A. Dworkin en coherentie

1. Briain Jansen (behoort niet tot de voorgeschreven literatuur) stelt dat in de visie van Dworkin rechtsregels ‘slechts betekenis [krijgen] als onderdeel van het recht als een samenhangend en integer geheel.’

Leg uit welke rol samenhang, oftewel coherentie, speelt in de theorie van Dworkin. Rechtsbeginselen moeten passen en een rechtvaardiging geven bij het rechtssysteem. Dit maakt het tot een coherent en consistent geheel.

2. Eén van de punten waarop Dworkins theorie veel is aangevallen is precies de rol van coherentie. Critici (waaronder de hedendaagse ‘opvolgers’ van het rechtsrealisme, de Critical Legal Scholars, maar ook een hedendaagse leerling van Hart, namelijk Joseph Raz) stellen dat een omvattende coherente interpretatie van het recht helemaal niet mogelijk is.

Heeft u een vermoeden waar zij die kritiek op stoelen? (Staat niet vermeld in de stof, maar wellicht heeft u een idee!). Dworkin hanteert de constructieve interpretatie. Kenmerkend voor de constructieve interpretatie is dus dat rechtsregels, beginselen en de conceptie van moraal een onlosmakelijk geheel vormen. Uit de conceptie van moraal kan je volgens Dworkin beginselen halen. Door middel van de beginselen kan je volgens Dworkin de gaten in het recht dichten. De moraal die in de samenleving leeft kan echter veranderen. Doordat de moraal in de samenleving kan veranderen zullen de beginselen die je uit de moraal kan destilleren derhalve ook veranderen. Doordat de beginselen en de moraal veranderen zal derhalve ook het enige juiste antwoord veranderen. De gaten in het recht worden elke keer opgelost door beginselen die zijn veranderd, doordat de moraal in de samenleving ook is veranderd.

Er zijn ook mensen die stellen dat het recht een lappendeken is van verschillende beginselen en dat je derhalve ook strijdigheden hebt in het recht.

B. Interpretatieve vraagstelling

In het schema van ‘het landkaartje’ is de interpretatieve vraag precies op de grens tussen descriptieve en normatieve vragen geplaatst. Kunt u dit uitleggen in het licht van de stof van deze week? Dworkin doet vooral normatieve uitspraken over... Interested? Read the instructions below in order to read the full content of this page.


Access options

      How do you get full online access and services on JoHo WorldSupporter.org?

      1 - Go to www JoHo.org, and join JoHo WorldSupporter by choosing a membership + online access
       
      2 - Return to WorldSupporter.org and create an account with the same email address
       
      3 - State your JoHo WorldSupporter Membership during the creation of your account, and you can start using the services
      • You have online access to all free + all exclusive summaries and study notes on WorldSupporter.org and JoHo.org
      • You can use all services on JoHo WorldSupporter.org (EN/NL)
      • You can make use of the tools for work abroad, long journeys, voluntary work, internships and study abroad on JoHo.org (Dutch service)
      Already an account?
      • If you already have a WorldSupporter account than you can change your account status from 'I am not a JoHo WorldSupporter Member' into 'I am a JoHo WorldSupporter Member with full online access
      • Please note: here too you must have used the same email address.
      Are you having trouble logging in or are you having problems logging in?

      Toegangsopties (NL)

      Hoe krijg je volledige toegang en online services op JoHo WorldSupporter.org?

      1 - Ga naar www JoHo.org, en sluit je aan bij JoHo WorldSupporter door een membership met online toegang te kiezen
      2 - Ga terug naar WorldSupporter.org, en maak een account aan met hetzelfde e-mailadres
      3 - Geef bij het account aanmaken je JoHo WorldSupporter membership aan, en je kunt je services direct gebruiken
      • Je hebt nu online toegang tot alle gratis en alle exclusieve samenvattingen en studiehulp op WorldSupporter.org en JoHo.org
      • Je kunt gebruik maken van alle diensten op JoHo WorldSupporter.org (EN/NL)
      • Op JoHo.org kun je gebruik maken van de tools voor werken in het buitenland, verre reizen, vrijwilligerswerk, stages en studeren in het buitenland
      Heb je al een WorldSupporter account?
      • Wanneer je al eerder een WorldSupporter account hebt aangemaakt dan kan je, nadat je bent aangesloten bij JoHo via je 'membership + online access ook je status op WorldSupporter.org aanpassen
      • Je kunt je status aanpassen van 'I am not a JoHo WorldSupporter Member' naar 'I am a JoHo WorldSupporter Member with 'full online access'.
      • Let op: ook hier moet je dan wel hetzelfde email adres gebruikt hebben
      Kom je er niet helemaal uit of heb je problemen met inloggen?

      Join JoHo WorldSupporter!

      What can you choose from?

      JoHo WorldSupporter membership (= from €5 per calendar year):
      • To support the JoHo WorldSupporter and Smokey projects and to contribute to all activities in the field of international cooperation and talent development
      • To use the basic features of JoHo WorldSupporter.org
      JoHo WorldSupporter membership + online access (= from €10 per calendar year):
      • To support the JoHo WorldSupporter and Smokey projects and to contribute to all activities in the field of international cooperation and talent development
      • To use full services on JoHo WorldSupporter.org (EN/NL)
      • For access to the online book summaries and study notes on JoHo.org and Worldsupporter.org
      • To make use of the tools for work abroad, long journeys, voluntary work, internships and study abroad on JoHo.org (NL service)

      Sluit je aan bij JoHo WorldSupporter!  (NL)

      Waar kan je uit kiezen?

      JoHo membership zonder extra services (donateurschap) = €5 per kalenderjaar
      • Voor steun aan de JoHo WorldSupporter en Smokey projecten en een bijdrage aan alle activiteiten op het gebied van internationale samenwerking en talentontwikkeling
      • Voor gebruik van de basisfuncties van JoHo WorldSupporter.org
      • Voor het gebruik van de kortingen en voordelen bij partners
      • Voor gebruik van de voordelen bij verzekeringen en reisverzekeringen zonder assurantiebelasting
      JoHo membership met extra services (abonnee services):  Online toegang Only= €10 per kalenderjaar
      • Voor volledige online toegang en gebruik van alle online boeksamenvattingen en studietools op WorldSupporter.org en JoHo.org
      • voor online toegang tot de tools en services voor werk in het buitenland, lange reizen, vrijwilligerswerk, stages en studie in het buitenland
      • voor online toegang tot de tools en services voor emigratie of lang verblijf in het buitenland
      • voor online toegang tot de tools en services voor competentieverbetering en kwaliteitenonderzoek
      • Voor extra steun aan JoHo, WorldSupporter en Smokey projecten

      Meld je aan, wordt donateur en maak gebruik van de services

      Access: 
      JoHo members
      Work for WorldSupporter

      Image

      JoHo can really use your help!  Check out the various student jobs here that match your studies, improve your competencies, strengthen your CV and contribute to a more tolerant world

      Working for JoHo as a student in Leyden

      Parttime werken voor JoHo

      Image

      This content is also used in .....

      Integratievak algemene rechtsleer (2016/2017)

      Hoorcollege algemene rechtsleer week 1 (2016/2017)

      Hoorcollege algemene rechtsleer week 1 (2016/2017)


      Hoorcollege week 1

      Dit vak dient ertoe om bij ons de luiken open te zetten. Het vak wil bewustzijn creëren van het feit dat we er niet enkel komen met de toepassing van het positieve recht. Het is een integratievak omdat geprobeerd wordt om de kennis te integreren. Men probeert aan te geven dat in alle rechtsgebieden steeds dezelfde problemen spelen. In dit vak houdt men zich niet bezig met het beantwoorden van rechtsvragen. Het beantwoorden van rechtsvragen is het materiaal waarmee we beginnen. We gaan dus geen rechtsvragen beantwoorden, maar vragen over het recht. Het thema rechtspleging wordt in het vak als uitgangspunt genomen.

      HR 7 december 1990 (De onwaardige deelgenoot)

      Strafrechtelijke zaak

      Het gaat hierbij om een strafrechtelijke zaak, niet een civiele zaak. In deze zaak werd een 38-jarige butler veroordeeld. In dit geval was de butler getrouwd met een twee keer zo oude vrouw en dat terwijl hij ook nog eens homo was. Nadat de man met de weduwe was getrouwd heeft hij zijn homoseksuele relatie in stand gehouden. Bovendien had hij bijna geen bezittingen en was mevrouw miljonaire. Vijf weken na het huwelijk is de vrouw overleden, bovendien erfde de butler een flinke som geld. De Amsterdamse politie is slachtoffer geworden van zijn eigen vooroordelen, omdat ze concludeerden dat het niet anders kon dan dat de man de weduwe vermoord moest hebben. Er was sectie gepleegd op het lichaam van de vrouw en het bleek dat er hartweefsel bewaard was gebleven. Het NFI heeft dat weefsel onderzocht en kwam toen tot de conclusie dat er waarschijnlijk sprake is geweest van een hartinfarct. Er ligt momenteel een herzieningsverzoek bij de Hoge Raad. De kern van deze zaak ziet op de vraag of hij het strafbare feit heeft gepleegd of niet. In deze zaak gaat het over waarheidsvinding.

      Civiele zaak

      De strafrechtelijke veroordeling was gebaseerd op een aantal feiten, waarop de recherche concludeerde dat het niet kon kloppen. Het echtpaar was getrouwd in algehele gemeenschap van goederen. Dit houdt blijkens art.1:100 lid 1 BW het volgende in: ‘de echtgenoten hebben een gelijk aandeel in de ontbonden gemeenschap, tenzij anders is bepaald bij huwelijkse voorwaarden of bij een overeenkomst die tussen de echtgenoten bij geschrift is gesloten met het oog op de aanstaande ontbinding der gemeenschap anders dan door de dood of ten gevolge van opheffing bij.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Werkgroep algemene rechtsleer week 2 (2016/2017)

      Werkgroep algemene rechtsleer week 2 (2016/2017)

      Werkgroep week 2

      Thema I 1. De bepaaldheid van het recht: de visie van H.L.A. Hart

      A. Hart en het rechtsrealisme

      Hart schrijft in hoofdstuk 7 van The Concept of Law (p. 128; reader p. 15):

      ‘[W]e should not cherish, even as an ideal, the conception of a rule so detailed that the question whether it applied or not to a particular case was always settled in advance (positie van het formalisme), and never, at the point of actual application, a fresh choice between alternatives.’

