Korte samenvatting handhavingsrecht

Het gaat vooralsnog om een samenvatting van de eerste drie weken. In de loop van deze week en volgende week hoop ik de samenvatting compleet te hebben. Het gaat echter om een zeer beknopte samenvatting, voor het tentamen is het naslaan van de literatuurreader en jurisprudentiereader nog noodzakelijk.


Samenvatting tentamen handhavingsrecht

Week 1

Handhaving kan je op verschillende manieren definiëren. Bij een ruime definitie gaat het om alle inspanningen die op naleving gericht zijn. De Awb gaat zelf uit van een enge definitie. Dit ziet op toezicht en sanctionering, inclusief de tenuitvoerlegging van die sancties. Het preventieve en feitelijk handelen wordt hier niet onder begrepen. Het is dus met name een bestuursrechtelijke definitie. Als je het nog enger definieert gaat het om sanctionering inclusief de tenuitvoerlegging van die sancties.

In de Awb ziet het begrip toezicht op de naleving van regels.Er is een relatie tussen handhaving en normstelling. De handhaving begint vaak met handhaafbare normen. De overheid mag regels maken en reguleren. Vaak gebeurt dit omdat er sprake is van een probleem in de samenleving. In de jaren negentig ontstond er een dereguleringsgolf. Er werd toen teveel geregeld dat aan de markt overgelaten moest worden. De regels moeten zo opgesteld worden zodat ze nageleefd worden, het beoogde doel bereiken en dat ze ook handhaafbaar zijn. Hoe duidelijker, helderder en eenvoudiger de normen, des te beter ze te handhaven zijn. Tevens is het van belang dat normen een draagvlak hebben, in de zin dat we voelen dat een norm redelijk is. Als het draagvlak groter is, zal de naleving automatisch toenemen. Enige tijd geleden is de tafel van 11 ontwikkeld, dit is een handbaarheidstoets bij het opstellen van normen. Hij heeft een prognosekarakter.  

De tafel van 11 bevat een aantal dimensies van handhaving. Deze zijn onder te verdelen in spontane naleving:

Kennis van regels: bevordert spontane naleving.

Kosten en baten: niet-naleven kan zowel kosten als baten hebben.

Mate van acceptie

Normgetrouwheid doelgroep

Niet-overheidscontrole: ook sociale controle moet men meewegen

 

Handhavingsdimensies:

Meldingskans

Controlekans

Detectiekans

Selectiviteit: je kunt door middel van een risicoanalyse selecteren tussen groepen waarbij je de controle gaat intensiveren

Sanctiekans

Sanctie-ernst

Lees in de literatuurreader het stuk van Kok en De Boer

 

Er zijn in beginsel drie handhavingsstelsels: strafrecht, bestuursrecht of privaatrecht. Bij de bestuursrechtelijke handhaving ga je toezichthouders aanwijzen die gaan controleren. Uiteindelijk ga je als bestuur de sancties opleggen. Het is van belang dat je een keuze maakt tussen bestuurs- en strafrechtelijke handhaving. Hierbij zijn een aantal uitgangspunten te onderscheiden. Reader pagina 1.14

Allereerst dien je te kijken naar de te handhaven norm. Ten tweede dien je te kijken naar de handhavingsorganisatie. Als laatste is er het onderscheid tussen de besloten en open context. Bij een besloten context is er een specifieke rechtsbetrekking tussen overheid en burgers. De overheid kent in dat geval de doelgroep. In dit geval ligt het voor de hand om voor handhaving middels het bestuursrecht te kiezen. Bij een open context ben je gebonden aan algemene regels. Er is geen speciaal overheidsorgaan belast met de uitvoering van regels. In dergelijke situaties kan men beter handhaven door het strafrecht.

 

Indien men niet over gaat tot handhaving is er niet automatisch een handhavingstekort. Er zijn twee definities welke zien op het handhavingstekort.

