Sociale en crossculturele psychologie college 7

Soc & Crosscult college 7: Proscociaal gedrag
Overzicht:
1. Inleiding
2. Prosociaal gedrag en empathie
3. Hulpvaardigheden

Soc & Crosscult college 7: Proscociaal gedrag

 

Overzicht:

  1. Inleiding
  2. Prosociaal gedrag en empathie
  3. Hulpvaardigheden

 

1. Inleiding

Bijv.) iemand attendeerde dr. Toon Kuppens (die ons dus college geeft) erop dat op de opnames te zien was wat hij op de pc deed en zo zijn mail kon zien. Nu kun je je afvragen; waarom heeft deze docent dit aan hem verteld? Mogelijk redenen:

  • Correct, uit principe
  • Empathie met docent (zie Batson)
  • Vervelend gevoel van plaatsvervangende schaamte (zie Cialdini)
  • Verwachting tegenprestatie (extra uitleg, hoger cijfer)
  • Paternalisme: even die domme Belg helpen (zie Nadler)

 

Draait alles om jezelf?

Sociale cognitie: vaak erg individualistisch

Processen waarin “zelf” centraal staat (in hst over self & identity)

  • Self-serving biases
  • Self enhancement
  • Self-awareness
  • Self-monitoring
  • Self-handicapping
  • Self-affirmation
  • Self-discrepancy

Als er een ramp gebeurt; is het dan ieder voor zich? Bijv. Paniek op een festival, mensen proberen weg te komen.

Of kun je ook altruïstisch handelen zoals bijv.  de man die probeerde om een jongetje te redden maar daarbij zelf verdronk.

 

Wat is normaal menselijk gedrag?

Aanname in onderzoek 1960-1990: In noodsituaties en als niemand toezicht houdt zijn mensen zelfzuchtig: “survival of the fittest”  à Maar dat klopt niet! Mensen werken samen, zelfs met vreemden. Wat wel sterk verschilt van cultuur tot cultuur is de mate van samenwerking en manier van samenwerken.

 

2. Prosociaal gedrag en empathie

Definities:

Hulpgedrag: is gedrag dat volgens de hulpverlener een verbetering teweeg brengt in de situatie of het welbevinden van anderen.

Pro sociaal gedrag: is gedrag dat naar heersende maatschappelijke normen een verbetering teweeg brengt in de situatie of het welbevingden van anderen of van het sociale systeem. Dit is vrijwillig gekozen gedrag.

Altruïsme: Is niet-zelfzuchtige bezorgdheid voor het welbevinden van anderen. De motivatie om anderen te helpen waarbij eventuele eigen voordelen niet het ultieme doel zijn.

Het verschil tussen altruïsme en prosociaal en hulpgedrag moet je kennen! Z.o.z.

Over altruïsme is veel discussie. Er wordt getwist of dit wel bestaat. Ook in de literatuur is veel discussie; het blijkt moeilijk om eventuele eigen voordelen uit te sluiten.

Verschil met prosociaal gedrag zit in de motivatie, maar dit is moeilijk te meten. Er zijn veel tegenstanders en een populaire gedachte is dat we uiteindelijk alles voor onszelf doen. Ook de evolutionaire benadering lijkt eigenbelang voorop te stellen

Gelukkig zijn er ook argumenten vóór altruïsme (Batson, 1990)

Mensen geven om dingen: 'We care'  en niet alleen voor onszelf, maar ook voor anderen:

  • We werken samen met anderen als er ogenschijnlijk geen enkele voordelen aan verbonden zijn
  • We helpen en brengen offers om de behoefte van anderen te ledigen
  • We voelen empathie voor anderen

Een goed voorbeeld hiervan is moeder Theresa; zie plaatje.

We doen dingen voor anderen volgens de “empathy altuism hypothesis” van Batson omdat:

We de wereld zien vanuit de ander, ons voelgen als de ander en arousal ervaren.

Hierbij speelt empathie een hele grote rol.

 

Wat is empathie?