      1.Licht het standpunt dat Hart in het bovenstaande citaat tot uitdrukking brengt nader toe. Tegen welke opvatting over rechtsvinding keert hij zich in dit citaat?

      In deze uitdrukking keert Hart zich tegen het formalisme. Als een regel zo gedetailleerd is betekent dat niet dat je de regel op alle toekomstige cases kan toepassen. Hart wil dat je nog de mogelijkheid hebt om de regel anders uit te leggen dan dat de wetgever bedoeld heeft. Hart vind het niet realistisch om te denken dat je de regels kunt vaststellen voor alle gevallen. Bovendien moet er voor de rechter nog ruimte overzijn om de regels op een bepaalde wijze te interpreteren. 

      2.Hoe zou de kritiek vanuit het rechtsrealisme luiden op het in citaat opgevoerde, maar volgens Hart niet nastrevenswaardige, ideaal?

      De rechtsrealisten hechten niet heel veel belang aan de regels. De rechtsrealisten zijn regelsceptici. De regels spelen volgens de realisten geen doorslaggevende rol. De rechter kan hoogstens inspiratie opdoen voor zijn beslissing. De beslissing van de rechter is beslissend.

      De realisten en Hart geven aan dat de formalisten een naïeve voorstelling hebben van wat het recht is. In de praktijk is dat helemaal niet zo. Hart is toch wat genuanceerder dan de rechtsrealisten. De rechtsrealisten zeggen dat het recht in alle gevallen onbepaald is. Hart geeft aan dat het recht in bepaalde gevallen wel bepaald is. Dit kun je terugvinden in de plain case volgens Hart.

      In een eenvoudig geval komt de rechtspraak neer op de toepassing van een rechtsregel op de feiten. De rechter dient de rechtsregel wel uit te leggen voordat hij hem toepast op de feiten. Er bestaat onder juristen consensus over de betekenis van de rechtsregel in een eenvoudig geval. Er zijn ook moeilijke gevallen waarin het recht onbepaald is. Hart komt tot de conclusie dat het recht onderbepaald is. Het is bepaald in eenvoudige gevallen. Het recht is onbepaald in moeilijke gevallen. Dat het gedeeltelijk onbepaald is heeft te maken met het beperkte menselijke kenvermogen. Dat mondt uit in de open textuur van taal. Langs die weg mondt het ook uit in de open textuur van het recht. We weten immers niet altijd welke feiten we onder de rechtsregel willen scharen en we weten ook niet altijd welke doelen we beogen met de geformuleerde regel.  

      De realisten gaan nog verder dan Hart, omdat ze stellen dat het wenselijk is om open normen op te nemen in ons recht. De rechter kan deze uitkomsten dan gebruiken in het geval dat het moeilijk.....read more

      Access: 
      Public
      Werkgroep algemene rechtsleer week 1 (2016/2017)

      Werkgroep algemene rechtsleer week 1 (2016/2017)


       

      Werkgroep week 1

      A. Toepassing

      In Typen vragen: Een landkaartje wordt gesteld dat in toenemende mate onderkend wordt dat in de rechtenstudie, de rechtspraktijk en de rechtswetenschap niet volstaan kan worden met louter de interpretatieve vraagstelling en dat ook de andere typen onderzoeksvragen van cruciaal belang zijn.

      1. Neem het ‘landkaartje van de typen vragen’ door en beschouw vervolgens de volgende vragen/uitspraken. Geef aan of daarbij sprake is van een empirische, conceptuele, interpretatieve of normatieve vraag/uitspraak (of een combinatie).

      1.‘Kenmerkend voor een institutie is, dat deze een eigen identiteit heeft, te definiëren vanuit bepaalde doeleinden die sturend [zijn] voor haar inrichting. (...) Voorts is kenmerkend voor een institutie dat het de professionals zelf zijn die bepalen hoe die doelen te realiseren, wat daar voor nodig is. (...) Een institutie als de rechterlijke organisatie kenmerkt zich ook door een eigen tijdruimtelijke ordening (...). Kenmerkend voor de institutie van de rechtspraak is tot slot dat daarin de nadruk ligt op het woord.’ (Hol 2011, p. 805) 

      Het gaat hierbij om een conceptuele uitspraak. Een dergelijke uitspraak is immers gericht op het analyseren van de inhoud van begrippen. In deze uitspraak zien we terug dat het begrip ‘institutie’ nader wordt geanalyseerd. Het gaat hierbij om een descriptieve beschrijving, omdat deze uitspraak immers aan geeft hoe de feiten momenteel zijn. Dit maak je op uit de onderstreepte zin. 

      2.‘Hoe moeten we de hier geschetste ontwikkeling nu waarderen? Gezien vanuit een ethisch perspectief valt daar op het eerste gezicht veel positiefs over te zeggen. [Echter... etc.]’ (Hol 2011, p. 364)

      Het gaat hierbij om een normatieve vraag. Een normatieve benadering is gericht op het doen van normatieve uitspraken over een bepaald fenomeen. Op het doen van uitspraken over hoe dingen moeten zijn. Het gaat hierbij ook wel om een moreel waardeoordeel. 

      3.‘De uitdrukking ‘door de drukpers’ omvat (...) meer dan (het zich bedienen van) de drukpers, zij bestrijkt daarnaast ook elke andere ‘met de drukpers op een lijn te stellen vermenigvuldigingstechniek’ (fotokopiëren, stencilen e.d.). Veelal is zelfs voldoende dat het gaat om ‘leesbare uitingen’, ook als zij niet door de drukpers zijn vervaardigd. Maar niet alleen ‘geschriften’ in deze ruime zin van het woord, ook afbeeldingen zoals prentbriefkaarten en posters met reproducties van aquarellen en foto’s vallen hieronder.’ (Vermeulen 2013)

      Het gaat hierbij om een rechtsinterpretatieve uitspraak. Men geeft immers aan wat onder het begrip door drukpers verstaan kan worden. Bij rechtsinterpretatie noem je concrete gevallen. 

      4.‘De rechtsstaat is onbestaanbaar zonder rechtsprekende macht, die is geroepen tot ‘overeenkomstig de wet’ rechtspreken en daarmee tevens tot rechtsvorming. De legitimatie van de rechtsprekende macht is dus anders van aard, maar daarom niet minder dan die van beide andere.....read more

      Access: 
      Public
      Hoorcollege algemene rechtsleer week 2 (2016/2017)

      Hoorcollege algemene rechtsleer week 2 (2016/2017)


       

      Hoorcollege week 2

      Elke rechtszaak bestaat uit twee componenten. Het gaat hierbij om het vaststellen van de feiten ne de rechtsregels. Deze twee componenten kan je in een schema zetten. Dit schema kan je ook wel een syllogisme noemen. Syllogisme bestaat uit geval, feiten en de rechtsregels. We brengen de feiten onder de rechtsregels en we komen tot een conclusie. De algemene stellingen zijn de rechtsregels, dit wordt ook wel major genoemd. De toespitsing ervan is de minor, ook wel het geval. Het geval wordt dus onder de rechtsregels gebracht. Elke rechter hanteert de syllogistische vorm van redeneren. Rechters gaan vaak vrij om met deze vorm van redeneren. In hun motivering doen ze alsof ze de feiten onder de rechtsregels brengen. In werkelijkheid doen de rechters soms wel meer of iets anders. Bij het syllogisme dient men de term ‘bepaaldheid van het recht’ toe te voegen. Het gaat hierbij om de mate waarin je in het concrete geval de uitkomst door rechtsregels bepaalt.

      Voorbeeld

      Alle mensen zijn sterfelijk is de major. Socrates is een mens is de minor. De conclusie houdt dan in dat Socrates sterfelijk is.

      Je kan stellen dat de major een onrechtmatige daad is. De minor is dat A schade heeft toegebracht aan B. De conclusie zal dan zijn dat A schadevergoeding moet betalen.

      In het strafrecht kan men denken aan diefstal (art.310 Sr) als major. Het geval dat hier speelt, is dat Piet een tube tandpasta uit de Albert Heijn wegneemt. De conclusie zal dan leiden dat Piet schuldig is aan diefstal.

      Methode van Langdell

      Lange tijd is de stelling verdedigd dat het syllogisme heilig is en dat de rechtsregels de uitkomst helemaal bepalen. Dit is vooral de doctrine die we terugvinden in de 19e eeuw. Als je de oudere jurisprudentie beschouwt kan je tot deze conclusie komen. In de 19e eeuw gaat men zich afzetten tegen het model waarin de rechtsregels de uitkomst volledig bepalen. Men noemt dit ook weleens de methode van Langdell. Men kan ook de volgende termen tegenkomen: formalisme (Hart), mechanical jurisprudence (Hart), bouche de la loi (Montesquieu) en rechtstoepassing (Scholten). We kunnen dan het volgende zeggen: enige determinant van de conclusie zijn de rechtsregels. De determinant is hetgeen wat de conclusie bepaalt. Bij het ontkrachten van deze stelling kan je denken aan het elektriciteitsarrest. In dit arrest doet de rechter veel meer dan het toepassen van rechtsregels. De rechter staat.....read more

      Access: 
      JoHo members
      P.B. Cliteur, 'Amerikaans realisme' (Integratievak algemene rechtsleer 2016/2017)

      P.B. Cliteur, 'Amerikaans realisme' (Integratievak algemene rechtsleer 2016/2017)


       

      P.B. Cliteur, 'Amerikaans realisme' 

      Het is voldoende als je een aantal kernelementen van het rechtsrealisme kan noemen. Het is niet de bedoeling dat je precies elke schrijver kent die in de tekst genoemd wordt. In het rechtsrealisme wordt de rechter centraal gesteld. Het gaat om de beslissingen die de rechter neemt. Dat moeten wij als juristen onderzoeken volgens de realismen. Het gaat ook over de bepaaldheid van het recht. Rechtsrealisten zeggen dat het recht vaak niet duidelijk is. Het is van belang dat je de tien kenmerken vindt en kan toepassen op een voorbeeld. Een dergelijk voorbeeld is terug te vinden in de opgave in werkgroep 1.