Niet handhaven vanwege:

Niet willen (en wel moeten), of

Niet kunnen (maar wel willen)

Als de norm minder wordt nageleefd dan door de overheid is beoogd en aannemelijk is dat de handhaving verbeterd moet worden.

 

Oorzaken

Capaciteitstekort

Ontoereikende bevoegdheden

Onvoldoende professionaliteit

Onvoldoende informatie

 

Van gedogen spreekt men indien de overheid afziet van handhaving, terwijl ze dat feitelijk en juridisch wel moet doen. De grondslag hiervoor is het feit dat sanctiebevoegdheden discretionaire bevoegdheden zijn. In het beginsel heeft de overheid een beginselplicht tot handhaving. De overheid dient op het moment dat ze een overtreding constateert op te treden, behoudens bijzondere omstandigheden hetwelk gevonden kunnen worden in concreet zicht op legalisatie en disproportionaliteit. Bij handhaven kun je een onderscheid maken tussen sanctioneren en toezichthouden. De beginselplicht is een beginselplicht tot sanctionering. Het gaat erom dat er in beginsel een verplichting is om een bestuurlijke sanctie op te leggen.

 

Tegenover het algemeen belang dat bij handhaving is gebaat, staat het belang van de overtreder en een derde. Indien handhaving onevenredig is moet het achterwege blijven. De handhaving dient echter wel in overeenstemming met artikel 3:4 lid 1 Awb te zijn. (ABRvS 5 oktober 2011, rechtsoverweging 2.3) De beginselplicht tot sanctionering geldt enkel voor herstelsancties, dit volgt uit de uitspraak Hekwerk Anna Paulowna. Op het moment dat er een klacht bij het bestuursorgaan binnenkomt, dient het bestuursorgaan zich echter actief op te stellen (CBB 20 augustus 2010, rechtsoverweging 7.2.5.1). Je mag echter wel een prioriteringsbeleid hanteren.

 

Unierechtelijke dimensie

Unierecht en de eisen die het stelt gelden op het moment dat de lidstaten handelen binnen de werkingssfeer van dat recht (Aklagaren/Franson). Het hof heeft een aantal eisen gesteld aan de handhaving van het Unierecht. Deze eisen gelden voor toezicht en sanctionering. Dit is gedaan in de uitspraak Griekse Mais. De lidstaten zijn gehouden om het Unierecht te handhaven op een manier die gelijkwaardig is aan het handhaven van nationale overtredingen. Deze handhaving dient doeltreffend en afschrikwekkend te zijn. In het Unierecht is gedogen in beginsel niet toegestaan. Dit mag enkel indien er een absolute onmogelijkheid tot handhaving is.

In de uitspraak Café Friends heeft de Afdeling uitdrukkelijk aanvaard dat ten aanzien van bepaalde overtredingen eerst een waarschuwing wordt gegeven en bij herhaling pas handhavend opgetreden zal worden.

 

Week 2

Toezichthouden doe je om de naleving op regels te controleren. De definitie van toezicht op de naleving luidt als volgt: alle handelingen van toezichthouders gericht op het verzamelen van gegevens omtrent de naleving van wettelijke voorschriften en de oordeelsvorming over die naleving. Alle handelingen is een ruime term. Toezicht kan plaatsvinden door middel van periodieke controles. Tevens zijn er ook incidentele controles, naar aanleiding van een klacht.

Je dient nalevingstoezicht te onderscheiden van uitvoeringstoezicht. Hierbij controleer je als bestuursorgaan of er aan bepaalde wettelijke vereisten is voldaan, indien hieraan is voldaan kom je voor een bepaalde prestatie in aanmerking. Op het moment dat men met uitvoeringstoezicht heeft te maken geldt de medewerkingsverplichting niet. Dit kan men terugvinden in rechtsoverweging 2.4 Tankstation.