Ook wel ‘emphatic concern’ in het Engels. Het houdt in dat je begaan bent met het lot van een ander

Als je empathie hebt dan ben je je aan het inleven in een ander. Het gaat over spontane en natuurlijke afstemmen op de gedachten en gevoelens van een ander, wat deze ook zijn. Er zijn 2 grote elementen in empathie:

  1. Cognitieve component. Begrijpen van de gevoelens van een ander en het kunnen innemen van hun perspectief.
  2. Affectieve component. Dit is de affectieve component van degene die observeert, de gepaste emotionele reactie op de emotionele staat van de andere persoon. (Baron-Cohen,2003)

Effecten empathie;

                Bijv. onderzoek naar arousal misattributie (Coke, Batson, McDavis, 1978) Proefpersoon doet mee aan geheugenonderzoek, ze moeten een pil slikken. In de ene groep denken ze dat het leidt tot: Sterkere arousal (opwinding) of dat het de arousal juist reduceert. Ze horen een verhaal over een medestudent Katie, haar ouders zijn overleden in een auto-ongeval. Wederom zijn hierin 2 groepen; 1 met als instructie om zich objectief p[ te stellen en de ander om zich in te leven (leidt tot empathie). De vraag is nu; wil de proefpersoon Katie helpen? Hoeveel uur doneert de proefpersoon? Zoals je hiernaast kunt zien doneren mensen die dachten dat het medicijn voor arousal zorgde minder tijd. Dit komt doordat ze de arousal die ze voelden toeschreven aan het medicijn i.p.v. aan het zielige verhaal van Katie. De mensen die dachten dat het medicijn ontspannend werkte wilden hierdoor juist meer tijd aan Katie geven.

 

Andere onderzoekers: motivatie is niet empathisch maar meer egoïstisch

Hiervoor zijn 3 typen motieven:

  1. Aversieve-arousal reductie: We zijn gemotiveerd om negatieve emoties te vermijden. Als anderen lijden, lijden wij mee. Dat voelt vervelend (= aversieve arousal). Helpgedrag reduceert dit vervelende gevoel.
  2. Straf vermijding: we zijn gemotiveerd om straf te vermijden. Als we niet helpen krijgen we misschien later ‘straf’, dus helpen we maar.
  3. Beloning zoeken: We zijn gemotiveerd om beloningen te zoeken en anderen helpen wordt beloond.

Zelfzuchtige motivatie ipv altruisme: vooral geinteresseerd in eigen gevoel.

Helpen verklaren:

 

                                  Gevolgen van helpgedrag

 

We helpen de ander met een probleem

En ontvangen als gevolg daarvan zelf ook voordelen

Egoïstische verklaring

Instrumenteel doel

Ultiem doel

Altruïstische verklaring

Ultiem doel

Onbedoeld gevolg

 

Bijv.) Onderzoek: Je ziet een video-opname van een andere student in nood. Hierbij krijg je de instructie om je voor te stellen hoe die andere persoon zich voelt (imagine) óf om te kijken en luisteren naar de student (observe). Vervolgens heeft die andere student hulp nodig; of met het zelfde probleem of met een ander probleem.

In dit onderzoek is de maat: Hulp met hetzelfde of een ander probleem. Waarom?

  • Als de motivatie egoïstisch is, dan zullen mensen altijd helpen, maakt niet uit welke taak – ze voelen er zich beter door
  • Maar als de motivatie altruïstisch is, namelijk de ander helpen bij een probleem, dan moet de hulp op dat specifieke probleem gericht zijn

Uit dit onderzoek kwam dat als de opdracht was om je in te leven, je meer altruïstisch handelde dan wanneer je slechts moest observeren.

Links zie je de voorspellingen van Cialdini tegen Batson. Cialdini dacht dus dat mensen egoïstisch handelen en Batson dat mensen altruïstisch handelen.

 

Conclusie: Altruïsme en prosociaal gedrag

Prosociaal gedrag kan altruïsme zijn (= gebaseerd op altruïstische motieven).  

Als je empathie voelt

Als je eigen wensen (zelfconcept) niet in de weg zitten

 

Wat is empathie?

Vb.)  Proefpersonen lezen een verhaal over een van de volgenden; familielid, goede vriend, kennis, vreemde. Hieruit blijkt dat deze persoon hulp nodig heeft met; telefoontje plegen, wordt uit huis gezet, komt te overlijden en laat 2 kinderen achter. De empathie en ‘oneness’ werden gemeten. Hieruit bleek dat mensen die dichterbij je staan meer worden geholpen, dan kennissen en vreemden. Verder werd de maat van ‘oneness’ gemeten op Aron’s Inclusion of Other in the Self scale (IOS); zie rechts. Hierbij meet je in hoeverre je het woord wij zou gebruiken om de relatie met jou en andere persoon te beschrijven.

