Collegeaantekeningen - Inleiding staats- en bestuursrecht - B1 - UU

Collegeaantekeningen te gebruiken bij het vak Inleiding staats- en bestuursrecht, Rechtsgeleerdheid jaar 1, Universiteit Utrecht, geupdate in 2016-2017.


[toc ]

Hoorcollege Week 1

Publiekrecht is de verticale verhouding tussen overheid en burger.

Staatsrecht houdt zich primair bezig met grondslagen:

  • Statuut en grondwet en organieke wetten (bv. kieswet, gemeentewet etc.)

  • Politiek staatsrecht (regering-parlement-ambtenarij)

  • Decentralisatie (o.a. provincie- en gemeenterecht)

  • Grondrechten

  • Verhouding politiek-rechter

  • Verhouding Europees rechter

Bestuursrecht (het dagelijkse staatsrecht, bv. vreemdelingenrecht) betreft:

Technische wetgeving en uitvoering, de normen voor bestuur (algemene beginselen voor behoorlijk bestuur) en het regelt de rechtsbescherming voor de burger indien hij een procedure start tegen de overheid.

Organieke wetten

Organieke wetten zijn wetten die gevormd worden door de Grondwet . Het moet een wet zijn die de gemeentelijke verhoudingen regelt.

De grondslagen voor het oprichten van een staat zijn vooral het publieke belang. Men wil graag de orde, rust en veiligheid waarborgen. De staat heeft daarmee stevige bevoegdheden. Je hebt geen andere keus dan de Nederlandse staat met betrekking tot centrale bevoegdheden op te volgen. Dit zijn vaak eenzijdig bindende besluiten, omdat een consensus over veiligheid bijvoorbeeld onrealistisch is. Er zijn verscheidene meningen en de staat moet gewoon voorzien in de basisbenodigdheden zonder dat de burgers daar tegenin kunnen gaan. Centraal in het staatsrecht staat dus het indammen en de aanvaardbaarheid van overheidsgezag. De staat moet wel voldoen aan een aantal kwaliteitseisen. Dit zijn onder meer rechtsstatelijkheid en democratie.

Een staat is een georganiseerd verband van burgers en een overheid met territoriale grenzen, waarbij de overheid soeverein (het hoogste gezag) is en de staat volkenrechtelijk als staat erkend wordt door andere staten en internationale organisaties.

Ontstaan moderne Staten (staatsrecht)

Rond 1000-1500 was de leidende theorie die van de theocratie. Een theocratie is een staatsvorm waarin de godheid als onmiddellijke gezagsdrager wordt beschouwd. Rond deze tijd kwam ook het feodalisme op. Dit is het stelsel waarin leenheren en leenmannen de dienst uitmaakten door middel van een leenstelsel. De leenheer kreeg onvoorwaardelijke trouw van de leenman (bijvoorbeeld door voor hem te strijden tijdens een oorlog) en in ruil daarvoor kreeg de leenman een stuk grond van de leenheer om grondstoffen op te verbouwen. De eerste kreuken die kwamen in dit heersende gezag, kwamen voort uit de Magna Charta van 1215. Dit werd door Engelse leenmannen afgedwongen omdat zij vonden dat de koning zijn macht misbruikte. Deze Charta zorgde voor onrust en revolutie, omdat voor het eerst vrijheden en rechtspraak naar voren kwamen. Vanaf de 16e en 17e eeuw stonden godsdienst- en burgeroorlogen centraal in de Westerse wereld. De band tussen de vorst en zijn onderdanen stond nog in het teken van theocratie, maar vertoonde ook natuurrecht-verschijnselen volgens de contractsleer. Enkele voorbeelden hierbij zijn de Onafhankelijkheidsstrijd in de Verenigde Staten, de opstand van burgers tijdens de Franse revolutie in 1789 en de Bataafse staatsregeling van 1798. In beginsel gold er een regime van vrijheid, beperkt door algemene wetten.

En vergaand kiesrecht; gelijkheid voor de wet

Het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581 en de Vrede van Westfalen van 1648 leverden erkenning op van de soevereine staten dat de chaotische periode meer ordelijk moest gaan verlopen. Dit is ook terug te zien in de Vrede van Munster.

Belangrijke data die hebben geholpen aan de totstandkoming van de Nederlandse staat:

  • 16e eeuw bloedige godsdienstoorlog tegen Spanje

  • Tachtigjarige oorlog (1568-1648)

  • 1579 Unie van Utrecht, 1581 Plakkaat van Verlatinghe

  • 1648 Vrede van Münster: Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden

  • 1795 Bataafsche Republiek (na revolutie)

  • 1798 Bataafsche Staatsregeling

  • 1806-1810 Koninkrijk Holland: Lodewijk Napoleon

  • 1810-1813 Franse inlijving

  • 1813/1814 Soeverein Koninkrijk: koning Willem I vanaf 1815

Macht van de overheid indammen en accepteren: rechtsstaat en democratie

Rechtsstaat: de staat, de overheid, is gebonden aan het recht

De klassiek-liberale rechtsstaat, de zgn. ‘nachtwakerstaat’ (19e eeuw) heeft als kenmerk dat de overheid er is voor openbare orde en verder niet. De VVD hanteert dit principe. Het trefwoord hier is vrijheid. De orde en rust worden bewaakt en de vrijheidsrechten worden gehonoreerd. Het principe van een vrije markteconomie speelt hier ook een grote rol in. De klassiek-liberale rechtsstaat gaat nog niet zo ver dat er een democratie is, er is slechts censuskiesrecht. Daar is sprake van als bij verkiezingen het stemrecht is voorbehouden aan personen die vermogend genoeg zijn om minimaal een bepaald bedrag aan belastingen te betalen.

Rechtsstaat heeft democratie

Bij de democratische rechtsstaat (2e helft 19e eeuw, begin 20e eeuw) is het trefwoord gelijkheid. In deze periode kwam er een uitbouw van de positie van het parlement, het terugdringen van de macht van de koning stond centraal. Dit werd onder andere gedaan door een geleidelijke uitbreiding van het kiesrecht. In 1917 kwam er algemeen kiesrecht voor mannen en in 1919 ook voor vrouwen. De verbinding van de democratie en de rechtsstaat werd mogelijk gemaakt door het vereiste dat er een wet ten grondslag moet liggen. Het vaststellen van die wet geschiedt door de regering (koning en ministers) en de Staten-generaal (het parlement) gezamenlijk ex art. 81 GW.

In de sociale en democratische rechtsstaat (2e helft van de 20e eeuw) kwam door de democratie het vraagstuk van de sociale kwestie op. In de praktijk bleken klassieke vrijheden (waar de staat zich niet mee mocht bemoeien) en stemrecht onvoldoende. Je hebt ook middelen nodig om daadwerkelijk je leven in te kunnen delen, zoals het passieve kiesrecht. Hierdoor werd de verzorgingsstaat uitgebreid door een codificatie van sociale grondrechten. Deze participatiewetgeving is ook nu actueel via noties van burgerschap en integratie. De burgers moeten een bijdrage leveren aan de samenleving.

Het doel van de democratische rechtsstaat is de bescherming van de individuele vrijheid van de burgers en het waarborgen van hun veiligheid tegenover de staat.

Een rechtsstaat heeft instrumenten om maatschappelijke problemen op te lossen, waarbij de overheid gebonden is aan het recht/wet. Deze instrumenten om maatschappelijke problemen op te lossen, waarbij de burgers betrokken zijn bij besluitvorming, zijn democratisch.

