Hoorcollege-aantekeningen Burgerlijk procesrecht - UU (2015-2016)


College 1

Introductie Burgerlijk procesrecht

Karakteristieken van het burgerlijk procesrecht

Het burgerlijk procesrecht is dat deel van het privaatrecht dat ziet op de inrichting van en de regels inzake de wijze waarop een civiele procedure, een openstaande vraag of geschil tussen particulieren over een kwestie van privaatrechtelijke aard, afgewikkeld en opgelost wordt. Het geeft dus regels over de manier waarop een geschil afgehandeld dient te worden en er wordt dus een aanspraak gedaan op overheidshulp. Het procesrecht heeft dan ook een dienende functie.

Het burgerlijk proces heeft een dienende functie en geeft de legitimatie om rechten te verwezenlijken en daartoe dwang uit te oefenen. Het geeft onder andere aanspraken op overheidshulp (beslechting door de rechter, rechtsbijstand etc). Al met al is het formele burgerlijke recht gericht op de verwezenlijking en normering van het materiële recht.

Sinds 2002 gelden vijf uitgangspunten voor het burgerlijk procesrecht:

  1. Vereenvoudiging: bijvoorbeeld door al snel verschijning voor de rechter op zitting, weinig schriftelijke stukken.

  2. Deformalisering: bijvoorbeeld het niet meer verbinden van een consequentie aan het gebruik van de verkeerde inleidende stukken (dagvaarding i.p.v. verzoekschrift).

  3. Modernisering van verhoudingen

  4. Streven naar efficiency: zoveel mogelijk concentratie in de stukken.

  5. Harmonisatie: zoveel mogelijk gelijk maken van regels.

Dit alles om de klachten over de civiele procedure weg te nemen.

 

Het burgerlijk procesrecht kent verder nog de volgende doelen:

  • Rechtsbescherming en rechtsverschaffing

  • Geschilbeslechting

  • Belangenbehartiging

  • Tegengaan eigenrichting

  • Rechtsvorming en rechtseenheid

Doelen van de civiele procedure

Vermogensrechtelijke doelen

In vermogensrechtelijke zaken is sprake van contentieuze rechtspraak. Het is gericht op het oplossen van een conflict. Deze procedure wordt ingeleid door een dagvaarding. De eisende partij bezorgt de dagvaarding bij de gedaagde partij.

Het is gericht op het verwezenlijken van de materiële privaatrechtelijke aanspraken. Daarnaast leidt gebruik van het procesrecht (door procederen) tot rechtsontwikkeling en rechtseenheid. Dit is meer een positieve bijkomstigheid dan een doel op zich.

Ten slotte beoogt het de orde te handhaven door eigenrichting tegen te gaan (slechts in bepaalde gevallen (zoals opschorting, retentierecht) is eigenrichting toegestaan).

Personen- en familierechtelijke doelen

In deze geschillen is sprake van voluntaire rechtspraak. Er is geen sprake van een geschil, maar slechts van ordenende rechtspraak. Het is gericht op het vaststellen van de rechtspositie, het behartigen van specifieke belangen en ten slotte ook het tegengaan van eigenrichting. Een voluntaire procedure wordt ingeleid door het schrijven van een verzoekschrift gericht tot de rechter.

Alternatieven voor rechtspraak

Over het algemeen is procederen duur, en duurt het lang. In veel gevallen overstijgen de kosten van de rechtspraak de kosten van de vordering. Arbitrage, bindende adviezen en mediation (ADR) zijn daarom steeds meer in opkomst.

Bronnen van het burgerlijk procesrecht

Als de burger besluit te procederen, zijn er verschillende relevante bronnen, zoals:

  • Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)

  • Wet op de Rechterlijke Organisatie (RO)

  • BW (met name titel 3.11)

  • Advocatenwet

  • Gerechtsdeurwaarderwet

  • Wet op de rechtsbijstand

  • EU-wetgeving (denk aan de EEX-verordening)

  • Het EVRM en de rechtspraak hierover van het EHRM

Beginselen van de civiele procedure

Er zijn verschillende beginselen van de civiele procedure. Het gaat hier om voorwaarden die noodzakelijk zijn voor het garanderen van een eerlijk proces. Deze beginselen zijn onder andere te vinden in Gw (vanwege toetsingsverbod ex art. 120 niet echt praktisch toepasbaar) en Rv, maar ook in art. 6 en art. 13 EVRM en in art. 47 EU Handvest.

De beginselen zijn vooral praktisch toepasbaar op het moment dat een bepaalde uitkomst van een procedure leidt tot een onbillijke situatie (de werking is dus vergelijkbaar met de positie van van redelijkheid en billijkheid in het materiële recht)

  • Hoor en wederhoor (art. 19 Rv)

  • Onpartijdige en onafhankelijke rechter (art. 17 GW)

  • Openbaarheid van rechtspraak (art. 6 EVRM, 121 GW, 20 O, 27 en 28 Rv)

  • Motivering (art. 121 GW, 20 lid 3 RO, 30, 230 en 287 Rv)

  • Berechting binnen redelijke termijn (art. 6 EVRM, 20 Rv).

Art. 6 EVRM

Het EVRM krijgt een steeds grotere invloed op de nationale rechtsstelsels. Dit komt onder anderen door het verruimen van de reikwijdte en van de inhoud. Art. 6 EVRM beoogt onder andere de menselijke waardigheid daadwerkelijk en effectief te beschermen. Anders dan bij veel andere EVRM-artikelen geldt voor art. 6 geen expliciete beperkingsgrond.

Art. 13 EVRM

Dit artikel beoogt te garanderen dat een staat ervoor moet zorgen dat er een daadwerkelijk rechtsmiddel aan te wenden is als er sprake is van een schending van rechten.

Toegang tot de rechter

In art. 17 Gw wordt de toegang tot de rechter gegarandeerd. In de Golder-zaak wordt dit beginsel ook ingelezen in art. 6 EVRM. In de zaak Airey/Ierland verplicht het EHRM de staat ertoe de feitelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Van belang is dus ook dat een staat regels opstelt met betrekking tot de kosten die het procederen met zich meebrengt.

Art. 6 EVRM kent net als de Nederlandse wetgeving geen specifiek recht op hoger beroep, waardoor het recht op toegang tot de rechter beperkt is tot één instantie.

De toegang tot de rechter wordt beperkt door verschillende kostenposten, zoals de kosten van een deurwaarder, deskundigen, advocaat, griffierechten etc.

Alle andere posten dan het salaris van de advocaat worden voorschotten genoemd. Wel is een proceskostenveroordeling op grond van art. 237 Rv mogelijk, maar deze vergoeding dekt niet alle kosten. Op grond van art. 96 lid 2 sub b en c BW is het ook mogelijk bepaalde buitengerechtelijke kosten te verhalen, mits deze kosten redelijk zijn en vergoeding in aanmerking komen.

Op grond van art. 18 Gw en de Wet op de rechtsbijstand is rechtsbijstand mogelijk.