Onder markttoezicht worden vaak onafhankelijke organen geschaard. Dit is op bepaalde terreinen waarbij de overheid het nodig vindt om een dergelijke autoriteit aan te stellen. Bestuurlijk toezicht ziet op het toezicht van het ene overheidsorgaan op het andere overheidsorgaan. Het gaat vaak om een hoger overheidsorgaan dat een lager overheidsorgaan controleert. Er is sprake van opsporing als er een onderzoek plaatsvindt onder leiding van de officier van justitie, met als redelijk vermoeden dat er een strafbaar feit is gepleegd, met het doel het nemen van een strafrechtelijke beslissing. Er dient in dit geval sprake te zijn van een redelijk vermoeden.

 

Wie toezichthouder is wordt gedefinieerd in artikel 5:11 Awb. Een toezichthouder is een natuurlijk persoon. Om toezichthouder te worden moet je bij of krachtens wettelijk voorschrift worden aangewezen. Enkel in de bijzondere wetgeving worden toezichthouders aangewezen. Dit gebeurt op twee manieren: het aanwijzingsbesluit of het volgt uit de wet. De toezichthouders zijn meestal ambtenaren. Bij particulieren is een eigen, particulier belang in veel gevallen aanwezig. De regering heeft gezegd dat naar mate het maatschappelijk gewicht van de voorschriften groter is, particulier toezicht minder in aanmerking komt.

Een toezichthouder heeft in algemene zin de bevoegdheden die in titel 5.2 Awb zijn vermeld. De bevoegdheid kan door de wetgever beperkt worden, dit kan in de wet en in het aanwijzingsbesluit.

Het vorderen van inlichtingen (artikel 5:16 Awb)

Hierdoor kan je eenieder vragen stellen. Deze dienen in relatie te staan tot het na te leven voorschrift. De burger dient naar waarheid te antwoorden. Een vraag die niet concreet is, is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Er zitten echter wel grenzen aan. Dit vloeit voort uit het taakvervullingscriterium van artikel 5:13 Awb. Je dient vragen te stellen aan de meest gerede personen. Professionele geheimhouders hoeven op grond van art.5:20 Awb niet mee te werken.

Inzake in zakelijke gegevens en bescheiden (art.5:17 Awb)

Het gaat hierbij ook om digitale gegevens. Het gaat hierbij om gegevens die al bestaan, deze hoef je niet samen te vatten en je hoeft ook geen uittreksel te maken. Je dient de gegevens te tonen of inzage te geven. Een te algemene vraag mag niet gesteld worden, dit volgt uit artikel 5:13 Awb. Bij een zeer algemene vordering is er sprake van een fishing expedition. Het maken van een kopie dient te voldoen aan het evenredigheidsbeginsel.

Hierbij kent men het probleem van de forensic image. Bij een kopie van de harde schijf van de computer zal er veel meer informatie opstaan dan op de originele kopie van de computer zelf. Derhalve wordt er meer informatie vergaard dan nodig is.

Medewerkingsplicht (art.5:20 Awb)

Enkel van geheimhouders kan men geen medewerking vergen. Verder kan men het van eenieder vergen. In de uitspraak Difotrust heeft men hierop een uitzondering geformuleerd. Het opvragen van gegevens mag immers niet in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel of algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Indien men niet meewerkt kan men strafbaar gesteld worden op basis van art.184 Sr.

Betreden van plaatsen (art.5:15 Awb)

Het betreden van ‘elke plaats’ kan men ruim interpreteren. Een toezichthouder kan zich laten vergezellen door een deskundige. Een bijzondere wet kan voorzien in het betreden van een woning zonder toestemming. Het binnentreden dient gezien het doel redelijkerwijs noodzakelijk te zijn. Er is sprake van een zeer ingrijpend middel. Als je binnen bent mag je in beginsel alle bevoegdheden gebruiken die een toezichthouder heeft. Verder mag je enkel zoekend rondkijken. Bedrijfsruimten vallen onder het Nederlandse recht niet onder het begrip woning. In het arrest Cola Est is bepaald dat een bedrijfsruimte met een woning gelijkgesteld moet worden.

