Inleiding Bestuursrecht Tentamens


Inleiding Bestuursrecht Tentamen 1

1. 'Een veehouderij wil zijn veestapel uitbreiden. Hij vraagt hiervoor een vergunning aan. Door de veestapel uit te breiden zal de veehouder de wettelijke maximaal toegestane mestproductie overschrijden. De vergunning wordt geweigerd.

De bevoegdheid om een vergunning voor een veehouderij te weigeren:

A. Kan worden gekwalificeerd als een discretionaire bevoegdheid.
B. Kan niet worden gekwalificeerd als een discretionaire bevoegdheid.

2. Welk van de onderstaande stellingen over spontane vernietiging is juist?

A. Aan de procedure van spontane vernietiging kan schorsing van het te vernietigen besluit vooraf gaan.
B. Bij het besluit tot spontane vernietiging kan niet worden bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit ten dele in stand blijven.
C. Spontane vernietiging van een besluit door een hoger bestuursorgaan is alleen mogelijk wegens strijd met het recht.
D. Tegen een besluit tot spontane vernietiging staat op grond van de Awb beroep open bij de bestuursrechter.

3. In een uitspraak van de ABRvS komt de volgende passage voor:

'De Afdeling is (...) van oordeel dat de minister bij de totstandkoming van het besluit de mogelijke ingrijpende gevolgen van het besluit voor appellant niet afdoende heeft afgewogen. Het besluit kan derhalve niet in stand blijven.'

Op grond van welk algemeen beginsel van behoorlijk bestuur vernietigt de ABRvS in bovenstaande passage het bestreden besluit?

A. Op grond van het specialiteitsbeginsel.
B. Op grond van het fair play-beginsel.
C. Op grond van het gelijkheidsbeginsel
D. Op grond van het evenredigheidsbeginsel

4. Met het woord ‘beroep’ in de titel van hoofdstuk 6 van de Awb wordt zowel administratief beroep bij een bestuursorgaan als beroep op de bestuursrechter bedoeld.

A. Dit is onjuist.
B. Dit is juist.

5. Arjen wil heel graag in de zomer kunnen zwemmen zonder dat hij hiervoor naar een openbaar zwembad hoeft. Om dit te bereiken heeft hij  bij het college van burgemeester en wethouders een vergunning aangevraagd voor de aanleg van een zwembad in zijn achtertuin. Voor de verdere afhandeling van de aanvraag heeft hij zijn zoon, Jasper, gemachtigd conform artikel 2:1 lid 1 Awb.

Beoordeel de volgende stelling: Jasper is door de machtiging belanghebbende bij het besluit op de aanvraag geworden.

A. Deze stelling is juist.
B. Deze stelling is onjuist.

6. Iris is op vakantie geweest in Amerika en daar heeft zij de trend van de foodtrucks opgepikt. Ze denkt een gat in de markt gevonden te hebben en begint haar eigen TacoWagen voor haar huis. Helaas heeft zij hier niet de benodigde vergunning voor. Een bevoegd ambtenaar van de gemeente komt bij haar langs en legt Iris ter plekke, mondeling, een boete op van 200 euro wegens overtreding van de Algemene Plaatselijke Verordening.

Op welk moment is de oplegging van de boete een besluit in de zin van de Awb?

A. Vanaf het moment dat de ambtenaar zijn mondeling gegeven besluit op schrift heeft gesteld en aan Iris bekend heeft gemaakt.
B. Vanaf het moment dat de ambtenaar zijn mondeling gegeven besluit op schrift heeft gesteld.
 

7. Op 8 april 2014 beslist het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Laren om de Langsakker in Laren voor een periode van vijf weken af te zetten met het oog op werkzaamheden aan het riool. Meneer de Vries bezit een kapitale villa aan deze weg en wil graag een e-mail aan het college sturen over deze beslissing en vraagt aan u of artikel 2:13 lid 1 Awb van toepassing is.

Op deze beslissing:

A. is artikel 2:13 lid 1 Awb niet van toepassing, omdat de herbestratingswerkzaamheden niet als een besluit in de zin van de Awb kunnen worden gekwalificeerd.
B. is artikel 2:13 lid 1 Awb van toepassing, omdat het college een bestuursorgaan in de zin van artikel 1:1 lid 1 onder a Awb is.

8. In het artikel ‘De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ van J.E.M. Polak, dat was opgenomen in de reader, komt het Kroonberoep ter sprake. Welk van de onderstaande stellingen over het Kroonberoep is onjuist?

A. De Kroon verrichtte zowel een doelmatigheids- als een rechtmatigheidstoets.
B. De mogelijkheid van rechtsbescherming bij de Kroon vond haar grondslag in de Struyckiaanse opvatting dat rechtsbescherming tegen overheidshandelen binnen het openbaar bestuur zou moeten plaatsvinden.
C. Voor de komst van de Awb stond rechtsbescherming tegen overheidshandelen open bij de Kroon.
D. De Afdeling voor de geschillen van bestuur van de Raad van State bracht een juridisch bindend advies uit aan de Kroon.

9. Stel: de Dienst Koninklijk Huis ondersteunt de Koning bij zijn dagelijkse huishoudelijke werkzaamheden en wordt voor 100% betaald door de minister van Algemene Zaken. De Dienst heeft geen zelfstandige plaats in de wet en kan geen eenzijdig bindende besluiten nemen. De Dienst is over haar werkzaamheden geen verantwoording verschuldigd aan de minister.

Welk van de onderstaande stellingen is juist?

A. De Dienst Koninklijk Huis is een zelfstandig bestuursorgaan.
B. De Dienst Koninklijk Huis is een a-orgaan.
C. De Dienst Koninklijk Huis is een b-orgaan.
D. De Dienst Koninklijk Huis is geen bestuursorgaan.

10. Op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek bezit de Universiteit Leiden rechtspersoonlijkheid.

Beoordeel de volgende stelling: Het hebben van publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid maakt de Universiteit Leiden een bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1:1 lid 1, aanhef en onder a Awb.

A. Deze stelling is juist
B. Deze stelling is onjuist.

11. Uit de uitspraak Kwantum Nederland B.V./Praxis en Maxis (ABRvS 9 mei 1996, AB 1997, 93) volgt dat de rechter ook aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur toetst als het bestuursorgaan gebruik maakt van een discretionaire bevoegdheid.

A. Dit is onjuist.
B. Dit is juist.

12. De Nederlandse Zorgautoriteit heeft bij besluit van 1 maart 2015 de wettelijk voorgeschreven tarieven voor tandartsenbehandelingen in Nederland vastgesteld. Pedro woont in Spanje en heeft daar een tandartsenpraktijk. Pedro krijgt last van de warmte in Spanje overweegt om zich in de toekomst in Nederland te vestigen als tandarts. Hij denkt dat hij bij die vestiging kan worden belemmerd door de in zijn ogen onredelijke tarieven die in het besluit zijn vastgesteld. Als hij deze tarieven zou moeten hanteren, verwacht Pedro niet zo veel clientèle als hij nu heeft.

Is Pedro op grond van artikel 1:2 lid 1 Awb belanghebbende bij het besluit van de Nederlandse Zorgautoriteit?

A. Nee, hij is geen belanghebbende omdat hij nog geen concrete plannen heeft om zich in Nederland te vestigen.
B. Ja, hij is belanghebbende en heeft rechtstreeks belang omdat er een causaal verband bestaat tussen de vaststelling van de tarieven en zijn vestigingsmogelijkheden in Nederland.
C. Ja, hij is belanghebbende en voldoet onder meer aan de concurrentiecriteria voor het hebben van persoonlijk belang.
D.Nee, hij is geen belanghebbende omdat hij op 1 maart 2015 geen ingezetene van Nederland is en alleen ingezetenen belanghebbende kunnen zijn op grond van de Awb.

13. Uit het arrest Guldemond/Noordwijkerhout (HR 31 december 1915, NJ 1916, p. 407) volgt dat:

A. de burgerlijke rechter bevoegd is van een geschil tussen een burger en de overheid kennis te nemen, afhankelijk van de rechtsverhouding die tussen partijen in het geschil centraal staat.
B.de burgerlijke rechter bevoegd is van een geschil tussen een burger en de overheid kennis te nemen, afhankelijk van de eis die bij de burgerlijke rechter naar voren wordt gebracht.
C. de burgerlijke rechter een besluit kan vernietigen, mits eerst een bestuursrechtelijke voorprocedure is doorlopen.
D.de burgerlijke rechter zich ten aanzien van bestuursrechtelijke zaken onbevoegd zal verklaren, als de eiser ook een procedure bij de bestuursrechter had kunnen doorlopen.

14. Welk(e) van de volgende stellingen over de marginale toetsing door de bestuursrechter is/zijn juist?

I. De leer van de trias politica brengt mee dat de rechter de uitoefening van vrije bestuursbevoegdheden marginaal toetst.

II. Als de rechter marginaal toetst, toetst hij louter de doelmatigheid en niet de rechtmatigheid van het besluit.

A. Stelling I is juist, stelling II is onjuist.
B.Stelling I is onjuist, stelling II is juist.
C.Beide stellingen zijn juist.
D.Beide stellingen zijn onjuist.