Vereisten van de Rechtsstaat:

  • Legaliteit – geen openbare gezagsuitvoering dan op grond van en in overeenstemming met de wet;

  • Uitgangspunt is vrijheid van de burger;

  • Als overheid wil ingrijpen in die vrijheid is fundering (wettelijke grondslag) nodig;

  • Begrenzing: koppeling fundamentele rechten, indammen overheidsinvloed;

  • Niet alleen in het strafrecht, maar voor al het overheidsoptreden en dus ook begunstigend (leuk) optreden van de overheid naar de burger (denk aan studiefinanciering, subsidies). Dit moet ook in de wet;

Grondrechten zijn de fundamentele rechten van de burger moeten door de overheid in acht genomen worden.

  • Machtenscheiding/machtsverdeling: trias politica – geen wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht geconcentreerd in één overheidsambt;

  • Rechterlijke controle – geschillen over rechtmatigheid in individuele gevallen worden door een onafhankelijke rechterlijke instantie beslecht.

Hoorcollege Week 2

Het representatief democratisch stelsel bestaat (in Nederland) uit de volgende onderdelen:

  • Regering (Koning en ministers/minister-president) en Staten-Generaal (Eerste en Tweede kamer)

  • Kiesgerechtigde Nederlander

  • Ontwikkeling kiesstelsel

  • Kiesstelsel

  • Politieke partijen

  • Kabinetsformatie

De regering

Het koningschap is erfelijk vervuld krachtens art. 42 GW

De ministeriële verantwoordelijkheid zorgt ervoor dat de koning niet meer kan handelen zonder een minister, deze moet altijd een handtekening zetten. Dit is ook waarom ministers politieke macht hebben binnen de regering. De koning moet het besluit echter wel goedkeuren. De feitelijke besluiten worden in de ministerraad genomen.

Benoeming van ministers gaat via art. 43 GW. Dit is krachtens een koninklijk besluit. Wat dit betekent is dat de koning en de minister president hierover beslissen. De minister president wordt met een eigen benoemingsbesluit benoemd ex art. 48 GW. Wat betreft de kabinetsformatie lag de regie tot 2012 in de handen van het staatshoofd (de koning(in)). Deze benoemde een informateur die onderzocht welke partijen samen een goede meerderheid zouden kunnen vormen. De laatste keer dat dit gebeurde was kabinet Rutte-I. Deze informateur wordt thans niet meer door het staatshoofd benoemd, maar door de gehele Tweede Kamer. De informateur benoemt op zijn beurt de formateur, welke in de praktijk vaak minister president wordt.

Staten-Generaal: Art. 51 GW

Het kiesrecht wordt beschreven in art. 54 GW jo. Art. 56 en 57 GW. Het actieve kiesrecht is het recht om mensen te kiezen in de volksvertegenwoordiging. Het passieve kiesrecht zorgt ervoor dat men tevens verkozen kan worden om deel te nemen in de Staten-Generaal. Zie hiervoor art. 4 GW in samenhang met art. 56 GW. De Eerste Kamer wordt getrapt gekozen (indirect) door de Provinciale Staten. Dit gaat op basis van het beginsel van evenredige vertegenwoordiging. Dit is het kiessysteem waarbij het percentage behaalde zetels bij goede benadering evenredig is met het percentage behaalde stemmen. Een partij die 20% van de stemmen haalt, heeft zodoende recht op 20% van de zetels. Dit wordt gedaan met behulp van de kiesdeler (aantal totaal uitgebrachte stemmen gedeeld door het aantal te vergeven zetels).

Ontwikkeling kiesrecht (1848-1919)

Thorbecke heeft ervoor gezorgd dat de Tweede Kamer rechtstreeks gekozen werd. Door het censuskiesrecht (hoog inkomen) mocht je stemmen (actief kiesrecht) en stamt uit 1850. Slechts 11% van de mannen mocht maar stemmen. In de tweede helft van de 19e eeuw volgde een uitbreiding van het kiesrecht door middel van schoolstrijd. In 1890 kon 60% van de mannen het kiesrecht uitvoeren. Het algemeen mannenkiesrecht werd ingevoerd in 1917. Vrouwen hadden toen slechts passief kiesrecht. Zij kregen pas algemeen kiesrecht in 1919.

Tot 1848 hanteerde men een absoluut meerderheidsstelsel. Er waren 100 districten die elk een zetel waard waren. Dit was echter democratisch onverantwoord, dus hanteerde men na 1848 een stelsel van evenredige vertegenwoordiging welke we thans nog steeds hanteren.

Kiesdrempel

Is er misschien een kiesdrempel nodig? Een kiesdrempel bestaat wanneer partijen die minder dan een bepaald percentage van de stemmen (de kiesdrempel) halen, ze geen enkele zeten in het verkozen orgaan krijgen. Op deze wijze hoopt men een al te sterke versplintering met allemaal ongelooflijk kleine partijen in de Tweede Kamer te voorkomen. De kiesdeler is het aantal stemmen delen door het aantal zetels. In Nederland werken we met een lijstenstelsel. In beginsel is de volgorde op de kandidatenlijst bepalend, maar kandidaten die een bepaald aantal stemmen behalen krijgen met voorrang een zetel toegewezen. Kandidaten moeten in Nederland 25% van de kiesdeler behalen om met voorrang gekozen te worden. Dit is neergelegd in art. p15 van de Kieswet.

 

Politieke partijen

  • Spanning met art. 50 GW en art. 67 lid 3 GW (in combinatie lezen)

  • Kuiper eerste politieke partij opgericht

Hoorcollege Week 3

Hoofdrolspelers in het Staatsrecht op centraal niveau

Krachtens art. 81 GW is dit de formele wetgever bestaande uit de regering en de Staten-Generaal

Regering

Deze bestaat uit de Koning en een of meer ministers en/of staatssecretarissen. Zie hiervoor artikelen 42 lid 1, 46 en 47 GW. Let op je tentamen goed op dat je de juiste begrippen gebruikt. Regering, ministerraad en kabinet willen nog wel eens door elkaar gegooid worden.

Staten-Generaal

De Staten-Generaal bestaat uit de Tweede Kamer (150 zetels) en de Eerste Kamer (75 zetels). De Eerste Kamer wordt gekozen via indirecte verkiezingen. De Tweede Kamer door directe verkiezingen.

Staatssecretarissen behoren ook tot de regering. Zij moeten namelijk hun handtekening zetten onder besluiten ex art. 46 GW. Staatsrechtelijk ambt (orgaan) heeft bevoegdheden. Deze worden echter ingevuld door persoon die door verloop van tijd kunnen veranderen. De ambt blijft hetzelfde.

Het Kabinet (dit is geen grondwettelijke term) bestaat uit ministers en staatssecretarissen. Alle ministers samen vormen ook de ministerraad. De regering bestaat uit de koning, met de ministers en de staatssecretarissen.

Regeringsvorm:

De regeringsvorm laat zien hoe het gezag binnen één overheidsverband is ingericht. In het belangrijk laat het de verhouding tussen de regering (het dagelijks bestuur) en de volksvertegenwoordiging zien. De regeringsvorm valt te onderscheiden van de staatsvorm. Dit laat de verhoudingen tussen verschillende overheidsverbanden zien (met name de centrale overheid versus de decentrale overheden). Het oorspronkelijke onderscheid werd gemaakt tussen de monarchie en de republiek. Door de democratisering is dit belang echter afgenomen. In Nederland hanteren we een constitutionele monarchie met een parlementair stelsel. De monarch is namelijk ondergeschikt aan de constitutie.