      2. Een school? Een beweging? Een houding? 

      Ten aanzien van het realisme is het zeker dat er geen gemeenschappelijk manifest, geen eenduidig credo en geen consensus over een substantieel deel van de uitgangspunten is. De bekende vertegenwoordigers van het realisme spreken nogal relativerend over de samenbindende factor van hun werk. De samenbindende factor bij de realisten is alles wat ze ontkennen. Llewellyn heeft een lijstje merk kenmerken van het realisme gepresenteerd. Volgens hem zou kenmerkend zijn dat men afstand neemt van het traditionalisme en scepticisme. Het gaat hierbij echter wel om kenmerken van een beweging. Deze onderscheid zich doordat de verschillende participanten een gemeenschappelijk vertrekpunt hebben. Hij noemt hierbij het volgende:

      Het idee dat het recht een dynamisch geheel is en dat het door rechters wordt gemaakt;

      Het idee dat het recht een middel is voor een bepaald doel en niet een doel in zichzelf;

      Het idee dat de maatschappij in beweging is en sneller in beweging dan het recht

      De tijdelijke scheiding van ‘is’ en.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Hoorcollege algemene rechtsleer week 3 (2016/2017_

      Hoorcollege algemene rechtsleer week 3 (2016/2017_


       

      Hoorcollege week 3

      Het gaat deze week over de rechtsleer van Dworkin. Zijn visie op de bepaaldheid van het recht staat vandaag centraal. Dworkin pleegt een aanval op Hart. Dworkin leefde van 1931-2013. In de jaren ’50 was Dworkin zelf nog een student. Dworkin is in zijn studententijd naar Oxford gegaan, hij volgde daar colleges die werden gegeven door Hart. In een cursus moet een paper worden geschreven, dit werd de toetsvorm. Dworkin schrijft dan een paper waarin hij keihard de gebreken van de theorie van Hart aanwijst. Aanvankelijk was het een nobele intellectuele aanval, later krijgt deze aanval een iets andere kant.

      De aanval krijgt een iets minder nobel karakter. Dworkin blijft Hart aanvallen, maar doet Hart niet altijd eer aan. Hij interpreteert Hart op een tamelijk eigenzinnige wijze. Er wordt ook weleens gezegd dat Dworkin een soort natte zeehond is. Je probeert deze natte zeehond te omhelzen, maar om het moment dat je de zeehond beethebt ontsnapt hij uit je greep. Het is lastig om met Dworkin te debatteren, omdat hij de positie steeds verandert. Dworkin was een van de weinige filosofen die een sterrenstatus had.

      Oxford van de jaren vijftig

      Hart is enorm onder de indruk van Dworkin. Als Hart in 1969 afscheid neemt van zijn leerstoel, raadt hij de benoemingscommissie aan om Dworkin te benoemen. Dworkin wordt uiteindelijk ook beroemd. De leerstoel was uiteindelijk zeer prestigieus geworden. Voordat Hart hoogleraar was, was de leerstoel een boerenbarrel. Pas door Hart werd de filosofie naar de juristen gebracht. Er had dus een enorme upgrade plaatsgevonden van de leerstoel jurisprudence. Dworkin gaat vervolgens van Oxford naar de VS. De aanval van Dworkin op Hart is bij Hart niet in de koude kleren gaan zitten. Hart heeft eigenlijk nooit echt een antwoord gegeven op Dworkin. Men zegt ook wel dat Dworkin een veroorzaker is van de psychische klachten van Hart. Toen Hart stierf trok men een bureaula open met allerlei aantekeningen om een antwoord op Dworkin te geven. Na de dood van Hart is men ertoe gekomen om een soort reconstructie te geven van het antwoord van Hart op Dworkin.

      Three conceptions of law

      Dworkin gebruikt dezelfde strategie als Hart. Hart.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Ton Derksen, 'De ware toedracht', deel IV (Integratievak algemene rechtsleer 2016/2017)

      Ton Derksen, 'De ware toedracht', deel IV (Integratievak algemene rechtsleer 2016/2017)


       

      Deel IV – Waarschijnlijkheid, begrippen en valkuilen

      Hoofdstuk 1: Begrippen van waarschijnlijkheid

      Er zijn verschillende manieren om over waarschijnlijkheid te praten. Allereerst kunnen we zeggen dat het waarschijnlijk is dat iemand een moord heeft gepleegd. In dat geval bedoelen we dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat iemand de moord heeft gepleegd. Dit is ook wel een epistemische waarschijnlijkheid. Soms zeggen we dat het waarschijnlijk is dat er drie gegooid zal worden als gevolg van een ongelijke dobbelsteen. In dat geval spreken we over iets in de werkelijkheid. Dit staat ook wel bekend als een ontologische kans. De kans is in dat geval onafhankelijk van onze kennis. Soms weten we hoeveel mensen vorig jaar zijn overleden. Wanneer we een tijd niets van iemand hebben gehoord, achten we het waarschijnlijk dat die persoon aan het eind van het vorige jaar nog in leven was. Dat zegt echter niets over de kans die de persoon had om dat jaar te overleven. Als we een relatieve frequentie gebruiken bootsen we een kanssituatie na. In dat geval doen we bijvoorbeeld alsof de personen uit de groep een gelijke kans op overleven hebben. We noemen dit artificiële kansen. Wanneer we een mate van vertrouwen hebben gaat het over een mate van persoonlijke overtuiging. Dit staat ook wel bekend als de persoonlijke waarschijnlijkheid. De vier soorten van waarschijnlijkheid hebben verschillende kenmerken.

      1. Epistemische waarschijnlijkheid

      Deze vorm van waarschijnlijkheid is gebaseerd op kennis. Hierbij kan je als voorbeeld nemen de waarschijnlijkheid dat Henk P. een moord heeft gepleegd. Op grond van wat wij weten lijkt het waar te zijn dat Henk P. deze moord heeft gepleegd, althans er zijn goede redenen om dat te geloven. Als de redenen het tegendeel bewijzen, dan is het voor ons onwaarschijnlijk dat Henk P. de dader was. Een epistemische waarschijnlijkheid geeft een samenvatting van onze redenen om iets te geloven. Op grond van de redenen die we hebben lijkt ons scenario waar te zijn. Epistemische waarschijnlijkheid is ook relatief ten opzichte van een bepaald kennisbestand......read more

      Access: 
      JoHo members
      Overzicht week 1 Integratievak Algemene Rechtsleer (2016/2017)

      Overzicht week 1 Integratievak Algemene Rechtsleer (2016/2017)


       

      Het realisme is een bepaalde stroming in de rechtsfilosofie. Een empirische vraag of een empirische uitspraak heeft betrekking op dingen en feiten die je in de werkelijkheid waar kunt nemen met je zintuigen. Een conceptuele uitspraak of conceptuele vraag heeft betrekking op begrippen. Je kunt dat begrip dan helemaal gaan analyseren. Je kan een begrip ook proberen te vormen, dat heet dan stipulatie. Een vraag naar de rechtsstaat ziet op een begrip en is daardoor een conceptuele vraag. Bij een empirische vraag kan je een nader onderscheid maken tussen kwalitatieve empirische vragen en uitspraken en kwantitatieve empirische vragen en uitspraken. Hierbij kan je denken aan de volgende vraag: ‘Is een verdachte schuldig aan moord?’ Deze uitspraak zal gebaseerd moeten worden op feiten. Je zult ook zien dat de verschillende vragen en uitspraken zich met elkaar gaan vermengen. Een interpretatieve vraag of uitspraak plaatst men op de scheidslijn. Hierbij kan je denken aan een bepaling in de APV die zei dat je niet met een voertuig in een park mag komen. De vraag is dan of een skateboard ook aan te merken is als een voertuig. Meer specifiek is een voorbeeld van een rechtsinterpretatieve vraag. De laatste vraag of uitspraak die je kan onderscheiden is een normatieve vraag of uitspraak. Je zou hierbij ook aan gevallen kunnen denken die niet in het recht geregeld zijn. Bijvoorbeeld de vraag of terroristen in alle omstandigheden recht hebben op bijstand van een advocaat bij het politieverhoor (hier bestaat discussie over). Een rechtsinterpretatieve vraag is meer gericht op de interpretatie van het recht. Een normatieve vraag is meer gericht op hoe de dingen zouden moeten zijn. Een voorbeeld van een normatieve vraag is: ‘Is de Nederlandse constitutie goed?’

      Rechtsrealisme

      De belangrijkste kernpunten van het rechtsrealisme zijn de volgende:

      De ongeromantiseerde kijk;

      De rechter centraal > de rechter is de persoon die voor het grootste deel recht vormt. Hij heeft niet alleen tot taak om de wet toe te passen, maar ook om de wet uit te leggen, te ontwikkelen en te vormen. De rechter staat ook in het centrum van de belangstelling, dit komt door de grote taak die hij krijgt toegemeten. De rechter gaat zich op een bepaalde manier opstellen ten opzichte van de wetgever. De wetgever maakt de wet, de rechter zou de wet toe moeten passen. Als hij daar niet uitkomt moet hij de wet uitleggen of interpreteren. Bij het rechtsrealisme wordt de plaats van de rechter veel groter en wordt hij zelf een soort wetgever.

      Onbepaaldheid van het recht > denk hierbij aan het elektriciteit arrest. Het recht is in veel gevallen onduidelijk en dat zorgt ervoor dat de rechter heel veel.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Werkgroep algemene rechtsleer week 3 (2016/2017)

      Werkgroep algemene rechtsleer week 3 (2016/2017)


       

      A. Dworkin en coherentie

      1. Briain Jansen (behoort niet tot de voorgeschreven literatuur) stelt dat in de visie van Dworkin rechtsregels ‘slechts betekenis [krijgen] als onderdeel van het recht als een samenhangend en integer geheel.’

      Leg uit welke rol samenhang, oftewel coherentie, speelt in de theorie van Dworkin. Rechtsbeginselen moeten passen en een rechtvaardiging geven bij het rechtssysteem. Dit maakt het tot een coherent en consistent geheel.

      2. Eén van de punten waarop Dworkins theorie veel is aangevallen is precies de rol van coherentie. Critici (waaronder de hedendaagse ‘opvolgers’ van het rechtsrealisme, de Critical Legal Scholars, maar ook een hedendaagse leerling van Hart, namelijk Joseph Raz) stellen dat een omvattende coherente interpretatie van het recht helemaal niet mogelijk is.

