuwe politieke partij aan de macht die er denkbeelden op nahoudt die fundamenteel verschillen van de denkbeelden van de partij die aan de macht was ten tijde van het sluiten van het Verdrag in 2009. Binnen de nieuwe regeringspartij klinken geluiden die roepen om de eenzijdige beëindiging van het verdrag met Mordoristan.

Aan welke voorwaarden moet Westerië voldoen om een succesvol beroep te kunnen doen op een wezenlijke verandering van omstandigheden voor de eenzijdige beëindiging van het verdrag met Mordoristan?

Vraag 6

Wat is het verschil tussen nietigheid van een verdrag en vernietigbaarheid van instemming bij een verdrag? Geef een in het Weens Verdragenverdrag voorziene grond voor nietigheid van een verdrag en een voor vernietigbaarheid van instemming.

Vraag 7

Geef drie typen van eenzijdige handelingen die tot rechtsgevolgen kunnen leiden.

Vraag 8

Aan de hand van welke criteria kan worden beoordeeld of een samenwerkingsverband van twee of meer staten moet worden aangemerkt als een internationale organisatie met eigen rechtssubjectiviteit?

Vraag 9

In welke twee onbetwiste gevallen heeft een bevolkingsgroep recht op externe zelfbeschikking?

Vraag 10

Op grond van welke criteria moet worden beoordeeld of Palestina een staat is onder internationaal recht?

B-deel (30 punten)

Vraag 11

NRC 11 oktober 2013

Het Noorse Nobelcomité in Oslo maakt bekend dat de OPCW de prijs krijgt ‘voor haar uitvoerige inspanningen om chemische wapens te elimineren’. De Organisation for the Prohibition of Chemical Weapons houdt sinds 1997 toezicht op de naleving van de Conventie tegen Chemische Wapens (CWC) uit 1993 en is.....read more

Access: 
Public
Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2014 (2)

Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2014 (2)


Vragen

Deel A

Vraag 1 (7 punten)

Het uitgangspunt in internationaal recht is dat handelingen van staatsorganen aan de staat in kwestie kunnen worden toegerekend. Slechts in een beperkt aantal gevallen is het mogelijk dat handelingen van private personen of entiteiten aan de staat worden toegerekend. Noem en beschrijf twee van deze gevallen.

Vraag 2 (7 punten)

Op grond van artikel III van het General Agreement on Tariffs and Trade (GATT) is het staten verboden nationale producten te bevoordelen boven “gelijksoortige” producten (‘like products’) uit het buitenland. Aan de hand van welke criteria wordt de gelijksoortigheid van producten vastgesteld en speelt het productieproces van goederen hierbij een rol?

Vraag 3 (11 punten)

Explain the difference between the law concerning the use of force (jus ad bellum) and the law concerning the law of armed conflict (jus in bello or international humanitarian law); what is the place of each of these fields in the system of international law? As for the latter area of law: name and explain two generalprinciples of international humanitarian law applicable in international armed conflicts.

B-deel (60 punten)

Vraag 4 (8 punten)

In september 2013 voer Greenpeace (een non-gouvernementele organisatie) met het schip de Arctic Sunrise in de Pechorazee tussen Rusland en de Noordpool in de buurt van het Russisch boorplatform Prirazlomnaja. Vanaf de Arctic Sunrise is een tweetal activisten in een rubberboot naar het boorplatform gevaren met het doel een spandoek op te hangen. Zij hebben het

boorplatform beklommen. De Russische kustwacht heeft de Arctic Sunrise geënterd en het schip naar de haven van Moermansk gesleept en de dertig opvarenden zijn gearresteerd. Greenpeace betoogt dat de Arctic Sunrise zich op volle zee bevond ten tijde van de entering; Rusland, daarentegen, voert aan dat het schip zich in de Exclusieve Economische Zone van Rusland bevond. Bij deze vraag hoeft u geen rekening te houden met de juridische status van het boorplatform.

Maakt het verschil voor het antwoord op de vraag of Rusland het schip mocht enteren of het schip zich op volle zee dan wel in de EEZ bevond?

Vraag 5 (7 punten)

Rusland beschuldigde de actievoerders in eerste instantie van piraterij. Wat is de juridische relevantie van deze aanklacht voor het antwoord op de vraag of Rusland het schip mocht enteren? Ga er bij beantwoording van deze vraag van uit dat de actievoerders zijn gearresteerd op de volle zee.

Vraag 6 (6 punten)

Stel: de activisten van Greenpeace betogen voor de Russische rechter dat zij handelden in de uitoefening van de functie van deze organisatie en dat zij om die reden onder internationaal recht functionele immuniteit van Russische jurisdictie genieten. Hoe beoordeelt u dit argument?

