2. Hoe werkt diagnostiek in de klinische psychologie?

De gehele Nederlandse samenvatting is te vinden op deze pagina: https://www.joho.org/nl/studie/boek/31022-psychopathology-custom-edition-groningen


 

2. Hoe werkt diagnostiek in de klinische psychologie?

Het type techniek dat een clinicus gebruikt voor klinische assessments is afhankelijk van zijn of haar theoretische oriëntatie op psychopathologie. Deze technieken helpen voor het stellen van een diagnose, voor het bepalen van de beste behandeling en voor het evalueren of een behandeling geholpen heeft.

2.1 Hoe gaat de classificatie van psychopathologie in zijn werk?

Het is belangrijk om psychopathologie te classificeren, omdat de psychologie de oorzaken van mentale gezondheidsproblemen wil begrijpen om effectieve behandelingen te kunnen ontwikkelen. Daarnaast kunnen services voor cliënten door classificatie effectief georganiseerd worden. Ten derde is een objectieve definitie belangrijk voor het bepalen of behandelingen slagen aan de hand van de symptomen. Tot slot vraagt de samenleving tegenwoordig om verschillende redenen om mensen te classificeren.

Hoe ziet de ontwikkeling van classificatiesystemen eruit?

Emil Kraepelin was de eerste die een uitgebreide classificatie maakte voor de psychopathologie. Hij suggereerde dat psychopathologie net als een lichamelijke ziekte geclassificeerd kon worden in verschillende en aparte pathologieën. Hij kwam met de term syndroom: een duidelijke set van symptomen. Volgend op Kraepelins schema, kwam het eerste systeem voor het classificeren van psychopathologie ontwikkeld door de World Health Organisation (WHO): de International List of Causes of Death (ICD). In 1952, kwam de American Psychiatric Association (APA) met de eerste versie van het Diagnostic and Statistical Manual (DSM): een handboek waarin alle psychische stoornissen staan beschreven.

Wat is de DSM-5?

Hoe gaat het definiëren en diagnosticeren van psychopathologie in zijn werk?

Wakefield suggereerde dat de DSM aan de volgende vier voorwaarden moest voldoen:

  1. De DSM moet noodzakelijke en voldoende criteria geven voor een correcte differentiële diagnose.
  2. Het moet een middel zijn om te kunnen onderscheiden tussen échte psychopathologie en niet-gestoorde menselijke omstandigheden die vaak worden aangeduid als alledaagse problemen in leven.
  3. Het moet diagnostische criteria bieden die door verschillende artsen en in verschillende instellingen kunnen worden toegepast.
  4. Theoretische neutraliteit: de schrijvers van de DSM moeten geen voorstander zijn van een theoretische benadering van psychopathologie.

De DSM bevat de volgende informatie:

  • Essentiële kenmerken van stoornissen;
  • Geassocieerde kenmerken van stoornissen;
  • Diagnostische criteria;
  • Differentiële diagnoses.

De diagnose wordt gebaseerd op de waarneembare symptomen, niet op de onderliggende oorzaken.

Welke problemen bestaan er met classificatie?

De nadelen van de DSM zijn:

  • De DSM geeft geen verklaring voor de stoornis, alleen een beschrijving;
  • Het labelen van mensen met een stoornis kan stigmatiserend en schadelijk zijn;
  • Het is een categorisch systeem in plaats van dimensionaal, er is een dubieus onderscheid tussen normaal en abnormaal functioneren;
  • Veel samenhang en overlap tussen stoornissen (comorbidity);
  • Er ontbreekt een tijds- en levensloopsperspectief.

Comorbiditeit komt vaak voor. Dit suggereert dat stoornissen geen onafhankelijke, afzonderlijke stoornissen zijn, maar symptomen representeren van hybride stoornissen (waarbij verschillende elementen uit verschillende stoornissen voorkomen) of een breder syndroom of stoornis spectrum (waarbij een symptomen een hogere orde categorische klasse symptomen representeren). 