      Heeft u een vermoeden waar zij die kritiek op stoelen? (Staat niet vermeld in de stof, maar wellicht heeft u een idee!). Dworkin hanteert de constructieve interpretatie. Kenmerkend voor de constructieve interpretatie is dus dat rechtsregels, beginselen en de conceptie van moraal een onlosmakelijk geheel vormen. Uit de conceptie van moraal kan je volgens Dworkin beginselen halen. Door middel van de beginselen kan je volgens Dworkin de gaten in het recht dichten. De moraal die in de samenleving leeft kan echter veranderen. Doordat de moraal in de samenleving kan veranderen zullen de beginselen die je uit de moraal kan destilleren derhalve ook veranderen. Doordat de beginselen en de moraal veranderen zal derhalve ook het enige juiste antwoord veranderen. De gaten in het recht worden elke keer opgelost door beginselen die zijn veranderd, doordat de moraal in de samenleving ook is veranderd.

      Er zijn ook mensen die stellen dat het recht een lappendeken is van verschillende beginselen en dat je derhalve ook strijdigheden hebt in het recht.

      B. Interpretatieve vraagstelling

      In het schema van ‘het landkaartje’ is de interpretatieve vraag precies op de grens tussen descriptieve en normatieve vragen geplaatst. Kunt u dit uitleggen in het licht van de stof van deze week? Dworkin doet vooral normatieve uitspraken over wat een juiste rechterlijke beslissing is. Dworkin doet eveneens interpretatieve uitspraken. Dworkin probeert het recht uit te leggen als een coherent en consistent geheel. De nadruk ligt op het normatieve en het interpretatieve element.

      C. Dworkin en het Elektriciteitsarrest

      Een belangrijke uitspraak over de thematiek van interpretatie is het Elektriciteitsarrest (HR 23 mei 1921, NJ 1921, 564), waarin de Hoge Raad

       tot de slotsom komt dat onder ‘enig goed’ in de omschrijving van diefstal in art. 310 WvSr ook elektrische energie gerekend moet.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Hoorcollege algemene rechtsleer week 4 (2016/2017)

      Hoorcollege algemene rechtsleer week 4 (2016/2017)


      Dit college is een afronding van het eerste thema van het vak. In het eerste thema ging het over de bepaaldheid van het recht.

      Het antwoord van Hart op Dworkins aanval

      Deze reactie heeft Hart niet zelf geschreven, maar hij is gereconstrueerd. Dworkin veranderde steeds zijn positie. Hart heeft er dus enorm mee gestreden tot het einde van zijn leven aan toe. Men vond het enorme pakket met aantekeningen na zijn dood in zijn werkkamer. Twee mensen hebben geprobeerd om een mogelijke reactie van Hart op Dworkin te formuleren. Men noemt dit dan ook wel een postscript. Dworkins aanval heeft Hart steeds bezig gehouden. Bij de zaak over de butler zien we dat het recht pas na de rechtszitting wordt vastgesteld. Volgens Dworkin is dit een groot gebrek in de theorie van Dworkin.

      Het probleem van voorspelbaarheid

      Hart heeft gezegd dat de rechter in moeilijke gevallen beschikt over discretie. In hard cases zijn er geen gerechtvaardigde verwachtingen. Je kunt derhalve niet om de onvoorzienbaarheid van de uitkomst heen. Bij Hart heeft het recht een onduidelijke structuur, de taal is een vaagheid, bovendien weet je niet hoe het recht zich gaat ontwikkelen, etc. In een bepaald geval is het dus moeilijk om te voorspellen hoe de rechter gaat oordelen. Hart ziet echter geen andere mogelijkheid. Hart zegt dat zijn theorie niet in voorspelbaarheid kan voorzien. Hart geeft Dworkin gelijk in de zin dat de terugwerkende kracht onverkwikkelijk is, maar er is geen andere mogelijk.

      Geschreven en ongeschreven rechtsbeginselen

      Een tweede punt was de plaats van rechtsbeginselen in de visie van Hart. Dworkin gebruikte de rechtsbeginselen als een soort stormram om het bouwwerk van Hart omver te blazen. Dworkin geeft aan dat het recht in wezen gatenloos is. Je treft beginselen aan als je de diepte ingaat achter de rechtsregels. Aan de hand van de beginselen kan je als rechter het geval beslissen. De HR lijkt dit bij de onwaardige deelgenoot te doen.  Dworkin lijkt daar wel iets te hebben,.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Van Domselaar, ‘Moral Quality in Adjudication: On Judicial Virtues and Civic Friendship.’ (Integratievak algemene rechtsleer 2016/2017)

      Van Domselaar, ‘Moral Quality in Adjudication: On Judicial Virtues and Civic Friendship.’ (Integratievak algemene rechtsleer 2016/2017)


      Van Domselaar, ‘Moral Quality in Adjudication: On Judicial Virtues and Civic Friendship.’

       

      De kwaliteit van berechting is van groot belang voor een groot aantal burgers dat is betrokken in een juridisch proces. Deze kwaliteit mag niet te gemakkelijk aangenomen worden. De berechting moet morele kwaliteit bezitten, het moet een praktijk zijn waarin rechters zorg dragen dat burgers hun recht ontvangen wanneer zij deelnemen aan een gerechtelijke procedure. Er is sprake van legitimiteit wanneer dit is gewaarborgd. Er zijn twee manieren om morele kwaliteit aan te nemen. De eerste is een outside in benadering. Deze benadering realiseert morele kwaliteit door middel van externe, expliciete standaarden, zoals regels. De tweede is een inside out benadering. Deze benadering begrijpt de morele kwaliteit door de persoon van de rechter.

      2. Morele kwaliteit van berechting als een six-pack van juridische deugden

      Hetgeen in deze paragraaf wordt beschreven is een bijdrage aan de opkomende deugd-jurisprudentie. Dit is een gebied van het juridische onderwijs dat het concept deugd verbindt met recht. Deugden zijn karaktertrekken. Een deugd is een aandoening die te wijten is aan een persoon die bereid is om op een bepaalde manier te handelen en te voelen. Deugden bevatten echter altijd een element van vrijheid, reflectie en keuze. Deugden worden ontwikkeld door middel van herhaalde keuzes en hun daadwerkelijke uitoefening. Deze daadwerkelijke uitoefening heeft ook een afmeting van een keuze in zich. Om inhoudelijke betekenis te hebben moet er een deugd-ethische benadering zijn die aangeeft welke deugden de rechter moet bezitten om aan zijn rol te voldoen. Om deze deugden vast te stellen moet je kiezen voor een quasi-fenomenologische route. Je moet proberen om zo dicht mogelijk te blijven bij de kennis die in de praktijk is ingebed. De route van Aristoteles is gebaseerd op het idee dat de uitingen van lokaal georganiseerde inzichten van gewone mensen en deskundigen enige vorm van waarheid bezitten. Aan de hand van deze endoxa worden door de auteur een aantal specifieke rechterlijke deugden aangemerkt als onmisbaar voor het realiseren van morele kwaliteit in de berechting. Het gaat hierbij om professionele eigenschappen die de rechter nodig heeft voor het realiseren van hun functie. Het gaat hierbij echter niet om unieke kenmerken in de zin dat ze uitsluitend relevant zijn voor berechting. Sommige van deze rechterlijke deugden zijn uitwerking van de voornaamste deugden. Het gaat hierbij onder andere om: praktische wijsheid, moed, gematigdheid en rechtvaardigheid. Het gaat hierbij om deugden die door de.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Werkgroep algemene rechtsleer week 4 (2016/2017)

      Werkgroep algemene rechtsleer week 4 (2016/2017)


       

      A. Paul Scholten en het rechtsvindingsdebat

      1. In de laatste alinea van § 2 op p. 12; reader p. 106 schrijft Scholten:

      ‘De concrete rechtsverhouding, mogen we concluderen, hangt niet alleen van regels af, ook van beslissingen. En die beslissingen worden op haar beurt niet alleen door subsumptie onder regels gevonden.’

      Wat is de consequentie van bovenstaande gedachte van Scholten voor de rechtsbronnen die de rechter in acht moet nemen bij een beslissing? Scholten keert zich tegen het formalisme. Hij zegt dat de rechter in het individuele geval niet enkel de rechtsregels toe moet passen. De rechter zal eerst een blik werpen op de feiten alvorens een regel toe te passen. De rechter gebruikt derhalve de rechtsregels, maar ook de jurisprudentie.  

      2. Als beslissingen ‘niet alleen door subsumptie onder regels gevonden’ worden, hoe worden beslissingen volgens Scholten dan ‘gevonden’? Volgens Scholten is het van belang dat je de rechtsregels gaat interpreteren. Volgens hem moet je dit doen aan de hand van de interpretatiemethoden. Door het toepassen van de interpretatiemethoden wordt een rechtsregel uitgelegd. De rechtsregel krijgt derhalve een bepaalde betekenis. Je dient echter wel in het achterhoofd te houden dat je vrij bent in het kiezen van de interpretatiemethode. De ene interpretatiemethode zal bovendien leiden tot een meer wenselijk resultaat dan de andere interpretatiemethode. Je kunt hierbij de volgende interpretatiemethoden onderscheiden:

      Interpretatie naar taalgebruik

      Dit is de belangrijkste interpretatiemethode. In wezen is dit het startpunt van de interpretatieactiviteit. Scholten geeft aan dat ieder begrip een vaste kern heeft, maar dat de grenzen vervloeien. Hart is op dezelfde wijze doortrokken van het belang van taal als Scholten. Bij Hart ging het om het duidelijke geval en om het onduidelijke geval. De rechter is in principe gebonden aan de wet en hij is daarmee ook gebonden aan de wettekst. Sommige bepalingen die tegenwoordig worden gehanteerd zijn volgens Scholten echter niet meer terug te brengen tot de wettekst.

      Wetshistorische interpretatie

      Wetshistorie kan gaan om de toestand toen de wet tot stand kwam en om de wil die men beoogde. Als het om het eerste gaat noemt Scholten het wetshistorisch. Het gaat dan om omstandigheden die tot een bepaalde wet hebben geleid. In het tweede geval wordt er gekeken naar bronnen die gezaghebbend zijn bij een juridische discussie.

      Systematische interpretatie

      Volgens de systematische interpretatie moet je niet enkel kijken naar de afzonderlijke regel, maar naar de plaats van de regel in het gehele systeem. De wetten op zich hangen immers met elkaar samen in het geheel van rechtsregels. De coherentie is hierbij van belang.

