Hoorcollegeaantekeningen Logistieke Informatiesystemen - RUG - BDK 2

Gebaseerd op de college zoals gegeven in 2015-2016


 

Hoorcollege 1: Introductie logistieke informatiesystemen

 

Logistieke informatiesystemen kunnen omschreven worden als systemen die mensen ondersteunen in tijdens hun werkzaamheden. Hieronder volgen voorbeelden, zoals:

  • Functionaliteit op het kantoor

  • Professionele ondersteuning, zoals het plannen

  • Transactie verwerkende processen, bijvoorbeeld warehousemanaging en ondersteuning voor business process management.

 

Er kan worden gesteld dat logistieke informatiesystemen personeel ondersteunt in logistiek.

 

Tijdens dit hoorcollege zal er een inleiding worden gegeven in bedrijfsprocessen (business processes). Dit zal gebeuren door de in te gaan op volgende onderdelen:

  1. Het traditionele bestellen en leveren

  2. Het bespreken van de hoofd commerciële processen in logistiek.

  3. Het traditioneel opstellen van een offerte

  4. Business-to-business trade

 

Een order wordt opgenomen door afdeling Sales. Deze afdeling gaat na het ontvangst van de order de volgende dingen na:

  1. Is de order compleet?

  2. Is de klant bekend binnen de onderneming?

  3. Heeft de klant een contract?

Nadat de sales deze vragen beantwoord heeft, wordt de order doorgestuurd naar de afdelingen Finance en Logistiek. Op de afdeling Finance wordt vervolgens gekeken hoe kredietwaardig de klant is. Dit wordt gecontroleerd door zich de volgende vragen te stellen:

  • Heeft de klant zijn kredietlimiet overschreden?

  • Staat de klant bekend als debiteur?

  • Is er een kredietverzekering nodig?

Kredietverzekering: als je levert aan een partij die waarschijnlijk niet zal betalen, kun je een kredietverzekering afsluiten. Je verzekert jezelf dat jij het geld ontvangt. De bank neemt hierdoor het risico van de kosten op zich.

 

Tegelijkertijd wordt op de afdeling logistiek de voorraad van het materiaal gecheckt. Dit doet zij door zich de volgende vragen te stellen:

  • Klopt het codenummer?

  • Weet de onderneming de levertijd van de leverancier?

Vervolgens koppelen de afdeling Financiën en Logistiek weer terug met de afdeling Sales. Waarop de afdeling Sales aan de klant kan meedelen of de order wel of niet zal worden uitgevoerd.

 

Het traditionele ordersysteem bestaat uit de volgende 7 stappen:

  • Het ontvangen van een order van een klant

  • Het versturen van de orderbevestiging door de uitvoerende partij

  • Vervolgens stuurt de uitvoerende partij een verzendadvies (shipment advice). Dit betekent dat de bestelling op transport is gezet.

  • Vervolgens wordt de order vervoerd

  • De klant verstuurt een ontvangstbevestiging (confirmation of receipt). Dit betekent dat de klant aangeeft dat de order is geleverd volgens het contract.

  • Vervolgens zal de uitvoerende partij een factuur versturen

  • Tot slot zal de klant betalen

In het bovenstaande spelen de leverancier en de klant een rol. Maar als we spreken over bedrijfsprocessen (business processes) dan speelt dit af in één onderneming.

Bedrijfsprocessen (business processes) kunnen op verschillende manieren visueel worden weergeven. Doordat bedrijfsprocessen op verschillende manieren weergeven kunnen worden, kunnen de volgende problemen ontstaan:

  • Concepten worden op verschillende manieren weergeven

  • Concepten worden hierdoor onduidelijk

  • Concepten worden in een verschillend bereik weergeven

  • Er worden verschillende terminologieën gebruikt

We kunnen modellen beschrijven als een afgeleiden van fenomenen die zie in de echte wereld afspelen en zijn ontwikkeld om complexiteit te verminderen. Daarnaast is het een verzameling van informatie, die alleen relevante aspecten weergeeft. Tot slot zijn de modellen ontworpen voor een specifiek publiek met een speciaal doel. We kunnen hierdoor spreken van een relevant of irrelevant model, maar niet van een goed of fout model.