Welke veranderingen zijn doorgevoerd in de DSM-5?

  • De DSM-5 is niet langer gecategoriseerd in een multi-axis systeem, clinici worden nu gestimuleerd om stoornissen te beschrijven aan de hand van een continuüm ontwikkeld voor elke stoornis.
  • Nieuwe hoofdstukken voor belangrijke stoornissen, zoals obsessive compulsive disorder (OCD).
  • Verschillende stoornissen zijn ondergebracht bij autisme spectrum stoornis, zoals Asperger.
  • Een nieuwe stoornis: disruptive mood disregulation disorder, diagnosticeert kinderen met blijvende prikkelbaarheid.
  • Binge eating disorder, hoarding disorder en skin-picking disorder zijn nu alle drie nieuwe losstaande stoorniscategorieën.
  • Persoonlijkheidsstoornissen zijn gebleven, maar er zijn dimensionele schalen aan toegevoegd.
  • Post-traumatic stress disorder (PTSD) is toegevoegd in een nieuw hoofdstuk waar trauma centraal staat.
  • Rouwprocessen mogen meegenomen worden in het diagnosticeren van major depressie.
  • Substance use disorder combineert substance abuse en substance dependence.

Waaruit bestaat de kritiek op de veranderingen in de DSM-5?

  • De veranderingen zorgen bij verschillende stoornissen voor een vermindering van het aantal criteria waaraan voldaan moet worden om met de stoornis gediagnosticeerd te worden. Dit kan effecten hebben zoals medicalisering en het ontstaan van valse-positieven.
  • De nieuwe categorieën (bijvoorbeeld attenuated psychosis syndrome, dat wordt gezien als een mogelijke precursor voor psychotische episodes) die zijn gemaakt om vroege signalen te identificeren, kunnen ook leiden tot medicalisering.
  • De nieuwe diagnostische criteria kunnen resulteren in verminderde diagnoses voor kwetsbare populaties (zoals kinderen met autisme). Vergelijkbare zorgen zijn er om de veranderingen omtrent specifieke leerstoornissen en de mogelijkheid dat het verwijderen van de term dyslexie (chronische leerstoornis, waarbij ontwikkelingsproblemen zijn in spelling, lezen en schrijven) nadelig zal zijn voor individuen met leesstoornissen.
  • Het gebruik van neurowetenschappen in de diagnostische criteria wordt bekritiseerd, omdat dit de laatste tijd niet heeft geholpen in het definiëren van mentale gezondheidsproblemen.
  • Omdat stoornissen nu als dimensioneel worden gezien, wordt het lastig om cut-off scores te definiëren.

Welke conclusies kunnen we trekken?

Ondanks alle kritiek is de DSM het meest gebruikte middel voor het classificeren van mentale gezondheidsproblematiek. Veel clinici gebruiken liever geen diagnostisch systeem, maar geven voorkeur aan het behandelen van de cliënt als iemand met een uniek mentaal gezondheidsprobleem.

2.2 Welke methoden voor diagnostiek zijn er?

Wat houden betrouwbaarheid en validiteit in?

Om de objectiviteit van de beoordeling van een cliënt zo groot mogelijk te houden, is het belangrijk dat een techniek betrouwbaar en valide is. Een techniek is betrouwbaar als het bij toepassing door verschillende psychologen en in verschillende situaties steeds het dezelfde uitkomst heeft. Validiteit zegt iets over of een methode wel echt meet wat het zegt te meten. Bij beide aspecten komen veel dingen kijken.

Wat is betrouwbaarheid?

De betrouwbaarheid zegt iets over hoe consistent een methode iets meet. Er bestaan verschillende vormen van betrouwbaarheid.

  • Test-hertest betrouwbaarheid: de kans dat iemand ongeveer hetzelfde resultaat behaalt als hij de test enkele weken of maanden later nogmaals doet.
  • Interbeoordelaar-betrouwbaarheid: de mate waarin twee verschillende therapeuten overeenkomen in de beoordeling van een bepaalde cliënt op een test.
  • Interne consistentie: de mate waarin alle items in een test aan elkaar gerelateerd zijn
  • Cronbach’s α: een statistische test die bepaalt of elk item in een test iets bijdraagt aan de interne consistentie ervan.