Onafhankelijkheid en onpartijdigheid

Art. 6 EVRM en art. 117 Gw garanderen het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter. Onafhankelijkheid houdt in dat de rechtspositie van rechters onafhankelijk is van die van de uitvoerende macht. Hoewel het de regering is die rechters bij KB benoemt voor het leven (tot zeventig jaar), is het de rechterlijke macht zelf die de selectie maakt.

Onpartijdigheid houdt het verbod op vooringenomenheid ten aanzien van de procespartijen in. Uit de zaak Hauschild/Denemarken blijkt dat de onpartijdigheid op basis van twee componenten beoordeeld moeten (R.O. 46 en 47). Allereerst is er de subjectieve toets: hoe is de persoonlijke instelling van deze rechter ten opzichte van de zaak? Hierbij wordt onpartijdigheid verondersteld. Je kijkt hier dus naar hoe de rechter zich gedraagt, wat hij zegt etc.

De objectieve toets houdt in dat gekeken moet worden naar feiten en omstandigheden op basis waarvan de schijn van partijdigheid gewekt zou kunnen worden. Het bestaan van deze schijn is al voldoende om aan te nemen dat de rechter niet onpartijdig is. Over het algemeen wordt de onpartijdigheid van de rechter beoordeeld aan de hand van de objectieve toets.

Wraking

Op grond van art. 36 Rv is wraking mogelijk op grond van feiten of omstandigheden die tot schade van de onpartijdigheid kunnen leiden.

Ex art. 38 Rv kan de rechter in het wrakingsverzoek berusten. Dat wil zeggen dat als een rechter geconfronteerd wordt met een wrakingsverzoek, hij zelf kan stoppen met de zaak. Art. 37 en art. 39 Rv geven verdere regels met betrekking tot de procedure.

In het kader van eenheid van procesrecht zijn de bestuursprocesrechtelijke en de strafprocesrechtelijke manieren van wraking hetzelfde: art. 512-518 Sv en art. 8:15-8:20 Awb.

Verschoning

Als de rechter vreest dat ten aanzien van hem de schijn van partijdigheid zal ontstaan kan hij zich verschonen (art. 40 Rv) Dit kan zowel formeel (indienen van een verzoek bij de wrakingskamer) als informeel.

Art. 41 Rv geeft regels met betrekking tot tot de procedure (zie ook art. 37 en 39 Rv).

Schending van een beginsel van procesrecht

Volgens art. 46 EVRM moet een staat voldoen aan een uitspraak. In beginsel geldt dat zaken op een gegeven moment afgerond zijn. Op grond van art. 382 Rv kunnen echter bepaalde zaken herroepen worden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een schending van art. 21 Rv.

Daarnaast kan de staat onder bepaalde voorwaarden aansprakelijk zijn via onrechtmatige daad.

Uit het arrest X/Staat (1971), blijkt dat slechts in zeer beperkte gevallen aansprakelijkheid ontstaat. Er moet sprake zijn van een zeer ernstige schending en daarnaast moeten tegen de uitspraak geen rechtsmiddelen open staan. De terughoudendheid die op dit gebied door Nederland gehanteerd worden, zal echter op grond van rechtspraak van het HvJ EU (Köbler) aangepast moeten worden. In de uitspraak HR 4-12-2009 m.nt. Vranken lijkt deze ruimere aansprakelijkheid aangenomen te worden.

College 2

Procedures in Burgerlijk procesrecht

Partijautonomie en lijdelijkheid

Partijautonomie houdt in dat eenieder van de partijen vrij is om zijn juridische positie te bepalen.

Lijdelijkheid houdt verband met de partijautonomie en houdt in dat de rechter moet blijven binnen de juridische grenzen die partijen aangeven.

Hoe autonomer de partijen zijn, hoe lijdelijker de partijen zich opstellen.

De kernvraag is echter in hoeverre de partijen autonoom zijn en dus in hoeverre de rechter lijdelijk is. Art 6 EVRM geeft hierover geen verdere informatie, maar er kunnen wel aanwijzingen in de richting van een actieve rechter gelezen worden. Een eis die het EHRM wel duidelijk uit art. 6 EVRM haalt is die van proper participation: de rechter moet ervoor zorgen dat de burger de mogelijkheid heeft om daadwerkelijk deel te nemen aan de procedure (en dus ook partijen de mogelijkheid te geven op alle relevante stukken te reageren). De rechter moet de equality of arms bewaken. Het is vervolgens aan de partijen om te bepalen wat er met de stukken dient te gebeuren.

Dagvaardingsprocedure

De dagvaardingsprocedure geldt ruwweg voor de vermogensrechtelijke geschillen. De dagvaarding wordt uitgebracht bij deurwaardersexploot (afschrift van de dagvaarding). Zie voor de eisen die aan de dagvaarding gesteld worden art. 111 en verder Rv. In de dagvaarding moet onder andere gesubstantieerd worden wat het te verwachten verweer van de gedaagde zal zijn (substantiëringsplicht). De sanctie op het niet nakomen van de eisen van art. 111 Rv is nietigheid.

Op de dagvaarding reageert de gedaagde met de conclusie van antwoord (art. 128 lid 2 Rv). Dit in het kader van hoor en wederhoor (19 Rv). Hierbij kan ook de eis in reconventie gesteld worden (tegeneis, art. 136 Rv). Vanwege het beginsel van hoor en wederhoor volgt hierop een conclusie van antwoord in reconventie.

Indien geen conclusie van antwoord volgt, zal de rechter verstek verlenen, tenzij de dagvaarding nietig is. Ook zal hij geen verstek verlenen als de eis hem kennelijk onredelijk voorkomt. Zie voor dit alles art. 139 e.v. Rv.

Het is mogelijk om de eis te wijzigen. Hierover beslist de rechter, nadat hij de wederpartij gehoord heeft (art. 129, 130 Rv).

Vervolgens volgt vaak een comparitie van partijen na antwoord (art. 131 jo. 87, 88 Rv). Hierbij krijgt de rechter de mogelijkheid om de partijen te spreken.

Vervolgens volgt eventueel repliek en dupliek als de rechter dit nodig acht (art. 132 Rv). Vervolgens zal de rechter een bewijsopdracht geven: hij geeft aan welke partij wat nog dient te bewijzen.

Desgevraagd kan op de voet van art. 134 Rv pleidooi gevraagd worden door partijen. Vervolgens volgt een eindvonnis ex art. 229 Rv. Soms vindt voor dit vonnis nog een vrijwaringsprocedure plaats (waarbij een van de partijen stelt dat een andere partij aansprakelijk gesteld moet worden), zie hiervoor art. 210 Rv. Ook een relevant punt is dat de rechter de termijnen geeft waarbinnen proceshandelingen verricht dienen te worden (art. 133 Rv). Deze termijnen worden vastgelegd in het Landelijk Rolreglement. Wel is het zo dat als partijen unaniem een bepaalde termijn vragen, deze termijn gevolgd zal moeten worden.

Je begint bij de rechtbank (art. 42 Wet RO). Die rechtbank heeft een aantal sectoren, je moet bij de goede sector uitkomen. Kijk je naar Art. 93 Rv, wordt gezegd dat je bij dagvaardingsprocedures tot €25.000,- terechtkomt bij sector kanton. Alles daarboven komt bij de sector civiel.

