Oefententamens 2012-2013 en 2013-2014


 

Oefententamen 2012-2013 (1e kans)

 

Vraag 1

 

Marietje Puk heeft haar leven lang gewerkt als advocaat in lidstaat Polsika en besluit op haar 59e een nieuwe uitdaging door een gokbedrijf op te zetten in lidstaat Litouwie. Ongelukkigerwijs staat de wet van Litouwie dit niet toe, zodat Marietje vanuit lidstaat Hongarka, waar dit wel is toegestaan, haar bedrijf opzet dat een website beheert die geheel in het Litouwie is gesteld. Via deze website kan worden deelgenomen aan diverse online kansspelen en kan uiteraard gegokt worden. Om deel te kunnen nemen aan kansspelen is het vereist dat de spelers zich een creditcardnummer opgeven en zich registreren. Conform de wetgeving van Litouwie is het de banken van die lidstaat verboden creditcardtransacties ten gunste van bedrijven uit te voeren die op een zogenaamde zwarte lijst staan. Dit verbod is heeft als doel om de bevolking te beschermen tegen gokverslaving en ongebreidelde goklust. Dit betekent dat het voor Marietje haar bedrijf dat op de zwart lijst staat het niet mogelijk is om aan de inwoners van Litouwie gokdiensten aan te bieden. Het is Marietje gelukt om een bank te vinden (ICE BANK) die wel bereid is om dit soort transacties uit te voeren voor Marietje haar bedrijf. Zodra het duidelijk is dat de wet is overtreden zal ICE bank meteen strafrechtelijk vervolgd worden.

 

 

Welke fundamentele vrijheid of vrijheden zijn/is op deze casus van toepassing? Geef hierbij aan waarom één of meerdere vrijheden naar uw mening niet van toepassing is/zijn?

 

 

Antwoord vraag 1

Week 6, HC11 en HC12, HVII paragraaf 4 en 5.
Het aanbieden van gokdiensten zijn onstoffelijke goederen en vallen zodoende onder het vrije verkeer van diensten of de vrijheid van vestiging, dit hangt af van de frequentie en de duurzaamheid waarmee Marietje deze diensten zal aanbieden in de andere lidstaat. Zie hiervoor het arrest Gebhard, r.o. 25-28. Als Marietje in Hongarka wil vestigen zal zij gebruik maken van de vrijheid van vestiging omdat zij vanuit Polsika daarin verplaatst en daar duurzaam aan het economisch leven gaat deelnemen. Het aanbieden van gokdiensten in Litouwie vindt plaats vanuit Hongarka en valt daardoor onder het vrije verkeer van diensten.

 

Wat betreft de diensten van de ICE BANK zouden onder de fundamentele vrijheden kunnen vallen afhankelijk van de vestigingsplaats van de bank. Als deze is gevestigd in een andere lidstaat dan Hongarka, dan is er een grensoverschrijdend element en is de vraag of de vrijheid van dienstverlening of het vrije verkeer van kapitaal van toepassing is. Het gaat hier niet om een investering en ook niet om betalingen door de ICE BANK aan Marietje haar bedrijf zodat het vrije verkeer van diensten van toepassing zou kunnen zijn.

 

Omdat er geen stoffelijke goederen de grens over gaan is het vrije verkeer van goederen niet van toepassing en tevens is er geen sprake van vrij verkeer van werknemers. Ook het vrij verkeer van Unieburgers is niet primair van toepassing aangezien Marietje economisch actief wil worden.

 

VERVOLG CASUS

 

Vraag 2

Inmiddels is de wetgeving van Litouwie geliberaliseerd. Dat betekend dat ondernemers een vergunning kunnen krijgen om online gokdiensten aan te kunnen bieden. Om voor deze vergunning in aanmerking te komen moeten de ondernemers voldoen aan een aantal vereisten ter zake van de betrouwbaarheid, kundigheid en integriteit teneinde het witwassen van zwart geld en belastingontduiking tegen te gaan. Tevens is het vereist dat de ondernemers in Litouwie gevestigd moeten zijn. Marietje besluit dan ook om een vergunning aan te vragen, maar deze wordt geweigerd enkel en alleen om het feit dat zij niet in Litouwie gevestigd is. Marietje gaat hiertegen in beroep bij de rechter. Litouwie voert bij de rechter aan dat deze regel is gerechtvaardigd door de noodzaak te allen tijde en tegen relatief lage kosten effectief toezicht uit te kunnen oefenen op de aanbieders van online gokdiensten. Litouwie hanteert dezelfde eisen ten aanzien van aanbieders van offline gokdiensten, maar in de afgelopen elf jaar zijn slechts een aantal van deze aanbieders gecontroleerd. Aan de vergunning zijn jaarlijkse leges verbonden die dienen ter dekking van de inspectiekosten.

 

Wat is uw mening over onverenigbaarheid van deze gang van zaken met recht van de Europese Unie?

 

 

Antwoord vraag 2

Week 6, HC11, HVII paragraaf 5.
Marietje is gevestigd in een andere lidstaat dan Litouwie en wil haar diensten dan ook aanbieden in deze lidstaat, hierdoor is het vrije verkeer van diensten van toepassing is zie art. 56 VWEU. Een dienstverlener moet gevestigd zijn in de lidstaat waar zij haar diensten verricht ontmeent het nuttig effect aan het dienstenverkeer. Dit levert een belemmering op, zie Van Binsbergen. Dat een vergunning vereist is, is een belemmering van het vrije verkeer van diensten omdat dit onaantrekkelijk kan zijn om diensten aan te bieden in Litouwie.

 

Het is een discriminatoire belemmering om de vergunning te weigeren alleen op grond van de vestigignsplaats van Marietje. Het is controverieel of deze belemmering als evenredige maatregel gerechtvaardigd kan worden. Vereist voor evenredigheid is dat de maatregel noodzakelijk is voor het bereiken van de doelstelling en niet verder gaan dan wat strikt noodzakelijk is. Dwingende eisen zijn in verband met gokdiensten geaccepteerd, zoals het tegengaan van criminaliteit en bescherming van de bevolking tegen de gevaren van gokverslving. De maatregelen moeten dan wel evenredig en noodzakelijk zijn, zie Placania.

 

 

Ter bereiking van deze doelstelling lijkt het vergunningsvereiste niet verder te gaan dan wat noodzakelijk is, tenzij uit haar thuisland vergunningvereisten buiten beschouwing gelaten worden, dit is naar analogie toegepast van Webb. Doordat Marietje haar bedrijf geweigerd wordt conform handhavingsoverwegingen terwijl minimaal gehandhaafd is in het verleden wijst op onevenredigheid. Dat Marietje leges moet betalen ter dekking van de handhavingskosten, terwijl de inspectiekosten al gedekt worden, wijst ook op onevenredigheid.

 

 

VERVOLG CASUS

 

Vraag 3

Marietje’s in Litouwie woonachtige nichtje Stomka probeert eveneens een vergunning te bemachtigen, maar haar volledig onvermogen haar integriteit te staven en strafblad resulteert dit in een afwijzing van haar aanvraag. Stomka is het hier absoluut niet mee eens en besluit dan ook om in beroep te gaan tegen de in haar ogen onevenredig zware eisen ten aanzien van de integriteit en betrouwbaarheid. Naar haar mening zou op grond van de ‘Europese vrijheid van diensten’ volgen dat alle regels van een lidstaat die de dienstverlening belemmeren objectief zouden gerechtvaardigd moeten worden. Naar Stomka haar mening is deze regel duidelijk niet objectief gerechtvaardigd.

 

Wat vindt u gelet op het recht van de Europese Unie van de opvatting van Stomka?

 

 

 

Antwoord vraag 3

Week 6, HC11, HVII paragraaf 5.2 randnummer 105 e.v.
Stomka’s situatie is volledig intern waardoor haar opvatting volstrekt onhoudbaar is. Er is geen grensoverschrijdend element omdat zij woonachtig is in dezelfde lidstaat waar zij haar diensten wil aanbieden. Beperkingen van de fundamentele vrijheden moeten objectief gerechtvaardigd zijn, in casu lijkt het voornamelijk dat Stomka haar opvatting hier onevenredig is omdat van degenen die een vergunning aanvragen kan worden gevraagd dat zij aantonen dat zij voldoen aan de voorwaarden, zolang deze noodzakelijk en evenredig zijn.

 

VERVOLG CASUS

 

Vraag 4

 

 

Stel dat de Dienstenrichtlijn in 2014 aangepast is zodat deze van toepassing is op gokdiensten, en de lidstaten in staat stelt verschillende eisen te hanteren afhankelijk van het land waar de aanbieder van diensten gevestigd is. De omzettingstermijn voor aanpassing bedroeg zes maanden en binnen deze periode heeft Litouwie haar wetgeving dan ook aangepast en daarbij verscheidende eisen ingevoerd. Vanaf 1 januari 2015 gelden dus binnen Litouwie voor buitenlandse aanbieders van gokdiensten strengere regels dan voor de binnenlandse aanbieders van gokdiensten. Marietje, die inmiddels een vergunning heeft, maar nog steeds in Hongarka is gevestigd wordt dus onderworpen aan strenge eisen en heeft dus hoge kosten dan zijn in Litouwie gevestigde concurrenten.

 

Welke actie(s) kan Marietje op grond van het recht van de Europese Unie ondernemen tegen deze gang van zaken? Geef dit zo volledig mogelijk aan.

 

 

Antwoord vraag 4

 

Week 3, HC5, HV paragraaf 2.4 en paragraaf 3.

De strengere regels voor Marietje volgen uit de aanpassing van de Dienstenrichtlijn die discriminatoire regels toe zou staan. Dit lijkt in strijd met het Werkingsverdrag, zodat hij de ongeldigheid van de richtlijn in het licht van het Verdrag zou moeten aantonen. Een rechtstreeks beroep tot nietigverklaring op grond van artikel 263 VWEU lijkt te mislukken omdat de Richtlijn haar niet rechtstreeks zal raken (De omzettingswetgeving zal alleen doen). Zij wordt rechtstreeks geraakt wordt in haar hoedanigheid van persoon die een economische activiteit uitoefent, zie het arrest Plaumann. Zij kan wel de nationale implementatiewetgeving, of toepassing ervan op haar bedrijf, aanvechten met een beroep op de ongeldigheid van de wetgeving die aan de implementatie ten grondslag ligt. Zo kan Marietje voor de nationale rechter de ongeldigheid van de richtlijn aanvoeren. Dit heeft als gevolg dat de nationale rechter een prejudiciële vraag zal moeten stellen als hij twijfelt aan de geldigheid van de Dienstenrichtlijn, zie het arrest Foto Frost. Een beroep wegens schadevergoeding heeft waarschijnlijk weinig kans van slagen vanwege het feit dat hiervoor een voldoende gekwalificeerde schending vereist is, hetgeen niet snel aangenomen wordt en ook moeilijker is om aan te tonen dan de ongeldigheid.

 

 

Vraag 5

De Europese Commissie overweegt een voorstel voor een nieuwe Europese Duurzame Energierichtlijn. Deze richtlijn zal het gebruik van gaskool en vlamkool voor de opwekking van elektriciteit verbieden en de richtlijn zal normen bevatten over een minimum percentage duurzame energie maar ook normen over zonne-energie en windmolens. Door deze richtlijn zal de handel en de aansluiting van deze producten vergemakkelijkt worden. Voort heeft het voorstel een bijlage waarin wordt aangegeven in welke gebieden de duurzame energie opwekt mogen worden.

 

 

Geef een advies aan de Commissie over de juiste rechtsgrondslag(en) voor dit voorstel.

 

 

Antwoord vraag 5

Week 1 en week 2, HC2 en HC3, HIV paragraaf 4.1
Voor een juist antwoord moesten hier drie rechtsgronden besproken worden. Namelijk artikel 192 VWEU inzake milieubescherming, artikel 114 VWEU betreffende de harmonisatie van de interne markt en artikel 194 VWEU inzake energiebeleid.