Wat is validiteit?

Het is belangrijk om er zeker van te zijn dat een test meet wat hij zegt te meten. Dit wordt bepaald door de volgende vormen van validiteit:

  • Concurrente validiteit: hierbij wordt gekeken hoe hoog de correlaties van de test zijn met andere tests die hetzelfde construct meten.
  • Face validiteit: onderzoekt of de test niet slechts valide lijkt doordat de items relevant lijken voor het te meten construct, maar dat eigenlijk niet zijn.
  • Voorspellende validiteit: de mate waarin de test een voorspelling kan geven van symptomen in de toekomst.
  • Constructvaliditeit: toont aan dat een test gerelateerd is aan gelijksoortige tests.

Wat zijn klinische interviews?

Wat is de aard van klinische interviews?

Een interview is meestal niet meer dan een informeel, relatief ongestructureerd gesprek tussen twee of meer mensen, waarbij het doel is om informatie over een van deze personen te krijgen. Het is meestal de eerste vorm van contact tussen de cliënt en psycholoog. De inhoud ervan wordt bepaald door de het soort psycholoog, zo wil een psychodynamische psycholoog met name dingen weten over iemands jeugd, terwijl een cognitiefve psycholoog wil kijken of er sprake is van disfunctionele gedachten die het probleem beïnvloeden. Om deze informatie van de cliënt te krijgen, is het belangrijk een vertrouwensband te creëren, uit te kunnen leggen waarom je iets wilt weten en iemand aan te kunnen moedigen om dingen te vertellen.

Wat zijn gestructureerde interviews?

Als de psycholoog iets wil zeggen over de specifieke manier van functioneren of over een diagnose dan maakt hij gebruik van een gestructureerd interview. Bij een dergelijk interview is de volgorde en de gedetailleerde informatie die wordt gevraagd van te voren vastgelegd. Een techniek voor deze vorm van interviewen is het Gestructureerde Klinische Interview voor DSM-IV-TR (SCID). Het SCID is een vertakkende vorm van interviewen, waarbij het antwoord op de ene vraag de volgende vraag bepaaltd.

Welke beperkingen heeft het klinische interview?

Het klinisch interview heeft nadelen. Zo heeft de methode een erg lage betrouwbaarheid: twee verschillende psychologen zullen bij dezelfde patiënt vaak met verschillende informatie eindigen bij een ongestructureerd interview (hierbij worden veel open vragen gesteld, de richting en onderwerpen van het gesprek worden dan vooral bepaald door het antwoord dat de cliënt geeft op de vragen). Dit kan komen door de vooroordelen van zowel de psycholoog als de cliënt. Een jonge vrouwelijke cliënt zal bijvoorbeeld misschien liever haar verhaal doen bij een jonge psycholoog dan bij een oudere, formelere psycholoog. En zo kan ook de psycholoog bevooroordeeld zijn door het geslacht, de afkomst of seksuele oriëntatie van de cliënt. Dit kan allemaal invloed hebben op de inhoud van het interview. Daarnaast komt het regelmatig voor dat de cliënt liegt in het gesprek. Vooral mensen met een persoonlijkheidsstoornis kunnen andere, onware informatie geven en zo het interview manipuleren.

Wat zijn pychologische tests?

Psychologische tests zijn hoofdzakelijk beschikbaar op papier. Deze testen kunnen echter ook digitaal worden afgenomen. Het is een van de meest gebruikte methoden en is meer gestructureerd dan een interview. Voordelen van psychologisch testen zijn de volgende:

  1. De cliënt wordt op één of meer specifieke kenmerken getest.
  2. De vragen worden op zo’n manier beantwoord dat ze makkelijk gescoord kunnen worden.
  3. Daardoor kan er, als er eenmaal veel testen zijn afgenomen, vergeleken worden met een normgroep. Dit wordt ook wel standaardisatie genoemd.
  4. De tests zijn meestal grondig getest, zodat vaststaat dat ze zowel betrouwbaar als valide zijn.

