Abnormal Psychology - Kring - hoofdstuk 1

Hoofdstuk 1: Introductie en historisch overzicht

In dit boek worden de beschrijvingen, oorzaken en behandelingen van een aantal mentale stoornissen beschreven. Het is belangrijk om je te realiseren dat het veld van psychopathologie (het veld dat gaat over het ontstaan, de ontwikkeling en de behandeling van mentale stoornissen) zich continu ontwikkelt en vernieuwt. Uitdagingen zijn onder andere om objectief te blijven, en om het stigma rondom psychische problematiek tegen te gaan. Stigma verwijst naar de destructieve overtuigingen en attitudes van een samenleving die toegewezen worden aan groepen die op een bepaalde manier als anders worden gezien, zoals mensen met een mentale ziekte. Stigma heeft vier kenmerken:

1. Er wordt een label geplakt op een groep mensen dat deze mensen onderscheidt van anderen.

2. Dit label is verbonden met kenmerken die als afwijkend of ongewenst worden gezien door de samenleving.

3. Mensen met het label worden gezien als wezenlijk verschillend van mensen zonder dit label.

4. Mensen met dit label worden op oneerlijke wijze gediscrimineerd.

De definitie van een mentale stoornis

De definitie van een mentale stoornis zoals gegeven in de DSM-V (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders), omvat een aantal kenmerken:

1. De stoornis komt voor binnen het individu

2. Het omvat klinisch significante moeilijkheden in denken, voelen of gedrag.

3. Het omvat verstoringen van het mentale functioneren

4. Het is geen cultureel specifieke reactie op een gebeurtenis

5. Het is niet primair het resultaat van sociale afwijking of een conflict met de samenleving.

Als gevolg hiervan wordt een mentale stoornis vaak astgesteld op basis van de aanwezigheid van verschillende kenmerken. Een van de kenmerken die wordt gebruikt om een mentale stoornis te definiëren is persoonlijke stress. Dit houdt in dat gedrag kan worden geclassificeerd als stoornis als het iemand enorme stress oplevert. Niet alle stoornissen leveren echter stress op, en niet al het gedrag dat stress veroorzaakt kan als stoornis worden gezien. Ook beperkingen in dagelijks functioneren, bijvoorbeeld op het gebied van werk of persoonlijke relaties, kunnen mentale stoornissen kenmerken. Niet alle stoornissen gaan echter samen met beperkingen, bijvoorbeeld bij de stoornis Boulimia. Andersom geldt dat niet alle gebreken (zoals blind zijn) binnen het domein van psychopathologie vallen. Ook gedrag dat sociale normen schendt kan worden geclassificeerd als stoornis. Een voorbeeld is de gesprekken die mensen met schizofrenie hebben met denkbeeldige stemmen. Ook dit is echter onvoldoende om iemand te diagnosticeren met een bepaalde stoornis. Bovendien variëren sociale normen erg tussen verschillende culturen en etnische groepen. 

De DSM-definitie van disfunctioneren verwijst naar het feit dat gedragsmatige, psychologische en biologische disfuncties allemaal aan elkaar gerelateerd zijn, en elkaar beïnvloeden. Waarschijnlijk zal nooit een complete definitie van een mentale stoornis kunnen worden gegeven. 