 

Bedrijfsprocessen (business processes) kunnen worden omschreven als een verzameling van een evenement, activiteiten en beslissingen dat betrekking heeft op actoren en objecten. Vervolgens heeft dit als gezamenlijke uitkomst het creëren van waarde voor de een onderneming of haar klanten. Hiervan zijn de volgende voorbeelden:

  • Order-to-Cash

  • Quote-to-Order

  • Procure-to-Pay

  • Application-to-Approval

  • Fault-to-Resolution. Hierbij kan worden gedacht aan het process dat een ontevreden klant doormiddel van service weer een tevreden klant wordt.

  • Claim-to-Settlement

 

Elk proces heeft een uitkomst. Er kan één of meerdere uitkomsten zijn. Deze uitkomsten kunnen zowel positief als negatief zijn. Er wordt gesteld dat een uitkomst positief is als er waarde wordt gecreëerd voor de klant. Daarentegen vermindert een negatieve uitkomst de waarde voor een klant.

 

Een proces kent de volgende core elementen:

  • Activiteit:

  • Het betreft actieve elementen, zoals het invoeren van een order

  • Het kost tijd en neemt beslag op de middelen (resources)

  • De status wordt hierdoor gewijzigd

  • Evenementen:

  • Het betreft passieve elementen, zoals het invoeren van een order is gebeurd

  • Het gaat over condities en omstandigheden

  • Op dat moment gebeurt het

  • Bedrijfsobjecten of data:

  • De artefacten van een organisatie die verandering ondergaan

  • Fysische of elektronische informatie

  • Voorbeelden: order, digitaal object en een adviesvoorstel

  • Actoren (of resources):

  • De onderdelen van een onderneming waar activiteiten processen uitvoeren en evenementen verzorgen.

  • Mensen en systemen

  • Voorbeeld: ERP-systeem

 

Er zijn de volgende proces perspectieven:

  • Control flow perspective

Het gaat over wat er wanneer iets gedaan moet worden

  • Data perspectief

Dit gaat over waaraan gewerkt moet worden

  • Resource perspectief

Dit betreft wie het werk gaat uitvoeren

 

Daarnaast kunnen de volgende elementen een rol spelen in een proces:

  • Objectives & Goals

Aansluiting met de strategie

  • Risico’s

Om risico’s van het proces te verkleinen

  • Beleid en regels

    Als de wetgeving wordt nageleefd

  • Kennis

    Als de juiste kennis in huis is om het proces uit te voeren

 

Proces modelering kan worden omschreven als een algemeen taal voor het benoemen en het weergeven van een een onderdeel. Maar ook voegt processen samen, zoals systemen en services. Daarnaast maakt het doorloop, de juistheid en het testen mogelijk. Dit kan door middel van simulaties. Vervolgens kan het ook worden toegepast voor benchmarking. Tot slot dient het als een blue print voor het automatiseren van processen.

 

Bedrijfsprocessen zijn belangrijk voor de organisatie, omdat het wordt gezien als een belangrijke activa. Daarnaast geeft het de vraag naar producten aan, waardoor het management hierdoor wordt bepaald. Tot slot door het gehele bedrijfsproces op te splitsen in kleinere bedrijfsprocessen wordt het gehele proces minder complex, waardoor er analyse, verbetering, discussie en automatisering kan plaatsvinden.

 

 

Hoorcollege 2: Transaction processing systems & ERP's

 

Transacition processing system informeert een organisatie op het gebied van objecten, zoals:

  • Activa

Gebouwen, machines, maar ook vallen debiteuren hieronder.

  • Schulden

Hieronder vallen crediteuren en leningen.

  • Werknemers

  • Bedrijfspartners

  • Catalogus met producten

  • Orders

 

Kortom transaction processing systems ondersteunen de uitvoering van het proces.

 

Een object is iets waar een onderneming in geïnteresseerd is en heeft de volgende kenmerken:

  • Het is een zelfstandig naamwoord

  • Het kan iets fysieks zijn, maar ook niet fysiek

 

Objecten hebben attributen, die samen een waarde hebben. Objecten die dezelfde attributen hebben zijn een type.

Als objecten in tabelvorm wordt weergeven, dan is een de rij het object en is de kolom het attribuut.

 

Een object kan worden weergeven in een blokje met drie horizontale vakjes. In het eerste vakje noteert men het object. In het tweede vakje wordt het attribuut genoteerd. In het laatste vakje wordt de methode genoteerd, maar daar wordt in de cursus niet op ingegaan.

Elke tabel heeft een sleutel die een attribuut aanduidt met elke rij. De sleutel heeft een waarde dat één keer voorkomt in de tabel. De sleutel van een attribuut in tabel B kan ook voorkomen in tabel B. Dan noemen het sleutelattribuut in A een primary key en is tabel B een foreign key. De foreign leiden er tot dat er verbindingen ontstaan in een Class Diagram.