De meeste psychologische tests zijn gebaseerd op de psychometrische benadering. Deze benadering neemt aan dat bepaalde kenmerken bij iedereen in een bepaalde mate aanwezig zijn.

Wat zijn persoonlijkheidstests?

De meest bekende test voor persoonlijkheid is de Minnesota Multiphasic Personality Inventory (MMPI), die inmiddels is bijgewerkt tot de MMPI-2. Deze test bestaat uit 567 uitspraken over jezelf, waarbij je kunt aangeven of het klopt, niet klopt of dat je er niks over kunt zeggen. De test heeft vier validiteitsschalen en tien klinische schalen, waarbij de validiteitsschalen kunnen bepalen of iemand valse informatie geeft. De scores gaan van 0 tot 120. Hierbij duidt een score van 70 op een verhoogde kans op een psychopathologische stoornis. Uiteindelijk kunnen de uitkomsten op de MMPI-2 worden weergegeven in een MMPI profiel.

Wat zijn tests voor specifieke trekken?

Terwijl persoonlijkheidstests de score op verschillende kenmerken meten, bestaan er ook tests die ingaan op één psychopathologisch gebied, zoals niveau van angst, depressie of woede. Meestal meten deze tests direct observeerbaar gedrag, maar tegenwoordig wordt ook steeds vaker gebruikt voor het meten van hypothetische constructen. Hierbij wordt de score op een bepaald kenmerk afgeleid uit de antwoorden op meerdere vragen. Omdat ze hierdoor een grote diagnostische en theoretische waarde hebben, is het aantal tests voor specifieke trekken enorm toegenomen. Sommige tests zijn erg goed en hebben een hoge validiteit, maar de meeste tests zijn niet erg representatief voor een trek of stoornis.

Wat zijn projectieve tests?

Projectieve testen bestaant uit een aantal vaste stimuli die aan de cliënt worden voorgelegd. Het nadeel is dat deze stimuli zeer dubbelzinnig zijn. Hierdoor is er veel ruimte voor de eigen interpretatie van de cliënt. Hierdoor zijn zowel de validiteit als de betrouwbaarheid niet erg hoog. Ook laten de tests ruimte voor een culturele bias en komt er uit andere, meer valide tests vaak een andere diagnose.

Eén van de meest bekende projectieve tests is de Rorschach Inkblot Test, waarbij gekeken wordt naar de interpretatie van bepaalde inktvlekken. De inktvlekken worden gemaakt door wat inkt op papier te laten vallen, en het papier vervolgens dubbel te vouwen, zodat er een symmetrische figuur ontstaat. Daarnaast wordt ook de Thematic Apperception Test (TAT) veel gebruikt. Deze test bestaat uit dertig zwart-witfoto’s van mensen in vage, dubbelzinnige situaties. De cliënt wordt gevraagd wat hij denkt dat er in het plaatje gebeurt, wat de mensen denken, voelen en zeggen en wat er uiteindelijk zal gebeuren. Tenslotte wordt soms gebruik gemaakt van de Sentence Completion Test.

Box 2.1

Bij de Sentence Completion Test krijgt de cliënt het begin van een zin, die hij moet afmaken met zijn eigen woorden. Een voorbeeld hiervan is: 'Mijn grootste angst...'. Dit geeft inzicht in de gevoelens van een cliënt. De test kan ook gebruikt worden als onderzoeksmiddel. Uit een onderzoek naar interpretatie biases in veteranen die gediagnosticeerd waren met PTSD, blijkt dat deze veteranen biases hebben in de toegankelijkheid, het encoderen en het ophalen van trauma-gerelateerde informatie, ze gebruikten vaker oorlog-gerelateerde woorden om de zinnen af te maken.

Wat zijn intelligentietesten?