Regeringsvormen

Er zijn drie varianten regeringsvorm:

Presidentieel stelsel

  • Er is een strikte scheiding tussen de wetgevende en uitvoerende macht;

  • Zowel de president als de volksvertegenwoordiging is direct gekozen;

  • Rechtstreeks mandaat (ze zijn gekozen door het volk, hebben evenveel recht en mogen elkaar niet ‘wegstemmen’). Er is geen verantwoordingsrelatie van de president aan de volksvertegenwoordiging (geen vertrouwensrelatie);

  • Sterk dualistisch;

  • President heeft vetorecht, het senaat kan er alleen overheen met een tweederde meerderheid. Dit is in de Verenigde Staten van toepassing;

  • Er is voornamelijk sprake van een systeem van checks and balances.

Parlementair stelsel

  • Alleen parlement middels verkiezingen aangewezen. Regering indirect democratisch gelegitimeerd. De regering is ondergeschikt aan het parlement, want regering kan parlement wel ontbinden (tegenwoordig wel in overleg met parlement);

  • Vertrouwensrelatie tussen regering en parlement;

  • Mix variant van dualisme/monisme (denk aan regeerakkoord, daar moet iedereen het mee eens zijn).

Conventioneel stelsel (komt bijna niet meer voor)

  • Alle macht ligt bij de volksvertegenwoordiging;

  • Nauwelijks machtenscheiding;

  • Geen zelfstandige bevoegdheid van de regering;

  • Zuiver monistisch, eenheid;

  • Niets is opgetekend in wetten.

Het rechtstreeks mandaat betekent dat het parlement rechtstreeks is gekozen. Mandaat is een opdracht die je van anderen krijgt om namens hen iets voor elkaar te krijgen.

Nederland heeft een parlementair stelsel:

  • Volksvertegenwoordiging is direct gekozen. De regering (uitvoerende macht) is slechts indirect democratisch gelegitimeerd;

  • Wetgevende macht wordt uitgevoerd door de regering en de Staten-Generaal gezamenlijk;

  • Ministers en staatssecretarissen zijn verantwoording verschuldigd aan de volksvertegenwoordiging;

De kern van het parlementaire stelsel is dat de regering vertrouwen van het parlement moet hebben. Dit heet de vertrouwensregel.

In de 19e eeuw was er een verschuiving van de koning naar het parlement. De uitgangssituatie tussen 1813-1815 was dat de koning centraal stond. Tussen 1840 en 1848 liet het parlement weten te willen 'meepraten'. Hierdoor ontstond meer macht voor het parlement. Vanaf 1848, maar vooral tussen 1866-1868 ontwikkelde en vestigde het parlementair stelsel zich. Er was een opkomst van politieke partijen, het kiesrecht werd uitgebreid en de verzorgingsstaat ontwikkelde zich (vanaf 1870).

Belangrijke data:

1814. Nieuwe start door de Grondwet van 1814. De koning was een soeverein vorst, de ministers slechts dienaren en er was slechts een kamer voor het parlement.

1815. Hereniging met België en een nieuwe grondwet. Invoering tweekamerstelsel, maar nog steeds een duidelijke positie voor de koning. Wetgeving weliswaar via de regering en Staten-Generaal maar de koning had ook veel eigenstandige regelgeving (AmvB’s). Er was nog geen ministeriële verantwoordelijkheid en nauwelijks controle door de rechter

1815-1840. Het parlement wil '‘meepraten’. In 1830 scheidt België zich af. In 1839 is België officieel zelfstandig, en is er een nieuwe grondwet nodig. Datzelfde jaar verwerpt de Tweede Kamer de begrotingen en in 1840 komt er een nieuwe Grondwet. De strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid wordt ingevoerd. Het gevolg is dat ministers zich gaan bemoeien met koninklijke besluiten. Koning Willem I treedt af

1848. Verschillende revoluties in Europa. Er komt een uitbreiding en een wijziging van de kieswet, de Tweede Kamer wordt nu rechtstreeks gekozen. Politieke ministeriële verantwoordelijkheid wordt ingevoerd wat betekent:

  • Recht van amendement: inbreuk op de macht van de regering om wetten te maken. Parlement mag nu wetten aanpassen

  • Inlichtingenrecht: verplicht om inlichtingen te geven aan de Staten-Generaal

  • Enquêterecht

1848-1868: Opkomst van het parlementaire stelsel. De vertrouwensregel komt op, door de vraag hoe te handelen met de verhouding tussen koning en parlement. In 1866 is er de kwestie Mijer (Indië) die inging op de volgende vragen:

  • Hoe ver reikt de ministeriële verantwoordelijkheid (en dus parlementaire controle);

  • Ook de benoeming van hoge ambtenaren (prerogatief, eigen bevoegdheid, van de Koning) valt onder de ministeriële verantwoordelijkheid.

Parlementaire controle

Het parlement controleert de regering voortdurend (zie art. 42 lid 2 GW) met behulp van diverse bevoegdheden:

  • Art. 68 GW (inlichtingenplicht ministers) door middel van interpellaties, schriftelijke vragen en mondelinge vragen

  • In het zwaarste geval door middel van parlementaire enquête (art. 70 GW)

  • Ministers/staatssecretarissen hebben verschijningsplicht (art. 69 GW)

Ministeriële verantwoordelijkheid: ministers worden in de gaten gehouden door regering en parlement. Een minister is verantwoordelijk voor:

  • Voor het eigen handelen en nalaten (art. 47 GW)

  • Voor het handelen van zijn staatssecretaris (art. 46 GW)

  • Voor het handelen van ondergeschikte ambtenaren (art. 44, lid 1 GW)

  • Voor het handelen van de koning (art. 42 lid 1 GW)

  • Koning als lid van de regering

  • Koning als staatshoofd (handelt soms alleen zonder contraseign, denk aan benoemen formateur)

  • Privé-optreden koning voor zover openbaar belang

  • Kabinet van de koning is secretariaat van de koning

  • Andere leden van het koninklijk huis hebben afgeleide ministeriële verantwoordelijkheid.

In het kort: Verantwoording leg je af over staatsrechtelijke bevoegdheden en dus ziet verantwoording op het ambt van de minister en niet over de persoon. Een staatsrechtelijk orgaan/ambt heeft bevoegdheden (bv. minister mag lid kiesraad benoemen). Je krijgt verschillende ambtsdragers, maar nog steeds hetzelfde ambt.

Vertrouwensregel

De vertrouwensregel is negatief geformuleerd: een minister of kabinet dient heen te gaan wanneer blijkt dat er geen vertrouwen meer is bij (een meerderheid van) het parlement. Je hebt het vertrouwen totdat het tegendeel bewezen is, er is geen motie van vertrouwen (investituur). Dit is echter niet gecodificeerd. Het is een ongeschreven vertrouwensregel welke flexibiliteit biedt en deze voorkomt dat al te snel kabinetten vallen of ministers heengaan. Het vertrouwen richt zich op de persoon die het ambt van minister bekleedt en kan dus om meer gaan dan enkel staatsrechtelijke bevoegdheden (denk aan privé-situaties van persoon van minister). Als een minister opstapt, blijft het ambt gewoon bestaan.

