Materieel Strafrecht - B2 - Rechten - UL - Oefententamen II


Vragen

Casus: Pech op de weg

Op 2 april 2015 heeft op de Sumatralaan in Schin op Geul (provincie Limburg) rond 23.00 uur een aanrijding plaatsgevonden tussen een Audi A5, met Peter van Alpen als bestuurder, en een rode Jaguar, bestuurd door Daan Spanenburg. Als gevolg van die aanrijding heeft Peter van Alpen zwaar lichamelijk letsel aan zijn voorhoofd en borst opgelopen.

De politie heeft onderzoek ingesteld naar de toedracht van de aanrijding en het volgende geconstateerd.

Uit het proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse d.d. 28 april 2015 blijkt het volgende:

De politie heeft op de plaats van het ongeluk sporen op het asfalt en aan de auto’s van het slachtoffer (Van Alpen) en de verdachte (Spanenburg) aangetroffen. De aangetroffen sporen zijn door het onderzoeksteam onderzocht. In de berm, gelegen naast de rijbaan, en op de rijbaan werden glassplinters aangetroffen. Direct achter de glassplinters werden op het asfalt krassporen en een rubberspoor aangetroffen. De auto van het slachtoffer is op de door die auto veroorzaakte afgetekende kras- en bandensporen geplaatst, om op die manier de plaats op de weg van het voertuig tijdens het moment waarop de aanrijding plaatsvond te bepalen. Daaruit werd geconstateerd dat het voertuig van Van Alpen zich tijdens de aanrijding voor driekwart in de berm en een kwart op de rijbaan heeft bevonden. Tevens werd op het wegdek een remspoor aangetroffen, gericht op de plaats van de aanrijding. Gezien de botspositie en de plaats op de weg van de auto van Spanenburg, hierna genoemd de verdachte, kan het niet anders zijn dan dat het rubberspoor afkomstig was van het linkervoorwiel van het voertuig van de verdachte. Op het moment van de botsing reed de de verdachte dus op de voor hem verkeerde weghelft. Ten tijde van het ongeval was het donker. De straatlantaarns stonden aan. Het asfalt was nat door overvloedige regenval. Hierna is aan de hand van de aangetroffen sporen de snelheid berekend, waarmee de verdachte bij benadering moet hebben gereden. De snelheid betrof bij het aanvangen van het remmen minimaal 64 kilometer per uur en maximaal 77 kilometer per uur. De maximumsnelheid op de Sumatralaan op de plaats van het ongeval bedraagt 60 kilometer per uur.

In het proces-verbaal van bevindingen van de politie d.d. 2 april 2015 staat onder meer het volgende:

Na de aanrijding bestond het vermoeden dat de de verdachte alcohol had genuttigd. Bij de de verdachte is een ademtest afgenomen. Daarna is een bloedproef uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het promillage van het bloed van de verdachte ten tijde van het onderzoek boven de wettelijke grens van 0,5 milligram alcohol per milliliter bloed gelegen was. Het alcoholgehalte bedroeg namelijk 0,68 milligram alcohol per milliliter bloed.

Verklaring van de verdachte Daan Spanenburg bij de politie d.d. 3 april 2015, voor zover relevant:

Ik reed op 2 april 2015 op de Sumatralaan in Schin op Geul. Ik had na mijn werk wat Chardonnay gedronken en was op weg naar huis. Ik zat alleen in de auto. Het is best mogelijk dat ik wat te hard reed, maar meer dan 70 kilometer per uur kan het niet zijn geweest denk ik. Ik wilde op een bepaald moment een andere auto gaan inhalen. Er waren geen tegenliggers, het was donker, maar het zicht was wel goed. De weg was goed nat. Het had die dag hard geregend en er had een stevige wind gestaan. Op het moment dat ik over de Sumatralaan reed, was het inmiddels weer droog, maar het waaide nog behoorlijk. Terwijl ik aan het inhalen was, zag ik ineens deels in de berm, deels op de rijbaan een auto staan.

Zijn achterlichten gedoofd, meen ik. Ik was sneller bij die auto, ik begreep later dat het een Audi A5 was, dan ik dacht. Ik trapte hard op de rem in een poging een botsing te voorkomen, maar het was jammer genoeg te laat. Ik raakte hem vrij hard. Ik raakte zelf in een slip maar kwam nog goed weg. Toen ik stil stond met mijn auto, ben ik uitgestapt en ben ik naar de andere auto gesprint. Ik wilde helpen, maar er stonden al mensen bij de A5. Ik vind het vreselijk dat het slachtoffer gewond is geraakt. Ik heb dat natuurlijk nooit gewild.