15. Stel: ‘Labyrint’, de studievereniging voor Psychologie vindt haar bestuurskamer in de faculteit te klein. De vereniging wil graag een eigen kantoor bouwen in het Van der Werf-park en vraagt een daartoe strekkende vergunning aan. De aanvraag wordt door het college van burgemeester en wethouders van Leiden afgewezen. Omdat het bestuur niet beschikt over al te veel juridische kennis vragen zij twee rechtenstudenten om advies. Volgens Fay is de vereniging nu belanghebbende bij de afwijzing omdat dit besluit aan de vereniging is gericht. Eloïse meent echter dat de vereniging eerst naar haar statuten en feitelijke werkzaamheden moet kijken voordat ze kan beoordelen of ze belanghebbende is.

Wie heeft gelijk?

A. Fay.
B.Eloïse.

16. Artikel 3:49 Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een voorbeeld van:

A. Facultatief recht.
B.Aanvullend recht.
C.Dwingend recht.
D.Regelend recht.

17. Welk(e) van de volgende uitspraken over de heroverwegingsplicht van artikel 7:11 Awb is/zijn juist?

I. De heroverweging door het bestuursorgaan heeft niet alleen betrekking op de rechtmatigheid van het bestreden besluit, maar ook op de doelmatigheid ervan.

II. Bij de heroverweging door het bestuursorgaan mogen feiten en omstandigheden die zich na het nemen van het primaire besluit hebben voorgedaan worden meegenomen.

A. Stelling 1 is juist, stelling II is onjuist.
B. Stelling I is onjuist, stelling II is juist.
C.Beide stellingen zijn juist
D. Beide stellingen zijn onjuist.

18. Klaas heeft onlangs promotie gemaakt. Omdat de zaken goed gaan wil hij graag zijn droom uit laten komen, het bouwen van een eigen huis. Om dit te realiseren dient hij een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden wijst zijn aanvraag af. De beslissing is door ambtenaar Hans genomen namens het college. Klaas is het niet met de afwijzing eens en maakt bezwaar.

Mag Hans nu namens het college beslissen op het bezwaarschrift van Klaas?

A. Nee, een ander bestuursorgaan dan het college moet over het bezwaarschrift beslissen.
B. Nee, een andere ambtenaar moet namens het college over het bezwaarschrift beslissen als het college dat door een ambtenaar wil laten doen.
C. Ja, zolang Hans deze bevoegdheid gemandateerd heeft gekregen van het college.
D. Ja, zolang Hans deze bevoegdheid gedelegeerd heeft gekregen van het college.

19. Welk van de onderstaande stellingen over delegatie en mandaat is juist?

A. Voor het beëindigen van mandaat is vereist dat zowel de mandaatgever als de gemandateerde toestemmen met de intrekking van het mandaat.
B. Een algemeen verbindend voorschrift kan verbieden dat een toegekende bestuursbevoegdheid wordt gemandateerd.
C. Wanneer een bestuursbevoegdheid is gedelegeerd van het ene bestuursorgaan aan het andere bestuursorgaan, kunnen beide bestuursorganen de bestuursbevoegdheid uitoefenen.
D.De bevoegdheid tot delegatie van een bestuursbevoegdheid moet zijn neergelegd in een wet in formele zin.

20. Op grond van de Vreemdelingenwet 2000 is de staatssecretaris van V&J bevoegd op aanvraag van een vreemdeling asiel te verlenen. Stel dat de beslistermijn voor deze beschikking niet in de Vreemdelingenwet, maar in het Vreemdelingenbesluit 2000 is opgenomen (dit is een algemene maatregel van bestuur). Het Vreemdelingenbesluit 2000 geeft de staatssecretaris een termijn van 28 weken om op de aanvraag te beslissen.

Voldoet deze termijn van 28 weken aan de eis uit artikel 4:13 Awb?

A. Nee, een algemene maatregel van bestuur is geen 'wettelijk voorschrift' als bedoeld in artikel 4:13 lid 1 Awb.
B. Ja, want artikel 4:13 Awb is alleen van toepassing als een bijzondere wettelijke regeling dat bepaalt.
C. Ja, want artikel 4:13 Awb geeft alleen een regel als de bijzondere wettelijke regeling niets vermeldt.
D. Nee, artikel 4:13 Awb stelt de eis van een 'redelijke termijn' en die is al na 8 weken verstreken.

21. De politieke partij Partij voor de Dieren is een vereniging. Beoordeel de volgende stelling: Bij een verlening van een vergunning aan Luchthaven Lelystad Vastgoed N.V. om een extra landingsbaan mogelijk te maken, is Partij voor de Dieren belanghebbende op grond van artikel 1:2 lid 3 Awb.

A. Deze stelling is onjuist.
B. Deze stelling is juist.

22. Een besluit kan een beschikking zijn op grond van het persoonscriterium of op grond van het zaakscriterium. Welk van de onderstaande besluiten is een beschikking op grond van het zaakscriterium?

A. De verlening van een omgevingsvergunning voor een verbouwing van het Kamerlingh Onnes Gebouw in Leiden.
B. De uitvaardiging van een parkeerverbod voor de Breestraat in Leiden.
C. De aanwijzing tot beschermd natuurmonument van het park Cronesteyn in Leiden.
D. De verlening van een terrasvergunning voor Café Barrera in Leiden.

23. Voor het zijn van belanghebbende in de zin van artikel 1:2 lid 3 Awb is onder meer vereist dat een rechtspersoon feitelijke werkzaamheden verricht. Voor dit vereiste is niet voldoende dat een rechtspersoon in rechte opkomt tegen besluiten.

A. Dit is juist.
B. Dit is onjuist.

24. Stel: het college van burgemeester en wethouders van Leiden besluit een parkeerverbod in te stellen voor de Rapenburg in Leiden. Het besluit is niet tot één of meer belanghebbenden gericht.

In welk van de volgende situaties is het besluit op de door de Awb voorgeschreven wijze bekend gemaakt?

A. Situatie 1: Bekendmaking van het besluit geschiedt door kennisgeving van het besluit in het door de gemeente Leiden uitgegeven huis-aan-huisblad.
B. Situatie 2: Bekendmaking van het besluit geschiedt door toezending van het besluit aan de bewoners van de woningen gelegen aan de Kanaalweg.
​​​​​​​C. Situatie 3: Bekendmaking van het besluit geschiedt door publicatie van een nieuwsbericht op de website van de gemeente Leiden.
​​​​​​​D. Situatie 4: Bekendmaking van het besluit geschiedt door kennisgeving van het besluit in de Staatscourant.

25. Bestuursorgaan A kan een bestuursbevoegdheid pas delegeren aan bestuursorgaan B als deze bestuursbevoegdheid eerst aan bestuursorgaan A is geattribueerd.

A. Dit is juist.
B. Dit is onjuist.

26. In de uitspraak LTO Noord (ABRvS 23 augustus 2006, AB 2006, 365):

A. toetst de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State aan het afstands- en zichtcriterium.
​​​​​​​B. oordeelt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State dat LTO Noord als bestuursorgaan moest worden aangemerkt.
​​​​​​​C. oordeelt de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State dat LTO Noord niet-ontvankelijk moest worden verklaard.
​​​​​​​D. toetst de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State ambtshalve of aan het belanghebbendenvereiste is voldaan.

27. Welk van de volgende stellingen over algemeen verbindende voorschriften is juist?

A. Tegen algemeen verbindende voorschriften kan op grond van de Awb beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter.
B. Op algemeen verbindende voorschriften is afdeling 3.6 van de Awb van toepassing.
​​​​​​​C. Algemeen verbindende voorschriften kunnen niet de grondslag voor nieuwe bevoegdheden vormen.
​​​​​​​D. Algemeen verbindende voorschriften kunnen zowel in wetten in formele zin als in lagere regelgeving worden gevonden.

28. De minister van Defensie besluit op verzoek van een private partij een aantal leegstaande barakken op de Veluwe te verkopen. Omdat ook andere partijen in de leegstaande barakken zijn geïnteresseerd, nodigt ze alle gegadigden voor een gesprek op haar ministerie uit. Na afloop van het gesprek zal de minister met een aantal van haar ambtenaren beslissen wie de barakken tegen welke prijs mag overnemen.

Welke stelling over het handelen van de minister is juist?

A. Op grond van artikel 3:46 Awb dient de minister na afloop van het gesprek haar beslissing inhoudelijk te motiveren.
B. Op grond van artikel 3:42 Awb dient de minister na afloop van het gesprek haar beslissing te publiceren in de Staatscourant.
C. Op grond van artikel 2:4 Awb moet de minister controleren of de meebeslissende ambtenaren geen privébelang bij de verkoop hebben.
D. Geen van bovenstaande stellingen is juist. De Awb is op dit handelen van de minister niet van toepassing.

29. Stel: u organiseert een groot studentenhockeyfeest op de hockeyclub LOHC. Om dit te kunnen doen heeft u een vergunning aangevraagd en ook gekregen. De omwonenden zijn het er niet mee eens en maken bezwaar. Hun bezwaar wordt gegrond verklaard en uw vergunning wordt alsnog geweigerd. U gaat in beroep bij de bestuursrechter en voert aan dat de omwonenden veel te laat in bezwaar zijn gekomen. De rechter komt tot dezelfde conclusie en vindt inderdaad dat het bestuursorgaan de omwonenden niet-ontvankelijk had moeten verklaren in hun bezwaar.