Partijautonomie in het Nederlandse recht

Partijautonomie (art. 23 en 24 Rv). De rechter beslist over al hetgeen de partijen hebben gevorderd of verzocht. De rechter gaat dus over alle aspecten. De partijen bepalen de grondslag van de vordering; de rechter onderzoekt wat de partijen aan het onderzoek ten grondslag hebben gelegd. Hij oordeelt en beslist aan de hand van wat de partijen naar voren brengen.

De rechter mag dan ook geen feiten aanvullen. Ook hebben de partijen de bevoegdheid te beslissen over het begin en het einde van het geding: de zaak door te halen op de rol (zie ook art. 246 Rv).

Een andere bepaling waaruit partijautonomie blijkt is art. 149 Rv. Dit artikel bepaalt dat de rechter feiten als vaststaand aanvaardt als deze gesteld en vervolgens niet betwist worden. Er is dan geen bewijslevering nodig. Dit is anders als het feiten met betrekking tot het algemeen belang betreft of feiten van algemene bekendheid (die hoeven überhaupt niet gesteld te worden).

Ook uit art. 150 Rv blijkt partijautonomie: het zijn de partijen die het bewijs moeten aandragen.

De rechter is echter niet op alle fronten lijdelijk: hij is geen willoos werktuig van partijen. Het geschil is van partijen, het geding is van de rechter. Uit art. 25 Rv volgt bijvoorbeeld dat de rechter ambtshalve rechtsgronden aanvult. Vaak zal hij dit doen in een tussenvonnis, waardoor partijen zelf dit nog kunnen verwerken in hun eis en niet door de aanvulling verrast worden. Op grond van art. 25 Rv vult de rechter ambtshalve de rechtsgronden aan. Als partijen zich beroepen op een bepaalde rechtsregel, moet de rechter zeggen: ‘’U heeft het verkeerd. Deze regel is niet van toepassing’’. De rechter mag dan dus aanvullen, maar slechts voor zover dit gewenst is.

Er bestaat slechts een verplichting tot aanvulling bij rechtsgronden die niet ter vrije beschikking staan: gronden van openbare orde. Een voorbeeld is art. 6 Mededingingswet.

Rechtsgronden die wel ter vrije beschikking staan hoeven niet aangevuld te worden, tenzij dit door partijen gewenst is en deze wens ook duidelijk is.

Voor beide gevallen geldt dat de rechter niet buiten de rechtsstrijd van de partijen treedt en niet de niet feiten mag aanvullen. Ook art. 19 en 20 Rv geven blijk van een meer leidende rol van de rechter: hij dient te waken tegen vertraging. Daarnaast geeft art. 21 Rv aan dat op partijen de verplichting rust om slechts de waarheid aan te dragen, dit om ervoor te zorgen dat de rechter zoveel mogelijk oordeelt op basis van de materiële werkelijkheid.

De rechter als case manager

De rechter heeft op grond van art. 87, 88 en 131 Rv de bevoegdheid de partijen te gelasten te verschijnen. Daarnaast is het, zoals in art. 155 Rv bepaald wordt, dezelfde rechter die zowel de bewijsvoering doet als vonnis wijst.

Ook bepaalt de rechter over het toelaten van een eiswijziging (art. 130 Rv), de dag van vonnis (art. 229 Rv) en in gevallen het einde van het geding bepalen (art. 247 Rv).

Achtergronden en mogelijke ontwikkelingen

In het rapport van de Commissie fundamentele herbezinning burgerlijk procesrecht, dat in 2003 werd uitgebracht, werd ingegaan op de maatschappelijke roep om herinrichting van het procesrecht. In dit rapport wordt onder andere voorgesteld dat rechter en partijen gezamenlijk verantwoordelijk zijn voor het verloop van het proces. De rechter zou, om snelheid en efficiëntie te bevorderen, een veel actievere rol zou moeten innemen.

Op dit rapport wordt zeer kritisch gereageerd door onder andere de Nederlandse Vereniging voor Procesrecht, de Nederlandse Orde van Advocaten, de adviescommissie burgerlijk procesrecht en de Hoge Raad. In 2006 volgt van de Commissie een weerwoord in het eindrapport. Hierin wordt vastgehouden aan de gezamenlijke verantwoordelijkheid.

In 2007 komt het kabinet aan zet en stelt een middenweg voor. Er wordt ook ingezet op de eigen verantwoordelijkheid, maar het is een afgezwakte variant van het voorstel. De wetgever heeft hierna echter geen stappen meer ondernomen.

Grenzen aan rechterlijk activisme

Een duidelijke grens is in ieder geval de verrassingsbeslissing: er mogen door de rechter geen beslissingen genomen worden over kwesties die niet in geschil zijn.

Al met al kan gesteld worden dat het twijfelachtig is of partijautonomie en de lijdelijkheid een beginsel zijn van het burgerlijk procesrecht. Velen menen dat dit het geval is, maar de Giesen stelt dat het civiele proces juist wel een actieve rechter nodig heeft om zwakkere procesdeelnemers te beschermen: het beginsel van de actieve rechter.

College 3

Bevoegdheid, hoor en wederhoor en bewijsrecht.

Internationale bevoegdheid

De eerste vraag die hierbij relevant is, is of er een rechter beschikbaar is. Vervolgens moet bepaald worden of er ook een bevoegde overheidsrechter is (in Nederland geregeld via art. 112 Gw) (via Guldemond/Noordwijkerhout kunnen ook zaken met bestuursrechtelijke grondslag voor de burgerlijke rechter behandeld worden). Wel moet ook bekeken worden of er geen afspraken gemaakt zijn die bevoegdheid van de overheidsrechter uitsluiten (bijvoorbeeld via een arbitrageovereenkomst).

Ten slotte is relevant of de overheidsrechter ook rechtsmacht heeft. In geschillen waarin een kwestie tussen verschillende nationaliteiten speelt, is daarbij in eerste instantie de EEX-verordening van belang. Art. 4 van deze verordening stelt dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is. Krachtens art. 7 kunnen ook andere rechters bevoegd zijn. Uitzonderingen worden gegeven in art. 24 en 25-27.

Ook in art. 1 e.v. Rv worden hierover regels voor de Nederlandse situatie gesteld.

Als eenmaal de Nederlandse rechter bevoegd is, moet bepaald worden welke rechter absoluut (Wet RO en art. 93 Rv) en welke relatief (art. 99 e.v. Rv) bevoegd is.

Fair hearing

Het beginsel van fair hearing uit het EVRM omvat vooral het recht op hoor en wederhoor. Binnen de dagvaardingsprocedure komt dit beginsel steeds terug en wordt ook uitgewerkt in art. 19 Rv.

In dit artikel is het recht op rechtelijk gehoor terug te vinden (eerste zin), het recht op tegenspraak (eerste twee zinnen) en ten slotte het recht om in gelijke mate gehoord te worden (eerste zin).

Het beginsel van fair hearing bestaat uit het recht op hoor en wederhoor en het recht op equality of arms.