De officier van justitie besluit de verdachte Spanenburg te vervolgen voor overtreding van artikel 6 jo. artikel 175 lid 1, aanhef en onder b WVW 1994. De gedragingen maken volgens de officier van justitie dat sprake is van 'zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijden' waardoor een aanrijding is veroorzaakt als gevolg waarvan het slachtoffer Van Alpen zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen.

Vraag 1a

Kan naar geldend recht en op basis van de hiervoor omschreven feiten en omstandigheden worden bewezen dat de verdachte Spanenburg door zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijden een botsing heeft veroorzaakt waardoor Van Alpen zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen? Motiveer uw antwoord.

Vraag 1b

Zou naar geldend recht sprake kunnen zijn van schuld bestaande in roekeloosheid (artikel 6 jo. Artikel 175 lid 2, aanhef en onder b WVW 1994)? Ga in uw antwoord slechts in op de vraag of de in de rechtspraak van de Hoge Raad ontwikkelde omschrijving van roekeloosheid in rechte kan worden vastgesteld.

Vervolg van de casus

Op 9 april meldt zich bij de politie van Schin op Geul getuige Shannon de Bruyne die over het ongeval het volgende verklaart:

Ik liep op 2 april 2015 langs de Sumatralaan in Schin op Geul. Ik liep nog even een sigaretje te roken. Op een gegeven moment zag ik een auto, volgens mij was het een Jaguar, kleur rood, met een hoge snelheid over de Sumatralaan schieten. De auto reed goed snel langs mij, harder dan de snelheid die daar is toegestaan. Vlak achter hem reed een andere auto, een Alfa Romeo, kleur blauw, het kenteken weet ik niet precies, iets met 08 en JK. Het laatste deel van het nummerbord herinner ik me niet. Die Alfa Romeo reed ook hard. Gelet op de bewegingen van de Alfa Romeo en de Jaguar had ik het idee dat ze een spelletje met elkaar aan het spelen waren. De Alfa Romeo probeerde in te halen, de Jaguar blokkeerde dat. Ik liep vervolgens rustig verder en hoorde korte tijd later een harde klap. De Jaguar was tegen een andere auto aangereden, een Audi A5, die op de andere weghelft deels in de berm geparkeerd stond. De Alfa Romeo is gewoon doorgereden. Ik heb het alarmnummer gebeld en ben naar de Audi gelopen. Achter het stuur zat een man, hij was bewusteloos en had een geode hoofdwond. De ziekenauto kwam gelukkig snel.

Proces-verbaal van verhoor van getuige Harry den Blijkert, d.d. 27 april 2015, voor zover relevant:

Ik heb op 2 april 2015 een ongeval gezien op de Sumatralaan in Schin op Geul. Daarbij waren een paar auto's betrokken: een Jaguar, die de botsing heeft veroorzaakt, een Audi A5, waartegen door de Jaguar was aangereden, en een Alfa Romeo. De Alfa Romeo reed vóór de botsing vlak achter de Jaguar en probeerde hem in te halen. De Jaguar liet dat niet toe door zich breed te maken. Volgens mij was er sprake van een wedstrijd. De Alfa Romeo joeg de Jaguar op. De Jaguar haalde op enig moment een auto in, vlak voor de Audi. De Alfa Romeo reed toen nog steeds vlak achter de Jaguar. De Jaguar knalde vervolgens tegen de Audi aan. De Jaguar stopte en ik heb de bestuurder zien uitstappen. Ik heb zijn gezicht nog even van dichtbij gezien: hij was verschrikkelijk geschrokken. De tranen stonden in zijn ogen van schrik. De Alfa Romeo is volgens mij doorgereden.

In het proces-verbaal van bevindingen van de politie d.d. 11 december 2015 staat onder meer het volgende:

Wij, verbalisanten, hebben naar aanleiding van de verklaring van getuige Shannon de Bruyne in de database van de Rijksdienst voor het Wegverkeer gezocht naar een Alfa Romeo met het kenteken dat begint met 08-JK. Het onderzoek leverde één overeenkomende hit op van een Alfa Romeo met kenteken 08-JK-XD, op naam van Giovanni de Rossi. Giovanni de Rossi blijkt woonachtig in Schin op Geul.

Wij, verbalisanten, zijn, daartoe opgedragen door de officier van justitie, naar het adres van Giovanni de Rossi gegaan en hebben aangeklopt en hem daar in zijn huis aangetroffen. Wij hebben Giovanni de Rossi gezegd dat hij niet tot antwoorden is verplicht en als verdachte van het veroorzaken van een ongeval wordt aangemerkt. Giovanni de Rossi is door ons overgebracht naar het politiebureau en voorgedragen aan de hulpofficier van justitie.

