Staatsrecht 3 - RUG - Rechten - B3 - Oefententamen 2015 (1)


Vragen

Vraag 1

  1. Welk belangrijk bezwaar kan vanuit constitutioneelrechtelijk perspectief van de lidstaten ingebracht worden tegen de doctrine van de autonome rechtsorde zoals die door het Hof van Justitie van de EU sinds begin jaren '60 is ontwikkeld? Beargumenteer uw antwoord.

  2. Nederland kent geen wet zoals de Britse Human Rights Act. Geef twee verschillen tussen het Nederlandse en het Britse constitutionele recht op grond waarvan verklaard kan worden dat wij zo’n wet niet nodig hebben en de Britten wel.

Vraag 2

  1. Leg uit of de Curaçaose rechter een bepaling van een Landsverordening buiten toepassing moet laten, als hij constateert dat die Landsverordening onverenigbaar is met een regel van volkenrechtelijk gewoonterecht.

  2. Het voorstel Halsema tot introductie van constitutionele toetsing leidt tot een ander systeem van rechterlijke toetsing aan Grondwettelijk gegarandeerde grondrechten dan het Belgische stelsel. Beschrijf de kern van dat verschil.

Vraag 3

  1. Leg kort uit wat ‘Überhangmandate’ zijn en verklaar waarom het Franse kiesstelsel een dergelijk fenomeen niet kent.

  2. Verklaar waarom het verschijnsel ‘by-election’ bij een openvallende plek in het Lagerhuis zich niet voordoet bij de verkiezing van leden van de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Vraag 4

  1. Leg nauwkeurig uit welke overeenkomst bestaat tussen de wijze van verkiezing van de Franse Senaat en de Nederlandse Eerste Kamer, maar geef ook eventuele verschillen aan.

  2. Beschrijf kort de functie en bevoegdheid van de Gevolmachtigde minister in ons Koninkrijk en leg uit welk Duits orgaan een vergelijkbare functie heeft in het Duitse staatsbestel.

Vraag 5

  1. Schets kort de vergelijkbare gevolgen van de Julirevolutie van 1830 voor (de vervulling van) het koningschap in België en Frankrijk.

  2. De Amerikaanse onafhankelijkheidsverklaring van 4 juli 1776 suggereert dat het onrecht dat de 13 Koloniën door Groot-Brittannië zou zijn aangedaan vooral veroorzaakt werd door het handelen van de Koning. Leg uit of deze suggestie naar toenmalig Brits staatsrecht juist is.

Vraag 6

  1. Het Duitse Grundgesetz beschouwt de Bondsdag als het Duitse kernorgaan, van waaruit alle andere staatsorganen gelegitimeerd worden. De zogeheten constructieve motie van wantrouwen beperkt niettemin de vrijheid van de Bondsdag om de Bondsregering ten val te brengen. Verklaar vanuit historisch perspectief waarom de Duitse grondwetgever voor deze beperking heeft gekozen.

  2. In 1706 verloor Schotland zijn eigen parlement, maar werd Schotse parlementariërs het recht toegekend mee te beslissen over alle wetgeving die het Britse parlement zou uitvaardigen, ook als die uitsluitend in Engeland en Wales zou gelden. Deze regel geldt tot op heden, maar wordt toenemend bekritiseerd nu Schotland weer een eigen parlement heeft. Een dergelijk vraagstuk heeft zich in de VS nooit voorgedaan, hoewel ook de leden van het Huis van Afgevaardigden via een districtenstelsel per landsdeel afgevaardigd worden en alle deelstaten een eigen parlement kennen. Waarom speelt het vraagstuk niet in de VS?

Vraag 7

  1. België kent meerdere premiers / minister-presidenten / eerste ministers. Hoeveel zijn dat er en hoe is dat aantal te verklaren?

  2. Bij de Amerikaanse presidentsverkiezingen wijzen de kandidaten een ‘running mate’ aan als beoogd vicepresident. In Frankrijk gebeurt dat niet. Geef twee constitutionele redenen waarom een dergelijke aanwijzing in Frankrijk niet of minder noodzakelijk is.

Vraag 8

  1. De gemiddelde levensduur van een Franse regering is kort. Noem, naast de situatie van een intern conflict in de ministerraad, tenminste drie situaties die naar vast gebruik leiden tot de val van de Franse regering.

  2. Beschrijf twee kernelementen van een parlementair stelsel die ontbreken in het regeringsstelsel van de Europese Unie (de verhouding tussen Europees Parlement, Commissie en Raad).