 

 

In de context van artikel 192 moest besproken worden of de voorgestelde maatregel onder artikel 192 lid 1 of artikel 192 lid 2 VWEU valt, omdat bepaalde energiebronnen verboden worden voor het opwekken van elektriciteit zie lid 2 onder c en de maatregelen van invloed zijn op de ruimtelijke ordening zie lid 2 onder b, eerste streepje. Artikel 114 is essentieel aangezien de richtlijn normen bevat ten aanzien van bepaalde producten. Omdat het gaat om een richtlijn inzake duurzame energie is artikel 194 eveneens relevant, zie hier ook de tweede alinea van het tweede lid ivm het verbod kolen te gebruiken voor elektriciteitsopwekking.

 

Naast de grondslagen moesten ook de redenen voor de relevantie van elk van deze rechtsgrondslagen aangegeven worden. Voorts had het advies ook moeten verwijzen naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie over de keuze van de juiste rechtsgrondslag, als voorbeeld had de Tabaksreclame genoemd kunnen worden.

 

VERVOLG CASUS

 

Vraag 6

 

Het wordt duidelijk dat het Europees Parlement gaandeweg de wetgevingsprocedure een hele andere mening heeft betreft de juiste rechtsgrondslag. De Commissie beweert dat de opvatting van het Europees Parlement onjuist is en overweegt juridische actie.

 

Adviseer de Commissie welke mogelijkheden de Commissie heeft om het gebruik van een andere rechtsgrondslag te bewerkstelligen op grond van het recht van de Europese Unie?

 

 

Antwoord vraag 6

 

Week 1, HC1 en HC2, HIII paragraaf 4.3

De gewone wetgevingsprocedure is in casu van toepassing, artikel 294 VWEU. Dit blijkt onder andere uit het feit dat de Commissie juridische acties wil ondernemen. Aan dergelijke acties is geen behoefte in het geval als de bijzondere wetgevingsprocedure van toepassing zou zijn. Voor een juist antwoord moest voornamelijk worden ingegaan op de mogelijkheden tijdens de wetgevingsprocedure en tevens na de afsluiting van de wetgevingsprocedure.

 

Tijdens de gewone wetgevingsprocedure, kan de Commissie een advies brengen waarin de juiste rechtsgrondslag wordt benadrukt. Zolang de Raad nog geen besluit genomen heeft, is het mogelijk dat de Commissie een herzien voorstel indient met vermelding van de juiste rechtsgrondslag, artikel 293 lid 2 VWEU. Voorts kan beargumenteerd worden dat de Commissie het voorstel kan intrekken op grond van artikel 17 VWEU.

 

 

De Commissie informeert het Europees Parlement van haar advies tijdens de eerste lezing conform artikel 294 lid 6 VWEU. Vervolgens dient de Commissie tijdens de tweede lezing advies uit over de amendementen van het Europees Parlement krachtens artikel 294 lid 7 letter c VWEU. Als een amendement van het Europees Parlement de rechtsgrondslag wijzigt, kan de Commissie deze mogelijkheid gebruiken om de gedachten van het Europees Parlement te wijzigen. De Raad moet over de amendementen waarover de Commissie negatief advies heeft uitgebracht met eenparigheid van stemmen besluiten zie artikel 294 lid 9 VWEU. Per slot van rekening als de Raad en het Europees Parlement het niet eens zijn over de rechtsgrondslag dan neemt de Commissie deel aan de werkzaamheden van het bemiddelingscomité en neemt dan alle nodige initiatieven om de standpunten van het Europees Parlement en de Raad te verenigen op grond van artikel 294 lid 11 VWEU.

 

Als de voorgestelde maatregel goed is gekeurd kan de Commissie een beroep tot nietigverklaring beginnen op grond van artikel 263 VWEU. Voor een juist antwoord dient te verwezen worden naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie zoals bijvoorbeeld de Bosbeschermingsverordening.

 

 

Vraag 7

Het EU-recht bepaalt zelf de gevolgen van het Europees recht in de nationale rechtsorde wordt bepaald door het Europees Recht zelf.

 

Wat zijn de belangrijkste overeenkomsten van de mechanismen die ontwikkeld zijn in het Hof in dit verband. Gebruik bij de beantwoording van de vraag Verdragsbepalingen en de jurisprudentie.

 

 

 

Antwoord vraag 7

Week 3 en week 4, HC6 t-m 9, HIV paragraaf 3 en 5.4.1 t-m 5.4.5
Voor een juist antwoord dient verwezen te worden naar overheidsaansprakelijkheid, de objectieve rechtmatigheidstoets, de plicht tot conforme interpretatie en de rechtstreekse werking. Deze instrumenten zijn ontwikkeld door het Hof van Justitie, zie Francovich, Marleasing, Van Gend & Loos en Kraaijeveld respectievelijk met een beroep op de voorrang van het Europees recht en de beginselen van autonomie zie Costa / ENEL en Van Gend & Loos.

 

 

Al deze instrumenten zijn gericht op het waarborgen van het nuttig effect en volle werking van het Europees Recht, artikel 4 lid 3 VEU en de bindende kracht van de Europese maatregel, zoals artikel 288 VWEU voor besluiten, richtlijnen en verordeningen. Alle instrumenten hebben min of meer een negatieve invloed op de soevereine macht van de lidstaten, waarbij de plicht tot conforme interpretatie het instrument is dat de soevereiniteit van lidstaten het minst inperkt.

 

Via de prejudiciële procedure worden alle instrumenten toegepast door de nationale rechter in nauwe samenwerking met het Hof van Justitie, artikel 267 VWEU. Binnen de grenzen van het nationale procesrecht dat weer is ingekaderd door de beginselen van effectiviteit en gelijkwaardigheid fungeren rechters als gedecentraliseerde Unie rechters, dit is het beginsel van procedurele autonomie, artikel 4 lid 3 VEU.

 

 

Vraag 8

Voor het functioneren van de mechanismen om de effecten van het Europees Recht in de nationale rechtsorde te bepalen is de Köbler zaak relevant, kunt u uitleggen wat de relevantie is?

 

Antwoord vraag 8

Week 3, HC5, HV paragraaf 3.
Tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties zijn de doorwerkingsmechanismen gebaseerd op een nauwere samenwerking, artikel 4 lid 3 VEU, dit functioneert via de prejudiciële procedure van artikel 267 VWEU. In de visie van het Hof zijn de nationale rechters de zwakste schakel in dit stelsel. Nationale procedureregels moeten gerespecteerd worden maar ze moeten ook binnen een bepaalde tijd beslissen. Dit vergroot de kans dat met betrekking tot de toepassing en interpretatie van de Europese wetgeving, nationale rechters eerder een fout maken. Het is ook mogelijk dat zelfs de hoogste rechters fouten maken die individuen schade kunnen berokkenen, zie Köbler.

 

Tevens moest in het antwoord vermeld worden dat dat de zaak Köbler de staatsaansprakelijkheid wegens schendingen van het Europees Recht uitbreidt tot fouten van de nationale rechter. Tot vergoeding van de schade lijkt het erop dat alleen kennelijke fouten hiertoe kunnen lijden, hiermee kan getwijfeld worden aan de effectiviteit van deze doctrine voor de personen die schade hebben geleden als gevolg van een rechterlijke fout.
 

 

Vraag 9

Tegen de overdracht van bevoegdheden van de lidstaten naar de Europese Unie en uitoefening daarvan biedt het subsidiariteitsbeginsel geen enkele waarborg.
Geef uw beredeneerde mening over deze stelling.

 

 

 

Antwoord vraag 9

Week 2, HC3, HIV, paragraaf 4.2.
Begin met het schrijven van een definitie van het subsidiariteitsbeginsel, artikel 5 lid 3 VEU. Alleen op het gebruik van gedeelde bevoegdheden heeft subsidiariteit betrekking. Subsidiariteit is in het kader van de exclusieve bevoegdheden van de Europese Unie niet van toepassing. Het subsidiariteitsbeginsel kan ingezet worden als
1. De lidstaten niet in staat zijn om het gewenste doel te bereiken en op grond van 2. Schaal of effecten is de Unie in een betere positie om het gewenste doel te bereiken.

Het is duidelijk dat het subsidiariteitsbeginsel geen effect heeft op de overdracht van bevoegdheden aan de Unie, omdat alle gedeelde bevoegdheden al in het verdrag zijn opgenomen en het beginsel van bevoegdheidstoedeling de Unie verbied om haar bevoegdheid uit te breiden. Het subsidiariteitsbeginsel omvat alle uitoefening van gedeelde bevoegdheden omdat het een algemeen beginsel is. De toepassing is een gevolg van een politieke en deskundige beoordeling, hoewel het principe in rechte kan worden gehandhaafd. Om deze reden kan het Hof niet te ver gaan in de toetsing, in tegenstelling tot het evenredigheidsbeginsel.

Het evenredigheidsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel moeten duidelijk worden onderscheiden. Het Hof is niet de belangrijkste bewaker van het beginsel door deze terughoudende toetsing. Via het desbetreffende protocol is de handhaving van het beginsel voornamelijk politiek, waardoor de nationale parlementen van de lidstaten de Commissie kunnen verzoeken haar voorstel, gebaseerd op subsidiariteitsoverwegingen te heroverwegen. De gevolgen van het protocol zijn marginaal omdat de Commissie niet is verplicht om een voorstel in te trekken.

 

De directe invloed van dit beginsel op de uitoefening van de gedeelde bevoegdheden van de Unie zijn marginaal, ondanks het politieke signaal dat uitgaat van een ideaal van decentralisatie dat ten grondslag ligt aan de werking van de Unie. Het beginsel is dan ook niet bedoeld om van invloed te zijn op de toekenning van bevoegdheden tot de Unie.

 

 

Vraag 10

Horizontale rechtstreekse werking van richtlijnen zou het Hof moeten aanvaarden.
Geef uw beredeneerde mening over deze stelling.

 

 

Antwoord vraag 10

Week 3 en week 4, HC6 t/m HC9, HIV paragraaf 5.4.3 t/m 5.4.7.
Eerst wordt gekeken wat verstaan wordt onder een richtlijn. Uit artikel 288 VWEU blijkt de verplichting die op de lidstaten rust om de richtlijnen juist en op tijd, etc. moet duidelijk vermeld worden. Voor horizontale rechtstreekse werking moet aandacht besteed worden aan het feit dat richtlijnen gericht zijn tot lidstaten, hoewel dit geen afbreuk kan doen aan de noodzaak om richtlijnen na te leven. Als de omzetting inhoudelijk onjuist is of de omzetting te laat is, dan is verticale rechtstreekse werking mogelijk, hier wordt dan het begrip Staat ruim geïnterpreteerd, zie Marshall.

 

 

Horizontale rechtstreekse werking is van toepassing bij driehoekssituaties, zie Wells. Door middel van conforme interpretatie is indirecte rechtstreekse werking ook mogelijk. Per slot van rekening is er de staatsaansprakelijkheid, indien de andere doorwerkingsmechanismen niet van toepassing zijn. het is niet mogelijk dat een Staat zich beroept op een niet omgezette richtlijn tegen een individu. Het nuttig effect van het Europees recht wordt verzekert door de combinatie van regels uit Wells, Marshall en de conforme interpretatie die een situatie resulteren waarin een groot aantal horizontale situaties gedekt wordt. Het toestaan van horizontale rechtstreekse werking is een logische ontwikkeling.