Verklaring van Giovanni de Rossi d.d. 11 april 2014, voor zover relevant:

Ik ken Daan Spanenburg. Hij is een collega en vriend van me. Op 2 april 2015 hebben wij wat rode wijntjes gedronken na werk. We zijn toen naar huis gegaan, hij in zijn Jag, ik in mijn Alfa. We reden over de Sumatralaan. We reden te snel. Ik heb Daan misschien een klein beetje opgejaagd. Dat doen we wel eens vaker. Dat vinden af en toe wel lachen. Beetje de grenzen opzoeken. De ene keer rijdt hij voor, de andere keer ik weer. Deze keer reed Daan voorop. Het kan zijn dat ik op enig moment dicht bovenop hem zat. Ik heb de Audi niet zien staan. De Jaguar van Daan belette het zicht. Op enig moment haalde Daan een andere auto in. Ik wilde hetzelfde doen en gaf wat gas bij. Daarna trapte Daan heel hard op de rem. Hij knalde op een stilstaande auto in de berm. Ik wist op het nippertje te ontwijken en ben doorgereden. De schrik zat er goed in.

Verklaring van Daan Spanenburg d.d. 27 april 2015, voor zover relevant:

Giovanni de Rossi en ik zijn samen weggereden van ons werk. We begonnen op de Sumatralaan hard te rijden. Dat ik nu voorop reed was puur toeval. Giovanni joeg me inderdaad op. Ik keek geregeld in de achteruitkijkspiegel. We hadden niet van te voren afgesproken om te gaan racen tegen elkaar.

Vraag 2

De officier van justitie vraagt zich af of hij Giovanni de Rossi voor medeplichtigheid bij overtreding van artikel 6 jo. 175 lid 1, aanhef en onder b WVW 1994 kan vervolgen. Voldoet Giovanni de Rossi volgens u aan de voor deze variant van medeplichtigheid rechtens geldende voorwaarden? Licht uw antwoord toe.

Bij het beantwoorden van deze vraag hoeft u niet vast te stellen of Giovanni de Rossi dader is van het misdrijf als bedoeld in artikel 6 jo. 175 lid 1, aanhef en onder b WVW 1994.

Vervolg van de casus

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaart de verdachte Daan Spanenburg onder meer het volgende:

Terwijl Giovanni en ik de harder gingen rijden, werd ik gebeld. Het was mijn vrouw. U moet weten dat mijn vrouw al jaren manisch-depressief is. Ze is client bij een psychiater en ze krijgt medicijnen voor haar depressiviteit. De laatste dagen ging het niet lekker met haar. Ze voelde zich ontzettend depressief. Ze lag al een aantal dagen in bed, at weinig en verwaarloosde zichzelf. Ik probeer ermee te leven en haar mijn steun te geven waar ik kan. Dat gaat de ene keer beter dan de andere. Die avond zag ik er erg tegenop om weert terug naar huis te gaan, vandaar dat ik met mijn collega's wat had gedronken. Hoe dan ook, mijn vrouw belde mij dus op. Ze zei dat ze het gasfornuis had aangezet en ze zat te spelen met een aansteker. Veel zei ze niet over de telefoon. Wat ze wel zei was: "Zorg goed voor de kinderen." We hebben twee kinderen, twaalf en negen jaar oud. Omdat ik niet wist waar die waren en ik niet goed kon inschatten wat mijn vrouw wilde gaan doen, heb ik de snelheid opgevoerd en die Renault ingehaald. Gelukkig is er niets gebeurd; de buren roken de gaslucht en zijn gaan kijken bij mij thuis. Mijn kinderen waren gewoon thuis, ze lagen al te slapen. Ik moet er niet aan denken wat er was gebeurd als de buren gewoon thuis waren gebleven. Mijn kinderen zijn de hele wereld voor mij.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting voert de raadsman van Daan Spanenburg verweer:

U hebt mijn cliënt de ware reden van het te harde rijden horen vertellen. Hij moest zijn kinderen en zijn vrouw redden. Er zat niets anders op dan met te hoge snelheid te rijden en een auto in te halen. In de door mijn cliënt geschetste omstandigheden zou iedere vader en echtgenoot hetzelfde doen. Ik overleg aan de rechtbank stukken waaruit blijkt dat de vrouw van cliënt inderdaad manisch- depressief is en korte tijd na het ongeval enige tijd is opgenomen in een psychiatrische kliniek.

Vraag 3a

De rechtbank begrijpt dit betoog als een beroep op een strafuitsluitingsgrond. Op welke strafuitsluitingsgrond doet de raadsman van Spanenburg een beroep en heeft dit verweer naar geldend recht kans van slagen? Motiveer uw antwoord.