Vraag 7 (9 punten)

Stel: de activisten van Greenpeace betogen dat het enteren van het schip en het arresteren van de leden van Greenpeace (en.....read more

Access: 
Public
Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2013

Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2013


Vragen

Vraag 1a

Turbana is een groot, bergachtig en dunbevolkt land in Centraal-Azië. Het land is relatief welvarend vanwege de aanwezige natuurlijke hulpbronnen zoals olie. Al ruim 40 jaar zijn dictator Hypolite Vladimir en zijn familie aan de macht. De roep om democratische hervormingen wordt echter steeds luider. Sinds het voorjaar van 2011 is er sprake van een escalerend geweld tussen de aanhangers van de familie Vladimir en de opstandelingen die democratische hervormingen eisen. Het regime van dictator Vladimir maakt zich hierbij schuldig aan grootschalige mensenrechtenschendingen. Er worden bombardementen uitgevoerd op verschillende steden, waarbij vele burgerslachtoffers vallen. Intussen zijn er aanzienlijke vluchtelingenstromen op gang gekomen en de opvangkampen in de naburige landen raken overvol.

In december 2011 komt de VN Veiligheidsraad in spoedzitting bijeen om de zorgwekkende situatie in Turbana te bespreken, In Resolutie 1987 worden de acties van het regime gericht tegen de bevolking sterk veroordeeld. Er blijkt echter binnen de VN Veiligheidsraad niet voldoende overeenstemming te bestaan voor het aannemen van een vervolgresolutie die het staten mogelijk zou moeten maken om all necessary measures aan te wenden om een einde te maken aan het conflict in Turbana. Een dergelijke resolutie wordt geblokkeerd door China, die goede banden onderhoudt met het regime van Vladimir.

Na een grootschalige aanval op de hoofdstad van Turbana in september 2013, waarbij gifgas wordt gebruikt en opnieuw honderden inwoners van de stad, waaronder veel kinderen, omkomen, is de maat vol voor de president van Aquaros, een buurland van Turbana. Hij is van mening dat niet langer passief kan worden toegekeken hoe dictator Vladimir zijn eigen bevolking aan het afslachten is. Bovendien kan zijn land de toenemende vluchtelingstromen niet meer aan en vreest de president dat Turbana de in zijn land aanwezige vluchtelingenkampen zal aanvallen. Ingrijpen met militaire middelen is daarom onmiddellijk vereist, zo stelt de president van Aquaros.

Als volkenrechtelijk adviseur van Aquaros wordt u om raad gevraagd. Onder welke voorwaarden zou Aquaros op dit moment binnen de grenzen van het geldende recht kunnen optreden om een einde te maken aan de situatie in Turbana en is in casu aan deze voorwaarden voldaan? Maak in uw antwoord onderscheid tussen de mogelijkheden voor militair ingrijpen op basis van nationale veiligheidsbelangen van Aquaros enerzijds en humanitaire overwegingen anderzijds.

Vraag 1b

De president van Aquaros kan de situatie niet langer aanzien. Op 9 oktober 2013 geeft hij het bevel om een grote olieraffinaderij in Turbana te bombarderen. Op hoopt op deze manier het regime van president Vladimir vleugellam te maken. De olieraffinaderij vormt namelijk een belangrijke bron voor inkomsten van het regime. Het bombardement wordt om twee uur ’s nachts uitgevoerd, omdat op dat moment geen werknemers in de raffinaderij aan de slag zijn. Helaas heeft de president van Aquaros echter niet alle factoren in zijn beslissing betrokken. Het bombardement vernietigt.....read more

Access: 
Public
Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2012

Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2012


Vragen

Vraag 1

Stelling I: het non-interventiebeginsel vereist dat het geweldverbod is geschonden. 

Stelling  II:  het  non-interventiebeginsel  brengt  mee  dat  staten  zich  niet  mogen mengen in de interne aangelegenheden van een andere staat.  

a.  beide stellingen zijn correct; 
b.  stelling I is correct maar stelling II niet; 
c.  stelling I is niet correct maar stelling II wel; 
d.  geen van beide stellingen is correct.  