 

In de kern gaat het bij toezichtshandelingen om feitelijk handelen. Deze zijn vaak niet schriftelijk, maar mondeling. Het zijn derhalve geen besluiten in de zin van de Awb. Daardoor is het niet appellabel bij de bestuursrechter. Je moet je dan wenden tot de civiele rechter.

Vaak zien we dat er sprake is van een sfeerovergang, je gaat van toezicht over naar het strafrecht. Wanneer je tijdens het houden van toezicht een redelijk vermoeden krijgt van een strafbaar feit ga je over naar een opsporingsonderzoek. Als er sprake is van toezicht heb je een medewerkingsplicht. Bij opsporing geldt het zwijgrecht en het nemo tenetur-beginsel.De start van het zwijgrecht noemt men het moment a quo. De Awb kent hiervoor een eigen moment: in geval van verhoor met het ook op het opleggen van een strafrechtelijke sanctie. Bij het Unierecht geldt dat men zwijgrecht heeft na een officiële mededeling dat men wordt vervolgd wegens een strafbaar feit of indien men dat uit de handelingen af kan leiden.

Week 3

De definitie van een bestuurlijke boete kan men terugvinden in art.5:41 Awb. Het gaat om een bestraffende sanctie. Een bestuurlijke boete voegt leed toe aan de overtreder. De bestuurlijke boete kan enkel aan de overtreder opgelegd worden, een medepleger valt hier eveneens onder. De bestuurlijke boete is in het begin voornamelijk opgelegd om het strafrecht te ontlasten. Tegenwoordig liggen er ook andere redenen aan ten grondslag. Allereerst is het een completering van het bestuursrechtelijke handhavingsimplementarium. Handhaving vergt op een aantal terreinen specialistische deskundigheid. Kleine overtredingen die vroeger middels het strafrecht afgedaan werden, werden nu gedecriminaliseerd. Het ging dus op het eerste punt om de verkleining van de werklast en werkkosten bij massale overtredingen van geringe ernst. Tegenwoordig wordt de bestuurlijke boete echter toegepast bij zwaardere overtredingen. Hierbij heeft het dan te maken met deskundigheid. De grondslag om een bestuurlijke boete op te leggen moet geboden worden in de bijzondere wet. Vaak staat in de bijzondere wet zelf dat een bepaald bestuursorgaan een bestuurlijke boete op kan leggen. Bij een besloten context dwingt men handhaving af via het bestuursrecht.

 

Bij een gefixeerde boete wordt bij een algemene maatregel van bestuur een bijlage vastgesteld, deze bepaald bij elke overtreding het bedrag van de op te leggen boete. Bij een flexibele boete worden de boetes vaak ingekaderd door beleidsregels. Hierin worden criteria opgenomen voor bezwarende en ontlastende omstandigheden. Op deze manier wordt de discretionaire vrijheid behoorlijk ingeperkt, de beleidsregel dien je immers toe te passen tenzij dit tot een onevenredig resultaat leidt.

 

Bij beboeting in het strafrecht gelden allerlei regels voor de rechter, terwijl in het bestuursrecht alles gericht is tot het bestuur. In veel gevallen richt de bestuurlijke boete zich nog op eenvoudige feiten.

De aansluiting bij het strafrecht kan men op de volgende punten vinden:

Aan wie de boete opgelegd kan worden >overtreder

Oplegging aan rechtspersonen

Rechtvaardigings- en schulduitsluitingsgronden

Zwijgrecht- en cautieplicht

Meest gunstige recht

De regels op het punt van verjaring

Ne bis in idem en una via regel

 

Het ne bis in idem beginsel houdt in dat men dezelfde overtreding niet nogmaals kan beboeten. Er is sprake van hetzelfde feit wanneer de overtredingen nauw samenhangen en de voorschriften dezelfde belangen beschermen. Dit blijkt ook uit ABRvS 9 juli 2014. Uit artikel 5:44 Awb wordt duidelijk dat de overheid een beslissing moet maken tussen bestuursrechtelijke- en strafrechtelijke afdoening. Heel vaak vindt er echter afstemming plaats. De una via regel houdt in dat de bestuurlijke boete vervalt op het moment dat strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting is begonnen, dan wel wanneer een strafbeschikking is uitgevaardigd.

