Artikel Kroniek internationaal publiekrecht

De MH17-ramp en strijd om Oost-Oekraïne

De reden dat het Internationaal Strafhof zich niet buigt over de MH17-zaak is vanwege het complementariteitsbeginsel: indien een land in staat en bereid is tot vervolging over te gaan, houdt het Strafhof zich afzijdig. In dit geval was dit land Nederland. Het conflict in Oekraïne sluimerde al geruime tijd en kwam tot een uitspatting in februari 2014 met de opstand in Kiev, waarbij de zittende pro-Russische regering werd verdreven en hierop volgend de annexatie van de Krim door Rusland. Dit was het geval van twee zaken: de Russische vrees dat het Westen militair te dichtbij komt en hun toenemend zelfvertrouwen. Tegenwoordig bestaan nog diverse overlegfora over deze annexatie, zoals de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en ac hoc-groepen zoals de Trilaterale Contactengroep (bestaande uit Oekraïne, opstandelingen en de OVSE) en de Normandië-groep (bestaande uit Oekraïne, Rusland, Frankrijk en Duitsland). De vredespogingen van eerstgenoemde bleken nauwelijks effect te hebben, waarop laatstgenoemde in 2015 een ‘Pakket van Maatregelen voor de Tenuitvoerlegging van de (eerdere) Minskovereenkomsten’ tot stand bracht, wat juridisch de vorm van een verdrag heeft. Hierin wordt onder meer opgeroepen tot een onmiddellijk staakt-het-vuren, terugtrekking van zware wapens en voorbereiding van lokale verkiezingen en zelfbestuur in de regio. Ook is er een afspraak over een constitutionele hervorming van Oekraïne inclusief een nieuwe Grondwet. Het Pakket is ondertekend door de Trilaterale Contactengroep en de Normandië-groep belooft zich “individueel en gezamenlijk volledig te committeren aan de overeenkomst”. De VN Veiligheidsraad schaart zich ook hierachter en eist een vreedzame oplossing van het conflict.

Syrië en de Responsibility to Protect

Waar er een rechtsgrondslag bestaat voor het uitvoeren van bombardementen op IS-stellingen in Irak, ontbreekt deze in Syrië, waardoor het onmogelijk is om het conflict militair op te lossen. De oplossing ligt in multilaterale vredesdiplomatie met niet alleen het Westen, maar ook Rusland, China en de Arabische regio. Enkele stappen die al zijn genomen zijn het verwijderen van chemische wapens in de strijd (aansluitend op het verbod hierop), versterkte toezicht op en het verlenen van humanitaire hulp ondanks dat er geen expliciete toestemming bestaat van Syrië hiervoor, en het kenmerken van IS als terroristische organisatie wat een effectievere strafrechtelijke aanpak mogelijk maakt. De roep om een uitgebreide VN-vredesoperatie wordt tot op heden geblokkeerd; echter zou de Responsibility to Protect een uitkomst kunnen bieden.

Israël en Palestina

Palestina wordt langzaamaan steeds meer beperkt in omvang door de illegale bouw van Israëlische nederzettingen op het grondgebied. De uitspraak van het Internationaal Gerechtshof in de Wall-zaak, waarin opgeroepen werd tot het afbreken van de Israëlische Muur in bezet Palestijns gebied en het recht op zelfbeschikking van de Palestijnen werd benoemd, verliest steeds meer zijn kracht. Vooral de erkenning van Palestina zorgt voor problemen; inmiddels hebben 135 Staten haar erkend en heeft zij een non-member observer State status bij de Algemene Vergadering van de VN. Ook gekeken naar de vier Montevideo-criteria omtrent het Staat-zijn voldoet Palestina als een Staat, zowel de facto als de iure. Daarnaast heeft de Palestijnse Autoriteit een groot aantal internationale verdragen bekrachtigd en zich daarmee gevoegd in de internationale rechtsorde.

Charlie Hebdo en de vrijheid van meningsuiting

De aanslag op Charlie Hebdo resulteerde in een wereldwijd debat over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting. Naar analogie kijken we naar een uitspraak van de Hoge Raad uit 2014 betreffende “opzettelijke belediging van een groep mensen, in casu homoseksuelen”, gepleegd door een Nederlands politicus. Zowel het Wetboek van Strafrecht (artt. 137c lid 1 en 137d lid 1) als het EVRM (art. 10 en in het bijzonder lid 2) waren in het geding. Op grond van laatstgenoemd artikel kan de vrijheid van meningsuiting onderworpen worden aan beperkingen of voorwaarden en wordt zodoende de uitingsvrijheid van politici extra beschermd. Hoewel de uitspraken dus voldeden aan de delictsomschrijving van de strafrechtelijke artikelen, stond het de politicus vrij om deze uitingen te doen omdat deze binnen de grenzen van de vrijheid van meningsuiting vallen. Maar wát deze grenzen exact zijn, blijft vaag. Hier opvolgend woedt het debat voort tussen degenen voor maximale vrijheid van meningsuiting (denk aan bewegingen zoals PEGIDA) en de gematigden. Het staat een ieder vrij de grenzen van meningsuiting op te zoeken en dit zou ook niet gestraft moeten worden; echter kan dit wel een voedingsbodem creëren voor geweld en onverdraagzaamheid. Al met al moet hierin een balans worden gevonden.

