Aristoteles

Aristoteles’ Methode

Waarneming:

‘de feiten zijn nog niet voldoende vastgesteld, en zelfs als ze dat ooit worden, dan moet vertrouwen geschonken worden aan waarneming boven de theorieën, en aan theorieën alleen voor zover ze zichzelf in overeenkomst tonen te zijn met de verschijnselen.’

De weg van het leren

‘van wat van de natuur uit gezien minder duidelijk is, maar wel helderder voor ons, naar wat van de natuur uit gezien helderder en meer inzichtelijk is.’ Oftewel: inductie.

Van ‘de ongedifferentieerde dingen’ naar ‘elementen en principes’ dmv ‘analyse’.

Endoxa

Als Aristoteles een vraag beantwoordt, komen deze steevast naar voren. Door de endoxa, gangbare opvattingen van voorgangers te behandelen zie je de aporieën, knelpunten, van voorgangers en op basis van die inzichten formuleert Aristoteles het antwoord op de vraag. Misschien wel net zo belangrijk als waarneming!

‘Net als bij andere onderwerpen moeten we eerst uiteenzetten hoe het naar algemene overtuiging met de zaak gesteld lijkt, dan de moeilijkheden (aporiai) inventariseren om zo, indien mogelijk, van alle gangbare opvattingen (endoxa) over de eigenschappen in kwestie de juistheid aan te tonen of, als dat niet mogelijk is, van de meeste en de meest gezaghebbende. Immers, als we de moeilijkheden kunnen oplossen en daarbij de gangbare opvattingen intact kunnen laten, dan zullen we ons punt afdoende hebben aangetoond.’

Taal:

Geschreven tekens zijn symbolen van Gesproken klanken, die op hun beurt symbool staan voor aandoeningen in de ziel die een afbeelding zijn van de dingen in de werkelijkheid.

Geschreven tekens  gesproken klanken  aandoeningen in ziel  dingen in werkelijkheid.

Er is dus een indirecte relatie tussen taal en dingen in de werkelijkheid. Ipv Plato is een afbeelding niet inferieur aan het afgebeelde.

 

Het Organon

In de eerste eeuw voor Christus heeft Andronicus een vertaling gemaakt van Aristoteles. Hij heeft zes van de werken van Aristoteles voorop geplaatst. Die zes noemde hij het organon:

  • Categorieën

  • De Interpretatione

  • Analytica priora

  • Analytica posteriora

  • Topica

  • De sophisticis elenchis

 

Logica

Aristoteles heeft naar eigen zeggen de logica uitgevonden! Dat ge t maar weet…

 

Syllogisme:

‘Een syllogisme is een redenering waarin, gesteld dat bepaalde dingen het geval zijn, iets anders dan de gestelde dingen noodzakelijk volgt uit het feit dat deze dingen het geval zijn.’ VB:

 

 

  • Alle corrupte wezens zijn oneerlijk (Middenterm (M); Predikaat (P))

  • Alle politici zijn corrupte wezens (Subject (S), Middenterm(M))

  • Alle politici zijn oneerlijk (Subject (S), Predikaat (P))

Typen zinnen:

  • A: universeel bevestigend Alle mensen zijn sterfelijk

  • E: universeel ontkennend Geen mens is sterfelijk

  • I: particulier bevestigend Sommige mensen zijn sterfelijk

  • O: particulier ontkennend Sommige mensen zijn niet sterfelijk

Drie figuren:

IIIIII

Er ontbreekt nog een figuur (zoek zelf uit welke). Volgens ene Ross komt dit doordat Aristoteles bezig was met hoe het werkt en niet naar hou het zou kunnen werken (theorie vs. werkelijkheid).

Anderen denken dat t gewoon niet opkwam in z’n briljante bolletje

M-PP-MM-P
S-MS-MM-S
S-PS-PS-P

 

Archai: ‘Waar en primair (archai) zijn de dingen die hun geloofwaardigheid niet door anderen maar door zichzelf hebben. Want bij de uitgangspunten van de wetenschap moet je niet zoeken naar het waarom, maar elk van de uitgangspunten moet zelf op zichzelf geloofwaardig zijn.’

 

Bewijs: Een bewijs is een serie redeneringen waarvan de uiteindelijke premissen onmiddellijk zijn.

 

In een bewijzend syllogisme geeft de middenterm het waarom van de conclusie aan.