 

Bij de bestuurlijke boete kan men twee opleggingsprocedures onderscheiden:

Allereerst de lichte procedure waarbij de boete die opgelegd kan worden maximaal 340 euro is.

Rapport is facultatief (art.5:48 lid 1 Awb)

In dit artikel wordt eveneens weergegeven wat het rapport moet bevatten. Als een proces-verbaal is opgemaakt, komt dat in de plaats van het rapport.

Desgevraagd inzage in het dossier (art.5:49 Awb)

Het is van belang dat je om de inzage vraagt.

Geen hoorplicht, maar facultatief (art.5:50 Awb)

Alleen in geval van een rapport is de beslistermijn dertien weken (art.5:51 Awb)

Boetebeschikking of kennisgeving dat geen boete wordt opgelegd (alleen als de persoon in kwestie is gehoord (art.5:50 lid 2)

Veel van deze verplichtingen zijn facultatief en voor een deel moet je er ook voor vragen.

                                                                                                              

Zware procedure (meer dan 340 euro)

Verplicht rapport of proces-verbaal (art.5:53 lid 2 Awb)

Hoorplicht (art.5:53 lid 3 Awb)

Functiescheiding (art.10:3 lid 4 Awb)

Als art.5:53 van toepassing is wordt mandaat tot het opleggen van de boete niet opgelegd aan degene die het rapport of het proces-verbaal heeft opgemaakt.

 

Uiteindelijk gaat het erom dat de hoogte van de boete proportioneel is. De hoogte van de boete maakt onderdeel van het boetebesluit. Op grond van art.5:9 Awb dient dit besluit ook de overtreding te bevatten, als het overtreden voorschrift en de tijd en plaats waar de overtreding is geschied.

De boetehoogte wordt afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten (art.5:46 lid 2 Awb). Het bestuursorgaan dient in beginsel de wettelijke hoogte te volgen (lid 2). Het kan wel een lagere boete opleggen indien de overtreder aannemelijk maakt dat de boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

 

Het is toegestaan dat het bestuursorgaan een boete oplegt, mits rechtsbescherming bij een onafhankelijke rechter openstaat. Op grond van art.6:16 Awb hebben bezwaar en beroep geen schorsende werking. In beginsel dien je de boete derhalve dus toch te betalen. In bijzondere werking kan een schorsende werking toegekend worden.

 

De beslissing tot het opleggen van een bestuurlijke boete wordt door de rechter marginaal getoetst. De beslissing omtrent de hoogte van de boete wordt door de rechter indringender getoetst. Uit artikel 6 EVRM vloeit voort dat de rechter alle aspecten van een boetebesluit moet kunnen toetsen. De rechter dient dus volledige toetsingsbevoegdheid te hebben. Als de rechter tot het oordeel komt dat een boete onevenredig hoog is, moet de rechter kunnen verlagen.

De strafbeschikking is een nieuwer instrument. Naast het OM kunnen ook andere bestuursorganen de bevoegdheid hebben om deze bevoegdheid uit te vaardigen. Als de normadressaat verzet instelt kom je echter bij de strafrechter terecht.

 

Verschil in rechtsbescherming bestuurlijke boete en strafbeschikking

Hoorplicht is bij de bestuurlijke boete beter

De hoorplicht geldt enkel indien de strafbeschikking hoger is dan tweeduizend euro.

Eisen aan de motivering is bij de bestuurlijke boete beter

In het bestuursrecht geldt de eis van een deugdelijke motivering, daarbij gelden de eisen van art.5:9 en art.5:52 Awb. In een strafbeschikking moet je enkel vermelden wie het heeft gepleegd, wat hij heeft gepleegd en waar hij het heeft gepleegd. Bij de strafrechter moet je pas motiveren waarom de strafbeschikking passend was.