IQ (Intelligentie Quotiënt) tests worden gebruikt voor het meten van iemands intellectuele vaardigheden. Intelligentie wordt hierbij uitgedrukt in een intelligentiequotiënt. Het gemiddelde IQ ligt bij 100 en de standaarddeviatie hierbij is ongeveer 15. IQ-tests hebben een hoge interne validiteit, een hoge test-hertest-betrouwbaarheid. Een voorbeeld van een intelligentietest is de Wechsler Adult Intelligence Scale (WAIS), deze test meet het IQ van een volwassene. Deze test bevat schalen die woordenschat, rekenen, digit span, verbaal begrip, letter-cijfer sequencing, plaatjes afmaken, redeneervermogen, symbool zoeken en object samenstellen meten.

Al worden dit soort tests veel gebruikt, er zijn ook enkele nadelen. Ten eerste is intelligentie een afgeleid begrip. Het kan niet zo objectief gemeten worden als bijvoorbeeld de hartslag, omdat er van tevoren door iemand betekenis aan is gegeven. Ten tweede kan er een aantal biasen in de test zitten, zoals bijvoorbeeld een culturele bias. Zo kan de test gebaseerd zijn op de middenklasse van de samenleving, waardoor mensen met een lagere sociaal-economische status benadeeld worden. Ten derde zegt het slechts iets over iemands intelligentie op een moment in de tijd. Er kan niets uit afgeleid worden over iemands capaciteiten om nieuwe dingen te leren. Tenslotte wordt vaak gezegd dat ons huidige beeld van intelligentie niet breed genoeg is. Zo testen we bijvoorbeeld niets over iemands muzikale, fysieke en expressieve vaardigheden.

Wat zijn tests voor neurologische afwijkingen?

Veel psychologische en cognitieve problemen worden veroorzaakt door beschadigingen in de hersenen en het centrale zenuwstelsel. Met tests kun je bepalen of de problemen veroorzaakt worden door een beschadiging en als dat het geval is, om dan te onderzoeken welk hersengebied is aangetast. Deze informatie kan waardevol zijn voor het vaststellen van de behandelmethode. Veelgebruikte neurologische tests zijn de Adult Memory and Information Processing Battery (AMIPB), de Halsteaaed-Reitan Neuropsychological Test Battery en de Mini Mental State Examination (MMSE). De AMIPB bestaat uit twee testen voor snelheid van informatieverwerking, verbale geheugen tests en visuele geheugen tests. De Halstead-Reitan Neuropsychological Test Battery evalueert het functioneren van de hersenen en het zenuwstelsel. De test meet visuele, auditieve en tactiele input, verbale communicatie, spatiële en sequentiële perceptie, de vaardigheid om informatie te analyseren, de vaardigheid om mentale concepten te vormen, oordelen te vormen, motor output te controleren en om aandacht te richten op stimuli en deze te onthouden.

Wat zijn biologische beoordelingsmethoden?

Vaak kan inzicht in het biologisch functioneren helpen bij het stellen van een psychologische diagnose. Er zijn twee vormen van biologische beoordeling: psychofysiologische tests en hersen-imaging technieken.

Wat zijn psychofysiologische tests?

Psychofysiologische tests kunnen aanwijzingen geven voor mogelijke psychologische problemen. Een voorbeeld hiervan is een verhoogde bloeddruk als indicatie voor een angststoornis. Een belangrijk aspect van fysiologische activiteit is elektrodermale reactie, waarbij elektrodes aan de vingers worden verbonden om de activiteit van de zweetspier te meten en daar emotionele reacties uit af te leiden. Andere handige psychopathologische meetinstrumenten zijn de elektromyograaf (EMG), die spieractiviteit meet, en het elektrocardiogram (ECG), dat de hartslag meet. Een ander instrument is de leugendetector. Deze test meet autonome veranderingen tijdens reacties op vooraf vastgestelde vragen, om te bepalen of iemand liegt. Deze test wordt tegenwoordig niet meer zo vaak gebruikt, omdat de lichamelijke reacties ook goed reacties kunnen zijn op andere factoren dan de vraag. Tenslotte is er nog het elektro-encefalogram (EEG), waarbij elektroden op het schedel worden geplaatst, om ongewone patronen in de hersenen te ontdekken en lokaliseren.