Vraag 2

Begin dit jaar boog  de  Hoge Raad  zich over de  vraag of de Nederlandse rechter bevoegd  is  om  kennis  te  nemen  van  de  vorderingen  van  de  Stichting  Moeders  van Srebrenica  ten  aanzien  van  het  beweerdelijk  onrechtmatig  handelen  van  de Verenigde  Naties  in  1995  bij  de  bescherming  van  de enclave  Srebrenica  in  Bosnië Herzegovina. Welke stelling is niet correct?  

a.  De Hoge Raad oordeelde dat, op grond van de criteria die het Europees Hof voor de Rechten  van  de  Mens  heeft  ontwikkeld,  moet  worden  onderzocht  of  de  immuniteit van  de  VN  een  toelaatbare  beperking  op  het  recht  op  toegang  tot  de  rechter  (art.  6 EVRM) oplevert; 
b.  De Hoge Raad stelde voorop dat de VN niet kan worden gedaagd voor enig nationaal gerecht  van  de  landen  die  partij  zijn  bij  de  Convention  on  the  Privileges  and Immunities of the United Nations; 
c.  De  overwegingen  van  het  Internationaal  Gerechtshof in  de  zaak  “Jurisdictional Immunities  of  the  State  (Germany  vs.  Italy:  Greece intervening)”  werden  door  de Hoge Raad in zijn arrest werden uitvoerig en met instemming geciteerd; 
d.  Met immuniteit wordt beoogd het geheel onafhankelijk functioneren van de VN zeker te  stellen;  die  immuniteit  dient  dan  ook  zonder  meer  een  legitiem  doel,  besloot  de Hoge Raad. 

Vraag 3

Welke criteria voor de uitoefening van het recht op zelfverdediging onder artikel 51  van  het  VN  handvest  komen  in  het Legal  consequences  of  the  construction  of  a wall in the occupied Palestinian Territory advies  naar voren?  

a.  ten  eerste,  er  moet  sprake  zijn  van  een  gewapende  aanval;  ten  tweede,  die  aanval moet toerekenbaar zijn aan een andere staat; en ten derde, die aanval moet afkomstig zijn van buiten het grondgebied van de aangevallen staat; 
b.  er  moet  sprake  zijn  van  een  gewapende  aanval  of  een  ernstige  dreiging  van  zulke aanval;  ten  tweede,  die  aanval  moet  toerekenbaar  zijn  aan  een  andere  staat;  en  ten derde, die aanval moet afkomstig zijn van buiten het grondgebied van de aangevallen staat; 
c.  er  moet  sprake  zijn  van  een  gewapende  aanval;  ten  tweede,  die  aanval  moet toerekenbaar zijn aan een andere staat of aan een niet-statelijke actor die zich bevindt buiten het grondgebied van de aangevallen staat; 
d.  geen enkele van de bovenstaande antwoorden is juist.  

Vraag 4

Aan welke criteria moet een humanitaire interventie volgens Nederland voldoen?  

a.  er  moet  sprake  zijn  van  ernstige  en  massale  schendingen  van  fundamentele mensenrechten; 
b.  er moet betrouwbaar en objectief bewijs zijn van de schendingen of van  de dreiging daarvan; 
c.  de regering van de.....read more

Access: 
Public
Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2012 (2)

Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2012 (2)


Vragen

Vraag 1

Bevoegdheden van een internationale organisatie kunnen mede worden vastgesteld aan de hand van het leerstuk van “implied powers”. Leg uit wat dit leerstuk inhoudt.

Vraag 2

Leg uit op basis van welke criteria het beroepsorgaan van de Wereldhandelsorganisatie beoordeelt of een beroep op artikel XX GATT 1994 gerechtvaardigd is.

Vraag 3

Artikel 18 van het Europees Sociaal Handvest bepaalt:

De Overeenkomstsluitende Partijen erkennen:

[...] 4. het recht van hun onderdanen om het land te verlaten ten einde op het grondgebied van de andere Overeenkomstsluitende Partijen een op winst gerichte bezigheid uit te oefenen.

Leg uit of, in een geschil tussen een particulier en de staat, de Nederlandse rechter dezebepaling direct kan toepassen.

Vraag 4

Leg uit wat het verschil is tussen, enerzijds, een inmenging (of inbreuk) en, anderzijds, een schending van de rechten neergelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

Stel: Op 1 mei 2011 wordt de Deense hoofdstad Kopenhagen opgeschrikt door een aanslag op regeringsgebouwen. Enkele tientallen ambtenaren en burgers verliezen daarbij het leven. De aanslagen worden opgeëist door de terreurgroepering El-Nemo, die strijdt voor een schoner milieu. Het is algemeen bekend dat El-Nemo opereert vanuit het eilandstaatje Nauru. De regering van Nauru treedt niet op tegen El-Nemo. De regering verklaart in een persconferentie dat het sympathie heeft voor de doelstellingen van El-Nemo.