Recht op rechterlijk gehoor

Omvat het recht van elke partij om zijn standpunten naar voren te brengen en toe te lichten. Daarnaast brengt het ook het recht op de mogelijkheid tot een effectieve reactie met zich mee (adversarialiteit).

Relevant is hier het arrest Mantovanelli, waarin betrokkene wel opmerkingen mocht maken nadat het deskundigenrapport voltooid was, maar geen ‘real opportunity to comment effectively on it’ (r.o. 36), zoals hierboven ook beschreven. Vereist is echter volgens het EHRM dat de betrokkenen ook tijdens het onderzoek (dat het belangrijkste bewijsstuk in deze zaak was) betrokken worden.

Recht op tegenspraak en equality of arms

Tegenspraak brengt met zich mee dat een procespartij de mogelijkheid krijgt om zich over de standpunten en bescheiden van de wederpartij uit te laten (art. 85 lid 1 en 4 Rv).

Het equality of arms beginsel vereist dat alle partijen het recht hebben om in gelijke mate gehoord te worden (de partijen moeten in de procedure dezelfde kansen hebben om hun standpunten te verdedigen). Hierbij is het arrest EHRM: Dombo/Nederland van belang, dat betrekking had op partijgetuigen. Hierin wordt uitgewerkt dat een partij geen ‘substantial disadvantage vis a vis his opponent’ mag hebben.

Na deze uitspraak worden partijgetuigen wel toegelaten in het proces, zolang die getuige slechts verklaart over een feit waarover onvolledig bewijs is (art. 164 Rv).

Bewijsrecht

Voor toepasselijkheid van het bewijsrecht is volgens art. 149 Rv vereist dat er gesteld wordt.

Stellen en betwisten is van groot belang, omdat on(voldoende) betwiste feiten als vaststaand worden aangenomen. Het bewijsrecht geldt zowel in de dagvaardingsprocedure als in de verzoekschriftprocedure (art. 284 Rv, voor zover de aard van de zaak zich hiertegen niet verzet). In kort geding en in arbitragezaken geldt het bewijsrecht over het algemeen niet.

Tijdens je studie krijg je een casus. Rechters krijgen geen casus, maar twee verhalen, van twee verschillende partijen. Rechters moeten dus uitzoeken wat de feiten zijn. Feiten zijn stellingen van partijen over gegevens die erkend zijn, niet betwist zijn, onvoldoende betwist zijn of bewezen zijn. Daarnaast vallen ervaringsregels en algemene bekendheid onder feiten. Deze feiten vallen onder het bewijsrecht. De rechter is lijdelijk dus haalt de feiten uit de stellingen van de partijen. Stellingen die niet of onvoldoende betwist worden, worden feiten.

Bewijslast = bewijsrisico. Als het niet vast komt te staan, is dat voor risico van de partij met de bewijslast. Meestal verliest die partij daardoor de zaak. Bewijslast is de verplichting om te bewijzen. Als het niet lukt die bewijslast waar te maken, verlies je het proces. Dat is het risico dat je loopt.

Stelplicht en bewijslast

De stelplicht: de plicht om zoveel feiten te stellen als nodig voor toewijzing van de vordering, wordt gegeven in art. 149 Rv. Op basis van de gestelde feiten (en vervolgens de betwisting hiervan), komt de bewijslastverdeling ex art. 150 Rv van belang. Het dragen van de bewijslast brengt ook het bewijsrisico (het risico dat het te bewijzen feit niet bewezen wordt) met zich mee.

De bewijslast houdt in dat degene op wie die last rust de plicht heeft het bewijs te leveren (op ‘straffe van’ verwezenlijking van het bewijsrisico).

Hoofdregel is dat degene die zich op het rechtsgevolg beroept de feiten die voor intreding van dat rechtsgevolg nodig zijn, bewijst (wie stelt, bewijst) (Art. 150 Rv). Voor zover de gedaagde de stelling van de eiser betwist, zal hij deze betwisting niet hoeven bewijzen (hier geldt dus niet onverkort ‘wie stelt, bewijst’). Ook zijn uitzonderingen te vinden in specifieke wettelijke grondslagen voor een vordering (bijvoorbeeld art. 6:74 BW). Voor verdeling van de bewijslast is dus uitlegging van het materiële recht vereist. Onderdeel van de bewijsfase is ook de gelegenheid tot tegenbewijs (fair hearing). Het doel hiervan is ontkrachting van wat de partij met de bewijslast naar voren bracht aan bewijzen. Er is geen noodzaak een eigen bewijs te leveren van het tegenovergestelde.

Afwijken van de bewijslastverdeling

Om de uitkomst van de zaak te sturen zijn er verschillende middelen ter beschikking van de rechter:

  • Aanvullende stelplicht: in sommige gevallen is een extra gemotiveerde betwisting vereist, dit om de bewijslevering voor de wederpartij te vergemakkelijken. Als niet voldaan wordt aan deze aanvullende stelplicht, zijn er voor de feitenrechter drie opties (zie NNE/Van Mourik): feit wordt als vaststaand aangenomen, het feit wordt op voorhand als vaststaand aangenomen of een eventuele omkering van de bewijslast. In een arrest van april 2014 (Reaal/Deventer), laat de HR deze eerste optie weg.

  • Omkering bewijslast: in plaats van degene die volgens de hoofdregel de bewijslast zou dragen, komt de bewijslast hier te rusten op de andere partij. In de wet zijn twee gronden voor omkering van de bewijslast:

  • Bijzondere regeling met betrekking tot verdeling van de bewijslast (bijvoorbeeld art. 6:99 BW);

  • Redelijkheid en billijkheid.

Bewijswaardering

De regeling met betrekking tot waardering van bewijs wordt gegeven in art. 151-152 Rv. De vraag is wanneer voldoende bewijs geleverd is. Volgens de hoofdregel is dit het geval als er bij de rechter een redelijke mate van zekerheid ten aanzien van de feiten ontstaan is.

Bewijsmiddelen

Bewijs kan op grond van art. 152 Rv met alle middelen geleverd worden (zie ook het arrest HR: Geluidsband als onbenoemd bewijsmiddel). Een aantal middelen worden expliciet in de wet geregeld:

  • Boeken, bescheiden en geschriften in art. 162 Rv;

  • Deskundigen (art. 194 ev. Rv);

  • Descente/plaatsopneming (art. 201 Rv);

  • Exhibitieplicht (art. 843a-b, wordt art. 162a-c Rv): als er een belang bestaat, kan een partij bij en derde inzage vragen in bepaalde bescheiden;

  • Strafvonnis is toelaatbaar op grond van art. 161 Rv.

  • Akten (art. 156 e.v. Rv): een geschrift is een drager van leestekens die gedachte-inhoud vertolken. Als een geschrift ondertekend is en bestemd is tot bewijs te dienen, is er sprake van een akte. Een authentieke akte is op bepaalde wijze door een ambtenaar opgesteld. Alle overige aktes zijn onderhand.