      Sociologische en teleologische interpretatie

      Hierbij kijk je naar het doel van de regel in de huidige maatschappij. Er wordt gekeken naar.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Overzicht week 4 Integratievak Algemene rechtsleer (2016/2017)

      Overzicht week 4 Integratievak Algemene rechtsleer (2016/2017)


      Bepaaldheid van het recht

      Het rechtsrealisme had kritiek op het formalisme. Hart nam ten opzichte van deze twee extremen een tussenpositie in. Vervolgens kwam er kritiek op Hart door zijn leerling, Dworkin.

      Bepaaldheid van het recht

      Het heeft te maken met het toepassen van regels op een individueel geval. In de handleiding staat een specifieke definitie. De bepaaldheid gaat over de vraag in hoeverre de uitkomst in een concreet geval door het recht bepaald wordt. Volgens Dworkin omvat het recht meer dan alleen rechtsregels, vandaar dat de definitie zo ruim is geformuleerd. De focus ligt op een individueel geval. De vraag is in hoeverre het recht in dit specifieke geval is bepaald. Je kan je ook afvragen in hoeverre een betekenis van een rechtsregel in het algemeen is bepaald. Je dient dan te kijken of de rechtsregel in alle gevallen duidelijk is of dat er ook gevallen zijn waarin de betekenis van de rechtsregel onduidelijk is.

      Rechtsrealisme

      Er zijn andere determinanten naast de rechtsregels die de beslissing in een concreet geval bepalen. Dit kan gelegen zijn in het humeur van de rechter, in zijn politieke voorkeuren, in zijn onbewuste en bewuste vooroordelen, wat maatschappelijk wenselijk wordt geacht, et cetera. Het feit dat de uitkomst in een individueel geval wordt bepaald door andere determinanten dan het recht impliceert dat het recht tot op zekere hoogte onbepaald is. De doorslag geeft de beslissing die de rechter neemt, niet hetgeen wat in de wet staat.

      Formalisme

      In een individueel geval is de uitkomst volledig bepaald door het recht. Dit is de meest extreme positie van het formalisme. Het is denkbaar dat er ook gematigde posities zijn ten aanzien van het formalisme, die erkennen dat er ook interpretatie aan te pas komt. Je hebt descriptieve formalisten en normatieve formalisten. De normatieve formalisten zeggen dat het niet zo is dat in een concreet geval de uitkomst door het recht bepaald is. Het zou wel zo moeten zijn, als dit niet het geval is heeft de wetgever zijn best niet goed gedaan. De wetgever had dit immers moeten realiseren.

      Hart/rechtspositivisme

      Hart stelt dat de uitkomst in een individueel geval onderbepaald is. De uitkomst wordt niet volledig bepaald door het recht in een moeilijk geval, maar mede door.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Hoorcollege algemene rechtsleer week 5 (2016/2017)

      Hoorcollege algemene rechtsleer week 5 (2016/2017)


      LET OP! Je krijgt hier hoogstwaarschijnlijk een vraag over 

      Deze week gaan we met een nieuw thema aan de slag. Hierbij gaat het om de bepaaldheid van de feiten. De major in een syllogisme zijn de rechtsregels. De rechtsregels kunnen onderbepaald zijn. De minor in het juridische syllogisme is het geval of de feiten. Ook ten aanzien van het geval kan er sprake zijn van gedeeltelijke onbepaaldheid, onderbepaaldheid. Met die problematiek gaan we aan de slag.

      Het ‘paradigma’ van de jurist

      Vranken heeft een vervolg geschreven op het algemeen deel van de Asserserie van Paul Scholten. Vranken heeft een aantal vanzelfsprekendheden van de jurist geanalyseerd. Dit wordt geanalyseerd aan de hand van het burgerlijk recht. Twee van die vanzelfsprekendheden of veronderstellingen worden in dit college besproken. Vranken begint in zijn boek met het kijken naar het paradigma van de jurist. Hij gaat kijken naar de regels en veronderstellingen die de juristen hanteren. Hij begint met een observatie van de casusgerichtheid van de jurist. De eerste observatie is dat hij het heeft over de concrete casus, dus de casusgerichtheid van de jurist. Het gaat hierbij niet alleen om een jurist die in de praktijk bezig is, maar meer dan dat ook de beoefening van de rechtswetenschap die casusgericht is. De casusgerichtheid blijkt volgens Vranken uit de gehele opbouw van de rechtenstudie. Volgens Vranken wordt het privaatrecht vanuit een casus behandelt. Men doet dat niet enkel in de praktijk, maar dat gebeurt ook in de wetenschapsbeoefening aan de universiteit. Er zijn wellicht ook rechtsgebieden in de studie waarin de casusgerichtheid niet terug komt. Vranken wijst erop dat het extreem is dat de juristen in ons rechtssysteem zo casusgericht is. Dit is vreemd, omdat we een civil law systeem hebben. In dat geval ligt het primaat van de rechtsvorming niet bij de rechter, maar bij degene die de rechtsregels op mag stellen. Vranken maakt ons bewust van dit opmerkelijke verschijnsel, door het onder onze aandacht te brengen. Het is een verschijnsel dat eigenlijk zelfs diep is geworteld.

      ‘Weet niet ieder, dat nieuwe regels in het rechtsleven zich altijd baan breken op grond van sterk sprekende gevallen? Wat wil dit anders zeggen, dan dat het geval op zichzelf gezien, zo zeer een oplossing in een bepaalde zin opdrong, dat het tegengestelde zo zeer als onbillijk werd gevoeld, dat het nieuwe oordeel daarom met verbreking van de oude regel, moest worden uitgesproken. ’Vranken 2005, p.42, nr. 33) Hierbij wordt het belang van de casus dus.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Werkgroep algemene rechtsleer week 5 (2016/2017)

      Werkgroep algemene rechtsleer week 5 (2016/2017)


       

      LET OP! Hoogstwaarschijnlijk een tentamenvraag 

      A. Verhullend argumenteren

      Vranken schrijft in Algemeen deel ***:
      ‘Ik durf de stelling wel aan dat hoe ingewikkelder of nietszeggender men te werk gaat, hoe waarschijnlijker het is dat het werkelijke argumentatieniveau zich elders bevindt.’

      1. Leg uit wat Vranken met de stelling in de aanhef van de vraag bedoelt. Gebruik bij die uitleg de begrippen ‘heuristiek’ en ‘legitimatie’ die in het hoorcollege besproken zijn. Het onderscheidt houdt in dat het bij heuristiek gaat over iets vinden. Het kan hierbij gaan om het vinden van het recht of de feiten. Bij legitimatie zoekt men naar een rechtvaardiging voor de uitspraak waartoe de rechter uiteindelijk is gekomen op basis van het recht en de feiten. In de uitspraak gaat het over de legitimatie. De rechter geeft een motivering voor zijn uitspraak, een rechtvaardiging of een legitimatie. Deze verhult hoe hij werkelijk tot zijn uitspraak is gekomen. Het begrippenpaar kan behulpzaam zijn bij het begrijpen van verhullend argumenteren. De rechter verhult de heuristiek, dit wil zeggen de manier waarop hij in werkelijkheid tot zijn vondst is gekomen.

      2. Leg uit welke typen vragen die onderscheiden zijn op het ‘Landkaartje van de typen vragen’ overeenkomen met de begrippen ‘heuristiek’ en ‘legitimatie’. Bij heuristiek is het empirisch, bij legitimatie is het normatief.

      B. Het ontbreken van een deugdelijke feitelijke grondslag

      Bij thema I hebben we gezien dat rechtsinterpretatie in veel gevallen niet los gezien kan worden van de normatieve methode. Deze week zullen we zien dat in rechtszaken soms ook empirische vragen aan de orde komen. Vranken laat in het hoofdstuk ‘Het ontbreken van een deugdelijke feitelijke grondslag’ (Vranken 2005, p. 48-61) zien dat de rechter soms uitspraken doet over vragen die eigenlijk empirisch van aard zijn zonder dat de rechter die kan staven met feitelijke gegevens.

      1. Leg dit uit aan de hand van (I) de Yorkshire Ripper en Hampshire-zaken en (II) de Mobiele laadschop zaak (ook Martin Smit-zaak genoemd). In de Yorkshire Ripper zaak ging het om een seriemoordenaar die pas na een lange tijd werd gegrepen. De moeder van het laatste slachtoffer stelde de politie aansprakelijk voor zijn traagheid. Haar stelling was dat wanneer de politie beter en sneller gewerkt had, haar dochter nog in leven zou zijn. De politie verweerde zich met een beroep op public policy immunity: het algemeen belang laat een vordering als die van de moeder niet toe. Het verweer slaagde. De House of Lords voerde drie argumenten aan voor de immuniteit. Allereerst leidt aansprakelijkheid niet tot meer zorgvuldigheid bij de politie, maar tot een defensieve wijze van beroepsuitoefening. Het vermijden van claims wordt dan belangrijker dan het opsporen van criminelen. Bij het toelaten van claims tegen de politie wegens onzorgvuldigheid dwingt de rechter om alles wat tijdens het onderzoek door de.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Overzicht week 5 Integratievak Algemene Rechtsleer (2016/2017)

      Overzicht week 5 Integratievak Algemene Rechtsleer (2016/2017)


      Scholten geeft aan dat de rechter meer doet dan het zoeken van de feiten. Hij waardeert deze feiten ook. Vranken wijst ons ook op het belang van de feiten. In de rechterlijke motivering worden gronden uiteen gezet voor de beslissing. Volgens Vranken is een van de problemen dat die gronden soms niet gebaseerd zijn op empirische waarneming. In dat geval is er sprake van een gebrek aan feitelijke grondslag. Een ander probleem is dat de ingewikkelde, juridische redeneringen soms de werkelijke gronden van de beslissing verhullen. Achter de ingewikkelde argumenten gaat een andere overweging schuil die feitelijk de doorslag heeft gegeven. Dat is het probleem van verhullend argumenteren waar Vranken ook op wijst. Vranken heeft ook oog voor het bijzondere geval en de feiten van het geval. De tweede overeenkomst is dat Vranken ook wijst op het belang van de motivering, net als Scholten. Ton Derksen heeft ook oog voor de problemen die bestaan met betrekking tot het feitencomplex.

