Oefententamen 1 14/15: Strafprocesrecht - Universiteit Utrecht

Oefententamen van het vak Kernvak Strafrecht 2 aan de Universiteit Utrecht, 2014/2015.

Dit vak is het oude curriculum, het nieuwe curriculum omvat het vak Strafprocesrecht in blok 4.


Vragen

Deel A, Casus Woeste Wilfried

Deel I

Mohammed van Manen en Wilfried van Wateren zijn al enkele jaren buren in de Rozenstraat in de Bloemenbuurt. Omdat Wilfried door de economische crisis met zijn klusbedrijf de laatste tijd nauwelijks opdrachten binnenhaalt, is hij begonnen met de verbouwing van zijn eigen huis. In de buurt staat Wilfried bekend als ‘Woeste Wilfried’, niet alleen omdat hij een woest uiterlijk heeft, maar ook omdat hij erg tekeer kan gaan als hij kwaad is. De verbouwing van zijn huis pakt hij aan op een manier die past bij zijn bijnaam: met grof geweld. De verbouwing veroorzaakt dan ook veel overlast voor de buren, met name voor Mohammed. De containers met bouwafval staan voor de deur van Mohammed en het voortdurende boren, zagen en timmeren heeft al meermalen tot woordenwisselingen geleid. Daardoor is de spanning tussen de buurmannen flink opgelopen.

Op een mooie zomeravond zit Mohammed in de tuin na te genieten van een heerlijke barbecue. Op dat moment wordt de rust verstoord door het indringende geluid van een slijptol. Het lawaai is afkomstig uit de woning van Wilfried. Voor Mohammed is de maat vol. Hij loopt de tuin van Wilfried in en roept richting de openstaande tuindeuren of Wilfried niet kan stoppen met die herrie. Wilfried komt oververhit zijn huis uit gestormd. ‘Stomme idioot, ik mag in mijn huis doen wat ik wil! Ik zal jou eens verbouwen.’ Terwijl hij slaande bewegingen richting Mohammed maakt, voegt hij daar nog aan toe: ‘Mijn tuin uit of ik haal een mes en snij je kapot!’ Daarop draait Wilfried zich om en rent zijn huis in. Even later komt hij weer naar buiten gestormd en schreeuwt: ‘Ben je hier nou nog?! Wegwezen, ik heb hier een mes.’ En hij maakt met zijn hand een beweging richting zijn broekzak.

Op dat moment grijpt wijkagent Paulus in. De wijkagent was net bezig met zijn ronde in de Bloemenbuurt. Hij is op het geschreeuw afgekomen en heeft de hele woordenwisseling tussen Mohammed en Wilfried gehoord. Wijkagent Paulus houdt Wilfried aan en fouilleert hem. Daarbij wordt er in een van Wilfrieds broekzakken een stiletto gevonden.

Vervolgens wordt Wilfried meegenomen naar het bureau en verhoord door de hulpofficier van justitie in verband met bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht (art. 285 Sr). Na dat verhoor beveelt de hulpofficier de inverzekeringstelling van Wilfried.

Vraag 1a

Beoordeel de rechtmatigheid van de fouillering door de wijkagent.

Vraag 1b

Beoordeel de rechtmatigheid van het bevel tot inverzekeringstelling.

Deel II

De politie van bureau Bloemenbuurt krijgt de dag na de aanhouding van Wilfried een anonieme tip binnen over een donkergrijze Mercedes-Benz Vito, een busje met aan de zijkant de opdruk ‘Wilfried Werkt’ en kenteken 88-RWT-5. In dit busje zouden enkele bundeltjes met valse 50 euro bankbiljetten zijn verstopt in een afgesloten kast. Volgens de tipgever zou het busje in de Dahliastraat staan, tegenover nummer 69. Uit navraag blijkt dat het busje op naam van Wilfried van Wateren staat. Wilfried van Wateren is bij de politie ambtshalve bekend in verband met verschillende veroordelingen voor geweldsdelicten, wapenbezit en witwassen. Ook blijkt uit de justitiële documentatie dat Wilfried eerder in verband is gebracht met oplichting en vals geld, maar dat die zaak wegens gebrek aan bewijs niet is doorgezet. Navraag bij de Belastingdienst leert bovendien dat het klusbedrijf van Wilfried sinds het begin van de crisis in 2008 vrijwel geen inkomsten meer genereert en dat er geen andere bron van inkomsten of vermogen bekend is.