Gewone geschriften hebben vrije bewijskracht. Een akte heeft echter uitwendige bewijskracht (art. 159 Rv: aangenomen wordt dat handtekeningen etc juist zijn). Daarnaast heeft een akte ook formele (art. 157 lid 1 Rv) en materiële bewijskracht (art. 157 lid 2 Rv: een akte levert dwingend bewijs ten aanzien van de ondertekenaars op).

  • Getuigen (art. 163 e.v. Rv): als de rechter dit verlangt is eenieder te getuigen op grond van art. 165 Rv. Deze plicht geldt niet als er een beroep gedaan kan worden op een verschoningsrecht.

Bewijsaanbod

De rechter kan partijen de opdracht geven om bewijs naar voren te brengen in de zaak. De rechter moet dit wel nodig vinden, het heeft geen nut dit te vorderen als het geen invloed heeft op de zaak. Een bewijsaanbod is vooral van belang ten aanzien van getuigen. Een dergelijk aanbod door partijen moet door de rechter, als voldaan wordt aan de geldende voorwaarden (ter zake dienend etc.), aanvaard worden. Als een partij zegt: Ik bied aan mijn stellingen te bewijzen door middel van getuigen, moet de rechtbank dit voorstel aannemen. Het aanbod op bewijs moet wel tijdig ingediend worden en van belang zijn voor de zaak.

Ten aanzien van het leveren van tegenbewijs gelden deze voorwaarden niet (in hoger beroep zijn deze eisen strenger).

Er geldt voor de rechter een prognoseverbod: De rechter mag niet zeggen, je krijgt het bewijs niet, want je kunt het toch niet bewijzen. Dat zou leiden tot een cirkelredenatie. De rechter mag het bewijs pas waarderen als het duidelijk is aangetoond. Alles wat bewezen kan worden is een bewijsmiddel. De bewijswaardering is de beoordeling/weging van alle bewijsmiddelen in samenhang. De maatstaf is de redelijke mate van zekerheid (hoe zeker weet je het?).

College 4

Vonnissen

In principe wordt vonnis gewezen als het partijdebat geëindigd wordt of moet eindigen. Dit ter bepaling van de rechter. Hierop zijn slechts uitzonderingen als beide partijen allebei nog geen vonnis willen.

Er wordt in de wet geen termijn bepaald waarbinnen vonnis gewezen moet worden. Dit staat wel in een procesreglement. De termijn van orde is bij de sector civiel 6 weken, en bij kanton 4 weken. Er staat geen sanctie op het overschrijven van deze termijnen (termijn van orde), het is een streven het binnen de termijn te doen, maar het is niet verplicht.

De inhoud en de opbouw van een vonnis is grotendeels uit de wet af te leiden: art. 230 Rv.

Allereerst wordt in het vonnis het verloop van de procedure beschreven. Vervolgens komen de feiten aan de orde, waarna het geschil uiteengezet wordt.

Ten vierde worden de feiten beoordeeld en de argumenten gewogen: het recht wordt hierop toegepast. Ten slotte volgt de beslissing (dictum).

Na het dictum wordt in het vonnis opgenomen wie het vonnis gewezen heeft (het vonnis komt voor de verantwoordelijkheid van de persoon die het vonnis gewezen heeft) en wie het uitgesproken heeft (hoeft niet dezelfde persoon te zijn).

Verder bepaalt art. 23 Rv dat in het vonnis geoordeeld moet worden over alle vorderingen. Daarnaast moet de rechter zijn oordeel vestigen op basis van de gronden die zijn aangevoerd (art. 24 Rv; er mogen geen feiten aangevuld worden) en moet hij de rechtsgronden van de vordering aanvullen (art. 25 Rv): om een verrassingsbeslissing te voorkomen zal de rechter de partijen echter vaak wel in de gelegenheid stellen om deze gronden zelf aan te vullen.

Art. 152 lid 2 Rv geeft de regels over bewijswaardering en in art. 237 e.v. Rv wordt de mogelijkheid tot kostenveroordeling gegeven.

Soorten vonnissen

Er zijn twee criteria op basis waarvan de soorten vonnissen kunnen worden ingedeeld.

  1. Bezien vanuit het gevolg van het vonnis:

  • Declaratoir: een verklaring voor recht. Bijvoorbeeld vaststelling dat het uitdelen van een klap een onrechtmatige daad is. Ook de afwijzing van alle vorderingen is een declaratoir vonnis: een verklaring voor recht dat geen recht bestaan heeft.

  • Constitutief: een rechtscheppend vonnis. Door het vonnis wordt een bepaald rechtsfeit gecreëerd. Bijvoorbeeld de vernietiging van een overeenkomst.

  • Condemnatoir: een veroordelend vonnis. Bijvoorbeeld de veroordeling tot betaling van een schadevergoeding. Alleen dit vonnis is te executeren, dus alleen hiervoor kan een deurwaarder worden ingeschakeld (zie ook hieronder over kracht van gewijsde).

Het soort vonnis waarvan sprake is, kan worden bepaald in het dictum. Bovenstaande indeling heeft slechts betrekking op eindvonnissen. Een vonnis kan ook bv. constitutief én condemnatoir zijn. Het hoeft dus niet per se één van bovenstaande soorten vonnissen te zijn. Het condemnatoire vonnis komt vaak voor bij kantonzaken, de overige soorten vonnissen komen voor bij bodemzaken.

  1. Bezien vanuit wel/niet in hoger beroep kunnen/moeten

Ook hier moet gekeken worden naar het dictum van het vonnis.

  • Eindvonnis: in het dictum wordt een einde gemakt aan (een deel van) het geschil: een vordering wordt (gedeeltelijk) toegewezen/afgewezen. Van een eindvonnis moet binnen drie maanden in beroep gegaan worden.

  • Tussenvonnis: van een tussenvonnis kan slechts tegelijk met het eindvonnis in beroep gekomen worden, tenzij de rechter dit uitdrukkelijk toestaat. Te vroeg beroep leidt tot niet -ontvankelijkheid, maar kan gemakkelijk worden hersteld door alsnog tegelijk met het eindvonnis in beroep te gaan.

    1. Preparatoir tussenvonnis: verzoek van de rechter om compleet maken van het dossier.

    2. Interlocutoir tussenvonnis: bewijsopdracht door partijen.

    3. Provisioneel tussenvonnis: er wordt een voorziening getroffen met betrekking tot betaling van deskundigen (voorschotten etc).

    4. Incidenteel tussenvonnis: twee procedures worden aan elkaar gekoppeld. In de eerste procedure wordt een gedaagde in een tweede procedure in vrijwaring in de eerste procedure opgeroepen: vrijwaringsincident.

  • Deelvonnis: een deelvonnis is een tussenvonnis dat gedeeltelijk een eindvonnis is. Er wordt bijvoorbeeld aansprakelijkheid vastgesteld (eindvonnis), maar de omvang van de schade moet nog worden bepaald (tussenvonnis): bewijsopdracht. Een deelvonnis is erg onhandig, omdat partijen een vonnis krijgen waarvan ze gedeeltelijk in beroep moeten binnen drie maanden (eindvonnis) en gedeeltelijk nog niet in beroep mogen (tussenvonnis). Om een deelvonnis te voorkomen kan de rechter ook een bindende eindbeslissing geven (dus niet in het dictum). In het dictum wordt dan nog bijvoorbeeld slechts een bewijsopdracht aan. In hoofdstuk 5 (dictum), worden geen beslissingen gegeven waardoor het geding (gedeeltelijk) tot een einde komt: geen van de partijen mag nog in hoger beroep. Een dergelijke beslissing is bindend voor de rechter.