Objecten worden weergeven in zelfstandige voornaamwoorden. De verbindingen tussen objecten worden weergeven door middel van werkwoorden. Objecten geven daardoor de status van een object aan. Een wijziging van de objecten kan worden genoteerd in state transition diagrams. Objecten kunnen veranderen door menselijke handelingen.

 

Als een object een verandering ondergaat wordt dit weergeven is TPS (Transaction Processing Systems). Om een TPS-systeem te ontwerpen is de verandering van een object belangrijk. Hierbij kunnen we het volgende in het systeem hanteren: create, read, update en delete (CRUD). Als een transactie mag worden toegepast wordt gecontroleerd door business logic.

 

De levensduur van een object bestaat uit de volgende onderdelen:

  • Create

  • Read

  • Update

  • Delete

 

Als we kijken transaction processing system draagt het bij aan de functionaliteit:

  • Het ondersteunt de gebruiker om een taak uit te voeren.

  • Daarnaast wordt door middel van business logic bekeken als de onderneming volgens de regels werkt.

  • Datamanagement

  • Daarnaast helpt het bij het toewijzen van taken, het beheren van gegeven en het toepassen van regels.

Vervolgens als er gekeken wordt naar hoe het werkt, dan kan het system op het volgende worden beoordeeld:

  • Schaalbaarheid, gebruiksvriendelijkheid, beveiliging, draagbaarheid.

 

Hoe maak je een state transition diagram?:

  • Bekijk welke objecten een rol spelen, zoals een order, materiaal en klanten.

  • Bekijk de status van een object en kijk waar het zich bevindt in de levenscyclus.

  • Bekijk de status van de database.

  • Inventariseer welke transities er mogelijk kunnen zijn.

  • Ontwerp software dit het ondersteunt.

  • Daarbij is het van belang hoe de objecten met elkaar verbonden zijn.

  • Visueel kan dit weergeven worden is een class diagram.

 

Problemen die zich voor kunnen doen als er verschillende informatiesystemen worden gehanteerd:

  • De data is op verschillende plekken opgeslagen. Het probleem is hierbij dat als een afdeling de data wijzigt en een andere niet, dan is er inconsistentie. Als gevolg is er geen overzicht meer.

  • Er is geen relatie tussen data.

 

Een Enterprise resource planning zorgt ervoor dat alle afdelingen en functies samenkomen op het gebied van IT in een systeem.

Het voordeel hiervan is dat beslissingen kunnen worden genomen op basis van alle informatie die bekend is binnen de onderneming.
Daarnaast door gebruik te maken van een ERP-systeem wordt het beste softwareprogramma van de industrie toegepast.
Tot slot vraagt een toepassing van het systeem veel parameters.

 

ERP-systemen zijn sterke middelen om te gebruiken bij de bedrijfsvoering, omdat:

  • Het is een logische toepassing voor aparte applicaties te verbinden.

  • De informatie is nu algemeen toegankelijk in de onderneming, waardoor informatie wordt gedeeld en gerapporteerd.

  • Het vermijdt de moeilijkheden en de kosten van het toepassen van legacy systems.

 

 

Hoorcollege 3: Vervolg ERP & Warehouse Management Systems

 

Om de werkzaamheden in een onderneming beter te begrijpen is het handig de processen en de objecten te beschrijven.

Bedrijfsinformatiesystemen bestaan uit transactie verwerkende systemen, waarmee de levenscyclus van objecten beschreven kunnen worden.

De volgende problemen kunnen ontstaat als er met verschillende informatiesystemen wordt gewerkt:

  • Als eerste ontstaat er overtollige informatie. Als we het voorbeeld nemen van een klant met betrekking tot de boekhouding. In het boekhoudsysteem in sprake van een debiteur en in de verkoop is sprake van een klant. Hierdoor kan een wijziging in data leiden tot inconsistentie van informatie. Als gevolg heeft niemand meer het overzicht over de klant. Bedrijfsprocessen kunnen hierdoor complex worden.

  • Doordat er een overtolligheid aan informatie is zijn er ontbrekende relaties.

Om tot een oplossing te komen voor dit probleem is het als eerste van belang dat informatiesystemen worden geïntegreerd. Dit vergt een herontwerp van het proces. Hierdoor zal ook een verandering optreden in de verantwoordelijkheden. Om het informatiesysteem te integreren kan er gebruik worden gemaakt van ERP.