De geschiedenis van psychopathologie

Voor het wetenschappelijke tijdperk werden alle gebeurtenissen en het gedrag dat buiten de menselijke controle lagen, zoals aardbevingen en ziektes, gezien als bovennatuurlijk. Verstoord gedrag zou komen door ontevredenheid van de goden of door bezetenheid van demonen. De overtuiging dat een kwaad wezen of kwaade ziel in een persoon kan huizen en zijn of haar geest en lichaam kan controleren wordt demonologie genoemd. Deze overtuiging leidde tot behnadeling met exorcisme: het ritueel verdrijven van demonen. 
In de 5e eeuw voor Christus wees Hippocrates, ook wel vader van de moderne geneeskunde genoemd, de overtuiging dat goden mentale verstoringen zenden als straffen af. Volgens hem hadden ziektes natuurlijke oorzaken en moesten ze worden behandeld als andere ziektes, zoals verkoudheid. Volgens hem waren verstoord denken of gedrag indicaties van hersenpathologie. Er waren volgens hem drie categorieën van mentale stoornissen: manie, melancholie, en frenitis (hersenkoorts). Normale mentale gezondheid was volgens hem afhankelijk van de balans van vier vloeistoffen van het lichaam, namelijk bloed, zwart gal, geel gal en slijm. Een disbalans van deze vloeistoffen veroorzaakt stoornissen. Het idee van Hippocrates dat menselijk gedrag met name wordt beïnvloed door lichaamsstructuren of substanties, en dat afwijkend gedrag veroorzaakt wordt door fysieke disbalans of schade is nog steeds een heersende overtuiging. 
Vaak wordt de dood van Galen (A.D. 130-200) aangewezen als het begin van de Duistere Middeleeuwen. De invloed van de kerk nam toe, en de paus was onafhankelijk van de staat. Christelijke kloosters vervingen fysici als genezers en autoriteiten op het gebied van mentale stoornissen. Monniken zorgden voor de zieken door voor ze te bidden en ze aan te raken met Relikwieën. Er werd weer geloofd in bovennatuurlijke oorzaken van mentale stoornissen. Er kwam ook een opkomst van de heksenjacht. Zij die werden beschuldigd van hekserij moesten gestraft worden als ze niet toegaven. Zij die toegaven werden levenslang opgesloten, zij die niet toegaven werden geëxecuteerd. Er werd gedacht dat zij bezeten waren door demonen, en dat verbranden zorgt voor het verdrijven van de demon. Onderzoek heeft echter uitgewezen dat de meeste van de veroordeelden niet mentaal ziek waren, en dat het grootste deel gezond was. Ook werd geloofd dat volle maan verbonden was aan afwijkend gedrag. 
Tot de 15e eeuw waren er slechts weinig ziekenhuizen voor mensen met een mentale stoornis in Europa. De condities in de vroege ziekenhuizen waren vaak slecht, en medische behandelingen waren vaak pijnlijk en wreed. Benjamin Rush wordt gezien als de vader van de Amerikaanse psychiatrie. Hij geloofde echter dat mentale stoornissen veroorzaakt werden door een overschot aan bloed in de hersenen. Dit behandelde hij door grote hoeveelheden bloed uit individuen te verwijderen. Philippe Pinel (1745-1826) was een belangrijk persoon in de beweging voor een humanitaire behandeling van mensen met een mentale stoornis in asielen. Hij begon mensen te behandelen als zieke mensen in plaats van als beesten. Lichte kamers vervingen kelders. Hij maakte de kettingen van mensen los, zodat ze weer vrij konden rondlopen. Ander onderzoek geeft echter aan dat het niet Pinel, maar Jean-Baptiste Pussin was die mensen bevrijdde. Ondanks de inspanningen van Pinel werden de lagere klassen nog steeds blootgesteld aan terror en dwang. 

Er kwam een beweging op gang om mensen op humane wijze te behandelen, dit is de morele behandeling. In het tweede deel van de 19e eeuw verdween de morele behandeling echter weer. Dix, een schoollerares uit Boston, startte een campagne om de levens van mensen met een mentale ziekte te verbeteren. Dankzij haar werden 32 staatziekenhuizen gebouwd, waar veel mensen die niet in de private ziekenhuizen terecht konden, introkken. Hier werd echter niet de individuele aandacht gegeven die juist zo kenmerkend was voor de morele behandeling. Ook werd er veel aandacht besteed aan de biologische aspecten van de ziektes, in plaats van het psychologische welzijn. 

De evolutie van het hedendaagse denken

Huidige ontwikkelingen in biologische en psychologische benaderingen van de oorzaken en behandelingen van mentale stoornissen werden sterk beïnvloed door theoretici en wetenschappers uit de late 19e en vroege 20e eeuw. Pas in de late middeleeuwen begonnen nieuwe inzichten op te komen, dankzij de empirische benadering van medische wetenschap, die het verkrijgen van kennis door middel van directe observatie benadrukte.
Het meest opvallende medische succes was de oorzaak van syfilis, een geslachtsziekte. Dit is tevens een goede illustratie van een empirische benadering. Sinds 1700 was het bekend dat mensen met een mentale stoornis een syndroom vertoonden dat gekenmerkt werd door afname van zowel mentale als fysieke vaardigheden. Vlak hierna realiseerden wetenschappers zich dat mensen hier nooit van herstelden, en dat sommige van deze patiënten ook syfilis hadden. In 1860 en 1870 ontwikkelde Louis Pasteur de kiemtheorie van ziekte, die stelde dat ziekte wordt veroorzaakt door infecties van het lichaam door miniscule organismen. In 1905 werd hierdoor het specifieke micro-organisme dat syfilis veroorzaakt ontdekt. Voor de eerste keer was een causaal verband gelegd tussen infectie, vernietiging van bepaalde hersengebieden en een vorm van psychopathologie. Hierdoor wonnen biologische benaderingen geloofwaardigheid. 
Francis Galton (1822-1911) schreef veel gedragskenmerken toe aan erfelijkheid. In de vroege 20e eeuw raakten onderzoekers geïntigreerd door het idee dat mentale ziektes kunnen voorkomen binnen families, en vanaf dat moment werd de erfelijkheid van mentale ziektes als schizofrenie en depressie bekend. In de vroege 20e eeuw werd ook ontdekt dat electroconvulsieve therapie (ECT) kon leiden tot epileptische aanvallen, maar dat het ook werkte om schizofrenie en ernstige depressie te behandelen. Het wordt nog steeds gebruikt bij de behandeling van ernstige depressies. In 1935 werd door Egas Moniz prefrontale lobotomie geïntroduceerd, een operatieve procedure die de verbindingen tussen de frontale kwabben en andere delen van de hersenen vernietigt. In de 20 jaren die volgden werden duizenden mensen behandeld met psychochirurgie. 