      De focus verschuift. Er wordt gekeken naar de vraag in hoeverre een beslissing in een concreet geval door de feiten wordt bepaald. Vranken heeft oog voor de specifieke feiten van het geval, hij noemt dit de casusgerichtheid van de juristen. Vranken wijst ook op het verhullend argumenteren. Dit kan een rol spelen in sommige beslissingen van rechters, met name bij de Hoge Raad. Hij wijst ook op het ontbreken van een deugdelijke feitelijke grondslag in sommige zaken.

      Casusgerichtheid

      De rechtenstudie is casusgericht. Rechtenstudenten leren steeds om een bepaalde casus op te lossen aan de hand van de wetten, jurisprudentie en commentaar in de handboeken. Het gaat hierbij om een kunst om met een casus om te gaan. Bij het afstuderen zijn de rechtenstudenten daarin volleerd. Vranken vindt dit positief. Hij begrijpt dat juristen geïnteresseerd zijn in het geval, het gaat immers om mensen van vlees en bloed. Ze krijgen soms te maken met tragische dingen. Dit spreekt tot de verbeelding. Juristen willen uiteindelijk voor een bepaalde casus een goede oplossing vinden, zodat we weer vreedzaam kunnen samenleven in de maatschappij. Juristen hebben dus een bepaalde juridische blik ontwikkeld waarmee ze naar een feitencomplex kijken. Leken hebben dit niet, zij zijn niet direct de juridische vraag die beantwoord moet worden. Niet alleen in de opleiding speelt de casusgerichtheid een rol, maar ook in de advocatuur, de rechteropleiding en de rechtspraktijk als geheel. De rechtspraktijk als geheel is dus bezig met het oplossen van cases. Rechters, advocaten en officieren van justitie moeten scholingen volgen om hun kennis bij te houden. Daar staat de casus dan ook weer centraal. Het draait dus steeds om het oplossen van de concrete casus. De casuïstiek speelt ook een rol in de wetgeving en in de rechterlijke rechtsvorming. Bij de wetgeving houden de juristen rekening met de toekomstige gevallen. Juristen zijn.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Overzicht week 6 Integratievak Algemene Rechtsleer (2016/2017)

      Overzicht week 6 Integratievak Algemene Rechtsleer (2016/2017)


       

      Kernpunten van de theorie van Vranken

      Vranken heeft een theorie over de casusgerichtheid van juristen, de onbepaaldheid van de feiten en het verhullend argumenteren. Juristen kijken met een juridische blik naar de feiten, dat is wat bedoeld wordt met de casusgerichtheid. De juristen proberen een casus op te lossen aan de hand van het recht. Vranken spreekt ook wel van de kunst om om te gaan met een casus. Dit is hetgeen wat je leert op de universiteit en de beroepsopleiding en is kenmerkend voor de werkwijze van juristen. Het verhullend argumenteren houdt in dat de motivering van de rechter een ingewikkelde juridische redenering bevat. Deze motivering van de rechter kan de werkelijke motivering verhullen. Het derde punt ziet op het gebrek aan feitelijke grondslag. In de motivering kan verwezen worden naar de feiten. Er kunnen empirische uitspraken worden gedaan met betrekking tot de feiten. Het is dan de vraag of de feiten waar zijn, dus of ze kunnen worden bewezen aan de hand van empirisch bewijs. Dit zie je in de casus van Martin Smit. Het ging hierbij om een bestuurder van een graafmachine, hetwelk een kind had overreden. De vraag was toen of de bestuurder van de graafmachine aansprakelijk was voor de verwondingen van dat kind. Een overweging van de Hoge Raad was of van graafmachines een afschrikwekkende of aandachttrekkende indruk uitgaat. Het Hof had gezegd dat een graafmachine een afschrikwekkend uiterlijk had, waardoor er geen aansprakelijkheid was. De Hoge Raad aanvaarde wel aansprakelijkheid, daartoe gaf ze als motivering dat er van een graafmachine aantrekkingskracht uitgaat. Het punt van Vranken is dat deze uitspraak een empirische uitspraak is. De uitspraak moet worden getoetst door psychologisch onderzoek, dit onderzoek had niet plaatsgevonden. De Hoge Raad was in ieder geval niet bekend met dergelijk onderzoek. Dit leidde tot een gebrek aan feitelijke grondslag.  De theorie van Vranken wordt behandeld binnen het thema van de onbepaaldheid van de feiten.

      Ton Derksen

      Derksen onderscheidt twee manieren waarop je tegen feiten aan kunt kijken. Het gaat hierbij om de alledaagse waarheidsvinding en de empirische waarheidsvinding. Bij de empirische waarheidsvinding ga je op zoek naar de waarheid, dit is de wetenschappelijke visie op waarheidsvinding. De alledaagse visie is oppervlakkig. Bij de alledaagse waarheidsvinding maak je gebruik van short-cuts, het gaat om afsnijwerk.

      Voorbeeld

      Het idee is dat wij door evolutionaire processen als mensen zo zijn gevormd dat we in het alledaagse leven snel tot een oordeel kunnen komen over wat in ons belang is, op.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Hoorcollege algemene rechtsleer week 6 (2016/2017)

      Hoorcollege algemene rechtsleer week 6 (2016/2017)


       

      GING VOORNAMELIJK OVER DEEL 3 EN 4 VAN TON DERKSEN

      We gaan kijken naar de feiten. Hoe is het met de feiten, zijn deze wel bepaald? Is het wel zo dat het geval dat de rechter als uitgangspunt neemt wel zo zeker en duidelijk als hij aangeeft? De Hoge Raad doet de feiten niet meer over. De feitelijke basis wordt niet behandeld door de Hoge Raad. Het kan natuurlijk zo zijn dat de feiten niet zijn zoals ze gepresenteerd worden.

      Het subsumptiemodel van rechtspleging (herhaling).

      De jurist is goed in het verklaren van een bepaald verklaringsmodel. De major is de algemene rechtsregel. De minor is het feit of het geval. Vervolgens zal er een conclusie volgen.

      Het boek van Ton Derksen:

      In het kader van waarheidsvinding zijn er twee onderscheiden processen van waarheidsvinding. Het is belangrijk dat we onthouden dat deze niet hetzelfde is.

      Alledaagse waarheidsvinding / Empirische (wetenschappelijke) waarheidsvinding 

      We zien een bepaalde gerichtheid in het proces en die gerichtheid zit met name in het feit dat alledaagse waarheidsvinding gericht is op nut (evolutionair voordeel).

      We staan voor een keuze: is het een leeuw of een carnavalsganger? Dan moeten we wat dichterbij gaan en kijken wat dat is. Dit is geen verstandige optie. Als je overleven belangrijk vindt dan doe je er beter aan als je je uit de voeten maakt in plaats van dichterbij te gaan. De andere optie die je op dit moment hebt is dat je het zekere voor het onzekere neemt: ‘better safe than sorry’ en ik neem de benen. Om dit soort beslissingen te maken is ook snelheid van beslissingen nodig. Het is belangrijk dat je nu vertrekt in plaats van over 10 minuten. Om die snelheid van beslissingen te versnellen zijn er short cuts, cognitieve instincten. Dit brengt ons niet per se naar waarheid.

      Hoewel de alledaagse waarheidsvinding volstaat voor alledag waarop we gericht zijn op overleven maar als we op zoek zijn naar waarheid volstaat dat niet altijd! De vraag van Derksen: hoe zit dat dan met het strafrecht? Als het gaat om het vinden van de waarheid moeten we uitkomen bij de wetenschappelijke/empirische waarheidsvinding. Waarom? Het strafrecht is geen alledaagse situatie, namelijk een uitzonderlijke situatie. Derksen vindt dat de strafrechtsvinding thuishoort in de wetenschappelijke vorm van waarheidsvinding. Normatieve vraag: waar zou het volgens Derksen moeten plaatsvinden?

      Er is een mia match tussen de daadwerkelijke strafpraktijk (voornamelijk uitgaan van alledaagse vormen van waarheidsvinding) en hoe die zou.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Werkgroep algemene rechtsleer week 6 (2016/2017)

      Werkgroep algemene rechtsleer week 6 (2016/2017)


      A. Vragen naar aanleiding van De ware toedracht 1. Alledaagse en empirische waarheidsvinding

      Derksen gaat in het voorwoord en de inleiding van zijn boek in op de verhouding van alledaagse en empirische waarheidsvinding in de strafrechtcontext.

      Wat is Derksens hoofdboodschap op dit punt? Derksen stelt dat we in het alledaagse leven behoorlijk effectief zijn in het opsporen van de waarheid. De effectiviteit van de alledaagse waarheidsvinding hebben we mede te danken aan een mix van cognitieve instincten die we mee hebben gekregen. De cognitieve instincten leveren ons een soort short-cuts. In plaats van alles te berekenen komen we snel tot een conclusie, te snel maar net op tijd voor de eisen van alledag. Voor overleven is naast de waarheid ook de snelheid van beslissen van belang. De hoofdboodschap is dat de cognitieve instincten buiten ons dagelijks leven ernstige tekortkomingen vertonen. De cognitieve instincten zijn daar in de revolutie immers nog niet op getest. Voor de strafrechtcontext is er dus een probleem. Het gaat in de strafrechtcontext immers om een situatie die verre is van alledaags. Elk strafproces is een nieuwe situatie, de kennis en theorieën hebben daar niet de garantie van alledag. Een aantal van de daar gehanteerde theorieën is dus niet juist. Het tweede cruciale verschil is dat de fouten in het dagelijks leven aan den lijve zelf ondervonden worden. Ten derde is het cruciale verschil dat de alledaagse foutenmaker zelf met zijn fouten wordt geconfronteerd. Binnen de strafrechtcontext is er nauwelijks negatieve feedback. De alledaagse waarheidsvinding is dus verre van geschikt voor de strafrechtcontext. Alledaagse processen zijn gericht op evolutionair nut en empirische processen zijn gericht op het vinden van waarheid.

      Koppeling aan het thema ‘onbepaaldheid van de feiten’

      In het alledaagse proces van waarheidsvinding hoeft niet alles ook daadwerkelijk waar te zijn en is het derhalve ook onbepaald.