Uit dit onderzoek bleek dat helpen wordt voorspeld door ‘oneness’ en niet door gevoelens van empathie. Dus misschien helpen we de ander wel omdat deze een deel van ons zelfbeeld wordt.

 

 

Evolutionaire analyses van altruïsme

  • Op basis van natuurlijke selectie: wat adaptief is (helpt bij overleven en voortplanten), wordt relatief meer doorgegeven aan volgende generaties, in vergelijking met wat minder adaptief is
  • Uit genetisch oogpunt: Genetische variant die ervoor zorgt dat ze meer voorkomt in de volgende generaties in vergelijking met andere genetische varianten, zal geselecteerd worden, en zorgt ervoor dat organisme zich aan de omgeving aanpast (of: zich voorbereidt op een omgeving die snel kan veranderen).

Aantal belangrijke begrippen:

Kin selection: je helpt wie genetisch verwant is eerder (kans dat je dezelfde genen hebt VIA OVERERVING; alle mensen hebben meeste genen gemeen). Je hebt 50% van je genen gemeen (via overerving) met je ouders, 50% met broer/zus, 25% met grootouder. Mate van verwantschap (Coefficient of relatedness)

Hamilton’s rule: kost van altruïsme moet gecompenseerd worden door voordeel voor verwante anderen (rekening houdend met mate verwantschap), anders niet adaptief. “I would lay down my life for two brothers or eight cousins” (JBS Haldane).

Wederkerig altruïsme: anderen helpen kan evolutionair voordeel hebben als het helpen wederkerig is (Trivers, 1971). De kost van het hulpgedrag moet gecompenseerd worden door de baten van het krijgen van hulp in de toekomst. Risico op niet-wederkerigheid. Nood aan veelvuldige contacten binnen een vaste groep op dit mogelijk te maken.

Group selection: Sterke intergroepscompetitie. Altruïsme binnen groep is belangrijk om als groep te overleven, een groep die sterk is in samenwerken heeft meer overlevingskans. Binnen de groep is een selectie van individuen die sterk altruïsme vertonen, althans voor leden van de eigen groep. ‘Strong reciprocity’: mensen straffen groepsleden die egoïstisch zijn, ook als dat hen iets kost (belang van groep).

Maar betekent dit alles nou dan dat mensen per definitie egoïstisch zijn en dat altruïsme eigenlijk gewoon functie is van het eigen belang? Nee! Genen zijn egoïstisch, maar zelfs egoïstische genen kunnen perfect samen gaan met altruïstisch individu. Een van de grootste misverstanden over evolutionaire benadering.

Bewuste motivatie van het individu stemt niet noodzakelijk overeen met de ultieme functie van het gedrag.

 

Tinbergen four whys: (NIET op het tentamen)

  1. Functie: in termen van overleven en reproductie
  2. Evolutie: wanneer ontstaan en vergelijking tussen soorten
  3. Causaal mechanisme: wat veroorzaakt het gedrag op het moment zelf?
  4. Ontwikkeling: hoe ontwikkelt het zich binnen een individu?

Vb.) Waarom gaf de moeder de borst?

  1. Functie: zorg voor kind is noodzakelijk voor het doorgeven van de genen
  2. Evolutie: dit gebeurt zo bij alle zoogdieren
  3. Causaal mechanisme: de baby huilde omdat zij/hij honger had, en de moeder voelde een automatische impuls om de baby te voeden
  4. Ontwikkeling: de moeder heeft dit bij andere vrouwen gezien en/of het is een aangeboren reactie

Welke is nu de echte reden? Wil de moeder haar genen doorgeven, volgt ze een norm, of was het een reactie op een huilende baby? Is een effect van huilen (3) een bewijs tegen functie (1)?

Er zijn altijd 4 verschillende vragen / verklaringen voor gedrag en het ligt aan het oogpunt dat je inneemt welke why je gebruikt. Binnen de psychologie gebruiken we meestal nummer 3 en 4, de proximale verklaring, dus met uitspraken over 1 en 2 moeten we oppassen.