Een kabinetscrisis kan zich voordoen in de volgende gevallen:

  • Conflict met parlement:

  • Impliciete of expliciete motie van wantrouwen

  • Verwerpen van belangrijk wetsvoorstel

  • Aannemen van onaanvaardbaar amendement

  • Verwerpen van de begroting

  • Opzeggen ‘steun’ van eigen fractie

  • Intern conflict binnen het kabinet

  • Andere oorzaak, zoals een extern rapport (bijvoorbeeld over Srebrenica)

De mogelijke gevolgen van een kabinetscrisis zijn:

  1. Het kabinet stapt op, Kamer blijft zitten; nieuwe kabinetsformatie. Dit wordt lijmen genoemd

  2. De Kamer wordt ontbonden (art. 64 GW). Er komen nieuwe verkiezingen, ontslagaanvraag kabinet. Nieuwe kabinetsformatie op basis van verkiezingsuitslag

  3. De Kamer wordt ontbonden, er komen nieuwe nieuwe verkiezingen, maar ontslagaanvraag kabinet, kabinet blijft zitten als kabinet tot voldoende vertrouwen leidt

Eerste Kamer is getrapt gekozen en heeft minder bevoegdheden dan de Tweede kamer. De Eerste Kamer heeft bijvoorbeeld geen recht van initiatief en geen recht van amendement. Wel hebben zij het vetorecht.

Hoorcollege Week 4

Legaliteitsbeginsel in het bestuursrecht

Wat is bestuursrecht? Verhouding staatsrecht en bestuursrecht:

  • Bestuursrecht binnen de rechtsstaat

  • Onafhankelijke rechter

  • Grondrechten

  • Legaliteit

  • Machtenscheiding: Wetgevende macht – Rechterlijke macht – Uitvoerende macht. Bij uitvoerende macht speelt bestuursrecht een belangrijke rol)

Bestuursorganen treden steeds meer handhavend op in plaats van rechterlijke organen. Bestuursrecht heeft ook bepaald sanctionerend en handhavend karakter. Verschil bestuursrecht en privaatrecht: over het algemeen werk je bij bestuursrecht met een burger in relatie met overheidsorganen. Ook regels tussen overheidsorganen onder elkaar.

Ontwikkeling bestuursrecht: er is een groeiende taak van de overheid. Tevens is er een roep om onafhankelijke rechtspraak op dat vlak. Er is een grote diversiteit. Besturen geschiedt niet alleen door de regering of ministers.

  • Voor (in enige mate ingrijpend) handelen van de overheid is een wettelijke grondslag nodig

  • Bevoegdheidsverkrijging via attributie en delegatie

  • Attributie van bestuursbevoegdheden in wet in formele zin

  • Voorbeeld van delegatiemogelijkheden (art. 156 gemeentewet)

  • Naast delegatie ook mandaat (10:1 Awb)

  • Attributie is het creëren van een bevoegdheid die daarvoor nog niet bestond en die toebedelen aan een bepaald orgaan/persoon.

  • Delegatie: ene bestuursorgaan geeft de bevoegdheid over aan het andere orgaan

  • Mandaat: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan uitvoeren.
    Attributie wordt gehandhaafd in de wet (staat in de wet)

Specialiteitsbeginsel: je mag de bevoegdheid ook alleen gebruiken voor het doel waarvoor die bedoeld is.

Het legaliteitsbeginsel en specialiteitsbeginsel zijn tegen machtsmisbruik. (dat is hun doel). Als men alleen bevoegd is op gebied van milieu, mag diegene alleen daarnaar kijken en bv. Niet naar de veiligheid. (vuurwerkramp in Deventer: brand bij opslagplaats vuurwerk-> vuurwerk niet op goed opgeslagen en vuurwerk ging af)

Bestuursorgaan

Niet elke overheidsorganisatie valt onder bereik van algemene wet bestuursrecht

Lid 1 Onder bestuursorgaan wordt verstaan:

  • Een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of

  • Een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

Lid 2. Uitzonderingen: o.a. formele wetgever en rechter

Lid 3. Uitzondering op de uitzondering

Blijft van belang is iemand een belanghebbende om naar een bestuursrechter te gaan. Lid 1 sub a of sub b of geen bestuursorgaan (eerst a, dan b en anders geen bestuursorgaan. Deze stappen zal je moeten afwerken)

B organen zijn meer privaatrechtelijk en B organen zijn niet altijd bestuursorganen, ze zijn alleen bestuursorganen als ze dat uitoefenen. (bv. De garagehouder die APK-keuringen uitvoert, dan bestuursorgaan en verder niet) A organen zijn altijd bestuursorganen!

Een A-orgaan is een orgaan van rechtspersoon krachtens publiekrecht is ingesteld. Een voorbeeld hiervan is de Staat, de provincie, de gemeente, maar ook de politie (Art.26 politiewet 2012) of de RDW (Rijksdienst wegverkeer). Wie de organen van de rechtspersoon zijn, is meestal terug te vinden in de wet die regels stelt over de rechtspersoon:

  • Grondwet: regering, ministers. Staatssecretaris

  • Gemeentewet: gemeenteraad, het College van Burgemeesters en Wethouders, de burgemeester

  • Politiewet: korpschef (zie art. 27 e.v. politiewet)

  • Wegenverkeerswet: directie van de Dienst wegerkeer (zie bv. Art. 4d wegenverkeerswet)

Een B-orgaan is een ander persoon of college, met enig openbaar gezet bekleed zijn.Persoon + natuurlijke persoon of rechtspersoon krachtens burgerlijk recht of entiteit op grond van burgerlijk recht of College van een rechtspersoon naar privaatrecht met enig openbaar gezag bekleed:

Mag bij of krachtens de wet bevoegdheden naar publiekrecht uitoefenen. Dit heet publiekrechtelijk handelen (eenzijdig rechtspositie vaststellen).

Voorbeelden:

  • Garagebedrijven ( = Vennootschap onder firma): bestuursorgaan wanneer zij APK-keuringen uitvoeren o.g.v. wegenverkeerswet

  • Stichting Autoriteit financiële marken: wanneer zij een boete oplegt o.g.v. Wet Financieel toezicht

Besluit

Onder een besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling ex art. 1:3 Awb. De eisen die er dus aan gesteld worden zijn:

  1. Schriftelijk

  2. Beslissing (bv. overheid wil dat je een vergunning krijg ja of niet)

  3. Van een bestuursorgaan (wie heeft het besluit genomen?)

  4. Rechtshandeling (handeling die in de wereld van het recht er voor zorgt dat er iets veranderd. -> rechten en plichten)

  5. Publiekrechtelijk (koppelen aan legaliteitsbeginsel)

Er zijn twee soorten besluiten in de zin van de Awb. Ten eerste zijn er besluiten van algemene strekking (BAS). Deze zijn geldend voor een voor uitbreiding vatbare groep personenof zaken. Voorbeelden hiervan zijn algemeen verbindende voorschriften, plannen en beleidsregels. Het is gegeven door een orgaan dat bevoegdheid heeft om een voorschrift vast te stellen op basis van de Grondwet of een wet in formele zin.

Daarnaast zijn er beschikkingen. Deze gelden voor een niet uitbreiding vatbare groep personen of zaken. Hieronder wordt ook verstaan het afwijzen van de aanvraag van een beschikking ex art. 1:3 lid 2 Awb.

Hoorcollege Week 5

Legaliteitsbeginsel II

  • Begrip van legaliteitsbeginsel

  • Verkrijging overheidsbevoegdheden

  • Normering van overheidsoptreden

  • Beleidsregels (de rol van)

  • Contra legem

Waarom is het legaliteitsbeginsel zo belangrijk?

De trias politica bestaat uit een wetgevende, uitvoerende en een rechtssprekende macht. Het gaat dan om eenzijdige machtsuitoefening door de overheid en dit valt onder het bestuursrecht. Als de overheid iets eenzijdig kan opleggen, is het belangrijk dat dit handelen een grondslag in de wet heeft om willekeur van de overheid tegen te gaan.