Aristoteles’ voorbeeld: (aangenomen dat de nabijheid van de planeten de verklaring is van

het feit dat ze niet fonkelen)

bewijzend:

  • Planeten staan dichtbij.

  • Dichtbijstaande hemellichamen fonkelen niet

  • Dus planeten fonkelen niet

niet bewijzend:

  • Planeten fonkelen niet

  • Niet-fonkelende hemellichamen staan dichtbij

  • Dus planeten staan dichtbij

 

LEER – zoals de opdracht van Gorgias – hoe je syllogismen uit een tekst kan halen.

 

Dialectiek

Hoe komen we tot de uitgangspunten / axioma’s (die op zichzelf staan en niet via deductie kunnen worden gevonden)? Door middel van dialectiek.

‘Het is een bewijzend syllogisme wanneer het syllogisme redeneert vanuit ware en primaire premissen of vanuit dergelijke premissen die het principe van kennis over zichzelf hebben gekregen door primaire en ware premissen. Een dialectisch syllogisme daarentegen is een syllogisme dat redeneert vanuit meningen.’

Dialectiek is nuttig voor:

  1. oefening (als we een methode hebben zullen we gemakkelijker het opgebrachte onderwerp kunnen bediscussiëren)

  2. gesprekken (je kan met anderen converseren op grond van hun opvatting)

  3. filosofische wetenschappen (je kan makkelijker het ware van het onware scheiden en, jawel, zo krijg je uiteindelijk de axioma’s te vinden)

…maar wat is het? Hoppa:

‘De kunde van het voeren van een dialoog’. In dialectiek redeneer je (om tot uitgangspunten te komen), aldus Aristoteles, vanuit gangbare opvattingen over de werkelijkheid (endoxa). Een dialectisch syllogisme redeneert vanuit meningen (i.p.v. premissen).

 

 

 

 

 

 

 

Probleem: hoe kan je de uitgangspunten van de wetenschap halen uit (onbetrouwbare) endoxa?

 

Tekst metafysica (behandeld)

Vragen tekst Metafysica Aristoteles.

1) Hoe verloopt volgens Aristoteles in deze tekst de weg van waarneming naar kennis? 

Waarneming  geheugen / herinnering  ervaring  kundigheid en kennis

Van herinnering naar ervaring: oordeel vellen

Van ervaring nar kundigheid: verschillende ervaringen comnineren

 

(2) Wat is het meest kenbaar volgens Aristoteles in deze tekst? Waarom? 

Het meest kenbaar zijn de beginselen. We kennen dankzij en op grond van deze beginselen al het andere

 

(3) Welke soorten oorzaken onderscheidt Aristoteles in deze tekst? Geef de 

precieze woorden waarmee hij deze soorten oorzaken omschrijft.

  1. materie (stof der grondslag); causa materialis

  2. vorm (wezen / wat het was te zijn); causa formalis

  3. werkoorzaak (datgene waarvan de beweging komt); causa efficiens

  4. grondoorzaak (hetgeen omwille waarvan / het goede); causa finalis

Aristoteles probeert hiermee grip te krijgen op het begrip verandering. Daarom maakt hij onderscheid tussen materie, vorm, werkoorzaak en doeloorzaak. Een houten plank kan wel een tafel worden

 

(4) Welke soorten oorzaken onderscheidt Plato volgens Aristoteles in deze 

tekst? 

- vormoorzaak

- stof

 

Niet beantwoord: (5) Aristoteles schrijft opvattingen aan Plato toe die we niet direct in zijn 

dialogen terugvinden. In het kader van welke Plato-problematiek is dit interessant? 

 

Oorzaak

(materiele oorzaak?) Datgene van waaruit iets voortkomt (brons is oorzaak standbeeld)

(vormoorzaak?)Wat het voor iets is om te zijn wat het is (drie hoeken met lijnen daartussen is de oorzaak van een driehoek)

(oorzaak van beweging?) De eerste oorsprong van de verandering of het onveranderd blijven (een schakelaar omzetten is oorzaak van het lampje dat nu aan gaat; Ari zegt: vader is oorzaak van kind)

(doeloorzaak?) Datgene omwille waarvan het is (doel) (gezond blijven is oorzaak wandelen)

> verschillende zaken kunnen oorzaak zijn van hetzelfde ding (brons en beeldhouwkunst van het standbeeld)

 

Nieuw zijn, volgens Aristoteles, de vorm- en doeloorzaak. De natuurfilosofen zagen slechts de materiele oorzaak en de oorzaak van beweging (die ze ook niet scheidden), en niet die twee extra oorzaken.

