Tentamen Aansprakelijkheidsrecht UvA 19 januari 2011


Casus 1: Verkeersongevallen

Sanne (4 jaar) en haar moeder zijn betrokken bij een verkeersongeval, zij zijn aangereden door X. Vast staat dat X jegens Sanne en haar moeder aansprakelijk is op grond van art. 185 WVW. Uit onderzoek blijkt dat Sanne en haar moeder door het rode stoplicht liepen en dat X veel te hard reed. Sanne loopt lichte verwondingen op. De moeder van Sanne overlijdt ten gevolge van de aanrijding.

Vraag 1

X meent dat hij voor hoogstens 50% van de letselschade van Sanne aansprakelijk is. Is dit juist? (max 2 punten)

Vraag 2

Heeft Sanne recht op vergoeding van bovengenoemde schade? Zo ja, hoe wordt de hoogte van de schadevergoeding berekend en met welke omstandigheden wordt hierbij juist wel en/of juist geen rekening gehouden? (max 4 punten)

Vraag 3

De Principles of European Tort Law bevatten de volgende bepaling:

Art. 3:103. Alternative causes

(1) In case of multiple activities, where each of them alone would have been sufficient to cause the damage, but it remains uncertain which one in fact caused it, each activity is regarded as a cause to the extent corresponding to the likelihood that it may have caused the victim’s damage.

(2) If, in case of multiple victims, it remains uncertain whether a particular victim’s damage has been caused by an activity, while it is likely that it did not cause the damage of all victims, the activity is regarded as a cause of the damage suffered by all victims in proportion to the likelihood that it may have caused the damage of a particular victim.”

a) Met welk wetsartikel in het BW is deze bepaling het beste te vergelijken?

b) Noem voor elk van de twee leden van art. 3:103 PETL een belangrijk verschil met het Nederlandse recht. Betrek daarbij naast de onder a) te noemen bepaling ook relevante rechtspraak van de Hoge Raad. (max 4 punten)

Antwoorden bij casus 1

Vraag 1

  • Nee, bij de vaststelling van de omvang van de schadevergoeding kan Sanne een beroep doen op de 100%-regel die, behoudens opzet of aan opzet grenzende roekeloosheid, recht geeft op volledige schadevergoeding. Deze regel geldt namelijk voor kinderen onder de veertien en Sanne is vier jaar oud. (1 punt).
  • In deze casus is geen sprake van opzet of daaraan grenzende roekeloosheid van Sanne. (Zij is immers veel te jong om opzettelijk te handelen.) (1 punt).

Max 2 punten

De moeder van Sanne is overleden ten gevolge van het verkeersongeval waarvoor X aansprakelijk is. Voor Sanne (4 jaar oud) wordt in rechte vergoeding gevraagd ter zake van gederfd levensonderhoud voor zover dat bestond in het doen van de gemeenschappelijke huishouding door haar moeder. De verzekeraar van X betwist deze aanspraak omdat de vader van Sanne vrij snel na de tragische gebeurtenis is getrouwd met José, die de huishoudelijke taken van de moeder van Sanne op zich heeft genomen.

Vraag 2

  • Aan de orde is de toepassing van art. 6:108 lid 1, aanhef en onder d BW. (1 punt)

NB: Hilde vraagt in rechte vergoeding ter zake van gederfd levensonderhoud voor zover dat bestond in het doen van de gemeenschappelijke huishouding door haar moeder.

Dan is lid 1 sub d van toepassing en NIET sub a.

  • Alleen als Sanne behoeftig is, bestaat een aanspraak op schadevergoeding, zie HR Bakkum/Achmea ( r.o. 3.4.1) (0,5 punt)
  • Het antwoord op de vraag in hoeverre Sanne behoeftig is, zal afhankelijk zijn van de concrete omstandigheden waarin Sanne verkeert (ro. 3.4.2) (0,5 punt)
  • In een aantal opzichten dient echter van de concrete omstandigheden te worden geabstraheerd. (Voor een deels objectieve benadering bestaat te meer aanleiding omdat het hier gaat om de begroting van (grotendeels) nog niet ingetreden schade (art. 6:105 BW)). (1 punt)
  • Gelet op deze aard van de schadepost, ligt het voor de hand om bij de vaststelling van de behoefte van de kinderen aan een voorziening voor vervangende huishoudelijke hulp uit te gaan van de na het ongeval bekende concrete omstandigheden waarin zij tot aan hun meerderjarigheid zullen verkeren, en daarbij geen rekening te houden met het antwoord op de vraag of reeds daadwerkelijk is voorzien in professionele huishoudelijke hulp dan wel of de mogelijkheid bestaat dat de overblijvende ouder in de toekomst gaat trouwen of samenwonen met een nieuwe partner die huishoudelijke taken in het gezin kan gaan verrichten. (r.o. 3.4) (1 punt)