Hoe kan de bestuursrechter dit geschil zo definitief mogelijk beslechten?

A. De bestuursrechter kan zelf in de zaak voorzien op grond van artikel 8:72 lid 3 aanhef en onder b Awb.
B. De bestuursrechter kan de rechtsgevolgen van het besluit in stand laten op grond van artikel 8:72 lid 3 aanhef en onder a Awb.

30. Nienke bezit een groot landgoed in de bossen van wassenaar. Hier staat al sinds jaar en dag een oud huisje welke niet meer in gebruik is. Omdat ze de grond graag zou gebruiken voor haar moestuin besluit ze het huisje te slopen. Ze heeft hier een vergunning voor gekregen. De buurman heeft bezwaar gemaakt, hij vindt dat het huisje cultureel erfgoed is in de bossen en dus behouden moet blijven. Nienke zit hier echter totaal niet op te wachten en wil zo snel mogelijk beginnen met slopen.

Welke stelling is juist?

A. Nienke moet wachten tot het bestuursorgaan op het bezwaarschrift van haar buurman heeft beslist.
​​​​​​​B. Nienke hoeft de beslissing niet af te wachten, maar mag het huisje onmiddellijk (laten) slopen.

31. Welk van de onderstaande reeksen geeft het meest volledige beeld van de hoofdstukken en titels uit de Awb die op een (verleende) subsidiebeschikking van toepassing zijn?

A. Hoofdstuk 4, hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 Awb.
​​​​​​​B. Hoofdstuk 4, maar dan alleen titel 4.2 Awb.
​​​​​​​C. Hoofdstuk 3, titel 4.1, titel 4.2 en hoofdstuk 5 Awb.
​​​​​​​D. Hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en titel 4.1 Awb.

32. Boer Stel uit Finsterwolde (arrondissement Noord-Nederland) laat zijn dieren geregeld zwaar werk doen waar de dieren eigenlijk niet toe in staat zijn. Dat is verboden op grond van de Wet Dieren. Op grond van artikel 8.7 Wet Dieren is de minister van Economische Zaken bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen ter handhaving van dit verbod. Boer Stel krijgt dan ook een brief van de minister uit Den Haag waarin hem een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

Bij welke bestuursrechter kan Stel dit besluit volgens de regels van de Awb in eerste aanleg aanvechten?

A. Bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
B. Bij de rechtbank Rotterdam, afdeling bestuursrecht.
C. Bij de rechtbank Den Haag, afdeling bestuursrecht.
D. Bij de rechtbank Noord-Nederland, afdeling bestuursrecht.

33. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen neemt op 2 april 2015 het besluit de Oosterstraat te verbreden. Veel bewoners van de naastgelegen Oosterpoortbuurt vrezen voor een toename overlast wegens de vele fietsers en bussen in hun wijk als gevolg van de verbreding van de weg. De bewoners verenigen zich daarom in het Bewonerscollectief Oosterpoort, dat een bestuursrechtelijke procedure start tegen het besluit tot verbreding van de Oosterstraat.

Welk van de volgende vragen is niet relevant voor de vaststelling van de belanghebbendheid van het Bewonerscollectief?

A. De vraag of het collectief kan worden aangemerkt als een rechtspersoon.
B. De vraag of het belang van het collectief zich voldoende onderscheidt van dat van de bewoners afzonderlijk.
C. De vraag of het collectief een rechtstreeks geraakt en actueel belang heeft bij het besluit.
D. De vraag naar de statutaire doelstelling en de feitelijke werkzaamheden van het collectief

34. In vervolg op de vorige vraag: Vincent woont op 2 april 2015 nog in Zwolle maar heeft een huis aan de Oosterstraat gekocht. Hij is op 3 maart 2015 officieel eigenaar van het huis geworden. Per 1 mei 2015 heeft hij het huurcontract van zijn woning in Zwolle opgezegd. Vanaf die datum hoopt hij zijn nieuwe huis in Groningen te kunnen betrekken. Het besluit van het college van Groningen om de Oosterstraat te verbreden is een domper. Vincent vreest dat de verbreding van de weg zal leiden tot grote (milieu)overlast en wil tegen het besluit van het college procederen.

Is Vincent belanghebbende in de zin van de Awb?

A. Nee, want hij heeft geen actueel belang.
B. Ja, want hij voldoet aan alle opera-criteria.
C. Nee, want hij heeft geen persoonlijk belang.
D. Nee, want hij heeft geen objectief belang.

35. De burgemeester van Maastricht wijst een binnengekomen aanvraag voor een uitwegvergunning af. Dit besluit is genomen op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van Maastricht. De betreffende aanvraag is gedaan door boer Harms. Door het realiseren van de uitrit zou hij zijn producten veel makkelijker kunnen transporteren en levert het hem veel meer geld op. Boer Harms meent dat zijn belang onvoldoende is meegewogen nu hij wordt beperkt in zijn eigendomsvrijheid als hij geen uitrit mag realiseren van zijn eigen perceel naar de openbare weg.

Hoe verloopt de rechterlijke rechtsbeschermingsprocedure tegen dit besluit?

A. Er staat beroep in eerste en in enige aanleg bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) open.
B. Eerst in beroep bij de rechtbank, afdeling civiel, daarna in hoger beroep bij het Gerechtshof en tot slot in cassatie bij de Hoge Raad.
​​​​​​​C. Eerst in beroep bij de rechtbank, afdeling bestuursrecht, daarna in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
D. Er staat geen bestuursrechtelijke procedure open tegen een afwijzing. Een afwijzing is namelijk geen besluit in de zin van de Awb.

36. Uit de uitspraak Gedoogverklaring Mariekerke (ABRvS 15 april 1994, AB 1994, 619) volgt dat:

A. een bestuursorgaan geen bestuursdwang mag toepassen als het gaat om een kleine overtreding.
B. een illegale situatie met een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan worden toegestaan.
C. de weigering van een gedoogverklaring alleen is toegestaan als het bestuursorgaan deze weigering tijdig van tevoren aankondigt.
D. de weigering van een gedoogverklaring door een bestuursorgaan niet op enig rechtsgevolg is gericht.

37. De Stichting Reclame Code is op initiatief van het bedrijfsleven en consumentenorganisaties in het leven geroepen. Aan de Stichting Reclame Code zijn geen wettelijke bevoegdheden toegekend. De Stichting behandelt louter op basis van zelfregulering klachten over reclame-uitingen van bedrijven. Dit doet zij aan de hand van de Nederlandse Reclame Code, die is opgesteld door verschillende partijen die samen het adverterend bedrijfsleven representeren.

Beoordeel de volgende stelling: De Stichting Reclame Code is een b-orgaan, aangezien het beschermen van consumenten tegen ongeoorloofde reclame-uitingen een publieke taak is.

A. Deze stelling is juist.
​​​​​​​B. Deze stelling is onjuist.

38. Anne ontvangt sinds haar ongeluk in 2005 een arbeidsongeschiktheidsverklaring. Na jaren van doktersbehandelingen lijkt het eindelijk aan te slaan en in 2014 is haar arbeidsongeschiktheid aanmerkelijk verminderd. Dit is reden voor het UWV om de uitkering stop te zetten. Anne is het hier niet mee eens. Zij meent dat dit besluit in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM (bescherming van eigendom).

Anne kan het EVRM in een nationale procedure bij de bestuursrechter:

A. inroepen, mits zij tegelijkertijd een klacht indient bij het EHRM in Straatsburg dat zich dient uit te spreken over de uitleg van het EVRM.
​​​​​​​B. niet inroepen, omdat het EVRM alleen ‘civil rights and obligations’ beschermt en dus niet van toepassing is op uitkeringen.
​​​​​​​C. inroepen, omdat het EVRM in beginsel ook van toepassing is op bestuursrechtelijke geschillen voor de nationale rechter.
D. niet inroepen, omdat het EVRM geen ‘een ieder verbindende bepalingen’ in de zin van artikel 93 Grondwet bevat

39. Zoek artikel 14 lid 2 van de Rijkswet op het Nederlanderschap op. Dit artikellid gaat over de bevoegdheid tot intrekking van het Nederlanderschap.

Beoordeel de volgende stelling: De rechter dient de uitoefening van deze bevoegdheid marginaal te toetsen.

A. Deze stelling is juist.
​​​​​​​B. Deze stelling is onjuist.

40. Tijdens het hoorcollege over rechtsbescherming is het wetsvoorstel ‘Wet organisatie hoogste bestuursrechtspraak’ besproken. In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld om de huidige bestuursrechtelijke rechtsgang bij de bijzondere bestuursrechters (ABRvS, CRvB, CBb) te wijzigen.

Beoordeel de volgende stelling: Als het wetsvoorstel wet wordt, blijft in Nederland aparte, buiten de (gewone) rechterlijke macht georganiseerde, bestuursrechtspraak bestaan.