 

Verandering

Aristoteles wil verschijnselen verklaren. Parmenides zei dat verandering niet kan, Aristoteles zit daar dus mee te stoeien.

Hij noemt drie elementen van verandering:

  1. het ontbreken van een eigenschap die er wel in potentie is (sterēsis, privatie) (amuzikaal)

  2. het hebben van de eigenschap (muzikaal)

  3. de drager van de eigenschap, het onderliggende (hypokeimenon, substraat) (de constante factor; mens die muzikaal wordt: mens blijft maar eerst niet muzikaal, later wel muzikaal)

omdat dat wat is niet hoeft te veranderen omdat het al is en omdat dat wat niet is niet opeens iets dat is kan worden kan er dus niets veranderen. Aristoteles hoopt dit te omzeilen door iets blijvends te verkrijgen (de mens) die – al blijvende – verandert.

 

En twee soorten verandering:

substantiële verandering (metabolē kata ousia) ontstaan en vergaan

accidentele verandering verandering qua kwantiteit, kwaliteit, plaats

 

Categorieën

‘zijn’ wordt op verschillende manieren gezegd en hij heeft daar categorieën van gemaakt:

Substantie (ousia)(mens)
Hoedanigheid/Kwaliteit(wit)
Hoeveelheid/Kwantiteit(twee voet lang)
Betrekking/Relatie(dubbel)
Plaats(in het Lyceum)
Tijd(gisteren)
Doen(snijden)
Ondergaan(gesneden worden)
Houding(staan)
Aan hebben(geschoeid)

 

Behalve substantie betreft iedere categorie accidentele verandering.

 

Act en Potentie

Aristoteles’ balans tussen verandering en stabiliteit:

  • act (energeia, verwerkelijking)

  • potentie (dunamis, vermogen) (een eikel kan eikenboom worden (of in elkaar gebeukt worden, maar daar zal ari het wel niet mee eens zijn))

Een ding kan niet in het wilde weg wat worden, het moet daar potentie voor hebben. Wezenlijk gaat de act vooraf aan potentie! Alleen doordat de act er aan zit te komen, heb je de potentie (is dus teleologisch!).

 

> Beweging / verandering is het overgaan van potentie in act; ‘actualisering van de potentie’.

 

Teleologie

Voor Aristoteles impliceert regelmaat automatisch doelgerichtheid. We zien grote regelmaat in de natuur, dus er moet een doeloorzaak in de natuur zijn.

 

In natuurlijke processen (organismen) vallen de vorm en de doeloorzaak samen. Bijvoorbeeld: wortels zijn dingen die de grond in gaan. Dat komt overeen met hun vorm en uiteindelijke functie.

Wat een mens eigen maakt is dat het een redelijk wezen is. Ons doel moet dan ook zijn om onze vorm – redelijkheid – zo goed mogelijk te realiseren.

Vaak combineert Aristoteles een teleologische verklaring met een mechanistische verklaring (doel en (natuur)wet).

 

Intentionele vs immanente teleologie

Bij Plato en Aristoteles zien we teleologie maar:

Bij Plato zie je een doelgerichtheid van een god (Demiurg) die de natuur zo goed mogelijk maakt (intentioneel).

Bij Aristoteles zie je dat de natuur zelf de natuur zo goed mogelijk maakt (immanent).

 

 

Droog

Vochtig

Koud

Aarde

Water

Warm

Vuur

Lucht

 

Aarde en water willen naar het centrum van de aarde (de kosmos!) bewegen en vuur en lucht willen omhoog. Vuur heeft deze neiging meer dan lucht en aarde heeft deze neiging meer dan water. De vier elementen kunnen in elkaar overgaan. Water > aarde > vuur > lucht > water > ...

Het vijfde element is ether en alle hemellichamen (bovenmaans) zijn van ether. Ether kan niet mengen en is beperkt tot de cirkelvormige beweging. Hemellichamen worden geacht een ziel te hebben, want als we dat aannemen begrijpen we hun gedrag beter.

 

Dingen met een ziel kunnen zichzelf namelijk in beweging zetten en houden. Voor ALLE andere zaken geldt dit niet.

 

Tijd en Beweging

Ok, let op:

Het is onmogelijk tijd waar te nemen zonder waarneming van verandering. Altijd als er tijd is, is er verandering / beweging.

