Samenvatting van de colleges 7 t/m 10 (MKD)


College 7: Contextfactoren gezin

 

Het systeem gaat over het gezin, maar ook over school etc. Het gaat voornamelijk om de interacties en relaties tussen verschillende factoren. Een systeem is breder dan het gezin. In een model waar het college mee begon en eindigde stonden de kindfactoren bovenaan en de maatschappelijke factoren onderaan. In het midden stonden contexten, zoals school, leeftijdsgenoten, gezin/ouders en clubs/buurt.

 

Hulpvraag

Kinderen die worden aangemeld, worden bijna nooit met een eigen hulpvraag aangemeld. Je bent meestal bezig met de hulpvraag van de ouders. Zij komen in alle kwetsbaarheid binnen. Dit is relevant in de diagnostiek: ‘wiens probleem ben ik aan het analyseren en diagnosticeren?’. Vraag ook naar de mening van het kind om een indicatie te krijgen. Een belangrijke vraag is: ‘waarom zijn die vragen er juist nu?’.

 

Contextfactoren

Om te onderzoeken welke dynamiek heeft geleid tot het stellen van de hulpvraag ivm het kind, is het van belang om de omgevingsfactoren te onderzoeken. Er zijn verschillende contextfactoren, waaronder het gezin. Deze factor is erg belangrijk om te kunnen onderzoeken welke dynamiek geleid heeft tot het stellen van de hulpvraag in verband met het kind. Wanneer je het vanuit de systeemtheorie bekijkt, kun je zien welke functie de klachten hebben in het gezin. De problematiek waarmee het kind wordt aangemeld, kan zijn grondslag hebben in onderliggende problematiek binnen het gezin. In dat geval functioneert het probleemgedrag als een soort bliksemafleider.

 

Klachten

De formulering van de klacht waarmee ouders of adolescenten komen, is afhankelijk van de plaats die men inneemt in het gezinssysteem. Daarom moet je goed kijken wat de functie en de dynamiek van de klacht is en wie de klacht formuleert.

 

Rationele context in beeld brengen

De betekenis van de klacht van het kind of de adolescent kun je op vier manieren in beeld brengen:

  • Anamnesegesprek met de ouders. Het is belangrijk om te weten waarom het gedrag juist nu als problematisch wordt gezien en je moet ook uitvragen wat de hypothesen van de ouders zijn over het probleemgedrag.

  • Thuisobservatie voor aanvullende vragen over de gezinsdynamiek.

  • Gedragsvragenlijsten

  • Diagnostisch gezinsinterview

Je krijgt hierdoor inzicht in de communicatiepatronen en structurele kenmerken (afgrenzing) van het gezin, bijvoorbeeld door te luisteren naar de manier waarop ouders over hun kind praten. Ook krijg je kennis over de mogelijkheden tot probleemoplossing (doordat je krijgt te horen wat precies het probleem is), omdat je uiteindelijk moet kunnen behandelen. Je wilt weten welke bronnen je kunt gebruiken. Daarnaast hoor je iets over de opvattingen over het probleemgedrag en de verwijzing.

 

Systeemtheorie

Probleemgedrag is het resultaat van stoornissen in de relaties tussen gezinsleden. Het wetenschapsgebied met betrekking tot de systeemtheorie is niet heel erg breed. Er is zelden sprake van een rechtlijnig verband tussen de oorzaak en het gevolg van het gedrag, het gaat veel meer over de (onderliggende) aspecten. Het gaat om de dynamiek die ontstaat wanneer je de gezinsleden bij elkaar zet: de wisselwerking staat centraal, mede als de mate van gehechtheid tussen de verschillende familieleden. Er is sprake van circulaire modellen. Wanneer een kind opstandig is, kan de ouder minder grenzen hanteren, waardoor het kind meer ruimte krijgt en weer opstandiger wordt.

 

Watzlawick: wanneer je twee mensen bij elkaar zet, ontstaat er een unieke dynamiek. Dit is wat de systeemtheorie bestudeert. Dat behandel je dus.

 

Als je diagnostiek doet, ontwerp je hypothesen door te kijken naar:

  • interactiepatronen in de gezinsrelaties

  • de communicatie: blijft de ouder bij ruzie boos en communiceert hij/zij dan niet meer normaal met het kind? De mate waarin de ouder hiërarchie gebruikt zou moeten verschillen per context.

  • de manier van organiseren in de tijd

  • de manier van organiseren in ruimte: je kijkt hierbij letterlijk naar wie waar zit in de ruimte. Gaan vader en zoon en moeder en dochter juist bij elkaar zitten?

 

Een heel belangrijk aspect van de systeemtheorie is de circulariteit. (Afwijkend) gedrag is net zozeer oorzaak als gevolg van de gedragingen van de ander. Het is dus geen beginpunt. Circulariteit verwijst dus naar het communicatieproces in de tijd en kan zowel negatief als positief zijn. Bij een negatieve circulariteit speelt schuld een belangrijke rol.

Het verschil in intensiteit in de wisselwerking tussen de subsystemen is ook belangrijk. Hoeveel ruimte krijgt een individu binnen het gezin om een eigen persoonlijkheid te ontwikkelen? Grenzen en differentiatie zijn kernbegrippen. Een gezin kan je zien als een eenheid met verschillende elementen. Het is belangrijk dat de systeemtherapeut geen onderdeel hiervan wordt omdat gezinsleden geneigd zijn een coalitie te willen vormen met de therapeut.

 

Volgens Minuchin is hiërarchie heel belangrijk binnen het gezin, omdat het gaat over controle. Dit kun je zien tijdens een diagnostisch gesprek (gezinsinterview of taxatiezitting) met het gezin. Dit gesprek gaat vloeiend over in de behandeling, omdat de vragen die je stelt al invloed hebben op de gezinsdynamiek. De gezinsdiagnostiek is dus een deel van de behandeling zelf. Impliciet en expliciet worden ideeën overgebracht en op deze wijze intervenieer je al. Als behandelaar beïnvloed je de gezinsleden, maar het is onvermijdelijk dat zij ook jou beïnvloeden.

Ook het handhaven van grenzen is belangrijk: zo maak je differentiatie mogelijk. Dit betekent dat een kind grenzen kan stellen waar een ouder zich aan houdt (en andersom), de ouder accepteert dat het kind een eigen persoonlijkheid heeft en anders mag zijn.

 

Binnen de systeemtheorie geldt de opvatting: ‘je kunt geen neutrale diagnostiek bedrijven’. De systeemtherapie gaat over de interactie tussen mensen. Wanneer je als therapeut dingen uitvraagt, ben je de interactie al aan het beïnvloeden. Meerzijdige partijdigheid behoud je door de circulaire redenatie te behouden. Als behandelaar kan je meegezogen worden in de dynamiek. Het is goed om met twee behandelaars met een gezin aan de slag te gaan. Het interpunctieprobleem gaat over wie wie verwijt. Het is belangrijk om daar als behandelaar niet in mee te gaan.