Kracht en gezag van vonnis

Kracht van gewijsde (gewijsde=vonnis) houdt in dat tegen het vonnis geen gewone rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Als een vonnis kracht van gewijsde is, kan het vonnis dus zonder problemen geëxecuteerd worden. Om ervoor te zorgen dat de deurwaarder al eerder (dan dat het vonnis kracht van gewijsde heeft) in actie kan komen, kan de eiser in de dagvaarding vorderen dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard: het aanwenden van een rechtsmiddel heeft geen schorsende werking. Als het vonnis in hoger beroep vernietigd wordt, valt de basis van de executie van de vordering weg en is er sprake van een onrechtmatige daad (onverschuldigde betaling). Over het reeds betaalde bedrag wordt dan ook wettelijke rente gerekend: uitvoerbaarheid bij voorraad gebeurt dus op eigen risico.

Gezag van gewijsde houdt in dat een zelfde zaak niet nogmaals in een andere procedure aan de orde kan komen (art. 236 Rv). Als dezelfde zaak nogmaals aan de orde gesteld wordt: zal eiser niet ontvankelijk zijn.

Rechtsmiddelen

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen gewone rechtsmiddelen (verzet ex art. 143-148 Rv; hoger beroep ex art. 332-362 Rv en cassatie ex art. 78-81 RO en art. 398-429 Rv) en buitengewone rechtsmiddelen (derdenverzet ex art. 376-380 Rv; herroeping (art. 382-391 Rv) en cassatie in het belang der wet als bedoeld in art. 78 RO).

Verzet

Verzet is mogelijk na een verstekvonnis. Verstek kan zowel gezuiverd worden door tijdens de procedure alsnog te komen als door in verzet te gaan: het versturen van een verzetdagvaarding aan de oorspronkelijke eiser (art. 143 Rv).

De termijn om in verzet te komen is vier weken en gaat lopen op de dag na de betekening van het verstekvonnis. Als de gedaagde onvindbaar is en het vonnis niet aan hem in persoon kan worden uitgereikt, gaat de termijn lopen op de dag dat uit het gedrag van gedaagde blijkt dat hij het vonnis kent (daad van bekendheid). Ten slotte gaat de termijn ook lopen vanaf de executie van het verstekvonnis.

Geslaagd verzet leidt ertoe dat alsnog de eerste aanleg ingegaan kan worden.

Hoger beroep

Het instellen van hoger beroep is mogelijk als er sprake is van een vonnis op tegenspraak (dus als er geen verstek verleend is: er heeft zich iemand gemeld).

Het doel van hoger beroep is de controle van de rechter in eerste aanleg. Daarbij biedt de hoger beroeps procedure mogelijkheid tot het herstellen van fouten: herkansing.

Hoger beroep van eindvonnissen is in principe altijd mogelijk als geappelleerd wordt binnen de termijn. Daarnaast wordt een appelgrens gehanteerd: van zaken waarin sprake is van een vordering beneden €1750,- kan niet in beroep gegaan worden. Van zaken waarin een vordering van onbepaalde waarde speelt kan altijd in hoger beroep gegaan worden.

Ten slotte kan er ook sprake zijn van een rechtsmiddelenverbod: de wet sluit de mogelijkheid van beroep uit en kan niet in beroep gegaan worden van een tussenvonnis als er nog geen eindvonnis is.

Het rechtsmiddelenverbod kan worden doorbroken als fundamentele rechtsbeginselen (bijvoorbeeld hoor en wederhoor) geschonden zijn.

De omvang van het hoger beroep wordt bepaald door het grievenstelsel. Door argumenten (grieven) aan te voeren tegen het vonnis in eerste aanleg, wordt bepaald welke onderdelen van het geschil door het Hof worden beoordeeld.

Als gedaagde (geïntimeerde in hoger beroep) gedurende de hoger beroeps procedure in beroep gaat, worden (door het grievenstelsel) ook deze stellingen in incidenteel appel in het beroep betrokken.

De devolutieve werking van het procesrecht houdt in dat de zaak niet meer mag worden terugverwezen naar de Rechtbank. Dit is ook niet het geval als de Rechtbank zich over bepaalde stellingen niet heeft uitgelaten. Het Hof behandelt de zaak in zijn volledigheid, dus ook wat er in eerste aanleg is gebeurd.

Cassatie

Door cassatie worden de rechten van partijen beschermd (met name bij motiveringsgebreken), wordt rechtseenheid bevorderd en rechtsontwikkeling gestimuleerd.

Cassatiegronden worden gegeven in art. 79 RO: verzuim van vormen of schending van het recht. Ook in cassatie is er sprake van een met het grievenstelsel vergelijkbaar systeem: het middelenstelsel. Slechts de onderdelen waartegen middelen worden aangewend worden in de cassatieprocedure betrokken. De Hoge Raad is namelijk geen feitenrechter. Zij kijkt slechts naar of het recht goed is nageleefd.

Na cassatie wordt de zaak terugverwezen naar het Hof of wordt de zaak zelf afgedaan. Tegen een verworpen cassatieberoep staan geen rechtsmiddelen meer open.

College 5

Vandaag gaan we het hebben over de verzoekschriftprocedure, het kort geding, de kantonprocedure en de deelgeschillenprocedure letsel- en overlijdensschade.

De verzoekschriftprocedure

De regeling met betrekking tot de verzoekschriftprocedure is te vinden in art. 261 e.v. Rv. Dit is een aparte titel. De verzoekschriftprocedure is in het leven geroepen om de rechter de mogelijkheid te geven op te treden als administratief orgaan, in plaats van als geschillen-beslechter. Dit om bepaalde procedures minder ingrijpend voor partijen te maken.

Op grote terreinen is de verzoekschriftprocedure gelijk aan de dagvaardingsprocedure. Zo gelden grotendeels de bewijsrechtelijke regels van het dagvaardingsprocedure ook in de verzoekschriftprocedure (vergelijk ook art. 284 Rv).

Over het algemeen is het in de verzoekschriftprocedure makkelijker om sneller tot de kern van de zaak te komen: de schriftelijke rondes duren minder lang. De verzoekschriftprocedure is over het algemeen sneller, goedkoper, soepeler, informeler en eenvoudiger dan de dagvaardingsprocedure.

Krachtens de wisselbepaling van art. 69 Rv kan de rechter een met een dagvaarding gestarte verzoekschriftprocedure zonder problemen ombuigen tot verzoekschriftprocedure. Over het algemeen is de rechter in de verzoekschriftprocedure dan ook minder lijdelijk.

In de verzoekschriftprocedure geldt geen regeling met betrekking tot verstek en verzet: niet verschijnen leidt tot verlies van instantie (er kan dus alleen nog in hoger beroep gegaan worden).