      2. Bepaaldheid

      Derksen schrijft in het verband van de theoriegeladenheid van de waarneming: ‘De hoofdstroming in de cognitiewetenschappen ziet het als onontkoombaar dat onze waarneming door meer dan louter de zintuiglijke stimuli tot stand komt. Volgens deze gangbare conceptie zijn die stimuli namelijk onvoldoende. Ze zijn in feite multi-interpretabel, ze laten verschillende alternatieven open. Of, in filosofisch jargon: ze onderbepalen de uitkomst.’ (Derksen 2014, p. 26) Hier zien we het belangrijke begrip van de bepaaldheid uit thema I terugkomen.

      Kunt u uitleggen wat Derksen bedoelt? Breng in uw antwoord een verband aan met het begrip.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Hoorcollege algemene rechtsleer week 7 (2016/2017)

      Hoorcollege algemene rechtsleer week 7 (2016/2017)


       

      De nieuwe zaaksbehandeling van de bestuursrechter en gezag van de rechter

      De rechter staat op…

      Aan de hand van dit verhaal wordt het rechterlijke gezag uitgewerkt. Een ruime tijd geleden was er een zitting over studiefinanciering. De studente had eerst haar moeder verloren. Haar vader kreeg vervolgens een nieuwe relatie. De vader overleed uiteindelijk ook. De ex van de vader zette haar uiteindelijk uit huis en daardoor werd haar studie een puinhoop. Dat meisje moest huilen, daarop bood de rechter haar een glaasje water aan. Zowel de griffier als de advocaat werden zenuwachtig. Op het moment dat het glaasje water werd aangeboden zei de studente ‘dankjewel.’ Op dat moment was de rechter heel even haar kompaan. In een zittingszaal zit heel veel dynamiek, bijvoorbeeld over wie er gaat beslissen.

      Zo moeten we ook kijken naar de rechter. Er zijn discussies over waarvoor de rechters er zijn. Zijn de rechters er om discussies op te lossen of zijn ze er om mensen in de knel te helpen? Vanuit dat verband gaan we het vandaag bekijken. We gaan kijken naar de Nieuwe Zaaksbehandeling van de bestuursrechter.

      Nieuwe Zaaksbehandeling

      In het begin van deze eeuw werden heel wat problemen geconstateerd bij het bestuursrecht. Het was niet helder wat partijen moesten doen en het was te langzaam. Je kunt van een rechter niet op stel en sprong verlangen dat hij zijn manier van werken aan gaat passen.

      Inhoud van de Nieuwe Zaaksbehandeling

      De NZB-rechters streven ernaar om de zaak aan te pakken op de eigen manier. Ze komen tot de conclusie dat ze maatwerk moeten gaan leveren. Maatwerk is binnen de rechtspraak het toverwoord, ook civiele rechtspraak is druk bezig met maatwerk. Bovendien proberen de NZB-rechters een snelle oplossing te bewerkstelligen. Tot 2010 zag je dat de uitkomst van de zaak geen finale geschilbeslechting was maar een kale vernietiging. Op dat moment moest het bestuursorgaan een nieuw besluit nemen. Op het moment dat de burger met dat besluit werd geconfronteerd was hij vaak weer niet tevreden. De NZB-rechter is tevens oplossingsgericht. De zaken worden bovendien veel sneller op zitting geplaatst......read more

      Access: 
      JoHo members
      Werkgroep algemene rechtsleer week 7 (2016/2017)

      Werkgroep algemene rechtsleer week 7 (2016/2017)


      Werkgroep week 7

      A. Waarheidsconcepties en constructietheorie

      1. Conceptuele analyse van het waarheidsbegrip

      In Deel III uit het boek van Derksen zien we een belangrijk voorbeeld van de conceptuele methode terugkeren. Waarheid is namelijk ook een berucht lastig te analyseren concept. Derksen bespreekt drie concepties of theorieën van waarheid (correspondentie, coherentie en constructie). >conceptuele vragen zijn gericht op het achterhalen van de betekenis van begrippen. Hier vraagt men naar de betekenis van het begrip waarheid.

      Beschrijf de drie concepties van waarheid. Om welke redenen acht Derksen uiteindelijk de correspondentietheorie juist (vgl. p. 174)? De drie concepties van waarheid zijn correspondentie, coherentie en constructie. De waarheidsperspectie van coherentie ziet erop dat een gedachte of uitspraak correspondeert met iets in de werkelijkheid. Daar rijst de vraag of de uitspraak overeenkomt met de werkelijkheid.

      De correspondentietheorie gaat er dus vanuit dat waarheid een relatie is tussen de objecten van ons denken aan de ene kant (beweringen, overtuigingen en uitspraken) en aan de andere kant de daaraan beantwoorde feiten die we vinden in de zintuigelijke werkelijkheid. Een voorbeeld is de verhouding tussen mannen en vrouwen. Dit kan je onderzoeken door kwantitatief empirisch onderzoek. De uitspraak dat er meer mannen dan vrouwen zijn is waar als we meer mannen tellen dan vrouwen. Dit kan je ook vertalen naar de strafrechtcontext. Je kunt stellen dat Lucia onschuldig is wanneer zij de moorden en de pogingen tot moord niet gepleegd heeft. Dit is moeilijker. Dit is daarom ook een zwakte van deze theorie. De andere theorieën wijzen erop dat ons kennisapparaat feilbaar is. We kunnen dus niet met zekerheid vaststellen of onze uitspraken corresponderen met de werkelijkheid. Onze kennis zal immers altijd feilbaar zijn.

       

      Bij de coherentietheorie is er sprake van waarheid wanneer er sprake is van samenhang tussen beweringen onderling. Waarheid is een relatie tussen twee objecten van ons denken, namelijk de beweringen, overtuigingen en uitspraken. Tussen de verschillende objecten van ons denken moet een samenhang bestaan, een coherentie. Als dat het geval is, zijn die beweringen vanzelf ook waar. Derksen geeft hierbij een voorbeeld. Er waren een paar kinderen die een aantal keer een Maria-verschijning hadden gezien. Er was gerucht aan gegeven. Er kwamen nog een aantal mensen op af en die zagen een ander wonder, een zonnemirakel. Je zou je hierbij de vraag kunnen stellen.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Overzicht week 7 Integratievak Algemene Rechtsleer (2016/2017)

      Overzicht week 7 Integratievak Algemene Rechtsleer (2016/2017)


      Van pagina 198 in het boek van Ton Derksen is het voldoende dat je begrijpt dat je kunt spreken over de waarschijnlijkheid van verschillende scenario’s. Je kunt dat voorstellen in verschillende schema’s. In de leerdoelen staat dat je kennis en inzicht moet hebben in de concepties van waarheid, waarschijnlijkheid en onmogelijkheid van gebruik van waarschijnlijkheidsargumenten. Bij waarschijnlijkheidsargumentatie kun je verschillende fouten maken, Ton Derksen probeert dit inzichtelijk te maken aan de hand van verschillende formules. Het is hierbij van belang om te weten wat de valkuilen zijn.

      We lezen Ton Derksen binnen het thema van de onbepaaldheid van de waarneming van de feiten. Die onbepaaldheid van de feiten hangt samen met de theoriegeladenheid van de waarneming. De definitie van de onbepaaldheid van de waarneming van de feiten is als volgt: de zintuigelijke prikkels uit de werkelijkheid worden onderbepaald door de waarneming, want er zijn nog andere factoren die van belang zijn voor de manier waarop we die prikkels ervaren. De andere factor is hierbij de kennis. Derhalve kom je aan bij het begrip ‘theoriegeladenheid van de waarneming.’ De zintuigelijke prikkels worden niet volledig bepaald door de waarneming, maar ook door kennis. Dit verklaart de theoriegeladenheid van de waarneming, deze komt tot uitdrukking bij al de verschillende operaties van waarneming.

      Het tweede kernpunt van Derksen ziet op de alledaagse waarheidsvinding en empirische waarheidsvinding. Alledaagse waarheidsvinding is gericht op nut, empirische waarneming is gericht op waarheid. In de alledaagse waarheidsvinding zijn we dus gericht op nut en vragen we ons steeds af wat in ons belang is. Wat bevordert onze overlevingskans? Onze evolutionaire instincten helpen ons bij het nemen van een beslissing. Dit gaat heel snel, dus op deze manier zijn deze evolutionaire instincten een afsnijweg, een short-cut. Het is van belang dat we een snelle beslissing kunnen nemen, om ons in veiligheid te stellen. Hierbij geldt ‘better safe than sorry.’ Het hele punt is dat de evolutionaire instincten ons op een dwaalspoor kunnen zetten in een niet-alledaagse situatie. De strafrechtcontext is daar een voorbeeld van. Hier moeten we heel kritisch kijken naar onze eerste oordelen. Op basis van wetenschappelijk onderzoek moeten we uitmaken of deze oordelen een basis kunnen vinden in de empirische werkelijkheid.

      Je zou je af kunnen vragen waar strafrechtelijke waarheidsvinding zich bevindt. Idealiter gaan ze te werk als wetenschappers. In de praktijk staat er veel sociale druk op de rechters, door de rest van de maatschappij en de media. Strafrechtelijke waarheidsvinding neigt derhalve meer naar alledaagse waarheidsvinding.

      Theoriegeladenheid bij operaties van waarheidsvinding

      De operaties van waarheidsvinding zijn: zoeken, zien, duiden en wegen. Bij duiden is het van belang dat je het bewijsmateriaal gaat interpreteren. Bij het wegen kan het gaan om positief en negatief bewijsmateriaal. Bij alle operaties zie je de spanning tussen alledaagse- en wetenschappelijke waarheidsvinding. Bij alle operaties kun je dus fouten maken als je je te zeer laat leiden door de alledaagse waarheidsvinding.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Hoorcollege algemene rechtsleer week 8 (2016/2017)

      Hoorcollege algemene rechtsleer week 8 (2016/2017)


       

      ‘Een normatief perspectief op procedurele rechtvaardigheid’

      In het landkaartje wordt een onderscheid gemaakt tussen het empirische en het normatieve perspectief. Bij procedurele rechtvaardigheid kijk je naar ervaringen van burgers met het recht. In dit college kijken we naar het normatieve aspect. Daarbij kijk je hoe de rechtsspraak eruit zou moeten zien, de ethiek speelt daarbij de hoofdrol. De centrale vraag van het hoorcollege is als volgt: Welke kenmerken moeten de rechtspraak en rechter hebben om gezag te behouden in de huidige tijd?