Max 4 punten

Vraag 3

a) Art. 6:99 BW (1 punt)

b)

  • Art. 3:103 lid 1: geen hoofdelijke aansprakelijkheid, maar deelaansprakelijkheid, ook als er maar een slachtoffer is (de Jagerscasus van het college) [1 punt] ;
  • Art. 3:103 lid 2: PETL geen aansprakelijkheid jegens alle slachtoffers voor het geheel (individualisering) [1 punt] (maar in essentie marktdeelaansprakelijkheid).
  • Zie het DES-arrest [1-punt], (PETL volgen in de kern de opvatting van Hartkamp: tussen kans dat je de schade hebt veroorzaakt en marktaandeel zal veelal correspondentie bestaan).

Casus 2: In de P.C. Hooftstraat

Tijdens de zomervakantie gaan de vriendinnen Eva (15) en Carlie (17) een middag naar de P.C. Hooftstraat in de hoop dat ze een paar bekende Nederlanders zullen tegenkomen. Als ze na een uur nog geen BN’er hebben gespot, geven ze het op en duiken ze de parfumeriewinkel in om de nieuwste make-up te bewonderen. Emily is zeer enthousiast over de nieuwste kleuren oogschaduw van het exclusieve merk Adam Blue. Zij stopt snel drie doosjes (met een waarde van totaal 49 euro) in haar jaszak en loopt de winkel uit. Gerritsen, de eigenaar van de parfumeriewinkel, heeft de meisjes goed in de gaten gehouden. Hij ziet dan ook dat Eva de doosjes in haar jaszak stopt, maar hij is te laat om haar tegen te houden. Op basis van camerabeelden weet hij met behulp van de politie haar identiteit te achterhalen.

Vraag 1

Is Eva aansprakelijk jegens Gerritsen? Bij de beantwoording van deze vraag dient u artikel 6:166 BW buiten beschouwing te laten. (max 6 punten)

Vraag 2

Zijn de ouders van Eva aansprakelijk jegens Gerritsen? (max 3 punten)

Antwoorden bij casus 2

Vraag 1

  • Gerritsen kan Eva aanspreken uit hoofde van een onrechtmatige daad, art. 6:162 BW. (1 punt)
  • Zij pleegt een onrechtmatige daad omdat zij direct en opzettelijk inbreuk maakt op een subjectief recht, namelijk het eigendomsrecht van Gerritsen en/of tevens handelt in strijd met een wettelijke plicht (verbod op diefstal) (art. 6:162, lid 2 BW). (1 punt, beide mogelijkheden noemen levert geen extra punt op.) NB: de OD uitsluitend baseren op schending van de zorgvuldigheidsnorm levert dus geen punt op.
  • Deze daad kan haar worden toegerekend op grond van schuld, het gedrag (het stelen) is haar te verwijten en het is vermijdbaar (art. 6:162 lid 3 BW). (1 punt)
  • Gerritsen heeft schade, er is namelijk make-up (met een waarde van 48 euro) ontvreemd. (1 punt);
  • Causaal verband: er is sprake van een condicio sine qua non verband: als Eva de make-up niet had weggenomen, had Gerritsen deze schade niet geleden.(1 punt);
  • Relativiteitsvereiste: toets afhankelijk van de gekozen onrechtmatigheid:
  • Bij inbreuk op een subjectief recht is meteen aan het relativiteitsvereiste van art. 6:163 BW voldaan.
  • In geval van handelen in strijd met een wettelijke plicht moet worden getoetst of de geschonden norm van art. 6:163 BW strekt tot bescherming tegen de schade zoals Gerritsen die heeft geleden. De overtreden norm ‘verbod op diefstal’ strekt tot bescherming van een ieder, dus ook van Gerritsen. (1 punt per correct uitgewerkte toets aan de relativiteit, beide mogelijkheden noemen levert geen extra punten op).