Wanneer twee agenten de Dahliastraat inrijden treffen ze daar inderdaad een donkergrijs busje aan van het type Mercedes-BenzVito. De deuren van het busje blijken niet op slot. In de laadruimte zien de agenten alleen gereedschap liggen. Vervolgens breken zij de ladekastin de laadruimteopen. Daarin vinden zij drie bundeltjes met 50 euro biljetten, die zij in beslag nemen. Deze biljetten blijken bij nader onderzoek vals te zijn (art. 209 Sr).

Vraag 2

Beoordeel de rechtmatigheid van het politieoptreden in de auto.

Deel B: Algemene vragen over de studiestof

Vraag 1

Patries heeft al jaren een hekel aan haar vader Harry. Nadat Harry weer eens een rotopmerking naar Patries haar hoofd heeft geslingerd, is ze het zat: ze pakt een briefopener en steekt Harry in zijn hart. Meteen daarop vlucht ze weg. Harry overlijdt ter plekke. Door een rechercheur in opleiding wordt de briefopener veiliggesteld met als doel het uitvoeren van onderzoek naar vingerafdrukken en DNA. Patries wordt, mede op basis van het hieruit voortgekomen DNA-bewijs, vervolgd ter zake van doodslag (art. 287 Sr). Patries haar raadsman voert ter terechtzitting aan dat de briefopener niet volgens de juiste procedure is veiliggesteld. De rechercheur heeft deze namelijk in een niet-afsluitbaar boterhamzakje gestopt. Bovendien heeft deze rechercheur zijn opleiding nog niet afgerond, waardoor hij niet in staat was de veiligstelling van bewijsmateriaal vakkundig uit te voeren. De DNA-bevindingen zijn daarom, aldus de raadsman, onbetrouwbaar en mogen dus niet voor het bewijs worden gebruikt. De raadsman heeft dit verweer opgenomen in zijn pleitnota en die aan de rechtbank overgelegd om aan het proces-verbaal van de zitting te worden gehecht. De rechter acht het verweer niet aannemelijk. Dient hij de verwerping van dit verweer in zijn vonnis op te nemen en te motiveren?

Vraag 2

‘Het aanwenden van controlebevoegdheden jegens een verdachte is in strijd met het verbod van détournement de pouvoir en daarom onrechtmatig.’

Beoordeel deze stelling.

Antwoordindicatie

Vraag 1a

Indien aan de orde, dient in eerste instantie te worden gezocht naar en getoetst aan een bevoegdheid in de bijzondere wetgeving (die immers doorgaans minder vereisten kent dan de desbetreffende bevoegdheden in het Wetboek van Strafvordering).

In de casus is gegeven dat de stiletto van Wilfried een wapen is in de zin van de Wet Wapens en Munitie, blijkens art. 2 lid 1 categorie I onder 1 WWM. Tevens is gegeven dat de wijkagent ‘fouilleert’. Het gaat hier dan ook om een onderzoek aan de kleding op basis van de Wet Wapens en Munitie. Art. 52 lid 2 WWM geeft aan opsporingsambtenaren de bevoegdheid de kleding van een persoon te onderzoeken, indien daartoe redelijkerwijs aanleiding bestaat op grond van een gepleegd strafbaar feit waarbij wapens in de zin van deze wet zijn gebruikt (sub a), een gepleegde overtreding van artikel 13, 26 of 27 (kort gezegd: vervaardigen of voorhanden hebben van wapens in de zin van deze wet) (sub b) of aanwijzingen dat een strafbaar feit als bedoeld onder a of b zal worden gepleegd (sub c). Wijkagent Paulus is een opsporingsambtenaar in de zin van art. 141 onder b Sv jo. art. 2 Politiewet 2012, want er is gegeven dat hij politieagent is.

Het gaat om onderzoek van kleding van ‘personen’. Daar valt Wilfried uiteraard onder. Wilfried is weliswaareen verdachte, maar dat is geen vereiste voor de uitoefening van de bevoegdheid van art. 52 lid 2 WWM.