Srebrenica

In juli 2014 verklaarde de Haagse rechtbank de Nederlandse Staat schuldig en verantwoordelijk voor de dood van 320 mannen als gevolg van deportatie door Dutchbat van hun veilige compound naar een gebied wat buiten hun ‘effective control’ viel. Met voldoende zekerheid kan worden gezegd dat de mannen waren blijven leven indien deportatie niet had plaatsgevonden en het uitblijven van luchtsteun doet hier niet aan af. Hieruit kwam een debat voort over de vraag of “de rechtbank de grenzen van de causaliteit niet te ver heeft opgerekt”.

Het Internationale Strafhof

Het Strafhof wordt door de Afrikaanse Unie en individuele Afrikaanse landen ervan beschuldigd een Afrika-bias te bezitten, nu bijna alle zaken op dat continent plaatsvinden. Het is zo dat in Afrika zaken voorkomen waarbij het Strafhof rechtsmacht vervaardigt vanwege het uitblijven van nationale actie; echter blijft de vraag of de openbaar aanklager de selectiecriteria wel serieus neemt en of hij selectief te werk gaat bij het aanspannen van zaken. Hierdoor wil het Afrikaanse Hof van Justitie en de Rechten van de Mens een eigen Strafkamer toevoegen. Inmiddels is een Protocol aangenomen die dit mogelijk kan maken, maar verleent dit Protocol tevens immuniteit aan “any serving AU Head of State or Government”, wat zaken kan bemoeilijken aangezien het vaak deze personen zijn die aangeklaagd worden.

Hof van Justitie en het EVRM

Toetreding van de EU tot het EVRM is onverenigbaar met het recht van de Unie volgens het advies van het Europese Hof van Justitie. De EU is geen Staat en toetreding zou ertoe leiden dat het EVRM voor alle Europese instellingen verbindend wordt, evenals dat de EU aan controle door het EHRM wordt onderworpen. Dit creëert problemen voor het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, wat dan getoetst zou worden door een orgaan dat buiten de EU valt. Kritiek op dit advies omvat onder meer het argument dat “het Hof zich als een verwend kind gedraagt” en weigert zijn autonomie te delen. Een andere manier om bescherming van mensenrechten toepasselijk te maken door en via Europese organen is het amenderen van de EU-Verdragen of toepassing van het EU-Handvest van de Grondrechten in privaatrechtelijke zaken voor het Hof. Ook omtrent bedrijven lopen de gemoederen hoog op met betrekking tot mensenrechten. De roep om een internationaal juridisch bindend instrument hieromtrent wordt niet door alle Staten gehonoreerd; niet verwonderlijk zijn landen zoals China, Rusland en Indonesië hier sterk op tegen.

Internationaal Gerechtshof

In 2014 volgde de uitspraak van het Hof in een door Australië (en later Nieuw-Zeeland) aangespannen zaak tegen Japan omtrent walvisvangst in het Zuidpoolgebied. Het Internationaal verdrag inzake regulering van de walvisvangst (ICRW) speelde een sleutelrol hierin nu het economische exploitatie van walvissen mogelijk maakte, maar ook walvissen wilde beschermen. In 1982 werd besloten tot een moratorium op commerciële walvisvangst met mogelijkheid tot het verkrijgen van een uitzonderingspositie, wat Japan had aangevraagd op grond van het belang van de walvisvangst voor wetenschappelijk onderzoek. Het Hof oordeelde dat zelfs dit “het op grote schaal doodschieten van walvissen op geen enkel punt kan rechtvaardigen” en dat de activiteiten van Japan een grove schending opleveren.

Genocide in Kroatië?

Het Internationaal Gerechtshof deed in februari 2015 uitspraak in de zaak van Kroatië tegen Servië onder de klacht dat laatstgenoemde verantwoordelijk gehouden moet worden voor genocide op Kroatisch grondgebied, die plaatsvond in 1990-95. Na de onafhankelijkwording van Kroatië in 1991 werd er zwaar gevochten tussen de twee partijen om een stuk Kroatisch grondgebied. Servië diende als tegenklacht in dat juist Kroatië genocide heeft gepleegd op Serviërs. Het Hof achtte beide claims ontvankelijk. Op grond van art. 2 Genocideverdrag kent de delictsomschrijving van genocide twee elementen: een fysieke en een geestelijke (de wil of intentie om uit te roeien). Het Hof concludeerde dat beide partijen voldeden aan het fysieke element maar dat Servië niet schuldig bevonden kan worden aan het geestelijke element, noch Kroatië; beide claims worden dus verworpen.

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of looorzz
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
20