A. Deze stelling is juist.
​​​​​​​B. Deze stelling is onjuist.

Onderdeel B: Open vraag

Barbecueboten in Kaag en Braassem

Michiel Veenstra, woonachtig in Rotterdam, heeft al jaren een affiniteit met het water. Hij heeft op vakantie in Portugal kennisgemaakt met het fenomeen barbecueën op het water. Om van zijn hobby zijn werk te kunnen maken wil hij een bedrijf opzetten dat waterliefhebbers deze mogelijkheid biedt in Nederland. Na grondig onderzoek is hij uitgekomen op het recreatiegebied rond de Kaag. Zijn bedoeling is om boten aan te schaffen waarop een barbecue gevestigd is zodat mensen kunnen barbecueën terwijl ze genieten van de mooie omgeving. Omdat Michiel niet zo veel kennis heeft van wet- en regelgeving schakelt hij zijn oude vriendin Coosje in, die werkt als bestuursrechtadvocate.

Coosje heeft voor Michiel uitgezocht welke juridische regels op deze casus van toepassing zijn. Het blijkt dat voor het exploiteren van een barbecuebootbedrijf een vergunning nodig is op grond van de Verordening op de haven en het binnenwater 1995 van de gemeente Kaag en Braassem. De relevante bepaling uit deze Verordening luidt als volgt:

Artikel 2.1 Vergunning Passagiersvervoer

1. Het is verboden om zonder vergunning van burgemeester en wethouders met een bedrijfsvaartuig goederen dan wel passagiers te vervoeren.

2. Burgemeester en wethouders kunnen de vergunning weigeren dan wel wijzigen in het belang van de openbare orde, veiligheid en milieu.

3. Burgemeester en wethouders kunnen, gelet op de in het tweede lid vermelde belangen, ter beperking van het aantal vaartuigen de vergunning weigeren, dan wel bij de vergunning een maximum bepalen van het aantal te exploiteren vaartuigen.

Op 5 juni 2014 krijgt Michiel de in artikel 2.12 bedoelde vergunning. Michiel gaat meteen met zijn bedrijf van start, koopt 20 zogenaamde barbecueboten aan en noemt zijn bedrijf ‘Barbecue on the water’. Zijn vreugde is echter van korte duur, want een half jaar later komt hem ter ore dat het Haagse bedrijf ‘Boats on a roll’, een grote speler op de Haagse botenmarkt, zijn werkgebied wil uitbreiden en zijn oog heeft laten vallen op de pittoreske en bij toeristen zeer geliefde wateren in Kaag en Braassem. De eigenaar van Boats on a roll, Pieter Boot, benadert de wethouder van toerisme van Kaag en Braassem, Johnny Alberti. Johnny ziet ruimte voor twee barbecuebootbedrijven en is voornemens het college van burgemeester en wethouders te overtuigen van de noodzaak om twee vergunningen te verlenen. Johnny heeft echter genoeg zakelijk inzicht om zich te realiseren dat de reeds verleende vergunning aan Michiel de potentiële winst van Pieter aanzienlijk zal drukken. Hij zegt Pieter toe dat hij aan Boats on a roll een vergunning zal verlenen voor het exploiteren van een bedrijf met 20 barbecueboten. Omdat er op de Kaag en Braassemse wateren slechts ruimte is voor 30 fluisterboten zal hij ook besluiten dat de reeds aan Michiel verleende vergunning wordt ingetrokken en wordt gewijzigd in een nieuwe vergunning op basis waarvan hij geen 20, maar slechts 10 boten mag exploiteren. In het besluit tot wijziging van de vergunning van Michiel stelt het college van burgemeester en wethouders met zoveel woorden dat dit besluit is ingegeven ‘uit hoofde van de wens van het college om de commerciële belangen van zowel Boats on a roll als Michiels Barbecue on the water zo goed mogelijk te dienen’.

Het besluit van het college wordt op 2 maart 2015 genomen en valt op 4 maart 2015 op de deurmat van Michiel.

Beantwoord de volgende vragen:

1. Welk beginsel van behoorlijk bestuur heeft het college van burgemeester en wethouders geschonden door de vergunning om deze reden te wijzigen?

2. Stel dat het bezwaar tegen de gewijzigde vergunning wordt afgewezen. Michiel is voornemens tegen de beslissing op bezwaar beroep in te stellen. Beschrijf de volledige rechtsgang die na bezwaar openstaat tot in hoogste nationale instantie. 

3. Michiel en Coosje zijn het niet met elkaar eens over de vraag welke rechtbank bevoegd is. Michiel meent dat de rechtbank van zijn woonplaats, de rechtbank Rotterdam, bevoegd is. Coosje houdt vol dat het beroep dient bij de rechtbank Den Haag, waar Kaag en Braassem onder valt. Wie heeft gelijk? Motiveer uw antwoord onder verwijzing naar de relevante bepaling uit de Awb. 

4. Uiteindelijk constateert de rechtbank dat er een gebrek kleeft aan de gewijzigde vergunning. In zijn uitspraak is de volgende overweging te vinden:

“De rechtbank draagt het College op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van deze uitspraak.”

A. Welke figuur heeft de rechtbank hier toegepast? 

B. Waar is deze in de Awb geregeld? 

C. Aan welke in het bestuursrecht gesignaleerde tendens geeft deze figuur uitdrukking? 

Antwoorden Inleiding Bestuursrecht Tentamen 1

1. B21. A
2. A22. C
3. D23. A
4. B24. A
5. B25. A
6. B26. D
7. B27. D
8. D28. C
9. D29. A
10. B30. B
11. B31. D
12. A32. B
13. B33. B
14. A34. B
15. A35. C
16. C36. D
17. C37. B
18. B38. C
19. B39. A
20. C40. A

onderdeel B: open vraag

1. Er is sprake van een schending van het specialiteitsbeginsel/verbod van détournement de pouvoir (één van beide genoemd is 1 punt), zoals gecodificeerd in art. 3:3 Awb/3:4 lid 1 (één van beide genoemd is 0,5 punt). Immers, een vergunning kan worden verleend of gewijzigd met het oog op de bescherming van de openbare orde, de veiligheid en het milieu. De bescherming van ondernemersbelangen behoort daar niet toe (1 punt).

(NB 1: Het niet noemen van het relevante wetsartikel kan worden gecompenseerd met het noemen van de uitspraak Jetski’s (0,5 punt), mits deze uitspraak in verband wordt gebracht met het specialiteitsbeginsel. Indien is gekozen voor het verbod van détournement de pouvoir kan het niet noemen van het relevante wetsartikel niet worden gecompenseerd met het noemen van het arrest Alkemade/Hornkamp. Het verbod van détournement de pouvoir is immers expliciet(er) neergelegd in art. 3:3 Awb.)

(NB 2: Met het noemen van andere beginselen (verbod van willekeur, evenredigheid, materiële zorgvuldigheid) kan geen punten worden verdiend omdat uitdrukkelijk wordt gevraagd naar het ‘om deze reden’ wijzigen van de vergunning.)

2. Beroep bij de rechtbank, afdeling bestuursrecht (1 punt) (8:6 Awb (0,5 punt). Daarna staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (0,5 punt), zie art. 8:105 Awb (0,5 punt).

Bij het antwoord “beroep in eerste en enige aanleg bij de ABRvS” krijgt de student geen punt toegekend.

3. De relatieve competentie is geregeld in art. 8:7 lid 1 Awb (voor het noemen van dit artikel 1 punt). Op basis van dit artikel is bij besluiten die worden genomen door een bestuursorgaan van een gemeente/decentrale overheid bevoegd de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft; dit is het zetelcriterium (0,5 punt). De zaak zal dus dienen bij de rechtbank Den Haag; Coosje heeft gelijk (1 punt).

4a. De bestuurlijke lus (1 punt).

4b. Deze is geregeld in 8:51a Awb/afdeling 8.2.2a Awb (één van beide genoemd is 1 punt; het noemen van art. 8:80a Awb is goed voor 0,5 punt).

4c. De tendens van finale geschilbeslechting (0,5 punt).


Inleiding bestuursrecht Leiden Tentamen 2

1. In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Arnhem is het volgende artikel opgenomen:
Artikel 2.3.3.6 Exploitatievergunning horecagelegenheden

1. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een horecagelegenheid te vestigen of te exploiteren.
2. Het college kan een gebied aanwijzen waarbinnen ` horecagelegenheden zijn toegestaan.
3. De burgemeester kan maximaal drie vergunningen verlenen voor een horecagelegenheiden in het op grond van het tweede lid aangewezen gebied.

In Arnhem is de wijk Klarendal na jaren van renovatie weer aan het optrekken. Wat vroeger tot een van de grootste achterstandswijken van Arnhem gerekend werd, is nu een hippe up and coming wijk. Veel ondernemers willen hier op inspelen en zich met hun horecagelegenheid vestigen in deze wijk. De burgemeester zal hierdoor moeten kiezen aan wie hij vergunningen zal verlenen. Hij maakt bij besluit van 5 januari 2016 bekend dat hij, als inderdaad meerdere aanvragen zullen worden ingediend, de kwaliteit van de aanvragen onderling zal vergelijken door te kijken naar:

(i) de effecten op de woon- en leefsituatie in de naaste omgeving;
(ii) de diversiteit en de kwaliteit van het horeca aanbod; en
(iii) in hoeverre het horeca aanbod vernieuwend en innovatief is.

Hoe kwalificeert u het besluit van de burgemeester van 5 januari 2016?

A. Als een algemeen verbindend voorschrift.
B. Als een beleidsregel.
C. Als een concretiserend besluit van algemene strekking.
D. Als een feitelijke handeling.