Informatiestromen betreft transport kunnen visueel worden weergeven. Hierbij kom je het begrip trip tegen. Dit houdt in dat er wordt aangeven waar het product heen wordt gebracht.

  • Logistiek voor verse producten kent de volgende doelen:

  • Verkrijgbaarheid van het product, dus het voorkomen van lege schappen.

  • Maximale versheid van de aangeboden producten.

Voor logistiek zijn de volgende prestatie-indicatoren:

  • Winkel order aanvul rate

  • Lage levertijden.

    Hierdoor is het van belang maximale versheid wordt nagestreefd en maximale respons.

  • Effectief omgaan met kosten.

    Hieronder vallen de facility costs (vaste en variabele kosten) en transportkosten.

 

Het doel van een distributienetwerk is om verse producten van een leverancier naar retailer te vervoeren. Om ervoor te zorgen dat de producten vers blijven, is het van belang dat de levertijden kort zijn en daarnaast de distributiekosten laag.

Voor het distributienetwerk zal er een planning voor transport moeten worden gemaakt. Maar daarnaast zal er ook een capaciteitsplanning worden opgesteld. Deze planningen kunnen gemaakt worden door middel van een ERP-systeem.

Voor het vervoeren van de producten zullen er logistieke faciliteiten moeten worden georganiseerd. Denk hierbij aan magazijn, distributiecentra, cross-docks. Hierbij speelt de volgende vraag een rol: hoeveel faciliteiten heeft een onderneming nodig? En daarnaast op welke locatie?

Hieronder staan de verschillende distributie strategieën weergeven en daarbij de kosten:

 

 

Distributiekosten

 

 

 

Inventory

Material handling

transport

Vendor - stores

Low

Medium

High

Vendor - warehouse - stores

High

High

Low

Vendor - cross-dock - stores

Low

Medium

Medium

 

Een NDC is een nationaal distributiecentrum vanaf hier worden orders van winkels verzameld, waar het daarna naar een regionaal distributiecentrum (RDC) gaat. In een RDC vindt cross-docking plaats. Dit houdt in dat de vracht vanuit het NDC wordt overgeplaatst in een andere truck die de vracht verder vervoert. In de tussen tijd vindt hier geen opslag plaats. Naast dat er vracht van het NDC wordt gecross-dockt kan dit ook gebeuren met vracht dat vanuit een magazijn komt.

Shipper (verlader): een partij die goederen transporteert.
Een verlader houdt vaak een voorraad aan in een warehouse. Dit kan gebeuren in een eigen warehouse of in een warehouse van een derde party.

Transporter (vervoerder): een partij die het transport verzorgt. Dit wordt ook wel wheels and walls genoemd.

Logistic service provider: een partij die transport en andere services verzorgt, zoals opslag, transport, kwaliteitscontrole, verpakken, inning van geld, voorraadbeheer.

Fabrieken hebben partijen nodig die de producten leveren aan de klanten. Distributiekanalen zijn dus benodigd. Dit kan door middel van groothandels en retailer. Met andere worden logistic service providers zijn nodig.

In een warehouse heeft een product een vaste plaats.

Informatiesystemen worden ook wel Warehouse Management Systems genoemd (WMS).

Het warehouse management system kent de volgende functionaliteiten:

  1. De inkomende en uitgaande trucks worden toegewezen aan bepaalde truck doors. Vervolgens wordt er dan ingeladen en uitgeladen en zal een kwaliteitscontrole plaatsvinden.

  2. Ontvangsten (cargo)

De ontvangen goederen worden gematcht met het verzendadvies. En worden de goederen naar een ruimte gebracht voor kwaliteitscontrole.

  • Cross-docking (cargo)

    De order worden naar de deuren voor verzending gebracht. Hiervoor worden orders in de juiste volgorde geplaatst van ontvangsten, vindt er batching plaats en worden de goederen in de juiste volgorde verzonden.

  • Storage (cargo)

    Controle over waar de goederen zijn opgeslagen, hierbij is het ook van belang of dit fifo of lifo gebeurt. Daarnaast kan er ook onderscheid worden gemaakt tussen bulk en pick. Een goed voorbeeld hiervan is Ikea. Alles wat onder in het schap ligt kun je zo bij, dit noemt men pick. Alles van boven in het schap ligt is bulk, waar men dus niet direct bij kan.

  • Shipping (cargo)

    Voor het vervoer is er een picklist, waarvoor routeoptimalisatie een handigheid bij is.