 

Er is een driehoek van mensen waarbij twee mensen een conflict kunnen hebben en de derde een band met beide partijen heeft. De persoon in deze positie kan zich eenzaam voelen en loyaliteitsproblemen ondervinden. Als behandelaar kan je in deze positie belanden. Door de interactie te benoemen kun je je meerzijdige partijdigheid behouden. Met een metapositie kijk je naar de context. Het kan helpen om een niet-wetende houding aan te nemen en open de diagnostiek in te gaan.

 

Houding en positie van de onderzoeker/therapeut

Meerzijdig partijdig: je komt in het krachtenveld van het gezin, dus de therapeut moet hiervoor waken. Aan de andere kant kan de therapeut er ook gebruik van maken, door aan te sluiten bij het gezin. Neutraliteit speelt hierbij een belangrijke rol. Een therapeut hoeft echter niet altijd neutraal te zijn. Het hangt van de situatie af hoe je interfereert (meerzijdige partijdigheid). Daarnaast moet hij/zij een veilige context bieden. Ook moet de therapeut kunnen invoegen in het gezin door aan te sluiten bij het verhaal. Een goede samenwerkingsrelatie is cruciaal. De therapeut moet een metapositie innemen: boven het verhaal staan. De therapeut moet zelf aanvoelen of hij/zij een expertpositie moet innemen. Soms is het juist fijn om een expert voor je te hebben, vooral in crisis (wanneer er veel escalaties zijn).

 

Cybernetische/constructivistische systeemtherapie

Cybernetisch betekent dat de therapeut aansluit om ‘’stiekem’’ de interactiepatronen te veranderen. Er gaat niet teveel aandacht naar de diagnostiek. De therapeut presenteert zichzelf niet als de deskundige. Het probleem waarmee de cliënt komt, is het probleem wat wordt behandeld.

 

Tijdens je behandeling moet je goed nadenken of de behandeling het gewenste resultaat heeft, vooral omdat je te maken hebt met een kind in ontwikkeling. Wanneer je ruim de tijd neemt, verspil je kostbare ontwikkelingstijd. Als je dus merkt dat een bepaalde vorm van therapie niet werkt, moet je tijdig met een andere vorm van therapie starten.

 

De oplossing binnen de systeemtherapie ontstaat uit het reflecteren met de cliënt. Op deze manier construeer je een nieuwe werkelijkheid.

 

Het sociaal constructivisme wordt ook wel narratieve gezinstherapie genoemd. Het gaat om het volgende:

  • Stoornissen zitten niet in het individu, maar in de context en de communicatieve problemen.

  • De diagnose of classificatie is een constructie met als doel inzicht krijgen in een onderliggend proces.

  • De meervoudige betekenisverlening is onderdeel van de behandeling.

Als therapeut werk je sturend in het proces.

 

Volgens het sociaal constructivisme suggereert diagnostiek en classificatie een objectieve werkelijkheid en is daarmee rigide. Ze kijken dus niet naar onderliggende problemen, zoals breindysfuncties. Maar daarom ontstaat er wel een onschuldigend effect: bijvoorbeeld dat ouders er niks aan kunnen doen dat hun kind adhd heeft. Dit wordt gebruikt om patronen te wijzigen. Bij het sociaal constructivisme is classificatie een constructie, en dus niet één ding.

 

De behandeling bestaat uit het gesprek, waarbij pathologisch wordt vervangen door helend. Diagnostiek en behandeling vallen samen.Conflictrelaties worden veranderd in warme of hechte banden. Empathie neemt toe door gevoelens te uiten en te delen. Bespreek de pijnpunten in relaties voor je verder kan.

 

Directieve systeemtherapie

Alfred de Lange heeft de directieve systeemtherapie bedacht. Deze vorm van therapie is expliciet diagnostisch. Deze vorm van therapie is meer geschikt voor volwassenen dan voor kinderen. De behandelaar treedt als deskundige op. De gezinstaxatie is belangrijk waarna je het probleem gaat herkaderen. Het is van belang om vragen te stellen in plaats van dingen voor elkaar in te vullen. Het mentaliserend vermogen neemt toe door circulaire vraagstelling: wat zou de ander denken/voelen?

 

Taxatie

Bij de probleemgecentreerde gezinstherapie (Epstein en Bishop) vindt een diagnostische fase plaats. Met de McMaster Model of Family Functioning wordt op structurele manier het gezin bevraagt. Hierdoor komen alle aspecten aan bod. Bij de taxatie is het belangrijk om ook te letten op het referentiekader van de therapeut.

 

Psychodynamische gezinstherapie

De diagnostiek heeft vier doelen voor de diagnostiek:

  • diagnosticeren

  • motiveren: door lijdensdruk -» van tragie naar verbetering

  • contracteren: er wordt geanticipeerd op wat er gaat gebeuren -» vastleggen wat je gaat doen

  • afweging voor het vervolg maken

Het vervolg is het inzicht geven en structuur aanbieden.

 

Gezinsdiagnostiek

De concepten van de gezinstherapie zijn holistisch van karakter. Dit betekent dat er samenhang is. De wisselwerking staat centraal in plaats van de subjectieve beleving van het individu. Dit maakt diagnostiek lastig, omdat vragenlijsten vaak het perspectief van één persoon meten, en niet de interactie tussen personen. Op de sheets staan een aantal testen die je kunt gebruiken.

 

Gezinsdimensieschalen (GDS)

Het gedrag waar een kind mee wordt aangemeld is een symptoom van gezinsproblematiek. Kijk naar de hiërarchie (wie de macht heeft), de grenzen, het interpunctieprobleem (wie geeft wie de schuld) etc. De gezinscohesie betreft de betrokkenheid van de gezinsleden onderling. Dit gaat over gehechtheid, grenzen (differentiatie: anders mogen zijn/doen), coalities (bijvoorbeeld oudercoalitie tegen de kinderen is een gezonde coalitie), besluitvorming (hoe neem je besluiten, wat voor positie krijgt het kind?). Wat betreft cohesie zijn er bepaalde niveaus:

  1. disengaged (los zand); zoals een rijkeluiskind die alleen thuis kan zitten omdat ouders werken. Er vindt teveel differentiatie plaats, iedereen zit op zijn/haar eigen eiland.

  2. separated (individueel gericht); er zijn wel momenten samen

  3. connected (gezamenlijk gericht); overleg, activiteiten, warme band en afspraken

  4. enmeshed (kluwen); iedereen bemoeit zich met elkaar, passief-agressieve sfeer. Iedereen moet hierbij meedoen en conflicten worden onder het kleed geschoven, want het gezin moet bij elkaar blijven. Er zijn in deze situatie zeer veel spanningen en gezinsleden zijn vaak angstig.

De extreme scores (1 en 4) zijn disfunctioneel, de middelposities (2 en 3) zijn wenselijk.