 

De meeste horizontale situaties worden al gedekt, daarom is het geen noodzaak dat de aanpak van het Hof gewijzigd hoeft te worden. Het feit dat de richtlijnen alleen lidstaten binden is het aanknopingspunt voor de ontkenning van de horizontale rechtstreekse werking, artikel 288 VWEU. De Unie moet verordeningen vaststellen om plichten aan particulieren op te leggen. Voor het toestaan van horizontale rechtstreekse werking zou op gespannen voet staan met het evenredigheidsbeginsel, zie r.o. 24 van het arrest Faccini Dori, maar tevens met de woorden van artikel 288 VWEU. Per slot van rekening kunnen particulieren niet in staat worden geacht om na te gaan of de nationale wetgeving een richtlijn overtreedt, dit betekend dat horizontale rechtstreekse werking nadelig is voor de rechtszekerheid.

 

 

Oefententamen 2012-2013 (2e kans)

 

Vraag 1

Het zakelijk instinct van Marietje en Stomka is nog steeds niet uitgeput en ze besluiten samen om scooters te gaan verkopen. Deze scooters zijn bijzonder populair in die lidstaten met een grote populatie van jongere mensen. Stomka laat de Scooters maken in Bangladesh en importeert de scooters vervolgens in lidstaat Polsika, waar deze scooters legaal verhandeld kunnen worden. Vanuit die lidstaat worden de scooters over de verschillende andere lidstaten gedistribueerd. In een lidstaat Scootsie vindt de distributie plaats via een online winkel die is geregistreerd in Scootsie en wordt geleid door Marietje vanuit Hamsterdam, de hoofdstad van Scootsie, en waar de online winkel ook een winkel heeft.

 

Marietje en Stomka verkopen veel scooters via de online winkel. Als de politie langskomt om een overtreding van een nieuwe Wet op de verkeersveiligheid van scooters te constateren blijkt dit succes van korte duur te zijn.

 

Deze Wet vereist dat deze scooters worden verkocht in niet-online winkels in combinatie met afdoende training voor de bestuurders van de scooters. Het is overduidelijk voor het Openbaar Ministerie dat de verkoop van scooters via het internet nooit kan voorzien in voldoende training voor de bestuurder. Ten overstaan van de strafrechter beroept Marietje zich op het Werkingsverdrag. In antwoord hierop geeft het Openbaar Ministerie aan dat Bengalese scooters niet onder dit Verdrag vallen omdat de scooters zijn geproduceerd buiten de Europese Unie.

 

Hoe zou volgens u de rechter moeten oordelen over de argumenten van het Openbaar Ministerie en de argumenten van Marietje gelet op het EU recht?

 

Antwoord vraag 1

Week 5, HC10, HVII paragraaf 3.
Het beroep van Stomka op het Werkingsverdrag moet zien op de fundamentele vrijheid die van toepassing is op haar zaak. Dit is het vrije verkeer van goederen, omdat zij door de regels wordt belemmerd in de mogelijkheid om scooters, stoffelijke goederen, over de grens te importeren. Deze belemmering vloeit voort uit een wet die in de weg zou staan aan internetverkoop, en regelt daarmee een verkoopmodaliteit, zie de zaak Familiapress. Of de verkoopmodaliteit ook onder het verbod van artikel 34 VWEU valt, hangt af van het feit of deze voldoet aan de vereisten uit de zaak Keck en Gourmet. Stomka kan zich op artikel 34 beroepen omdat deze bepaling rechtstreekse werking heeft.

 

Wat betreft het argument van het Openbaar Ministerie is onhoudbaar gelet op artikel 28 lid 2 jo. Artikel 29 VWEU. Als de scooters legaal kunnen worden verhandeld in een andere lidstaat dan bevinden ze zich in het vrije verkeer en geldt artikel 34 VWEU evenzeer.

 

VERVOLG CASUS

 

Vraag 2

De regering van Scootsie is nog steeds bezorgd over de veiligheid van scooters en de regering neemt een nieuwe wet aan die een rijbewijs voor bestuurders van scooters verplicht stelt. Bovendien mogen dergelijke scooters in de bebouwde kom alleen op fietspaden worden gebruikt. Deze regels volgen op wetenschappelijk onderzoek van de incidenten met scooters dat laat zien dat de mensen met een vrijwillig rijbewijs 76% minder kans hebben om bij een ongeluk betrokken te zijn. Ditzelfde onderzoek toont tevens aan dat de overgrote meerderheid van ongelukken met scooters plaatsvindt buiten de fietspaden.

 

Beredeneer uw mening betreft de verenigbaarheid van deze maatregelen met het Europees recht.

 

 

Antwoord vraag 2

Week 5, HC10, HVII paragraaf 3.3.1 en 3.5. 
Deze maatregelen betreffen de verenigbaarheid met het Europees recht en het gebruik van een goed dit hangt dus in eerste instantie af van het antwoord op de vraag of dit wel een maatregel van gelijke werking zou opleveren, gelet op het arrest Mickelsson & Roos. Over het inherente en kenmerkende gebruik van een scooter moet u uw mening geven en of dit ook wordt ingeperkt op een wijze die aanmerkelijke invloed kan hebben op de vraag naar scooters. U dient hier in te gaan op beide regels namelijk het gebruik van uitsluitend fietspaden en het verplichte rijbewijs. Als u tot de conclusie komt dat de maatregel een belemmering oplevert dan dient u de rechtvaardiging op grond van Cassis en artikel 36 VWEU te onderzoeken. Dat de verkeersveiligheid een dwingend vereiste oplevert, moge duidelijk zijn, betreft de zaak Italiaanse scooteraanhangers. De daadwerkelijke vraag in casu is of de maatregel evenredig en noodzakelijk is, hierover dient u een beredeneerde mening te geven.

 

VERVOLG CASUS

Vraag 3

Scooters moeten regelmatig worden onderhouden door een erkende scootermaker. Het merendeel van de scootermakers is aangesloten bij de Vereniging van Scootermakers en Reparateurs (VSR). Stomka is echter geen lid van deze vereniging. Tijdens de algemene leden vergadering van de VSR is besloten dat er een lijst komt met scooters die niet langer worden onderhouden. De scooters die Stomka verkoopt staan op de zwarte lijst en worden aldus niet onderhouden. Uit de notulen blijkt dat dit besluit is genomen om Stomka van de markt te drukken omdat zij haar scooters aanzienlijk goedkoper verkoopt dan de leden van de VSR.

 

Wat kan Stomka op basis van het Europees Recht doen tegen deze situatie?

 

Antwoord vraag 3

Week 7, HC13, HVIII paragraaf 2. 

Door het besluit van de VSR dat wellicht als een besluit van een ondernemingsvereniging conform artikel 101 VWEU kan worden aangemerkt wordt Stomka van de markt gedrukt. Het verkopen en repareren van scooters is een economische activiteit waardoor de leden van de VSR ondernemingen zijn. De VSR is daarmee een ondernemersvereniging. Het besluit van de VSR strekt ertoe om Stomka (een concurrente) van de markt te drukken omdat zij haar scooters goedkoper aanbiedt. Het verdwijnen van Stomka van de markt zal zodoende een naar boven gericht effect hebben op de prijzen en kan daardoor aangemerkt worden als het zijdelings vaststellen van de verkoopprijzen. Op grond hiervan kan worden gesteld dat het besluit ertoe strekt de mededinging te beperken. Omdat het merendeel van de scooterverkopers is aangesloten bij de VSR zal het besluit een invloed hebben op de handel tussen de lidstaten, VCH, zodat artikel 101 lid 1 VWEU van toepassing is. Het besluit valt dus onder de nietigheidssanctie van artikel 101 lid 2.VWEU. Beide leden van het artikel zijn voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk zodat Stomka zich hierop kan beroepen bij de bevoegde nationale rechter. Daarnaast kan Stomka klagen bij de Commissie, die bevoegd is op grond van artikel 105 VWEU.

 

VERVOLG CASUS

 

Vraag 4

De problemen met de scooters zijn niet aan de aandacht van de Commissie ontsnapt. Daartoe gemachtigd door een basisverordening neemt de Commissie van gedelegeerde verordening aan waarin de voorwaarden staan voor de handel in scooters op de interne markt. Deze verordening dereguleert de markt aanzienlijk en maakt de handel in zulke scooters geheel vrij. Naar aanleiding van een beroep door de VSR verklaart de rechtbank van Hamsterdam de verordening in strijd met het evenredigheidsbeginsel en laat deze buiten toepassing. Als gevolg van het buiten toepassing laten zijn de regels van Scootsie weer van toepassing, met als gevolg dat Stomka geen zaken meer kan doen.

 

Wat kan Stomka doen tegen deze gang van zaken op basis van het Europees Recht?

 

Antwoord vraag 4

Week 2 en week 3, HC4 en HC5, HV, paragraaf 3.
Over de onrechtmatigheid van Europees recht waar dat is voorbehouden aan de Europese rechter, geeft deze nationale rechter een oordeel, zie Foto-Frost. Daarmee handelt de nationale rechter op een wijze die onverenigbaar is met het recht van de Europese Unie en als dit handelen Stomka schade berokkent dan kan zij de lidstaat daarvoor aansprakelijk stellen op grond van het arrest Köbler, ook als deze rechter niet in laatste instantie rechtspreekt aangezien elke rechter die een oordeel geeft over de ongeldigheid van het Europees recht verplicht is tot het stellen van een prejudiciële vraag, artikel 267 VWEU. Verder kan Stomka in hoger beroep gaan op grond van de schending van het Europees recht en tot slot van rekening kan Stomka de zaak aanhangig maken bij de Commissie in de hoop dat de Commissie een verdragschendingsprocedure zal starten tegen de lidstaat.

Vraag 5

Om een hoog niveau van milieubescherming te verzekeren, is de vergunning van grote industriële installaties gereguleerd door de Richtlijn inzake industriële emissies. Private handhaving, juridische acties door particulieren tegen vergunningen in strijd met deze richtlijn, is een centraal instrument in de Richtlijn. Artikel 25 van deze richtlijn houdt het volgende in:

Toegang tot de rechter

  • De lidstaten zorgen ervoor dat, in overeenstemming met het toepasselijke nationale rechtsstelsel, leden van het betrokken publiek in beroep kunnen gaan bij een rechtbank of een ander bij wet ingesteld onafhankelijk en onpartijdig orgaan om de materiële of formele rechtmatigheid van enig besluit, handelen of nalaten vallend onder artikel 24 aan te vechten, indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) zij hebben een voldoende belang;

b) zij stellen dat inbreuk is gemaakt op een recht, voor zover het bestuursprocesrecht van een lidstaat dit als voorwaarde stelt.

 

Wat als een voldoende belang en als een inbreuk op een recht geldt, wordt bepaald door de lidstaten in het licht van de doelstelling om het publiek een ruime toegang tot de rechter te verlenen.

Te dien einde wordt het belang van een niet-gouvernementele organisatie die zich inzet voor milieubescherming en die voldoet aan alle vereisten krachtens de nationale wetgeving, geacht voldoende te zijn in de zin van lid 1, onder a).

Tevens worden die organisaties geacht rechten te hebben waarop inbreuk kan worden gemaakt in de zin van lid 1, onder b).

Ga ervan uit dat de milieuorganisatie beroep doet op artikel 25 van de richtlijn industriële emissies ten overstaan van een bestuursrechter in eerste instantie in een beroep tegen een milieuvergunning van een regionaal bestuursorgaan. De rechter is van mening dat artikel 25 in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en overweegt ongeldig verklaring ervan.

Hoe zou de rechter dit moeten doen?

 

Vraag 5A

Ga hierbij in op de procedurele aspecten van de zaak.