Trias politica is check & balances tussen:

  • Uitvoerende macht

  • Wetgevende macht

  • Rechterlijke macht

Er wordt macht over je uitgeoefend, maar je hebt wel invloed op de algemene wijze waarop dat wordt geregeld (wetgeving) en je kunt in het concrete geval rechtsbescherming zoeken (rechtszaak).

Het legaliteitsbeginsel is essentieel voor de werking van de trias politica (in de tang houden van de uitvoerende macht, de uitvoerende macht moet zich aan de wetgevende macht houden en de rechterlijke macht controleert de wetgevende macht).

Basismodel is dus:

Er dient een basis in de Grondwet te zijn. Daarna is er een vervolg in een wet in formele zin. Dat betekent dat deze wet is gemaakt door de Eerste en Tweede Kamer gezamenlijk en ondertekend is door de Koning. Daarna is er een vervolg in lagere regelgeving. Dit wordt ook wel de gelede normstelling of afpellen genoemd. Dit is de constructie waarbij de toepasselijkheid van een rechtsregel niet zomaar in de wet is te vinden, maar in een combinatie van met elkaar samenhangende regelingen.

Arrest HR 13 januari 1879 (Meerenberg)

Het feitencomplex was als volgt: de bestuurders van krankzinnigeninrichting Meerenberg weigeren een bevolkingsregister bij te houden en dit door te geven aan de instanties. Hiermee hadden zij een Koninklijk Besluit overtreden en volgens de Blanketwet van 1818 was een overtreding van een door de Kroon vastgestelde regeling strafbaar. In de praktijk hield deze Blanketwet dus in dat de Kroon, waaraan sinds 1840 slechts formeel de uitvoerende macht toekwam, via Algemene Maatregelen van Bestuur regels kon uitvaardigen en hierop ook straffen zetten. Op deze manier ontliep de koning dus de normale parlementaire procedure die eigenlijk noodzakelijk is voor de totstandkoming van een formele wet. Een AMvB is echter niet geregistreerd op enige wettelijke regeling, maar de Koning mocht deze dus wel zelf maken.

Kern van het arrest: aan de Koning komt geen wetgevende bevoegdheid toe (hij mag geen AVV's vaststellen) als dat niet op de (Grond)wet is gebaseerd. Dit betekent een scheiding van de uitvoerende en de regelgevende macht. Zelfstandige AMvB’s blijven mogelijk, tenzij er een strafbedreiging in voorkomt ex art. 89 GW. Voor het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften wordt een zelfstandige algemene maatregel van bestuur niet gebruikt behoudens in uitzonderlijke situaties bij wijze van tijdelijke voorzieningen.

Verkrijging overheidsbevoegdheden

Hoe verkrijgt een overheidsinstantie een bevoegdheid?

  1. Attributie

  2. Delegatie

  3. Mandaat (het is eigenlijk geen bevoegdheid verlenen, hij mag alleen namens iemand wat doen)

(Zie par. 4.4 BKVW)

Het kan gaan om drie typen van bevoegdheden:

  • Tot het stellen van regels

  • Tot het nemen van besluiten (in een concreet geval)

  • Tot het uitvoeren van feitelijke handelingen

Hiervoor kan je allemaal een bevoegdheid verkrijgen. Zoals hierboven al aangegeven, kan dit door attributie. Dan wordt er een compleet nieuwe bevoegdheid geschapen. Dit wordt ook wel “originaire’ bevoegdheidsverlening genoemd. Attributie wordt geregeld in Afdeling 10.1.3 van de Awb. Bevoegdheidsverlening kan ook op grond van delegatie gebeuren. Dit is het overdragen van een bestaande bevoegdheid aan een ander bestuursorgaan. Het oorspronkelijke bestuursorgaan is de bevoegdheid dan kwijt. Delegatie mag slechts indien het wettelijk bepaald is: het mag niet, tenzij de wet zegt dat het wel mag. Delegatie geschiedt niet aan ondergeschikten. Het is geregeld in Afdeling 10.1.2 Awb. Dan is er ook nog de mandaat: het bestuursorgaan voert dan iets uit in de naam van iemand anders. Hij verkrijgt niet zelf de bevoegdheid. Vaak gebeurt dit aan ondergeschikten.

Een voorbeeld van attributie is te vinden in art. 3.1 Wro: “de gemeenteraad stelt voor het gehele grondgebied van de gemeente een of meer bestemmingsplannen vast, waarbij ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening de bestemming van de in plan begrepen grond wordt aangewezen en met het oog op die bestemming regels worden gegeven.” Er mag hier niet worden gedelegeerd want dat moet in de wet staan.

Een voorbeeld van delegatie: “Besluit vast te stellen het navolgende delegatiebesluit waarin de raad de genoemde bevoegdheden delegeert aan het college van burgemeester en wethouders”

Een voorbeeld van mandaat is art. 2: mandaat en ondermandaat. Het college verleent aan de directeur mandaat voor de bevoegdheden genoemd in de bijlage. De directeur kan de bevoegdheden, genoemd in het eerste lid, in onder mandaat opdragen aan personen die onder zijn verantwoordelijkheid verzaam zijn.

Let op: specifieke terminologie in de grondwet over het stellen van regels: naast “bij of krachtens” versus “bij” wet, “regel(en)”. Als de grondwetgever gebruikt regelen/regeling betekent dat het zelfde als bij of krachtens!
als de grondwetgever gebruikt “wet” is dat wet in formele zin!
(p. 77 BKVW)

Je moet goed onderscheid kunnen maken wanneer formele wetgever wel en niet regelgevende bevoegdheid mag delegeren. Als in de Grondwet staat “wet” is altijd bedoeld: wet in formele zin.

Let op II: ook bij wet in formele zin kan soortgelijk probleem spelen: staat er “bij AMvB”? Hierbij is het Arrest Jamin van belang. Indien er staat ‘bij AMvB’ mag het ook louter in een AMvB geregeld worden. Indien er staat bij of krachtens AMvB mag het ook bijvoorbeeld in een ministeriële regeling.

HR Fluoridering neemt een stapje terug naar legaliteitsbeginsel: bevoegdheid om feitelijke handeling te verrichten;. Het waterleidingbedrijf voegt fluoride toe aan drinkwater en dit is ook een feitelijke handeling. Dit valt ook onder het legaliteitsbeginsel. Het is namelijk zo ingrijpend dat het alleen is toegestaan indien er een expliciete wettelijke grondslag voor is.

Normering overheidsoptreden

Er zijn drie typen normen:

  1. Wettelijke bevoegdheid

    1. Formele grenzen

    2. Materiële grenzen

  2. Geen wettelijke bevoegdheid

  3. Wettelijke bepalingen: “het college mag in situatie X de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Bij wettelijke bepalingen moeten de formele en materiële grenzen in acht worden genomen. Formele grenzen regelen de manier waarop of de procedure waarmee het bestuursorgaan zijn besluit neemt (procedurele besluiten). Materiële grenzen geven de grenzen aan waarbinnen de bevoegdheid moet worden gebruikt. Indien het bestuursorgaan buiten het doel waarvoor de bevoegdheid gegeven is treedt, is dat een overtreding van het verbod op détournement de pouvoir. Andere materiële beginselen zijn: evenredigheid, deugdelijkheid van de motivering (klopt het verhaal), gelijkheids- en vertrouwensbeginsel.