De bevoegdheid tot het onderzoeken van de kleding mag worden uitgeoefend wanneer daartoe ‘redelijkerwijs aanleiding bestaat’ op grond van ‘aanwijzingen dat een strafbaar feit zal worden gepleegd waarbij een wapen zal worden gebruikt’ (art. 52 lid 2 onder c jo. a WWM). De bedreiging die de wijkagent Wilfried heeft horen uiten (‘ik snij je kapot’), het huis in rennen, vervolgens roepen ‘ik heb hier een mes’ en het grijpen in de richting van de broekzak, kunnen worden gezien als aanwijzingen dat met een mes een strafbaar feit zal worden gepleegd (namelijk (zware) mishandeling/poging tot doodslag) en daardoor bestond er dus redelijkerwijs aanleiding voor de fouillering: het voorkomen dat Wilfried zijn bedreiging kracht zou kunnen bij zetten door Mohammed met het mes aan te vallen.

Ook kan worden betoogd dat het een fouillering betreft in de zin van art. 52 lid 2 onder b jo. art. 27 WWM: er bestond redelijkerwijs aanleiding tot de fouillering op grond van het voorhanden hebben van een wapen in de zin van de WWM. De bovengenoemde omstandigheden (de bedreiging ‘ik snij je kapot’, en het naar binnen en weer naar buiten rennen en roepen ‘ik heb hier een mes’, al grijpend in de richting van de broekzak) duiden erop dat Wilfried een mes in zijn broekzak had, dat heel goed een wapen in de zin van de WWM kon zijn. Deze omstandigheden geven derhalve in redelijkheid aanleiding om te fouillerenop grond van de WWM.

Het doel van de fouilleringsbevoegdheid van artikel 52 lid 2 onder c WWM is kennelijk preventief: zij mag worden ingezet als er aanwijzingen zijn dat een strafbaar feit met een wapen zal worden gepleegd, dus strekt tot het voorkomen dat het wapen wordt ingezet voor het plegen van een strafbaar feit. Het doel van artikel 52 lid 2 onder b WWM lijkt in het algemeen meer strafvorderlijk van aard: het verzamelen van bewijsmateriaal (via inbeslagneming ex art. 52 lid 1 WWM) dat de persoon in kwestie het strafbare feit van het dragen van verboden wapens heeft gepleegd. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de fouillering werd ingezet voor een ander doel dan preventie en/of bewijsvergaring.

De casus geeft geen informatie waaruit zou kunnen worden afgeleid dat niet aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan (zie HR 12 december 1978, NJ1979, 142, Braak bij binnentreden). Er is geen aanleiding te denken dat de fouillering niet proportioneel heeft plaatsgevonden en van de agent kon niet worden gevergd dat hij Wilfried eerst de gelegenheid zou geven de inhoud van zijn broekzakken aan hem te overhandigen; de situatie vroeg juist om snel optreden, nu Wilfried woest was en al bezig het mes tevoorschijn te halen.

De conclusie luidt dat de fouillering rechtmatigheeft plaatsgevonden.

Het uitoefenen van de bevoegdheid ex art. 56 lid 1 jo. lid 4 Sv is in dit geval ook mogelijk. Hoewel in lid 1 de officier van justitie bevoegd wordt verklaard, blijkt uit lid 4 dat ook ‘overige opsporingsambtenaren’ mogen fouilleren. Agent Paulus is een opsporingsambtenaar (zie hierboven).

Degene die op grond van lid 4 kan worden gefouilleerd, is ‘den aangehoudene’. Wilfried is op het moment van de fouillering aangehouden, zo is in de casus gegeven.Deze aanhouding moet wel rechtmatig zijn geschied, wil de fouillering rechtmatig zijn. Derhalve dient ook de aanhouding te worden beoordeeld.

Aanhouding kan plaatsvinden op grond van art. 53 Sv en op grond van art. 54 Sv. In dit geval gaat het om aanhouding op grond van art. 53 Sv, op heterdaad. Heterdaad staat omschreven in artikel 128 Sv: op het moment dat het strafbare feit plaatsvindt of terstond nadien. De wijkagent houdt aankort nadat Wilfried de bedreiging heeft geuit: er was dus sprake van heterdaad.