 

Antwoord vraag 5A

Week 2 en week 3, HC4 en HC5, HV, paragraaf 3.
Alleen het Hof is bevoegd op grond van artikel 267 VWEU om Europees Recht ongeldig te verklaren, nationale rechters hebben niet deze bevoegdheid, zie Foto Frost. Op grond van schending van het Unierecht moet de nationale rechter een prejudiciële vraag stellen aan het Hof betreft de validiteit van artikel 25 van de Richtlijn. Voor een juist antwoord moest tevens in worden gegaan op de voorwaarde voor het stellen van prejudiciële vragen. Het is alleen mogelijk voor nationale rechterlijke instanties om een prejudiciële vraag te kunnen stellen. De vraag moet dan wel noodzakelijk en duidelijk geformuleerd zijn en de vraag mag niet hypothetisch zijn. zie hiervoor de arresten CILFIT, Costa/ENEL, Bosman en Servatius. Ook moest worden aangegeven dat de nationale rechter aan het

 

Vraag 5 B

Ga hierbij in op de inhoud van de zaak.

 

Antwoord vraag 5B

Week 1 en week 2, HC2 en HC3, HIV paragraaf 4.3.
Het antwoord moest gericht zijn over de inhoud van de prejudiciële vraag. De vraag is of artikel 25 van de Richtlijn in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Dit beginsel beheerst de inhoud en de form van een Uniemaatregel op grond van artikel 5 lid 4 VWEU jo. Het Protocol betreffende het subsidiariteits- en het evenredigheidsbeginsel. Op grond van het arrest Placanica moet de Uniemaatregel geschikt zijn om zijn doel te bereiken en conform het arrest Deense Flessen mag de maatregel niet verder gaan dan wat noodzakelijk is om dit doel te bereiken en moet niet te ingrijpend zijn op een andere Uniedoelstelling. Op artikel 25 van de Richtlijn moesten deze drie elementen worden toegepast. De vraag gaf meerdere aanknopingspunten om te beargumenteren dat artikel 25 van de Richtlijn het evenredigheidsbeginsel respecteert. Namelijk door het feit dat er sprake is van een Richtlijn in plaats van een verordening, het feit dat lidstaten de kern van structuur van hun stelsel voor toegang tot het recht in bestuurlijke geschillen kunnen handhaven en omdat de Richtlijn alleen op enkele industriële inrichtingen van toepassing is.
 

Vraag 6

Wat zijn de belangrijkste overeenkomsten tussen de vier fundamentele vrijheden. Ga bij het beantwoorden van de vraag in op de verdragsbepalingen en op de rechtspraak.

 

Antwoord vraag 6

Week 5, HC10, HIV, paragraaf 3 t/m 7. 
De kernelementen van de Europese interne markt zijn de vier fundamentele vrijheden namelijk de vrijheid van personen, diensten, kapitaal en goederen. Het Hof heeft deze vrijheden ruim geïnterpreteerd. De uitzonderingen worden daarentegen streng geïnterpreteerd. Uitzonderingen zijn mogelijk op basis van de jurisprudentie van het Hof van Justitie en op basis van de gronden vermeld in het VWEU, zie de artikelen. 36, 45, lid 3 en 4, 51, 52, 62 & 65. In het kader van het vrij verkeer van goederen werden de Cassis-de-Dijon uitzonderingen ontwikkeld en dit wordt nu ook toegepast in het kader van de andere fundamentele vrijheden. Daarnaast werd de Keck uitzondering ook ontwikkeld in het kader van het vrij verkeer van goederen en er zijn nu enkele pogingen geweest om dit toe te passen in het kader van de andere vrijheden zoals bijvoorbeeld in de zaak Bosman. De mogelijkheid om een beroep te kunnen doen op bovengenoemde uitzonderingen wordt met positieve harmonisatie uitgesloten of het is zeer moeilijk om hier een beroep op te kunnen doen.
 

Vraag 7

Bespreek in het verband van de vier fundamentele vrijheden het belang van Mickelsson & Roosen Italiaanse brommeraanhangers (C-115/05).

 

Antwoord vraag 7

Week 5, HC10, HVII paragraaf 3.3.1 en 3.3.1.
Nationale maatregelen betreffende het gebruik van producten worden door deze arresten bevestigd dat het onder het begrip ‘maatregelen van gelijke werking’ valt zoals weergeven in artikel 34 VWEU. Het Hof heeft het argument van A-G Kokott verworpen dat dergelijke maatregelen onder de Keck uitzondering zouden moeten vallen. De strenge interpretatie van de uitzonderingsmogelijkheden op de vier fundamentele vrijheden worden door dit arrest bevestigt. Tevens geven deze arresten een voorbeeld van het evenredigheidsbeginsel. De nationale maatregel werd geïntroduceerd door het arrest Mickelsson & Roos door Zweden in strijd te achten met het noodzakelijkheidsvereiste. Dit was niet het geval in de Italiaanse brommeraanhangers(C-115/05), ondanks dat twee A-G’s tot de conclusie waren gekomen dat de Italiaanse maatregel in strijd was met het noodzakelijkheidsvereiste. In de vier vrijheden introduceren de zaken geen ‘de minimis’. Dergelijke maatregelen moeten een invloed op de keuze hebben van consumenten die alleen de bedoeling hebben om daadwerkelijk de effecten van de nationale maatregelen uit te leggen.
 

Vraag 8

Artikel 101 VWEU zou eigenlijk geen rechtstreekse werking moeten hebben.
Geef uw beredeneerde mening over deze stelling.

 

 

Antwoord vraag 8

Week 4 en 5, HC6 t/m HC9, HIV paragraaf 5.2.
Het Hof heeft bepaald dat Uniebepalingen voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk moeten zijn om rechtstreekse werking te hebben, zie het arrest Van Gend en Loos. De eerste zin van Artikel 101 VWEU en Artikel 101 lid 2 VWEU zijn voldoende duidelijk. Tevens zijn de zinnen onvoorwaardelijk. Artikel 101 lid 1 VWEU bevat een verbodsbepaling en artikel 101 lid 2 VWEU stelt dat gedragingen die onder artikel 101 lid 1 VWEU vallen automatisch van rechtswege nietig zijn.

 

De tweede zin van artikel 101 lid 1 VWEU is minder duidelijk maar uit de zaak Defrenne blijkt dat het Hof zeer coulant is met het toepassen van de voorwaarden voor de rechtstreekse werking op verdragsbepalingen.

 

Dat het Hof in Delimitis al heeft bepaald dat artikel 101 VWEU rechtstreekse werking heeft kon als argument worden gebruikt om tot de conclusie te komen dat artikel 101 VWEU rechtstreeks werkt. De relevantie van dit artikel voor de interne markt heeft geen relevantie bij het beantwoorden van deze vraag. Het feit dat artikel 101 lid 3 VWEU uitzonderingsmogelijkheden omvat heeft geen invloed op de conclusie dat artikel 101 rechtstreekse werking heeft. (Bij analogie Van Duyn over Artikel 45 lid 3 VWEU).
 

Vraag 9

Boven de rechtstreekse werking zou de plicht tot conforme interpretatie voorrang moeten hebben.
Geef uw beredeneerde mening over deze stelling.

 

Antwoord vraag 9

Week 4 en 5, HC6 t/m HC9, HIV paragraaf HIV paragraaf 5.2 en 5.4.
Als gevolg van het beginsel van loyale samenwerking in artikel 4 VEU (Marleasing), en rechtstreekse werking, vastgesteld in Van Gend en Loos, gaat deze vraag over de relatie tussen een Europees vriendelijk interpretatie van het nationale recht van het beginsel van voorrang van het Unierecht, hierdoor zijn beide doorwerkingsmechanismen een expressie, zie Costa/ENEL. Werkt het Europees recht voornamelijk via rechtstreekse werking of via een Europees vriendelijke interpretatie van het nationale recht? Er kan voor of tegen de stelling worden gepleit. Wat de gevolgen zijn van het voorrang geven aan rechtstreekse werking of aan conforme interpretatie voor het supranationale karakter van de Unie is het in ieder geval noodzakelijk om te bespreken wat de gevolgen hiervan zijn. In het bijzonder geeft conforme interpretatie geen garantie dat voorrang wordt gewaarborgd. Via het nationale recht werkt conforme interpretatie. Van het nationale recht is de volle werking van het Europees recht meer afhankelijk dan bij rechtstreekse werking. Voor het beargumenteren betreft de voorrang van conforme interpretatie kon gesteld worden dat deze doorwerkingsmechanisme minder ingrijpend is voor de soevereiniteit van de lidstaten dan de rechtstreekse werking.

 

Let wel, de vraag zegt niets over Richtlijnen. Het gaat niet over de doorwerking van Richtlijnen als zodanig, hoewel de Richtlijnen eventueel gebruikt konden worden om het antwoord te geven.

 

Oefententamen 2013-2014 (1e kans)

 

Vraag 1

Leg in uw eigen woorden uit wat het begrip ‘indirecte discriminatie’ inhoud. Maak hierbij gebruik van de theorie, jurisprudentie van het Hof en Verdragsbepalingen om dit begrip uit te leggen.

 

Antwoord Vraag 1

Week 2, HIV, paragraaf 6.4, blz. 184-185
Er moet een definitie gegeven worden van discriminatie. Dus dat het gaat om maatregelen die formeel geen onderscheid maken conform nationaliteit, maar in de praktijk wel grotere gevolgen hebben voor niet-onderdanen dan voor wel-onderdanen. Bijvoorbeeld dat een taaleis wordt gesteld aan werknemers. Tevens het verschil moest worden aangegeven tussen directe en indirecte discriminatie zoals is toegelicht in het arrest O’Flynn. Daarnaast moesten voorbeelden gegeven worden uit ten minste twee fundamentele vrijheden. Bijvoorbeeld dat Gourmet betrekking had tot goederen en O’Flynn betrekking heeft tot personen en als voorbeeld nog de kans op rechtvaardiging zoals in het arrest Groener. Een ander woord voor indirecte discriminatie is verkapte discriminatie.

 

Vraag 2

Leg in uw eigen woorden uit wat het begrip ‘attributie’ inhoud. Maak hierbij gebruik van de theorie, jurisprudentie van het Hof en Verdragsbepalingen om dit begrip uit te leggen.

 

Antwoord vraag 2

Week 2, HIV, paragraaf 4.1, blz. 135-138
De volgende elementen moesten worden gegeven voor een juist antwoord: bevoegdheidstoetreding art. 5 lid 1 en lid 2 VEU, een rechtsgrondslag en zijn inhoudelijke en procedurele effecten, bijvoorbeeld art. 114 VWEU voor de interne markt, gedeelde en gebonden bevoegdheden, art. 2 tot en met art. 6 VWEU, expliciete en gedeelde bevoegdheden. Tevens moesten de Tabaksrichtlijn en Bosbeschermingsverordening genoemd worden maar ook de zwaartekrachttoets van het arrest Titaandioxide.

 

Vraag 3

Leg in uw eigen woorden uit wat het begrip ‘diensten van algemeen economisch belang’ inhoud. Maak hierbij gebruik van de theorie, jurisprudentie van het Hof en Verdragsbepalingen om dit begrip uit te leggen.

 

Antwoord vraag 3

Week 7, HVIII, paragraaf 6.4, blz. 361-363
De volgende elementen moesten worden gegeven voor een juist antwoord: Er moet naar art. 106 lid 2 VWEU worden verwezen met een uitleg dat het een uitzondering op de beide verdragen rechtvaardigt. Daarnaast moet Sydhavnens toegepast worden om uit te leggen hoe het begrip in dit arrest wordt toegepast, het is een ruimte toepassing. Tot slot moest met het dwingende vereiste in TPG Golden Shares en in de KPN een parallel worden gemaakt.

 

 

Vraag 4

Leg in uw eigen woorden uit wat het begrip ‘decentrale unierechters’ inhoud. Maak hierbij gebruik van de theorie, jurisprudentie van het Hof en Verdragsbepalingen om dit begrip uit te leggen.