Beleidsregels

Overheid moet consistent optreden (als ze het anders doen dan ze voorheen deden dan moeten ze dat uitleggen). Bedenk dus heel feitelijk: er moeten soms tientallen, soms honderden, soms duizenden ambtenaren één wet uitvoeren. Omdat het bestuursorgaan eenheid wil, maakt het dan “beleidsregels”. Als je al een bevoegdheid hebt, mag je beleidsregels maken om die bevoegdheid in te vullen (maar dan moet je wel wat in te vullen zijn, zie art. 1:3 lid 4 Awb). Als er een beleidsregel is, dan moet het bestuursorgaan optreden conform die beleidsregel. Dat heet zelfbinding. Het bestuursorgaan mag dan alleen afwijken in bijzondere gevallen.

Dus het bestuursorgaan moet sowieso consistent optreden en mag daarvoor beleidsregels maken. Dit is echter niet noodzakelijk. Als er dan beleidsregels zijn, heeft het bestuursorgaan zichzelf gebonden aan die regels en treedt er dus zelfbinding op.

Contra legem: wat is het probleem?

Er is een dwingende wetsbepaling en een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Deze abbb pleit tegen de uitkomst van die wetsbepaling. Kan bijvoorbeeld het vertrouwensbeginsel een dwingende rechterlijke uitspraak opzij zetten? Dit heet contra legem werken. Het gelijkheidsbeginsel en vertrouwensregel zijn namelijk correctiemechanismen op de gewone juridische puzzel en getuigen van enige discretionaire bevoegdheid: er is een bevoegdheid met bewegingsvrijheid.

Als het wettelijke beslissingsschema een discretionaire bevoegdheid inhoudt, dan is er geen probleem betekenis te geven aan bijvoorbeeld gewekt vertrouwen. In de wettelijke regeling staat dan bijvoorbeeld ‘het college kan’.

Het wordt echter lastiger als het gaat om dwingende bevoegdheid. De wetsbepaling dwingt dan tot bepaalde een uitkomst. Mag het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel dan leiden tot een andere uitkomst? In beginsel niet. Dit heeft te maken met het primaat der wet.

Hoorcollege Week 6

Grondrechten

Grondrechten zijn rechten die mensen richting geven aan hun eigen bestaan. Er zijn verschillende soorten grondrechten:

  • Bodemnormen (bv. art 114 GW of 3 EVRM)

  • Vrijheidsrechten (bv. art. 6 t/m 11 GW)

  • Gelijkheidsrechten (bv. art 1 GW, maar ook art3 en art. 4 GW)

  • Politieke participatierechten (art. 4 GW, art. 53-55 GW) -> mix van vrijheids- en gelijkheidsrechten.

Er zijn klassieke grondrechten. Dit zijn grondrechten die subjectieve rechten toekennen aan burgers. Het zijn rechten die door rechtssubjecten hard gemaakt kunnen worden. Door internationalisering zijn deze rechten ook vaak vastgelegd in internationale verdragen zoals het EVRM of IVBPR. Denk hierbij aan het recht op rechtsbescherming van art. 5 en 6 EVRM. Deze verdragen hebben grote impact in Nederland via art. 93 en 94 GW. Artikel 94 zegt bijvoorbeeld dat het EVRM voor gaat op de grondwet, als grondwet in strijdt zou zijn met het EVRM. Klassieke grondrechten richten zich tot de burgers.

Daarnaast zijn er ook sociale grondrechten, zoals bijvoorbeeld art. 19 t/m 22 GW, maar ook ESH, IVESC. Dit zijn vaak te beschermen waarden. Het zijn geen subjectieve rechten, maar meer normen voor de overheid om naar te streven. Daardoor zijn ze ook niet afdwingbaar, het is een instructie voor de overheid om bepaalde randvoorwaarden te stellen waarbinnen een burger zichzelf kan ontwikkelen.

Waartoe verplichten grondrechten zich?

Vooral klassieke grondrechten zijn negatieve verplichtingen. Hierbij mag de overheid juist bepaalde dingen niet. Zoals niet een inbreuk maken op het recht op godsdienst. Sociale grondrechten houden vaak een positieve verplichting in dat de overheid juist wel bepaalde dingen moet doen. Een positieve verplichting kan ook voorkomen bij klassieke grondrechten. Denk dan bijvoorbeeld aan het klassieke grondrecht dat men de vrijheid heeft om te betogen. Dan moet de overheid er wel voor zorgen dat burgers kunnen demonstreren. Zie hiervoor de zaak uit Oostenrijk: Artsen zonder Grenzen.

Ten opzichte van wie gelden grondrechten?

Er is een horizontale en verticale werking van grondrechten. De horizontale werking werkt tussen burgers onderling en de verticale relatie betreft grondrechten tussen de overheid en burgers.

Stappen casus GvR

Je moet je eerst afvragen: valt de handeling onder de reikwijdte van het grondrecht?

Als het onder de Grondwet valt:

  1. Beperkingsclausule: betekent dat er een uitzondering gemaakt mag worden (beperking) -> betekent dat je geen succesvol beroep doen op de GW.

  2. Competentievoorschrift: als de formele wetgever zegt dat de beperking tot stand komt. ‘Wet’ in de grondwet betekent altijd wet in formele zin.

  3. Doelcriteria: redenen wanneer je een grondwet mag beperken. (zie bv. art 8 GW). Meestal staan deze in lid 2.

Als het onder het EVRM valt:

  1. Staat dat het bij de wet is voorzien (competentievoorschrift)

  2. Doelcriteria: wel in het EVRM

  3. Proportionaliteittoets

Beperking bij het EVRM moet democratisch noodzakelijk zijn. In een democratische samenleving is het van belang een Grondrecht te beperken.

Hoorcollege Week 7

Jurisprudentie is erg belangrijk!

Horizon

  1. De rol van de burgerlijke rechter

  2. De organisatie van de bestuursrechtspraak

  3. Waaraan en hoe toetst de bestuursrechter?

  4. Verhouding wetgever – rechter

  5. De rol van verdragen

Stel dat er geen bestuursrechter is, maar alleen een burgerlijke rechter. Dan kan je gewoon terecht bij de burgerlijke rechter die daarvoor bevoegd is. In ons huidige stelsel hebben we echter wel zowel een bestuursrechter als een burgerlijke rechter. Wat is dan de taak van de burgerlijke rechter bij overheidsoptreden? Dit is uitgelegd in Guldemond/Noordwijkerhout (1915): niet de aard van rechtsbetrekking (publiekrechtelijk), maar de claim, het object van het geschil bepaalt de bevoegdheid van de civiele rechter. Hieruit kwam de objectum litis leer naar voren. Dus de civiele rechter is ‘restrechter’: alleen als er bij overheidsoptreden geen met voldoende waarborgen omklede bestuursrechtelijke rechtsgang is, is een claim bij de civiele rechter ontvankelijk.

Waar ligt dan nog een rol voor de burgerlijke rechter/civiele rechter? Met name:

  • Bij algemeen verbindende voorschriften (art. 8:3 lid1 Awb)

  • Bij beleidsregels (idem)

  • Bij ‘uitgesloten’ besluiten (art. 8:5 Awb + bijlage) – negatieve lijst

  • Bij feitelijk handelen – conflict met de overheid omdat ze iets in beslag nemen

De bestuursrechter heeft hier namelijk geen bevoegdheid.