  • Waarde toevoegende activiteiten

    Hieronder vallen het inpakken, testen, onderdelen samenvoegen, etc.

 

 

 

Hoorcollege 4: Bill-of-Material

 

Het realiseren van een transactiesysteem is opgebouwd uit de volgende onderdelen:

  1. Het definiëren van de objecten, bijvoorbeeld een order

  2. Vervolgens worden de statussen van de objecten en de levenscycli bepaald

  3. Daarna wordt er nagegaan welke statussen kunnen worden aangenomen in de database

  4. Bepaal de toegestane status van transacties

  5. Tot slot creëer je software die de vorige onderdelen ondersteunt.

 

Door middel van orders kunnen activiteiten tot stand komen. Daarom zijn order erg belangrijk. Er kan onderscheid worden gemaakt in de verschillende soorten orders:

  • Commerciële orders:

  • Hierbij kan gedacht worden aan transport-, verkoop-, inkoop- en service-orders

  • Hebben orderregels

  • Hierdoor kunnen verschillende onderdelen in één levering geleverd worden

 

Daarentegen zijn fabrieksorders bedoeld voor de productie van het eindproduct.

  • Soms wordt het verwerkt als een standaardproduct in een lot size

  • Daarnaast kan het ook worden gebruikt voor een customized product, en kan ook een lot size hebben.

  • De order kan een bestaan uit ready-to-assemble onderdelen (Stuklijst)

 

Een fabrieksorder is niet hetzelfde als een bijvoorbeeld verkooporder. Alle orders zijn anders.

In manufacturing is een fabrieksorder altijd voor een product, waardoor er geen orderregels zijn.

 

Klant-, inkoop- en productieorders doorlopen de volgende stadia:

  • Ontvangen

  • Ingepland

  • Ingeroosterd

  • Vrijgegeven

  • Afgeleverd

Een voorbeeld:
Voor het organiseren van een lunch wordt een aantal dagen van tevoren een order doorgeven. De order wordt ontvangen en de benodigde materialen worden ingepland. Vervolgens wordt een dag van de tevoren de bereiding van de lunch ingeroosterd en worden de benodigde middelen vrijgegeven. Daarna wordt de lunch bereid. Voor het bereiden van de lunch wordt de order vrijgeven. Als vervolgens als de lunch is bereid wordt de order vrijgegeven.

 

Voor het inplannen van de order is een Bill-of-Material nodig.

De veranderingen die door de verschillende stadia optreden, wordt ondersteund door de business logic.

 

De transactieprocessen kunnen door middel van bijvoorbeeld Material Planning ondersteuning bieden bij het maken van beslissingen.
Transacties die ontstaan door een verandering in het stadium worden verwerkt in het systeem door middel van sessies. Deze sessies wordt door personeel uitgevoerd.

 

Een Bill-of-Material weergeeft uit welke componenten een parent bestaat. Dit kan visueel worden geven op een single level. Hierbij wordt de parent weergeven en daaronder zijn met behulp van lijnen aangegeven uit welke componenten het eindproduct bestaat.

Daarnaast kan het ook op multi-level niveau worden weergeven. Hierbij wordt onder de componenten die in de parent verwerkt zijn, verder uitgesplitst in de componenten die daar weer in zijn verwerkt.

 

Een component kan ook worden beschreven als een item. In tabelvorm worden de volgende onderdelen hierin weergeven:

  • Item

  • Beschrijving

  • Wegingsmethode, bijvoorbeeld in kilo of per stuk

  • Levertijd in weken uitgedrukt

 

Een Bill-of-Material kan een gozintostructuur aannemen in de vorm van een tabel. In zo’n tabel wordt weergeven welke componenten in welke producten verwerkt worden. In zo’n tabel worden de volgende gegevens opgenomen:

  • Parent

  • Component

  • Hoeveelheid

  • De gebruikersgroep

 

Routing houdt in dat voorafgaand aan de productie wordt vastgesteld welke activiteiten een eindproduct moet ondergaan. Ook dit kan weer in een tabel worden weergeven, waarbij de volgende waarden zijn opgenomen:

  1. Item

  2. Volgorde

  3. Benodigde capaciteit

  4. Setuptijd

  5. Runtime

  6. Toegestane wachttijd

Aan de hand van de tabellen is de volgende informatie af te leiden : capacity units, normative operations (routing), gozintorelaties en items. Vervolgens kan aan de hand hiervan een datastructuur worden gemaakt. In deze structuur is de de capaciteit verbonden aan de normative operations. In deze relatie is er sprake van een 1…* relatie. Dit betekent dat elk activiteit is verbonden aan één soort capaciteit, waarbij een één soort capaciteit meerdere activiteiten kan uitvoeren. Daarnaast is er een relatie tussen een item en de normative operation, waarbij een 1…* relatie is. Waarbij wordt aangeduid dat een item misschien meerdere activiteiten moet ondergaan.