Conclusie: Eva is aansprakelijk voor de schade van Gerritsen uit onrechtmatige daad, artikel 6:162 BW.

Totaal aantal: 6 punten

Vraag 2

  • Er is sprake van een “fout” van Eva, want Eva heeft een toerekenbare onrechtmatige daad (in de zin van art. 6:162 BW) verricht. Zie het antwoord op de vorige vraag. (geen punt)
  • De ouders van Eva zijn volgens art. 6:169 lid 2 BW aansprakelijk voor de schade tenzij hen niet kan worden verweten dat zij de gedraging van Eva niet hebben belet. (1 punt)
  • De ouders van Eva zullen derhalve moeten stellen/bewijzen dat hen geen verwijt treft (1 punt) (en in de regel zal dit worden aangenomen wanneer zij, zoals hier, erop zullen wijzen dat zich de even normale als - met het oog op de ontplooiing van kinderen - wenselijke situatie voordeed dat een kind van 15 jaar alleen buiten mocht zijn in de kerstvakantie; zie SBR 5, nr. 86, 3e al.)
  • Nu de casus geen enkele bijzonderheid bevat op grond waarvan de ouders kan worden verweten dat zij geen rekening hielden met een afwijkende situatie bij Eva, zoals bijvoorbeeld psychische stoornissen of ernstige ontsporingen bij Eva in het verleden, zijn deze ouders niet aansprakelijk. (1 punt)

Max 3 punten

NB:

* Het gaat erom dat het antwoord in gaat op de vraag of de ouders alles hebben gedaan wat in de omstandigheden redelijkerwijze van hen kon worden gevergd. Kinderen van die leeftijd hebben een zekere mate van vrijheid nodig zodat ze zich kunnen ontplooien. Relevante criteria ter beoordeling kunnen onder meer zijn: het tijdstip van het misdrijf, aard/crimineel verleden/ontwikkelingsniveau of gedragsproblemen van het kind en de eisen van het dagelijks leven. Motiveer dan je antwoord: kan de ouders in dit geval verweten worden dat ze de gedraging van het kind niet hebben belet?

Casus 3: Avonturen op de IJzee

‘IJsvereniging De IJzee’ huurt in de wintermaanden de IJzee van de provincie Noord-Holland. Begin januari 2011 heeft het hard gevroren en daarna is er veel sneeuw gevallen. De schaatsbaan op het ijs van de IJzee wordt al enige dagen met veel moeite sneeuwvrij gehouden. Op 15 januari 2011 om 15.30 uur dreigt de oprukkende sneeuw naast de zuidoostelijke bocht de schaatsbaan alsnog te blokkeren. Boer Jorrit gaat op verzoek van de IJsvereniging als vriendendienst met zijn minitractor het ijs op om de baan vrij te houden.

Met de sneeuwschuivers die hij aan de voorkant van de tractor heeft bevestigd, schuift boer Jorrit de naast de zuidoostelijke bocht van de schaatsbaan opgehoopte sneeuw weg. Na een half uur gaat er iets mis. Als boer Jorrit bij het naderen van een sneeuwvrij stukje traject langzaam wil afremmen, blokkeren tot zijn schrik de remmen van drie van de vier wielen en glijdt de minitractor, voor driekwart gedraaid en onbestuurbaar, de schaatsbaan op.

De blokkade werd, naar later bleek, veroorzaakt door een fabricagefout in het hydraulische remsysteem. De 17-jarige schaatsster Brenda ziet, als gevolg van vermoeidheid na een dag stevig schaatsen in combinatie met de wind en de sneeuw, de tegemoetkomende minitractor pas op het moment dat zij deze niet meer kan ontwijken. Zij komt hardhandig in botsing met de minitractor waardoor zij haar linker enkel verstuikt. Verder loopt zij een gescheurde lip, schaafwonden en kneuzingen op en haar nieuwe sportbril van 200 euro wordt beschadigd.

Tot haar teleurstelling zal Bente de ‘11 IJtocht’ die de volgende dag wordt verreden, niet kunnen rijden. Zij is het daarvoor betaalde inschrijfgeld à 12,00 euro definitief kwijt. In de weken erna verloopt haar herstel voorspoedig maar terugkijkend op het ongeval blijft zij lange tijd boos en verdrietig over de gemiste schaatstocht.