Artikel 53 Sv stelt als eis dat de verdachte wordt aangehouden. Ten aanzien van Wilfried moet dus een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestaan (art. 27 lid 1 Sv). De volgende feiten en omstandigheden brengen mee dat de agent een redelijk vermoeden had dat Wilfried zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht: de woorden van Wilfried aan het adres van Mohammed die door agent Paulus zijn gehoord (vooral: ‘mijn tuin uit of ik haal een mes en snij je kapot’) ,de waarneming dat Wilfried naar binnen rende en weer buiten kwam, beweerde dat hij een mes bij zich had en erg kwaad was.

Het doel van aanhouding is overbrenging naar een plaats om te worden verhoord. De aangehoudene moet dan ook conform artikel 53 lid 3 Sv ten spoedigste voor de (hulp)officier van justitie worden geleid. Blijkens de casus is hieraan voldaan. Er is op basis van de casus geen reden te twijfelen aan de proportionaliteit en subsidiariteit van de aanhouding (zie HR 12 december 1978, NJ1979, 142, Braak bij binnentreden).

[Aanhouding buiten heterdaad ligt minder voor de hand. Hooguit zou betoogd kunnen worden dat de heterdaad-situatie al voorbij was toen de wijkagent aanhield en dat de aanhouding dus niet terstond na de bedreiging plaatsvond. In dat geval zou de aanhouding gebaseerd moeten zijn op art. 54 Sv. Dan geldt opnieuw dat wijkagent Paulus een opsporingsambtenaar moet zijn en Wilfried verdachte (zie hiervoor). Het doel van aanhouding is geleiden naar een plaats voor verhoor. Onder het regime van artikel 54 lid 3 Sv geldt dat de opsporingsambtenaar de verdachte onverwijld voor de (hulp)officier van justitie moet leiden. Dat is gebeurd. Aanhouding buiten heterdaad is alleen toegestaan als het gaat om een strafbaar feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten (art. 54 lid 1 Sv). Blijkens art. 67 lid 1 onder b Sv is voor art. 285 Sr voorlopige hechtenis toegelaten. Voorts moet er spoed zijn geboden, zodat het optreden van de officier van justitie of een hulpofficier niet kan worden afgewacht (art. 54 lid 2 en 3Sv). In casu kan worden betoogd dat, gelet op het gevaar voor Mohammed, afwachten geen optie was. Als goed beargumenteerd wordt dat het hier niet om een heterdaadsituatie gaat, is de conclusie dat de aanhouding op grond van artikel 54 Sv rechtmatig was.]

Een onderzoek aan de kleding ex art. 56 lid 4 Sv mag alleen plaatsvinden als er tegen de aangehouden verdachte ernstige bezwaren bestaan. Er is sprake van ernstige bezwaren als de waarschijnlijkheid dat de verdachte het feit heeft begaan groot is. Er moet dus meer dan een ‘redelijk’ vermoeden zijn, een bijzonder sterk vermoeden van schuld. Dat is in ieder geval zo als zich een heterdaadsituatie voordoet, (de opsporingsambtenaar die fouilleert, heeft dan dikwijls het feit zelf waargenomen en/of er zijn (andere) ooggetuigen. Dat is in deze casus het geval. Agent Paulus en Mohammed hebben de bedreiging gehoord en gezien dat Wilfried naar binnen ging en naar buiten kwam, bewerend een mes bij zich te hebben. Het is zeer waarschijnlijk dat Wilfried het feit waarvan hij wordt verdacht (bedreiging), heeft begaan, dus Wilfried is een verdachte tegen wie ernstige bezwaren bestaan.

Het doel van het onderzoek aan de kleding ex art. 56 Sv is ‘het belang van het onderzoek’ (zie lid 1). De fouillering moet dus van belang zijn voor de waarheidsvinding in deze zaak, dat wil zeggen het vergaren van bewijsmateriaal. De vondst van het mes zet de bedreiging kracht bij en maakt duidelijk dat deze serieus was. De fouillering kan dienen als steundwangmiddel voor de inbeslagneming. Het doel van de fouillering kan dan worden omschreven als het in beslagnemen van daarvoor vatbare voorwerpen. Voor inbeslagneming vatbare voorwerpen zijn die voorwerpen die dienen voor de waarheidsvinding of voor verbeurdverklaring dan wel onttrekking aan het verkeer (art. 94 leden 1 en 2 Sv).De fouillering diende in dit geval de waarheidsvinding, maar kon ook worden gericht op verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het mes (zie artt. 33a en 36c Sr). De casus biedt geen aanleiding te menen dat de fouillering niet voldeed aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (zie hierboven).