Vraag 3b

Stel dat de rechtbank het door de raadsman van Spanenburg gevoerde verweer honoreert, tot welke einduitspraak moet zij dan komen? Motiveer uw antwoord onder verwijzing naar alle relevante wettelijke bepalingen.

Vervolg van de casus

De aanrijding wekt veel ophef in de kleine gemeenschap van Schin op Geul. Het is het achtste ongeval met letsel in een jaar tijd op de Sumatralaan. In vijf van de acht gevallen ging het om een botsing met een geparkeerde auto in de berm. De bewoners hebben vaker verzocht de Sumatralaan veiliger te maken door het plaatsen van verkeersdrempels, het versterken van de straatlantaarns en het aanleggen van parkeerplaatsen. De gemeente reageerde niet.

Tijdens een vergadering van de gemeenteraad van de gemeente Valkenburg aan de Geul, waar Schin op Geul onder valt, korte tijd na het ongeval, wordt de verantwoordelijke wethouder aangesproken door verontruste gemeenteraadsleden. De wethouder erkent het probleem maar vindt het toch vooral de verantwoordelijkheid van de weggebruikers zelf. De gemeente heeft in ieder geval geen geld voor het aanpassen van de weg.

Enkele bewoners zitten niet bij de pakken neer. Ze wenden zich tot een in het strafrecht gespecialiseerde advocaat met de vraag of de gemeente kan worden vervolgd voor het misdrijf als bedoeld in art. 6 WVW 1994.

Vraag 4

Kan de gemeente naar geldend recht voor dit strafbare feit worden vervolgd? Motiveer uw antwoord.

Vraag 5

Stel, het feit is niet in Schin op Geul, maar net over de grens in België begaan. Spanenburg is, voordat de zaak in Nederland onder de aandacht van het openbaar ministerie is gekomen, voor dit feit onherroepelijk door de Belgische strafrechter veroordeeld. Peter van Alpen heeft de Belgische nationaliteit, Daan Spanenburg de Nederlandse. Het Nederlands openbaar ministerie neemt de zaak echter hoog op en wil Spanenburg voor overtreding van dit feit vervolgen. Kan het openbaar ministerie in de gegeven omstandigheden en naar geldend recht daartoe overgaan? In uw antwoord dient u zowel in te gaan op de vraag of Nederland jurisdictie heeft als op de vraag of sprake is van ne bis in idem.

Antwoordindicatie

Vraag 1a

Het betreft hier (art. 6 WVW Sr) schuld als bestanddeel: culpa. Culpa kan worden gedefinieerd als aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid. Om te bepalen of er in casu culpoos gehandeld is door Daan Spanenburg dient er gelet te worden op de volgende punten:

Ten aanzien van de objectieve zijde: aanmerkelijke onvoorzichtigheid (had hij anders moeten handelen?):

  1. Wat is de gedraging (inclusief causaliteit)?

  2. Wat is/zijn de norm(en)?

  3. Zijn die norm(en) in aanzienlijke mate geschonden?

Deze drie vragen dienen te worden beantwoord in de context van de aard van de gedraging en de omstandigheden van het geval.

Ten aanzien van de subjectieve zijde (had hij anders kunnen handelen?):

  1. Is de gedraging verwijtbaar?

Hierbij dient de vraag gesteld te worden of er sprake is van een schulduitsluitingsgrond

ad 1

De gedraging betreft het inhalen van een auto

(Causaliteit hier geen probleem en hoeft niet te worden vastgesteld).

ad 2

In het algemeen betreft de norm hier een veiligheidsnorm, namelijk het niet veroorzaken van ongelukken ofwel het niet in gevaar brengen van personen.

Meer concreet de navolgende verkeersnormen en verkeersvoorschriften

  • Te hard rijden op een nat wegdek

  • Het rijden op een verkeerde weghelft

  • Rijden met een te hoog alcoholpromillage

ad 3

Zijn die norm(en) in aanzienlijke mate geschonden?

De context van de aard van de gedraging en de omstandigheden van het geval zijn als volgt.

Blackout: enkele overtreding kan, afhankelijk van aard/ernst gedraging/overtreding.

Dit dient beoordeeld te worden aan de hand van de volgende punten:

  • Spanenburg haalde een auto in, waarbij hij op de voor hem verkeerde weghelft reed

  • Hij reed tussen de 64 en 77 km/u op een weg waar max 60 km/u is toegestaan; derhalve gezien ook zijn verklaring tussen de 10 en 17 km/u te hard

  • Er was sprake van een nat wegdek en het waaide

  • Het was 23.00 uur 's avond 2 april, dus donker afgezien van de straatverlichting

  • Teveel alcohol: 0,68 mg apm bloed (wettelijke grens = 0,5)

Spanenburg hield zich derhalve niet aan de verkeersveiligheidsnormen en de genoemde ongeschreven norm. Dus meerdere veiligheidsnormen zijn hier overtreden.