Vraag 9

  1. Een bepaling als art. 45 van de Franse Constitution is in het Nederlandse wetgevingsproces nutteloos. Leg kort uit waarom dat zo is.

  2. De procedure tot herziening van de Belgische Grondwet kent wel federatieve trekken, maar is veel minder confederatief dan de procedure tot herziening van de Amerikaanse Constitution. Benoem specifiek de kernelementen van beide procedures waaruit dat federatieve resp. confederatieve blijkt.

Vraag 10

  1. 'De wetgever van de Europese Unie lijkt voor wat betreft zijn samenstelling en werkwijze sprekend op de wetgever van de Bondsrepubliek Duitsland'. Geef ten minste één argument voor en één argument tegen deze stelling.

  2. De regering van het Koninkrijk is voornemens om art. 94 van de Grondwet zo te wijzigen, dat een ieder verbindende bepalingen van verdragen voortaan geen voorrang meer zullen hebben op wetten in formele zin. Leg uit of bij de herziening van deze bepaling de Rijkswetprocedure gevolgd dient te worden.

Antwoordindicatie

Vraag 1

  1. Het Hof van Justitie claimt, voor het eerst in Van Gend en Loos- en Costa/E.N.E.L., dat het recht van de EEG (nu de EU) een autonoom karakter heeft: het werkt uit eigen kracht, zonder tussenkomst van nationaal recht, door in de rechtsordes van de lidstaten en het geniet daarin de voorrang op alle nationale recht, de grondwetten daaronder begrepen. Vanuit het perspectief van de lidstaten is dat een merkwaardig betoog: hun nationale organen hebben, ieder uit kracht van de eigen grondwet, de EU in het leven geroepen en de organen van de EU van hun bevoegdheden voorzien, dus ook het Hof. Een lidstaat kan in beginsel geen bevoegdheden aan de EU overdragen om van de eigen grondwet af te wijken, want dat mogen de eigen nationale organen ook niet en niemand kan meer overdragen dan hij zelf heeft. Voor zover er automatische doorwerking en voorrang van het EU-recht is, vloeit dat voort uit de eigen grondwet en niet uit het EU-recht .

  2. Nederland heeft al een eigen grondwettelijke grondrechtencatalogus waarop burgers zich kunnen beroepen, de Britten kennen een dergelijke nationale catalogus niet. Bepalingen van verdragen die een ieder verbindend zijn in Nederland inroepbaar voor en toepasbaar door de rechter (artt. 93-94). In het dualistische systeem van de Britten is dat niet mogelijk en moeten verdragsbepalingen worden omgezet in nationaal recht.

Vraag 2

  1. Zowel de ongeschreven norm met betrekking tot de doorwerking van volkenrecht als de nadere uitwerking daarvan in de artt. 93 en 94 GW vormen uit kracht van art. 3 lid 1 onder b en art. 5 lid 1 Statuut deel van de Rijksconstitutie, waaraan rechters in de Caribische landen dus ook gebonden zijn. Alleen geschreven volkenrecht met een algemeen verbindend karakter heeft, na bekendmaking, voorrang op formele wetgeving zoals Landsverordeningen, zo volgt uit de artt. 93 en 94 GW. Ongeschreven volkenrechtelijke normen (zoals gewoonterecht) kunnen dus wel door de rechter worden toegepast, maar alleen als daardoor gen strijd met (nationale) wetgeving ontstaat. De rechter op Curaçao zal dan ook in dit geval gewoon de Landsverordening moeten toepassen.

  2. Het kernverschil is dat België een geconcentreerd systeem van toetsing kent bij het Grondwettelijk Hof (hetzij rechtstreeks, hetzij prejudicieel) en het voorstel Halsema iedere rechter bevoegd maakt om te toetsen aan grondrechtenbepalingen met als gevolg een mogelijke uiteenlopende interpretatie.

Vraag 3

  1. In het Duitse kiessysteem brengt ieder Duitser twee stemmen uit, één in het kiesdistrict waar hij woont (de Erststimme) en één op een landelijke lijst van een politieke partij (de Zweitstimme). Iedere kandidaat is zowel in een kiesdistrict als op de landelijke lijst verkiesbaar. Wordt een kandidaat zowel in zijn district als op de lijst gekozen, dan vervalt de behaalde lijstzetel: de kandidaat is al gekozen. Wordt hij niet in het district maar wel op de lijst gekozen, dan krijgt hij de door hem behaalde lijstzetel toegewezen. Maar wordt hij wel in zijn district, maar niet via de lijst gekozen, dan kan er geen corresponderende lijstzetel worden weggestreept voor de betreffende kandidaat en is er dus een districtszetel ‘over’. Dit is een zogeheten Überhangmandat. De Bondsdag wordt in dat geval dus groter. In het Franse kiesstelsel heeft iedere kiezer slechts één stem, die hij in een districtenstelsel met absolute meerderheid uitbrengt. Een ‘overhangmandaat’ is daar dan ook niet mogelijk.