 

De adaptatieniveaus gaan over aanpassing. Je kijkt dan bijvoorbeeld hoe men reageert op conflicten die voortkomen uit een verhuizing. Ook hier zijn verschillende stadia:

  1. rigid (statisch); er is één manier en niet anders, duidelijke hiërarchie

  2. structured; structuur, planmatig, routines, overzicht

  3. flexible; voldoende aanpassen, maar wel met vaste routines en structuur

  4. chaotic; het gaat alle kanten uit, afspraken niet nakomen, niet op elkaar afgestemd, dit kan samen gaan met ‘los zand’

Gestructureerd (ouders hebben een duidelijke rol) past wat meer bij bassischool kinderen, flexibel past meer bij tieners/adolescenten.

De extreme scores (1 en 4) zijn disfunctioneel, de middelposities (2 en 3) zijn wenselijk.

 

Gezinsdiagnostiek

Bij de GDS (gezinsdimensieschalen, zie hierboven) vult elk gezinslid de schaal in op cohesie en adaptatie. Eerste keer: hoe het is, tweede keer: hoe zou je het willen? Deze lijst helpt om het gezin te laten zien hoe ieder het gezin waarneemt. Mythes (ideeën van gezinsleden over allerlei aspecten van de situatie) kunnen worden ontzenuwd, het is een middel om de situatie bespreekbaar te maken.

Zie sheets voor uitgebreide informatie over de vragenlijsten.

  • Nijmeegse Vragenlijst voor de Opvoedingssiatuatie (NVOS): stress wordt meegenomen, het functioneren van elk gezinslid, in hoeverre er grenzen zijn etc.

  • Vragenlijst voor gezinsproblemen (VGP): hoe er wordt gecommuniceerd, of er over gevoelens wordt gesproken, is er hiërarchie en hoe de normen en waarden elke dag geuit worden (weinig gebruikt in de praktijk).

  • Ouder-kind interactievragenlijst (OKIV): deze is vrij kort en psychometrisch goed en wordt vaak gebruikt. Er wordt gekeken naar conflicthantering en acceptatie. Het werkt allebei de kanten op: ouders en kind.

Gezinsdiagnostiek kan heel confronterend zijn, de therapeut dient hier empatisch over te zijn, moet het gevoel van de ouders benoemen. Ondanks de confrontatie moeten resultaten bespreekbaar gemaakt worden. Dit heeft vaak een zachtere, meer stapsgewijze aanpak nodig. Observaties (=gezinstaxaties) vormen het alternatief.

 

Gezinschecklist

Interacties kunnen hiermee systematisch beoordeeld worden. Dit is een systematische wijze van diagnostiek. Hierdoor wordt er meer aan het licht gebracht en wordt er niet van de hak op de tak gesprongen.

  1. Historische kenmerken: de gezinssamenstelling is van belang, zoals broers/zussen, betrokken, scheiding, aanwezigheid etc.

  2. Structurele kenmerken: Minuchin lette op wie de macht heeft in een gezin. Er kunnen (vastgeroetste) coalities gevormd zijn. Triangulatie is dat een kind wordt gedwongen om zich te verbinden aan een ouder. Het kind krijgt dan geen ruimte binnen het gezin. Bij coalitievorming heb je een stabiele relatie met een ander, gericht tegen een ander. Bij omleiding vorm je een zondebok. Van het kind wordt dan een probleem gemaakt zodat ouders niet aan hun probleem hoeven te werken. Ouders maken bijvoorbeeld ruzie waardoor het kind gek gedrag laat zien zodat ouders hiermee stoppen. Hierbij ligt de focus dan op het kind. Bij parentificatie dwing je een kind in een ouderrol. Dit kan ook een gezonde kant hebben wanneer een ouder ziek is en het kind voor de ouder zorgt. Het heeft te maken met de draag- en veerkracht van het kind.
    Een genogram beschrijft de dynamiek binnen het gezin. Men ziet hierbij in een oogopslag de belangrijke thema’s en gezinspatronen in relatie tot elkaar. In het voorbeeld plaatje is vader geïsoleerd (hij valt buiten de cirkel). Subsysteem ouders: Hoe liggen de taken? Wie voedt er op? Als therapeut weet je dat er spanning is, maar kijk ook naar de uitzonderingen. Mag de ander afwijken? Hoe komen beslissingen tot stand? Subsysteem kinderen: Hoe zijn de onderlinge relaties? Wat voor samenwerking is er? Is er rivaliteit? Is het kind de zondebok of zijn de ouders juist meegaand met het kind? Laat ouder het kind zelf praten of snoert zij/hij het kind de mond?

  3. Communicatieve kenmerken. Denk hierbij aan cohesie: zijn de gezinsleden gericht op relaties binnen of buiten het gezin? Een ander kenmerk zijn de morele codes. Hierbij kijk je naar wat er beloond, gestraft en gecorrigeerd wordt. Ook de (meta) communicatie is van belang: hoe voer je het gesprek? Hoe gaan we met elkaar om?

  4. Emotionele kenmerken: vaak moeilijk te bespreken. Het gaat hier loyaliteit (wie is er loyaal aan wie?) en het affectieve klimaat (de sfeer). Bij simpele dingen zoals de afwas doen kan dit al een rol spelen (word ik gezien en gerespecteerd? Zo niet dan kan dit voor ernstige conflicten zorgen).

  5. Ontwikkelings- of fase kenmerken. Hier wordt gekeken naar aanpassingsvermogen eisen van binnenuit (hoe past men zich aan, verwachting van volgende fase) en van buitenaf (hoe pas je je aan op uithuisplaatsing, en hulpverlening?).

  6. Individuele kenmerken. Hierbij kijk je naar opvallende individuele kenmerken zoals depressie en verslaving.

 

Ontwikkelingsfasen binnen het gezin

  1. Paarvorming

  2. Komst van het eerste kind: ouders moeten een nieuw evenwicht zoeken, zorgt soms voor een breekpunt waardoor er scheiding ontstaat

  3. Adolescenten en middelbare leeftijd: stabiele(re) situatie

De family life cycle (McGoldrick & Carter) kan breken of goed gaan.

 

Drie soorten diagnostiek voor het ouderschap

  1. Georiënteerd op ouderschapsstijl, zoals autoritatief. Bij autoritair en permissief kunnen er gedragsproblemen zijn.

  2. Cognitie van de ouder centraal: beleving/opvattingen. Het is heel belangrijk dat de ouder voor het kind denkt: ‘hij heeft honger’, ‘hij heeft tijd voor zichzelf nodig’. Ouder dient de gedachtegangen in te vullen.

  3. Overte gedrag centraal: operant/klassiek conditioneren

Kernfuncties goed ouderschap

  1. Interpreteren: het geven van verklaringen en opvattingen over het gedrag van het kind. De ouder moet vaak handelen vanuit de eigen betekenisverlening, waarom doet het kind dit? Ouder maakt hierbij gebruik van kennis over emoties.

  2. Respecteren t.a.v. de gevoelens van het kind: boosheid mag er zijn, maar dit betekent niet dat het kind een ijsje krijgt

  3. Regisseren: verschilt per leeftijd

Voor overige belangrijke thema’s rond goed ouderschap: zie sheets.

Dysfunctioneel ouderschap ontstaat bij een pathogene opvoeding (wanneer het kind schade ondervindt van de opvoeding), verwaarlozing, mishandeling en misbruik.