Conclusie: ook op grond van art. 56 lid 4 Sv was de fouillering rechtmatig.

Vraag 1b

De inverzekeringstelling is geregeld in art. 57 Sv jo. 58 Sv. Bevoegd tot het bevelen van inverzekeringstelling is ingevolge artikel 57 lid 1 Sv de officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid (of die de verdachte zelf heeft aangehouden). In de casus is het de hulpofficier voor wie Wilfried door wijkagent Paulus is geleid, die de inverzekeringstelling van Wilfried beveelt. Hij was daartoe dus bevoegd. Alleen een verdachte (die is voorgeleid aan of is aangehouden door de (hulp)officier) kan in verzekering worden gesteld. Hierboven is al uitgewerkt dat Wilfried als verdachte in de zin van artikel 27 lid 1 Sv kan worden aangemerkt. Het doel van inverzekeringstelling is het belang van het onderzoek (artikel 57 lid 1, tweede volzin Sv). Het belang van het onderzoek wordt in art. 57 Sv niet nader gespecificeerd, afgezien van dat daaronder mede wordt verstaan het aan de verdachte in persoon uitreiken van mededelingen over de strafzaak. In casu kan goed worden betoogd dat het van belang is voor het onderzoek dat Mohammed wordt gehoord en diens verklaring wordt vastgelegd, zonder dat Wilfried in de buurt is. Het doel kan heel ruim wordt opgevat en houdt ook het onderzoek naar de aanwezigheid van gronden waarop voorlopige hechtenis kan worden gevorderd in. In dat verband kan bovendien worden betoogd dat – gelet op de bedreiging en het halen van het mes – moet worden onderzocht of er een gevaar bestaat dat Wilfried een misdrijf van zes jaar of meer zal begaan dat de gezondheid van personen in gevaar brengt (vgl. art. 67a, lid 2 onder 2 Sv) en dat, nu hij wordt verdacht van het plegen van het feit omschreven in art. 285 lid 1, moet worden onderzocht of hij in de afgelopen vijf jaar is veroordeeld terzake van een misdrijf genoemd in art. 67a lid 2 onder 3 Sv en of er in dat verband een recidiverisico bestaat. De overige voorwaarden voor inverzekeringstelling zijn dat de verdachte moet zijn verhoord (art. 57 lid 1 Sv) – uit de casus blijkt dat Wilfried is verhoord voordat de hulpofficier de inverzekeringstelling beveelt – en dat voor het strafbare feit voorlopige hechtenis is toegelaten (art. 58 lid 1 Sv). Het feit waarvan Wilfried wordt verdacht, is strafbaar gesteld in art. 285, eerste lid Sr. Deze bepaling wordt genoemd in art. 67 lid 1 onder b Sv, dus het betreft een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De eisen van proportionaliteit en subsidiariteit liggen besloten in de wettelijke voorwaarden dat het gaat om een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten en dat de inverzekeringstelling plaatsvindt in het belang van het onderzoek (welke subsidiariteitseis nog kracht wordt bijgezet in art. 57 lid 5 en art. 58 lid 3 Sv waarin wordt aangegeven dat, zodra het belang van het onderzoek dit toelaat, de invrijheidsstelling moet worden bevolen). Er is overigens in de casus geen aanleiding gegeven om te menen dat de inverzekeringstelling van Wilfried niet voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit (zie HR 12 december 1978, NJ 1979, 142, Braak bij binnentreden).

Conclusie: de inverzekeringstelling is rechtmatig.