2. In Zaandam wordt een parkeergarage gerealiseerd aan het Kralendijk naast biologische boerderij De vrije Weijde. Welk van de onderstaande rechtspersonen kan daarbij als belanghebbende in de zin van art. 1:2 lid 3 Awb worden aangemerkt?

A. De stichting die krachtens haar statutaire doelstellingen opkomt voor schone lucht in Zaandam en als zodanig voorlichting geeft op basisscholen in Zaandam.
B. De stichting die krachtens haar statutaire doelstellingen opkomst voor schone lucht in Zaandam en die als zodanig procedures aanspant in Zaandam en omstreken.
C. De Vereniging De Vrije Weijde te Rotterdam die de biologische boerderij in eigendom heeft.
D. De Vereniging Grasgrazers te Amsterdam die krachtens haar statutaire doelstellingen opkomt voor het behoud van biologische boederijen in de provincie Noord-Holland en als zodanig excursies naar biologische boederijen organiseert.

3. Wanneer zowel de belanghebbende als het betrokken bestuursorgaan daarmee instemmen, is het juridisch mogelijk om een bezwaarprocedure te volgen, ook al staat beroep bij de bestuursrechter in de zin van art. 8:1 Awb niet open.

A. Dit is juist.
B. Dit is onjuist.

4. De stichting Juridische Dienstverlening uit Utrecht is gespecialiseerd in het aanbieden van juridische hulp bij geschillen met bestuursorganen. Hun werk bestaat voornamelijk uit het helpen met het opstellen van bezwaarschriften. Van het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht zij een subsidie gekregen ter behoud van de stichting. Aan het subsidiebesluit is de voorwaarde verbonden dat gedurende de subsidieperiode ‘voldoende cliënten’ worden geholpen bij hun geschillen, op straffe van het terugbetalen van het uitgekeerde subsidiebedrag. De penningmeester van de stichting, Klaas Schrijver, gaat tegen het besluit in bezwaar. Klaas is namelijk van mening dat de voorwaarde ‘voldoende cliënten’ te vaag omschreven is. Daarnaast voert Klaas aan dat het subsidiebedrag te laag is. De betreffende ambtenaar die betrokken is bij de voorbereiding van subsidiebesluiten van het college van gedeputeerde staten in Utrecht is namelijk de buurman van Tom, een studiegenoot van Klaas. Via Tom is Klaas erachter gekomen dat de ambtenaar zelf rechtshulp verleent bij het schrijven van bezwaarschriften. Klaas denkt dat deze ambtenaar de stichting als zijn concurrent ziet en daarom een laag subsidiebedrag heeft vastgesteld.

Op welke twee algemene beginselen van behoorlijk bestuur doet Klaas Schrijver hier een beroep?

A. Op het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van vooringenomenheid.
B. Op het verbod van vooringenomenheid en het vertrouwensbeginsel.
C. Op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
​​​​​​​D. Op het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel.

5. Nadat een besluit in werking is getreden, moet het zo snel mogelijk bekend worden gemaakt.

A. Dit is juist.
B. Dit is onjuist.

6. Nikki heeft een bestuurlijke boete opgelegd gekregen. Hier dient zij een bezwaarschrift tegen in en meteen hierna verzoekt zij de bevoegde rechtbank om een voorlopige voorziening te treffen.

Heeft haar verzoek kans van slagen?

A. Ja, mits er sprake is van onverwijlde spoed.
B. Ja, mits er sprake is van onverwijlde spoed en hij het bezwaarschrift intrekt.
C. Nee, want Mathieu moet eerst de uitkomst van zijn bezwaar afwachten.
D. Nee, want er is niet voldaan aan de connexiteitseis.

7. In sommige gevallen moet de burgerlijke rechter verplicht uitgaan van de rechtmatigheid van een besluit (HR 16 mei 1986, Heesch/Van de Akker). Voor welk soort besluit zal dit in ieder geval niet gelden?

A. Een bestuurlijke boete.
B. Een algemeen verbindend voorschrift.
C. Een beschikking.
D. De weigering om een besluit te nemen.

8. In Blaricum is vorig jaar een grote ondergrondse parkeergarage aangelegd om al het toerisme aan te kunnen. Bij de bouw is echter onzorgvuldig gehandeld. Als gevolg hiervan hebben veel huizen nu verzakkingsschade, wat zich onder andere uit door grote scheuren in de muren. Veel huiseigenaren zien hun huizen onverkoopbaar worden. Enkele Blaricumse ondernemers willen hier iets tegen doen. Zij slaan hun handen ineen en richten een stichting op om de huiseigenaren te kunnen compenseren. De ondernemers doneren een bedrag van 4 miljoen euro. Het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Holland is bereid het initiatief te steunen en zegt eveneens een bedrag van 4 miljoen euro toe. Met crowdfunding wordt tot slot een laatste miljoen opgehaald door de ondernemers. Het college van gedeputeerde staten benoemt het bestuur van de stichting. De compensatiebeslissingen worden genomen op basis van het toekenningsreglement dat door de ondernemers is opgesteld.

Is de opgerichte stichting een b-bestuursorgaan?

A. De stichting is geen b-bestuursorgaan, want de stichting voldoet niet aan het vereiste van een financiële band en niet aan het vereiste van een inhoudelijke band.
B. De stichting is geen b-bestuursorgaan, want de stichting voldoet weliswaar aan het vereiste van een financiële band, maar niet aan het vereiste van een inhoudelijke band.
C. De stichting is geen b-bestuursorgaan, want de stichting voldoet weliswaar aan het vereiste van een inhoudelijke band, maar niet aan het vereiste van een financiële band.
D. De stichting is een b-bestuursorgaan, want de stichting voldoet aan zowel het vereiste van een financiële band als het vereiste van een inhoudelijke band.

9. Welk van de onderstaande stellingen over het arrest Benthem (EHRM 23 oktober 1985) is onjuist?

A. Het EHRM heeft geoordeeld dat de weigering van een Hinderwetvergunning raakt aan de ‘burgerlijke rechten en verplichtingen’ in de zin van art. 6 lid 1 EVRM.
B. Het EHRM heeft geoordeeld dat de minister geen ‘onafhankelijk en onpartijdig gerecht’ is in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM.
C. Het EHRM heeft geoordeeld dat de Afdeling geschillen van de Raad van State een ‘gerecht’ is in de zin van artikel 6 lid 1 EVRM.
D. Het EHRM heeft geoordeeld dat het Kroonberoep in strijd is met de vereisten uit artikel 6 lid 1 EVRM.

10. Voor de Kraneweg in Rotterdam is onlangs bepaald dat hier geen fietsen meer gestald mogen worden. Dit verbod is opgenomen in een nieuw artikel in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Jan-Willem woont aan de Kraneweg en parkeerde zijn fiets altijd voor de deur. Hij is niet van zins dit te veranderen nu de APV is gewijzigd. Wanneer hij op donderdagavond thuis komt na het stappen parkeert hij zijn fiets, net als altijd, voor de voordeur. Het college van burgemeester en wethouders legt aan hem een bestuurlijke boete op, bij beschikking van donderdag 7 januari 2016 die op dezelfde dag nog aan Jan-Willem wordt uitgereikt. Tegen dit besluit wil Jan-Willem bezwaar maken, hij heeft namelijk geen zin om hier een boete voor te moeten betalen.

Als Jan-Willem tegen de beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete wil opkomen, wat is dan de laatste dag van de bezwaartermijn?

A. Dat hangt af van de datum waarop volgens de beschikking de boete uiterlijk moet zijn betaald.
B. Woensdag 13 februari 2016.
C. Donderdag 18 februari 2016.
D. Vrijdag 19 februari 2016.

11. Artikel 3:10 lid 1 Awb is een voorbeeld van:

A. Dwingend recht.
B. Regelend recht.
C. Aanvullend recht.
D. Facultatief recht.

12. Welk van de onderstaande handelingen is geen vorm van bestuurlijk toezicht?

A. Op grond van art. 281a Gemeentewet gaat het college van burgemeester en wethouders in beroep tegen een vernietigingsbesluit van de regering.
B. Op grond van art. 203 lid 1 Gemeentewet legt het gemeentebestuur haar begroting ter goedkeuring voor aan gedeputeerde staten.
C. Op grond van art. 156 lid 1 Waterschapswet vernietigen gedeputeerde staten een besluit van het waterschapsbestuur.
D. Op grond van art. 267 lid 1 Provinciewet schorst de minister van Binnenlandse zaken een besluit van gedeputeerde staten.

13. De minister voor Wonen en Rijksdienst, Stef Blok, geeft op 12 januari een persconferentie over de verbouwing van het Binnenhof die door private bouwbedrijven wordt uitgevoerd.

A. De minister is op dat moment een bestuursorgaan.
B. De minister is op dat moment geen bestuursorgaan.

14. De gemeenteraad van de gemeente eindhoven heeft aan de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) een artikel toegevoegd op grond waarvan het verboden is om graffiti te spuiten op de openbare weg, gebouwen en dergelijke. Mees is een fervent gebruiker van graffiti om zijn kunst door de stad te laten zien. Hij kan zich dan ook niet voorstellen dat dit niet meer toegestaan is. Hij richt op 4 april 2016 een felle brief aan de gemeenteraad. In deze brief betoogt hij dat het nieuwe artikel in de APV in strijd komt met de vrijheid van meningsuiting. Boven de door hem ondertekende brief heeft hij de titel ‘bezwaarschrift’ geplaatst.