 

College 8: Cultuur, acculturatie en afwijkende ontwikkeling

 

Introductie

Men kan afwegen of een test aangepast moeten worden. Aanpassingen kunnen ten koste gaan van de vergelijking. Wanneer men niet aanpast kan dit ten koste gaan van de validiteit. Bij andere culturen kan er sprake zijn van andere problematiek, syndromen en stoornissen. Er kunnen andere uitingen zijn of er kan een andere benaming worden gehanteerd. De problematiek kan dan hetzelfde zijn, maar door andere ideeën over de opvoeding te hebben kan dit invloed hebben op het diagnostisch proces.

Oordelen van wat normaal of abnormaal is, is cultureel bepaald. Ergens leg je de grens van wat wel of niet afwijkend is. Binnen een groep wordt er al verschillend geoordeeld.

 

Cultuurgebonden problematiek en ideeën

De nadruk kan verschillen per cultuur. Cultuur heeft invloed op de manifestatie van psychopathologie. Psychopathologie is oordelen en dat is altijd cultureel bepaald. Elke vorm van psychopathologie is dus een cultureel fenomeen. Het gaat om de normatieve afweging: wat is normaal en wat niet? Een normatieve afweging kan wel een objectieve grond hebben. Een school eist bijvoorbeeld dat kinderen stilzitten op zesjarige leeftijd. Dit is een objectief kenmerk, maar voor kinderen die dichterbij die schoolleeftijd komen, is het minder gewenst om druk te zijn (cultureel bepaald). Naast het verschil tussen culturen moet men zich ook bewust zijn van het verschil binnen culturen/groepen. Het oordeel van een leerkracht kan namelijk weer verschillen van het oordeel van de ouder, omdat het kind zich bijvoorbeeld in de schoolse setting weer anders gedraagt dan thuis.

Voor alle stoornissen geldt de vraag: is het een culture-bound syndrome of niet? Dit betekent dat een stoornis in een bepaalde cultuur vaker ‘voorkomt’. Dit betekent dat de cultuur het als stoornis bestempelt (bijvoorbeeld Tajin Kyofusho in Japan, zie plaatje. Omdat de mensen in Japan vaak heel gereserveerd en ingetogen zijn, is dit als stoornis bestempeld. In nederland zou het neerkomen op een sociale angst o.i.d).

 

Ideeën over kinderen en opvoeden kunnen per cultuur verschillen:

  • Parental ethnotheories zijn culturele opvattingen die ouders hebben over opvoeding. Dit hangt samen met socialisatiedoelen die worden gesteld.

  • Socialisatiedoelen worden gesteld in overeenstemming met de normen en waarden die gehanteerd worden.

  • Individualisme en collectivisme hebben andere doelen en verschillende ideeën. Er worden andere aspecten benadrukt. Hierbij spelen independence (onafhankelijkheid, vooral solo), interdependence (meer gericht op het geheel, samenwerken, elkaar helpen) en psychological interdependence een rol. Psychological interdependence is een mix van individualisme en collectivisme. Dit komt vaak voor bij migranten die van een collectivistische naar individualistische samenleving verhuizen. Ze zijn psychisch dan nog collectivistisch maar nemen in de praktijk de normen en waarden van de individualistische cultuur over.

Nederland

In Nederland wonen o.a. expats en migranten. Expats zijn mensen die voor een paar jaar in Nederland wonen voor hun werk. Door deze tijdelijke situatie gaan ze niet echt participeren. Migranten blijven langer.

 

Zie sheets voor cijfers (rond de 30% kinderen/jongeren heeft migratie afkomst, migratie is dus erg relevant voor Nederland).

 

Er zijn verschillende modellen wat betreft migratie:

  • Klassiek model: de oorspronkelijke bevolking is kleiner dan de migrantengroepen. Denk aan de Aboriginals in Australië. Deze situatie geldt niet voor Nederland.

  • Koloniaal model: uit een voormalige kolonie naar Nederland.

  • Gastarbeider model: mensen die aanvankelijk kwamen om het beschikbare werk in Nederland op te vangen, maar vervolgens bleven en hun familie over lieten komen.

  • Illegaal

De arbeidsmigratie maakte verschillende trends door. Tussen 1945 en 1960 kwamen mensen uit diverse landen uit Europa voor de scheepsbouw, mijnen en textiel. Van 1960 tot 1973 was er sprake van overheidswerving waardoor Turken en Marokkanen naar Nederland kwamen. Nu is er een trend van Poolse immigranten.

 

Er zijn meer psychische klachten onder migranten in Nederland, maar zijn de metingen wel betrouwbaar? Onderzoek naar diagnostiek bij migranten gebeurt vrijwel altijd met een vraagteken. Suïcide komt meer voor bij S-NL en minder bij T-NL. Wat betreft pogingen ligt het aantal hoger bij T-NL. Een kanttekening hierbij is dat het afhangt van de rapportage. Misschien schamen S-NL of T-NL zich meer/minder om suïcide te rapporteren. Depressiecijfers liggen hoger bij M-NL en T-NL. Grofweg is er bij elkaar te weinig onderzoek om een eenduidig beeld te krijgen. S-NL (Surinaams, T is Turks) hebben een verhoogde prevalentie op angststoornissen. Ook komt een PTTS eerder voor bij migranten. Dit kan wellicht liggen aan voorgaande, nare gebeurtenissen waardoor ze kwetsbaarder zijn. Qua middelenmisbruik scoren T-NL en M-NL (Marokkaans) laag, omdat zij volgens de Islam geen alcohol mogen nuttigen. S-NL scoort hoog op problematisch alcoholgebruik. Bij S-NL, A-NL (Antilliaans) en M-NL ligt het drugsgebruik hoger, maar dat is niet met zekerheid te zeggen. Hiernaast komen schizofrenie en andere psychotische aandoeningen vaker voor bij migranten. Hier is de vraag of het instrument wel valide is. Worden de vragen bijvoorbeeld (op de juiste manier) begrepen? Echter: tweede generatie M-NL mannen scoren hier significant verschillend (hoger) op. Zij richten zich meer op Nederlanders waardoor ze meer negatieve ervaringen en discriminatie ervaren, in plaats van T-NL die meer op de eigen cultuur gericht zijn. (Dit is niet dè uitleg, maar een mogelijke verklaring).
Cognitieve en sociaal emotionele problemen komen gemiddeld ook vaker voor bij migrantenkinderen. Een verklaring hiervoor zijn aspecten van de ouder-kind relatie. De ouder is vaker restrictief beperkend, wat betekent dat ze bijvoorbeeld snel het spel van het kind overnemen, in plaats van het kind zelf te laten ontdekken. Daarnaast speelt de opvoedingscompetentie een rol. Als de ouder zich niet zeker voelt en de omgeving niet begrijpt (snapt bijvoorbeeld het Nederlandse schoolsysteem niet) dan uit zich dit in een verminderde opvoedcompetentie.
T-NL jongeren hebben vaker internaliserende problemen en M-NL en A-NL vaker externaliserende problemen (wat zich uit in vaker contact met justitie).
 