Vanaf de late 18e eeuw ontstonden er ook psychologische verklaringen voor mentale stoornissen. Volgens Mesmer (1734-1815) werd hysterie (fysieke gebreken zoals blindheid of verlamming waarvoor geen fysieke oorzaak kon worden gevondden) veroorzaakt door specifieke verdeling van een universele magnetische vloeistofin het lichaam. Hij wordt gezien als een van de eerste bedrijvers van hypnose (mesmerisme is een synoniem voor hypnose). Ook Charcot ondersteunde hypnose als behandeling voor hysterie, wat ervoor zorgde dat deze behandelvorm geaccepteerd werd onder medische professionals. In de 19e eeuw behandelde Josef Breuer een jonge vrouw, Anna O., met hysterische symptomen. Breuer hypnotiseerde haar, en ontdekte dat het herbeleven van een emotioeel trauma en het vrijlaten van emotionele spanning effectief was in het behandelen van haar hysterie. Deze methode werd bekend als de Cathartische methode. De zaak van Anna O. werd één van de bekendste klinische gevallen in de psychoanalyse. De centrale aanname van de psycho-analytische theorie van Sigmund Freud is dat psychopathologie het resultaat is van onbewuste conflicten in een individu. Hij verdeelde de geest, of de psyche, onder in drie delen:

1. De id: deze is aanwezig bij de geboorte en zoekt onmiddellijke bevrediging van zijn behoeftes. Dit noemde Freud het plezier-principe. Wanneer de id niet tevreden is, ontstaat er spanning, en draagt de id een persoon op om deze spanning zo snel mogelijk te verlichten. 
2. De ego: deze ontwikkelt vanaf de leeftijd van 6 maanden. De inhoud van de ego is bewust, en zijn taak is om om te gaan met de realiteit. De ego handelt dus aan de hand van het realiteitsprincipe. Het medieert tussen de vraag van de realiteit en de vragen van de ego naar onmiddelijke tevredenstelling.
3. Het superego: dit is ook wel iemnads geweten, en het ontwikkelt uit de ego. Dit zijn de waardes van de ouders die kinderen langzaam tot zich nemen. 

Volgens Freud kan ongemak dat ervaren wordt door het ego worden verlicht op verschillende manieren, de verdedigingsmechanismen. Een verdedigingsmechanisme is een strategie die door het ego wordt gebruikt om zichzelf tegen angst te beschermen. Psychotherapie gebaseerd op de theorie van Freud wordt psycho-analyse genoemd, en wordt vandaag de dag nog steeds gebruikt. Het doel van deze therapie is het begrijpen van iemands vroege levenservaringen, de natuur van belangrijke relaties en de patronen in huidige relaties. Bij vrije associatie ligt een patiënt op een bank, met zijn gezicht weggedraaid van de analyst, en moet zijn gedachten vrij laten stromen en woorden geven aan wat er voorbij komt in zijn of haar gedachten, zonder iets tegen te houden. Een ander belangrijk component is de analyse van transferentie. Transferentie verwijst naar de reacties van de patiënt op zijn of haar therapeut. Dit reflecteert attitudes en manieren van gedragen richting belangrijke mensen in het verleden van de patiënt. Bij de techniek van interpretatie wijst de therapeut de patiënt op de betekenis van bepaalde gedragingen, hierbij wordt vaak aandacht besteed aan verdedigingsmechanismen.