 

Antwoord vraag 4

Week 4, HC7
De volgende elementen moesten worden gegeven voor een juist antwoord: er moest worden verwezen naar nationale rechters, de prejudiciële procedure art. 267 VWEU, het loyaliteitsbeginsel en het nuttig effect art. 4 lid 3 VWEU, conforme interpretatie, de plicht tot rechtstreekse werking, staatsaansprakelijkheid en de rechtmatigheidstoets. De volgende arresten moesten worden gebruikt: Francovich, Van Gend & Loos, Kraaijeveld, Köbler en Marleasing.
 

 

Vraag 5

Lidstaat Tsjechopatië wordt gekenmerkt door weinig reliëf met vrij spel voor weer en vooral met wind. De Hooglandschapiërs zijn fanatieke scooterrijders maar als gevolg hiervan zijn die voortdurend aan het klagen over de tegenwind.Voor de Branchevereniging voor de scooterhandel in Hooglandschappië (BSH), een vereniging die 94% van alle handelaren in scooters verenigt en wiens leden ruim 97% van alle scooters in Hooglandschappië verkopen, is dit aanleiding om een prominente promotiecampagne op te zetten ten behoeve van de Miniscooter. Onderdeel van deze campagne is een lobby bij de regering van Hooglandschappië die erin resulteert dat er een fiscale regeling komt die de aanschaf van scooters voor het woon-werkverkeer stimuleert vanwege de positieve effecten op de volksgezondheid (mensen worden vrolijker), milieubescherming (minder uitstoot van auto’s) en het verkeer (minder files).

 

Om de consument tegemoet te komen heeft de BSH een keurmerk opgericht voor goede scooters die onder meer voldoende vermogen hebben om met de akelige tegenwind goed te kunnen rijden en natuurlijk veilig zijn doordat zij voldoende remcapaciteit hebben. De precieze regels en criteria voor het keurmerk worden vastgesteld door een werkgroep bestaande uit de kaderleden van de BSH die zijn benoemd op voordracht van de algemene ledenvergadering (ALV). In de praktijk kopen consumenten alleen scooters met het keurmerk en veel werkgevers hebben een vereenvoudigde regeling om gebruik te maken van de fiscale stimulering die alleen van toepassing is op scooters met het keurmerk.

 

Stomkie en Slimskie Oensma, twee neven met een heerlijke ondernemerslust, importeren al jaren de ‘Scootontrique’, een zeer hippe scooter uit het land dat ons de Tour de France pour le scooter bracht. Helaas komen zij niet in aanmerking voor het keurmerk, aangezien het elektrisch vermogen dat hiervoor nodig is alleen geleverd kan worden met een zeer grote accu die niet in of op het frame van de Scootontrique past. Hun verweer dat dermate veel vermogen ook niet nodig is met de lichte en sportieve Scootontrique wordt kwetsend genegeerd. Verder zijn de pogingen van de neven om lid te worden van de werkgroep gesneuveld op de negatieve stemming in de ALV, waar de voorzitter van de BSH een negatief stemadvies heeft gegeven ‘om die neven van die Scootontrique buiten de deur te houden’. Het resultaat is te raden, de verkoop daalt enorm en ten einde raad wenden de neven zich tot u.

 

Adviseer de neven over de verenigbaarheid van de gebeurtenissen die hier gegeven zijn conform het recht van de Europese Unie.

 

Antwoord vraag 5

Week 7, HC13, HVIII blz. 327, 340, 364-367
Het optreden van de BSH en de fiscale stimuleringsmaatregelen zijn Europeesrechtelijk relevant die een effect kunnen hebben op de handel tussen de lidstaten. De fiscale stimulering kan mogelijk staatssteun opleveren conform art. 107 lid 1 VWEU. De maatregel zal voordat deze ten uitvoer gebracht wordt moeten worden aangemeld en goedgekeurd worden door de Commissie art. 108 lid 3 VWEU. Het is noodzakelijk dat in elk geval wordt nagegaan of de stimuleringsmaatregel een voordeel voor gebruikers of ondernemingen oplevert. Mocht het zo zijn dat het een voordeel voor ondernemingen oplevert of dat dit ook ten goede komt aan bepaalde ondernemingen zodat de maatregel selectief is.

 

De casus bevat geen informatie over of de stimuleringsmaatregel een discriminerende binnenlandse belasting oplevert respectievelijk art. 110 VWEU Outokumpu.

 

En over de gang van zaken binnen de BSH geldt dat de BSH als ondernemersvereniging kan worden gezien of eventueel zelf als onderneming. de leden van de BSH, de scooterhandelaren, als ondernemingen kwalificeren aangezien het handelen in scooters een economische activiteit is, zie hierbij het arrest Diego Calì. Daarmee is de BSH een ondernemersvereniging in de zin van artikel 101 VWEU. Het besluit van de BSH waarbij de neven van de markt worden geweerd is een besluit van een ondernemersvereniging dat concurrenten van de markt dwingt en dat als besluit kan worden gezien dat ertoe strekt de mededinging te beperken. Aangezien de BSH zo wat alle scooterhandelaren in Hooglandschappië tot zijn leden kan rekenen zal er een effect op de handel tussen de lidstaten zijn (VCH). De neven behoeven zich alleen te beroepen op artikel 101 lid 1 VWEU. Het ligt dan op de weg van de BSH om zich dan te beroepen lid 3 van het artikel.

 

Vraag 6

U komt tot de conclusie dat de neven na grondig onderzoek een goede zaak hebben. Wat adviseert u de neven ten aanzien van de te volgen procedure(s)? Tot welke instanties zouden de neven zich moeten wenden?

 

Antwoord vraag 6

Week 2 en 3, HV, paragraaf 2.3 blz. 199 en paragraaf 3.1, blz. 228 e.v.
Het gaat in casu om het optreden en handelen van de lidstaat en een vereniging waardoor de neven zich in eerste instantie dienen te wenden tot de nationale rechterlijke instanties. Daar kunnen ze zich beroepen op de rechtstreekse werking van artikel 101 lid 2 en 102 ten opzichte van de BSH. Het is ook mogelijk dat de neven zich tot de Commissie wenden, met een klacht over de BSH zodat de Commissie eventueel zal optreden. De Commissie heeft hier een discretionaire bevoegdheid.

 

Wat betreft de stimuleringsmaatregel kunnen de neven zich op grond van de rechtstreekse werking van het standstillbeginsel en het discriminatieverbod in artikel 110 VWEU wenden tot de nationale rechter. De neven zouden voor de stimuleringsmaatregel ook de Commissie op de hoogte kunnen brengen en hopen dat deze een verdragschendingsprocedure zal starten, hoewel dit geen effectieve uitkomst zal zijn voor de neven aangezien ze niet direct worden geholpen hierdoor.

 

Vraag 7

Wat is uw mening over de verenigbaarheid van deze termijn met het recht van de Europese Unie?

 

Antwoord vraag 7

De lidstaten zijn vrij om de procesregels vast te stellen binnen de randvoorwaarden van het gelijkwaardigheids- en effectiviteitsbeginsel. Zie hierbij de Rewe/Comet-doctrine. Termijnen zijn namelijk een onderdeel van het nationale procesrecht en vallen daarmee onder de nationale procesrechtelijke autonomie. De bezwaartermijn in de casus is afwijkend van de normale termijnen, dit alleen omdat Europees recht in geding is.

 

Aangezien er geen objectieve reden is om een subsidiezaak met een grensoverschrijdend aspect anders te behandelen dan een subsidiezaak zonder Europees element is dit in strijd met het gelijkwaardigheidsbeginsel. De absolute termijn van tien dagen is zodanig kort dat deze termijn in de weg zou kunnen staan aan een effectief begrip op Europees recht. De lidstaat zou eventueel kunnen aantonen dat de korte termijn objectief gerechtvaardigd is, zie de zaak Kempter. Dit is wel moeilijk om aan te tonen omdat de belastingdienst er voor kiest om de aanvragers te benadelen met een korte termijn, terwijl het juist dient om rechtszekerheid te bewerkstelligen.

 

Vraag 8

Mevrouw Jansje stond op 13 december 2014 zich zeer te heugen op station Rotterdam Centraal, ze gaat een weekje naar Frankfurt. Haar trein zou om 19:04 uur vertrekken en om 21:34 uur in Frankfurt aankomen. Helaas had de machinist van de desbetreffende ICE zich verkeken op de verlokkingen van Rotterdam, waardoor de trein pas om 19:55 uur vertrok en bovendien, door de verminderde capaciteit van de bestuurder, pas om 22:24 uur in Frankfurt arriveerde. Zes weken later besluit Jansje zich tot ICE International te richten met een verzoek tot compensatie op grond van Verordening XX/2014. Jansje krijgt alleen als reactie dat ICE alleen compensatie toekent voor vertragingen langer dan 1 uur. Volgens de vervoerder kan Jansje zich niet beroepen op de Verordening ten aanzien van ICE International.

 

Verordening (EU) XX/2014 betreffende gemeenschappelijke regels inzake compensatie van treinreizigers bij annulering en vertraging is op 1 december 2014 gepubliceerd in het Publicatieblad. De verordening bepaalt onder andere:

 

‘Artikel 2

Definities a) “vertraging”: het verschil tussen de latere daadwerkelijke aankomsttijd en de in de dienstregeling vermelde aankomsttijd; (…)

 

Artikel 14

Vertraging 1. In geval van vertraging van een internationale trein van meer dan 45 minuten:

  • a) wordt de betrokken passagier bijstand geboden als bedoeld in Annex I;

 

  • b) heeft de betrokken passagier recht op geldelijke compensatie door de treinmaatschappij, nader bepaald in Annex II.

 

  • c) In geval van overmacht is een vergoeding zoals bedoeld onder de eerste paragraaf van dit artikel niet vereist.’

 

Jansje besluit om u in te schakelen voor rechtsbijstand. Jansje wil ICE International voor de rechter dagen. Kan Jansje zich in deze zaak beroepen op de Verordening?

 

Antwoord vraag 8

Week 4, HIV, paragraaf 5.2, blz. 146 e.v.
Er zijn in deze casus twee antwoorden mogelijk. Als er gekozen was dat geen beroep mogelijk is op de verordening dan is dit het juiste antwoord. Op grond van artikel 297 lid 2 VWEU treedt een verordening twintig dagen na haar bekendmaking in het Publicatieblad in werking. Aangezien het incident in casu plaatsvond op 13 december, kan Jansje zich niet beroepen op de Verordening.

 

Als gekozen was dat er wel een beroep mogelijk is op de Verordening dan is dit het juiste antwoord. ICE International is een privaatrechtelijke rechtspersoon, in de praktijk kent deze privaatrechtelijke rechtspersoon pas compensatie toe bij vertragingen langer dan 1 uur. Dit is in strijd met artikel 14 van Verordening XX/2014. Mevrouw Jansje wil zich in een civiele procedure beroepen op deze Verordening. Er zal gekeken moeten worden of de Verordening rechtstreekse horizontale werking heeft.

 

Een verordeningen is van algemene strekking op grond van artikel 288 VWEU. Zij is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat. Let op, rechtstreekse toepasselijkheid is niet hetzelfde als rechtstreekse werking en duidt in dit verband aan dat er geen verdere implementatie/omzetting in nationaal recht is vereist. Het is zelfs niet eens toegestaan.

 

Voor rechtstreekse werking dient beoordeeld te worden of de bepaling(en) waar Jansje zich op wil beroepen, voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk zijn. Zie hiervoor de zaken Van Gend & Loos, Van Duyn, Lütticke. Een bepaling is voldoende duidelijk als deze een duidelijk omschreven plicht bevat, en bovendien aangeeft op wie die plicht rust. Een bepaling is onvoorwaardelijk als er geen nadere handelingen van de Unie-instellingen of de lidstaten noodzakelijk zijn, om de bepaling effect te laten sorteren. Of de bepalingen voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk zijn dient worden toegepast.