De verklaringen worden vaak toegeschreven aan cultuur, maar dit kan een confounding variabele zijn. Vaak is het toe te schrijven aan de SES. Wellicht zijn er ook problemen rondom de meetinstrumenten.

 

Er bestaan verschillende ideeën tussen culturen wat betreft opvoedingsdoelen en -waarden en opvoedingsstijlen. Economische migranten willen bijvoorbeeld graag dat hun kinderen het ook goed doen en zijn meer prestatiegericht. Zij leggen meer druk op hun kind qua schoolse prestaties. Qua opvoedstijl zijn Marokkaanse, Turken, Afghanen en Somaliërs relatief autoritair (strengere opvoeding). Nederlanders zijn vaker autoritair en Antillianen, Surinamers, Iranezen en Irakezen hebben relatief vaker een tussenpositie.

 

Biologische en culturele verschillen

Wanneer je een genetische structuur (ook wel primaire verschillen genoemd: verschillen die er vanaf de geboorte al waren) gedetailleerd in kaart hebt gebracht, moet je gaan onderzoeken hoe je de omgeving kunt veranderen om te voorkomen dat de uiting van die genetische structuur (bijvoorbeeld van schizofrenie) tot stand komt. Daarom is het belangrijk dat je weet hebt van primaire culturele verschillen:

  • Taal is het belangrijkste regulatiemechanisme dat we hebben om duidelijk te maken wat we normatief wel en niet goed vinden. Taal is zowel voor het ontstaan als voor het begrijpen en behandelen van psychopathologie zeer belangrijk.

  • In sommige omgevingen is het gewenst om bijvoorbeeld heel sociaal te zijn terwijl dat in andere omgevingen niet gewenst is: normenkader. Vanwege een heel eenvoudig normatief kader, kunnen mensen die emigreren in hun nieuwe omgeving ineens in de problemen komen.

  • Attitudes

  • Wanneer je niet aan het werk komt, omdat er bepaalde kennis en vaardigheden worden geëist om deel te nemen aan de samenleving kan er psychopathologie optreden. Soms hebben vluchtelingen allerlei kwalificaties voor belangrijke banen in hun eigen land opgedaan, die in een ander land ineens niet afdoende zijn.

Secundaire culturele verschillen hebben bijvoorbeeld te maken met de wijze waarop ontvangende samenlevingen reageren op mensen uit andere landen. Dit is van invloed op de stressniveaus en de mogelijkheid om gezond op te groeien. Uit de secundaire culturele verschillen komt acculturatie naar voren. Dit is het proces van culturele en psychologische veranderingen dat resulteert uit het samenkomen van culturen.

 

Berry’s acculturatiemodel

 

Eigen identiteit vasthouden

Relaties aangaan met anderen

 

JA

NEE

JA

integratie

(biocultural)

assimilatie

(national)

NEE

separatie/segregatie

(ethnic)

marginalisatie/individualisme (diffuse)

Bij segregatie/separatie is er afscheiding en wil men bij de eigen groep blijven. Bij marginalisatie (= onttrekking) voelt men zich niet verbonden. Dit is een risicovolle groep, omdat ze alles om zich heen afstoten. Marginalisatie komt vaak voor bij de eerste generatie. Zij hebben gekozen om te vertrekken maar voelen zich niet thuis in de nieuwe context. Bij de tweede generatie speelt dit al veel minder.

In het raamwerk voor acculturatie worden condities beschreven die de basis leggen hoe acculturatie kan ontwikkelen.

 

Is acculturatie meetbaar?

Er zijn vier methoden:

  1. One-statement method: er wordt een uitspraak gedaan waarna men kan aangeven op een Likert vijfpuntsschaal in hoeverre met het hier mee eens is. De acculturatiestrategieën integratie en marginalisatie zijn lastig af te lezen bij nummer 3 van het voorbeeld. Beide groepen kiezen waarschijnlijk deze optie.

  2. Two-statement method: hierbij is het lastig om een acculturatiestrategie bovenop een antwoord te plakken.

  3. Four-statement method: elk item geeft een acculturatiestrategie weer. Maar dit zijn vaak lastige vragen omdat ze twee stellingen bevatten. Dat is moeilijk te begrijpen als je geen Nederlands van origine spreekt.

  4. Vignette method: men kan aangeven in welke mate men het eens is met een persoon. De taligheid is een probleem, omdat er snel te veel informatie in staat. Een voordeel is dat het meer tot de verbeelding spreekt.

Is het nodig om acculturatie te meten? Het is vaak niet nodig om acculturatie meteen te meten met een test omdat er in de praktijk vaak al veel duidelijk wordt uit een gesprek. Het is belangrijk om bewust te zijn van de individuele verschillen bij het meten van acculturatie.

 

Clinicus-cliënt relatie en cultuur

In de omgang en gesprekvoering kunnen er obstakels zijn:

  • Taalverschillen

  • Verschillende waarden, normen, attitudes, gedragingen: dit uit zich o.a. in interpretatiekader en visie

  • Vooroordelen: wees bewust van de bril waar je door kijkt

Wanneer de hulpverlener dezelfde achtergrond heeft als de cliënt heet dit een etnische match. De meeste mensen geven aan een cognitieve match, waarbij er overeenstemming is over de behandeldoelen, belangrijker te vinden.

 

Algemene obstakels
In de praktijk worden obstakels gevonden over wat wel of niet normaal wordt gevonden (dit is nog complexer in de context van culturele diversiteit) over waar men de oorzaak van de klacht neerlegt (psychisch of lichamelijk) en over de oplossingen.

 

Specifieke obstakels
Bij de ontmoeting: wel of geen hand geven? Misschien is dit niet geaccepteerd in de ene cultuur. Daarnaast het begrip van tijd: in de ene cultuur is te laat komen geen enkel probleem, terwijl het in de andere cultuur als onbeschoft beschouwd wordt als iemand te laat komt. In het gesprek kunnen er problemen ontstaan wat betreft de directheid van vragen stellen (direct vs. indirect) en wat betreft de taalproblemen. Vaak fungeert de partner als tolk, maar die heeft eigen ideeën over of de partner een probleem heeft of niet, hoe valide is de vertaling dan nog? Ook zijn bepaalde begrippen moeilijk te vertalen van de ene naar de andere taal. Daarnaast kan ook de loyaliteit van het kind naar de ouders in het geding zijn. In strenge culturen is het kind bijvoorbeeld heel loyaal aan de ouders en zal het niet snel de problemen (bv. mishandeling) blootleggen.

 

TOPOI

Dit is een afkorting voor een aantal aspecten waar je bewust van moet zijn en waar je obstakels kan tegenkomen:

  • Taal: (non)verbale communicatie

  • Ordening: referentiekader

  • Personen

  • Organisatie: vaak kennen migranten de structuur niet en weten ze niet waar ze heen moeten als ze hulp wensen

  • Inzet: wat willen ze bereiken? (Cognitieve match)

Bij de TOPOI is het van belang om vragen te stellen en open te zijn.