Wat zijn hersen-imaging technieken?

Er zijn tegenwoordig verschillende hersen-imaging technieken beschikbaar. Sommige daarvan geven structurele informatie, bijvoorbeeld of een tumor aanwezig is, andere technieken geven informatie over de activiteit of het functioneren van de hersenen. Een voorbeeld van zo een techniek is de gecomputeriseerde axiale tomografie (CAT) scan. Daarbij maakt een röntgenapparaat een driedimensionale foto van de hersenen. Een CAT-scan wordt gebruikt om te onderzoeken of er abnormale vergroeiingen in de hersenen zijn, zoals een tumor.

Daarnaast is de positron emissie tomografie (PET) een bekende vorm van hersen-imaging. Hiermee kunnen zowel hersenstructuur als de hersenfuncties gemeten worden, door te met gammastraling de activiteit van glucose in kaart te brengen. Bij een PET-scan worden er foto’s gemaakt van de chemische activiteit in de hersenen, zowel bij rust als tijdens het uitvoeren van bepaalde taken.

Tenslotte is er nog magnetische resonantie imaging (MRI), waarbij de patiënt in een grote cirkelvormige magneet wordt geplaatst, zodat de waterstofatomen in het lichaam gaan bewegen. Dit zorgt voor een elektromagnetisch signaal, dat vervolgens wordt omgezet in foto’s van de hersenen. De nieuwste ontwikkeling binnen deze techniek is de functionele MRI (fMRI). Hierbij worden meerdere foto’s gemaakt van de hersenen, zo snel achter elkaar dat zelfs de kleinste veranderingen in het metabolisme van de hersenen zichtbaar worden.

Wat is klinische observatie?

Tenslotte is er nog de klinische observatiemethode, waarbij het directe gedrag van een cliënt wordt geobserveerd in een natuurlijke setting, zoals thuis, op school of op het werk. Deze techniek kan objectieve informatie geven over de frequentie van een bepaalde gedraging, maar ook over wat er voorafgaat aan het gedrag en wat er direct op volgt. Dit laatste kan vastgesteld worden met een ABC, een observatiemethode waarbij wordt gekeken naar wat er gebeurt voor het gedrag ontstaat (A), wat het gedrag is (B) en wat de consequenties van het gedrag zijn (C). Een groot voordeel van observatie is de hoge ecologische validiteit die de techniek heeft, omdat de metingen gedaan worden in de natuurlijke omgeving van de cliënt.

Klinische observatie heeft echter ook enkele nadelen, waaronder de hoeveelheid tijd die het in beslag neemt. Niet alleen gaat er veel tijd zitten in de observatie zelf, maar ook het trainen van observatoren om goede systematische observaties te kunnen verrichten kost veel tijd. Daarnaast zijn de observaties vaak niet generaliseerbaar naar andere omgevingen, omdat slechts wordt geobserveerd in één setting. Tevens kan de aanwezigheid van de observator het gedrag beïnvloeden, waardoor de uitkomsten minder betrouwbaar zijn. Dit kan worden opgelost door gebruik te maken van analoge observatie, zoals video-opnames. Ten vierde is er, tenzij de observatoren goed getraind zijn, vaak een lage interbeoordelaarsvaliditeit. Soms komt dit doordat observatoren de data beïnvloeden, zodat die voldoen aan hun verwachtingen.