Of er sprake is van een verzoekschrift- dan wel dagvaardingsprocedure, blijkt uit de wettelijke regeling (gebruik van de woorden ‘vonnis’, ‘vordering’, ‘dagvaarding’ wijzen op de dagvaardingsprocedure, terwijl gebruik van het woord ‘verzoek’ duidt op de verzoekschriftprocedure).

Uit art. 261 e.v. Rv wordt de algemene regeling voor de verzoekschriftprocedure gegeven. Er zijn drie soorten verzoekschriftprocedures te onderscheiden: de procedures waarop deze regeling geheel van toepassing is (bijvoorbeeld de procedures uit BW boek 2), de procedures waarin deze regeling de basis vormt, maar in bijzondere regeling uitzonderingen gegeven worden (bijvoorbeeld art. 798 e.v. Rv met betrekking tot personen- en familierecht) en ten slotte de procedures waarop de algemene regeling niet van toepassing is (bijvoorbeeld met betrekking tot faillissementswetgeving of procedures met betrekking tot de wet schadefonds geweldsmisdrijven).

Familieprocesrecht

Voor de categorie familieprocesrecht is een bijzondere regeling getroffen, omdat er in deze categorie vaak sprake is van afwijkende kenmerken (gemeenschappelijke verzoeken, conflicten etc).

Zo geldt er ook voor het scheidingsprocesrecht een afzonderlijke regeling. Zo wordt de internationale rechtsmacht geregeld in art. 3 Brussel II-bis Vo en de artikelen 4 en 5 Rv. Ook de betekening van een eenzijdig verzoekschrift wordt apart geregeld in art. 816 Rv.

In de echtscheidingsprocedure moet onderscheid gemaakt worden tussen de nevenvoorzieningen (voorzieningen voor de tijd nadat er een echtscheiding is) en de voorlopige voorzieningen (de regelingen voor de tijd dat er nog geen echtscheiding is, tijdens de echtscheidingsprocedure). Van belang is dus wanneer de echtscheidingsprocedure eindigt: dit is als de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand ingeschreven zijn. Zolang dit dus nog niet het geval is, gelden de voorlopige voorzieningen nog. Omdat deze voorlopige voorzieningen maar tijdelijk zijn, is hiertegen geen hoger beroep mogelijk (art. 824 Rv). Voorlopige voorzieningen hebben namelijk gelding tot de uitspraak is gedaan in de hoofdzaak. Bij nevenvoorzieningen lig dit anders, die krijgen gelding nádat de uitspraak is gedaan. Op grond van art. 827 Rv is Hoger beroep voor nevenvoorzieningen wel mogelijk.

Verloop procedures

  • Verloop dagvaardingsprocedure: Dagvaarding, conclusie van antwoord, comparitie van partijen, repliek, dupliek, tussenvonnis, bewijslevering, eindvonnis.

  • Verloop verzoekprocedure: verzoekschrift, verweerschrift, mondelinge behandeling, beschikking.

Hoofdzaken van het familieprocesrecht

De meeste procedures in het personen- en familierecht beginnen met een verzoekschrift. Voor de bepaling van de bevoegde rechter, moet gekeken worden naar de regeling van art. 262-269 Rv.

De kring van belanghebbenden in dergelijke zaken is beperkt (zie art. 798-799 Rv).

De oproeping van de belanghebbenden en verzoeker(s) vindt plaats door de griffier.

De procedure vindt plaats achter gesloten deuren (art. 803 Rv), maar de uitspraak vindt wel in het openbaar plaats (art. 28 lid 1 Rv). Daarnaast bestaat er geen mogelijkheid om in verzet te gaan. Slechts hoger beroep is mogelijk binnen een beroepstermijn van 3 maanden. Zie art. 358 jo. 806 Rv.

Uitspraken in het personen- en familierecht kunnen afgedwongen worden met behulp van de politie (vgl. art. 812 en 813 Rv).

Kantonprocedure

Krachtens art. 93 sub a en b Rv worden zaken die betrekking hebben op vorderingen van minder dan €25.000,- behandeld door de kantonrechter.

Op grond van sub c worden ook zaken die ‘dicht bij het leven van alledag staan’ onder de bevoegdheid van de kantonrechter gebracht worden. Sub d ten slotte zorgt ervoor dat ook andere zaken waarvan de wet dit inhoudt bij de kantonrechter behandeld moeten worden (bijvoorbeeld pachtzaken ex art. 48 lid 2 RO).

Kort geding

Art. 254 Rv geeft de vereisten voor een voorlopige voorziening: spoed en een voorziening die bij voorraad gegeven kan worden om aan deze spoed tegemoet te komen. De voorzieningenrechter is in alle zaken absoluut bevoegd, zowel in kantonzaken als in zaken die voor de sector civiel dienen (vgl. art. 254 Rv). Uit art. 257 Rv blijkt dat de uitkomst van de kort gedingprocedure geen invloed heeft op de bodemprocedure.

Naast de verruimde regels met betrekking tot absolute bevoegdheid, gelden ook ruimere regels voor de relatieve bevoegdheid. Daarnaast blijkt uit art. 117 Rv dat de dagvaardingsprocedure sneller verloopt (mede door het feit dat de zaak voor een groot deel mondeling behandeld wordt) en hoeft de gedaagde geen advocaat te stellen (art. 255 lid 1 Rv). Dit is wel vereist bij een eis in reconventie (in dat geval is gedaagde namelijk eiser).

Tegenwoordig is het ook mogelijk om geldvorderingen in kort geding te behandelen. Vereist zijn wel dat de vordering voldoende aannemelijk is en dat er sprake is van onverwijlde spoed. Daarnaast moet rekening gehouden worden met het restitutierisico (de toegewezen vordering moet wel kunnen worden terugbetaald bij een ander vonnis in de bodemprocedure). Lees hiervoor ook het arrest M’Barek/Van der Vloodt.

College 6

Gedwongen nakoming

Gedwongen nakoming wordt geregeld in art. 3:296 BW. Er is onderscheid te maken tussen gedwongen nakoming van verschillende vorderingen: verplichtingen tot geven (geld (verhaalsbeslag), roerende- en onroerende zaken (beslag tot afgifte)), tot doen en tot nalaten.

Doel en functie beslag

Allereerst heeft beslag een blokkeringsfunctie. Het geeft zekerheid tot verhaal: rechtshandelingen van de beslagene werken niet ten nadele van de beslaglegger.

Daarnaast zorgt het voor individualisering en concretisering van de beslagen goederen (om te voorkomen dat de beslagene bijvoorbeeld bepaalde onderdelen van zijn inboedel inruilt voor goedkopere varianten).

Vervolgens is het ook een pressiemiddel: door de nadelen die het beslag voor de beslagene met zich meebrengt, vormt het een stimulans om tot nakoming over te gaan.

Ten slotte is van belang dat een beslag geen voorrang, prioriteit of separatistpositie schept: alle beslagleggers zijn dus gewone concurrerende schuldeisers (dit is ook de reden dat de beslaglegger vaak beslag legt op goederen met een hogere totale waarde dan de vordering. Andere schuldeisers zouden namelijk op deze zelfde goede beslag kunnen leggen).