Vraag 2

De agenten gaan het busje binnen, kijken daarin rond en breken een ladekast open. Hun optreden gaat dus verder dan zoekend rondkijken en vanwege het openbreken van de ladekast moet het worden gekwalificeerd als doorzoeking. Art. 96b Sv geeft de bevoegdheid tot doorzoeking van vervoersmiddelen. Uiteraard kan de bus worden aangemerkt als een vervoersmiddel. Bevoegd tot doorzoeking van vervoersmiddelen zijn opsporingsambtenaren. De twee agenten zijn opsporingsambtenaren (art. 141 onder b Sv jo. art. 2 Politiewet 2012). De doorzoeking moet als doel inbeslagneming hebben (art. 96b lid 1 Sv). In de casus is gegeven dat de biljetten in beslag worden genomen; dit geschiedt met het oog op waarheidsvinding (bewijs van het plegen van het feit) en/of onttrekking aan het verkeer (vgl. artikel 134 Sv, waarin inbeslagneming wordt gedefinieerd als het onder zich gaan houden ten behoeve van de strafvorderingen artikel 94 Sv, dat bepaalt welke voorwerpen vatbaar zijn voor inbeslagneming). Het moet voorts gaan om een geval van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit of om verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67 lid 1 Sv (art. 96b lid 1 Sv). In casu vindt de doorzoeking niet plaats naar aanleiding van ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit, maar op basis van de anonieme tip dat er valse 50 euro bankbiljetten in het busje verborgen zouden zijn. Uit het arrest Aanslag op Hoog Catharijne (HR 11 maart 2008, NJ 2008, 329) volgt dat een redelijk vermoeden kan worden aangenomen op basis van een anonieme melding, maar dat deze informatie zoveel mogelijk getoetst en onderzocht moet worden en dat de bruikbaarheid van de tip onder andere afhankelijk is van de mate waarin daarin concrete informatie wordt gegeven. In casu geeft de tip zeer specifieke informatie over het geld, de locatie daarvan en de kenmerken van het busje waarin dat geld verstopt zou zijn. De politie heeft de tip gecontroleerd en daarbij bleek dat het busje op naam staat van Wilfried van Wateren en dat Wilfried antecedenten heeft in de sfeer van vals geld. Bovendien heeft navraag uitgewezen dat het onduidelijk is hoe hij de verbouwing van zijn huis financiert. De tip biedt dus, in combinatie met de informatie die de controle daarvan heeft opgeleverd, een redelijke vermoeden dat in het busje vals geld aanwezig is. Artikel 209 Sr (gegeven in de casus) betreft een misdrijf in de zin van artikel 67 lid 1 onder a Sv: de maximale gevangenis straf is negen jaar.

Tot slot moet nog worden getoetst aan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (zie HR 12 december 1978, NJ 1979, 142, Braak bij binnentreden). De casus geeft geen aanleiding te menen dat in strijd met deze beginselen is gehandeld. De tip gaf concreet aan waar de wapens verstopt zouden zijn en in dat geval is het openbreken van het ladekastje niet disproportioneel. Aan Wilfried kon niet worden gevraagd de valse bankbiljetten te overhandigen, want Wilfried was in verzekering gesteld.

Conclusie: de doorzoeking van het busje was rechtmatig.

Deel B: Algemene vragen over de studiestof

Vraag 1

Het verweer kan worden opgevat als een betrouwbaarheidsverweer. De raadsman betoogt dat het DNA-bewijs vanwege onbetrouwbaarheid moet worden uitgesloten, aangezien de rechercheur onvoldoende was opgeleid om het bewijs vakkundig te verzamelen en (hierdoor) het DNA-materiaal op een onjuiste manier heeft veiliggesteld. In het arrest Orthopedisch schoenmaker (HR 27 januari 1998, NJ 1998, 404) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat verweren die de deskundigheid van de deskundige betwisten, gemotiveerd moeten worden verworpen en tevens aangegeven op welke punten die motivering zou moeten ingaan (r.o. 6.4).