Vraag 1

Is boer Jorrit jegens Brenda risicoaansprakelijk voor de schade aan haar bril? (max 8 punten)

Vraag 2

Hoe beoordeelt u de stelling van Brenda? (max 2 punten)

Vraag 3

Geef aan welke schadeposten Brenda mogelijk kan claimen als Boer Jorrit hiervoor aansprakelijk is uit onrechtmatige daad. Om welke soorten schade gaat het en hoe worden deze schadeposten begroot door de rechter? Geef daarbij steeds de relevante wetsartikelen aan. (max 5 punten)

Vraag 4

Hoe beoordeelt u de aansprakelijkheid van Buwalda voor de schade van Douwe Riemstra a) aan zijn stopwatch en b) aan zijn pols? (max 6 punten)

Vraag 5

Heeft Jacob Lekkerkerk onrechtmatig (zie art. 6:162 lid 2 BW) gehandeld tegenover Dieuwke Terper?

U dient de andere elementen van art. 6:162-163 BW in de beantwoording van deze vraag buiten beschouwing te laten. (max 4 punten)

Antwoorden bij casus 3

Vraag 1

NB 1: Er wordt gevraagd naar risicoaansprakelijkheid voor de schade aan haar bril van 200 euro. In dat geval kan alleen art. 6:173 lid 1 BW van toepassing zijn. De regel van productaansprakelijkheid geldt niet voor zaakschade onder de 500 euro. NB 2: De minitractor wordt niet gebruikt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Om een vordering op grond van art. 6:173 lid 1 BW in te stellen moet voldaan zijn aan de volgende voorwaarden: er moet sprake zijn van een roerende zaak; bekendheidsvereiste; niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen: een gebrek; bijzonder gevaar voor personen of zaken; de verwezenlijking van een specifiek gevaar voor personen of zaken.

Toets aan de voorwaarden van art. 6:173 lid 1 BW:

  • Boer Jorrit is bezitter van de minitractor (0,5 punt)
  • Roerende zaak: een minitractor is een roerende zaak (in de zin van art. 3:2 BW). Aan dit vereiste is voldaan. (0,5 punt)
  • Bekendheidsvereiste: Dit vereiste is hypothetisch van aard. Zie SBR5 nr. 100. Om aan het bekendheidsvereiste te voldoen, is voldoende dat boer Jorrit weet dat hij niet moet gaan rijden met een minitractor waarvan de remmen niet werken. (Als hij daadwerkelijk zou weten dat zijn eigen tractor dit gebrek zou hebben, dan zou het gebruik ervan tot aansprakelijkheid krachtens art. 6:162 BW leiden. Er kan dan namelijk worden toegerekend op basis van schuld.) Aan het bekendheidsvereiste is in deze casus voldaan. Ook goed: Om aan het bekendheidsvereiste te voldoen, is voldoende dat boer Jorrit weet dat het gevaar (botsing met personen) zich kan voordoen bij de hypothetische aanwezigheid van het gebrek aan de tractor (niet werkende remmen). (1 punt)
  • Niet voldoen aan de daaraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen: een gebrek. Van een tractor mag worden verwacht dat deze voor het uitvoeren van werkzaamheden niet lijdt aan een gebrek zoals defecte remmen. In casu was dit niet het geval. De remmen werkten niet. Aan dit vereiste is dan ook voldaan. (1 punt)
  • Bijzonder gevaar voor personen of zaken: Van een tractor mag worden verwacht dat de remmen werken. Door het gebrek vormde de tractor een bijzonder gevaar voor personen of zaken. Er kunnen botsingen ontstaan doordat de remmen van de tractor niet werken. (Het gaat hier niet om het algemene gevaar dat kleeft aan het rijden met een tractor, bijvoorbeeld het maken van verkeersovertredingen en daarmee veroorzaken van een ongeluk, maar om het bijzondere gevaar dat ontstaat doordat de tractor gebrekkig is (m.a.w., het gaat om een niet aan de tractor inherent gevaar). Aan dit vereiste is dan ook voldaan. (1 punt)
  • De verwezenlijking van het specifieke gevaar en schade voor personen of zaken: er is een botsing ontstaan en Brenda heeft als gevolg van het gebrek schade opgelopen. (1 punt)
  • Toets aan de TENZIJ-Regel: Boer Jorrit is niet aansprakelijk op grond van art. 6:173 lid 1 BW wanneer aansprakelijkheid op grond van art. 6:162 BW zou hebben ontbroken indien hij bekend zou zijn met het gevaar op het moment van het ontstaan ervan.
  • Art. 6:162-163 BW stelt de vijf volgende eisen: Onrechtmatigheid, causaal verband, toerekenbaarheid, relativiteit, schade.
  • Is de daad onrechtmatig? Ja, als boer Berend bekend was geweest met de defecte remmen en toch het ijs was opgegaan, dan zou het OFWEL een onopzettelijke inbreuk zijn in strijd is met de maatschappelijke zorgvuldigheid. (Hierbij spelen de Kelderluik-factoren een rol (behoeft niet te worden uitgewerkt). Er zou dan hypothetisch voldoende tijd geweest zijn voor BB om iets te kunnen doen tussen de fabricage (moment bekendheid) en het falen van de remmen; OFWEL dan zou er sprake zijn van een opzettelijke en directe inbreuk op het eigendomsrecht (de bril) van Bente en tevens een schending van een wettelijke plicht (overtreding van het verbod op mishandeling).
  • Conclusie: er zou dan sprake zijn van een onrechtmatige daad van Boer Jorrit (art. 6:162 lid 2 BW) (1 punt voor een compleet geheel antwoordelement).
  • Deze onrechtmatige daad aan BB zou kunnen worden toegerekend. Dat de bril van Brenda kapot is gegaan zou dan te wijten aan zijn schuld; BB zou verwijtbaar en vermijdbaar hebben gehandeld. (0.5 punt) (6:162 lid 3 BW);
  • Er sprake is van schade: zaakschade van Brenda (0.5 punt);
  • Tussen de gedraging van BB en de schade van Brenda causaal verband zou hebben bestaan (condicio sine qua non verband). Als BB niet met de tractor met defecte remmen het ijs was opgegaan, had Brenda geen schade geleden (0.5 punt);
  • Het relativiteitsvereiste opgaat: aan het relativiteitsbeginsel zou zijn voldaan want bij inbreuk op een subjectief recht of op de zorgvuldigheidsnorm is steeds aan het relativiteitsvereiste van art. 6:163 BW voldaan (resp. bij handelen in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid is de relativiteit gegeven) (0.5 punt).

Conclusie:

Boer Berend zou dus aansprakelijk zijn geweest indien hij bekend zou zijn geweest met het gebrek op het moment van ontstaan hiervan. De tenzij-regel, die de risicoaansprakelijkheid zou kunnen opheffen, gaat hier niet op. Conclusie: Boer Jorrit is als bezitter van de minitractor op grond van art. 6:173 lid 1 BW risicoaansprakelijk voor de schade. (geen punt) (Max 8 punten)

Boer Jorrit brengt als stelling naar voren dat de botsing, en daarmee de schade van Brenda, voor 80% door toedoen van Brenda is veroorzaakt. Als zij alerter was geweest, beter had uitgekeken en tijdig had geremd, dan was er geen botsing of schade geweest. Boer Brenda wil daarom slechts 20% van Brenda schade voldoen. Stel dat Brenda zich vervolgens verweert met de stelling dat in dit geval de 50% regel van toepassing is op de vergoeding van haar schade, zodat boer Brenda hoe dan ook voor minstens 50% aansprakelijk is.

Vraag 2

  • Brenda kan zich niet met succes beroepen op deze stelling. De 50% regel speelt slechts een rol indien artikel 185 WVW van toepassing is. (1 punt)
  • Art. 185 WVW is hier niet van toepassing, omdat niet voldaan is aan het criterium dat op een voor het openbaar verkeer openstaande weg (of pad) wordt gereden door het bij het ongeval betrokken motorrijtuig. Het ongeval vindt plaats op een ijsbaan en niet op de weg. (1 punt)

Alternatief antwoord:

  • De schaatsbaan op de IJzee is door het bevroren zijn gedurende die periode een voor het openbaar verkeer openstaande weg geworden waarop artikel 185 WVW van toepassing is. (1 punt)
  • De 50% regel is daardoor van toepassing op het ongeval tussen de minitractor van boer Jorrit en Brenda. (1 punt).