 

Meetinstrumenten en cultuur
Instrumenten zijn gebaseerd op theoretische uitgangspunten van Westerse oorsprong. Daarnaast is het uitgangspunt voor de betrouwbaarheid en validiteit veelal gebaseerd op de native groep. Vergelijkend onderzoek naar scores is slechts voor sommige migrantengroepen gedaan. Qua onderzoek naar instrumenten (voor bv de normen in een bepaalde migrantengroep) is er voor cognitieve tests relatief het meeste onderzocht. Tests die het sociaal emotioneel functioneren/persoonlijkheid meten delven het onderspit, hiervan is weinig bekend wat betreft migranten normen.

 

Equivalentie gaat over de vergelijkbaarheid van een meting in een andere context. Bias gaat over een vertekening, omdat het meetinstrumenten bijvoorbeeld niet valide is. Voorbeeld op het plaatje: dat een kind op een stoel kan klimmen hangt natuurlijk wel af van de grootte van een stoel. Er zijn verschillende vormen van bias:

  • Construct bias: wordt hetzelfde begrip gemeten? Wat men IQ noemt (goed kunnen jagen, geld verdienen of schoolse vaardigheden?) verschilt per cultuur.

  • Methode bias: een instrument kan vertekenen. De steekproef en de testprocedure moeten vergelijkbaar zijn en de instrumenten moeten bruikbaar zijn in verschillende groepen. De achtergrond van de persoon moet in het achterhoofd worden gehouden.

  • Item bias: een item kan niet bruikbaar zijn. Bijvoorbeeld de vraag: wie is de koning van Nederland? Is voor een Marokkaanse migrant niet echt relevant. De vragen moeten niet te cultuurspecifiek zijn.

Beoordeling Nederlands testmateriaal

  • Inhoud is niet expliciet racistisch

  • Er is wel etnocentrisme, wat inhoudt dat het materiaal gericht is op de eigen culturele achtergrond (bijvoorbeeld: de beste bruggenbouwers komen uit ons land)

  • Er is nog weinig bekend over test- en itembias in Nederland. Dit is vreemd aangezien er al zeer lange tijd migranten in ons land zijn.

 

Nog meer specifieke obstakels…
Testnormen: in de praktijk is er onzekerheid over de te gebruiken bestaande normen en cut off points. Bij het afnemen van tests en vragenlijsten spelen responsstijlen een grote rol. Er is bijvoorbeeld sociale wenselijkheid, acquiescence (ongeacht de vraag stem je altijd toe, dit is meer collectivistisch) en extremity (meer geneigd afwijkende antwoorden te geven, die extreem zijn, dit is meer individualistisch). Ook zijn er obstakels in de vragenlijsten en tests. Taalproblemen: soms is het moeilijk om een begrip te vertalen of zijn zinsconstructies zoals een dubbele ontkenning of gezegdes te lastig/onbekend voor het kind. Feitenkennis: wie is de koning? Een Marokkaanse migrant weet dit niet. Plaatjes: deze zijn vaak cultuurgebonden, zoals een persoon met een doedelzak. Dit is een zeer specifiek instrument wat je bijna alleen in Schotland tegenkomt.

 

Wat te doen?
1. Moeilijke woorden en moeilijke grammaticale constructies vermijden (als je de luxe hebt: taal zoveel mogelijk vermijden).
2. Vermijden van etnocentrische wendingen

3. Nederlandse outlook tegen gaan (plaatjes, vignetten)
4. Aansluiting bij belevingswereld van verschillende groeperingen
5. Betrouwbaar en valide voor verschillende groepen + groep specifieke normen

Een statische test meet een momentopname en toont de resultaten van wat je geleerd hebt. Een dynamische test meet iemands leerpotentieel door een soort test-train-test opzet. Het is een proces van instructie en feedback waarbij het kind eerst kijkt hoe de hulpverlener iets doet, ze het dan samen doen en het kind het vervolgens alleen doet. Een dynamische test is niet per se beter. Omdat we ze aan niet-dynamische (statische) tests correleren, zegt het meer iets over de methode dan over de test.
Voor een diagnosticus is het belangrijk om op een aantal aspecten te letten, zie hiervoor sheet 39 en 40.

 

 

College 9: Taalonderzoek

 

Taal

Taal is een belangrijk instrument in het denken en in je communicatie. In het dagelijks leven wordt taal veel gebruikt: we doen (bijna) alles verbaal. Wanneer je problemen hebt met het begrijpen van taal is het zeer lastig om je staande te houden in het dagelijks leven. Daarnaast is taal van groot belang om je gedachten te ordenen. Ook voor je fantasie en voorstellingsvermogen is taal belangrijk.

 

Taal heeft overlap met heel veel andere ontwikkelingsdomeinen. De taalontwikkeling wordt beïnvloed door kind- en omgevingsfactoren.

 

Er is veel diversiteit wat betreft taalproblemen en er is niet één stoornis. Taal werkt door in andere domeinen. Door taalproblemen kan een kind bijvoorbeeld een tekort aan aansluiting ervaren en buitengesloten worden wat kan leiden tot een laag zelfbeeld. Externaliserende gedragsproblemen kunnen ontstaan door frustratie. Ook kunnen kinderen niet op hun niveau leren doordat ze cognitief wel in orde zijn, maar qua taal niet mee kunnen komen.

 

Normale taalontwikkeling

Er zijn grote individuele verschillen wat betreft de taalontwikkeling. Dit is belangrijk bij het bepalen of er sprake is van een taalachterstand. Doordat er grote individuele verschillen zijn is het lastig om de normale ontwikkeling vast te leggen. Het is relevant om taalonderzoek te doen als er vragen zijn over een taalachterstand of over een taalachterstand als gevolg van een secundair probleem. Een ander domein kan effect hebben op taalproblemen, zoals gehoorproblemen. Vanaf 10 maanden kan er al een licht onderscheid zijn in taalvaardigheden. Vuistregel: wanneer er bij achttien maanden niet enkele woorden en bij dertig maanden niet enkele zinnen worden gesproken, kan er vaak gesproken worden van een stoornis.

Er zijn twee uitgangspunten: taal wordt beïnvloed door kind –en omgevingsfactoren en dat grote individuele verschillen het vastleggen van ‘normaal’ lastig maken. Een kindfactor is bijvoorbeeld aanleg, kinderen die op jonge leeftijd al met woorden spelen of verhalen vertellen hebben meer aanleg voor taal. Een omgevingsfactor is het aanbod van taal. Individuele verschillen zijn er bijvoorbeeld in temperament, motivatie, meertaligheid en leeftijd (oudere kinderen zijn beter in taal). Plaatje: kinderen met een lagere SES hebben een lagere woordenschat en de achterstand die zij hebben loopt op (ten opzichte van kinderen met een hogere SES).

 

Waar bestaat taal uit?