  2. In het Verenigd Koninkrijk dienen er, in verband met het gehanteerde meerderheidsstelsel, nieuwe verkiezingen te worden gehouden in het district dat door het wegvallen van de parlementariër niet meer wordt vertegenwoordigd. België kent evenwel een stelsel van evenredige vertegenwoordiging (art. 62). Bij het openvallen van een plaats bezet de volgende beschikbare kandidaat op de lijst van de desbetreffende partij de zetel.

Vraag 4

  1. Beide worden indirect gekozen en wel door volksvertegenwoordigers van lagere overheidslagen. In Nederland zijn dat de leden van Provinciale Staten (art. 55). In Frankrijk vormen de volksvertegenwoordigers van de conseil municipal, général en régional alsmede de leden van de Assemblée die allen in het département van de te kiezen senator(en) woonachtig moeten zijn, het kiezerskorps. Een daarmee samenhangend verschil is ook dat voor de Eerste kamer een systeem van evenredige vertegenwoordiging wordt gehanteerd en voor de Senaat (in beginsel) een meerderheidsstelsel en dat de Eerste Kamer geen vertegenwoordiging beoogt te zijn van de delen en de Senaat wel.

  2. De Gevolmachtigde minister neemt namens de regeringen van resp. Aruba, Curaçao en St. Maarten deel aan de besluitvorming op Koninkrijksniveau, zowel in de Raad van Ministers als ook in de kamers der Staten-Generaal. Opvallend daarin is de mogelijkheid besluitvorming (tijdelijk) op te schorten (suspensief veto). De Bondsraad bestaat eveneens uit afgevaardigden van de landsregeringen en beschikt, in die gevallen waarin geen toestemming van de Bondsraad is vereist, ook over een suspensief veto tav wetten en besluiten(art. 77 lid 3).

Vraag 5

  1. In beide staten kwam een ander koningshuis op de troon. In België, dat zich onafhankelijk verklaarde van Nederland en zijn koning Willem I, kwam Leopold van Saksen-Coburg (zie art. 85) op de troon. In Frankrijk moest Karel X uit het huis Bourbon plaatsmaken voor Louis Philippe van Orléans.

  2. Naar toenmalig Brits staatsrecht gold de zogeheten Sovereignty of Parliament al bijna een eeuw. Dat betekent dat de Britse Koning niet zelfstandig, maar onder het gezag van het parlement en onder ministeriële verantwoordelijkheid handelde. De suggestie is dus onjuist.

Vraag 6

  1. In de in 1919 ingevoerde grondwet (de Weimarer Verfassung) was de (negatieve) vertrouwensregel gecodificeerd: ministers die het vertrouwen van de Rijksdag niet meer hadden, moesten de Rijkspresident om hun ontslag vragen. Toen na de economische crisis van 1929 het Duitse electoraat toenemend radicaliseerde leidde dat er uiteindelijk toe dat de communistische KPD en Hitlers NSDAP samen een meerderheid in de Rijksdag kregen. Ze gebruikten hun gezamenlijke meerderheid om regeringen ten val te brengen door moties van wantrouwen zonder het eens te zijn over de opvolging. Om een dergelijke ontwrichting van het parlementaire stelsel onmogelijk te maken is in het Grundgesetz de constructieve motie van wantrouwen ingevoerd: een Bondskanselier kan alleen naar huis gestuurd worden als een meerderheid van de Bondsdag het eens is over de opvolging.

  2. De VS zijn een federatie waarin de federale wetgever (het Huis van Afgevaardigden en de Senaat) uitsluitend bevoegd is om wetgeving ten aanzien van federale aangelegenheden uit te vaardigen. Dergelijke regelgeving heeft per definitie betrekking op de gehele federatie. De federale wetgever is onbevoegd om een wet uit te vaardigen die (bij voorbeeld) uitsluitend betrekking heeft op Texas, behalve wanneer Texas daarmee instemt. En dergelijk probleem kan zich dus in de VS niet voordoen.

Vraag 7

  1. Naast de federale overheid kennen ook de drie gewesten en drie gemeenschappen een eigen regering onder leiding van een minister-president. Omdat in Vlaanderen gewest en gemeenschap in elkaar zijn geschoven is er maar één Vlaamse mp. Het totaal komt daarmee op zes.