      Procedurele rechtvaardigheid wordt tegenwoordig gezien als het belangrijke punt om het gezag van rechtspraak vast te houden. Bij gezag kun je denken aan de acceptatie van de rechterlijke uitspraak, door de betrokken partijen en de samenleving, en het vertrouwen in de rechtspraak. In de huidige tijd wordt ook wel gezegd dat het gezag onder druk staan. We zien de boze burgers die zich op allerlei media uiten (rechterlijke straffen zijn te laag, uitspraken zijn moeilijk te begrijpen, burgers voelen zich niet gehoord). Rechters zelf klagen over de werkdruk bij de gerechten. De Raad voor de Rechtspraak stelt bovendien allerlei normen, over hoe de zaak afgedaan moet worden en hoeveel tijd rechters hebben.

      In dit college kijken we hoe het gezag verankerd kan blijven in ons samenleving. Dit doen we aan de hand van een normatieve analyse van de volgende teksten:

      • Rechtspraak in de samenleving: institutionele ethiek (Hol en Loth)
      • Rechter in de rechtszaal: professionele ethiek (Van Domselaar)

      De professionele ethiek focust zich op de persoon van de rechter.

      Legitimiteit: de institutie van de rechtspraak

      Hol en Loth zeggen hierbij dat je naar de juridische procedures moet kijken. De procedures moeten aansluiten bij een modern rechtsbegrip, dit noemen ze de iudex mediator. Er is echter ook een klassiek rechtsbegrip. De procedures sluiten aan door geïnstitutionaliseerde ethiek, waarin de nadruk wordt gelegd op procedurele rechtvaardigheid.

      Het klassieke rechtsbegrip sluit aan bij het recht zoals dat is ontstaan vanuit de sociale contractstheorie. Je kunt hierbij denken aan de natuurtoestand, zoals deze door Hobbes is beschreven. De ene mens is hierbij een wolf voor de andere mens. De mensen sluiten hierbij een contract, om in vrede met elkaar samen te leven. In het klassieke recht staan algemene regels centraal. Deze maken het mogelijk om met elkaar samen te leven. De focus ligt op maatschappelijke ordening tussen alle individuen. In een moderne samenleving volstaat dit rechtsbegrip niet. Daarom is naast het klassieke rechtsbegrip het moderne rechtsbegrip ontstaan......read more

      Access: 
      JoHo members
      Werkgroep algemene rechtsleer week 8 (2016/2017)

      Werkgroep algemene rechtsleer week 8 (2016/2017)


      A. Legitimatie en legitimiteit van de rechtspraak

      Een kernbegrip dat in veel teksten wordt gehanteerd, is het concept legitimiteit/legitimatie. In het bijzonder gaat het dan om de legitimiteit van de rechtspraak, zoals bedoeld in de term ‘democratische legitimiteit van rechterlijke rechtsvorming’. Hoewel er in de teksten verschillende varianten van het concept ‘legitimiteit’ worden onderscheiden, wordt eigenlijk nergens uitgelegd wat het begrip zelf inhoudt. Zou u aan kunnen geven hoe de kern van het begrip begrepen kan worden? Je zou een onderscheid kunnen maken tussen het gezag van de rechtspraak en het gezag van de rechter. Het gezag van de rechtspraak ziet op een institutioneel gezag. De vraag naar het gezag van de rechter gaat over persoonlijk gezag. Legitimatie betekent een wettelijke grondslag voor het overheidsoptreden (WRR-rapport). Het is de vraag in hoeverre het gezag van de rechter democratisch is gelegitimeerd. Aan de hand van het WRR-rapport zou je dus kunnen zeggen dat de legitimiteit is gelegen in de democratische basis van gezag. Je zou hierbij de vraag kunnen stellen of het een normatieve of een descriptieve opvatting is van legitimiteit. Je zou op twee manieren aan kunnen kijken naar het gezag van de rechter. Als je de opvattingen van verschillende rechtsdeelnemers als uitgangspunt neemt heb je een descriptieve visie op gezag. Je zou ook kunnen vragen waaraan de rechter zijn gezag dient te ontlenen. Dit is een meer normatieve vraag. Dan zou je als antwoord kunnen geven dat in een rechtsstaat of in een democratie het gezag van de rechter moet berusten op de wil van het volk. Juist die rechterlijke legitimatie is problematisch, vanuit het perspectief van de democratie. Rechters zijn immers niet gekozen maar benoemd. Je zou kunnen zeggen dat de rechter bepaalde democratische legitimatie mist. Als je daarop let, zou je moeten zeggen dat de rechter enigszins terughoudend moet zijn bij het nemen van beslissingen en dat hij zich zo veel mogelijk moet houden aan de wettelijke bewoordingen van de wet. Dit omdat de wet door de wetgever is vastgesteld en omdat de wetgever door het volk is gekozen.

      In de wet zijn bepaalde waarborgen opgenomen die het gezag van de rechter ook weer legitimeren. Je kunt hierbij denken aan de normen die over een eerlijk proces gaan. Daar gaat het immers over het feit hoe de rechter tot zijn beslissing moet komen. Als de rechter al deze regels in acht neemt, kan zijn beslissing worden gelegitimeerd. Dit kan een bredere opvatting zijn van de democratische legitimatie.

      De descriptieve benadering gaat uit van hoe wij als deelnemers van de samenleving kijken naar de legitimatie van de rechter. De descriptieve.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Overzicht week 8 Integratievak Algemene Rechtsleer (2016/2017)

      Overzicht week 8 Integratievak Algemene Rechtsleer (2016/2017)


      De eerste vier weken zijn gedeeltelijk al getoetst, waardoor we hier maar een vraag over zullen krijgen op het tentamen. De teksten van week 5 tot en met week 8 zijn van belang.

      We hebben het nu over de toekomstbestendigheid van de rechter. We hebben gezien dat er problemen zijn met de vaststelling van de rechtsregels en de feiten. Er zijn bepaalde complicaties bij de rechtsvinding en bij de waarheidsvinding. Het zou heel mooi zijn als we de rechtsvinding en de waarheidsvinding met elkaar in verband kunnen brengen. In dat kader moeten we stil staan bij Ton Derksen. Ton Derksen had het over de waarheidsvinding en is behandeld in het kader van de onbepaaldheid van de feiten. Derksen heeft verschillende concepties van waarheid besproken:

      De correspondentietheorie

      De constructietheorie

      De coherentietheorie

      Deze gaan uit van verschillende visies van de bepaaldheid van de feiten. Het is interessant om een verband te leggen tussen de verschillende concepties van waarheidsvinding aan de ene kant en de visies van rechtsfilosofie de we besproken hebben in thema 1.

      De correspondentietheorie zegt dat je van een bepaalde uitspraak kunt onderzoeken in hoeverre hij correspondeert met feiten uit de zintuigelijke werkelijkheid. Je kunt je afvragen in hoeverre de waarneming door de zintuigelijke prikkels is bepaald. De correspondentietheorie lijkt te veronderstellen dat we een een-op-een relatie kunnen vaststellen tussen een uitspraak en feiten uit de zintuigelijke werkelijkheid. Je zou kunnen zeggen dat de correspondentietheorie de minst problematische opvatting van waarheidsvinding is. Je zou kunnen zeggen dat het lijkt wat Hart zegt, want hij stelt dat je in een eenvoudig geval de rechtsregels direct kunt toepassen op de feiten. Je zou ook een verband kunnen leggen met het formalisme. Je kan immers zeggen dat de rechtsregel een van een van toepassing kan zijn op de feiten.

      De constructietheorie zegt dat de waarneming van de feiten in grote mate onbepaald is. Waarheid berust uiteindelijk op conventies over wie uiteindelijk bevoegd is om te zeggen wat waarheid is. Deze opvatting kan je verbinden met het rechtsrealisme, die er vanuit gaat dat het recht bestaat uit voorspellingen en beslissingen van rechters. Bij deze theorie is een beslissing van de autoriteit nodig om te bepalen wat waarheid is. De autoriteit van de rechter berust op stilzwijgende afspraken die wij hebben gemaakt. We kunnen deze theorie verbinden aan de rechtspraak in moeilijke gevallen. Hart neemt een middenpositie in. Aan de ene kant heb je het formalisme en aan de andere kant heb je het regelscepticisme.

      Je ziet dus dat de opvatting van rechtsregels en feiten leidt tot een bepaald probleem. Dat wordt met name geaccentueerd door de regelsceptici en de feitensceptici, dus de constructivistische theorie. Dat plaatst ons voor een uitdaging. We moeten dus de vraag beantwoorden in hoeverre de rechtspraak ook nog toekomstbestendig is.

      De coherentietheorie kun je verbinden aan Dworkin. Je moet dus zorgen dat alles bij elkaar moet passen. LET OP! Hoogstwaarschijnlijk.....read more

      Access: 
      JoHo members
      Check how to use summaries on WorldSupporter.org


      Online access to all summaries, study notes en practice exams

      Using and finding summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter

      There are several ways to navigate the large amount of summaries, study notes en practice exams on JoHo WorldSupporter.

      1. Starting Pages: for some fields of study and some university curricula editors have created (start) magazines where customised selections of summaries are put together to smoothen navigation. When you have found a magazine of your likings, add that page to your favorites so you can easily go to that starting point directly from your profile during future visits. Below you will find some start magazines per field of study
      2. Use the menu above every page to go to one of the main starting pages
      3. Tags & Taxonomy: gives you insight in the amount of summaries that are tagged by authors on specific subjects. This type of navigation can help find summaries that you could have missed when just using the search tools. Tags are organised per field of study and per study institution. Note: not all content is tagged thoroughly, so when this approach doesn't give the results you were looking for, please check the search tool as back up
      4. Follow authors or (study) organizations: by following individual users, authors and your study organizations you are likely to discover more relevant study materials.
      5. Search tool : 'quick & dirty'- not very elegant but the fastest way to find a specific summary of a book or study assistance with a specific course or subject. The search tool is also available at the bottom of most pages

      Do you want to share your summaries with JoHo WorldSupporter and its visitors?

      Quicklinks to fields of study (main tags and taxonomy terms)

      Field of study

      Comments, Compliments & Kudos:

      Add new contribution

      CAPTCHA
      This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
      Image CAPTCHA
      Enter the characters shown in the image.
      Access level of this page
      • Public
      • WorldSupporters only
      • JoHo members
      • Private
      Statistics
      1752