Vraag 5

Leg uit welke internationale rechtsplicht Nauru mogelijk heeft geschonden door niet op te treden tegen de terreurgroepering El-Nemo.

Op 1 juni 2011 wordt er een nieuwe aanslag gepleegd in Kopenhagen en opnieuw eist El-Nemo de aanslag op. De regering van Nauru laat nu in een officiële reactie weten de doelstellingen van El-Nemo te onderschrijven en volledig achter de aanslagen te staan. De President van Nauru verklaart op de nationale televisie pas maatregelen te zullen nemen indien de Westerse wereld een alomvattend klimaatverdrag sluit waarmee de uitstoot van broeikasgassen drastisch zal worden teruggedrongen. ‘De aanslagen zijn uit onze naam gepleegd’, zo verklaart de president, ‘want de stijging van de zeespiegel bedreigt ons bestaan’. Op 4 juni 2011 grijpt Denemarken gewapend in op het grondgebied van Nauru en bombardeert het aan de kust gelegen gebouwencomplex waarin El-Nemo haar hoofdkwartier heeft.

Vraag 6

Beoordeel de stelling van de Deense regering dat haar militair optreden in Nauru een gerechtvaardigde vorm van zelfverdediging is onder het internationale recht.

El-Nemo laat onder meer via videoboodschappen nog steeds van zich horen en Denemarken vreest nieuwe aanslagen. Denemarken, als lidstaat, richt een verzoek aan zowel de NAVO als de VN om militair in grijpen in Nauru. In de Veiligheidsraad wordt vervolgens lang gesproken over een ontwerpresolutie die het gebruik van alle noodzakelijke middelen tegen El-Nemo en Nauru zou autoriseren teneinde de terreurdreiging weg te nemen. De resolutie wordt niet aangenomen, omdat China en Rusland hun veto uitspreken. Daarop besluit.....read more

Access: 
Public
Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2011

Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2011


Vragen

Vraag 1

Onder welke voorwaarden mag een staat de eigendommen van een buitenlandse onderneming op haar grondgebied onteigenen?

Vraag 2

Noem drie verschillen tussen enerzijds militaire operaties waarbij de Veiligheidsraad staten machtigt om militaire maatregelen te nemen op basis van hoofdstuk VII VN-Handvest en anderzijds klassieke vredesbewaring (peacekeeping).

Vraag 3

Leg uit onder welke voorwaarden de Nederlandse rechter een besluit van een internationale organisatie dat wordt ingeroepen door een individu direct kan toepassen.

Vraag 4

a) Leg uit in welke situatie de instemming van een staat om gebonden te worden aan een verdrag nietig is

b) Leg uit wanneer een verdrag nietig is.

Twee naburige staten, Hobbanië en Malistan, zijn lid van de Verenigde Naties (VN) en partij bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). In Hobbanië leeft een grote groep Malistanezen, die zichzelf beschouwt als een apart volk dat dient te worden onderscheiden van de Malistanezen in Malistan. In Hobbanië breekt na jaren van vrede een gewapend conflict uit en een dictator grijpt de macht. Hij is van Hobbanese afkomst en besluit dat Malistanezen in Hobbanië niet meer mogen stemmen, zich niet verkiesbaar mogen stellen en geen openbare functies mogen bekleden. Op 1 oktober 2001 komen de Malistanezen in Hobbanië in opstand. Zij proberen de controle te krijgen over het noordelijk grondgebied van Hobbanië waarbinnen hoofdzakelijk inwoners met Malistaneze afkomst woonachtig zijn. Malistan sympathiseert met de opstandelingen en besluit hen vanaf 15 oktober 2001 te financieren en van wapens te voorzien. Vanwege de gewapende opstand in Hobbanië kondigt de Hobbanese dictator de noodtoestand af en schort tijdelijk de werking van het EVRM op. De Malistanese opstandelingen en sympathisanten worden zonder proces gevangengenomen. Onafhankelijke mensenrechtenorganisaties berichten over martelingen en buitengerechtelijke executies van deze gevangenen

Vraag 5

a. Geef aan of, en zo ja onder welke voorwaarden, Hobbanië van deze rechten mag afwijken in een noodtoestand.

b. Noem drie mensenrechten die in deze casus in het geding kunnen zijn.

Vraag 6

Kan Malistan aansprakelijk worden gehouden voor de handelingen van de opstandelingen?

Vraag 7

Hobbanië en Malistan zijn beide partij bij GATT 1994. In reactie op de beweerde schending van internationaal recht door Malistan besluit Hobbanië tot een importverbod op alle producten uit Malistan. Dit importverbod is strijdig met de verplichtingen van Hobbanië onder het GATT. Beoordeel of dit importverbod onder internationaal recht toch is toegestaan.