Sinds 2005 kent het Wetboek een algemene responsieplicht die is opgenomen in de tweede volzin van artikel 359 lid 2 Sv. Dit voorschrift houdt in dat in het vonnis, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de redenen moeten worden opgegeven die daartoe hebben geleid. Om deze responsieplicht in het leven te roepen moet het verweer van de raadsman dus beschouwd kunnen worden als een ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ in de zin van deze bepaling. In HR 11 april 2006, NJ 2006, 393 (Hennepkwekerij) overweegt de Hoge Raad daaromtrent het volgende (r.o. 3.7.1): ‘Op grond van de door de wetgever gebezigde woorden “uitdrukkelijk onderbouwde standpunten” moet evenwel worden aangenomen dat niet ieder ter terechtzitting ingenomen standpunt bij niet-aanvaarding noopt tot een nadere motivering. Tevens moet op grond van die bewoordingen worden aangenomen dat de verdachte of zijn raadsman dan wel het Openbaar Ministerie, wil het ingenomen standpunt de - uiteindelijk in cassatie te toetsen – verplichting tot beantwoording scheppen, zijn standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren dient te brengen. In dat opzicht gelden overeenkomstige eisen als worden gesteld aan een beroep op schending van een vormvoorschrift in de zin van artikel 359a Sv (vgl. HR 30 maart 2004, NJ 2004, 376, Afvoerpijp).’

De raadsman moet er voorts voor zorgen dat zijn verweer schriftelijk wordt vastgelegd, door zijn pleitnota te overleggen dan wel te verzoeken dat het gevoerde verweer en de gronden waarop het berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting worden aangetekend (r.o. 3.7.2).

In casu kan het volgende over het verweer van de raadsman worden gezegd. Het kent een ondubbelzinnige conclusie: het DNA-bewijs is onbetrouwbaar en moet derhalve van het bewijs worden uitgesloten. Deze conclusie wordt geschraagd door verschillende argumenten (namelijk: de onjuiste veiligstelling van het DNA-materiaal door het gebruik van een boterhamzakje en de niet afgeronde opleiding van de rechercheur). Er is dus sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van artikel 359 lid 2, tweede volzin Sv. De raadsman heeft deze argumenten genoemd in zijn pleitnota en de pleitnota overgelegd aan de rechtbank om in het proces-verbaal van de zitting te worden opgenomen en heeft daarmee ook voldaan aan de verplichting te bewerkstelligen dat zijn standpunt schriftelijk komt vast te liggen.

De rechter dient dus op basis van art. 359 lid 2 tweede volzin Sv in het vonnis in het bijzonder de redenen op te geven die hebben geleid tot afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt; de rechtbank dient een beargumenteerde weerlegging te geven van het standpunt van de raadsman. (Hennepkwekerij, r.o. 3.8.2).

Vraag 2

Controlebevoegdheden zijn bevoegdheden die, in tegenstelling tot opsporingsbevoegdheden, kunnen worden gehanteerd zonder dat er een (vroeg)verdenking van een strafbaar feit bestaat en die er in algemene zin toe strekken de naleving van de wet te controleren. Deze bevoegdheden zijn hetzij vormen van ‘repressieve controle’, die vallen onder het begrip opsporing in de zin van artikel 132a Sv, maar waarbij het niet gaat om het ophelderen van strafbare feiten, maar om het daaraan voorafgaand ontdekken van mogelijke strafbare feiten enerzijds (voorbeeld alcoholverkeerscontrole); en anderzijds vormen van ‘preventieve controle’ of toezicht, het bestuursrechtelijke toezicht op de naleving van de wet (gemeentelijke controle op naleving van de voorwaarden van vergunningen).

Het verbod van détournement de pouvoir (ook wel: het beginsel van zuiverheid van oogmerk) houdt in dat de overheid een bevoegdheid niet voor een ander doel mag gebruiken dan waarvoor deze is gegeven.

In HR 21 november 2006, NJ 2006, 653 (Zigeunerdames) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat “het bestaan van een redelijk vermoeden dat iemand zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit niet in de weg staat aan het uitoefenen van controlebevoegdheden door politieambtenaren, mits bij aanwending van die bevoegdheden tegenover een verdachte de aan deze als zodanig toekomende waarborgen in acht worden genomen” (r.o.3.5.1.). Het aanwenden van controlebevoegdheden jegens een verdachte is dus als zodanig niet ontoelaatbaar en dus niet in strijd met het beginsel van détournement de pouvoir. Daarvan is volgens de Hoge Raad slechts sprake indien de controlebevoegdheid uitsluitend is gebruik voor een ander doel (zoals het verrichten van opsporingshandelingen) dan waarvoor deze is verleend (r.o. 3.5.2.).

De stelling is dus onjuist.

Page access
Public
Comments, Compliments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.