Geoorloofd risico (toetsen aan rechtsbelang geschonden norm)

Spanenburg heeft door zo te handelen geen geoorloofd risico genomen. Het rechtsbelang dat hier op het spel staat is het leven en gezondheid van personen. Daan Spanenburg was zich van bovenvermelde omstandigheden bewust. Desalniettemin neemt hij het risico door in te halen en zich daarbij op een voor hem verkeerde weghelft te begeven. Gezien het bovenstaande zou je kunnen stellen dat Daan geen geoorloofd risico heeft genomen.

Garantenstellung

Ja, van een automobilist wordt een hogere standaard verwacht dan van een voetganger of fietser. Daan Spanenburg had zodoende een zware zorgplicht - Verpleegsterarrest.

Voorzienbaarheid

Ook was de botsing en het letsel voorzienbaar. Daan Spanenburg moest, gelet op de feiten en omstandigheden en de verkeersnormen, kunnen voorzien dat het inhalen van de andere auto (zijn gedrag) onvoorzichtig zou zijn en tot bepaalde gevolgen zou kunnen leiden. Het is (objectief) voorzienbaar dat overschrijding van de eerder genoemde normen en verkeersregels tot slachtoffers kan leiden. (dH De voorzienbaarheid is bij art 6 WVW zelden een probleem door het gedetailleerde stelsel van gedragsvoorschriften. Dan kan de voorzienbaarheid in belangrijke mate worden geobjectiveerd: overtreding van een verkeersvoorschrift kan immers naar algemene bekendheid tot een bepaald gevolg leiden.)

Tussenconclusie

Gezien het bovenstaande dient te worden geconcludeerd dat de gedraging van Daan Spanenburg aanmerkelijk onvoorzichtig was.

Verwijtbaar

De gedraging is daarnaast ook verwijtbaar. Wanneer iets vermijdbaar is, is het doorgaans ook verwijtbaar. Hij was zich bewust van de omstandigheden en het overtreden van de verkeersregels (normen) voor een veilig verkeer. Desondanks heeft hij de andere auto ingehaald met alle gevolgen van dien.

Daarnaast is er geen sprake van een schulduitsluitingsgrond.

Conclusie van dit alles: Ja, het bestanddeel culpa kan bewezen worden.
Zie ook paragraaf 4.5 van de samenvatting Materieel Strafrecht

Vraag 1b

Arrest Roekeloosheid NJ 2014, 30

Of in een concreet geval sprake is van roekeloosheid in de zin van art. 175, lid 2 aanhef en onder b, WVW 1994 vergt een beoordeling van de specifieke omstandigheden van dat geval.

Om tot het oordeel te kunnen komen dat in een concreet geval sprake is van roekeloosheid zal de rechter zodanige feiten en omstandigheden moeten vaststellen, dat daaruit is af te leiden:

  • dat door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen; van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm is met andere woorden slechts sprake in uitzonderlijke gevallen; en

  • dat de de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.

In dit arrest was sprake van het navolgende samenstel van gedragingen van de de verdachte.

Verdachte:

  • was in de bebouwde kom te midden van andere weggebruikers verwikkeld in een snelheidswedstrijd met een andere automobilist,

  • heeft gereden met zeer grote overschrijding van de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km per uur en zonder bij de nadering van een bocht snelheid te verminderen,

  • waarna hij de controle over zijn auto heeft verloren en met een groot snelheidsverschil is aangereden tegen de auto waarin 2 slachtoffers reden.

Aldus deed zich volgens de HR hier een uitzonderlijk geval in de hiervoor bedoelde zin voordoet.

In casu

  • Spanenburg haalde een auto in. Hij reed op de verkeerde weghelft.

  • Hij reed tussen de 64 en 77 km/u op een weg waar max 60 km/u is toegestaan; derhalve gezien ook zijn verklaring tussen de 10 en 17 km/u te hard. Niet heel ernstig te hard zoals in het arrest Roekeloosheid.

  • Het wegdek was nat en het waaide.

  • Het betrof 23.00 uur 's avonds op 2 april, dus het was donker afgezien van de straatverlichting

  • Teveel alcohol op: 0,68 mg apm bloed (wettelijke grens = 0,5), derhalve niet extreem.