Op 1 januari 2002 besluiten de Malistanezen zich af te scheiden van de staat Hobbanië. Op 2 januari 2002 wordt de onafhankelijke staat Zuid-Hobbanië uitgeroepen. Hobbanië erkent de totstandkoming van deze nieuwe staat niet en meent dat de eenzijdige afscheiding in strijd is met het internationaal recht.

Vraag 8

Leg uit of de Malistanese opstandelingen in Hobbanië het recht hebben om zich af te scheiden van Hobbanië op basis van het recht op zelfbeschikking......read more

Access: 
Public
Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2009

Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2009


Vragen

Vraag 1

Gewoonterecht bestaat uit twee elementen. We lke elementen zijn di t? Geef van ieder element één concreet voorbeeld.

Vraag 2

Op 20 februari ontploft er een bom in een hotel in Apollonia. Na enig speurwerk van de politie van Apollonia blijkt dat de daders voornamelijk de nationaliteit hebben van Mercuria en zich ook op het grondgebied van Mercuria bevinden. Mercuria wil de daders berechten. 

a) Mag Apollonia de daders zelf arresteren op het grondgebied van Mercuria? Waarom wel/niet?

b) Op grond van welk beginsel mag Mercuria de daders zelf berechten?

Vraag 3

Beschrijf het collectieve veiligheidssysteem van de Verenigde Naties, zoals dat is neergelegd in het VN Handvest.

Vraag 4

Stel: als gevolg van vergaande milieuwetgeving zijn normale printers voortaan verboden wegens te vervuilend. Enkel milieuvriendelijke printe rs zijn nog toegestaan. Het Britse Human Packer produceert al milieuvriendelijke printers sinds de  jaren ’90, en is altijd een kleine speler geweest op de markt van prin ters. Human Packer printers werken met inktpatronen op waterbasis, zij pr oduceren geen enkele hitte en ze gebruiken tot 10% minder energie dan normale printers. Als gevolg van  de strenge milieuwetgeving worden de Human Packer printers plots een overweldigend succes; de verkoop verdrievoudigt en binnen een jaar beschikt Human Packer over een marktaandeel van 60% op de Europese markt.  Bij Office@Home, een van oorsprong Nederlandse keten in kantoorbenodigdheden, met vestigingen in meerdere landen van de Eur opese Unie, kunnen de inktpatronen van Human Packer printers worden bijgevuld; Human Packer levert Office@Home daartoe jaarlijks grote hoeveelheden inkt op waterbasis. Echter, na een succesvol jaar besluit Human Packer zelf een bijvul-service op te zetten om c liënten te bedienen. Daarom beëindigen zij de leveringen van inkt aan Office@Home. Office@Ho me vreest failliet te gaan. 

Is het handelen van Human Packer volgens u in strijd met een Europese mededingingsregel? Geef gemotiveerd aan waarom  wel of waarom niet. Wees volledig in uw antwoord en beargumenteer zorgvuldig.

Vraag 5

Als gevolg van de plotse immense populariteit van de Nordmann, een nieuwe kerstboomvariëteit, voelt de Deense Kerstboom Kwekers Organisatie (DKKO), de overkoepelende organisatie die de belangen behartigt van de Kerstboomkwekers in Denemarken, zich begin 2008 geroepen om naar haar leden richtlij nen uit te zenden met betrekking tot de prijzen die de kwekers moge n vragen aan de groot- en kleinhandelaren voor deze bomen. De Deense Mededingingsautoriteit is van mening van DKKO door zo te handelen de mededingingswetgeving overtreedt, ook gelet op het feit dat in de winter van 2008 de gemiddelde prijs van de kerstbomen met  25% is gestegen. Echter, de directeur van DKKO, de heer Oestergaard, meent dat de richtlijnen louter advies  en kennisoverdracht betreffen, en stelt dat “het rondzenden van cijfertjes niet illegaal is”. Bovendien zijn de prijzen van de bomen volgens de heer Oestergaard gestegen  als gevolg van de excessief gestegen vraag naar kwaliteitsbomen in binnen- en buitenland; de Nordmann kerstbomen   11verwerven immers steeds meer bekendheid in  West-Europa (ongeveer de helft van de Deense export gaat naar Duitsland), en zij worden.....read more