De laatste vorm van klinische observatie wordt zelfobservatie of zelfmonitoring genoemd. Hierbij wordt de cliënt gevraagd om in een dagboek bij te houden hoe vaak hij bepaald gedrag vertoont, en in welke context dit voorkomt. Het op deze manier gebruiken van een dagboek wordt tegenwoordig ook wel ecologische beoordeling per moment (EMA) genoemd en kan zowel schriftelijk als digitaal gebeuren. De zelfmonitoring techniek heeft ook al tijdens de uitvoering ervan effect. Er is namelijk gebleken dat door het bijhouden van het eigen gedrag, wenselijk gedrag stijgt en onwenselijk gedrag afneemt. Dit wordt reactiviteit genoemd en wordt bijvoorbeeld toegepast bij roken en overmatig eten.

Focus point 2.2

Er verschillende types van observationeel coderen. Er bestaat een simpel coderingssysteem waarbij de observator het gedrag beschrijft samen met de antecedenten en de consequenties van het gedrag. Daarnaast is er een coderingssysteem waarbij de frequentie wordt geturfd van geselecteerde gedragingen. Ook is er een coderingssysteem waarbij frequentie van bepaalde gedragingen wordt geturfd over tijd. Tot slot is er een coderingssysteem waarbij het gedrag van de cliënt in relatie tot anderen in de situatie wordt geobserveerd.

Focus point 2.3

Apps worden steeds vaker gebruikt door klinisch psychologen en onderzoekers om zelfmonitoring te faciliteren. Een voorbeeld van zo'n app is MoodPanda, waarbij het individu hun stemming moeten rapporteren gedurende de dag.

Welke culturele biases bij behandeling zijn er?

De meeste tests zijn ontwikkeld op basis van onderzoek met blanke Europeanen en blanke Amerikaanse populaties. Daarom zit er in veel tests een culturele bias, wat inhoudt dat een fenomeen wordt beoordeeld vanuit iemands eigen cultuur.

Wat zijn voorbeelden van culturele onregelmatigheden in assessment en diagnose?

Sommige etnische groepen scoren hoger (of juist lager) dan andere populaties. Daarnaast kunnen individuen van lage socio-economische komaf bias ervaren.

Wat zijn oorzaken van culturele onregelmatigheden in assessment en diagnose?

Verschillende factoren zijn van invloed op de culturele verschillen in assessment en diagnose:

  • Mentale gezondheidssymptomen hebben verschillende manifestaties in verschillende culturen;
  • Taalverschillen;
  • Het effect van religieuze en spirituele opvattingen op de expressie en perceptie van psychopathologie;
  • De manier waarop culturerle verschillen cliënt-clinicus relaties beïnvloeden;
  • De rol van culturele stereotypes in de perceptie van 'normaal' en 'abnormaal' in etnische groepen.

Een bias die bij therapeuten nog wel eens voorkomt, is de confirmatiebias. Een therapeut die onderzoek doet, of een hypothese heeft gesteld, wil om zijn verwachtingen te bevestigen nog wel eens de informatie verdraaien. Hij negeert dan belangrijke informatie van de cliënt of kan de cliënt in een bepaalde richting sturen in het gesprek.

Hoe worden culturele onregelmatigheden in assessment en diagnose bekeken?

Clinici moeten hun best doen om culturele bias te verwijderen van hun assessment en diagnostische processen. In de DSM zijn worden culturele onregelmatigheden beschreven in de meeste diagnostische categorieën. Clinici hebben goede educatie en training nodig. Daarnaast kan gewerkt worden aan het vergroten van de betrouwbaarheid en validiteit van tests.

2.3 Wat houdt case formulering in?

Case formulering is het gebruik van klinische informatie om een psychologische verklaring op te stellen voor de problemen van een cliënt en een plan voor behandeling te ontwikkelen. Persons heeft zes componenten van case formulering beschreven:

  • Het creëren van een lijst van de problemen;
  • Identificeren en beschrijven van onderliggende psychologische mechanismen die de problemen kunnen mediëren;
  • Begrijpen van de manier waarop de psychologische mechanismen de problemen genereren;
  • Identificeren van gebeurtenissen die de problemen van de cliënt hebben gestimuleerd;
  • Identificeren hoe deze stimulerende gebeurtenissen de huidige problemen hebben veroorzaakt door de psychologische mechanismen;
  • Ontwikkelen van een behandelplan gebaseerd op voorgaande informatie.