Gezien het bovenstaande is weliswaar onvoorzichtig gehandeld, maar niet dermate onvoorzichtig dat hier sprake is van een uitzonderlijk geval. Ook kan worden vastgesteld dat er sprake is van bewuste schuld. Dit blijkt uit de verklaring van de verdachte Spanenburg tav het alcoholgebruik, de harde snelheid en het natte wegdek. Het (auto)verkeer in de WVV is zeer gereguleerd. Hieruit kan een hoge mate van bewustheid worden afgeleid.

Totaaloordeel

Roekeloosheid in de zin van artikel 175, tweede lid aanhef en onder b, WVW 1994 kan in casu niet in rechte worden vastgesteld

Zie ook paragraaf 4.5 van de samenvatting Materieel Strafrecht

Vraag 2

Inleiding

In deze casus staat het leerstuk deelneming centraal, meer specifiek de medeplichtigheid, artikel 48 Sr.

Om vast te stellen of sprake is van medeplichtigheid, dient te worden getoetst aan een viertal vereisten (accessoriteit, behulpzaamheid of verschaffen gelegenheid/middelen/inlichtingen, dubbel opzet, effectiviteitsvereiste)

Toepassing

Vereiste 1: accessoriteit

Norm: Is sprake van accessoriteit (sprake van een misdrijf)?

Feitelijke toets: sprake is van een misdrijf.

Het gaat in casu om zwaar lichamelijk letsel door schuld, art. 6 jo. art 175 lid 1, aanhef en onder b WVW 1994.

Vereiste 2: behulpzaamheid

Norm: Gevraagd wordt of de officier van justitie Giovanni de Rossi voor medeplichtigheid bij overtreding van art. 6 jo. Art 175 lid 1, aanhef en onder b WVW 1994 kan vervolgen. Deze formulering duidt op een specifieke variant van medeplichtigheid, te weten simultane ofwel gelijktijdige medeplichtigheid (art. 48 sub 1 Sr). Getoetst dient te worden of de verdachte behulpzaam was bij overtreding van dit misdrijf.

Feitelijke toets: Verdedigbaar is dat sprake is van behulpzaamheid bij zwaar lichamelijk letsel door schuld in de zin van art 6 WVW. Dit is het geval gelet op de inhoud van de verklaringen: 'we hebben elkaar opgejaagd' en dat doen we wel eens vaker'. Ruimte laten om de specifieke onderbouwing en argumentatie van studenten te beoordelen.

NB: gedacht kan overigens worden aan medeplichtigheid door nalaten. In dat geval dient een rechtsplicht tot handelen te worden vastgesteld (arrest Honden Peter). Daarvan is echter in casu geen sprake: een enkel voornemen van een de verdachte tot het begaan van een misdrijf doet niet een rechtsplicht ontstaan bij een ander (bij wie dit voornemen bekend is) om dit misdrijf te beletten. Aangenomen kan worden dat dit eveneens geldt met betrekking tot aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag (indien dit bekend is bij een ander).

Vereiste 3: dubbel opzet

Norm: dubbel opzet vereist. Opzet op de medeplichtigheid (behulpzaamheid) en opzet op grondfeit (lichamelijk letsel door schuld).

  • Opzet op de behulpzaamheid

Norm: Om vast te stellen of sprake is van opzet op de behulpzaamheid dient te worden vastgesteld of de verdachte willens en wetens behulpzaam is geweest. Als ondergrens van opzet is het vaststellen van voorwaardelijk opzet (bewust aanvaarden aanmerkelijke kans) voldoende.

Feitelijke toets: eerst vol opzet toetsen: gesteld kan worden - op basis van de verklaringen van de verdachten - dat Giovanni de Rossi willens en wetens behulpzaam was bij het aanmerkelijk onvoorzichtige rijgedrag. Overigens kan dit ook worden vastgesteld met voorwaardelijk opzet.

  • Opzet op het gronddelict

Norm: Het gaat in casu om een culpoos delict. In dat geval wordt opzet van de medeplichtige beperkt tot de gedraging (in casu de behulpzaamheid), ten aanzien van het door culpa bestreken bestanddeel volstaat een schuldverwijt (ofwel een zekere mate van aanmerkelijke onvoorzichtigheid).

Feitelijke toets: deze norm hoeft niet feitelijk te worden getoetst, zie de opmerking bij de vraag op het tentamen.

Vereiste 4: effectiviteitsvereiste

Norm: het handelen van de verdachte dient enig effect, enige bijdrage te hebben gehad in de totstandkoming van het misdrijf waarvoor wordt vervolgd. Dit hoeft niet van doorslaggevende of substantiële betekenis te zijn.

Feitelijke toets: Het handelen van de verdachte Giovanni de Rossi (het opjagen van Daan Spanenburg) heeft bijgedragen aan de totstandkoming van het misdrijf (zwaar lichamelijk letsel door schuld), omdat aannemelijk is/uit de casus blijkt dat het opjagen leidde tot verhoging van de snelheid en dus aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag.