 

Vervolgens kunnen de benodigde componenten worden vertaald naar Material Requirements Planning. Hierbij kan onder andere worden afgelezen wat je voorraad is, wat de behoefte naar het component is, wat er aan componenten binnen. Met behulp van een tabel met deze gegevens kan vervolgens worden bepaald wanneer een bepaalde component kan worden bijbesteld. De Material Requirements Planning van verschillende componenten hangen met elkaar samen. Bijvoorbeeld component A is verwerkt in Component B. Hierbij is het van belang dat nauwkeurig de de materiaalbehoefte van component A in de gaten wordt gehouden, want zonder component A kan de routing van component B niet starten.

 

Wanneer een order wordt vrijgegeven betekent dit dat er met de productie van de order gestart kan worden. Hiervoor worden de materialen uit het magazijn gehaald en krijgen de materialen de status van allocated. Allocation wijst erop dat de benodigde materialen worden toegewezen tot een bepaalde order. Allocatie heeft hierdoor alleen een logistiek aspect en heeft het geen invloed op de financiën van een onderneming.

Hoorcollege 5: De levenscyclus van een product

 

Een levenscyclus van een product in een onderneming wordt uitgedrukt in een codenummer.

 

Een versie kan omschreven worden als een nieuw product dat is voortgekomen uit een bestaand product.

 

Progeny: de huidige objecten zijn ontstaan door het gebruik van andere objecten. Je kijkt hierbij vooruit.

 

Genelogy: hierbij wordt nagegaan wat de voorgangers zijn van een huidig object. Je kijkt hierbij terug.

 

Als er een significante wijziging komt in een waarde van een product dan is er sprake van een nieuwe versie. Als het product door de wijziging nog steeds uitwisselbaar is op basis van vorm en de fit, dan wordt een nieuwe versie gecreëerd. Wijzigt de vorm en de fit wel van een product, dan wordt er geen nieuwe versie gemaakt, maar dan ontstaat er een nieuw codenummer.

 

Voor het bepalen of er een nieuwe versie ontstaat of niet, is er de Form, Fit, Function rule (FFF). Als er een significante verandering optreedt in een attribuut in de Form, Fit en Function, dan zal er een nieuw codenummer worden toegekend. Verandert er dus niets aan de FFF, dan is er sprake van een nieuwe versie.

 

Er is sprake van een significante verandering als het gebruik van het product verandert door de wijziging. Bij een niet significante wijziging zal er geen verandering worden gebracht in het gebruik. Hierdoor zal het codenummer en de versie niet veranderen. Voorbeelden van een niet significante wijziging is een verandering in de prijs en de beschrijving.

 

Het verschil tussen een nieuw codenummer en een nieuwe versie. Bij een nieuw codenummer zullen de nieuwe producten apart gehouden moeten worden van de oude producten. Als gevolg hiervan zullen er verschillende voorraden ontstaan. Hierdoor is het van belang voor de organisatie dat het opslaan van deze producten nauwkeurig gebeurt. Daarentegen mag bij een nieuwe versie de oude en de nieuwe producten wel op dezelfde plek opgeslagen worden. Alleen zal daarbij wel een nieuwe documentatie gehandhaafd moeten worden. Bij een nieuwe versie is een sprake van een nieuw object, waardoor het oude en het nieuwe object met elkaar gerelateerd kunnen worden.

 

Als er iets verandert in de Form, Fit en Function dan ontstaat er een nieuw codenummer. Het ontstaat van een nieuwe code heeft de volgende nadelen:

  1. Op het gebied van logistiek veranderen procedures door de wijziging

  2. Het bijhouden van data neemt toe

  3. Door het aannemen van een nieuw codenummer kan de relatie tot het oude codenummer verwijderd van elkaar raken door een verandering in de waarde van de attributen

  4. Door het bijhouden van eerdere gegevens over het product en de nieuwe gegevens, neemt de complexiteit toe. Dit kan gaan over gegevens betreft de verkoop, gebruik, eigenschappen en het gebruik van het product.