Deze benadering heeft verschillende voordelen:

  • Het geeft een flexibel en idiosyncratisch begrip van de problemen van een cliënt.
  • Het is collaboratief en behandelt de cliënt met aandacht.
  • Het is sterk gebaseerd op een theoretisch begrip van psychopathologie.
  • Het kan informatie bevatten van de geschiedenis van de cliënt.
  • Het maakt het mogelijk om behandeling af te stemmen op specifieke behoeftes van de cliënt.

Bulletpoints Hoofdstuk 2

  • Het type techniek dat een clinicus gebruikt voor klinische assessments is afhankelijk van zijn of haar theoretische oriëntatie op psychopathologie. Deze technieken helpen voor het stellen van een diagnose, voor het bepalen van de beste behandeling en voor het evalueren of een behandeling geholpen heeft.

  • Kraepelin was de eerste die een uitgebreide classificatie maakte voor de psychopathologie. Hij kwam met de term syndroom: een duidelijke set van symptomen. Volgend op Kraepelins schema, kwam het eerste systeem voor het classificeren van psychopathologie ontwikkeld door de WHO: de ICD. In 1952, kwam de APA met de eerste versie van de DSM: een handboek waarin alle psychische stoornissen staan beschreven.

  • Comorbiditeit komt vaak voor. Dit suggereert dat stoornissen geen onafhankelijke, afzonderlijke stoornissen zijn, maar symptomen representeren van hybride stoornissen (waarbij verschillende elementen uit verschillende stoornissen voorkomen) of een breder syndroom of stoornis spectrum (waarbij een symptomen een hogere orde categorische klasse symptomen representeren).

  • Om de objectiviteit van de beoordeling van een cliënt zo groot mogelijk te houden, is het belangrijk dat een techniek betrouwbaar en valide is. Een techniek is betrouwbaar als het bij toepassing door verschillende psychologen en in verschillende situaties steeds het dezelfde uitkomst heeft. Validiteit zegt iets over of een methode wel echt meet wat het zegt te meten. Bij beide aspecten komen veel dingen kijken.

  • De meeste psychologische tests zijn gebaseerd op de psychometrische benadering. Deze benadering neemt aan dat bepaalde kenmerken bij iedereen in een bepaalde mate aanwezig zijn.

  • Projectieve testen bestaan uit een aantal vaste stimuli die aan de cliënt worden voorgelegd. Het nadeel is dat deze stimuli zeer dubbelzinnig zijn. Hierdoor is er veel ruimte voor de eigen interpretatie van de cliënt. Hierdoor zijn zowel de validiteit als de betrouwbaarheid niet erg hoog. Ook laten de tests ruimte voor een culturele bias en komt er uit andere, meer valide tests vaak een andere diagnose. 

  • Vaak kan inzicht in het biologisch functioneren helpen bij het stellen van een psychologische diagnose. Er zijn twee vormen van biologische beoordeling: psychofysiologische tests en hersen-imaging technieken.

  • De klinische observatiemethode kan objectieve informatie geven over de frequentie van een bepaalde gedraging, maar ook over wat er voorafgaat aan het gedrag en wat er direct op volgt. Dit laatste kan vastgesteld worden met een ABC, een observatiemethode waarbij wordt gekeken naar wat er gebeurt voor het gedrag ontstaat (A), wat het gedrag is (B) en wat de consequenties van het gedrag zijn (C). Een groot voordeel van observatie is de hoge ecologische validiteit die de techniek heeft, omdat de metingen gedaan worden in de natuurlijke omgeving van de cliënt.

  • Clinici moeten hun best doen om culturele bias te verwijderen van hun assessment en diagnostische processen. In de DSM zijn worden culturele onregelmatigheden beschreven in de meeste diagnostische categorieën. Clinici hebben goede educatie en training nodig. Daarnaast kan gewerkt worden aan het vergroten van de betrouwbaarheid en validiteit van tests.

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of Petra
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
48