Conclusie

De vervolging van medeplichtigheid aan zwaar lichamelijk letsel door schuld (art. 6 io. 175 lid 1, aanhef en onder b WVW 1994) heeft kans van slagen: er is voldaan wordt aan alle vier de vereisten.

Zie ook paragraaf 7.1/7.5 van de samenvatting Materieel Strafrecht

Vraag 3a

Hij zal zich beroepen op de rechtvaardigingsgrond overmacht in de zin van noodtoestand zoals opgenomen in artikel 40 WSr.

Zoals is vastgesteld in het Opticien arrest is deze rechtvaardigingsgrond is aanwezig indien er sprake is van een conflict van plichten en/of belangen, waarbij de dader door het plegen van een strafbaar feit terecht een ander, zwaarder wegend, (maatschappelijk) belang heeft gediend

Vastgesteld moet worden:

  • Of er sprake is van conflicterende belangen

In het onderhavige geval zijn de conflicterende belangen het belang dat de vrouw en kinderen van Spanenburg in leven blijven en het belang om de wegenverkeerswet na te leven door niet de maximumsnelheid te overtreden.

  • Of het door de verdachte gekozen belang inderdaad zwaarder weegt dan het belang dat wordt beschermd door de overtreden norm? (proportionaliteit)

Verdachte heeft er voor gekozen om het belang van het in leven blijven van zijn vrouw te laten prevaleren boven de wettelijke norm om de snelheid te handhaven. Vast is komen te staan dat de vrouw van de verdachte inderdaad leidt aan een psychische aandoening - manische depressiviteit - en hiervoor ook opgenomen is geweest. Op het moment dat de verdachte naar huis belt en van zijn vrouw te horen krijgt dat zij het gas heeft opengedraaid en speelt een aansteker terwijl ze zegt "Zorg goed voor de kinderen" is het gezien voornoemde omstandigheden en gegevens dan ook te begrijpen dat hij haar serieus neemt en echt van mening is dat zij zich van het leven zal gaan beroven. In die zin is het niet alleen begrijpelijk dat hij zo snel mogelijk naar huis wil rijden om haar tegen te houden, tevens kan over het algemeen gesteld worden dat het leven een dermate zwaarwegend belang is dat dit het overschrijden van een verkeersnorm - zeker in deze omstandigheden - zal rechtvaardigen. Spanenburg heeft dus proportioneel gehandeld.

  • Of er een andere oplossing mogelijk was geweest, die een lichter of geen strafbaar feit had opgeleverd? (subsidiariteit)

Hoewel de verdachte proportioneel heeft gehandeld, kunnen er bij de subsidiariteit van diens handelen vraagtekens worden gezet. Er waren immers tal van wegen die de verdachte beter had kunnen bewandelen om zijn vrouw tegen te houden. Zo had hij 112 kunnen bellen of de buren er op af kunnen sturen. Niet alleen waren die oplossingen veel sneller en plausibeler geweest gegeven de ernst en de urgentie van de omstandigheden, tevens hadden deze oplossingen niet geleid tot een strafbaar feit.

  • Was de handeling van de verdachte geschikt om het doel wat hij voor ogen had, te bereiken (het adequatevereiste)

In het licht van hetgeen ten aanzien van het subsidiairiteitsvereiste is bepaald, namelijk dat de verdachte gegeven de omstandigheden en de hem op dat moment bekende informatie beter andere - snellere en efficiëntere - wegen had kunnen bewandelen om te voorkomen dat zijn vrouw zichzelf en/of haar kinderen geweld aan zou doen, moet geconcludeerd worden dat aan het adequatievereiste niet is voldaan.

Het verweer zal dus geen kans van slagen hebben vanwege het niet hebben voldaan aan het subsidiairiteitsvereiste.
Zie ook paragraaf 5.1/5.2 van de samenvatting Materieel Strafrecht

Vraag 3b

Spanenburg wordt vervolgd voor artikel 6 jo. 175 lid 1, aanhef en onder b WVW 1994, dood door schuld in het verkeer met lichamelijk letsel tot gevolg. Dit is een culpoos delict waarbij wederrechtelijkheid deel uitmaakt van het bestanddeel schuld.

Overmacht in de zin van noodtoestand is een rechtvaardigingsgrond. Een succesvol beroep op een rechtvaardigingsgrond zal de wederrechtelijkheid - onderdeel van de culpa - aantasten waardoor het feit niet bewezen zal kunnen worden (art. 350 Sv, eerste vraag).