  2. De vicepresident vervult twee functies, namelijk die van plaatsvervanger (amendment XXV) en die van rechterhand (compagnon) van de president. Frankrijk kent geen vicepresident. Bij het openvallen van het presidentschap volgen nieuwe verkiezingen (met tijdelijke waarneming door de voorzitter van de Senaat cq de regering, zie art. 7 leden 4-5). Muv de situatie van cohabitation fungeert de minister-president als de rechterhand van de president (zie ook art. 21).

Vraag 8

  1. De volgende punten:

    • Vertrouwensbreuk met de Assemblée (art. 49 lid 1, 2 of 3 juncto art. 50)

    • Op uitdrukkelijk verzoek van de President

    • Bij presidentsverkiezingen

    • Bij verkiezingen Assemblée (hetzij regulier hetzij na ontbinding)

  2. De volgende punten:

    • Geen politieke verantwoordelijkheid leden raad (van ministers of Europese Raad)

    • Geen vertrouwensrelatie tussen EP en Raad (wel tot Cie.)

    • Geen recht van ontbinding mbt Europees Parlement

Vraag 9

  1. In Nederland kan een voorstel van wet niet meer worden gewijzigd (niet door de Eerste Kamer en ook niet door de regering) dus de tekst zal altijd identiek zijn. Er is geen reden tot instelling van een gezamenlijke commissie uit beide kamers of een ‘navette’ (het heen en weer sturen van een voorstel om tot een gelijkluidende tekst te komen).

  2. Confederatief in de Amerikaanse procedure is de verplichte instemming van de parlementen van de Staten met 3/4 e meerderheid (art. V). Dat lijkt op de ratificatie van een verdrag. Federatief in de Belgische procedure is de verplichte instemming van de Senaat, die bestaat uit vertegenwoordigers van de gemeenschappen en gewesten (art. 195 juncto art. 77 juncto art. 67).

Vraag 10

  1. Pro: de wetgever van de EU bestaat uit het parlement (een rechtstreeks door de burgers gekozen orgaan ) en de Raad (van ministers), (een orgaan waarin ministers uit de lidstaten vertegenwoordigd zijn, die in samenstelling wisselen al naar gelang het onderwerp en waarin het stemgewicht van iedere lidstaat afhankelijk is van het inwonertal van die lidstaat). De Duitse wetgever bestaat uit de Bondsdag (een rechtstreeks door de burgers gekozen orgaan) en de Bondsraad (een orgaan waarin ministers uit de deelstaten vertegenwoordigd zijn, die in samenstelling wisselen al naar gelang het onderwerp en waarin het stemgewicht van iedere deelstaat afhankelijk is van het inwonertal van die deelstaat).

    Contra: in de EU is de Raad belangrijker dan het parlement, in Duitsland is het andersom; in de EU stemt de Raad eigenlijk altijd bij gekwalificeerde meerderheid, in Duitsland doet de Bondsraad dat in beginsel niet; in de EU heeft alleen de Commissie het recht van initiatief, in Duitsland hebben Bondsraad en Bondsdag dat ook.

  2. Ja, dat moet inderdaad. Al uit de formulering van art. 94 GW (“binnen het Koninkrijk” blijkt dat het een Rijksnorm in de Grondwet is, bovendien volgt het uit art. 3 lid 1 onder b Statuut: het gaat hier om de wijze waarop het Koninkrijk volkenrechtelijke verplichtingen nakomt. Uit art. 5 lid 1 jo. lid 3 Statuut volgt dan dat bij herziening van deze bepaling de Rijkswetprocedure gevolgd moet worden, naast de herzieningsprocedure van art. 137 e.v. GW natuurlijk.

Check page access:
Public
Work for WorldSupporter

Image

JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

Working for JoHo as a student in Leyden

Parttime werken voor JoHo

How to use and find summaries?


Online access to all summaries, study notes en practice exams

Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

  1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
  2. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
  3. Search tool: quick & dirty - not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is available at the bottom of most pages or on the Search & Find page
  4. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up

Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

Field of study

Quick links to WorldSupporter content for universities in the Netherlands

Follow the author: Law Supporter
Check more of topic:
Comments, Compliments & Kudos:

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Promotions
Image

Op zoek naar een uitdagende job die past bij je studie? Word studentmanager bij JoHo !

Werkzaamheden: o.a.

  • Het werven, aansturen en contact onderhouden met auteurs, studie-assistenten en het lokale studentennetwerk.
  • Het helpen bij samenstellen van de studiematerialen
  • PR & communicatie werkzaamheden

Interesse? Reageer of informeer