Instellingen van rechtsmiddelen is bij de bestuurlijke boete beter

Schorsende werking van rechtsmiddelen is in het strafrecht beter

Het griffierecht is in het strafrecht beter

Rol van de rechter bij bewijsvoering en straftoemeting is in het strafrecht beter

Verjarings- en vervaltermijn is in het bestuursrecht beter.

Week 4

De last onder dwangsom staat gedefinieerd in art.5:21 Awb. Het gaat hierbij om een herstelsanctie. De bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang dient wel daadwerkelijk toegekend te zijn. Het is echter slechts een bevoegdheid, geen verplichting. Derhalve is er discretionaire ruimte. Er is wel sprake van een beginselplicht tot handhaving, waardoor die discretionaire ruimte enigszins ingekaderd kan worden.

Bestuursdwang is ingrijpend en lastig. Het levert veel werk op voor het bestuur. Een last onder dwangsom is makkelijker. De last onder dwangsom wordt niet opgelegd om geld te verdienen, maar om de illegale situatie ongedaan te maken. De last leg je op aan de overtreder. De hoogte van de dwangsom dient evenredig te zijn. De hoogte van de dwangsom dient precies zo hoog te zijn dat het voor de overtreder beter is om aan de last te voldoen, dan dat hij zijn geld kwijt is.

Het gaat hierbij om reparatoire sancties. Het doel is om de onrechtmatige situatie te herstellen. Bij een strafsanctie gelden er zwaardere waarborgen. De dwangsom en bestuursdwang zijn alternatieven. Met de bestuursdwang kan het bestuur realiseren dat een overtreding wordt beëindigd. Bij bestuursdwang moet het bestuur iets gaan doen. Een last onder dwangsom is makkelijker in gebruik. Als de overtreder niet meer in staat is om de overtreding ongedaan te maken heeft het geen zin om een last onder dwangsom op te leggen. In het geval van haast is de bestuursdwang praktischer. Als de overheid een overtreding begaat kan een last onder dwangsom of een last onder bestuursdwang opgelegd worden. Dat betekent dat er een mogelijkheid is om van het bestuur af te dwingen dat ze zich aan de wet houden.

Eisen aan besluiten inhoudende een last onder bestuursdwang/dwangsom

Er moet een overtreding plaats hebben gevonden. In de praktijk gaat dit vaak fout. Men ziet bijvoorbeeld dat men op basis van omwonenden geluidsoverlast heeft plaatsgevonden, maar dat dat niet wordt gemeten. Als er geen overtreding is kan men geen bestuursdwang of dwangsom aanzeggen.

Het bestuur moet kunnen aantonen dat de overtreding daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dat iemand iets constateert kan niet voldoende zijn. Er moet derhalve sprake zijn van een goed en deugdelijk dossier, onderzoek door experts is altijd aanbevelingswaardig.

Het besluit moet de overtreding en het overtreden voorschrift vermelden

Het besluit moet vermelden, met enige mate van precisie, hoe aan de last voldaan kan worden. Hierdoor weet je waar je aan moet voldoen, om niet meer in overtreding te zijn. Een voorbeeld van een waterschap dat zei dat je de bomen van het perceel moet rooien was niet voldoende, omdat volstrekt onduidelijk was om welke bomen het ging. Bij het formuleren van de last moet je specifiek zijn wat je van de burger verwacht en aangeven wanneer hij aan zijn verplichting voldaan heeft.

Het besluit moet de termijn vermelden waarbinnen aan de last moet zijn voldaan. Dit is de begunstigingstermijn die geboden dient te worden. Deze tijd moet je krijgen. Dit is niet de tijd die je nodig hebt om een ideale oplossing voor jezelf te realiseren, maar het gaat daarbij wel om de tijd die je nodig hebt om de overtreding ongedaan te maken. Het bestuursorgaan dient die redelijke termijn te specificeren.