Gevolg van beslag

Een beslag leidt niet tot beschikkingsonbevoegdheid, maar een beslag heeft een met zaaksgevolg vergelijkbaar effect. Overdracht naar het vermogen van een ander heeft dus geen invloed op het beslag. De beslaglegger kan zich dus nog steeds verhalen op het beslagen goed.

Categorieën beslagen

Er is onderscheid te maken naar verschillende categorieën van beslagen.

Het eerste onderscheid dat van belang is, is het onderscheid naar titel: het onderscheid tussen conservatoir (om een recht veilig te stellen) en executoriaal beslag (om een executoire titel ten uitvoer te leggen).

Vervolgens is van belang na te gaan wat de strekking, het doel, van het beslag is: een beslag tot verhaal of een beslag tot afgifte (bij roerende zaken) of levering (bij onroerende zaken).

Ten derde moet gekeken worden naar het object van beslag (waar wordt beslag op gelegd?): roerende zaken die geen registergoed zijn, roerende zaken die wel registergoed zijn, onroerende zaken en ten slotte vorderingen. In deze gevallen gelden, naast de algemene regels van art. 430 ev. Rv (executoriaal beslag) en 700 ev. Rv (conservatoir beslag), bijzondere regels.

Ten slotte is het onderscheid naar persoon relevant: beslag onder de schuldenaar (dus goederen in bezit van de schuldenaar), onder een derde of onder de beslaglegger zelf.

Specifieke aspecten van het beslag

Bescherming van partijen

Omdat het beslag bedoeld is als een verrassingsaanval, wordt slechts uitgesteld hoor en wederhoor toegepast. Iemand die zich tegen een beslag wil verweren, kan een executie kort geding beginnen (art. 438 en 705 Rv).

De derde

Derden die betrokken worden bij een beslag (bijvoorbeeld beslag leggen op loon bij een werkgever), kunnen vergissingen maken (zoals het geven van een te hoge loonopgave). Derden moeten gemaakte fouten dan ook kunnen corrigeren (vgl. HR: De Jong/Carnifour).

Aansprakelijkheid conservatoire beslaglegger

Het is mogelijk dat na verlof om conservatoir beslag te leggen in de hoofdzaak wordt beslist dat het beslag onterecht gelegd werd (er wordt dan geen executoriale titel verkregen). In dergelijke gevallen pleegt de onterechte beslaglegger een onrechtmatige daad tegen de onterecht beslagene.

Conservatoir beslag

Het conservatoir beslag moet met een verzoekschrift (ex art. 261 ev Rv) worden verzocht bij de voorzieningenrechter (vgl. art. 700 lid 1 Rv). De voorzieningenrechter heeft een ruime bevoegdheid, in het kader van efficiëntie mag een rechter ook een oordeel geven over een beslagverlof ten aanzien waarvan eigenlijk een andere rechter relatief bevoegd zou zijn (vgl. Hof A’dam: De Moel/L’Invité).

Op grond van art. 700 lid 2 Rv en de beslagsyllabus moet het bestaan van de vordering summier worden aangetoond, maar moet deze vordering ook geconcretiseerd worden.

De vraag is of vrees voor verduistering (in deze context: vrees voor waardevermindering) vereist is voor het verlof van conservatoir beslag: vgl. art. 711, 714, 725 en 768 Rv.

Ten slotte bepaalt art. 700 lid 2 Rv dat een hoger beroep tegen het verlenen van een verlof niet mogelijk is. De rechtmatigheid van het verlof kan slechts in hoger beroep tegen de hoofdzaak aan de orde komen.

Op grond van art. 700 lid 3 Rv, zal na het verlenen van het verlof de hoofdzaak binnen 14 dagen ingesteld moeten worden.

De vraag is echter wat te kwalificeren is als hoofdzaak. Vereist is dat er sprake is van een procedure die met voldoende rechterlijke waarborgen omkleed is. Een kort geding met een voor tenuitvoerlegging vatbare veroordeling is dit wel (HR: Ajax/Reule), evenals een (internationale) arbitragezaak, een belastingaanslag en in sommige gevallen een bindend advies. Mediation en een niet-bindend advies zijn echter geen hoofdzaak.

Opheffing van het conservatoir beslag

De opheffingsgronden van een conservatoir beslag, worden (niet limitatief) genoemd in art. 705 Rv. Op grond van art. 150 Rv, zal echter degene die een beroep doet op art. 705 Rv de aanwezigheid van een grond moeten bewijzen (vgl. art. 150 Rv). De aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad zou voldoende waarborgen bieden.

Criteria aansprakelijkheid beslaglegger

Zoals benoemd zal het beslag altijd ruimer zijn dan de waarde van de vordering. In het geval echter dat zoveel te ruim beslagen wordt dat er sprake is van misbruik van recht, ontstaat aansprakelijkheid op grond van de onrechtmatige daad. De vraag is echter wanneer deze aansprakelijkheid ontstaat (vgl. HR: Kranenburg/Kranenburg). Allereerst is van belang dat een vordering die slechts gedeeltelijk wordt toegewezen, niet tot gevolg heeft dat het beslag ten onrechte is gelegd.

Volgens de HR moet gekeken worden naar de criteria die gelden voor misbruik van recht: er moet sprake zijn van een evenwicht/evenredigheid tussen het beslag en de vordering.

Het herroepen van een verklaring door een derde (bij derdenbeslag)

Relevant is de uitspraak HR: De Jong/Carnifour. Hoofdregel is dat een uitspraak herroepen mag worden, tenzij dit een OD ex art. 6:162 BW oplevert.

Dwangsom

De dwangsom is een bijkomende veroordeling om door financiële druk de nakoming van de hoofdveroordeling te stimuleren.

Het is een indirect executiemiddel, dat bedoeld is om nakoming van de hoofdveroordeling te garanderen. Daarnaast is het te kwalificeren als voorwaardelijke veroordeling: de dwangsom wordt slechts verbeurd als de hoofdveroordeling niet nagekomen wordt.

Van belang is ook dat de dwangsom volledig losstaat van de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen.

In sommige gevallen heeft het opleggen van een dwangsom geen nut (dit deed zich voor in Hof Amsterdam: Engel/Rigot), waarin de schuldenaar niet begreep wat haar plicht was. Ten slotte is van belang dat geen dwangsom kan worden opgelegd bij vorderingen tot betaling van een geldsom (art. 611a Rv). In dergelijke gevallen zou namelijk gewoon verhaalsbeslag gelegd kunnen worden.

In situaties waarin nakoming van de vordering onmogelijk is ex art. 611d Rv (wel willen, maar niet kunnen), kan geen dwangsom worden opgelegd: de dwangsom wordt opgeschort of vernietigd. Ten slotte is van belang dat dwangsommen na zes maanden verjaren.

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of Rechten World Supporter
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
45
Promotions
wereldstage wereldroute

Tussenjaar of sta je op het punt op kamers te gaan?

Wereldroute biedt jou een leerzaam en onvergetelijk Student Prepare Program aan