 

Zijn de bepalingen voldoende duidelijk? Ja, de begrippen worden duidelijk omschreven en het staat vast welke plicht, namelijk het bieden van bijstand nader omschreven in Annex I, het bieden van geldelijke compensatie nader omschreven in Annex II er op wie rust namelijk op de betrokken treinmaatschappij.

 

Zijn de bepalingen ook onvoorwaardelijk? Ja, een Verordening is rechtstreeks toepasselijk art. 288 VWEU. Voorts duidt een voorbehoud in een bepaling, bijvoorbeeld in de vorm van een ‘tenzij’-clausule zoals in casu het geval is, niet op de voorwaardelijkheid van een bepaling, zie het arrest Van Duyn. Geconcludeerd kan worden dat de bepalingen van de Verordening rechtstreekse werking hebben.

 

Tot slot dient ook nog vastgesteld te worden of de bepalingen tevens horizontale rechtstreekse werking hebben. heeft het Hof bepaald In Muñoz dat om de volle werking en het nuttig effect van een verordening te waarborgen, vereist is dat de naleving van de in een verordening neergelegde verplichting verzekerd kan worden in een civiel proces tussen privaatrechtelijke partijen. Dit bepaald dat er ook sprake is van horizontale rechtstreekse werking van verordeningen.

 

Mevrouw Jansje kan zich in deze zaak dus beroepen op Verordening XX/2014.

 

Vraag 9

Mevrouw Jansje stuurt op 30 januari 2015 een brief naar ICE International waarin zij duidelijk maakt dat zij ICE International voor de rechter zal dagen op basis van de Verordening. ICE International is het volstrekt oneens met de verordening en wil deze aanvechten. Adviseer ICE International over de rechtstreekse beroepsmogelijkheden en andere mogelijkheden om de verordening aan te vechten.

 

Ga bij het beantwoorden van de vraag alleen in op de procedurele aspecten van dergelijke beroepsmogelijkheden.

 

Antwoord vraag 9

De procedure van art. 263 VWEU staat open voor ICE international voor de rechtstreekse beroepsmogelijkheid. Krachtens de vierde alinea van art. 263 VWEU kan iedere natuurlijke of rechtspersoon beroep instellen tegen:

 

  • I. handelingen die tot hem gericht zijn

 

  • II. die hem rechtstreeks (zie Töpfer) en individueel (zie Plaumann) raken, alsmede tegen regelgevingshandelingen die hem rechtstreeks raken en die geen uitvoeringsmaatregelen met zich meebrengen.

 

Het betreft in casu een verordening namelijk een wetgevingshandeling (zie Inuit). ICE International voldoet aan de beroepstermijn (ongeveer drie maanden). ICE International wordt rechtstreeks geraakt, de Verordening heeft namelijk gevolgen voor diens rechtspositie; de uitvoering ervan is zuiver automatisch en alleen op grond van de Unieregeling zonder dat nadere regels moeten worden vastgesteld en heeft geen resterende beoordelingsbevoegdheid, zie Töpfer. ICE International zal echter niet aan de strenge Plaumann-criteria voldoen. Er zijn immers meerdere internationale treinmaatschappijen waardoor het bedrijf niet geïndividualiseerd kan worden als ware zij adressaat van de Verordening.

 

Om tijdens de nationale procedure de geldigheid van de Verordening aan te vechten bestaat een indirecte beroepsmogelijkheid (Jansje daagt ICE International namelijk voor de rechter). Alleen het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd om het Unierecht ongeldig te verklaren, de nationale rechter heeft deze bevoegdheid niet. Uit de zaak Foto-frost blijkt dat de nationale rechter in dat geval een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie moet stellen krachtens art. 267 VWEU.

 

Vraag 10

‘De rechtstreekse werking vergroot het democratisch tekort van de rechtsorde van de Europese Unie ondanks dat rechtstreekse werking individuen betrekt bij de rechtsvorming van de Europese Unie en ze een actieve rol geeft in het Europese integratieproces.’

 

Geef uw beredeneerde mening over de stelling. Het antwoord moet voor- en tegenargumenten bevatten. Maak gebruik van de theorie, Verdragsbepalingen en de jurisprudentie van het Hof bij het geven van uw antwoord.

 

Antwoord vraag 10

Week 7, HC14, HXII, paragraaf 4, overweging 59, blz. 462-462; Week 3, HIV, paragraaf 2, blz. 127-130.
Er moest een definitie van ‘democratisch tekort’ worden gegeven en een uitlegging hiervan door referentie te maken naar verdragsbepalingen en jurisprudentie. Alzo dat het democratisch tekort van de rechtsorde van de Europese Unie inhoud dat burgers van de Europese Unie op de totstandkoming van het Europees recht weinig invloed hebben. Als voorbeeld kon worden aangeduid dat bij positieve harmonisatie individuen slechts vertegenwoordigd zijn door het Europees Parlement. Dit is namelijk de enige instelling van de Unie die rechtstreeks wordt gekozen door de Europese burgers, zie de artikelen 13 t/m 19 VEU en in het bijzonder art. 14 VEU.

 

Desalniettemin heeft het Europees Parlement vaak geen wetgevende taak in het kader van besluitvormingsprocedures genomen op basis van een bijzondere wetgevingsprocedure, zie hiervoor art. 289 lid 2 VWEU in het algemeen en art. 192 lid 2 VWEU voor een specifiek voorbeeld hiervan. Bovendien is tijdens de gewone wetgevingsprocedure het makkelijker om in het Europees Parlement het standpunt van de Raad te accepteren dan te verwerpen, zie art. 294 lid 7, letters a en b VWEU. In de Raad zijn Europese burgers slechts indirect vertegenwoordigd, art. 16 lid 2 VEU. In het Hof van Justitie zijn Europese burgers ook slechts indirect vertegenwoordigd art. 19 lid 2 VEU.

 

het zeer moeilijk voor Europese burgers om de geldigheid van wetgeving te aanvechten, ook na de totstandkoming van Europese wetgeving. De Töpfer-criteria en de Plaumann-criteria zijn zeer streng met betrekking tot de toegang van individuen tot het Hof van Justitie onder art. 263 VWEU. Evenzeer kon aangegeven worden dat ook wanneer burgers de wettigheid van EU-maatregelen betwisten op nationaal niveau voor een nationale rechter er geen zekerheid is dat de nationale rechter in kwestie een prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie in het licht van de CILFIT-jurisprudentie, ondanks het verbod om EU-wetgevingen zelf te toetsen, zie het arrest Foto-Frost. Tot slot worden nietigheidsberoepen gepasseerd op subsidiariteit en evenredigheid en slechts marginaal getoetst door het Hof, zie bijvoorbeeld Fedesa.

 

Tevens moest de definitie van rechtstreekse werking gegeven worden. in het licht van het beginsel van voorrang, betekent rechtstreekse werking dat strijdige nationale wetgeving opzij moet worden gezet, zoals bijvoorbeeld in de zaken Costa/ENEL en Van Gend & Loos.

 

Op grond van deze twee definities was het mogelijk om argumenten voor en tegen de stelling te formuleren. Het voornaamste argument voor deze stelling was dat door middel van rechtstreekse werking niet democratisch gelegitimeerde EU-maatregelen toegepast moeten worden en democratische gelegitimeerde nationale wetten opzij gezet moeten worden. Het gevolg is dat dit het democratisch tekort van de rechtsorde van de Europese Unie vergroot.

 

Het voornaamste tegenargument was dat positieve harmonisatie bijdraagt aan het verkleinen van de negatieve effecten van een gebrekkige implementatie door de lidstaten en in het kader van negatieve harmonisatie rechtstreekse werking bijdraagt aan de harmonisatie van de nationale wetgevingen. Dankzij rechtstreekse werking dragen individuen bij aan het bereiken van het nuttig effect van de Europese Unie en dus aan het bereiken van een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa.

 

Er moest een logische conclusie op basis van de argumenten voor en tegen geformuleerd worden.

 

Vraag 11

‘Het burgerschap van de Europese Unie als zodanig voegt weinig toe aan de rechten die EU-marktburgers aan het EU-recht ontlenen, ondanks zijn constitutioneel belang. “Onze primaire hoedanigheid, aldus het Hof in zaken zoals Ruiz Zambrano”.

 

Geef uw beredeneerde mening over de stelling.
Het antwoord moet voor- en tegenargumenten bevatten. Maak gebruik van de theorie, Verdragsbepalingen en de jurisprudentie van het Hof bij het geven van uw antwoord.

 

Antwoord vraag 11

Week 6, HC12, HVII, paragraaf 4.3.1, blz. 284-286
Er moet een definitie gegeven worden van de begrippen ‘marktburgers en ‘EU-burgers’. Daarnaast moest aangegeven worden dat dat het EU-burgerschap een algemene regel is die tevens betrekking heeft op EU-marktburgers.

 

Tot slot moest het antwoord de volgende elementen bevatten om tot een juiste conclusie te komen:

  1. De status van marktburgers tegen onredelijke besluiten van lidstaten over de intrekking van de nationaliteit van hun onderdanen wordt beschermd door het EU-burgerschap, zoals in de zaak Rottman.
     

  2. Om volledig te kunnen genieten van de bepalingen betreffende het vrij verkeer van marktburgers is het EU-burgerschap een voorwaarde.

  3. De reikwijdte van het EU recht is ruimer geworden dankzij het EU-burgerschap. Om te kunnen genieten van het recht om vrij te kunnen verblijven hoeft een EU-burger niet economisch actief te zijn, dit vergroot immers wel de kans om economisch actief te worden in het betreffende gastland. Als voorbeeld kan worden genomen studenten, zij zijn niet economisch actief en daardoor nog geen marktburgers. Als de studenten zich in een andere lidstaat zouden vestigen om daar een opleiding te volgen zodat er een reële kans bestaat om economisch actief te worden, zoals bijvoorbeeld in de zaak D’Hoop en Morgan.

 

Oefententamen 2013-2014 (2e kans)

 

Vraag 1

Leg in uw eigen woorden uit wat het begrip ‘onvoorwaardelijk’ inhoud. Maak hierbij gebruik van de theorie, jurisprudentie van het Hof en Verdragsbepalingen om dit begrip uit te leggen.

 

Antwoord Vraag 1

Week 5, HIV, paragraaf 2, blz. 127-130
De volgende elementen moeten bij de uitlegging van het begrip ‘onvoorwaardelijk’ behandeld worden: het is namelijk één van de voorwaarden voor rechtstreekse werking (Van Gend & Loos). Dit houdt in dat de uitvoerbaarheid van de EU-verplichting waarop beroep wordt gedaan niet afhankelijk is van de uitvoering van een andere verplichting. Francovich kan als voorbeeld worden genoemd, het Hof heeft hier bepaald dat de verplichting om niet betaalde salarissen te vergoeden in een richtlijn afhankelijk was van de benoeming van het bevoegde gezag die de betaling moest uitvoeren en van de samenstelling van het fonds waaruit de betaling moest plaatsvinden. Uit Van Duyn blijkt dat mits en tenzij clausules de onvoorwaardelijkheid van de verplichting niet aantasten.

Vraag 2

Leg in uw eigen woorden uit wat het begrip ‘CoVo’ inhoud. Maak hierbij gebruik van de theorie, jurisprudentie van het Hof en Verdragsbepalingen om dit begrip uit te leggen.

Antwoord vraag 2

Week 7, HVIII, paragraaf 5, blz. 354-357
‘CoVo’ is een Concentratiecontroleverordening. Om het versterken of creëren van een machtpositie van een onderneming op de interne markt te voorkomen, introduceert de CoVo een ex ante stelsel voor de goedkeuring van overnames en fusies. Tevens moesten voor een correct antwoord, kort de volgende elementen besproken worden: procedure, inhoudelijke toets en werkingssfeer

Vraag 3

Leg in uw eigen woorden uit wat het begrip ‘maatregelen van gelijke werking’ inhoud. Maak hierbij gebruik van de theorie, jurisprudentie van het Hof en Verdragsbepalingen om dit begrip uit te leggen.