  5. Als het oude product is gedocumenteerd op papier, is het lastiger om dit te koppelen aan de voorgangers.

Voor de bovengenoemde nadelen is het van belang om zoveel mogelijk nieuwe codenummers te vermijden.

 

Als een opvolger van een product meer functionaliteiten krijgt, dan is er sprake van upward compatibility en zal er een nieuw codenummer toegekend worden.

 

Voorbeeld: parent A is opgebouwd uit de componenten B en C. Als component C vervangen wordt door component D zal daar eerst door de workflow toestemming voor moeten worden gegeven. Het beheren van de workflow kan gedaan worden door middel van een Workflow Management Package. Als de wijziging wordt goedgekeurd dan leidt dit tot een change order. Door deze change order wordt de wijziging doorgevoerd in het Workflow Management Package. De status van component D verandert hierdoor van ‘approved’ naar ‘executed’. Als gevolg van deze statuswijziging is er een nieuwe versie van parent A. Door de wijziging worden ook andere stromen getriggerd, zo zullen er nieuwe documenten van product A worden geprint, zullen leveranciers geïnformeerd moeten worden en andere partijen die betrokken zijn bij de productie.

 

Een item van een product (concept) kan omschreven worden als informatie van het fysische product. Items worden weergeven in de productcatalogus van een vendor van standaardproducten en zijn voorzien van een productcodenummer. SKU concepten verwijzen naar deze items. Items kunnen gezien worden als een document van een fysisch product. Hierbij geldt dat als een parent verdwijnt het item niet hoeft te verdwijnen. Als er een uniek fysisch product is, dan is dit anders. Hierbij geldt dat als de parent verdwijnt, alle componenten verdwijnen.

 

Fysische producten hebben een locatie, gewicht, eigenaar en dimensies. Meestal zijn ze voorzien van een itemcode, maar ook is er ook additionele informatie aanwezig die het product uniek maakt.

Er is sprake van een serialised item als de individuele fysische producten individueel zijn geïdentificeerd. Hierbij zijn kunnen fysische producten tot hetzelfde item behoren. Een voorbeeld is een bepaald schilderij waarvan er 200 honderd zijn en genummerd. Maar ook een wijnen kunnen individueel worden geïdentificeerd worden.

 

Verschillende varianten kunnen tot een productfamilie (platform) behoren. De verschillende producten kunnen veranderen in bijvoorbeeld de prijs per lengte en het gewicht per stuk. In een informatiesysteem leidt dit tot een nieuwe functionaliteit.

 

Als er twee producten binnen een productfamilie verschillen van lengte, worden aan deze producten dezelfde productcode toegekend. Als dit wel gedaan zal worden dan leidt dit tot een toename van de productcodes waardoor er een overvloed hierdoor ontstaat.

 

Vervolgens als aan een product een bepaalde lengte wordt gegeven, dan noemt men dit generated.

 

Een productfamilie bestaat uit varianten, waarbij de producten generated zijn.

 

Een andere bewoording voor parameter is features. Waarbij de verschillende waarden die toegekend kunnen worden options worden genoemd.

 

Productfamilies hebben hun eigen Bills-of-Material. Als hierbij een product een parameter heeft dan wordt de Bills-of-Material samengesteld op basis van de opties.

 

Aan de hand van T-shirts kun je bijvoorbeeld uitleggen hoe er verschillende varianten en opties er zijn. Hierdoor kan het voorkomen dat de fabrikant bepaalt welke combinaties van opties toegestaan zijn. Andere voorbeelden hiervan zijn het samenstellen van een pizza of het maken van een software.

Een variant van een productfamilie is een afgerond product.

Door gebruik te maken van productfamilies wordt er tegengegaan dat er vele productcodes ontstaan.

 

Hoorcollege 6: ERP

 

ERP wordt geïmplementeerd om een bepaald doel te behalen. Over het algemeen wordt dit toegepast in bedrijven, met als gevolg dat er spanningen kunnen ontstaan. De verandering van de huidige structuur naar een nieuwe structuur kan dit veroorzaken. Het implementeren van een ERP-systeem kan worden opgevat als een project.