Organisatie van de bestuursrechtsspraak

De standaardsituatie voor bestuursrechtspraak is:

  1. Je gaat tegen een besluit in bezwaar (art. 7:1 lid 1 Awb)

  2. Daarna ga je tegen deze beslissing in bezwaar door middel van een beroep bij de rechtbank (art. 8:1 Awb)

  3. Hierna kan je tegen de uitspraak van de rechtbank hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de RvS (art. 8:105 lid 1 Awb)

Je kan bijna nooit in cassatie gaan (alleen bij belastingrechtspraak). In de regel eindigt het dus met hoger beroep, bij bestuursrechtspraak eindigt het altijd bij hoger beroep.

Eerste aanleg:

  • Bestemmingsplannen: ABRvS (Afdeling bestuursrechtspraak bij Raad van State) – rechtbank wordt overgeslagen

  • Rechtspositie rechterlijke ambtenaren: CRvB( Centrale Raad van Beroep) – rechtbank wordt overgeslagen

  • Heel veel economisch bestuursrecht: CBb (College van beroep voor het bedrijfsleven)

  • Alleen 1e aanleg, geen 2e aanleg want slaat de gewone rechtbank als over dus je bent al een soort van in hoger beroep.

Hoger beroep:

  • CRvB: uitkeringen e.d., ambtenaren, studiefinanciering

  • CBb: economisch bestuursrecht (mededing, telecom, etc.) – soms hoger beroep rechter

  • 4 Hoven: belastingrecht – soms hoger beroep rechter

  • Niet allemaal uit je hoofd weten, wel waar de andere bestuursrechtelijke instanties voor staan etc.

Waaraan/hoe toetst bestuursrechter?

Bestuursrechter toetst aan wettelijke bepalingen, algemene beginselen van behoorlijk bestuur en algemene rechtsbeginselen (art. 8:77, 2e lid, Awb).

Voorbeelden van strijd met wet:

  • Art. 3:2 Awb: de feiten zijn niet goed onderzocht

  • Art. 7:12, eerste lid, Awb: de motivering is niet deugdelijk

  • Art. 10 Wet openbaarheid van bestuur

Voorbeelden van strijd met de Algemene beginselen van behoorlijk bestuur (abbb) zijn bijvoorbeeld het gelijkheidsbeginsel, rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Denk hierbij aan de contra-legemproblematiek van thema 5.

Voorbeelden van strijd met algemeen rechtsbeginsel. Dit is een beginsel dat niet slechts in het bestuursrecht geldt, maar ook in het civiele recht. De rechter vraagt zich af of een weldenkend bestuursorgaan tot de belangenafweging kan komen

Verhouding wetgever – bestuursrechter

Het risico hierbij is dat de bestuursrechter zo maar schoffelt door de keuze van de wetgever. Hierbij blijft wel de hoofdregel van art. 120 GW gelden. De rechter treedt niet in de beoordeling van de grondwettelijkheid van wetten en verdragen en de rechter toetst een wet niet aan de Grondwet.

Als een bestuursorgaan heel veel vrijheid heeft dan gaat de rechter daar terughoudend mee om, hij gaat zelf geen belangenafweging maken, maar gaat na of een weldenkend bestuursorgaan tot deze belangenafweging zou kunnen komen. Zie het Harmonisatiewetarrest: een fundamenteel rechtsbeginsel kan de bewuste keuze van de wetgever niet opzij zetten. De rechter is trouw aan de wet (zou raar zijn als een rechter zich niet gebonden acht aan een wet), maar als de wetgever een onderwerp langdurig laat liggen, kan er een rol voor de rechter zijn (voorbeeld: discriminatie; zie HR Arbeidskostenforfait). Dit kan aanleiding zijn dat de rechter uiteindelijk toch aangeeft hoe het geregeld moet worden.

Rol van verdragen

Juist omdat de Nederlandse rechter wetten niet mag toetsen aan de grondwet, spelen in Nederland internationale verdragen een grote rol. Deze kunnen namelijk wetten eventueel opzij zetten.

Artikel 93 Grondwet

Bepalingen van verdagen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties, die naar haar inhoud een ieder kunnen verbinden, hebben verbindende kracht nadat zij zijn bekendgemaakt. Bepaalde artikelen van verdragen hebben bindende kracht in Nederland. Dit is het geval wanneer deze ‘een ieder verbindend’ zijn.

Artikel 94 Grondwet

Binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften vinden geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.

Wat is bij toepassing van art. 93/94: grondwet het basisprobleem? Vertragingen zijn in de eerste plaats gestolen tussen staten, dus het gaat om verplichtingen tussen staten en niet in de eerste plaats om verplichtingen jegens burgers. Verdragen worden gesloten tussen staten, er worden afspraken gemaakt. Vinden we de verdragsbepalingen zo duidelijk, dan mag de burger zich daarop mag beroepen? Ook al is hij geen partij bij het verdrag. Als het te vaag is, is het geen een ieder verbindende bepaling.

Stel dat de verdragsluitende partijen in het verdrag expliciet hebben gezegd dat het hier gaat om verplichtingen tussen staten waarop burgers zich niet kunnen beroep? Dan niet door burgers inroepbaar.

Voorbeeld: Neem art. 27 Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK): het recht van ieder kind op een levensstandaard die toereikend is voor de lichamelijke, geestelijke, intellectuele, zedelijke en maatschappelijke ontwikkeling van het kind.

Het derde lid stelt: 'De Staten die partij zijn, nemen, in overeenstemming met de nationale omstandigheden en met de middelen die hun ten dienste staan, passende maatregelen om ouders en anderen die verantwoordelijk zijn voor het kind te helpen dit recht te verwezenlijken, en voorzien, indien de behoefte daaraan bestaat, in programma's voor materiële bijstand en ondersteuning, met name wat betreft voeding, kleding en huisvesting.' -> Dit is te vaag om het een eenieder verbindende bepaling te laten zijn.

De strekking is vrij duidelijk: het garanderen van goede levensstandaard voor het kind. Maar levert dit een onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig bepaalde rechtsnorm (HR 10/10/2014, Rookverbod) op om in de nationale rechtsorde te worden toegepast? Nee, er is zoveel ruimte voor de wetgever en de overheid om hieraan invulling te geven, dat directe inroepbaarheid niet mogelijk is. Ook als verdrag nog verschillende middelen open laat (nationale wetgever kan nadere keuzes maken), maar het doel is helder, dan kan de verdragsbepaling “een ieder verbindend” zijn (HR: 10/10/2014, Rookverbod)

Hoorcollege Week 8

Als we geen decentralisatie zouden hebben zouden we een eenheidsstaat zijn. Alle macht zou dan vanuit Den Haag worden gereguleerd.

Regeling en bestuur vinden niet uitsluitend vanuit één centraal gezag plaats, maar worden uitgevoerd door het rijk én door een veelheid van andere publieke lichamen of organen, die binnen bepaalde grenzen in vrijheid en eigen verantwoordelijkheid de hun toevertrouwde taken en bevoegdheden kunnen uitoefenen.