Er is onenigheid ontstaan over een aantal punten van de theorie van Freud, zoals het relatieve belang van het id versus het ego. Jung was de stichter van de analytische psychologie. Volgens hem is er een collectief onbewustzijn, een deel van het onbewustzijn dat alle mensen met elkaar delen en vooral bestaat uit archètypes. Alfred Adler was grondvader van de individuele psychologie, die mensen zag als verbonden aan hun maatschappij. Het werk van Freud is echter ook nog steeds invloedrijk, met name deze drie ideeën:

1. Ervaringen uit de kindertijd helpen de vorming van een volwassen persoonlijkheid
2. Er zijn onbewuste invloeden op gedrag
3. De oorzaken en doelen van menselijk gedrag zijn niet altijd duidelijk

Na enkele jaren verloren mensen het vertrouwen in Freuds benadering, en kwam het behaviorisme op, onder leiding van Watson. Het behaviorisme richt op observeerbaar gedrag. In de 20e eeuw ontdekte Pavlov de klassieke conditionering per toeval. Hij gaf een hond vleespoeder om hem te laten kwijlen. Hij ontdekte echter dat de hond al begon te kwijlen wanneer hij de persoon zag die hem voedde, of zelfs al wanneer hij voetstappen hoorde. Omdat het vleespoeder automatisch leidt tot kwijlen, wordt dit een ongeconditioneerde stimulus genoemd (US), en de reactie van kwijlen een ongeconditioneerde reactie (UR). Wanneer het aanbieden van vleespoeder meermaals vooraf wordt gegaan door een neutrale stimulus, zoals een bel, kan het geluid van de bel alleen (de geconditioneerde stimulus), de speeksel reactie oproepen. Dit is dan de geconditioneerde reactie. Wanneer het geluid van de bel niet meer wordt gevolgd door vleespoeder, ontstaat er steeds minder speekselreactie (geconditioneerde reactie). Dit wordt uitdoving genoemd. Klassieke conditionering kan ook pathologische angst veroorzaken. In 1880 ontdekte Thorndike de wet van effect: gedrag dat wordt gevolgd door consequenties die prettig zijn voor een organisme wordt herhaald, en gedrag dat wordt gevolgd door giftige of onplezierige consequenties wordt ontmoedigd. Skinner introduceerde het concept van operante conditionering, en noemde de wet van effect nu het principe van bekrachtiging. Hij onderscheidde twee vormen van bekrachtiging: positieve bekrachting verwijst naar het versterken van een neiging om te reageren door de aanwezigheid van een plezierige gebeurtenis, positieve bekrachtiger genoemd. Negatieve bekrachtiging versterkt een reactie eveneens, maar doet dit door het verwijderen van een aversieve gebeurtenis, zoals het stopzetten van een elektrische schok. Leren gebeurt ook door modeling, dit is het kijken naar en imiteren van anderen. 

In 1950 ontstond gedragstherapie, gebaseerd op de procedures van klassieke en operante conditionering. Soms wordt dit ook gedragsmodificatie genoemd. Een belangrijke gedragstherapeutische techniek is systematische desensitisatie. Dit bestaat uit twee componenten: diepe spierontspanning en graduele blootstelling aan een aantal gevreesde situaties. Hierbij wordt gestart met de situaties die tot de minste angst leiden, tot aan de situatie die het meest angst opwekt. Technieken zoals het systematisch belonen van gewenst gedrag en uitdoven van ongewenst gedrag zijn vooral succesvol bij het behandelen van problemen bij kinderen. 

Er moet echter ook aandacht worden besteed aan het belang van cognities, hier werd vanaf 1960 naar gekeken. Onderzoekers en clinici gingen zich realiseren dat de manier waarop mensen denken over situaties gedrag sterk kan beïnvloeden. In cognitieve therapie worden patiënten zich bewust gemaakt van hun maladaptieve gedachten. De basis van de cognitieve therapie is de cognitieve therapie van Aaron Beck en de rationele-emotieve gedragstherapie van Ellis (REBT). Ellis stelde dat emotionele reaties worden veroorzaakt door interne zinnen die mensen tegen zichzelf herhalen. 

De mentale gezondheidszorg

Mensen die psychologische diensten verlenen zijn onder anderen klinische psychologen, psychiaters, psychiatrisch verpleegkundigen en sociale werkers. Klinisch psychologen moeten een PhD of Psy.D. hebben gehaald. Psychiaters hebben een M.D. graad behaald. Psychiaters zijn artsen, en kunnen lichamelijk onderzoek doen en medische problemen diagnosticeren. Ook schrijven zij psychoactieve medicatie voor. Een psychiatrisch verpleegkundige krijgt training op bachelor of master niveau. 

Contributions, Comments & Kudos

De gehele samenvatting van

De gehele samenvatting van het boek wordt gepubliceerd op JoHo.org op de boekpagina en/of vakpagina!

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of Josja96
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
41 2