Conform artikel 352 lid 2 Sv zal de einduitspraak vrijspraak moeten volgen.

Vraag 4

Art. 51 lid 2 Sr bepaalt dat strafvervolging kan worden ingesteld tegen een natuurlijke persoon en een rechtspersoon. Een gemeente is een rechtspersoon (art. 2:1 BW). De gemeente is een bijzondere rechtspersoon, namelijk een publiekrechtelijke rechtspersoon . Vervolging daarvan is volgens de Hoge Raad in beginsel uitgesloten (Volkel-arrest)

In het arrest Pikmeer II heeft de Hoge Raad echter bepaald dat een publiekrechtelijke rechts-persoon, anders dan de staat, vervolgbaar is. Dat is volgens de Hoge Raad slechts het geval wanneer de (tenlastegelegde) gedragingen naar hun aard en gelet op het wettelijk systeem niet anders dan door bestuursfunctionarissen kunnen worden verricht in het kader van de uitoefening van de aan het openbaar lichaam (in dit geval dus de gemeente) opgedragen bestuurstaak, zodat is uitgesloten dat derden op gelijke voet als het openbaar lichaam aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. In andere gevallen is er geen aanleiding immuniteit aan te nemen en kan het openbaar lichaam als rechtspersoon worden vervolgd op de voet van art. 51 lid 2, onder 2° Sr.

In casu is de vraag of de rechtspersoon kan worden vervolgd voor overtreding van art. 6 WVW 1994, het door schuld veroorzaken van een verkeersongeval. Hier moet worden opgemerkt dat de schuld er dan in bestaat het niet aanpassen van de weg door het aanleggen van parkeervakken, het plaatsen van verkeersdrempels en het versterken van de straatverlichting als gevolg waarvan het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Zijn het verrichten van deze werkzaamheden te beschouwen als gedragingen die naar hun aard en gelet op het wettelijk systeem slechts kunnen worden verricht in het kader van de uitoefening van de aan de gemeente opgedragen bestuurstaak? Dat valt toch onmogelijk vol te houden; die werkzaamheden kunnen immers ook door een aannemersbedrijf worden verricht.

Conclusie: de gemeente kan voor overtreding van art. 6 WVW 1994 worden vervolgd.

Zie ook paragraaf 2.4/2.6/3.1/4.6 van de samenvatting Materieel Strafrecht

Vraag 5

Op grond van art. 7 lid 1 Sr heeft Nederland in beginsel rechtsmacht. In deze bepaling is het zogenaamde actief personaliteitsbeginsel vervat, hetgeen jurisdictie geeft aan het Nederlandse OM indien een Nederlander zich in het buitenland schuldig maakt aan een misdrijf, dat in dat (buiten)land tevens bestraft kan worden (De Hullu, p. 142-143). Spanenburg wordt verdacht van overtreding van artikel 6 jo. artikel 175 lid 1, aanhef en onder b WVW 1994.

Op basis van art. 178 lid 1 WVW is dit een misdrijf in Nederland . Gegeven is dat Spanenburg voor dit feit door de Belgische strafrechter is veroordeeld, waardoor dit feit ook in dat (buiten)land strafbaar is. Hiermee is voldaan aan het in art. 7 lid 1 gestelde, waardoor geconcludeerd moet worden dat Nederland op grond van het actief personaliteitsbeginsel rechtsmacht ten aanzien van dit feit en deze de verdachte toekomt.

Voor de vraag of het OM in Nederland tot vervolging kan overgaan is echter tevens van belang dat er geen redenen zijn waarom het recht op vervolging is vervallen, zoals het ne bis in idem-beginsel. Ook een veroordeling in het buitenland kan strijd met het ne bis in idem-beginsel opleveren op grond van art. 68 lid 2 Sr . Dit lijkt de mogelijkheid tot vervolging in de weg te staan.

Echter, art. 68 lid 2, onder 2 bepaalt dat hiervan pas sprake is indien de straf geheel is uitgevoerd, verjaard of er gratie verleend is (zie ook De Hullu, p. 518-521). In de opgave is hierover niets opgenomen, waardoor ervan uitgegaan mag worden dat van een van deze omstandigheden geen sprake is. Hierom moet geconcludeerd worden dat er geen sprake is van ne bis in idem.

Slotconclusie luidt dan ook dat het Nederlandse OM naar geldend recht tot vervolging kan overgaan.

Zie ook paragraaf 1.4 van de samenvatting Materieel Strafrecht

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of Rechten World Supporter
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
30 1
Selected Categories
Promotions
wereldstage wereldroute

Tussenjaar of sta je op het punt op kamers te gaan?

Wereldroute biedt jou een leerzaam en onvergetelijk Student Prepare Program aan