 

ERP-implementatie heeft de volgende kenmerken:

  • Het ERP-systeem maakt de transactieverwerking robuust, traceerbaar, consistent en transparant

  • Door de vele parameters is een ERP-systeem flexibel

  • Het bepalen van de parameters is lastig

  • Het achteraf wijzigen van de parameters kan leiden tot problemen met data en mensen

  • Vaak wordt naast het ERP-systeem meer programma’s vereist die niet door de leverancier wordt aangeboden

  • Het toepassen van nieuwe programma’s kan leiden tot problemen met betrekking tot het upgraden van het systeem

  • Voor het upgraden is vaak datamigratie vereist.

 

Een project heeft de volgende kenmerken:

  • Het is uniek

  • Heeft een duidelijk begin en eind

  • Er is hiervoor een apart budget

  • Heeft eigen middelen

  • Het wordt geleverd aan een derde partij

 

Een ERP-project heeft de volgende kenmerken:

  • Scope
    Altijd groot en cross-functional

  • Product
    Vele diverse producten

  • Stakeholders
    Veel stakeholders met een brede interesse

  • Planning
    Een lange planning die langer is dan normaal in een industrie

  • Milestones
    Het zijn er vaak niet zo veel, maar wel complex

  • Afhankelijkheden
    Vele afhankelijkheden

  • Risico’s

Vele risico’s die niet gecontroleerd worden door het project.

 

Bij het implementeren van een ERP-systeem ontstaan vaak de volgende issues:

  • De (toename van) functionaliteit

  • Scope

  • Snelheid van de implementatie

  • Meerdere stakeholders leidt tot conflicterende interesses

  • Project management goals versus bedrijfsdoelen

  • Nieuwe technologieën
     

Om de volgende redenen zou ERP toegepast kunnen worden:

  • Uniformiteit in de informatie

  • Alle bedrijfsprocessen zijn met elkaar verbonden

  • Transparantie, efficiëntie en overzichtelijk

  • Betere winstanalyses

  • Duidelijke controle over de kosten en de beheersing ervan

  • Accuraatheid van de bedrijfsvoorspelling

 

De kosten van de implementatie hangen af van:

  • Vaardigheden van de werknemers

  • Beschikbaarheid van de medewerkers

  • Complexiteit van de toepassing

  • Beslissingscapaciteiten

  • Type project

  • Kwaliteit van het project management

  • Sponsoring

 

Voordelen van ERP-implementatie:

  • Best practices

  • Functionele integratie van het bedrijfsproces

  • Hoge kwaliteit van de data die direct uitgewisseld kan worden

  • Ondersteuning voor complexe organisatiestructuren

  • Flexibele in groei

  • Lage kosten voor een softwarelicentie

  • Uniforme user interface

 

Daarentegen kent ERP-implementatie de volgende nadelen:

  • Upgrades en veranderingen zijn duur

  • De kosten voor applicatiemanagement

  • Concurrenten maken gebruik van hetzelfde pakket

  • Elke versie kent zijn eigen interface

  • Hard-coded logic

  • Er zijn veel niche spelers op de markt.

 

Bij het implementeren van ERP moeten de volgende stappen doorlopen worden:

  • Bepaal de grensvoorwaarden
    scope, tijd, doelen, kosten, voordelen, rollen, actoren en stakeholders

  • Creëer het project
    sponsor, team, budget, richtlijnen, communicatie, betrokkenen en risico’s

  • High-level design
    alternatieven, bedrijfsmodelen, ICT organisatie, volgorde van implementatie

  • Detailed design
    Proces modellen, taken binnen de onderneming, functionaliteiten en testplannen

  • Realisatie
    parameters bepalen, customization, training, migratieplannen en software en testen.

  • Business Process re-engineering
    reorganisatie, bepalen van doelen, bepaal de verantwoordelijkheden, empower het personeel.

  • Implementatie
    pilots, feedback van gebruikers, migratie, archiveren en meten.

 

Om de volgende redenen gaat vaak de implementatie mis:

  • Gebrek aan communicatie

  • Geen duidelijke doelstelling

  • Onbekendheid met scope en complexiteit

  • Inadequaat project management

  • Incorrecte hardware of software

  • Omvang project

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
34
Connect & Continue
WorldSupporter Resources

Samenvattingen en studiehulp voor Bedrijfskunde Bachelor 2 aan de Rijksuniversiteit Groningen

  • In deze bundel worden o.a. samenvattingen, oefententamens en collegeaantekeningen gedeeld voor de opleiding Bedrijfskunde, jaar 2, aan de Rijksuniversiteit Groningen.
...
Promotions
wereldstage wereldroute

Tussenjaar of sta je op het punt op kamers te gaan?

Wereldroute biedt jou een leerzaam en onvergetelijk Student Prepare Program aan