Het bezwaar van Mees van 4 april 2016 tegen het nieuwe artikel in de APV moet niet-ontvankelijk worden verklaard. Waarom is dat zo?

A. Het bezwaar is niet-ontvankelijk omdat een bezwaarschrift moet worden opgesteld door een advocaat die op grond van art. 2:1 Awb is gemachtigd om de belangen van Mees te behartigen.
B. Het bezwaar is niet-ontvankelijk omdat Mees geen actueel belang heeft, nu het nog geen oudejaarsavond is.
C. Het bezwaar is niet-ontvankelijk omdat beroep, en daarmee bezwaar, tegen het nieuwe artikel in de APV is uitgesloten.
D. Het bezwaar is niet-ontvankelijk omdat de aan de vrijheid van meningsuiting ontleende argumenten van Mees geen kans van slagen hebben.

15. Lees de volgende bepaling:

“De vreemdeling kan door Onze Minister ongewenst worden verklaard indien hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jaren of meer is bedreigd.”

Welke stelling over de toetsing van een besluit tot ongewenst verklaren van een vreemdeling is juist?

A. De bestuursrechter toetst zowel de vraag of de minister gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid als de vraag of er een onherroepelijk geworden vonnis voor handen is terughoudend.
B. De bestuursrechter toetst de vraag of de minister gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid terughoudend, maar toetst de vraag of er een onherroepelijk geworden vonnis voor handen is vol.

16. Welk van de onderstaande reeksen geeft het meest volledige beeld van de hoofstukken en titels uit de Awb die op een beleidsregel van toepassing zijn?

A. Hoofdstuk 2, hoofdstuk 3 en titel 4.3 Awb.
B. Hoofdstuk 2, hoofdstuk 3, titel 4.1 en titel 4.3 Awb.
C. Hoofdstuk 4, hoofdstuk 5 en hoofdstuk 6 Awb.
D. Hoofdstuk 4, maar dan alleen titel 4.3 Awb.

17. Ayaz is met zijn familie vanuit Syrië naar Nederland gevlucht. Eenmaal hier aangekomen wordt hij ernstig ziek. De artsen in het ziekenhuis constateren leukemie bij het zesjarige jongetje. Er moet zo snel mogelijk worden gestart met de behandelingen, dan heeft Ayaz een zeer goede kans op genezenverklaring. Een dergelijke behandeling wordt normaal gesproken vergoedt vanuit de basisverzekering. Omdat Ayaz geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, heeft hij op grond van art. 10 lid 1 Vreemdelingenwet 2000 geen recht op een basisverzekering.

Ayaz, vertegenwoordigd door zijn ouders, vraagt bij de minister van Veiligheid en Justitie toch een vergoeding aan. Hij beroept zich op het volgende (fictieve) artikel uit de Vreemdelingenwet 2000:

“Van artikel 10, eerste lid, kan worden afgeweken indien de strikte toepassing ervan naar het oordeel van Onze Minister zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.”

Wat voor soort bevoegdheid bevat het hierboven geciteerde artikel?

A. Een bevoegdheid met alleen beleidsvrijheid.
B. Een bevoegdheid met alleen beoordelingsvrijheid.
C. Een bevoegdheid met alleen beoordelingsruimte.
D. Een bevoegdheid met zowel beleidsvrijheid als beoordelingsvrijheid.

18. Een niet tijdig genomen besluit wordt voor de bepalingen over bezwaar en beroep met een (appellabel) besluit gelijkgesteld, zo luidt artikel 6:2 aanhef en onder b Awb. Lot is hard aan het studeren voor haar tentamen bestuursrecht. Terwijl ze hier mee bezig is krijgt zij een telefoontje van haar tante Truus. Truus zit in de situatie dat een besluit niet tijdig genomen is. Om te weten wat haar positie is vraagt zij haar nichtje Lot hoe dit zit. Omdat Lot de stof nog niet helemaal goed beheerst vraagt zij zich af of tegen een niet tijdig genomen besluit eerst bezwaar moet worden gemaakt voordat beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld?

A. Ja, tegen het niet tijdig nemen van een besluit moet eerst bezwaar worden gemaakt.
B. Nee, tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan rechtstreeks beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld.

19. Uit de uitspraak Windturbinepark (ABRvS 17 maar 2010) blijkt dat:

A. De vraag naar de aanwezigheid van een eigen belang mede afhankelijk is van de ruimtelijke uitstraling van de op te richten windturbines.
B. Het wonen op een grote afstand van de op te richten windturbines niet aan belanghebbendheid in de weg staat, afhankelijk van de ruimtelijke uitstraling van de windturbines.
C. Het voor de belanghebbendheid van een stichting niet van belang is wat het werkgebied van die stichting is.
D. Voor de belanghebbendheid van een stichting niet hoeft te worden getoetst aan het ‘rechtstreeks’ zijn van het belang.

20. Artikel 8:1 Awb is een voorbeeld van de waarborgfunctie van het bestuursrecht.

A. Dit is juist.
B. Dit is onjuist.

21. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) uit Den Haag legt op grond van art. 77h van de Elektriciteitswet 1998 aan Oxxio Nederland B.V., gevestigd te Amsterdam, een last onder dwangsom op.

Wat is de juiste beschrijving van de voor Oxxio Nederland B.V. openstaande bestuuursrechtelijke rechtsgang als de Electriciteitswet 1998 hierover niets bepaalt?

A. Bezwaar bij de ACM, beroep bij de rechtbank Amsterdam en hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
B. Administratief beroep bij de minister van Infrastructuur en Milieu en hoger beroep bij het gerechtshof ‘S-Gravenhage.
C. Bezwaar bij de ACM, beroep bij de rechtbank Rotterdam en hoger beroep bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
D. Rechtstreeks beroep in eerste en in enige aanleg bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

22. Op grond van de Wet op de Kansspelen heeft de kansspelautoriteit rechtspersoonlijkheid gekregen. Op grond van artikel 35a van de Wet op de Kansspelen kan de raad van bestuur van de kansspelautoriteit een bestuurlijke boete opleggen aan ondernemingen die zonder kansspelvergunning loten verkopen.

Welke stelling over de raad van bestuur is juist?

A. De raad van bestuur is een bestuursorgaan.
B. De raad van bestuur is een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld.

23. De gemeente Zutphen zit met zijn handen in het haar over een nieuw op te zetten asielzoekerscentrum. Op de website van de gemeente staat dat het college van burgemeester en wethouders besloten heeft een informatieavond te organiseren op 5 februari 2016 om 18:00 uur in de aula van het stadhuis. Tijdens deze bijeenkomst wordt het besluit van het college van 11 januari 2016 om de Hazenberg aan te wijzen als asielzoekerscenttrum aan omwonenden toegelicht.

Welk van de onderstaande stellingen is juist?

A. De tekst op de website is een besluit, omdat de verlening van een vergunning een publiekrechtelijke bevoegdheid is.
B. De tekst op de website is geen besluit, omdat de tekst niet van een bestuursorgaan afkomstig is.
C. De tekst op de website is geen besluit, omdat de tekst niet conform artikel; 3:42 Awb is bekendgemaakt.
D. De tekst op de website is geen besluit, omdat de tekst geen beoogd rechtsgevolg heeft.

24. Mevrouw Kool heeft na jaren zoeken eindelijk haar droomhuis gevonden. Het huis bevindt zich aan de recreatieplas Rhederlaag. Zij heeft hierdoor een prachtig uitzicht over al het water dat de omgeving rijk is. Nadat zij hier al twee jaar met alle plezier woont, komt haar tot haar grote schik ter ore dat er een vergunning is verleend voor een naaktstrand. Dit strand zal voor haar huis gemaakt worden (op 40 meter afstand). Ze voert al langere tijd actie tegen het vele bloot in de openbare ruimte en ziet in de vestiging van het naaktstrand een ‘sprekend voorbeeld van verloedering van de openbare zeden’. Het idee dat ze straks vanuit haar woning zicht heeft op naakte personen levert haar al twee weken slapeloze nachten op.

Heeft mevrouw Kool een actueel belang bij de vergunningverlening?

A. Ja, mevrouw Kool heeft een actueel belang.
B. Nee, mevrouw Kool heeft geen actueel belang.

25. Het debat over de rechtsbescherming tegen de overheid in Nederland werd beheerst door de discussie tussen Loeff en Struycken. Welke stelling is juist?

A. In de figuur van administratief beroep is de visie van Struycken terug te zien.
B. In het bestaan van meerdere hoogste bestuursrechters is de visie van Struycken terug te zien.

26. Wanneer is het niet van belang om te weten of iemand belanghebbende is bij een besluit?

A. Voor de toepasselijkheid van artikel 2:14 Awb.
B. Voor de toepasselijkheid van het evenredigheidsbeginsel.
C. Voor de toepasselijkheid van de normen over bekendmaking.
D. Voor de toepasselijkheid van de hoorplicht in bezwaar.

27. Artikel 2.4 lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) luidt als volgt:

“Burgemeester en wethouders van de gemeente waar het betrokken project in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, beslissen op de aanvraag om een omgevingsvergunning (..).”