 

Antwoord vraag 3

Week 5, HVII, paragraaf 3.3.1, blz. 268-271
Voor de uitleg van het begrip ‘maatregelen van gelijke werking’, afgekort MGW, moesten de volgende elementen worden behandeld. Namelijk een definitie conform Dassonville, er moest één voorbeeld worden gegeven van maatregelen die een directe belemmering opleveren of er moest een voorbeeld worden gegeven van een maatregel die indirecte effecten heeft, zoals Mickelsson en Roos, dit had een indirect effect op de import van waterscooters. Verkoopmodaliteiten zijn pas een MGW (Keck) als ze aan drie voorwaarden voldoen op basis van het arrest Gourmet of Familiapress. Gebruiksverboden vallen ook onder het begrip MGW blijkens het arrest Italiaanse Brommeraanhangwagens. En belemmeringen kunnen gerechtvaardigd worden op grond van art. 36 VWEU of heeft een dwingende vereiste van algemeen belang op basis van het arrest Cassis de Dijon.

Vraag 4

Leg in uw eigen woorden uit wat het begrip ‘Zwakke schakel ’ inhoud. Maak hierbij gebruik van de theorie, jurisprudentie van het Hof en Verdragsbepalingen om dit begrip uit te leggen.

 

Antwoord vraag 4

Week 3, HV, paragraaf 3.1, blz. 228-237
De volgende elementen bij de uitlegging van het begrip ‘zwakke schakel’ moesten behandeld worden: het gaat hier over nationale rechters en hun rol ten aanzien van het garanderen van de volle werking van het EU-recht. Ze moeten zich loyaal gedragen ten aan zien van het Europees recht krachtens artikel 4 lid 3 VEU. Het functioneren van de doorwerkingsmechanismen moeten in het bijzonder worden gegarandeerd net als de prejudiciële procedure uit art. 267 VWEU, wat een grote inspanning vraagt. De kans dat ze falen is werkelijk aanwezig, gezien de complexiteit van het EU-recht, het gebrek aan kennis en middelen, en het feit dat nationale rechters ambtenaren van de lidstaten blijven. Als gevolg hiervan zou het EU-recht zijn volle werking niet verkrijgen. Als voorbeeld diende Köbler diende in dit verband te worden. De zaken CILFIT, Costa/ENEL en Köbler laten ook zien dat het Hof coulant is met nationale rechters die een prejudiciële vraag niet stellen of verkeerd formuleren. Dit is om de samenwerking tussen het Hof en de nationale rechters te versterken.
 

Vraag 5

Slimpie en Stomkie zijn helemaal klaar met Hooglandschappië, de lidstaat waar ze geboren en getogen zijn. Jarenlang hebben zij gestemd op de tegenpartij en dit heeft hen niet de status van vrije jongens opgeleverd. Ze zijn juist eerder uitgeknepen en zijn ten einde raad. Slimpie en Stomkie besluiten dan ook om een vakantiehuis te kopen in Amusementië. Deze lidstaat heeft prachtig mooi weer en is erg aantrekkelijk voor toeristen. Het vakantiehuis staat op het vakantiepark ‘Casa di Mama’ dat wordt gerund door Marco B. Marco maakt de met het jarenlange verblijf gemoeide bedrag aan toeristenbelasting in één keer over, dit omdat hij leeft voor de wet.

 

De burgemeester lijkt erg tevreden maar ergens vermoed hij een rattenspel. Na aanleiding van een gesprek met Marco komt de burgemeester er achter dat Slimpie en Stomkie voornemens hebben om langdurig in het huisje te verblijven. Dit is tegen de regels, het bestemmingsplan verbiedt de permanente bewoning van vakantiewoningen, aangezien de bewoners of de eigenaren van deze woningen een lagere onroerende zaakbelasting betalen dan de bewoners of eigenaren van reguliere woningen. Aldus begint de burgemeester een bestuursrechtelijke procedure om Slimpie en Stomkie het huisje uit te zetten.

 

Welke fundamentele vrijheid zouden Slimpie en Stomkie in deze casus kunnen inroepen? U hoeft niet op de rechtvaardiging van de eventuele beperking in te gaan.

 

Antwoord vraag 5

Week 5, arrest Servatius en art. 63, 56 en 49 VWEU, HC10. 
Slimpie en Stomkie gaan de grens over naar een andere lidstaat. Zij ondervinden daar een belemmering die voortvloeit uit de handhaving van het bestemmingsplan. In deze casus maakt het bestemmingsplan het in eerste instantie onaantrekkelijk om in onroerend goed te investeren, dit levert een belemmering van het vrije verkeer van kapitaal op. (artikel 63, vgl. Servatius, r.o. 21).

Ook kan worden aangevoerd dat er een belemmering is van het vrije verkeer van burgers, omdat het onmogelijk is om permanent in het vakantiehuisje te wonen, dit maakt het onaantrekkelijk voor Slimpie en Stomkie om in een andere lidstaat te verblijven (art. 21 VWEU). Als u aantoont dat Slimpie en Stomkie naar Amusementië zijn gegaan om daar economisch actief te worden, dan was vrij verkeer van dienstverleners of vestigers ook goed gekeurd (art. 56 en 49 VWEU).
 

Vraag 6

Tot welke instantie(s) zouden Slimpie en Stomkie zich moeten wenden in verband met de onder vraag 2a gegeven oplossing(en)?

 

Antwoord vraag 6

Week 2, HC4, H5, paragraaf 2.3.1 blz. 196-197 en week 3, HC5
De nationale rechterlijke instantie ligt hier het meest voor de hand aangezien het hier gaat om optreden van een lidstaat. De bovengenoemde vrijheden zijn als voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk aangemerkt en kan hierdoor worden ingeroepen tegenover de burgemeester. Het is ook mogelijk dat Slimpie en Stomkie zich wenden tot de Commissie met het verzoek een verdragsschendingsprocedure te starten tegen Amusementië, hoewel de Commissie hier wel een discretionaire bevoegdheid heeft.

Vraag 7

Slimpie en Stomkie zien het ondanks de tegenslag helemaal zitten in Amusementië. Door het prachtige weer en het toeristische gebied zijn ze helemaal verkocht. Slimpie en Stomkie hebben dan ook besloten om de scooter (de Scootontrique) die ze in lidstaat Hooglandschappië verhuren via hun in die Lidstaat gevestigde bedrijfje Huur-E-Scootontrique, ook in Amusementië te verhuren. Slimpie en Stomkie verwachten een supra gigantisch commercieel succes. Huur-E-Scootontrique gaat een nevenvestiging openen in Amusementië. Vanaf hier wordt de verhuur van de scooters georganiseerd.

 

Slimpie en Stomkie runnen de nevenvestiging en de feitelijke verhuur vindt plaats vanuit de garage van Marco. Marco valt af en toe in om de scooters te verhuren. Om de kosten laag te houden is er een online reserveringssysteem. Hierdoor hoeft er alleen iemand aanwezig te zijn als de klant een scooter komt ophalen of komt terug brengen. De meeste scooters staan in Hoolandschappië, Zodra er meer vraag is brengen Slimpie en Stomkie de scooters naar Amusementië. In de toeristische sector worden hoge eisen gesteld aan de ondernemingen door de autoriteiten van Amusementië. Er wordt geëist dat de ondernemers over een certificaat taalvaardigheid en een middenstandsdiploma beschikken. Slimpie en Stomkie hebben het hier niet zo van, zij kunnen dan ook niet voldoen aan de eisen die Amusementië stelt.

 

Volgens de ambtenaar is er geen grensoverschrijdend element. De overheidsfunctionaris zegt dat Slimpie en Stomkie geen poot hebben om op te staan nadat zij zich hebben beroepen op het recht van de EU, aangezien ze in een volledig interne situatie zitten als inwoners van Amusementië, die activiteiten verrichten in Amusementië vanuit een locatie in Amusementië.

 

Wat zijn de kansen van Slimpie en Stomkie gelet op het recht van de Europese Unie?

 

 

Antwoord vraag 7

Week 6, HC12, arrest Gebhard, Schnitzer en Säger. HVII, paragraaf 4.7 blz. 301-305
De vraag is in casu welke vrijheid in het geding is. Slimpie en Stomkie worden belemmerd om economisch actief te worden over de grens. Het vrije verkeer van goederen is niet van toepassing omdat de invoer van scooters of een ander goed niet belemmerd wordt.

 

Slimpie en Stomkie zijn zelfstandigen en hebben dus geen arbeidsrelatie. Hierdoor is het vrije verkeer van werknemers ook niet van toepassing. Of zij onder het vrije dienstenverkeer of de vrijheid van vestiging vallen dient vastgesteld te worden of de duurzaamheid waarmee de economische activiteit in een andere lidstaat wordt verricht te worden onderzocht. Zie het arrest Gebhard en Schnitzer r.o. 27, 28. De precieze afbakening is niet een exacte wetenschap en in casu lijkt de minimale infrastructuur die Slimpie en Stomkie in Amusementië hebben er op te wijzen dat het dienstenverkeer van toepassing is.

 

Nu moet de belemmering van de toepasselijke vrijheid worden vastgesteld. Dit betreft de belemmering van de nationale regels inzake de taalvaardigheid en het middenstandsdiploma. Als er geen wederzijdse erkenning is van de in de lidstaat van herkomst behaalde diploma’s dan kan dit een belemmering vormen. De certificaat van taalvaardigheid zal ook moeilijker te halen zijn voor een persoon die niet de taal spreekt en niet afkomstig is uit Amusementië.

 

Vervolgens moet worden gekeken naar de mogelijke objectieve rechtvaardiging van de belemmering, zie hiervoor het arrest Gebhard en Säger. Het doel van de maatregel, de evenredigheid van de maatregelen gelet op dit doel en de effecten op het vrije verkeer moeten in kaart worden gebracht. Het lijkt dat het verzekeren van een hoog niveau van dienstverlening in de toeristische sector de doelstelling is. Het vereiste inzake het middenstandsdiploma lijkt niet evenredig omdat in de toeristische sector doeltreffend en veel moet worden gecommuniceerd.

 

Vraag 8

Een chemische stof Propaan wordt tijdens het produceren van plastic toegevoegd aan andere chemische elementen, om zo het eindproduct een stevige maar toch buigzame eigenschap te verschaffen. Deze stof wordt aangetroffen in bijvoorbeeld frisdrankflessen of in vleesverpakkingen, deze gebruiksvoorwerpen zijn dus regelmatig in contact met etenswaar. Hierdoor komen kleine hoeveelheden Propaan in ons lichaam. Na een uitgebreid onderzoek is de maximale toegestane dagelijkse inname (TDI) vastgesteld op 0,06 milligram per kilo lichaamsgewicht toegelaten door de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EAV). Deze TDI geeft de geeft de grenswaarde aan van de gedurende een mensenleven als veilig beschouwde inname. Voorts heeft de EAV vastgesteld dat in alle in de Europese Unie in omloop zijnde, Propaan bevattende producten, de resulterende inname ver onder de TDI ligt.

 

In Verordening XX/2003 is Op Unieniveau het gebruik van Propaan in het plasticproductieproces geregeld betreffende het gebruik van bepaalde chemische stoffen in plastic producten. In deze Verordening wordt voornamelijk bepaald dat Propaan bevattende producten, die tevens in contact komen met voedsel, iedere twee en een half jaar een goedkeuringslicentie moeten aanvragen bij de EAV. Tijdens de wetgevingsprocedure werd nog uitgegaan van een eerder vastgestelde TDI namelijk van 0.9 milligram per kilo lichaamsgewicht. Zonder leed biedt artikel 15 lid 4 Verordening de mogelijkheid om via een Uitvoeringsverordening van de Commissie het gebruik van specifieke chemische stoffen nader te reguleren, indien nieuw wetenschappelijk bewijs daar aanleiding toe geeft.