Access: 
Public
Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2008

Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2008


Vragen

Vraag 1

De buurlanden Magua en Natea hebben decennia lang tegen elkaar oorlog gevoerd. Beide landen hebben zich tijdens deze strijd schuldig gemaakt aan genocide. Eindelijk heerst er weer vrede. Bij wekelijkse informele bijeenkomsten hebben de presidenten van beide landen regelmatig verklaard dat zij nooit meer genocide willen plegen en bovendien alles willen doen om genocide te voorkomen. Dit hebben partijen steeds genoteerd in de notulen van de bijeenkomsten. Na een tijd van rust is het leger van Magua toch weer overgegaan tot het plegen van genocide. Vele burgers van Natea zijn inmiddels het slachtoffer geworden van deze genocide. Natea stelt, dat Magua in strijd handelt met zijn verplichtingen die voortvloeien uit het verdrag dat tijdens de informele bijeenkomsten werd gesloten. Het verdrag houdt volgens Natea in dat het plegen van genocide verboden is. Magua stelt, dat er geen sprake is van een verdrag.

a)     Is er sprake van een verdrag? Motiveer uw antwoord. 

NB: de vraag heeft betrekking op de vorm en niet op totstandkoming, inwerkingtreding of geldigheid van verdragen.

b) Op grond van welke andere rechtsregel zou het plegen van genocide verboden kunnen zijn?

Vraag 2

Lees het volgende bericht (Bron: Ministerie van Buitenlandse Zaken):

Somalië kampt al decennialang met conflicten en rivaliteit tussen (sub-) clans en belangengroeperingen onder leiding van elkaar bestrijdende krijgsheren. Het land gaat gebukt onder extreme armoede en kent al 16 jaar geen effectieve regering. […] De situatie werd sinds 2006 complexer door de opkomst van de Unie van Islamitische Rechtbanken (UIC), een groepering die zich langs godsdienstige lijnen verzet tegen de internationaal erkende overgangsregering (TFG) en de krijgsheren. […] De spanning tussen de UIC en de TFG liep in de tweede helft van 2006 hoog op. Diplomatieke initiatieven van de Arabische Liga en de regionale organisatie IGAD om een politieke oplossing voor het conflict te vinden liepen op niets uit waarop een militaire interventie volgde. In verrassend korte tijd heroverde de TFG, met steun van het Ethiopische leger en de VS, een groot deel van zuid-Somalië op de UIC. De situatie in het land blijft echter zeer instabiel. De UIC voert dagelijks guerilla-achtige aanvallen uit op de TFG. Een vredesmacht van de Afrikaanse Unie probeert de situatie in Somalië te stabiliseren.”

a) In hoeverre voldoet Somalië aan de kenmerken voor staat-zijn? (8 punten)

b) Als Ethiopië en de VS niet op verzoek van de overgangsregering TFG hadden gehandeld, maar in plaats daarvan op eigen initiatief militair zouden hebben ingegrepen, welke beginselen van internationaal recht zouden deze landen dan hebben geschonden?

Vraag 3

a) Onder welke voorwaarden mag een advies aan het Internationaal Gerechtshof gevraagd worden? Verwijs in uw antwoord naar relevante rechtspraak van het Hof.

b) Bespreek de verschillen tussen de contentieuze en adviserende rechtsmacht van het Internationaal Gerechtshof.

Vraag 4

Marguria en Bulenia zijn twee staten. Beide staten zijn.....read more

Access: 
Public
Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2006

Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2006


Vragen

Vraag 1

Om elk signaal van ‘hooliganisme’ bij de UEFE Cup finale dit jaar in Eindhoven in een vroeg stadium te voorkomen heeft de politie besloten preventieve arrestaties uit te voeren. Zo werd ook een groepje Leidse studenten opgepakt, dat hun zustervereniging wilde bezoeken. De studenten hebben de nacht in een cel door moeten brengen en zijn de volgende ochtend met excuses weer op straat gezet. De zaak komt uiteindelijk bij de Nederlandse rechter, die zich geconfronteerd ziet met de vraag of deze arrestatie een schending is van artikel 9.1 van het IVBPR

Artikel 9

Een ieder heeft het recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag worden onderworpen aan willekeurige arrestatie of gevangenhouding. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve op wettige gronden en op wettige wijze.

a) Mag de rechter aan deze specifieke bepaling toetsen?

Stel dat tijdens het proces vast komt te staan dat Nederland een geldig voorbehoud heeft gemaakt op art 9.1 IVBPR, wat een beroep op de bepaling dus uitsluit. De advocaat van een van de studenten stelt dat artikel 9.1 IVBPR inmiddels de status van gewoonterecht heeft verkregen en concludeert dat Nederland derhalve nog steeds verbonden is aan de inhoud van de bepaling.

b) Indien u ervan uit gaat dat de conclusie van de advocaat correct is, is toetsing van het artikel 9.1 IVBPR door de rechter dan alsnog mogelijk?