Welk van de onderstaande stellingen over de bevoegdheidsverkrijging is juist?

A. De formele wetgever heeft hier een bestuursbevoegdheid gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders.
B. De formele wetgever heeft hier een bestuursbevoegdheid geattribueerd aan het college van burgemeester en wethouders.
C. De formele wetgever heeft hier een bestuursbevoegdheid gemandateerd aan het college van burgemeester en wethouders.
D. De formele wetgever heeft hier een bestuursbevoegdheid gesubdelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders.

28. De gemeente Hoogezand heeft een artikel toegevoegd aan haar Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Dit artikel houdt in dat het niet meer is toegestaan om met een glas/blikje/flesje bier je buiten de sporthal op de openbare weg te begeven. Pieter is fervent volleyballer en komt vaak in deze sporthal. Hij is dan ook geregeld met zijn vrienden naast de deur van de sporthal te vinden om onder het genot van een biertje een sigaret te roken. Dit is op grond van de APV echter niet meer toegestaan en Pieter krijgt een boete opgelegd. Tegen deze boete gaat hij in bezwaar en daarna in beroep bij de bestuursrechter. Dit beroep wordt gegrond verklaard. De bestuursrechter vernietigt vervolgens de beslissing op bezwaar, neemt daarna een beslissing omtrent de hoogte van de boete en bepaalt dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit (zie artikel 8:72 lid 3 jo. 8:72a Awb).

Waarvan is deze beslissing van de bestuursrechter een voorbeeld?

A. Dit is een voorbeeld van verlengde besluitvoering.
B. Dit is een voorbeeld van de formele rechtskracht.
C. Dit is een voorbeeld van het strategisch besluitbegrip.
D. Dit is een voorbeeld van finale geschilbeslechting.

29. Welke stelling is juist?

A. Een geslaagd beroep op het vertrouwensbegsinel kan leiden tot het verstrekken van een bijstandsuitkering, ook al voldoet de ontvanger niet aan de wettelijke criteria voor de toekenning van de uitkering.
B. Uit de uitspraak Blokhutten Teylingen (ABRvS 4 februari 2015) volgt dat het toezenden van een brochure tot de aanwezigheid van gerechtvaardigd vertrouwen leidt.

30. Harry ontvangt een aan hem gericht besluit waarin staat dat zijn huis wordt aangewezen als monument. Zijn huis is namelijk gebouwd in de Kubusstijl van Piet Blom met de kenmerkende kubusvormen. Door het hele land waren deze kubusvormige woningen te vinden, echter zijn er door weerschade een heel aantal verloren gegaan. Om te zorgen dat de resterende kubuswoningen ook als zodanig blijven bestaan heeft het college van burgemeester en wethouders besloten om onder andere Harry’s huis aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Dit besluit is een beschikking op grond van:

A. Het persoonscriterium.
B. Het zaakscriterium.

31. In de gemeente Deventer overtreedt de mevrouw Rethans de mestregelgeving. Haar veestapel overschrijdt de maximum toegestane mestproductie. De minister van Infrastructuur en Milieu is het bestuursorgaan dat deze regelgeving handhaaft. De minister geeft de mevrouw Rethans te kennen dat hij de overtreding gedoogt. Het college van burgemeester en wethouders van Deventer vreest voor de gezondheid van omwonenden en wil dat de minister optreedt. Welk van de onderstaande stellingen is juist?

A. Het college is een belanghebbende in de zaak vanwege de algemene taak die haar in artikel 108 Gemeentewet is opgedragen tot het waarborgen van de belangen van de gemeente en haar inwoners.
B. De belanghebbendheid van het college hangt af van de vraag of het college een in de wet omschreven specifieke taak heeft ten aanzien van de bescherming van de gezondheid van haar inwoners.
C. De belanghebbendheid van het college hang af van de vraag of er een acuut gevaar voor de gezondheid van haar inwoners bestaat.
D. De belanghebbendheid van het college is niet relevant in deze zaak, omdat de beslissing de overtreding te gedogen geen besluit is in de zin van de Awb.

32. Als de term ‘wettelijk voorschrift’ in de Awb wordt gebruikt, dan wordt hiermee een ‘algemeen verbindend voorschrift’ bedoeld.

A. Dit is juist.
B. Dit is onjuist

33. Lies heeft sinds een tijdje een stukje gemeentegrond grenzend aan haar tuin zonder toestemming van de gemeente in gebruik genomen. Dirk woont naast Lies. Dirk en Lies hebben al jaren een zeer gebrekkige verstandhouding met elkaar. Het zint Dirk niets dat Lies als student altijd maar feestjes geeft tot diep in de nacht waardoor hij niet kan slapen. Op een ochtend zit Dirk te genieten van zijn kopje koffie en ziet dat Lies bezig is een schuur op het stukje grond van de gemeente te bouwen. Voor het bouwen van een schuur is een vergunning nodig. Dirk weet dat Lies deze vergunning niet heeft en is het niet eens met de bouw van de schuur, omdat het bouwwerk schaduw in zijn tuin veroorzaakt. Na alle overlast die Lies al heeft veroorzaakt is dit de druppel voor Dirk, ze mag niet ook nog zijn geliefde ochtendzon afpakken. Dirk wendt zich tot de gemeente met de vraag om ‘hier wat aan te doen’.

Wat kan de gemeente doen?

A. De gemeente kan privaatrechtelijk optreden vanwege het zonder toestemming in gebruik nemen van de gemeentegrond.
B. De gemeente kan publiekrechtelijk optreden vanwege het bouwen van een schuur zonder de daarvoor benodigde vergunning.
C. De gemeente kan zowel privaatrechtelijk optreden vanwege het grondbezit als publiekrechtelijk optreden vanwege het bouwen.
D. De gemeente kan hier niets tegen doen.

34. Kees heeft een boete opgelegd gereken op grond van een overtreding van de APV. Stel dat hij in beroep gaat bij de bestuursrechter en deze het beroep gegrond verklaart. De bestuursrechter vernietigt vervolgens de beslissing op bezwaar, neemt daarna een beslissing omtrent de hoogte van de boete en bepaalt dat zijn uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit (zie artikel 8:72 lid 3 jo. 8:72a Awb). Vlak voordat hij uitspraak doet gaat Kees failliet.

Mag de rechter dit faillissement meewegen bij het vaststellen van de hoogte van de boete?

A. Nee, want hij dient de beslissing op bezwaar ex tunc te toetsen.
B. Ja, want in dit geval dient de rechter ex nunc te toetsen.

35. Uit de uitspraak Jetski’s (ABRvS 18 september 2002) volgt dat omwonenden niet belanghebbend zijn bij de aanwijzing van een vaargebied voor jetski’s en waterscooters, omdat het belang van geluidhinder voor deze omwonenden niet mag worden meegewogen bij de aanwezing.

A. Dit is juist.
B. Dit is onjuist.

36. De gelaagde opbouw van de Awb is een voorbeeld van een gelede normstelling.

A. Dit is juist.
B. Dit is onjuist.

37. Artikel 17 van de Advocatenwet luidt als volgt:

“1. De gezamenlijke advocaten, die in Nederland zijn ingeschreven, vormen de Nederlandse orde van advocaten. Zij is gevestigd te ‘S- Gravenhage. (…)
2. De gezamenlijke advocaten die kantoor houden in een zelfde arrondissement, vormen de orde van advocaten in het arrondissement.
3. De Nederlandse orde van advocaten en de orden zijn rechtspersonen.”

Welk van de onderstaande stellingen over de Nederlandse orde van advocaten is juist?

A. De Nederlandse orde van advocaten is een orgaan van een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld.
B. De Nederlandse orde van advocaten is een orgaan van een rechtspersoon krachtens privaatrecht ingesteld.
C. De Nederlandse orde van advocaten is een rechtspersoon krachtens publiekrecht ingesteld.
D. De Nederlandse orde van advocaten is een rechtspersoon krachtens privaatrecht ingesteld.

38. Volgens sommige schrijvers is de Stichting Silicose-rechtspraak problematisch omdat er een wettelijke grondslag voor de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid ontbreekt. Waarom kan deze kritiek in het licht van het legaliteitsbeginsel worden gerelativeerd?

A. Omdat het legaliteitsbeginsel minder harde eisen stelt aan begunstigend overheidsoptreden.
B. Omdat tegen de besluiten van de Stichting rechtsbescherming openstaat bij de bestuursrechter.

39. Welk van de onderstaande handelingen van bestuursorganen is geen eenzijdige rechtshandeling?

A. Het college van burgemeester en wethouders verleent overeenkomstig de subsidieaanvraag een subsidie van 2.500 euro aan de Stichting Behoudt het park.
B. Het college van burgemeester en wethouders beslist overeenkomstig de aanvraag van de Sportvereniging Frisbee een stuk braakliggend weiland te verhuren ten behoeve van een Frisbeecursus.
C. De burgemeester legt een huisverbod op aan mevrouw van Dijk wegens het gevaar dat zij volgens de burgemeester vormt voor haar huisgenoten.
D. De gemeenteraad bepaalt in de marktverordening dat alleen op woensdag-, donderdag- en op zaterdagochtend markt mag worden gehouden.