Uitgangspunten decentralisatie

Territoriale decentralisatie (Gebiedscorporaties):

  • Provincies (123 e.v. GW): 12 Provincies

  • Gemeenten (123 e.v. GW): 393 Gemeenten (open huishouding, openbare ruimten mag de provincie en gemeente regels over stellen)

  • Waterschappen (133 GW): 23 Waterschappen (territoriaal afhankelijk en alleen met water gerelateerde zaken bezig houden)

Functionele decentralisatie (Doelcorporaties):

  • Waterschappen (133 GW)

  • Openbare lichamen voor beroep (en bedrijf) en andere bijv. BES eilanden,

  • (134 GW) bv. orde van advocaten

  • Bij gemeenschappelijke regeling opgerichte openbare lichamen (135 GW), Wet gemeenschappelijke regelingen

Staatsvorm ziet op de verticale verhouding tussen de centrale overheid en decentrale lagen en de federale overheid en de deelstaten. De staatsvorm ziet dus op de mate van decentralisatie: hebben de decentrale organen eigen bevoegdheden of niet? De regeringsvorm ziet op de horizontale verhouding, dus binnen één overheidsverband. Er zijn drie soorten regeringsvormen: conventioneel, presidentieel en parlementair. Het conventionele stelsel kenmerkt zichzelf door een sterke eenheid tussen de regering en het parlement. Alleen het parlement heeft een eigen mandaat en er is dus geen vertrouwensregel. Het presidentiele stelsel heeft een regering los van het parlement elk met een eigen mandaat. Ook hier is vrijwel geen vertrouwensregel te vinden. Dit in tegenstelling tot het parlementaire stelsel. Deze is op samenwerking aangewezen. De kernvraag is dus eigenlijk, in welke mate is er een vertrouwensregel?

Nederland als gedecentraliseerde eenheidsstaat

Nederland is een (territoriaal) gedecentraliseerde eenheidsstaat. Territoriaal omdat we decentrale ambten/organen hebben die slechts bevoegd zijn tot regering en bestuur binnen hun territoir (en soms alleen maar functioneel). Gedecentraliseerd omdat lagere overheden eigenstandige, autonome bevoegdheden hebben en een eenheidsstaat omdat er geen door constitutioneel recht gewaarborgde onaantastbare sfeer is waar de centrale overheid buiten moet blijven; in laatste instantie prevaleert het centrale gezag (Den Haag).

Autonomie

Autonomie is het zelfstandig regelen en besturen van de eigen aangelegenheden: de eigen huishouding (124, lid 1, GW). Vergelijk art. 108, lid 1 Gemw/105 Provinciewet. Anderzijds is er een hiërarchie van hoger recht: de centrale regelgeving gaat boven de decentrale regelgeving.

Toezicht (art.132 lid 2 GW):

Soms is er toezicht vooraf – preventief toezicht – in de vorm van vereiste van goedkeuring voordat regeling/besluit in werking kan treden: art. 132 lid 3 GW, art. 259 Gemwet. Er is soms ook toezicht achteraf – repressief toezicht – mogelijk in de vorm van schorsing en vernietiging door de regering van decentrale besluiten: art. 132 lid 4 GW, art. 268 e.v. Gemeentewet.

Medebewind

Medebewind is medewerking aan en uitvoering van hogere regelingen wanneer die dat vorderen (124, tweede lid, GW) Thans is er heel veel decentralisatie. Decentrale overheden mogen echter niet zomaar grondrechten beperken. Zie hiervoor HR Drugspand Venlo. De delegatie moet voldoende specifiek zijn.

Relevante verschil Autonomie – Medebewind

  1. voor de vraag tot hoever de bevoegdheden van de lagere overheden gaan

  2. voor de medewerking aan hogere regelgeving

  3. taakverwaarlozing (vgl. art. 132, lid 5, GW)  overheid moet goed kunnen ingrijpen

Gemeente volgens de Gemeentewet

De gemeente is belast met:

  • het dagelijks bestuur (art. 160, eerste lid sub a Gemeentewet

  • Voorbereiding en uitvoering beslissingen raad (160, eerste lid sub b)

  • Besluiten tot privaatrechtelijke rechtshandelingen namens de gemeente (art. 160, eerste lid, sub e)

  • Besluiten tot voeren rechtsgedingen, bezwaarprocedures etc. (art. 160, eerste lid, sub f)

  • Ambtelijke organisatie (art. 160 eerste lid, sub c en d)

Bestuursbevoegdheden burgemeester

De burgemeester wordt benoemd door de Kroon (regering). Uiteindelijk wordt de burgemeester dus ook ontslagen door de Kroon. Het zorgt voor de vertegenwoordiging van de gemeente in en buiten rechte (art. 171 Gemeentewet). Hieronder vallen bijvoorbeeld:

  • Handhaving van de openbare orde (art. 172 Gem.w.)

  • Opperbevel bij brand (art. 173 Gem.w.)

  • Toezicht op openbare bijeenkomsten (art. 174 Gem.w.)

  • Noodbevelen (175 Gem.w.)

  • Noodverordeningen (176 Gem.w.)

  • Sluiten van woningen (art. 174a)

  • Bestuurlijk ophouden (art. 176a)

De gemeenteraad is belast met de controle en regelgeving en vooral de controle op het bestuur.

Inlichtingenplicht

Zie hiervoor art. 169 lid 2 en 3 (college) / art. 180 lid 2 en 3 Gemeentewet (burg.). Er is een passieve en een actieve inlichtingenplicht.

Regelgeving: verordende bevoegdheid

De hoofdregel is: Gemeenteraad, tenzij …. Er is echter geen vaste procedure. De voorbereiding en bekendmaking wordt wel gedaan door het College.

Grenzen aan de verordenende bevoegdheid

Er zitten vrijwel altijd grenzen aan het opstellen van autonome verordeningen. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de territoriale grens (het grondgebied), de benedengrens (de niet-publieke sfeer of de privésfeer van de burgers), de bovengrens (het mag niet in strijd zijn met hogere regelingen) en de zijgrens (voor gemeenten geldt hier bijvoorbeeld dat er een afbakening is ten opzichte van de waterschappen, aan deze bevoegdheid mogen zij niet komen).

Onsplitsbare wilsverklaring: als een deel van een bepaling van een gemeentelijke verordening in strijd is met een hogere regeling, is dan de gehele bepaling onverbindend? Er zijn twee situaties denkbaar:

  1. De hogere regeling gaat regelen wat eerst autonoom was geregeld. Dit wordt een anterieure verordening genoemd en deze is geregeld in art. 122 Gemeentewet;

  2. De (lagere) verordening gaat iets regelen dat al in een hogere regeling staat. Dit is een posterieure verordening en staat in art. 121 Gemeentewet.

De bepalingen van gemeentelijke verordeningen in wier onderwerp door een wet, een algemene maatregel van bestuur of een provinciale verordening wordt voorzien, zijn van rechtswege vervallen. Regelen verordening en de hogere regeling hetzelfde onderwerp? Dan is het belang welk ‘onderwerp’ dat is. Het kan gaan om het object (de materie) of het motief (het belang of doel). Neem hierbij HR Emmense Baliekluivers. Bij een anterieure regeling vervalt deze dan van rechtswege. Je kan als gemeentebestuur wel aanvullen door middel van een posterieure verordening.

De bevoegdheid tot het maken van gemeentelijke verordeningen blijft ten aanzien van het onderwerp waarin door wetten, algemene maatregelen van bestuur of provinciale verordeningen is voorzien, gehandhaafd, voor zover de verordeningen met die wetten, algemene maatregelen van bestuur en provinciale verordeningen niet in strijd zijn. Regelen verordening en hogere regeling hetzelfde onderwerp? Zo nee, dan is de regeling in de verordening toegestaan. Zo ja, moet er gekeken worden of de hogere regeling uitputtend is bedoeld. Als dat zo is, is de aanvulling niet toegestaan. Anders wel, mits er geen strijd is met een hogere regeling. Dan is er namelijk sprake van doorkruising.

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
special isis de wereld in

Waag jij binnenkort de sprong naar het buitenland? Verzeker jezelf van een goede ervaring met de JoHo Special ISIS verzekering