Vraag 2

a) Rechtssubjectiviteit omvat verschillende bekwaamheden. Welke bekwaamheden kunt u onderscheiden en welk rechtssubject komt alle bekwaamheden toe?

b) Ook internationale organisaties kunnen rechtssubjectiviteit bezitten. In welke uitspraak van Internationale Gerechtshof werd erkend dat de VN rechtspersoonlijkheid bezit en welke theorie past het Hof hierbij toe? Leg uit wat deze theorie inhoud.

Vraag 3

Op 27 oktober 2005, even na middernacht, breekt in een cellencomplex in de buurt van luchthaven Schiphol brand uit. Elf mensen die vastgehouden worden in dat complex komen om. Nabestaanden van deze mensen proberen de Nederlandse staat voor de rechter te dagen wegens schending van het recht op leven, maar zelfs de hoogste Nederlandse rechter geeft hen geen gelijk.

a) Welke mogelijkheden zijn er voor de nabestaanden om binnen de internationale rechtsorde een individuele klacht in te dienen tegen Nederland? Kunnen deze mogelijkheden gelijktijdig worden bewandeld?

De Belgische regering overweegt ook een klacht in te dienen tegen Nederland wegens overtreding van haar internationaal-rechterlijke verplichtingen. Geen van de overledenen heeft een link met België.

b) Kan België desondanks een internationale statenklacht indienen tegen Nederland? Zo ja, waar? Aan welke voorwaarden moet dan zijn voldaan?

Vraag 4

Edouard Vill is in 2005 gekozen tot president van Torturia. Hij besluit de kerstdagen in Justicia door te brengen. Op de tweede dag van zijn verblijf, wordt hij gearresteerd en aangeklaagd wegens misdaden tegen de menselijkheid. Volgens de Justiciaanse Aanklager is Vill tijdens de burgeroorlog.....read more

Access: 
Public
Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2005

Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Oefententamen 2005


Vragen

Vraag 1

Wat zijn de voordelen en de nadelen van het toestaan van voorbehouden bij verdragen? Ga in uw antwoord ook in op de vraag waarom sommige verdragen in het geheel geen voorbehouden toestaan.

Vraag 2

Het internationaal publiekrecht kent meer rechtssubjecten dan louter staten.

a) Wat duidt erop dat individuen internationale rechtspersoonlijkheid genieten?

b) In welk opzicht verschilt de status van het individu als rechtssubject van die van de staat?

Vraag 3

In land A wordt een bom tot ontploffing gebracht waarbij 100 slachtoffers vallen, waaronder 20 met de nationaliteit van land B. Deze aanslag wordt opgeëist door een groep die onder leiding.staat van een man die vervolgens opgepakt wordt in land C, dat wetgeving kent die vervolging van dit type misdrijven toelaat, ook als er geen directe banden met land C bestaan. Na de aanslag had deze man een bericht in de krant verspreid dat de regeringsgebouwen in land D het volgende doelwit zou zijn.

Welke landen kunnen deze man vervolgen en op grond van welke jurisdictiebeginselen? Motiveer uw antwoord

Vraag 4

 In Ypsotië woedt een burgeroorlog tussen de overheid en rebellenbeweging FYN (Free Ypsotië Now). Beide partijen maken zich schuldig aan gruwelijke mensenrechtenschendingen.

a) Kan de Veiligheidsraad een wapenembargo opleggen aan Ypsotië?

b) Kan Ypsotië zijn gedrag rechtvaardigen met een beroep op het recht op zelfverdediging?

Vraag 5

Tussen de staten Angustia en Barbossa bestaat een eeuwenoud conflict over een deel van de grenslijn. De ministers van buitenlandse zaken zijn in plaats Celcetti bijeengekomen om te overleggen over de situatie. Na afloop van deze bijeenkomst houden zij een persconferentie waarin zij een schriftelijke verklaring voorlezen. Hierin staat dat de ministers afgesproken hebben om over twee maanden verder te onderhandelen en indien dit mislukt het conflict voor te leggen aan het Internationale Gerechtshof. Angustia is echter in een diepe economische crisis beland en heeft zijn aandacht op andere zaken gericht. De twee maanden verstrijken zonder dat de onderhandelingen voortgezet worden. Barbossa stapt hierop naar het Internationale Gerechtshof en daagt Angustia. Daarbij doet Barbossa een beroep op de afspraken gemaakt in Celcetti.

a) Angustia gebonden onder internationaal recht aan de afspraken zoals neergelegd in de verklaring? Leg uit

b) Kan Angustia de klacht afhouden door zich te beroepen op het voorbehoud van Barbossa?