Het nu heeft altijd een voor en een na. Als je bij het begin van tijd kijkt zit je ook in een nu en dan heb je automatisch ook een voor (en een na). Dus heb je altijd tijd, en dus ook altijd beweging. (vgl. Plato’s Demiurg die de tijd heeft geschapen)

EN: om tijd waar te nemen moet dus verandering worden waargenomen. Om verandering waar te nemen moet je ook een subject hebben dat in staat is tot tellen. Er is dus ook altijd (minimaal?) een subject geweest dat in staat was om te tellen.

 

Augustinus en Tijd

‘Wat is de tijd? Als niemand het me vraagt, dan weet ik het – maar als ik het wil uitleggen aan iemand die het vraagt, dan weet ik het niet.’

Oplossing: distentio animi (uitrekking van de ziel) het heden is het enige dat realiteit is. Het verleden en de toekomst bestaan niet echt, maar zijn slechts herinnering of verwachting in de ziel. Zijn beide dus deel van de ziel.

 

Aristoteles’ Tijd, Beweging en Goden

Aristoteles toont dus aan dat het noodzakelijk is dat er altijd iets verandert. Echter, hij stelt dat het noodzakelijk is dat iets altijd verandert (‘altijd iets’ wordt ‘iets altijd’). Het kan zijn dat hij een denkfout maakt. Een andere optie is de beweging van de uiterste hemelsferen. De enige mogelijke eeuwige beweging is dan ook de cirkelvormige.

 

De buitenste hemelsfeer richt zich met zijn ziel op het goddelijke intellect. Dit goddelijke intellect moet volgens Aristoteles één en al act zijn (de verwerkelijktheid). De activiteit die het heeft is beschouwing, zuiver denken. Alle andere (redelijke!) wezens proberen deze eeuwige activiteit na te bootsen. De hemellichamen doen dit door het maken van de cirkelvormige bewegingen. De individuen zijn zelf niet eeuwig, maar bootsen dat wel na door voortplanting.

 

Metafysica en Boek Zeta

De eerste filosofie, de metafysica, bestudeert het zijnde als zijnde. Zij houdt zich daarbinnen voornamelijk bezig met substanties, omdat dat de meest basic zijnden zijn.

 

Aristoteles onderzoekt ook of er axioma’s zijn die voor alle wetenschappen gelden. Hij komt tot:

  • Principe van de tegenspraak  (P  P)

  • Principe van de uitgesloten derde (P  P)

 

Boek Zeta – hierin komt hij iig tot de conclusie dat substantie gelijk staat aan vorm. Hoe onze held dit voor elkaar krijgt wordt zoveel mogelijk hieronder duidelijk gemaakt:

  • We spreken op verschillende manieren over wat ‘is’. (alinea 1)

  • Wat is nu het primaire ding dat is?

  • Dat is substantie.

  • Waarom is substantie het primaire ding?

    • Reden 1: andere dingen zijn voor hun bestaan afhankelijk van substantie. (1.2)

    • Reden 2: substantie is primair in tijd, definitie en kennis. (1.3)

  • Wat is dan substantie? (1.4)

  • Opsomming van zaken die men substantie noemt. (2)

  • 4 manieren waarop men spreekt van substantie. (3)

    • Wat zijn is voor dat ding / wezen / essentie (4)

    • Het algemene (nvt)

    • Het genus / geslacht (nvt)

    • Het onderliggende (3)

      • Materie

      • Vorm

      • Samenstelsel (van materie en vorm)

En dan:

Materie kan geen substantie zijn omdat het niet afzonderlijk kan bestaan. Als je substantie opvat als datgene dat je niet van iets anders kan zeggen, maar waarvan al het andere gezegd wordt, dan komt zou materie substantie (in eerste instantie) kunnen zijn. Van een concreet ding kun je van alles zeggen, maar als je al die eigenschappen wegdenkt, dan houd je namelijk de materie over. Materie kan echter niet zonder eigenschappen bestaan, dus valt het af als kandidaat om substantie te definiëren.

Samenstelsel kan geen substantie zijn, omdat dit samenstelsel per definitie niet primair is, de delen waaruit het bestaat waren er al eerder dan het samenstelsel.

Materie en samenstelsel kunnen geen substantie zijn, dus is vorm dat.

Of: de substantie is wat zijn is voor dat ding: zijn vorm.