Het besluit moet vermelden of tot kostenverhaal zal worden gegaan. In principe is dat de hoofdregel. Als men niet overgaat tot kostenverhaal, dien je een goede reden te hebben. Zelfs als je failliet gaat van het kostenverhaal, kan men niet spreken van een bijzondere omstandigheid. Als je er niet in zet dat je tot kostenverhaal overgaat, dan mag je dat niet doen.

Bij preventieve herstelsancties is er geen sprake van een overtreding, maar ga je toch handhaven. Er dient in dat geval echter wel klaarblijkelijk gevaar voor een overtreding te zijn. Je dient bijna zeker te weten dat verwezenlijking van de overtreding plaats zal vinden. Bij spoed kan je twee termijnen onderscheiden: een beetje haast en extreme haast. Bij een beetje haast kan je bestuursdwang aanzeggen, maar de begunstigingstermijn achterwege laten. Dit volgt uit artikel 5:31 lid 1 Awb. Bij extreme haast kan je direct bestuursdwang toepassen, voorafgaand aan het besluit.

Bij handhaving gaat het om een discretionaire bevoegdheid. Dit houdt in dat het bestuursorgaan enige vrijheid heeft ten aanzien van hoe en of ze gebruik gaan maken van de bevoegdheid. De beginselplicht tot handhaving is hier een begrenzing van.

Als je overgaat tot handhaving zal er effectuering van het recht plaatsvinden. Indien men niet handhaaft zullen regels niet opgevolgd worden, je hebt dan niets aan die regels. Wat ook zwaar mee kan wegen is het risico van precedentwerking. Als je als bestuursorgaan over je hart strijkt, sta je de volgende dag met een leger aan overtreders voor je deur. Eveneens dient men rekening te houden met de belangen van derden.

Bij belangen die zich tegen handhaving verzetten kan het gaan om het geringe belang van de overtreding. Een klassieker is dat er concreet zicht is op legalisatie. Persoonlijke belangen van de overtreder of rechthebbende kunnen ook meespelen. Bestuursorganen maken ook weleens een handhavingsbeleid waarin ze opnemen dat ze allereerst eens beginnen met een waarschuwing. In principe kan dat ook eigenlijk niet. Je hebt een overtreding geconstateerd en dan heb je een beginselplicht tot handhaving. Ook dat mag wel van de Afdeling, hierdoor ben je als bestuursorgaan veel flexibeler. Je kunt dan in overleg met overtreders eruit proberen te komen. Dat levert wel een probleem op als er een derde is die aangeeft dat je moet gaan handhaven. Je krijgt dan een ingewikkeldere belangenafweging.

Een bestuursorgaan dient gerechtvaardigd vertrouwen in beginsel te respecteren. Wil een beroep op het vertrouwensbeginsel geldig zijn, dan is het handig als je al gehandeld hebt op basis van het vertrouwensbeginsel. Het langdurig stilzitten van een bestuursorgaan is niet voldoende voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Aan een gedoogbesluit heb je eveneens weinig. Het bestuursorgaan kan hier immers overheen stappen. Het is ook nog mogelijk dat je een onterechte vergunning krijgt. De Afdeling heeft aangenomen dat een vergunning vernietigd kan worden. Je dient daar rekening mee te houden. Concrete toezeggingen kunnen vertrouwen opwekken. Deze kan men opzijzetten omdat handhaven belangrijker is.

Een beroep op het gelijkheidsbeginsel is zelden succesvol. In de meeste gevallen zijn er in de casussen relevante verschillen aan te wijzen. Bestuursorganen dienen echter wel een consistent handhavingsbeleid te hebben. Het gelijkheidsbeginsel is wel relevant bij rechtsopvolging. Als bestuursorgaan dien je dan heel goed uit te leggen waarom er geen sprake is van een gelijke situatie. De overtreding en het overtreden voorschrift is in dat geval vaak identiek. Je dient dan duidelijk uit te leggen waarom de rechtsopvolger anders is dan zijn voorganger.

 

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of hannekedenottelander
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
22