Als je de 4 whys betrekt op prosociaal gedrag:

  1. Functie: prosociaal gedrag is evolutionair stabiele strategie (overleving, reproductie, kin selection…)
  2. Evolutie: enorme samenwerking in groep, en hulp aan vreemden is uniek
  3. Causaal mechanisme: empathie, reputatie, aversive-arousal reduction, punishment avoidance…
  4. Ontwikkeling: invloed van ouders, cultuur, genen…

De vraag of prosociaal gedrag te maken heeft met empathie of met evolutie is dus een vraag die twee niveaus met elkaar verwart! Je kan een overtuigd altruïst zijn en toch in het belang van je eigen genen handelen.

 

3. Hulpvaardigheden

Bystander intervention: Wat is er nodig voordat iemand  een ander helpt?

  1. Opmerken gebeurtenis
  2. Interpretatie als noodgeval
  3. Persoon moet zich verantwoordelijk voelen. Maar hierbij werken 3 dingen tegen;
    1. Gedeelde verantwoordleijkheid
    2. Pluralistische onwetendheid; er is vast niks aan de hand
    3. Toeschouwers inhibitie: bang om het verkeerd te doen.
  4. Mogelijkheid om hulp te bieden (=efficacy!)
  5. Daadwerkelijk gedrag

Vaak gaat het mis bij nummer 3 door de 3 dingen die tegenwerken.

Vb.) in de krant een stukje over een moord die werd gepleegd waarbij 38 mensen dit hadden kunnen zien en niets deden om haar te redden en de politie ook niet belden. Maar in werkelijkheid waren er veel minder ooggetuigen; werd de politie meerdere malen gebeld, heeft een getuige de moordenaar weggejaagd en vond de  fatale aanval buiten het zicht van getuigen plaats. 

Vb.) In een onderzoek van Darley & Latané (1968), werden groepen van 2, 3 of 6 proefpersonen in ieder een eigen kamer gezet. Via de intercom konden ze elkaar horen. Op een gegeven moment kon je horen dat iemand een epileptische aanval kreeg en werd er gemeten hoelang het duurde voordat een andere ppn. hem kwam helpen. Bij 6 ppn zie je duidelijk dat het veel langer duurt voordat er hulpgedrag werd vertoont.

 

Vb.) Levine, Prosser, Evans & Reicher, 2005. Alle ppn zijn Manchester United supporters. Ze moeten een essay schrijven over; voetbalfan zijn of over Manchester United. Vervolgens wordt de pp naar een ander gebouw gestuurd en onderweg komen ze een jogger tegen met een ManU of een Liverpool shirt aan. (Liverpool is de grootste rivaal van ManU). De jogger valt en er wordt gekeken of de pp helpt.  Zoals je rechts kunt zien wordt er meer geholpen als het voetbalfan zijn actief is.

 

Is helpen wel altijd positief? We helpen niet altijd om prosociale redenen en uit empathie, maar ook om; Macht te krijgen, hebben, houden. Om een positieve indruk te geven of het imago van de groep te beschermen.

Mauss: geschenken geven bepaalt sociale status (potlatch)

Hulp geven

Afhankelijke zijn van hulp

Competentie

Incompetentie

Controle over 'resources' (skills, kennis, materieel)

Gebrek aan controle

Superioriteit

Inferioriteit

 

Verschillende typen hulp:

Dependency oriented: een volledige oplossing bieden voor een probleem. Dit verstrekt de indruk dat de hulpgever superieur, wat de afhankelijkheid van de ontvanger versterkt.

Autonomy-oreinted: hulp geven bij het zelf oplossen van een probleem. Dit geeft de ontvanger de gelegenheid om de eigen situatie te verbeteren en versterkt het gevoel van onafhankelijkheid.

De status van de helper speelt hierin ook een rol.

                Vb.) Arab Israeli students (=lage status) doen kennistest. Arabische of Joodse (=hoge status) persoon geeft oplossing voor moeilijke vraag (helpt). Studenten hebben meer negatieve gevoelens, lagere eigenwaarde, minder collectieve eigenwaarde als Arabieren wanneer ze geholpen werden door een Joodse ipv een Arabische persoon. Deze verschillen werden niet gevonden in een controleconditie waar geen hulp gegeven werd.

 

Economische en culturele factoren

Dit is de laatste die ook effect heeft op het vertonen van hulpgedrag. De bystander effecten zijn onderzocht in verschillende steden/landen. Hierbij bleek dat de economische status van  het land ook invloed heeft op het vertonen van hulpgedrag bij vreemden. Individualisme/collectivisme heeft hierbij geen effect.

 

(Dia 51 voor het leren uit het boek)

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of ElineV
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
21