Spraak en taal zijn twee losse aspecten. Spraak is de motorische handeling van communiceren door een uiting te articuleren. Taal is de kennis en het gebruik van een symbolisch systeem dat gebruikt wordt voor communiceren. Binnen de taalontwikkeling is het begrijpen van taal door middel van horen en lezen (receptieve taalontwikkeling) en het produceren van taal door middel van spreken (productieve taalontwikkeling) belangrijk. Het begrip is er vaak eerder dan de productie, doordat het hersengebied dat aan het begrip is gekoppeld eerder is uitontwikkeld. Een baby kan simpele woorden en opdrachten begrijpen, maar nog niet zelf uiten.

 

Taal omvat verschillende componenten:

componenten van taal

linguïstische niveaus

vorm

- fonologie: klanken koppelen, intonatie

 

- morfologie: woorden aanpassen aan context, zoals enkel- of meervoudig, stukjes van woorden krijgen betekenis

 

- syntaxis: woorden aan elkaar koppelen tot een logische zin

inhoud

- semantiek: inhoud van een woord of zin

gebruik

- pragmatiek: de vaardigheid om taal aan te passen aan de context. Dit is een onderbelicht aspect van taal en moeilijk te testen.

 

Binnen één jaar spreken de meeste kinderen hun eerste woordje. Binnen 2 jaar spreken de meeste kinderen twee woord zinnetjes.

Volgens Schaerlaekens zijn er vier fasen binnen de normale taalontwikkeling:

  1. Prelinguale fase (0-1 jaar): het produceren van klanken die steeds meer uitmonden in gebrabbel (tot zes maanden). De ontwikkeling loopt vooral via het auditief-motorisch perspectief. Hier is lichaamstaal erg belangrijk. Het draait om het interacteren met de verzorger. Vanaf zes maanden tot een jaar worden de klanken steeds meer herhaald. Ook wordt er geëxperimenteerd met het plakken van verschillende klanken achter elkaar. De eerste vocalisaties zijn klinkergeluiden. Bij vocaalspel staat het tot stand komen van beurtname centraal, voornamelijk met de ouder: naar elkaar brabbelen. Dit is pure imitatie. Later wordt er gebrabbeld met klinkers en medeklinkers na elkaar. Het mondorgaan wordt steeds beter gebruikt, ze leren dit controleren. Door imitatie wordt er een pseudo-conversatie opgestart. Rond het eerste levensjaar kan een kind de eerste woordjes zeggen.

De eerste functie van taal wordt in gang gezet, doordat kinderen bijvoorbeeld emoties uiten door gebruik te maken van intonatie.

  1. Vroeglinguale fase (1-2½ jaar): van brabbelen naar betekenisvol taalgebruik (van één tot twee jaar). Het begint met het maken van korte woordjes en deze later samenvoegen tot korte zinnetjes (twee of drie woorden). De zinnen bevatten vaak nog geen lidwoorden, maar zelfstandig naamwoorden en werkwoorden omdat daar de belangrijkste betekenis in zit. De morfologie (woordvorming) en de syntaxis (zinsvorming) ontstaat. Tot 3 jarige leeftijd is het vooral alleen verstaanbaar voor ouders. Kinderen hebben tot die tijd ook moeite met het volume aan te passen: dit is vaak hele hard. Onderzoek naar gebarentaal bij jonge, horende kinderen is niet 100% positief.

Er is overlap en variatie in de woorden die het eerst worden gezegd. Omgeving en cultuur spelen een belangrijke rol in de variatie.

  1. Differentiatiefase (2½-5 jaar): rond het vierde levensjaar beheerst een kind alle klanken: het fonologisch bewustzijn is behoorlijk ontwikkeld. Ook de woordenschat wordt zeer uitgebreid. Metalinguïstisch bewustzijn: een kind kan oordelen tussen juist en onjuist taalgebruik. Kinderen zijn beter in staat om woorden aan te passen. Ze kunnen nog veel stotteren en haperen doordat ze veel tot hun beschikking hebben, maar hun werkgeheugen nog niet goed ontwikkeld is. Problemen in de vloeiendheid vallen weg zodra een kind begint te zingen.

  2. Voltooiingsfase (5-9 jaar): de laatste belangrijke taalvaardigheden komen tot stand. Er is ontwikkeling van samengestelde zinnen. Het taalgebruik wordt veelzijdiger (toepassing van grammatica). Kinderen gaan leren dat het gebruiken en begrijpen van taal ook contextonafhankelijk kan zijn (naar de juf netter dan naar de ouders). Een kind kan dus denken over taal. Dit is belangrijk voor het leren lezen en schrijven.

Bekijk de links op de sheets voor een concreet ontwikkelingsverloop.

 

Taalstoornissen

Hier is weinig over bekend, ook door variëteit en modaliteiten in taal. Taalstoornissen kunnen op verschillende manieren gedefinieerd worden:

  • vertraagde taalontwikkeling: vaststelling kan vanaf 4 jaar, omdat er vóór 4 jaar nog teveel variatie is

  • andersoortige of gestoorde taalontwikkeling: taalontwikkeling verloopt echt anders

  • een combinatie van het bovenstaande

 

Taalproblemen kunnen op twee manieren worden onderscheiden

  • Medisch-psychiatrisch perspectief: je deelt een stoornis in volgens een bepaalde categorie (bijvoorbeeld in de DSM).

  • Specialistisch spraak-taal perspectief: je legt meer de nadruk op de taal zelf: taalbegrip, taalproductie.

 

Taalindeling van descriptieve categoriale classificatie DSM-IV-TR

  • Taal: expressieve of gemengd receptieve-expressieve taalstoornis. Receptief gaat samen met expressief. Wanneer het begrip niet goed is, is de expressie ook niet goed.

  • Spraak: fonologische stoornis (weglating en vorming van klanken) of stotteren (haperen en herhalen)

  • Overig: communicatiestoornissen NAO

In de DSM-5 is er een social communication disorder, waarbij er problemen in de pragmatiek zijn. Hierbij is overlap met ASS.

 

Indeling volgens Goorhuis & Schaerlaekens:

  • Niet-specifieke taalontwikkelingstoornissen (secundair): taalstoornis als gevolg van een onderliggend probleem

  • Specifieke taalontwikkelingstoornis (primair)

  • Verworven afasie: achteruitgang van taal door hersenletsel.

In de literatuur worden verschillende termen gebruikt voor taalstoornissen. Dit maakt het lastig om de prevalentie van taalstoornissen te achterhalen.

 

(Niet)specifieke taalstoornissen

Niet specifieke taalstoornissen worden verklaard door o.a. het onvermogen tot luisteren (verminderde gehoorscherpte), slechte motorische beheersing, slechte contactname (dat wil zeggen contact met omgeving waardoor taal gestimuleerd wordt) en achterstand in het algemene leervermogen (bijvoorbeeld door een verstandelijke beperking).

De verklaring voor specifieke taalstoornissen is vooralsnog onbekend. Er is vermoedelijk een combinatie van aanleg/rijping en omgevingsfactoren. Er is een bepaald gen gevonden, maar dit werd niet bij alle kinderen met een specifieke taalstoornis gevonden.