 

Aristoteles onderscheid primaire en secundaire substanties. Primair is het concrete ding (de mens Socrates) en secundair de soort waar het toe behoort (de mens).

Vorm = datgene wat iets maakt tot wat het is (vergelijkbaar met de Vormenleer van Plato). Verschil is wel dat bij Aristoteles de vorm in de dingen zelf ligt, immanent is, geen afzonderlijk, steriel bestaan kent.

Of:

Vorm = Substantie = Wezen der dingen = Primaire Ding (niet te verwarren met Primaire Substantie). Vorm is alleen te vinden in de Primaire Substantie

 

Stoicijnse Logica

De fundamentele redeneerschema’s van de Stoïcijnen

Chrysippus van Sole (280–205 v. Chr)

1. Als P dan Q, echter P; dus Q.

2. Als de P dan de Q, echter niet Q; dus niet P.

3. Niet zowel P als Q, echter P; dus niet Q.

4. Of P of Q, echter P; dus niet Q.

5. Of P of Q, echter niet Q; dus P.

 

Verschil Stoïcijnse en Aristotelische Logica

  • De tak van de logica die zich bezighoudt met redeneringen die niet verder ontleed hoeven te worden dan zinsniveau heet propositielogica (Stoïcijns. Als pietje lacht, dan gaat Daan naar bed. Pietje lacht; dus gaat Daan naar bed.)

  • De tak van de logica die zich bezighoudt met redeneringen die dieper dan zinsniveau ontleed moeten worden heet predicaatlogica (Aristotelisch. (Alle vogels kunnen vliegen. Ik ben een rare vogel. Ik kan vliegen)

 

Voorbeeld van geldige redenering die geen van beiden op kan lossen:

‘Als iemand lacht, dan vertrekt iedereen’

‘Jan lacht’

‘Marie vertrekt’

 

De Ziel

Planten: voeding, groei en voortplanting

Dieren: beweging en waarneming (en voeding, groei en voortplanting)

Mensen: denken (en voeding, groei, voortplanting, beweging en waarneming)

 

Geen enkel bezield lichaam is in staat zich wel voort te bewegen, maar niet waar te nemen. Wanneer een bezield lichaam beweegt, dient het waar te nemen om zich te voeden.

 

Eudaimonistische Ethiek

Het goede is volgens Aristoteles het doel: datgene waarom iets gedaan wordt. Niet alle doelen zijn einddoelen. Het hoogste goed is het einddoel. Als er meerdere einddoelen zouden bestaan, dan nog is het hoogste goed het meest volkomen onder hen. Wat altijd om zichzelf wordt nagestreefd en nooit omwille van iets anders moet het meest volkomen einddoel zijn. Wat is dit voor de mens? Geluk!

Deze stelling maakt de ethiek van Aristoteles Eudaimonistisch. Het goede is geluk.

 

Wat maakt de mens gelukkig? Oftewel: wat het goede voor de mens is.

Vervolmaking van zijn natuurlijke taak. Het goede is identiek aan het zo goed mogelijk volbrengen van de menselijke taak. Als de mens een taak heeft, moet die dus zo goed mogelijk volbracht worden.

 

De taak van de mens.

Redelijkheid / logos / theoria / filosofische beschouwing. Deze levensfunctie moeten we niet slechts als vermogen bezitten, maar ook feitelijk uitoefenen (potentie en act!). De functie van de mens is dus een activiteit van de ziel, volgens de rede, overeenkomstig haar voortreffelijkheid.

 

Deugdethiek

Twee soorten deugden: deugden van het karakter en deugden van het intellect. Karakterdeugden moeten leiden tot het kiezen van het juiste midden.

 

De vraag is dan: hoe brengen we het moeten uitoefenen van karakterdeugden, midden in het leven, in harmonie met het filosofische ideaal. Nou. Zoiets:

 te kortmiddenexces
geven van geldgierigheidvrijgevigheidverkwisting
durflafheiddapperheidvermetelheid
woedegelatenheidbedaardheidopvliegendheid
najagen van aanziennederigheidfierheidverwaandheid
dagelijkse omgangnorsheidvriendelijkheidvleierij
Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of Daan Blitz
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
58
Selected Categories
Promotions
wereldstage wereldroute

Tussenjaar of sta je op het punt op kamers te gaan?

Wereldroute biedt jou een leerzaam en onvergetelijk Student Prepare Program aan