Vraag 3

Vermogensschade

  • 0,5 pnt. Grondslag: artikel 6:95 BW jo. 6:96 lid 1 BW

Schadeposten:

o 0,5 pnt. medische kosten / ziektekosten (verstuikte enkel)

o 0,5 pnt. entreegeld 11 IJtocht (zie SBR5 nr. 201: het betreft hier schade als gevolg van gemist onstoffelijk voordeel)

o 0,5 pnt. de reparatiekosten aan de bril

Wijze van begroting:

o Grondslag: artikel 6:97 BW (NB: het artikel moet worden genoemd)

o 0,5 pnt. medische kosten/ziektekosten (verstuikte enkel etc.): concrete begroting

o 0,5 pnt. entreegeld 11 IJtocht: concrete begroting omdat het zuivere vermogensschade betreft (namelijk de vergeefs voor het onstoffelijk voordeel gemaakte kosten)

o 0,5 pnt. de schade aan de bril: abstract begroot omdat dit zaakschade betreft (de naar objectieve maatstaven te berekenen herstelkosten/dagwaarde van de bril)

Ander nadeel/immateriële schade

  • 0,5 pnt. Grondslag: artikel 6:95 BW jo. 6:106 lid 1 sub b BW
  • 0,5 pnt. Schadepost: pijn en verdriet veroorzaakt door het lichamelijk letsel.
  • 0,5 pnt. Wijze van begroting: naar billijkheid.

NB: immateriële schade – affectieschade of shockschade - als gevolg van de gemiste ‘11 IJtocht’ komt niet voor vergoeding in aanmerking. Indien wel genoemd: puntaftrek 1 punt.

Max 5 punten, alles een 0,5

De met grote snelheid vanuit het noorden komende schaatscoach Douwe Riemstra kan, professioneel als hij is, met een soort duikbeweging de minitractor nog net ontwijken. Bij deze manoeuvre slingert zijn stopwatch, die hij gebruikt bij het coachen van de professionele en internationaal bekende IJsboerke-schaatsploeg, uit zijn zak en wordt door het nog draaiende wiel van de minitractor verbrijzeld. De stopwatch vertegenwoordigt een waarde van 720 euro. De linkerpols van Riemstra is door de val gebroken. Riemstra stelt de importeur van de minitractor, Buwalda aansprakelijk. Buwalda meent dat de door Riemstra opgevoerde schade niet voor vergoeding door hem in aanmerking komt omdat hij slechts de importeur is.

Vraag 4

Vraag: Is Buwalda aansprakelijk op grond van art. 6:185 BW?

Is er een product?

  • Ja, de minitractor, dit is een roerende zaak. Zie 6: 187 lid 1. (1 punt)

Is het product gebrekkig?

  • Ja, Buwalda heeft een gebrekkig product ingevoerd. Er is een fabricagefout gemaakt, waardoor de remmen niet goed werken. De minitractor biedt daarom niet de veiligheid die men daarvan mag verwachten, art. 6:186 lid 1 BW. ( 1 punt)

Wie is de producent?

  • De producent is een onbekende producent in Japan. Naast de producent is ook de importeur in de EER op gelijke voet aansprakelijk, dat is Buwalda, zie art. (6:185 lid 1 jo) 6:187 lid 3 BW. ( 1 punt)

Komen de door Riemstra geleden schadeposten voor vergoeding in aanmerking ogv 6:185 BW ev.?

  • a) Ja, de letselschade valt onder art. 6:190 lid 1 sub a BW en komt voor vergoeding in aanmerking. ( 1 punt)
  • b) Nee, de schade aan de stopwatch komt niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de stopwatch niet voldoet aan de vereisten van art. 6:190 lid 1 onder b BW: de schade is niet geleden aan een zaak die in de privé-sfeer wordt gebruikt. ( 1 punt)

Is er causaal verband tussen de schade en het gebrek, het niet goed werkend remsysteem van de minitractor?