 

Hierdoor besluit de Commissie in maart 2014 op basis van het onderzoek van de EAV per Uitvoeringsverordening XX/2012 de toegestane hoeveelheid Propaan naar beneden te stellen. Daarnaast besluit zij op grond van een Zweeds onderzoek het gebruik van Propaan in de productie van frisdrankflessen volledig te verbieden. Als gevolg hiervan dienen producenten een nieuwe goedkeuringslicentie aan te vragen, conform de nieuwe toegestane waarden. De eventueel nog geldende licenties van producenten van frisdrankflessen worden met terugwerkende kracht ingetrokken.

 

De frisdrankflessenproducenten, binnen de Uniegrenzen in totaal acht, vertrouwen het angstige Zweedse onderzoek voor geen meter en willen de geldigheid van het besluit van de Commissie aanvechten.

 

In april 2014 dienen ze in een verzoek aan u om juridische raad. Hoe luidt uw advies aan de frisdrankflessenproducenten? Ga bij het beantwoorden van de vraag alleen in op de inhoudelijke elementen van de zaak(de toets ten gronde).

 

Antwoord vraag 8

Week 2, HC3, HIV paragraaf 4.3 t/m 4.3.2 blz. 142-143.
Er zal niet worden ingegaan op de ontvankelijkheid van het beroep omdat de vraag aangeeft dat het hier gaat om de inhoudelijke elementen van het beroep.

 

De producenten hebben een probleem met een optreden van één van de Europese instellingen. Secundair Europees recht kan nietig worden verklaard wegens strijd met hoger Europees recht, bestaande uit de Verdragen en de ongeschreven beginselen. In de casus lijkt het er op dat er een correcte rechtsgrondslag voor de Uitvoeringsverordening is en evenmin lijkt er sprake van misbruik van bevoegdheden.

 

Het lijkt eerder dat de basis voor het optreden onstabiel is terwijl de gevolgen van het optreden fors zijn. er moet verwezen worden naar de evenredigheid van de maatregel. Het evenredigheidsbeginsel, artikel 4 VEU, geldt voor alle optreden van de EU en komt erop neer dat het optreden van de EU effectief en geschikt moet zijn in het licht van de doelstelling, het gekozen middel mag niet verder mag gaan dan wat noodzakelijk is voor het bereiken van de doelstelling en de door de maatregel gediende doelstelling moet in een redelijke verhouding staan tot andere doelstellingen, evenredigheid strictu sensu.

 

Uit de basisverordening XX/2003 blijkt dat de doelstelling van de maatregel het verzekeren van een hoog niveau van bescherming van de menselijke gezondheid bij het tot stand brengen van een interne markt voor plastic producten is. De nieuwe maatregel lijkt gestoeld op niet-deugdelijk bewijs en heeft zeer verregaande gevolgen doordat de productielicenties met terugwerkende kracht worden ingetrokken. De basisverordening moet bijdragen aan de interne markt en streeft een hoog niveau van bescherming na respectievelijk Tabaksreclamerichtlijn. Hierdoor kan worden betwijfeld of de maatregel geschikt/effectief is, aangezien het aannemen van een extreem strenge maatregel zonder deugdelijk wetenschappelijk bewijs niet bijdraagt aan de interne markt en het is de vraag of het wel noemenswaardig bijdraagt aan de bescherming van de volksgezondheid. Dit geldt al helemaal voor de noodzakelijkheid en evenredigheid strictu sensu, waar met name de verregaande gevolgen, mede als gevolg van de terugwerkende kracht van de maatregel, voor de industrie moeten worden meegewogen.

 

 

Vraag 9

De Propaan-affaire heeft ook de wetgevende macht in Brussel wakker geschud. Er wordt geroepen om een nieuwe verordening, die de verschillende belangen beter tegemoet komt. Begin 2015 verschijnt er een nieuwe Verordening namelijk Verordening XX/2015 betreffende het gebruik van bepaalde chemische stoffen in plastic producten, met als rechtsgrondslag artikel 114 VWEU.

 

Het Comité van de Regio’s vind de nieuwe Verordening ridicuul omdat deze in de visie van het Comité idem betrekking heeft op de milieu-impact van de verwerking van deze plastic producten, en daarmee een milieumaatregel vormt. Het Comité is van mening dat artikel 192 VWEU de enige juiste rechtsgrondslag is en besluit de Verordening aan te vechten.

 

Wat is uw advies aan het Comité van de Regio’s? Laat de toets ten gronde achterwege, ga bij het beantwoorden van de vraag alleen in op de procedurele aspecten van de zaak.

 

Antwoord vraag 9

Week 2, HC4, HV, paragraaf 2.4, blz. 204-219.
Op grond van artikel 263, derde alinea, VWEU zal het Comité in beroep moeten gaan. De procedurele aspecten zien op de ontvankelijkheid van het beroep. Het Comité zal moeten aantonen dat het beroep is ingediend ter vrijwaring van de prerogatieven van het Comité omdat het Comité een semi-bevoorrecht beroepsrecht heeft.

 

Van het hier voorgaande is sprake nu de verschillende rechtsgrondslagen voorzien in verschillende besluitvormingsprocedures en aangezien artikel 114 VWEU alleen voorziet in een advies van het Economisch en Sociaal Comité, terwijl de door het Comité gewenste rechtsgrondslag, artikel 192 VWEU, voorschrijft dat ook het Comité van de Regio’s een advies uitbrengt. Indien artikel 192 VWEU als rechtsgrondslag zou zijn gebruikt dan zou dit de positie van het Comité in de besluitvormingsprocedure versterken, zodat haar prerogatieven worden beschermd.

 

De tijdigheid van het beroep betreft de laatste procedurele voorwaarde. Binnen twee maanden na de dag van bekendmaking van Vo. XX/2015 zal het beroep moeten worden ingesteld, artikel 263, zesde alinea VWEU.

Vraag 10

‘Van een aantal fundamentele vrijheden is de horizontale rechtstreekse werking verkeerd omdat het private partijen dwingt de door hen veroorzaakte belemmeringen van het vrije verkeer te rechtvaardigen met een dwingend vereiste van algemeen belang, terwijl private partijen niet in een positie zijn om het algemeen belang na te streven.’

 

Geef uw beredeneerde mening over de betreffende stelling. Het antwoord moet voor- en tegenargumenten bevatten. Maak gebruik van de theorie, Verdragsbepalingen en de jurisprudentie van het Hof bij het geven van uw antwoord.

 

 

Antwoord vraag 10

Week 3 en Week 4, HC6-9, HIV.
Uit Cassis de Dijon blijkt het dwingend vereiste van algemeen belang. Dit gaat over belangen die erkend worden als relevant door de Europese Unie bijvoorbeeld de belangen die benoemd zijn in artikelen 2 en 3 VEU, en die dus gesteund kunnen worden door nationale maatregelen van de lidstaten, ondanks het feit dat zulke nationale maatregelen een belemmering vormen voor de functionering van de interne markt. Milieubescherming is een dwingend vereiste van algemeen belang is, zo erkent het hof, zie bijvoorbeeld Deense Flessen. Daarnaast is ook consumentenbescherming een dwingend vereiste van algemeen belang zie als voorbeeld Mostaza Claro of Cassis de Dijon.

 

Van een aantal fundamentele vrijheden is de horizontale rechtstreekse werking toegestaan omdat het tot stand komen van een interne markt in gevaar zou worden gebracht, indien de opheffing van door de staten gestelde belemmeringen kon worden ontkracht door belemmeringen van privaatrechtelijke aard, zoals uitgelegd in Koch, r.o. 18 en Walrave.

 

Private partijen kunnen zich dus in het kader van het vrij verkeer van diensten en personen beroepen op verdragsbepalingen om belemmeringen van de export en import die voortvloeien uit handelingen van een private partij, zie Bosman voor personen, Koch en Walrave voor diensten en in mindere mate kon ook Gebhard gebruikt worden voor diensten en vestiging.

 

Alleen het secundaire recht kan horizontale rechtstreekse werking hebben ten aanzien van het vrij verkeer van goederen, zoals in Munoz met betrekking tot een Verordening. In Bosman, Koch en Walrave en in mindere mate ook Gebhard, ging de partij die de belemmering had gecreëerd zich beroepen op een dwingend vereiste van algemeen belang. Dit laat zien dat private partijen wel degelijk in staat zijn om zich te beroepen op een dwingend vereiste van algemeen belang.

 

Het verschil tussen private belangen en publieke belangen is uiteindelijk een kwestie van formulering. Deze zaken laten immers ook zien hoe moeilijk het is voor een particulier om te voldoen aan de eisen die het Hof stelt in het kader van de evenredigheidstoets. In Bosman, Koch en Walrave en in mindere mate ook Gebhard, sneuvelde de verdediging van de partij die zich had beroepen op het algemene belang omdat de belemmering niet voldeed aan een van de drie onderdelen van de evenredigheidstoets.

 

Er moest een logische conclusie geformuleerd worden op basis van het bovenstaande.

Vraag 11

‘De Raad ziet het Europees Parlement als tegenstrever ondanks het juridisch raamwerk voor interinstitutionele samenwerking, en in het bijzonder in het kader van de wetgevingsprocedures, in de Verdragen.’

 

Geef uw beredeneerde mening over de betreffende stelling. Maak gebruik van de theorie, Verdragsbepalingen en de jurisprudentie van het Hof bij het geven van uw antwoord.

 

Antwoord vraag 11

Week 1 en Week 2, HC1 en HC2, HIII, paragraaf 4.3 en 4.4, blz. 96-100. 
In artikel 13 lid 2 VEU is het juridisch raamwerk voor interinstitutionele samenwerking vastgelegd dat bepaalt dat de verschillende instellingen van de EU loyaal moeten samenwerken.

 

Door de taken van de EP, artikel 14 VEU te vergelijken met de taken van de Raad, artikel 16 VEU, wordt duidelijk dat ze in meerdere gevallen moeten samenwerken, in het bijzonder in het kader van de uitvoering van hun wetgevende taken. Er zijn twee soorten wetgevingsprocedures, artikel 289 VWEU. Namelijk de gewone wetgevingsprocedure welke gebaseerd is op medebeslissing. En de tweede is de bijzondere wetgevingsprocedures welke gebaseerd is op de raadpleging van het Europees Parlement, althans in de meeste van de gevallen, artikel 192 lid 2 VWEU.

 

Ondanks dat de Raad en het Europees Parlement vanuit een juridisch perspectief moeten samenwerken, artikel 13 lid 2 VEU en Zwartveld, laten de zaken Titaandioxide en de Bosbeschermingsverordening zien dat de Raad de toepasselijkheid van de medebeslissingsprocedure probeert te voorkomen. Dit kan worden verklaard doordat de Raad bestaat uit de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten terwijl in het Europees Parlement de vertegenwoordigers van de bevolking van de lidstaten zitten, artikelen 16 lid 2 en 14 lid 3 VEU.

 

Zelfs al zouden, juridisch gezien, de Raad en het Europees Parlement beide het Europese belang moeten nastreven, artikel 13 lid 1 VEU is het duidelijk dat ze in de praktijk twee conflicterende belangen vertegenwoordigen. De makers van de Verdragen hebben daarom bepaald dat in de tweede lezing bij de gewone wetgevingsprocedure er een lagere stemdrempel is in het Europees Parlement om akkoord te gaan met de gezamenlijk standpunt van de Raad in eerste lezing dan om het standpunt van de Raad te verwerpen, artikel 294 lid 7 VWEU.

 

Er moest een logische conclusie geformuleerd worden op basis van het bovenstaande.

 

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
38