Vraag 6

Twee Nederlandse chartermaatschappijen, JetAir en BudgetFly, zijn zogeheten prijsvechters die voor een aantrekkelijk tarief vluchten van en naar Schiphol aanbieden. De twee directeuren van de maatschappijen kunnen het goed met elkaar vinden en spreken tijdens een diner een strategie af die zou moeten leiden tot een betere concurrentiepositie van beide ondernemingen. JetAir zal in het vervolg slechts vluchten naar bestemmingen buiten Europa verzorgen, terwijl BudgetFly de bestemmingen binnen Europa voor zijn rekening neemt. Beide directeuren zijn ervan overtuigd dat deze afspraak hun positie ten opzichte van de grote luchtvaartmaatschappijen.....read more

Access: 
Public
Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Extra oefenvragen

Internationaal Publiekrecht - UvA - B2 - Extra oefenvragen


Vragen

  1. Wat houdt het begrip rechtssubjectiviteit in?

  2. Wat voor criteria zijn er voor het verkrijgen van rechtssubjectiviteit?

  3. Wat zijn intergouvernementele organisaties en zijn het rechtssubjecten?

  4. Wat houdt een de facto regime in?

  5. Wat zijn non-gouvernementele organisaties en zijn het rechtssubjecten?

  6. Wat houdt soevereiniteit in en waarom gaat het vooraf aan de internationale rechtsorde?

  7. Uit welke drie onderdelen bestaat een soevereine staat?

  8. Bezit Nederland internationale rechtssubjectiviteit?

  9. Er zijn drie manieren om nieuwe staten tot stand te laten komen. Welke zijn dit? Licht ze kort toe.

  10. Wat houden de criteria van effectiviteit, legaliteit en erkenning kortgezegd in bij de juridische beoordeling van de totstandkoming van een staat?

  11. Wat is het beginsel van zelfbeschikking?

  12. Wat is het clean slate-beginsel?

  13. De meeste internationale organisaties kennen drie typen organen. Welke zijn dat?

  14. Hoe komt een internationale organisatie tot stand?

  15. Wat zijn het attributie- en het specialiteitsbeginsel?

  16. Welke twee voorwaarden zijn er voor staatsaansprakelijkheid?
  17. Welke twee soorten restitutie zijn er?

  18. Wanneer is een staat gelaedeerd en wanneer niet

  19. Op welke twee grondslagen berust het systeem van individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid?

  20. Welke beginselen zijn bij individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid van toepassing?

  21. Er zijn twee belangrijke aspecten in de doorwerking van internationale rechtsorde. Noem ze beide en leg ze uit.

  22. Welke drie aspecten zijn onderdeel van de mogelijkheden van de rechter om internationaal recht toe te passen?

  23. Hoe werkt internationaal recht door via Europees recht en wat gaat voor?

Antwoordindicatie

  1. Rechtssubjectiviteit kan verkregen worden wanneer een persoon of ander object mag deelnemen aan het internationale rechtsverkeer. Door het krijgen van rechtssubjectiviteit kan een entiteit bijvoorbeeld verdragen sluiten of onderworpen worden aan verplichtingen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen volledige en beperkte rechtssubjectiviteit. Alleen de staat krijgt volledige rechtssubjectiviteit. Andere internationale rechtssubjecten krijgen beperkte bekwaamheden en kunnen bijvoorbeeld geen verdragen sluiten.

    (Nollkaemper 2.1., nr 36, p. 43)

  2. In principe is de vuistregel dat wanneer een entiteit of persoon rechtssubjectiviteit bezit als zij ook internationale bevoegdheden, rechten en plichten bezitten. Dit is natuurlijk een cirkelberedenering omdat het begrip rechtssubjectiviteit juist aan zou moeten geven wanneer een entiteit of persoon dit bezit. Binnen staten is het vooral een politieke kwestie om rechtssubjectiviteit toe te kennen aan entiteiten en/of personen. Het effectiviteitsbeginsel speelt ook een rol. Als een entiteit effectief gezag uitoefent zal deze uiteindelijk rechtssubjectiviteit toegekend krijgen.

    (Nollkaemper 2.3. nr 39, p. 45 ev)

  3. Deze organisaties zijn opgesteld om publieke taken uit te voeren, bezitten internationale rechtspersoonlijkheid en lijken onafhankelijk van staten maar

  4. .....read more
Access: 
Public
Check how to use summaries on WorldSupporter.org


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
  3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
  4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Check related topics:
Activities abroad, studies and working fields
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
1529