40. In het artikel ‘De Algemene wet bestuursrecht: een grote sprong voorwaarts’ van L.J.A. Damen, dat was opgenomen in de reader, signaleert Damen een aantal problemen met betrekking tot de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Welk van de onderstaande problemen signaleert hij in zijn artikel niet?

A. Over een aantal centrale begrippen moet nog steeds jurisprudentie worden geraadpleegd om goed met de Awb te kunnen werken.
B. Doordat steeds nieuwe onderdelen worden ingevoegd, wordt de structuur van de Awb minder helder en gaat juridsche stabiliteit ontbreken.
C. Doordat sommige algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet zijn gecodificeerd, wordt afbreuk gedaan aan de rechtsbescherming van de burger.
D. Het uitgangspunt van vernietigen door de rechter en opnieuw een besluit laten nemen door het bestuursorgaan zorgt voor traagheid en stroperigheid in bestuursrechtelijke procedures.

Onderdeel B Open vraag

Nexit?!?

Nederland heeft goed gekeken naar het voorbeeld van de Britten met hun Brexit-referendum. In navolging daarvan zal op 3 maart 2017 het referendum plaatsvinden over het al dan niet in de Europese Unie blijven of niet. Ten behoeven van dit raadgevend referendum heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een subsidieregeling vastgesteld. De subsidies dienen om activiteiten te bekostigen die tot doel hebben om het debat te stimuleren over het al dan niet in de Europese Unie blijven. De aanvragen voor de subsidies, die in de vorm van een beschikking worden verstrekt, konden tot 29 januari 2017 worden ingediend.

Jens de Hollander is een zeer groot voorstander van de Europese Unie. Hij zal dan ook voor verblijf in de EU stemmen. Hij wil niet stil blijven zitten. Dit onderwerp gaat hem na aan het hart. Hij is voornemens om activiteiten te organiseren om meer steun voor het ja-kamp te krijgen. Hij wil t-shirts en vlaggetjes laten drukken met de slogen “Nexit, dacht het niet!”. Hij wil ook twee debatmiddagen organiseren en radiozendtijd inkopen voor zijn zelfbedachte reclamespotjes.

De subsidieregeling in kwestie heeft voluit de “Subsidieregeling raadgevend referendum”. Daarin is bepaald dat een commissie van deskundigen de binnengekomen aanvragen beoordeelt op hun bijdrage aan de bevordering van het publieke debat over de Nexit. De commissie is een adviescommissie in de zin van art. 3:5 Awb. De commissie brengt haar advies uit aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Het is vaste praktijk dat de subsidiebesluiten feitelijk niet door de minister worden genomen, maar door mevrouw Gootjes. Gootjes is een hoge ambtenaar, die leiding geeft aan meer dan veertig juristen op het ministerie. Zij heeft buitengewoon veel ervaring met het nemen van subsidiebesluiten. Gootjes is als het ware de rechterhand van de minister. Hij heeft dan ook geen enkele reden om te twijfelen aan haar deskundigheid en hij heeft dan ook het volste vertrouwen dat Gootjes deze taak ook weer zorgvuldig tot een goed einde zal brengen. Alle subsidiebesluiten die mevrouw Gootjes neemt zijn als volgt ondertekend:

“De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,
Namens dezen,
De directeur van de afdeling Awb-subsidies,
A.L. Gootjes”

Jens dienst zijn aanvraag tijdig in en voorziet die van alle noodzakelijke bescheiden, waaronder een duidelijke omschrijving van de beoogde activiteiten, de mate waarin zij naar zijn oordeel bijdragen aan het doel van de regeling en een gespecificeerde begroting.

Tot teleurstelling van Jens wijst de minister de aanvraag af (besluit 1). De minister verwijst hiervoor naar het advies van de adviescommissie. Het advies is als bijlage bij het besluit meegestuurd. In het advies staat dat “de door u aangevraagde subsidie voor het bedrukken van vlaggetjes niet in voldoende mate bijdraagt aan het doel van de Subsidieregeling”.

Jens laat na het verstrijken van de bezwaartermijn de afwijzing zien aan Mevrouw Meijer, zijn advocaat. Zij adviseert Jens dan maar een nieuwe aanvraag in te dienen. Dat doet Jens, maar na een nieuwe inhoudelijke afweging wordt de aanvraag wederom afgewezen (besluit 2). Dit keer luidt de motivering dat de begroting van Jens niet kan kloppen, nu de kosten voor het drukken van t-shirts en vlaggetjes nooit 1.000 euro zouden kunnen bedragen zoals uit de begroting blijkt. Deze kosten zouden op zijn hoogst 500 euro kunnen bedragen, zo staat in het tweede afwijzingsbesluit. Jens is hierover niet gehoord en is daarom zeer verbaasd over de afwijzing. Hij bezint zich op manieren om het besluit aan te vechten.

U bent advocaat en de partner, voor wie u werkt, komt naar u toe met deze casus. Hij vraagt u een notitie te schrijven waarin u Jens van advies dient. Uw partner twijfelt namelijk over een aantal dingen waarvan hij vermoedt dat ze niet in de haak zijn. Hij betwijfelt bijvoorbeeld of Gootjes de besluiten feitelijk wel kan nemen, nu aan die bevoegdheidstoedeling geen wettelijk voorschrift ten grondslag ligt. Ook vermoedt hij dat de besluiten 1 en 2 op onderdelen strijdig zijn met bepalingen uit de Awb. Hij leest graag uw deskundige mening voordat hij Jens een bestuursrechtelijke procedure adviseert.

U dient in uw advies tenminste in te gaan op de volgende aspecten:
– of de twijfel van uw partner betreffende de bevoegdheidstoedeling terecht is;
– of de minister bij het nemen van besluit 1 heeft voldaan aan de vergewisplicht:
– of Jens over besluit 2 terecht niet is gehoord;
– welke rechtsgang (tot in hoogste nationale instantie) Jens dient te volgen als hij besluit 2 zou willen aanvechten. Bij behandeling van dit onderdeel kunt u ervan uitgaan dat besluit 2 een besluit is in de zin van de Awb, Jens belanghebbende is en de Subsidieregeling geen bijzondere bepalingen over de rechtsbescherming bevat.


Antwoorden Inleiding Bestuursrecht Tentamen 2

1. B    21. C

2. A    22. A

3. B    23. D

4. A    24. A

5. B    25. A

6. A    26. A

7. B    27. B

8. A    28. D

9. C    29. A

10. C   30. B

11. D   31. B

12. A   32. A

13. A   33. A + C

14. C   34. B

15. B   35. B

16. A   36. B

17. D   37. C

18. B   38. A

19. B   39. B

20. A   40. C

 

Antwoorden onderdeel B

Geachte heer de Hollander,

Ik bericht u het volgende over de afwijzing van uw subsidieaanvragen.

De minister heeft de beslissing tot het nemen van subsidiebesluiten aan de mevrouw Gootjes gemandateerd (0,5 punt). Een wettelijk voorschrift is daarvoor niet nodig (1 punt). Dit volgt uit artikel 10:3 Awb (0,5 punt). Op dit punt is dus in overeenstemming met de Awb gehandeld/de twijfel van de advocaat-partner is niet terecht.

Omdat de minister voor zijn beslissing gebruik heeft gemaakt van het advies van een adviescommissie, geldt voor de minister de vergewisplicht. Dit betekent dat de minister beziet of het advies dat ten grondslag lag aan het besluit op een zorgvuldige wijze tot stand is gekomen (1 punt). Zie artikel 3:9 Awb en/of artikel 3:2 Awb (0,5 punt) en de uitspraak Adviescommissie Basisstipendia (0,5 punt). In casu is de adviescommissie uitgegaan van verkeerde gegevens/feiten* (0,5 punt). De minister heeft dit niet onderkend, waardoor hij niet aan zijn vergewisplicht heeft voldaan.

Ten aanzien van besluit 2 bent u ten onrechte niet gehoord. Het voornemen uw aanvraag af te wijzen vanwege de meegezonden kostenraming voldoet immers aan de criteria van artikel 4:7 Awb (1 punt): er was een voornemen tot afwijzing van de aanvraag (0,5 punt), het gaat om gegevens die uw aanvraag betreffen (0.5 punt) én die gegevens wijken af van de gegevens waarop de minister zijn besluit heeft gebaseerd (0,5 punt). Het bestuursorgaan had u dus moeten horen. 

Als u een rechtsmiddel wenst in te stellen tegen besluit 2, dan dient u allereerst bezwaar te maken bij de minister (0,5 punt voor bezwaar + minister/het bestuursorgaan), dit blijkt uit art. 7:1 Awb (0,5 punt).

Daarna staat desgewenst beroep open bij de rechtbank, afdeling bestuursrecht (0.5 punt voor beroep + rechtbank incl. afdeling bestuursrecht), blijkend uit artikel 8:6 Awb (0,5 punt). Tot slot is er de mogelijkheid van hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (0,5 punt voor hoger beroep + ABRvS), zie artikel 8:105 Awb (0.5 punt). Er zijn (dus) geen uitzonderingen uit de Bijlagen van de Awb van toepassing (0,5 compensatiepunt voor een elders in de open vraag verloren punt).

Mocht u nog vragen hebben en/of nadere stappen tegen de afwijzing willen nemen, zijn wij u graag van dienst.

Hoogachtend,

 

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of anneloesvanelten
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
41 1
Connect & Continue