 

De vraagstelling omtrent taalstoornissen kan breed of specifiek zijn. Bij de bredeband diagnostiek is er sprake van een algemene taalstoornis. Bij specifieke taal-spraak problemen wordt er juist doorverwezen.

 

Klacht- en probleemanalyse

Het is belangrijk om verschillende dingen na te vragen bij de ouders (in de intake en de screening), zoals het taalontwikkelingsverloop en het huidige taalgedrag. In de anamnese wordt er o.a. gevraagd naar de communicatie (zowel verbaal als non-verbaal), het taalontwikkelingsverloop en huidig taalgedrag (kwantitatief en kwalitatief). Ook wordt er gekeken naar het dossier voor de bestudering van eerdere onderzoeksgegevens.

In de screening wordt gevraagd naar allerlei algemene taalontwikkelingen, zoals brabbelen, eerste woordjes en verstaanbaarheid. Screeningsvragenlijsten kunnen ook pragmatisch zijn. Dan wordt er getest hoe het kind taal inzet in sociale situaties.

 

Bekijk de sheets voor een uitwerking van verschillende taaltesten.

 

Er kunnen verschillen zijn tussen het toepassen van taal op school of in de vrije tijd. Soms lijkt een kind taalproblemen te hebben omdat hij of zij de taal op school niet goed lijkt te beheersen, maar in niet-schoolse settings kan datzelfde kind totaal geen problemen hebben. Dit is belangrijk om mee te nemen in de diagnostiek

 

College 10: Casuïstiek

 

Casus

In het college werd de casus van 13-jarige jongen besproken. Hij zit op een mytylschool en kreeg het advies om op deze school verder te gaan. Hij en zijn ouders zijn niet tevreden met dit oordeel en ze willen weten of hij eventueel naar het praktijkonderwijs zou kunnen (is dit een goed advies?), hiermee proberen zij onderstimulering te voorkomen. Zie de sheets voor de invulling van de diagnostische cyclus aan de hand van deze casus.

 

Aanmelding

Wanneer je je bij een GGZ instelling aanmeldt, heb je een verwijzing van de huisarts nodig. De opdrachtgever is degene die iemand aanmeld, de cliënt is degene waar de aanmelding over gaat, vaak is dit het kind. Wanneer de behandeling gericht is op de ouder(s) en het kind, zijn beide partijen cliënt.

 

Tijdens de aanmelding wil je als professional duidelijk krijgen:

  • wat wil de cliënt weten en waarom

  • wat zijn de verwachtingen

  • wat is het motief

  • waarom juist bij deze instelling

  • wanneer is besloten tot aanmelding en waarom op dat moment

  • wanneer verwacht de cliënt een reactie van de diagnosticus

Als professional moet je besluiten of de aanmelding voortgezet kan worden. Hiervoor is ook toestemming nodig van het kind. Vanaf 16 jaar hebben ouders geen zeggenschap meer over de aanmelding.

 

Klachtenanalyse

De bron van de klachtenanalyse is een gesprek met de ouders en soms ook met het kind. Aan de hand hiervan doet de diagnosticus een klachteninventarisatie: op een rijtje zetten wat precies de problematiek is op verschillende deelgebieden. Ook de positieve dingen worden op een rijtje gezet. Vervolgens worden de hulpvragen geformuleerd. Dit is de vraag die je als diagnosticus gaat onderzoeken. De hulpvraag is onderkennend en indicerend. De klachtenanalyse is zeer systematisch.

 

Probleemanalyse

De probleemanalyse bestaat uit:

  • Beschrijving en inventarisatie van het probleemgedrag. Je gaat clusters maken.

  • Ordening en benoeming

  • Taxatie van de ernst

  • Risico- en beschermende factoren

 

Verklaringsanalyse

Er worden verklarende hypothesen geformuleerd waarin je uitspraken doet over factoren die zorgen voor de instandhouding of de oorzaken van het gedrag. Vaak is er andere problematiek verbonden aan de eindproblematiek. Er worden vervolgens toetsbare verklaringen (geen richtinggevende hypothesen meer!) geformuleerd: wat ga je precies onderzoeken? Per hypothese geef je toelichting en zoek je passende onderzoeksmiddelen uit. Na het toetsen van de hypothesen evalueer je de uitkomsten. Per hypothese ga je na of deze kan aannemen, aanhouden of verwerpen. De verklarende diagnose is de informatie die je verkrijgt vanuit je onderzochte hypothesen. Er kan een integratief beeld worden opgesteld waarin het probleemgedrag wordt beschreven, de verklarende hypothesen worden aangenomen en verklarende diagnose aangehouden wordt voor verder onderzoek. Het is belangrijk om de protectieve factoren mee te nemen in het integratief beeld (dit integratieve beeld bevat alle informatie bij elkaar). Zie sheets voor hypothesen. 15wt betekent 15 woordentest. In deze test krijgt het kind 15 woorden te horen/lezen en moet het na een bepaalde tijd de woorden herhalen. Dit doet een beroep op het geheugen.

 

Indicatie analyse

De protectieve –en risicofactoren worden op een rijtje gezet. Je komt tot een (wetenschappelijk) verantwoorde aanbeveling voor de aanpak:

  • is behandeling nodig?

  • is behandeling mogelijk?

  • is behandeling wenselijk?

Er worden globale of specifieke doelen geformuleerd en er worden interventies geselecteerd en het nut daarvan afgewogen.

 

Advies

Er wordt een beargumenteerd antwoord gegeven op de hulpvraag. Hierbij verschilt begeleiding (hanteren van de moeilijkheden) van behandeling (gericht op veranderingen). Het adviesgesprek is vaak een slechtnieuws gesprek. Als diagnosticus moet je beginnen met het slechte nieuws, dat schept duidelijkheid voor de ouders. De reactie kan emotioneel zijn, voor ouders/cliënt is het fijn om dit even te laten bezinken. In dit gesprek ligt het accent ook op de indicatie, waarmee de diagnosticus duidelijk maakt aan ouders wat ze mogen en kunnen verwachten. Daarna wordt een follow-up afspraak gemaakt.

Het adviesgesprek is de fase tussen de diagnostiek en de behandeling.

 

Verslag

In het verslag wordt verantwoording afgelegd in verschillende stappen en vormt een verantwoord antwoord op papier. Het verslag is zowel voor collega’s als voor de cliënt ter inzage. Zie laatste sheet voor de eisen aan het verslag.

 

 

Contributions, Comments & Kudos

Add new contribution

CAPTCHA
This question is for testing whether or not you are a human visitor and to prevent automated spam submissions.
Image CAPTCHA
Enter the characters shown in the image.
Summaries & Study Note of World Supporter Cycle
Join World Supporter
Join World Supporter
Log in or create your free account

Why create an account?

  • Your WorldSupporter account gives you access to all functionalities of the platform
  • Once you are logged in, you can:
    • Save pages to your favorites
    • Give feedback or share contributions
    • participate in discussions
    • share your own contributions through the 11 WorldSupporter tools
Content
Access level of this page
  • Public
  • WorldSupporters only
  • JoHo members
  • Private
Statistics
24