  • Ja, zonder dit gebrek zou Riemstra deze schade niet hebben geleden, (zie art. 6:185 lid 1 (jo 6:188) BW. ( 1 punt)

Conclusie: Buwalda is wel aansprakelijk voor de letselschade, niet voor de schade aan de stopwatch op grond van art. 6:185 BW lid 1 en volgende. Dit is een risicoaansprakelijkheid voor producten. (geen punt)

Maximaal 6 punten

Jacob Lekkerkerk heeft al de nodige uurtjes geschaatst wanneer hij de over de schaatsbaan schuivende minitractor nadert. Hij ziet wat er zo`n 40 meter verderop allemaal gebeurt en besluit ter plekke dat het voor vandaag wel mooi is geweest. Jacob stopt eensklaps midden op de baan, in strijd met de algemeen geldende regels bij het schaatsen, om terug te keren naar de wal. Schaatsster Dieuwke Terper, die juist op dat moment wat sneeuw uit haar ogen veegt, ziet niet dat Jacob Lekkerkerk plotseling stopt. Zij botst van achteren tegen hem op, komt vervelend ten val en breekt daarbij haar linker enkel.

Vraag 5

Opmerkingen vooraf ten aanzien van het antwoord:

NB 1: De te beoordelen vraag: is door Jacob onrechtmatig gehandeld? Alle antwoorden die op een ander onderwerp ingaan (of op een eventuele aansprakelijkheid van de exploitant van de IJsbaan) leveren dus geen punten op.

NB 2: Eveneens zonder punten blijft een antwoord dat volstaat met iets in de zin van “ ja want Jacob maakt inbreuk op een recht persoonlijkheidsrecht/lichamelijke integriteit) en dat is (162 lid 2 BW) onrechtmatig”. Een dergelijk antwoord miskent zowel dat niet iedere inbreuk op een recht onrechtmatig is als het feit dat niet elke veroorzaking van schade een onrechtmatige daad is.

NB 3: Wie aanneemt dat Jacob opzettelijk heeft gehandeld en dat daarmee de onrechtmatigheid is vastgesteld, heeft de vraag niet goed gelezen. Het gaat er om dat de gedraging van Jacob wordt beoordeeld aan de hand van de beoordelingsmaatstaf uit de arresten HR Zwiepende tak en Verhuizende zusjes OF de beoordelingsmaatstaf uit HR “Natrappen” (“Sport en spel”).

Alternatief 1 OPLOSSING VIA HR Zwiepende tak en Verhuizende zusjes

- Is hier gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid? (1 punt)

- Niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval als verwezenlijking van een aan een bepaald gedrag inherent gevaar doet het gedrag onrechtmatig zijn. Gevaarscheppend gedrag is slechts onrechtmatig indien de mate van waarschijnlijkheid van het oplopen van letsel door Dieuwke zo groot is dat Jacob zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van het in de casus beschreven gedrag had moeten onthouden. (1 punt)

- HR Zwiepende tak of Verhuizende zusjes (1 punt)

- Conclusie: a) er is hier geen sprake van onrechtmatig handelen maar van een ongelukkige samenloop van omstandigheden OF b) In dit geval is er daarom wel sprake van onrechtmatig handelen van Jacob. (1 punt)

Alternatief 2 OPLOSSING VIA SPORT EN SPEL

- Is hier gehandeld in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid? (geen punt)

- Jacob veroorzaakt letsel in een sport of spelsituatie aan een ander (Dieuwke) (1 punt)

Te noemen beoordelingscriteria aan de casus geconcretiseerd (alleen criteria noemen levert geen punten op):

- 1. Een gedraging in het kader van een sport-of spelbeoefening is minder snel onrechtmatig in de zin van art. 6:162 BW dan dezelfde gedraging buiten sport-of spelverband. (1 punt )

- 2. De enkele overtreding van een spelregel, eensklaps midden op de baan stoppen en in strijd met de algemeen geldende regels bij het schaatsen maakt het gedrag nog niet onrechtmatig. (1 punt)

- Conclusie: a) de ernst van de overtreding is te gering om de gedraging als onrechtmatig aan te merken OF b) de ernst van de overtreding is zo fors dat de gedraging als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Het begrip “de ernst van” (of iets vergelijkbaars) moet worden genoemd voor (1 punt).

Max 4 punten

Maximaal aantal punten: 44 = cijfer 10

24 punten = cijfer 6

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of SafirSL
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
15